{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De verzekeraar heeft [eiser sub 1 in conventie in de hoofdzaak] bij de opzegging ook niet gewezen op de mogelijkheid om de aanmeldperiode te verlengen. Bovendien had de curator geen middelen om nog premie te voldoen. [eiser sub 1 in conventie in de hoofdzaak] voert bovendien aan dat volgens de verzekeraar uitloopdekking al gekocht had moeten worden vóórdat het faillissement werd uitgesproken, en dat de verzekering geen dekking zou hebben geboden. [eiser sub 1 in conventie in de hoofdzaak] doet tot slot een beroep op eigen schuld van [gedaagde sub 1 in conventie in de hoofdzaak] en [gedaagde sub 2 in conventie in de hoofdzaak] - zij kenden de polis en hadden eerder actie moeten ondernemen richting de verzekeraar en/of de curator - en op hun schadebeperkingsplicht, in het kader waarvan zij de verzekeraar mogelijk met succes hadden kunnen aanspreken wegens het per direct en zonder meer beëindigen van de polis.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank overweegt als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vraag of de curator hier een persoonlijk verwijt treft kan hier naar het oordeel van de rechtbank in het midden worden gelaten. [gedaagde sub 1 in conventie in de hoofdzaak] en [gedaagde sub 2 in conventie in de hoofdzaak] hebben namelijk onvoldoende onderbouwd dat als de BCA-polis niet was opgezegd door de curator deze verzekering dekking had geboden. In een brief van 17 maart 2022 heeft Centraal Beheer immers, nadat zij kennis had genomen van het beslagrekest en de dagvaarding van de curator in de hoofdzaak, het standpunt ingenomen dat de polis geen dekking zou hebben geboden gelet op het bepaalde in de artikelen 6 en 26 van de toepasselijke Lbb-15 voorwaarden. Volgens Centraal Beheer deugde de constructie van de stichting van meet af aan niet, en was er dus al vóórdat de verzekering inging sprake van gebeurtenissen op basis waarvan de verzekeringnemer wist of kon vermoeden dat een verzekerde hiervoor aansprakelijk gesteld zou worden (artikel 6 Lbb-15).</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens Centraal Beheer veinsde de stichting een ideële doelstelling en handelden [gedaagde sub 1 in conventie in de hoofdzaak] en [gedaagde sub 2 in conventie in de hoofdzaak] in werkelijkheid met de bedoeling [gedaagde sub 3 in conventie in de hoofdzaak] en zichzelf te bevoordelen (artikel 26 Lbb15). Bij de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [gedaagde sub 1 in conventie in de hoofdzaak] en [gedaagde sub 2 in conventie in de hoofdzaak] weliswaar gesteld dat Centraal Beheer zich niet met succes op de artikelen 6 en 26 Lbb-15 zou hebben kunnen beroepen, maar de argumenten die hij daarvoor heeft genoemd - voor aanvang van de polis was er nog geen contract met de gemeente Groningen, tot eind 2016 was sprake van een positief resultaat, en artikel 26 ziet alleen op fraudegevallen - overtuigen niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op wat de rechtbank in de hoofdzaak heeft geoordeeld over de aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1 in conventie in de hoofdzaak] en [gedaagde sub 2 in conventie in de hoofdzaak] , is onvoldoende onderbouwd dat Centraal Beheer een onhoudbaar standpunt inneemt en dat dekking niet kon worden geweigerd. Daarmee ontbreekt het voor aansprakelijkheid vereiste causaal verband tussen de opzegging van de BCA-polis door de curator en de schade die [gedaagde sub 1 in conventie in de hoofdzaak] en [gedaagde sub 2 in conventie in de hoofdzaak] lijden door het ontbreken van verzekeringsdekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vorderingen van [gedaagde sub 1 in conventie in de hoofdzaak] en [gedaagde sub 2 in conventie in de hoofdzaak] gericht op vrijwaring door [eiser sub 1 in conventie in de hoofdzaak] zullen daarom worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.6. [gedaagde sub 1 in conventie in de hoofdzaak] en [gedaagde sub 2 in conventie in de hoofdzaak] zijn in deze vrijwaringszaak II in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser sub 1 in conventie in de hoofdzaak] in deze vrijwaringszaak II worden begroot op:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>griffierecht € 2.277,00</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>salaris advocaat € 5.428,00 (2,00 punten × € 2.714,00)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>nakosten € 178,00 Totaal € 7.883,00 7.7.</div>\n<p class=\"lf-p\">De rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals gevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">8De beslissing in hoofdzaak en in vrijwaringszaken I en II De rechtbank in de hoofdzaak: in conventie 8.1. verklaart voor recht dat [gedaagde sub 1 in conventie in de hoofdzaak] , [gedaagde sub 2 in conventie in de hoofdzaak] en [gedaagde sub 3 in conventie in de hoofdzaak] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het boedeltekort in het faillissement van de stichting, 8.2. veroordeelt [gedaagde sub 1 in conventie in de hoofdzaak] , [gedaagde sub 2 in conventie in de hoofdzaak] en [gedaagde sub 3 in conventie in de hoofdzaak] hoofdelijk om aan de curator te voldoen het boedeltekort in het faillissement van de stichting, welk tekort dient te worden opgemaakt bij staat, 8.3. veroordeelt [gedaagde sub 1 in conventie in de hoofdzaak] , [gedaagde sub 2 in conventie in de hoofdzaak] en [gedaagde sub 3 in conventie in de hoofdzaak] hoofdelijk in de proces- en beslagkosten van de curator van € 18.233,51, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde sub 2 in conventie in de hoofdzaak] , [gedaagde sub 1 in conventie in de hoofdzaak] en [gedaagde sub 3 in conventie in de hoofdzaak] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 8.4. veroordeelt [gedaagde sub 1 in conventie in de hoofdzaak] om aan de curator te betalen € 378,99 aan beslagkosten, 8.5. veroordeelt [gedaagde sub 2 in conventie in de hoofdzaak] om aan de curator te betalen € 376,51 aan beslagkosten, 8.6. veroordeelt [gedaagde sub 3 in conventie in de hoofdzaak] om aan de curator te betalen € 374,34 aan beslagkosten, 8.7. wijst het meer of anders gevorderde af, in reconventie 8.8. wijst de vorderingen van [gedaagde sub 3 in conventie in de hoofdzaak] af, 8.9. veroordeelt [gedaagde sub 3 in conventie in de hoofdzaak] in de proceskosten van de curator van € 1.367,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde sub 3 in conventie in de hoofdzaak] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 8.10. veroordeelt [gedaagde sub 3 in conventie in de hoofdzaak] tot betaling aan de curator van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, in conventie en in reconventie 8.11. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad, in vrijwaringszaak I:</p>\n<p class=\"lf-p\">8.12. verklaart voor recht dat [gedaagde sub 3 in conventie in de hoofdzaak] , [gedaagde sub 1 in conventie in de hoofdzaak] en [gedaagde sub 2 in conventie in de hoofdzaak] in hun onderlinge verhouding jegens elkaar onderscheidenlijk voor 50%, 25% en 25% dienen bij te dragen aan het tekort in het faillissement van de stichting als bedoeld in 8.1., 8.13. veroordeelt [gedaagde sub 3 in conventie in de hoofdzaak] in de proceskosten van [gedaagde sub 1 in conventie in de hoofdzaak] en [gedaagde sub 2 in conventie in de hoofdzaak] van € 5.606,00,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,- plus de kosten van betekening als [gedaagde sub 3 in conventie in de hoofdzaak] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 8.14. veroordeelt [gedaagde sub 3 in conventie in de hoofdzaak] tot betaling aan [gedaagde sub 1 in conventie in de hoofdzaak] en [gedaagde sub 2 in conventie in de hoofdzaak] van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 8.15. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad, in vrijwaringszaak II:</p>\n<p class=\"lf-p\">8.16. wijst de vorderingen van [gedaagde sub 1 in conventie in de hoofdzaak] en [gedaagde sub 2 in conventie in de hoofdzaak] af, 8.17. veroordeelt [gedaagde sub 1 in conventie in de hoofdzaak] en [gedaagde sub 2 in conventie in de hoofdzaak] hoofdelijk in de proceskosten van [eiser sub 1 in conventie in de hoofdzaak] van € 7.883,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,- plus de kosten van betekening als [gedaagde sub 1 in conventie in de hoofdzaak] en [gedaagde sub 2 in conventie in de hoofdzaak] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 8.18. veroordeelt [gedaagde sub 1 in conventie in de hoofdzaak] en [gedaagde sub 2 in conventie in de hoofdzaak] hoofdelijk tot betaling aan [eiser sub 1 in conventie in de hoofdzaak] van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 8.19. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit vonnis is gewezen door mr. K.A. Maarschalkerweerd en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2024.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie overgangsbepaling artikel XV lid 1 van de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor deze criteria artikel 1 lid 1 sub e juncto artikel 4 sub a van de Wet Vpb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1099 Hoge Raad 11 juni 1003, ECLI:NL:HR:1993:ZC0994 (Brens q.q./Sarper) Hoge Raad 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2932 Hoge Raad 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:445 Zie o.a. rechtbank Rotterdam 20 januari 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BL7424 ro. 2.5</p></div>", "next": 0}