{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De in het feitenoverzicht aangehaalde uitlatingen van [gedaagde] maken duidelijk dat hij niet bereid is om zich vrijwillig aan de regels uit de Persrichtlijn te conformeren. Hij stelt dat de Persrichtlijn in strijd is met jurisprudentie van het EHRM omdat er een discriminatoir onderscheid wordt gemaakt tussen professionele en niet-professionele journalisten. [gedaagde] doet in dat kader een rechtstreeks beroep op het Europees recht. [gedaagde] verwijst daarbij onder meer naar de zaak Tarsasag a Szabadsagjogokért v Hungary van het EHRM van 14 april 2009 waarin het EHRM als volgt heeft overwogen: “In view of the interest protected by Article 10, the law cannot allow arbitrary restrictions which may become a form of indirect censorship should the authorities create obstacles to the gathering of information. For example, the latter activity is an essential preparatory step in journalism and is an inherent, protected part of press freedom (see Dammann v. Switzerland (no. 77551/01, § 52, 25 April 2006). The function of the press includes the creation of forums for public debate. However, the realisation of this function is not limited to the media or professional journalists.” [gedaagde] heeft echter onvoldoende onderbouwd waarom het in de Persrichtlijn gemaakte onderscheid tussen professionele en niet professionele journalisten moet worden aangemerkt als “arbitrary restrictions” die leiden tot een “form of indirect censorship”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het enkele feit dat in de Persrichtlijn onderscheid wordt gemaakt tussen journalisten met en zonder perskaart is daarvoor onvoldoende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover [gedaagde] stelt dat hij naar verwachting ook geen toestemming zal krijgen om opnames te maken als hij wel als professionele journalist staat geregistreerd bij de NVJ, geldt – los van het voorshands speculatieve karakter van deze bewering - dat het [gedaagde] er uitsluitend om is te doen is om opnames te maken in zaken waarin hij zelf partij is. Hij kan in die hoedanigheid in elk geval niet worden aangemerkt als een onafhankelijk journalist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom is dat de voorzieningenrechter – mede in het licht van de aanhoudende aankondigingen van [gedaagde] om ondanks alles opnames te maken - voldoende aanleiding om [gedaagde] te verbieden dergelijke opnames te maken tenzij hij daarvoor op grond van de Persrichtlijn toestemming heeft verkregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder (v) vordert de Staat een verbod voor [gedaagde] om kort gezegd persoonlijke gegevens van rechters en andere medewerkers van de rechtspraak en advocaten die de Staat bijstaan en onder (iv) bedoelde opnames te verzamelen, publiceren of verspreiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het publiceren van die gegevens vormt een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokken personen. [gedaagde] heeft niet aannemelijk gemaakt welk rechtens te beschermen belang hij heeft bij het publiceren van dergelijke gegevens. [gedaagde] lijkt de (dreiging met) het openbaar maken van de gegevens enkel te gebruiken om de betrokkenen te intimideren, al dan niet om daarmee de uitkomst van de door hem aanhangige procedures te beïnvloeden. Dat is in elk geval geen beschermwaardig belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook hiervoor geldt dat [gedaagde] ondanks meerdere oproepen niet stopt met zijn aankondigingen om persoonsgegevens in de openbaarheid te brengen. De voorzieningenrechter ziet niet in waarom de Staat die dreigingen niet serieus zou mogen nemen. De dreiging van onrechtmatig handelen is derhalve reëel te noemen en de Staat heeft onder die omstandigheden voldoende belang bij een verbod zoals gevorderd teneinde haar medewerkers te beschermen tegen dreigende onrechtmatige inbreuken op hun persoonlijke levenssfeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat geldt ook voor de advocaten die de Staat in deze en andere zaken tegen [gedaagde] bijstaan. De Staat komt net als ieder ander rechtssubject het recht toe zich van rechtsbijstand te voorzien in procedures waarbij zij betrokken is en heeft er als opdrachtgever voldoende belang bij dat de door haar aangezochte advocaten hun werkzaamheden naar behoren kunnen uitvoeren en daarbij worden gevrijwaard van onrechtmatige op hun persoon gerichte inbreuken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het publiceren van opnames die zijn gemaakt in gerechtsgebouwen in strijd met de Persrichtlijn moet voorshands eveneens onrechtmatig worden geacht. In hoeverre [gedaagde] dergelijke opnames heeft gemaakt is niet duidelijk, maar gelet op het feit dat [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat hij niet aan de Persrichtlijn is gebonden en voornemens is opnames te maken teneinde deze te publiceren, is sprake van een voldoende concrete dreiging dat eventuele opnames zullen worden gepubliceerd. Een verbod is daarmee gerechtvaardigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat betekent dat vordering (v) zal worden toegewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering (vi) strekt tot oplegging van een gebod voor [gedaagde] om alle privégegevens van rechter en medewerkers van de gerechten en hun gezinsleden van de door hem beheerde websites en sociale media te verwijderen en verwijderd te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals hierboven reeds geoordeeld is voldoende aannemelijk dat het publiceren van die gegevens onrechtmatig is jegens de Staat. Daarmee bestaat voldoende grond om [gedaagde] te veroordelen gepubliceerde gegevens te verwijderen en verwijderd te houden. Dat geldt in het bijzonder voor de huwelijksakte van de president van de rechtbank Den Haag die recentelijk door [gedaagde] in niet-geanonimiseerde vorm is geplaatst bij een post op LinkedIn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan sommaties om de huwelijksakte te verwijderen heeft [gedaagde] geen gehoor gegeven. [gedaagde] heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat het publiceren van de huwelijksakte enig rechtens te beschermen doel dient.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering zal daarom worden toegewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Resteert nog de primaire vordering onder (vii). Die strekt ertoe de uit te spreken geboden en verboden uitvoerbaar te verklaren bij lijfsdwang. Uit artikel 587 Rv volgt dat lijfsdwang alleen kan worden opgelegd indien aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden en het belang van de schuldeiser toepassing ervan rechtvaardigt. Die situatie doet zich in dit geval naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er bestaat om te beginnen voldoende grond om aan te nemen dat [gedaagde] zich niet vrijwillig aan de hierna op te leggen geboden en verboden zal houden. Dat heeft hij zelf namelijk meermaals expliciet kenbaar gemaakt, zoals onlangs nog bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in dit kort geding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder acht de voorzieningenrechter ook voldoende aannemelijk gemaakt dat een minder ingrijpend dwangmiddel zoals de dwangsom voor [gedaagde] een onvoldoende prikkel tot nakoming zal bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband heeft de Staat onweersproken aangevoerd dat uit ervaringen in het verleden is gebleken dat [gedaagde] geen verhaal biedt voor eventueel verbeurde dwangsommen. De Staat wijst daarbij op het feit dat [gedaagde] in (bestuursrechtelijke) procedures al veelvuldig is veroordeeld in de proceskosten, maar dat die proceskosten onverhaalbaar bleken te zijn bij gebreke van (bekend) uitwinbaar inkomen of vermogen. Evenmin heeft [gedaagde] de stelling van de Staat weersproken dat hij reeds eerder onder verbeurte van dwangsommen is veroordeeld om zich te onthouden van publicatie van persoonsgegevens en dat hij zich door die dwangsommen niet heeft laten weerhouden om het opgelegde verbod meermaals te overtreden. Dat [gedaagde] geen verhaal biedt voor eventueel te verbeuren dwangsommen indien hij zich niet aan dit vonnis houdt ligt verder in lijn met zijn eigen stellingen, voor zover die inhouden dat hij onvermogend is en uit dien hoofde in aanmerking komt voor een toevoeging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het belang van de Staat bij nakoming van de toewijsbaar geachte voorzieningen rechtvaardigt de toepassing van lijfsdwang. Het gaat om structureel en manifest onrechtmatig handelen met een grote impact op de betrokken personen alsook op het functioneren van de rechtspraak in Nederland. De Staat heeft er als werkgever/opdrachtgever van de betrokken medewerkers alsook als bewaker van een goede rechtspleging een zwaarwegend belang bij dat de nakoming van de geboden en verboden kan worden afgedwongen door inzet van het uiterste middel dat ter beschikking staat: lijfsdwang.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gevorderde lijfsdwang zal daarom worden toegestaan zoals vermeld in de beslissing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Al hetgeen overigens nog door partijen is aangevoerd en hiervoor niet is besproken leidt niet tot een andere beoordeling of afweging.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.23. [gedaagde] is goeddeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. Omdat [gedaagde] zijn tweede wrakingsverzoek 2 minuten voor aanvang van de zitting op 7 mei 2025 indiende en de Staat en haar vertegenwoordigers daarom vergeefs naar ’s-Hertogenbosch waren afgereisd ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het toepasselijke liquidatietarief (uitgaande van een complexe zaak) met factor 1,5 te vermenigvuldigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De proceskosten van de Staat worden daarom begroot op:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>kosten van de dagvaarding € 145,45</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>griffierecht € 714,00</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>salaris advocaat € 2.491,50 Totaal € 3.350,95 4.24.</div>\n<p class=\"lf-p\">De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert.</p>\n<p class=\"lf-p\">5De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. veroordeelt [gedaagde] om gedurende een aaneengesloten periode van twee jaar in bestuursrechtelijke en civielrechtelijke procedures bij de rechtbanken, gerechtshoven, het College van beroep voor het bedrijfsleven, de Centrale Raad van Beroep en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die hij als eiser of verzoeker start na de datum van dit vonnis, niet in persoon maar uitsluitend bij advocaat te procederen, zich ter zitting in die procedures te laten vertegenwoordigen door een advocaat en zich in die procedures niet anders dan via een advocaat te richten tot of te communiceren met de rechtspraak, een en ander met uitzondering van verzoeken om opnames te maken als hierna bedoeld onder 5.4, 5.2. bepaalt dat, wanneer [gedaagde] in strijd handelt met de veroordeling onder 5.1, de aldaar genoemde termijn van twee jaar zal worden verlengd met een aaneengesloten periode van één jaar, zulks tot een maximum van (in totaal) drie jaar is bereikt, 5.3. veroordeelt [gedaagde] om zich te onthouden van het schriftelijk of telefonisch rechtstreeks benaderen van rechters en andere medewerkers van de rechtspraak die werkzaam zijn bij de onder 5.1. genoemde gerechten en de Raad voor de Rechtspraak en haar landelijke diensten (Bureau voor de rechtspraak, LDCR, IVO en SSR), 5.4. verbiedt [gedaagde] om in de gerechtsgebouwen van de onder 5.1. genoemde gerechten en de gebouwen van de andere onder 5.3. genoemde organisatieonderdelen beeld- en geluidsopnames te maken, tenzij hij die op grond van het bepaalde in de Persrichtlijn mag maken, 5.5. veroordeelt [gedaagde] om zich te onthouden van het verzamelen, (doen) publiceren, verwerken en/of verspreiden, in welke vorm en op welke plaats dan ook, van (d) adresgegevens en andere privégegevens van rechters en andere medewerkers van de rechtspraak die werkzaam zijn bij de onder 5.1. genoemde gerechten en de onder 5.3. genoemde organisatieonderdelen en van hun gezinsleden; (e) adresgegevens en andere privégegevens van advocaten die de Staat bijstaan in zaken waarbij [gedaagde] betrokken is en van hun gezinsleden; (f) de onder 5.4. genoemde opnames tenzij het maken ervan hem op grond van de Persrichtlijn is toegestaan, 5.6. veroordeelt [gedaagde] om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis alle privégegevens van rechters en medewerkers van de onder 5.1. genoemde gerechten en van hun gezinsleden, waaronder in elk geval (de informatie uit) de huwelijksakte van de president van de rechtbank Den Haag, van zijn LinkedIn-pagina of eventuele andere (mede) door [gedaagde] beheerde websites of pagina’s op sociale media, te verwijderen en verwijderd te houden,</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij lijfsdwang op de volgende wijze: voor elke overtreding van de onder 5.1. uitgesproken veroordeling voor de duur van vijf dagen; voor elke overtreding van de onder 5.3. uitgesproken veroordeling voor de duur van drie dagen; voor elke overtreding van het onder 5.4. uitgesproken verbod voor de duur van één dag; voor elke overtreding van de onder 5.5. uitgesproken veroordeling voor de duur van drie dagen; voor elke dag dat [gedaagde] na de begunstigingstermijn niet voldaan heeft aan de onder 5.6. uitgesproken veroordeling, dit met een maximum van 30 dagen;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8. bepaalt dat de totale duur van de lijfsdwang wegens overtreding van de opgelegde verboden en geboden tezamen maximaal één jaar bedraagt, 5.9. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 3.350,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, 5.10. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.11. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.12. wijst het meer of anders gevorderde af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit vonnis is gewezen door mr. W. Schoorlemmer en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2025.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover in de voetnoten verwezen wordt naar producties worden daarmee producties van de Staat bedoeld, tenzij uit de noot zelf blijkt dat de productie door [gedaagde] is overgelegd Rechtbank Rotterdam 8 september 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:6917 Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, 6 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3310 Rechtbank Rotterdam 17 mei 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:4060 Rechtbank Rotterdam, 3 mei 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:3397 ECLI:NL:RBROT:2019:593 ECLI:NL:RBROT:2019:4060 ECLI:NL:RBROT:2024:11383 Zie o.m. ECLI:NL:RVS:2018:3558 ABRvS 22 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2017: nrs 1648, 1649, 1650, 1652, 1653, 1654, 1655 en 1656 Hof Den Haag 16 juni 2021, ECLI:GHDHA:2021:1080, r.o. 4.16 - 4.19 Ontleend aan de opsomming van de Staat in noot 31 van de inleidende dagvaarding:</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Rotterdam 17 januari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:644; rechtbank Rotterdam 17 januari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:643; rechtbank Rotterdam 16 december 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:12621;rechtbank Rotterdam 16 december 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:12598; rechtbank Rotterdam 16 december 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:13110; rechtbank Rotterdam 29 november 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:11779; (vzr.) rechtbank Rotterdam 22 november 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:11593; rechtbank Rotterdam 21 november 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:11530; rechtbank Rotterdam 15 november 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:11312; rechtbank Rotterdam 15 november 2024, ECU: NL:RBROT:2024: 11298; rechtbank Rotterdam 8 november 2024, ECU: NL:RBROT: 2024:10826; rechtbank Rotterdam 8 november 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:10827; rechtbank Rotterdam 8 november 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:10829; rechtbank Rotterdam 8 november 2024, ECLI:NL:RBROT: 2024:10830; rechtbank Rotterdam 8 november 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:10831; rechtbank Rotterdam 4 november 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:10852;</p>\n<p class=\"lf-p\">Centrale Raad van Beroep 15 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2031; rechtbank Rotterdam 24 september 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:8962; rechtbank Rotterdam 24 september 2024, ECLI:NL:RBROT: 2024:8970; rechtbank Rotterdam 24 september 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:8971; rechtbank Rotterdam 20 september 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:9069; rechtbank Rotterdam 20 september 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:9070; rechtbank Rotterdam 20 september 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:9075; rechtbank Rotterdam 30 april 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:3837; Centrale Raad van Beroep 23 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:768; Centrale Raad van Beroep 22januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:613; Centrale Raad van Beroep 12 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:361; (vzr.) rechtbank Rotterdam 20 december 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:11931; rechtbank Rotterdam 19 december 2023, ECU: NL:RBROT:2023:11892; rechtbank Den Haag 30 november 2023, ECLI:NL:RBDHA: 2023:21782; Afdeling 1 november 2023, ECU:NL:RVS:2023:4063, AB 2024/10; rechtbank Rotterdam 21 augustus 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:7426; rechtbank Rotterdam 21 februari 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:1155; rechtbank Rotterdam 18 april 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:3578; rechtbank Rotterdam 8 december 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:11171; rechtbank Rotterdam 24 november 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:10099; rechtbank Rotterdam 22 november 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:10012; rechtbank Rotterdam 18 november 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:9934; rechtbank Rotterdam 18 november 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:9935;</p>\n<p class=\"lf-p\">Centrale Raad van Beroep 15 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2416; rechtbank Rotterdam 15 november 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:9845; rechtbank Rotterdam 15 november 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:9843; rechtbank Rotterdam 16 maart 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:1866; rechtbank Rotterdam 16 maart 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:1865; rechtbank Rotterdam 10 maart 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:1710; rechtbank Rotterdam 10 maart 2022, ECU: NL: RBROT:2022: 1711; Centrale Raad van Beroep 18 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:105; rechtbank Rotterdam 5 oktober 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:9391; rechtbank Rotterdam 22 september 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:9079; rechtbank Rotterdam 8 mei 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:4163; rechtbank Rotterdam 16 maart 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:2692; rechtbank Rotterdam 2 september 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:6990; rechtbank Rotterdam 24 juni 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:5290; rechtbank Rotterdam 6 juli 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:5643; rechtbank Rotterdam 3 mei 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:3670; rechtbank Rotterdam 8 september 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:6995.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Rotterdam 13 juli 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:7145 ECLI:NL:RBROT:2024:7245 Productie 15; e-mail van 18 juni 2020 Diezelfde productie Productie 18; e-mail van 28 juli 2020 Productie 19 Productie 21 Productie 22 Productie 23 Productie 24 Productie 25 Productie26 Productie 27 Productie 28 Productie 29 Productie 30 Productie 31 Productie 32 Productie 33 Productie 34 Productie 34 Productie 36 Productie 37 Productie 38 Productie 39 Productie 14 Productie 41 Productie 42 Productie 43 Productie 44 Productie 46 ECLI:NL:RBROT:2024:11383 Productie 20 Productie 47 Productie 48 Productie 49 Productie 27 Productie 31 Productie 52 Productie 53 Productie 54 Productie 35 Productie 55 Productie 56 Productie 57 Productie 40 Productie 58 Kortheidshalve wordt hier verwezen naar de producties 12, 17 en 65 tot en met 70; het betreft hier brieven uit de periode 2020 - 2024 Productie 68 Productie 1 Productie 60 Productie 10 Productie 10 Productie 45 Productie 2 Productie 77 Productie 78 ECLI:NL:RVS:2025:3447 Vide de randnummers 5-8 van de pleitnota van [gedaagde] EHRM 28 mei 1985, ECLI:NL:XX:1985:AC8915 EHRM 17 januari 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0117JUD003676006 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, Rome, 04-11-1950 EHRM 12 december 2023 35511/20 Waaronder mede te begrijpen het bewaken van het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke autoriteiten Verwezen wordt naar de in noot 59 genoemde berichten van verschillende gerechtsbestuurders De Staat heeft onweersproken gewezen op een recente strafrechtelijke veroordeling van [gedaagde] op 28 juli 2025. [gedaagde] is wegens schriftelijke belediging van een rechter veroordeeld tot een taakstraf van 40 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken. Tevens is de tenuitvoerlegging bevolen van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van twee weken EHRM 14 april 2009, nr. 37374/05, Zie de onder 1.6 aangehaalde e-mail van de voorzieningenrechter aan [gedaagde] van 6 mei 2025 Rechtbank Rotterdam 7 mei 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:6497, bevestigd door het Hof Den Haag op 8 juni 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1329, waarbij het Hof de dwangsom alsook het dwangsommaximum zelfs drastisch verhoogde vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237 en HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.</p></div>", "next": 0}