{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">[verdachte] is per 1 januari 2019 vennoot geworden van [bedrijf 2 van verdachte] . Uit de jaarrekening van de [bedrijf 2 van verdachte] van 2019 (en daarna) blijkt niet dat hij op dat moment (of daarna) kapitaal heeft ingebracht in de onderneming. Ook uit de bankrekeningen van [bedrijf 2 van verdachte] blijkt niet van enige (financiële) inbreng van [verdachte] in de [bedrijf 2 van verdachte] . Evenmin blijkt uit het dossier dat een vennootschapscontract is opgesteld bij de toetreding van [verdachte] als vennoot of dat belangrijke informatie is besproken dan wel dat bepaalde afspraken zijn gemaakt, terwijl dit wel gebruikelijk is bij de toetreding van een vennoot tot een [bedrijf 2 van verdachte] .</p>\n<p class=\"lf-p\">In een dergelijk contract worden bijvoorbeeld afspraken gemaakt over de inbreng van de vennoot en de winstverdeling van de [bedrijf 2 van verdachte] . Ook ter zitting is geen duidelijkheid gekomen over de manier waarop [verdachte] toegetreden is tot [bedrijf 2 van verdachte] en wat zijn inbreng daarbij is geweest en wat zijn werkzaamheden daarna zouden zijn (werken binnen het autobedrijf of de inbreng van knowhow). Uit het dossier blijkt wel dat [verdachte] iedere maand € 7.000,- ontving. [medeverdachte 1] . en [medeverdachte 2] ontvingen na toetreding van [verdachte] € 3.250,-, respectievelijk € 2.000,-. Het is de rechtbank op geen enkele wijze duidelijk geworden waarom [verdachte] per maand meer dan het dubbele aan winstuitkering (door [verdachte] en [medeverdachte 1] . ‘loon’ genoemd) ontving dan de andere twee vennoten, terwijl uit het dossier niet blijkt dat hij een substantieel grotere inbreng in de [bedrijf 2 van verdachte] had wat betreft arbeid, kennis of geld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook lijkt het winstaandeel dat [verdachte] ontving in 2019 (39%) zich niet te verhouden tot de beperkte stijging van de fiscale winst van de [bedrijf 2 van verdachte] in 2019 ten opzichte van de twee voorgaande jaren. Kortom, de toetreding van Schalk als firmant in de [bedrijf 2 van verdachte] per 1 januari 2019 roept vanuit zakelijk, economisch perspectief vragen op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op vragen die bij de rechtbank leefden over de toetreding van [verdachte] als vennoot in de [bedrijf 2 van verdachte] per 1 januari 2019 is ter zitting geen helderheid gekomen. [verdachte] en [medeverdachte 1] . hebben ervoor gekozen zich te beroepen op hun zwijgrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">OVC-gesprekken Hoe een en ander in elkaar steekt wordt naar het oordeel van de rechtbank wel duidelijk uit de OVC-gesprekken die zijn opgenomen in de kantoorruimte van [bedrijf 2 van verdachte] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals de rechtbank onder 6.2 en 6.4 heeft overwogen wordt geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de uitwerking van de in het dossier aanwezige OVC-gesprekken. Door de raadslieden van [verdachte] en [medeverdachte 1] . is naar voren gebracht dat [verdachte] zich in de gesprekken schuldig zou hebben gemaakt aan grootspraak en dikdoenerij. Dat dit zo zou zijn, is echter op geen enkele wijze nader onderbouwd en, gelet op het gebrek aan een verdere verklaarbare uitleg over de inhoud van de OVC-gesprekken en andere onderzoeksbevindingen, ongeloofwaardig.</p>\n<p class=\"lf-p\">In verschillende OVC-gesprekken (die zijn opgenomen in de bewijsbijlage) doet [verdachte] uit de doeken dat [bedrijf 2 van verdachte] geen geld meer in kas had, dat hij (al jaren voor 1 januari 2019) contant geld heeft ingebracht, dat het autobedrijf feitelijk zijn bedrijf is en dat zijn geld via de [bedrijf 2 van verdachte] wordt wit gewassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo zegt [verdachte] tegen [medeverdachte 1] . in een gesprek op 11 november 2021: ‘Heb ik niets mee te maken het is mijn bedrijf [medeverdachte 1] , onthou dat goed he!’ Als [medeverdachte 1] . vervolgens aangeeft dat hij het ook prima vindt om te stoppen, zegt [verdachte] : ‘geef dan mijn geld terug’ en ‘Wat denkte gij van mij...ge doet gewoon, ge krijgt gewoon salaris en alles gaat door…Ik heb geen probleem he, dat hebben jullie veroorzaakt, ik niet. Ge bent al 20 jaar bezig en hebt je eigen geld opgemaakt en bent mijn geld ook op aan het maken, mag ik dan niet weten wat er in mijn bedrijf omgaat? (…) Nee, ik, elke keer…euh hoe lang zit ik hier…ik zit hier al 4 euh 5 jaar.’ Hieruit volgt dus dat [verdachte] al jaren voor dit gesprek actief was binnen [bedrijf 2 van verdachte] , hij er geld in heeft gestoken en het zelfs als zijn bedrijf ziet. Dit wordt bevestigd door de hiernavolgende (samenvattingen van) OVC-gesprekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 20 november 2021 vertelt [verdachte] aan zijn schoonvader dat hij in feite de eigenaar is van [bedrijf 2 van verdachte] en dat hij het pand samen met [medeverdachte 1] . en [medeverdachte 2] heeft gekocht. Gelet op het feit dat in het kadaster uitsluitend [medeverdachte 1] . en [medeverdachte 2] als eigenaren van het pand worden vermeld sinds 16 mei 2017, is ook dit een omstandigheid die vragen bij de rechtbank heeft opgeroepen. Ook hierover is ter zitting desgevraagd geen duidelijkheid gekomen. De rechtbank kan dan ook niet anders dan de conclusie trekken dat [verdachte] (onverklaarbaar, dat wil zeggen: niet afkomstig uit een kenbare legale bron) vermogen heeft ingebracht voor de aankoop van het pand. Ook vertelt [verdachte] tegen zijn schoonvader dat [medeverdachte 1] . niets te zeggen heeft, omdat alles van hem is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens een gesprek op 12 januari 2022 tussen [verdachte] , [medeverdachte 1] . en [medeverdachte 2] en zijn vrouw brengt [verdachte] wederom naar voren dat hij geld heeft ingebracht en dat [bedrijf 2 van verdachte] niet meer zou bestaan als hij dat niet gedaan had. [medeverdachte 1] . reageert daarop bevestigend en zegt dat [verdachte] daar wel € 100.000,- winst van heeft gehad. [verdachte] maakt duidelijk dat [medeverdachte 1] . niet zomaar van hem af kan, omdat niemand hem een half miljoen gaat geven om [verdachte] uit te kopen. Ook maakt [verdachte] duidelijk dat er dan ook nog wat met betrekking tot het pand geregeld moet worden en dat de voertuigen van hem zijn, [verdachte] : ‘er staat meer als voor 1 miljoen hè. Van mij hè’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 21 januari 2022 vertelt [verdachte] aan zijn zoon [zoon 1 van verdachte] dat hij ‘voor 1,2 miljoen aan klokken heeft, voor 1,5 miljoen aan geld en voor 1 miljoen aan auto’s’. Hierbij worden een Porsche en Mercedes SLS en SL (Pagode) genoemd als zijn bezit. Deze door [verdachte] zelf genoemde vermogensbestanddelen (horloges, auto’s en geld) zijn niet zichtbaar in de jaarrekeningen (van [bedrijf 1 van verdachte] . ) en aangiften inkomstenbelasting van [verdachte] (privé). De genoemde voertuigen stonden op naam van [bedrijf 2 van verdachte] . De door [verdachte] genoemde vermogensbestanddelen zijn zodanig hoog dat hij ruimschoots kan hebben beschikt over (onverklaarbaar) vermogen om (contant) in te brengen in de [bedrijf 2 van verdachte] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens een gesprek op 11 februari 2022 tussen [verdachte] en zijn zoon [zoon 2 van verdachte] hebben zij het over de verkoop van een Porsche. De Porsche stond op naam van [bedrijf 2 van verdachte] , maar [verdachte] vertelt dat de auto van hem is. De winst van de verkoop moet volgens hem wel door midden, maar wordt vervolgens van de schuld afgetrokken die [medeverdachte 1] . en [medeverdachte 2] bij hem hebben. [verdachte] legt in dit verband uit dat ze voor het autobedrijf geld in de kas hebben, maar dat [medeverdachte 1] . en [medeverdachte 2] dat hadden opgemaakt. Op papier stond dat er nog 300.000,00 euro in kas zat, aldus [verdachte] . Hij vertelt verder: ‘Hebben niks, hebben ze opgegeten snap je? Dus (ntv) heb ik mijn geld gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het kasgeld’. [verdachte] vertelt dat hij de kas gaandeweg heeft aangevuld: ‘Dus ik heb het rustig aan, geld gegeven, 50 rooien, 20 rooien, 30 rooien, zo opgebouwd, dat er weer zeg maar 5, 6 ton terug was, en dat we daarmee handelen konden.’ Ook vertelt [verdachte] dat de Porsche contant betaald is: ‘Ja die Porsche hebben wij zo, gewoon contant af’. [zoon 2 van verdachte] reageert hierop met: ‘Want anders zou, volgens mij hoe jij dat nou zegt, zo dat hun niks meer hadden, als je hun dan die 300.000 geeft doen hun wel die witwassen toch?’. [verdachte] zegt daarop: ‘Ja, maar wel op hun maar niet op mijn’. [verdachte] erkent hier dus dat zijn geld via [bedrijf 2 van verdachte] wordt wit gewassen en dat [medeverdachte 1] . en [medeverdachte 2] . (‘hun’) hierbij betrokken zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder vertelt [verdachte] tijdens dit gesprek dat [medeverdachte 1] . contant geld bij de bank opneemt van de rekening van [bedrijf 2 van verdachte] en dat hij dit in een pakketje meekrijgt. Dat dit gebeurt, vindt bevestiging in andere onderzoeksbevindingen. Het dossier bevat een beschrijving van camerabeelden en screenshots van 11 februari 2022 waarop te zien is dat [medeverdachte 1] . een stapel biljetten overhandigt aan [verdachte] . [verdachte] overhandigt dit vervolgens aan [zoon 2 van verdachte] . Uit de transactiegegevens van de zakelijke bankrekening van [bedrijf 2 van verdachte] blijkt dat er voorafgaand aan deze overdracht € 10.000,- contant is opgenomen van de rekening van de [bedrijf 2 van verdachte] . [verdachte] en [zoon 2 van verdachte] praten ook over geld nadat [medeverdachte 1] . de stapel biljetten aan [verdachte] heeft overhandigd. Volgens [zoon 2 van verdachte] heeft [medeverdachte 1] . ‘nog nooit zoveel geld gezien’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat [medeverdachte 1] . vaker geld van de rekening van de [bedrijf 2 van verdachte] haalde en aan [verdachte] overhandigde, vindt naar het oordeel van de rechtbank bevestiging in een op 10 maart 2022 afgeluisterd gesprek tussen [medeverdachte 1] . en boekhouder [naam boekhouder] . Daarin vraagt [naam boekhouder] : ‘Dat geld wat jij allemaal opgenomen hebt dat is van [verdachte] ’. [medeverdachte 1] . : ‘ja’. [naam boekhouder] : ‘Dat moet je dan uh uit de kas eigenlijk geboekt worden’. [medeverdachte 1] : ‘Boek die 50 rooien alvast eruit, dat kan toch?’. [naam boekhouder] : ‘Dat moet je maar met [verdachte] overleggen, dan kan je beter elke maand iets extra’s doen, dan dat je in een keer 50.000 (…).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dan zeggen ze dadelijk waar heeft hij dat geld liggen.’ De handelswijze met de Porsche, zoals [verdachte] aan [zoon 2 van verdachte] uitlegt, vindt eveneens steun in het dossier. De Porsche is door [bedrijf 2 van verdachte] gekocht op 14 juli 2021 voor € 117.500,-, waarvan € 110.000,- contant betaald is. Deze auto kreeg een eerste inschrijving in Nederland op naam van [verdachte] op 31 augustus 2021 tot 30 november 2011. Van 30 november 2021 tot 11 februari 2022 stond de auto op naam van [bedrijf 2 van verdachte] . Verder volgt uit de originele kasstaat dat op het moment dat de Porsche gekocht werd er een kassaldo was van € 36.739,85, terwijl er toch € 110.000,- contant betaald is. Het is dan ook uitgesloten dat de contante betaling (geheel) vanuit de kas van [bedrijf 2 van verdachte] is gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van de rechtbank kan het dan ook niet anders zijn dan dat [verdachte] vermogen heeft gebruikt om de Porsche te kopen. Dit is ook in lijn met zijn verhaal aan [zoon 2 van verdachte] . Omdat deze geldstroom niet zichtbaar is in het privévermogen of het zakelijke vermogen van [verdachte] (B.V.), bevestigt dit het vermoeden dat het om geld uit criminele bron gaat. Vervolgens is de Porsche voor € 137.000,- verkocht waardoor de door [verdachte] contant ingebrachte gelden op de bankrekening van [bedrijf 2 van verdachte] binnen zijn gekomen. Hierdoor heeft de (onverklaarbare, oftewel: zonder kenbare legale bron) € 110.000,- een ogenschijnlijk legale herkomst verkregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook legt [verdachte] aan [zoon 2 van verdachte] uit dat hij niet zomaar kan stoppen bij [bedrijf 2 van verdachte] [bedrijf 2 van verdachte] , omdat veel wat van hem is op naam van de [bedrijf 2 van verdachte] staat: ‘Als ik dan een keer wil stoppen dat ik kan zeggen, nou luister, auto’s (ntv) klaar. Nou kan ik dat niet want. Kijk snap je. Ga maar tellen wat er staat. Snap je? Maar ik bedoel, die Golf staat op [medeverdachte 1] z’n naam, Bentley staat op [medeverdachte 1] zijn naam, paardenwagen staat op [medeverdachte 1] z’n naam, camper staat op [medeverdachte 1] z’n naam, boot staat op [medeverdachte 1] z’n naam, motor staat op [medeverdachte 1] z’n naam. .. Alles.’ Uit het dossier blijkt dat de voer- en vaartuigen die [verdachte] in dit gesprek benoemt als zijn bezit op dat moment (en ten tijde van de actiedag op 17 oktober 2022) inderdaad niet op zijn naam stonden, maar op die van [bedrijf 2 van verdachte] of [medeverdachte 2] Zo stond de Bentley met kenteken [kenteken 5] (onder andere) op naam van [medeverdachte 2] terwijl de vrouw van [verdachte] gebruik maakte van deze auto. Een [bedrijf 5] , een Rinker Captiva boot en een paardenwagen met de tekst [dochter van verdachte] (rechtbank: dochter van [verdachte]) op de zijkant, die allen op naam van de [bedrijf 2 van verdachte] stonden, zijn op de actiedag in beslag genomen bij [bedrijf 2 van verdachte] en bij een manege waar de vrouw en dochter van [verdachte] paard reden. Van deze voer- en vaartuigen heeft [verdachte] dus verhuld wie de werkelijke eigenaar was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook vertelt [verdachte] aan [zoon 2 van verdachte] dat [medeverdachte 1] . en [medeverdachte 2] een probleem hebben als zij naar de politie zouden gaan om [verdachte] te ‘naaien’ en te vertellen hoe alles zit. [verdachte] : ‘Alles in beslag. Zijn die alles kwijt. Ze kunnen niks verantwoorden. …. Maar ik heb geld zat, dat scheelt (…). Heb ik ook tegen hem gezegd.’ En verder zegt [verdachte] : ‘En tegen die vrouw (rechtbank: van [medeverdachte 1] . ) moet die ook gewoon zeggen van luister eens… Kijk mijn vrouw weet gewoon hoe het zit, snap je? En ik vind die (rechtbank: vrouw van [medeverdachte 1] . ) moet ook weten hoe het zit, van luister eens … zo en zo zit het. Wij waren 5 jaar geleden al failliet geweest, maar hij (rechtbank: [verdachte] ) heeft ons geholpen, alles is van hem dus wij moeten blij met hem zijn en blij zijn dat we nog kunnen werken, dat we geld verdienen, kunnen we nog leven.’ Uit deze OVC-gesprekken, ondersteund door de andere hiervoor benoemde onderzoeksbevindingen, leidt de rechtbank dan ook af dat [verdachte] al jaren voordat hij per 1 januari 2019 als vennoot is toegetreden tot [bedrijf 2 van verdachte] betrokken was bij de [bedrijf 2 van verdachte] en onverklaarbaar vermogen in heeft gebracht met als oogmerk dit wit te wassen. Ook heeft hij verhuld wie de werkelijke eigenaar was van meerdere voer- en vaartuigen. De conclusie dat [verdachte] al ver voor 2019 geld in [bedrijf 2 van verdachte] heeft gestoken met als doel dit wit te wassen en dat, naast de [bedrijf 2 van verdachte] , [medeverdachte 1] . , [medeverdachte 2] en [bedrijf 1 van verdachte] . hier ook een rol in hebben gehad wordt ondersteund door het onderzoek dat is verricht naar de kasadministratie en geldstromen van [bedrijf 2 van verdachte] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderzoek kasadministratie en geldstromen van [bedrijf 2 van verdachte] De kasadministratie toonde onlogische bankopnamen, omdat deze in veel gevallen werden gedaan voor relatief en/of absoluut geringe bedragen, terwijl er (op papier) een hoog kassaldo aanwezig was. Het vermoeden bestaat dat de gepinde bedragen aan [verdachte] werden overhandigd, hetgeen bevestiging vindt in hiervoor aangehaalde OVC-gesprek van 11 februari 2022 en camerabeelden. Uit de digitale boekhouding is verder gebleken dat er theoretisch negatieve kassaldi voorkwamen. Dit is feitelijk niet mogelijk, omdat er niet meer uit een kas kan worden betaald dan er aanwezig is. Door de boekhouder zijn meerdere malen correctieboekingen gedaan om de negatieve kassaldi weg te werken. Dit houdt in dat er theoretische ontvangsten werden bijgeboekt, omdat er kennelijk te weinig kasontvangsten waren verantwoord. Deze handeling trekt boekhoudkundig recht wat feitelijk duidt op een verhulde wijze van het inbrengen van geld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft nog aangevoerd dat de boekhouding van [bedrijf 2 van verdachte] in het kader van een fiscale procedure is aangepast en heeft gecorrigeerde kasstaten overgelegd. Nog daargelaten dat - zoals de verdediging zelf heeft aangevoerd - ook die kasstaten doen blijken van negatieve kassaldi, zal de rechtbank daar verder geen acht op slaan nu de belastingdienst in die fiscale procedure (onder andere) heeft geconcludeerd dat (nog steeds) grote delen van de administratie ontbreken of niet zijn overgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opvallend is ook dat het kassaldo op 5 oktober 2022 volgens de laatst verwerkte aangetroffen kasmutaties € 117.632,39 bedroeg, terwijl op 17 oktober 2022 (de actiedag) € 3.377,55 in de kas is aangetroffen. Dit bedrag wijkt substantieel af van het bedrag dat naar verwachting volgens de administratieve verwerking aanwezig zou moeten zijn. Het te verwachten saldo is niet aangetroffen bij het autobedrijf en ook niet op de privé-adressen van de firmanten. De suggestie van de verdediging dat de [bedrijf 2 van verdachte] overvallen kan zijn geweest en dat dit het lagere bedrag in de kas op de actiedag zou kunnen verklaren, betreft naar het oordeel van de rechtbank niet meer dan een geheel niet onderbouwde stelling. De rechtbank ziet het lage op de actiedag aangetroffen bedrag in de kas als een bevestiging van het feit dat er slechts op papier een hoog kassaldo aanwezig was en dat de kas door [verdachte] werd aangevuld met (onverklaarbaar) vermogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat sprake was van het vullen van de kas met (onverklaarbaar) vermogen van [verdachte] volgt uit alle hiervoor aangehaalde OVC-gesprekken, bijvoorbeeld uit het gesprek over de aankoop van de Porsche. Er was op dat moment een negatief kassaldo en toch werd de Porsche voor een groot deel met contant geld betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals volgt uit de OVC-gesprekken heeft [verdachte] zich dan ook stap voor stap door middel van de inbreng van contant geld uit onbekende bron (mede-)eigenaar gemaakt van [bedrijf 2 van verdachte] . Voor de firmanten [medeverdachte 1] . en [medeverdachte 2] is het fictieve hoge kassaldo op deze versluierde wijze aangevuld. [verdachte] beschikte naar eigen zeggen, blijkens de OVC-gesprekken, ruimschoots over contant geld en voertuigen om deze werkwijze uit te kunnen voeren. Dat hij hierover beschikte volgt ook uit aantekeningen die hij bijhield op zijn crypto-telefoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Encrochat-aantekeningen [verdachte] heeft op zijn crypto-telefoon met het Encrochat-account [gebruikersnaam verdachte] verschillende notities aangemaakt. Deze aantekeningen bevestigen de hiervoor genoemde administratieve voorbeelden en OVC-gesprekken. In de Encrochat-aantekeningen wordt een aantal personenauto’s, campers en motoren die op naam van [bedrijf 2 van verdachte] stonden genoemd als het bezit van [verdachte] . Daarnaast is op een meerdere data een groot geldbedrag als bezit van [verdachte] genoemd. Ook geven de Encrochat-aantekeningen de betrokkenheid van [verdachte] bij drugsgerelateerde activiteiten weer, hetgeen het bezit van onverklaarbaar vermogen verklaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie witwasactiviteiten via [bedrijf 2 van verdachte] Al het bovengenoemde duidt op het witwassen van crimineel geld van [verdachte] via [bedrijf 2 van verdachte] en het verhullen van de werkelijke eigendom van meerdere voer- en vaartuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.13.3 Criminele organisatie?</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals hiervoor is overwogen kan vastgesteld worden dat [verdachte] met behulp van [bedrijf 2 van verdachte] crimineel vermogen heeft witgewassen en dat hij het autobedrijf ook gebruikte om de daadwerkelijke eigendom van voer- en vaartuigen te verhullen. Hij heeft het autobedrijf kort gezegd als witwasvehikel gebruikt. De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of dit binnen een criminele organisatie is gedaan, bestaande uit, naast [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] [bedrijf 2 van verdachte] en [bedrijf 1 van verdachte] , zoals ten laste is gelegd. De rechtbank komt tot de conclusie dat dit het geval is en legt dit hierna uit aan de hand van de verschillende criteria die van belang zijn voor de vaststelling dat sprake is van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht; organisatie, oogmerk van de organisatie en deelneming aan een organisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Organisatie Uit het dossier maakt de rechtbank op dat [verdachte] al ruimschoots voor zijn formele toetreding als firmant in [bedrijf 2 van verdachte] zich de [bedrijf 2 van verdachte] in feite had toegeëigend. Dit blijkt in de eerste plaats uit de hiervoor opgenomen OVC-gesprekken waarin hij uit de doeken doet (crimineel) geld in de [bedrijf 2 van verdachte] te hebben gestoken en de [bedrijf 2 van verdachte] daarmee zijn bedrijf te hebben gemaakt. Daarnaast is er vanaf 2016 een nauwe verwevenheid ontstaan tussen het autobedrijf van [verdachte] ( [bedrijf 1 van verdachte] . ) en [bedrijf 2 van verdachte] . Opvallend is dat er in 2015 geen transacties plaatsvonden tussen beide bedrijven, terwijl [bedrijf 1 van verdachte] . in 2016 51 auto’s aan [bedrijf 2 van verdachte] heeft verkocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat is een stijging van 0 naar 76%. In de jaren 2016 t/m 2021 vond een toename plaats van 71% tot 92%. De omzet van [bedrijf 1 van verdachte] . is vanaf 2016 voor het grootste deel gefactureerd aan [bedrijf 2 van verdachte] . Dat de twee autobedrijven veelvuldig met elkaar samenwerken wordt bevestigd door een OVC-gesprek van 14 juni 2022 waarin [medeverdachte 1] . telefonisch contact opneemt met een klant en vraagt of hij de mail van [bedrijf 1 van verdachte] . heeft ontvangen. Daarnaast zegt [medeverdachte 1] . in dit gesprek dat ze twee bedrijven hebben. Waarom deze verwevenheid er tussen de twee autobedrijven vanaf 2016 is ontstaan is uit het dossier en ter zitting niet duidelijk geworden, gelet op het zwijgen van [verdachte] en [medeverdachte 1] .</p>\n<p class=\"lf-p\">De enige logische verklaring die de rechtbank kan bedenken is dat [verdachte] met de inbreng van (crimineel) vermogen in de [bedrijf 2 van verdachte] een dusdanige invloed heeft verkregen dat hij is gaan bepalen waar de [bedrijf 2 van verdachte] auto’s van kocht en kon hij daardoor ook bepalen waar verliezen terecht zouden komen. Naar het oordeel van de rechtbank is er vanaf 2016 dan ook een samenwerkingsverband ontstaan tussen [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] [bedrijf 2 van verdachte] en [bedrijf 1 van verdachte] . die, gelet op het tijdsverloop, als duurzaam aan te merken is.Weliswaar is ook sprake geweest van een reguliere bedrijfsvoering binnen [bedrijf 2 van verdachte] [bedrijf 2 van verdachte] , passend binnen een autobedrijf, met openingstijden van maandag tot en met zaterdag en een dagelijkse aanwezigheid van, in ieder geval, [medeverdachte 1] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent echter niet dat geen sprake zou kunnen zijn van een criminele organisatie. Juist doordat sprake is van een, normaal gesproken, regulier bedrijf wordt al eerder voldaan aan de kenmerken van een organisatie. Door de vervlechting van de reguliere bedrijfsvoering met de inbreng van crimineel vermogen door [verdachte] , kunnen deze gelden makkelijker worden verhuld. Er was in dit geval geen sprake van een incidenteel of toevallig samenwerkingsverband, maar van een groep (rechts)personen die gedurende meerdere jaren volgens een vaste modus operandi witwashandelingen uitvoerden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er vond binnen de organisatie ook overleg plaats, hetgeen gebruikelijk is binnen een organisatie. Zo vond er op 12 januari 2022 een gesprek plaats tussen [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en zijn vrouw over de huidige (slechte) gang van zaken binnen de [bedrijf 2 van verdachte] . Ook hadden [verdachte] en [medeverdachte 1] . overleg over bijvoorbeeld het (misbruiken) van de margeregeling. Ditis weliswaar niet aan [verdachte] en [medeverdachte 1] . ten laste gelegd, het toont naar het oordeel van de rechtbank wel aan dat er wel degelijk een (criminele) samenwerking plaatsvond tussen de firmanten. Oogmerk van de organisatie Dat het oogmerk van de organisatie gericht was op witwassen blijkt zonder meer uit de hiervoor aangehaalde OVC-gesprekken ondersteund met de andere al benoemde onderzoeksbevindingen. De normale bedrijfsvoering werd gebruikt om crimineel vermogen (bestaande uit geld en voer- en vaartuigen) van [verdachte] wit te wassen. De lange duur waarin de organisatie heeft witgewassen, vormt ook een concrete aanwijzing voor het criminele oogmerk van deze organisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deelneming aan de organisatie Er kan pas gesproken worden over deelneming aan een criminele organisatie als aan de volgende punten is voldaan:1. De verdachte behoort tot de organisatie, en2. De verdachte heeft aandeel in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het bestanddeel deelneming ligt tevens het opzet van de verdachte besloten. Voor deelneming is voldoende dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van voorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet vereist is dat hij wetenschap heeft van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. Ook rechtspersonen kunnen deelnemers zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de inbreng van crimineel vermogen door [verdachte] in [bedrijf 2 van verdachte] is bij [medeverdachte 1] . en [medeverdachte 2] een afhankelijkheidspositie ontstaan ten opzichte van [verdachte] . Aan de andere kant had [verdachte] [medeverdachte 1] . en [medeverdachte 2] nodig voor de bedrijfsvoering om een voor hem ogenschijnlijk legaal inkomen te genereren en/of zijn eigendommen buiten beeld te laten. Dit maakt ook dat zij als een criminele organisatie, met de [bedrijf 2 van verdachte] en de [bedrijf 1 van verdachte] van [verdachte] aan te merken zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aandeel van de verschillende personen in de criminele organisatie is naar het oordeel van de rechtbank als volgt: [verdachte] [verdachte] was de onbetwiste leider van de criminele organisatie. Hij had [bedrijf 2 van verdachte] nodig om onverklaarbaar vermogen een legale herkomst te geven. Hij heeft de [bedrijf 2 van verdachte] gebruikt als witwasvehikel. Dat hij de leider, was, vindt bevestiging in meerdere onderzoeksbevindingen. In een telefoongesprek op 29 januari 2022 zegt [medeverdachte 1] . tegen [verdachte] dat hij de eindverantwoordelijke is. Verder duidt het feit dat [verdachte] € 7.000,- per maand vanuit de [bedrijf 2 van verdachte] ontving en [medeverdachte 1] . en [medeverdachte 2] . respectievelijk € 3.250,- en € 2.000,- er ook op dat [verdachte] een hogere rang had binnen de criminele organisatie. Dat hij zoveel meer geld ontving, kan naar het oordeel van de rechtbank niet verklaard worden door de mate waarin hij werkzaamheden binnen [bedrijf 2 van verdachte] verrichte, gelet op het feit dat hij nauwelijks uitvoerende werkzaamheden voor de [bedrijf 2 van verdachte] deed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die werkzaamheden werden verricht door [medeverdachte 1] . Opvallend in dit verband is ook dat [verdachte] het emailadres van de [bedrijf 2 van verdachte] niet kende en hij aan [medeverdachte 1] . moest vragen hoe hij een auto moet vrijwaren. Uit de OVC-gesprekken en opgenomen camerabeelden blijkt dat [verdachte] met name druk was met het voeren van drugsgerelateerde gesprekken met contacten uit de drugswereld die hij in het kantoor van de [bedrijf 2 van verdachte] ontving. Ook handelde hij in het kantoor in dure horloges.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een andere aanwijzing dat [verdachte] de leider was van de criminele organisatie zijn de door hem bijgehouden Encrochat-aantekeningen in zijn cryptotelefoon. Daaruit is op te maken dat hij verschillende vermogensbestanddelen (zowel kasgeld als luxe voertuigen) had ondergebracht bij [bedrijf 2 van verdachte] . Als leider van de criminele organisatie moest [verdachte] overzicht houden in de door hem ingebrachte criminele gelden en voertuigen en daarvoor gebruikte hij kennelijk de Encrochat-aantekeningen. De cryptotelefoon gebruikte hij verder met name voor het onderhouden van contacten met mensen uit de drugswereld over de (voorbereiding van de) productie van en handel in (synthetische) drugs en de grondstoffen hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat [verdachte] wetenschap had van het witwassen van zijn crimineel vermogen met behulp van [bedrijf 2 van verdachte] als witwasvehikel volgt kortom evident uit de verschillende OVC-gesprekken die hiervoor onder 16.3.2 al zijn opgenomen. [verdachte] was dan ook een deelnemer (leider) van het crimineel samenwerkingsverband. [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] . heeft naar het oordeel van de rechtbank een cruciale rol gehad om het witwassen van het crimineel vermogen van [verdachte] binnen [bedrijf 2 van verdachte] mogelijk te maken. Hij voerde weliswaar reguliere werkzaamheden binnen een autobedrijf uit, zoals het voeren van verkoopgesprekken, de in- en verkoop van voertuigen en het bijhouden van de administratie, maar het draaiend houden van het autobedrijf stelde [verdachte] juist in staat om de [bedrijf 2 van verdachte] als witwasvehikel te gebruiken. Als [medeverdachte 1] . het geld van [verdachte] niet had aangenomen om de lege kas van de [bedrijf 2 van verdachte] aan te vullen, was het bedrijf failliet gegaan en had hij (en [medeverdachte 2] ) geen inkomen meer gehad. Ook voerde [medeverdachte 1] . binnen de administratie van [bedrijf 2 van verdachte] verbergende/verhullende handelingen uit door bijvoorbeeld de inbreng van (crimineel) vermogen van [verdachte] niet op te nemen in de administratie, de administratie te laten aanpassen en ook het op naam van de [bedrijf 2 van verdachte] laten stellen van voer- en vaartuigen die feitelijk in bezit van [verdachte] waren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat [medeverdachte 1] . wist dat het geld dat [verdachte] in de [bedrijf 2 van verdachte] heeft ingebracht een illegale herkomst had, leidt de rechtbank af uit verschillende OVC-gesprekken. Dit betreffen OVC-gesprekken waarin [verdachte] druggerelateerde gesprekken voerde met verschillende contacten uit de drugswereld en waarbij [medeverdachte 1] . aanwezig was. Zo vond er op 10 februari 2022 een gesprek plaats tussen [verdachte] en [betrokkene 4] in aanwezigheid van [medeverdachte 1] . Dat gesprek ging over kopen/verkopen/liters/AP/blokken. Onder 6.6 en 6.7 heeft de rechtbank al overwogen dat deze termen onmiskenbaar duiden op de (voorbereiding van de) productie van en handel in (synthetische) drugs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 17 februari 2022 voerde [verdachte] in aanwezigheid van [medeverdachte 1] . een gesprek met een onbekend gebleven man over synthetische drugs. Op 7 maart 2022 had [verdachte] weer een drugsgerelateerd gesprek met [betrokkene 4] waarbij [medeverdachte 1] . aanwezig was. In dit gesprek vroeg [verdachte] aan [betrokkene 4] een CAS-nummer waarop [betrokkene 4] liet weten die middag ‘het CAS-nummer voor die p-poeder’ te hebben. Later die dag heeft [betrokkene 4] , bij afwezigheid van [verdachte] , het nummer 28578-16-7 (rechtbank: het CAS-nummer van PMK-olie) aan [medeverdachte 1] . doorgegeven en aan hem gevraagd het nummer aan [verdachte] door te geven. [betrokkene 4] vertelde daarbij dat het in olievorm is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 5 april 2022 vond er een uitgebreid gesprek plaats tussen [verdachte] , [zoon 2 van verdachte] en een onbekend gebleven man in aanwezigheid van [medeverdachte 1] . In dat gesprek ging het over de productie en handel in (synthetische) drugs en de criminele herkomst van het startkapitaal (rechtbank: van [verdachte] en zijn vader). Zo vertelde [verdachte] : ‘Als hun mij niet hadden gehad waren ze nooit zo rijk geworden, 100 miljoen, m’n vader ook niet. (..) Ons pap heeft z’n deel gevat, ik heb mijn deel gevat en in de pot zat nog zoveel geld, daar bleven we (..) mee werken’. Het gesprek ging verder over waar geld verborgen lag en dat er wel tien keer een inval was geweest en telkens niets gevonden was. [medeverdachte 1] . reageerde hierop met: ‘ligt er goed’. [verdachte] vertelde dat hij samenwerkte met zijn vader, maar dat hij de baas was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toen de onbekend gebleven man suggereerde dat [verdachte] wel rustig aan zou doen als zijn vader dat zei, reageerde [medeverdachte 1] . met: ‘(lacht) dat deed jij toch niet’. Tijdens dat gesprek zei [verdachte] ook nog dat ‘als je goed werkt je op dit moment meer verdient met a olie dan met ice’. Verder kan in dit verband niet onvermeld blijven dat [medeverdachte 1] . op 13 april 2022 door [verdachte] werd meegenomen naar een ontmoetingsplaats om vermoedelijk grondstoffen voor synthetische drugs in te laden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat [medeverdachte 1] . op de hoogte was van het feit dat met de inbreng van geld door [verdachte] in de [bedrijf 2 van verdachte] crimineel vermogen werd wit gewassen kan ook worden afgeleid uit het al eerder aangehaalde OVC-gesprek tussen [verdachte] en [zoon 2 van verdachte] op 11 februari 2022 waarin [verdachte] zegt dat [medeverdachte 1] . het wel uit zijn hoofd laat om naar de politie te gaan om uit te leggen hoe het precies in elkaar zit, omdat hij (en zijn familie) dan alles kwijt raken. Ook wordt de hele gang van zaken en slechte financiële positie van de [bedrijf 2 van verdachte] uitgebreid besproken in het OVC-gesprek tussen [verdachte] , [medeverdachte 1] . en zijn ouders op 12 januari 2022. Naar het oordeel van de rechtbank is dit de enige uitleg die aan die gesprekken gegeven kan worden en heeft [medeverdachte 1] . ter zitting geen andere aannemelijke verklaring gegeven voor de inhoud van de OVC-gesprekken waaruit de rechtbank afleidt dat sprake was van een witwasconstructie waarvan hij wetenschap had. [medeverdachte 1] . heeft dan ook, zij het in een ondergeschikte positie ten opzichte van [verdachte] , een actieve bijdrage geleverd aan het witwassen van vermogen en voer- en vaartuigen van [verdachte] via [bedrijf 2 van verdachte] . Dit deed hij niet alleen door het aannemen van het vermogen van [verdachte] , maar ook door het pinnen van geld van de rekening van [bedrijf 2 van verdachte] en dit contant aan [verdachte] te overhandigen. Daarnaast heeft hij voer- en vaartuigen op naam van [bedrijf 2 van verdachte] gezet dan wel daaraan meegewerkt, terwijl die feitelijk in eigendom van [verdachte] waren. Ook heeft hij toegestaan dat [verdachte] criminele contacten ontving in het kantoor van de [bedrijf 2 van verdachte] , zodat [verdachte] door kon gaan met het verdienen van crimineel vermogen. Ook nam hij iedere maand € 3.250,- vanuit de [bedrijf 2 van verdachte] in ontvangst waardoor eveneens illegaal geld werd wit gewassen. [medeverdachte 2] [medeverdachte 2] ontving nog iedere maand geld vanuit de [bedrijf 2 van verdachte] , wat betekent dat crimineel geld werd omgezet. Uit de OVC-gesprekken, waaronder het gesprek op 12 januari 2022 waarbij [medeverdachte 2] aanwezig was, leidt de rechtbank af dat hij wist dat [verdachte] crimineel vermogen in de kas van [bedrijf 2 van verdachte] had gestoken. Hij heeft bij de politie ook verklaard wel vragen te hebben gehad bij de levensstijl van [verdachte] en dat hij dacht dat [verdachte] misschien wel ‘in de rommel deed’. [medeverdachte 2] heeft ook bijgedragen aan het verhullen van de daadwerkelijke eigendom van enkele voertuigen. Hij heeft voertuigen op zijn naam gehad die feitelijk eigendom waren van [verdachte] , zoals een Bentley. Hij heeft in dit verband verklaard zijn bankpas en rijbewijs meerdere malen aan [verdachte] en/of [medeverdachte 1] . te hebben gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">[bedrijf 2 van verdachte] Via deze vennootschap kon het witwassen van geld en voertuigen plaatsvinden. De [bedrijf 2 van verdachte] is dan ook een onmisbare schakel binnen de witwashandelingen geweest. Naast dat er crimineel vermogen van [verdachte] in de [bedrijf 2 van verdachte] is gestoken om dat wit te kunnen wassen, zijn er meerdere voertuigen op naam van de [bedrijf 2 van verdachte] gezet, die feitelijk eigendom waren van [verdachte] om de werkelijke rechthebbende te verbergen/verhullen. [bedrijf 1 van verdachte] .</p>\n<p class=\"lf-p\">De inkoop van [bedrijf 2 van verdachte] liep voor een aanzienlijk deel via [bedrijf 1 van verdachte] . Hierdoor werd bij [bedrijf 1 van verdachte] . een hogere omzet/winst gerealiseerd. Dit is een rechtspersoon waarvan [verdachte] directeur en enig aandeelhouder is. Dus ook hier profiteerde [verdachte] van. De invloed die [verdachte] binnen de [bedrijf 2 van verdachte] had verkregen stelde hem in staat om ook zijn autobedrijf te laten profiteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.13.4 Conclusie criminele organisatie gericht op (gewoonte)witwassen Uit alle hiervoor benoemde feiten en omstandigheden volgt de conclusie dat [verdachte] jarenlang samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] [bedrijf 2 van verdachte] en [bedrijf 1 van verdachte] . een criminele organisatie vormde die crimineel vermogen van [verdachte] witwaste en die het daadwerkelijke eigendom van voertuigen verborg/verhulde. Binnen de organisatie was sprake van een zekere duurzaamheid en structuur en de samenwerking was gericht op witwassen. Gedurende een periode van ruim 6 jaar is er een groot geldbedrag op de hiervoor beschreven wijze via de rekeningen van [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] [bedrijf 2 van verdachte] en [bedrijf 1 van verdachte] . gelopen en daarmee witgewassen. [bedrijf 2 van verdachte] was hierbij van een regulier autobedrijf in een witwasvehikel veranderd. De verschillende OVC-gesprekken maken duidelijk dat alle natuurlijke personen van de organisatie hiervan op de hoogte waren en op verschillende wijzen hieraan hebben bijgedragen. Nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat de criminele organisatie, waaraan [verdachte] en [medeverdachte 1] . hebben deelgenomen, gedurende langere tijd, ten aanzien van meerdere voorwerpen en met betrekking tot grote geldbedragen heeft witgewassen, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van gewoontewitwassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alles overziende acht de rechtbank dan ook bewezen dat [verdachte] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie gericht op het plegen van (gewoonte)witwassen, zoals hierna uitgeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bewezenverklaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierna in de bijlage uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte: t.a.v. 01.019683.21 1. op tijdstippen in de periode 1 februari 2022 tot en met 11 oktober 2022 in Nederland telkens tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het opzettelijk bereiden, bewerken, verwérken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het opzettelijk vervaardigen van (met)amfetamine en/of MDMA, zijnde middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>zich en een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door: &gt; gesprekken te voeren over de vervaardiging/bewerking/verwerking van met)amfetamine/MDMA en/of (pre-)precursoren zoals APAA(N), PMK-(ethyl-)glycidaat, BMK en &gt; gesprekken te voeren over de verkrijging, inkoop, verkoop, kosten, prijzen en opbrengsten van (pre-)precursoren zoals APAA(N), PMK-(ethyl-)glycidaat, BMK en, &gt; het in ontvangst (laten) nemen, over (laten) dragen, (laten) leveren van meerdere (grote hoeveelheden) (pre-)precursoren zoals APAA(N), PMK-(ethyl-)glycidaat, BMK. &gt; het in ontvangst (laten) nemen, over (laten) dragen, (laten) leveren van meerdere (grote hoeveelheden) (pre-)precursoren zoals APAA(N.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 17 oktober 2022 in Nederland, als leider heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van verdachte, [medeverdachte 1] ., [medeverdachte 2] ., [bedrijf 1 van verdachte] . en [bedrijf 2 van verdachte] welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk (gewoonte)witwassen; t.a.v. 01.259456.23 1. hij op tijdstippen in of omstreeks de periode 1 januari 2017 tot en met 17 oktober 2022 in Nederland en in Spanje, telkens (van) een of meer voorwerpen, te weten: (van) voertuigen, te weten:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een auto (merk Mercedes Benz SLS, kenteken [kenteken 1] ),</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een auto (merk Mercedes Benz 280 SL, Pagode 1969),</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een camper (merk Bürstner GMBH BUI821, kenteken [kenteken 2] ) en, (van) geldbedragen, te weten:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>in totaal ongeveer € 150.000, aangetroffen in de kluis bij de heer [betrokkene 1] ,</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>(grote) contante geldbedragen, die zijn geïnvesteerd/ingebracht in [bedrijf 2 van verdachte] ,</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>geldbedragen, bestaande uit ontvangen winstuitkering en/of salaris uit [bedrijf 2 van verdachte] , en (van) horloges, te weten:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een horloge (merk Audemars Piquet Royal Oak, goednummer 745789),</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een horloge (merk Rolex Sky-Dweller, goednummer 745788),</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een horloge (merk Rolex GMT master II, goednummer 741305),</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een horloge (merk Rolex Day-date, goednummer 741233), en (van) een woning en geldbedragen, te weten:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een appartement, gelegen aan [adres 2] te Marbella (Spanje),</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>(contante) geldbedragen ten behoeve van de aankoop van en een of meer verbouwingen aan voornoemd appartement,</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>contante geldbedrag(en) ten behoeve van een of meer verbouwing(en) van een woning, gelegen aan de [adres 1] te Eindhoven’</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende op die voorwerpen waren, en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf,</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>en hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, 2. in de periode van 31 maart 2020 tot en met 9 juni 2020 in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of het vervoeren van cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of,</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>zich en een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het voeren van gesprekken over het transport van cocaïne, de prijzen van cocaïne, de hoeveelheid uit te voeren cocaïne, het maken van afspraken voor ontmoetingen en hebben van ontmoetingen omtrent cocaïne en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het (laten) maken en/of verstrekken van (een) kist(en) ten behoeve van het vervoer van cocaïne en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het voorhanden hebben van een cryptotelefoon 3. in de periode 14 augustus 2020 tot en met 7 november 2020 in Nederland en Frankrijk en Duitsland, meermalen, telkens tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (grote) hoeveelheden cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,. t.a.v. 01.169116.24 1.subsidiair [betrokkene 2] en [betrokkene 3] op 11 mei 2020 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand heeft/hebben gesticht, immers heeft/hebben verdachte(n) en/of diens mededader(s) toen aldaar opzettelijk door middel van open vuur een aan de Kanunnikensven geparkeerde personenauto (merk Mini) in brand gestoken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de in die personenauto (merk Mini) aanwezige goederen en het woonhuis en garage en hekwerk en een nabij die personenauto geparkeerde personenauto (merk Porsche), te duchten was, welk feit hij, verdachte, omstreeks 11 mei 2020, in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door het verschaffen van inlichtingen voor het in brand te steken van die personenauto;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>subsidiair [betrokkene 2] en [betrokkene 3] op 13 mei 2020 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand heeft/hebben gesticht, immers heeft/hebben verdachte(n) en/of diens mededader(s) toen aldaar opzettelijk door middel van open vuur een aan de Kanunnikensven geparkeerde personenauto (merk Porsche) in brand gestoken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten het woonhuis en garage en hekwerk en een nabij die personenauto geparkeerde personenauto, te duchten was, welk feit hij, verdachte, omstreeks de periode van 11 mei 2020 tot en met 13 mei 2020, in Nederland opzettelijk heeft uitgelokt door het verschaffen van inlichtingen voor het in brand te steken van die personenauto.</div>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bewijsmiddelen van feit 1 (01.019683.21) worden slechts gebezigd met betrekking tot dat specifieke feit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bewijsmiddelen die ten aanzien van feit 2 (01.019683.21) en feit 1 (01.259456.23) worden gebezigd, zijn door de rechtbank in onderling verband en samenhang bezien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Datzelfde geldt voor feit 2 en feit 3 (01.259456.23) en voor feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair (01.169116.24).</p>\n<p class=\"lf-p\">De strafbaarheid van de feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raadsman heeft een beroep op ontslag van alle rechtsvervolging gedaan ten aanzien van het tweede en derde gedachtestreepje van de verfeitelijking van feit 2 van parketnummer 01.259456.23. De rechtbank begrijpt het betoog van de raadsman zo dat de daarin beschreven handelingen geen strafbare gedragingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet opleveren en daarom niet als zodanig kunnen worden gekwalificeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een soortgelijk verweer heeft de raadsman ten aanzien van het eerste en tweede gedachtestreepje van de verfeitelijking van feit 1 van 01.019683.21 gevoerd zonder hieraan het juridische gevolg van ontslag van alle rechtsvervolging te verbinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De officier van justitie heeft niet op deze verweren gerespondeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank overweegt het volgende. t.a.v. hiervoor genoemde gedachtestreepjes feit 1, 01.019683.21, door de raadsman zelf beperkt tot de stof apaan De raadsman heeft betoogd dat hooguit sprake is van het voorbereiden van een voorbereidingshandeling, omdat de gesprekken betrekking hebben op apaan, zijnde een pre-precursor waarmee niet rechtstreeks een misdrijf als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet kan worden gepleegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. Naar het oordeel van de rechtbank berust de zienswijze van de raadsman op een te beperkte uitleg van artikel 10a van de Opiumwet. Immers, waar het om gaat is of degene die handelingen als omschreven in dat artikel verricht, daarmee beoogt een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde of vijfde lid, van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen. Nu apaan een (voor)grondstof is van de synthetische drug (meth)amfetamine en de intentie van verdachte was gericht op de uiteindelijke productie daarvan, is daaraan redelijkerwijs voldaan. De door de raadsman betwiste gedragingen kunnen dan ook als strafbare handelingen in de zin van artikel 10a van de Opiumwet worden gekwalificeerd. t.a.v. hiervoor genoemde gedachtestreepjes feit 2, 01.259456.23 Los van de vraag of de redenering van de raadsman tot ontslag van alle rechtsvervolging zou moeten leiden, verwerpt de rechtbank de onderliggende opvatting dat geen sprake is van strafbare gedragingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van de rechtbank valt het hiervoor bewezenverklaarde ‘het (laten) maken en/of verstrekken van (een) kist(en) ten behoeve van het vervoer van cocaïne’ (tweede gedachtestreepje) evident onder één of meer van de bewezenverklaarde variant(en) van artikel 10a van de Opiumwet te scharen. Hieruit volgt automatisch dat sprake is van een strafbare gedraging als bedoeld in dat artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank is verder van oordeel dat het hiervoor onder het derde gedachtestreepje bewezenverklaarde ‘voorhanden hebben van een cryptotelefoon’ onlosmakelijk is verweven met de daarvoor onder het eerste en tweede gedachtestreepje verwoorde strafbare gedragingen en als zodanig een zelfstandige strafbare gedraging oplevert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is inmiddels een feit van algemene bekendheid dat cryptotelefoons veelvuldig in het criminele circuit, met name in de georganiseerde misdaad, worden gebruikt om in het geheim illegale activiteiten te bespreken. Dat is in deze zaak niet anders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo heeft verdachte de onder het eerste gedachtestreepje bedoelde gesprekken met een cryptotelefoon gevoerd en heeft hij de vervaardiging en verstrekking van kisten voor het vervoer van cocaïne (tweede gedachtestreepje) eveneens in cryptogesprekken besproken. Verdachte waande zich in de cryptocommunicatie kennelijk onbespied en dacht hierin vrijelijk met medeverdachten te kunnen communiceren over voorbereidings- en bevorderingshandelingen gericht op het vervoer en de uitvoer van cocaïne. Tegen deze achtergrond had verdachte een voorwerp voorhanden waarvan hij wist dat dit bestemd was tot het plegen van dat feit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De strafbaarheid van verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oplegging van straffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eis van de officier van justitie. (bijlage) De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van 10 jaren gevorderd. De officier van justitie heeft in deze eis in matigende zin de forse overschrijding van de redelijke termijn betrokken (in algemene zin heeft de officier van justitie een vermindering van 10% gevorderd voor iedere verdachte in onderzoek Grummor, terwijl de officier van justitie ten aanzien van verdachte een gevangenisstraf van 10 jaren in plaats van 12 jaren wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft gevorderd). Ook heeft de officier van justitie daarbij rekening gehouden met de geldelijke waarde van de voorwerpen waarvan de verbeurdverklaring wordt gevorderd (hierna besproken onder het kopje beslag).</p>\n<p class=\"lf-p\">De officier van justitie heeft tevens kenbaar gemaakt voornemens te zijn een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het standpunt van de verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een buitensporig hoge strafeis en dat, gelet op uitspraken in vergelijkbare zaken, een forse matiging op zijn plaats is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oordeel van de rechtbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder de draagkracht. ernst feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere Opiumwetdelicten, de uitlokking van twee brandstichtingen van een personenauto en jarenlang witwassen, waaronder in georganiseerd verband waaraan hij leiding gaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo heeft hij zich gedurende ruim zes maanden met anderen bezig gehouden met - kort gezegd - de handel in en verwerking van (pre-)precursoren ter voorbereiding en bevordering van de (uiteindelijke) productie van synthetische drugs. Uit het dossier rijst het beeld van een intensief en continu proces van het kopen, verhandelen en omzetten van grondstoffen voor de beoogde vervaardiging van (meth)amfetamine en MDMA. De uitlatingen van [betrokkene 4] en [verdachte] in OVC-gesprekken ‘Al die chauffeurs die we allemaal hebben’ respectievelijk ‘Grondstoffen, alle grondstoffen zijn aan te komen’, zijn in dat verband ook veelzeggend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdachte heeft ook enkele maanden met anderen voorbereidende en bevorderende activiteiten verricht voor het vervoer en de uitvoer van cocaïne. Hij heeft onder meer houten kisten voor een transport van cocaïne naar Italië overgedragen. Direct hierop aansluitend is hij betrokken geweest bij de daadwerkelijke uitvoer van cocaïne naar het Verenigd Konikrijk. Het gaat daarbij om 19 transporten in een tijdsbestek van drie maanden, waarbij de cocaïne in de vrachtwagencabine van de bestuurder werd verstopt. Verdachte heeft hierbij als intermediair opgetreden tussen de leverancier en vervoerder van de cocaïne en was verantwoordelijk voor de financiële afhandeling van de transporten. Er was hier sprake van een continu proces (‘business as usual’), waarbij verdachte per transport werd beloond met een deel van de opbrengst. In totaal is 398 kilogram cocaïne uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is algemeen bekend dat harddrugs grote gezondheidsrisico’s met zich brengen voor de gebruikers ervan, dat deze drugs kunnen leiden tot een lichamelijke of geestelijke verslaving en, bij overdosis, zelfs tot de dood van de gebruikers. Daarnaast is bekend dat verslaafde gebruikers misdrijven plegen om aan geld te komen om in hun verslaving te voorzien. Ook mag als bekend worden verondersteld dat de productie en handel in harddrugs merendeels het werkterrein vormt van nationale en internationale - niet zelden elkaar beconcurrerende - criminele netwerken, die daarmee grote winsten maken en die ter bescherming van hun illegale belangen de toepassing van verregaande vormen van geweld bepaald niet schuwen, met soms ook onbedoelde slachtoffers. De zware drugscriminaliteit ondermijnt de maatschappij in zijn algemeenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is ook een feit van algemene bekendheid dat de (chemische processen bij de) productie van synthetische drugs, de ongecontroleerde opslag van chemicaliën ten behoeve van de productie en de aan de productie inherente dumpingen van drugsafval grote veiligheidsrisico’s, risico’s voor de volksgezondheid en ernstige milieuschade met zich brengen. Het kost vervolgens veel tijd, energie en geld om de negatieve gevolgen voor het milieu zoveel mogelijk ongedaan te maken. Bovendien legt het opsporen, ontmantelen en vervolgen van de producenten van synthetische drugs een fors beslag op het opsporingsapparaat, als gevolg waarvan de opsporing van andere misdrijven in het gedrang kan komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kortom, de productie van en handel in harddrugs heeft op meerdere niveaus van de maatschappij een forse negatieve invloed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts mag niet onvermeld blijven dat door de betrokkenheid van Nederlandse onderdanen bij de internationale drugshandel de negatieve beeldvorming in het buitenland van Nederland en haar drugsbeleid wordt versterkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdachte heeft voor al deze negatieve effecten geen oog gehad en hij heeft enkel uit winstbejag gehandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdachte heeft jarenlang de door hem met criminele activiteiten verdiende gelden en voorwerpen witgewassen, waaronder in georganiseerd verband. Hij heeft ruim 6,5 jaren leiding gegeven aan een criminele organisatie gericht op witwassen. Hierbij werd andermans autobedrijf als witwasvehikel gebruikt. Verdachte heeft substantiële contante geldbedragen in dat bedrijf gepompt en er vond een levendige handel plaats met schimmige transacties tussen dat autobedrijf met zijn eigen autobedrijf waarmee gelden en voertuigen werden ‘gewit’. Verdachte was in deze constructie jarenlang verzekerd van een op het oog ‘legaal inkomen’ van € 7.000,- per maand. De rechtbank leest tussen de regels van het algehele procesdossier door dat de deelname van [medeverdachte 1] . in de witwasconstructie niet gedurende alle jaren geheel vrijwillig is geweest en deze zich op enige moment aan de witwas-activiteiten wilde onttrekken, maar dit niet kon. [medeverdachte 1] . voelde zich naar eigen zeggen ‘gevangen in zijn eigen bedrijf’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdachte heeft verder crimineel geld gebruikt voor een verbouwing van zijn woning in Eindhoven (minimaal: € 142.500,-), de aankoop en verbouwing van een woning in Spanje (minimaal: € 275.000,-) en de aankoop van auto’s en dure horloges. Ook had hij € 150.000,- in een kluis bij zijn schoonvader gestald. Verdachte spreekt in een OVC-gesprek zelf over ‘1.2 miljoen aan klokken, 1,5 miljoen aan geld en 1 miljoen aan auto’s’ .</p>\n<p class=\"lf-p\">Witwassen leidt tot ontwrichting van het economische en financiële verkeer, omdat de (criminele) herkomst van gelden wordt verhuld. Door de vermenging van illegaal geld met legale geldstromen wordt de integriteit van het financieel en economisch bestel ernstig schade toegebracht. Het is een ernstig delict dat de openbare orde ondermijnt en de maatschappij veel schade toebrengt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het spreekt voor zich dat een organisatie met als doelstelling het plegen van misdrijven, in dit geval het witwassen van crimineel vermogen, een ernstige en ontoelaatbare ondermijning van de rechtsorde betekent. Tegen een dergelijke organisatie moet dan ook consequent, krachtig en effectief worden opgetreden en een strenge en adequate strafrechtelijke vervolging en berechting van haar deelnemers draagt daaraan bij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot is een brandstichting in zijn algemeenheid een uiterst gevaarzettend misdrijf met onvoorspelbare gevolgen. Het veroorzaakt maatschappelijke onrust en leidt tot toename van gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving, met name onder de direct berokkenen. Er staat dan ook een hoge strafbedreiging op een brandstichting. Het behoeft geen nadere uitleg dat de twee branden die verdachte heeft uitgelokt tot materiële schade en overlast en een gevoel van onveiligheid bij aangever en zijn partner hebben geleid. Er is geen onderliggend motief voor de uitgelokte brandstichtingen bekend geworden. De omstandigheid dat aangever in dit strafgeding geen schadevergoeding heeft gevorderd, beschouwt de rechtbank als een zorgelijk gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan. strafblad De rechtbank heeft gezien dat verdachte eerder is veroordeeld voor Opiumwetdelicten, en wel in 2000 (gevangenisstraf 5 jaren) en op 18 juli 2024 in het onderzoek Baraga (gevangenisstraf van 4 jaren). Ten aanzien van laatstgenoemde veroordeling is het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing. persoonlijke omstandigheden Door of namens verdachte is tijdens het verhandelde ter terechtzittingen in dit verband niets naar voren gebracht. strafmatigende omstandigheid Sinds het tijdstip waarop de door verdachte gepleegde strafbare feiten hebben plaatsgevonden is geruime tijd verstreken (ongeveer 3,5 jaren, bijna 6 jaren en ruim 5 jaren). De rechtbank zal met de gedateerdheid van de feiten in strafmatigende zin rekening houden. redelijke termijn De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden overschreden is. Bij een niet-gedetineerde verdachte heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdediging op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van een voorlopig gehechte is het uitgangspunt een termijn van 16 maanden, waarbij geldt dat deze termijn ook aan de orde kan zijn indien een verdachte tijdens de algehele procedure een langere periode in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank neemt in deze zaak bij de bepaling van de aanvang van de redelijke termijn de dag van de doorzoeking in de woning van verdachte en zijn inverzekeringstelling op 17 oktober 2022 als startpunt. De voorlopige hechtenis van verdachte is met ingang van 12 juli 2023 geschorst. Hij heeft, na zijn inverzekeringstelling op 17 oktober 2022, 269 dagen (ongeveer 9 maanden) in voorarrest doorgebracht. Daarbij merkt de rechtbank op dat het voorarrest van verdachte in ieder geval deels betrekking heeft op feiten waarvoor verdachte in onderzoek Baraga inmiddels is veroordeeld. In elk geval is de rechtbank, met inachtneming van de hierna genoemde jurisprudentie, van oordeel dat de duur die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht (zelfs al zou moeten worden uitgegaan van de hiervoor genoemde 9 maanden) geen wijziging in de hiervoor genoemde 2-jaarstermijn met zich brengt (ECLI: NL:HR: 2025:1773 en 1775 d.d. 25 november 2025).</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn op het tijdstip van de uitspraak met ruim 16 maanden is overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn geen feiten en omstandigheden die maken dat het tijdsverloop geheel of gedeeltelijk aan de verdediging is toe te rekenen. Evenmin is sprake van feiten en omstandigheden die ertoe moeten leiden dat afgeweken wordt van het voornoemde uitgangspunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank zal de overschrijding in strafmatigende zin in de strafoplegging verdisconteren. strafmodaliteit Voor strafbare voorbereidingshandelingen zijn geen oriëntatiepunten voorhanden, maar uit jurisprudentie volgt dat het plegen van strafbare voorbereidingshandelingen ten aanzien van (hard)drugsfeiten zwaar bestraft worden. Dit past ook bij de oriëntatiepunten geldend voor de handel en im- en export van harddrugs; daaruit volgt namelijk in algemene zin dat voor Opiumwetdelicten doorgaans forse straffen worden opgelegd De oriëntatiepunten voor de uitvoer van harddrugs gaan niet verder dan bij een uitgevoerde hoeveelheid van ‘20 kilo of meer’ met een gevangenisstraf van 5 jaren. In deze zaak is echter een veelvoud van die hoeveelheid, namelijk 398 kilogram, cocaïne uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor deelname aan een criminele organisatie zijn evenmin oriëntatiepunten voorhanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij witwasdelicten wordt aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten die voor frauduleuze delicten zijn opgesteld. Deze gaan niet verder dan een ‘miljoen euro en hoger’ met een gevangenisstraf van 24 maanden. Uitgaande van verdachtes eigen uitlatingen zou sprake zijn van ruim 3,5 miljoen euro aan crimineel vermogen dat is witgewassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor brandstichtingen bestaan ook geen oriëntatiepunten. Vanwege het uiterst gevaarzettende karakter worden dit soort feiten meestal ook zwaar bestraft. eendaadse samenloop Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van eendaadse samenloop tussen onderdelen van het hiervoor bewezenverklaarde gewoontewitwassen (6e en 7e gedachtestreepje feit 1, 01.259456.23) met de bewezenverklaarde deelname aan een criminele organisatie gericht op gewoontewitwassen. Daarvoor loopt de strekking en het te beschermen belang van beide strafbepalingen te zeer uiteen. Zo richt artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht zich op de bescherming van de openbare orde en de samenleving in het algemeen en richten de witwasbepalingen zich op de bescherming van de integriteit van het financiële en economische verkeer. De andersluidende visie van de raadsman wordt dan ook niet gevolgd. Wel zal de rechtbank met de verwevenheid van de hiervoor genoemde onderdelen in beide bewezenverklaarde feiten in de strafoplegging rekening houden. de straf Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren. De rechtbank heeft hierin een vermindering van 10% vanwege de overschrijding van de redelijke termijn toegepast. Tevens heeft zij daarbij de doorwerking van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht vanwege de veroordeling in juli 2024 betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de aard en ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt, mede in het licht van de gedateerdheid van de diverse bewezen verklaarde feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorlopige hechtenis.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorlopige hechtenis van verdachte is met ingang van 12 juli 2023 geschorst tot het tijdstip van de einduitspraak. Dit betekent dat de voorlopige hechtenis zonder nadere voorziening vanaf dat tijdstip automatisch herleeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raadsman heeft een verzoek tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis geformuleerd in het geval dat de rechtbank tot een veroordeling mocht komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De officier van justitie heeft zich niet uitgelaten over het vervolg van de voorlopige hechtenis van verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank overweegt dat het door de raadsman beoogde doel reeds wordt behaald door de automatische herleving van de voorlopige hechtenis indien geen nadere voorziening wordt getroffen, zoals thans aan de orde. Het schorsingsverzoek behoeft dan ook geen verdere bespreking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kort en goed herleeft het bevel tot voorlopige hechtenis met onmiddellijke ingang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De officier van justitie heeft de verbeurdverklaring gevorderd van de in bijlage 1 en bijlage 2 van het requisitoir opgesomde niet in beslag genomen voorwerpen, inhoudende kort gezegd witgewassen voertuigen (bijlage 1) en door witwashandelingen besmette voertuigen (handelsvoorraad) en het bedrijfspand gelegen aan [adres 3] te Best (bijlage 2).</p>\n<p class=\"lf-p\">De raadsman heeft zich op meerdere gronden tegen de gevorderde verbeurdverklaring verzet. De raadsman heeft in dit verband allereerst aangevoerd dat het een buitenproportionele verzwaring van de strafeis inhoudt. Daarnaast heeft hij naar voren gebracht dat de waarde van de bedrijfsvoorraad veel te laag is geschat, omdat de feitelijke waarde ervan meer dan een miljoen euro bedraagt, dat het bedrijfspand in Best in deze zaak niet kan worden verbeurd verklaard, omdat dit pand verdachte niet (mede) toebehoort, dat het appartement in Spanje voor de helft het eigendom is van de vrouw van verdachte en dit gegeven voor problemen zal zorgen en tot slot dat de aan de orde zijnde geldelijke waarden van de voorwerpen veeleer in de aangekondigde ontnemingsprocedure moeten worden betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank overweegt en oordeelt als volgt. algemeen De rechtbank stelt vast dat op alle betrokken voorwerpen conservatoir beslag rust, met uitzondering van een auto met kenteken N952FF, Cooper Clubman, waarover later meer.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt voorop dat verbeurdverklaring kan worden uitgesproken voor voorwerpen die niet in beslag zijn genomen. Dat volgt uit het bepaalde in artikel 34 van het Wetboek van Strafrecht. Verder volgt uit vaste jurisprudentie dat conservatoir beslag niet aan verbeurdverklaring in de weg staat (ECLI:NL:HR:2015:3689). t.a.v. voorwerpen bijlage 1 requisitoir De rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat al deze voorwerpen, met uitzondering van de motor Harley Davidson [kenteken 3] , voorwerpen van witwasgedragingen zijn geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betreffen voorwerpen (1) die aan verdachte toebehoren en die geheel of grotendeels door middel van of uit baten van het strafbare feit zijn verkregen en (2) met betrekking tot welke het feit is begaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder volgt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzittingen dat de rechthebbenden van de voertuigen en het appartement in Spanje redelijkerwijs hadden kunnen vermoeden dat die voorwerpen waren verkregen, gebruikt of bestemd door/voor witwaspraktijken van verdachte. Voor wat betreft de vrouw van verdachte leidt de rechtbank het bestaan van dit vermoeden het meest expliciet af uit het OVC-gesprek van 11 februari 2022 waarin verdachte met [zoon 2 van verdachte] over de witwasconstructie spreekt en in dit verband zegt: ‘Kijk mijn vrouw weet gewoon hoe het zit’.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank zal deze voorwerpen dan ook verbeurd verklaren met overname van de in de bijlage vermelde geschatte waarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank zal de teruggave gelasten van de Harley Davidson [kenteken 3] aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank verzet het belang van strafvordering zich niet meer tegen de teruggave van dit in beslag genomen goed. t.a.v. voorwerpen bijlage 2 requisitoir De rechtbank oordeelt dat het bedrijfspand [adres 3] te Best niet voor verbeurdverklaring in aanmerking komt, omdat uit de stukken en het verhandelde ter terechtzittingen blijkt dat dit pand sinds 16 mei 2017 eigendom is van [medeverdachte 1] . en [medeverdachte 2] met ieder een aandeel van 50%. Anders gezegd: het pand is niet (deels) het eigendom van verdachte en behoort hem niet toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wat betreft de voertuigen met goednummers 740855, 740849 en 740869 overweegt de rechtbank dat deze voertuigen ook op bijlage 1 staan vermeld en dat de rechtbank hiervoor reeds tot verbeurdverklaring van die voertuigen is overgegaan. Voor wat betreft de motor met goednummer 740853 geldt hetzelfde met dien verstande dat de rechtbank de teruggave van dit goed aan - kort gezegd - de rechthebbende zal gelasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank zal ten aanzien van de resterende handelsvoorraad voertuigen niet tot verbeurdverklaring overgaan, omdat de rechtbank van oordeel is dat de geldelijke waarden van de voorwerpen bij uitstek als subject van bespreking in de door de officier van justitie aangekondigde ontnemingsprocedure moeten worden betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wat betreft genoemde auto met kenteken N952FF, Cooper Clubman overweegt de rechtbank tot slot dat dit voertuig met een strafvorderlijke titel onder [medeverdachte 1] . in beslag is genomen en dat de rechtbank in die zaak de teruggave van dit goed heeft gelast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepasselijke wetsartikelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 34, 47, 57, 63, 140, 157, 420 bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 (oud), 10 en 10a van de Opiumwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">DE UITSPRAAK De rechtbank Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 4 (01.259456.23) en feit 1 primair en feit 2 primair (01.169116.24) is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart het ten laste gelegde onder feiten 1 en 2 (01.019683.21), feiten 1, 2 en 3 (01.259456.23) en feiten 1 subsidiair en 2 subsidiair (01.169116.24) bewezen zoals hiervoor is omschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven: t.a.v. 01.019683.21 feit 1: medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, mede te plegen of om daarbij behulpzaam te zijn of daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>zich of een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>voorwerpen, vervoermiddelen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd. feit 2: als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven t.a.v. 01.259456.23 feit 1: van het plegen van witwassen een gewoonte maken feit 2: medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, mede te plegen of om daarbij behulpzaam te zijn of daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>zich of een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>voorwerpen, vervoermiddelen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd. feit 3: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd t.a.v. 01.169116.24 feit 1 subsidiair: opzettelijk uitlokken van medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is feit 2 subsidiair: opzettelijk uitlokken van medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.</div>\n<p class=\"lf-p\">Legt op de volgende straffen. t.a.v. feiten 1 en 2 (01.019683.21), feiten 1, 2 en 3 (01.259456.23) en feiten 1 subsidiair en 2 subsidiair (01.169116.24):</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een gevangenisstrafvoor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. t.a.v. feit 2 (01.019683.21) en feit 1 (01.259456.23)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>verbeurdverklaringvan de niet in beslag genomen goederen, te weten: auto Mercedes Benz SLS, [kenteken 1] (goednr. 740855), geschatte waarde € 111.000,= auto, Mercedes Benz 280 SL, Pagode 1969 (goednr. 740849), geschatte waarde € 70.077,= [bedrijf 5] BUI821, [kenteken 2] , (goednr.740869), geschatte waarde € 45.000,= 150.000 euro (goednr. G1987693), geschatte waarde € 150.000,= horloge, Audemars Piquet Royal Oak (goednr. 745789), geschatte waarde € 40.000,= horloge, Rolex Sky-Dweller (goednr. 745788), geschatte waarde € 13.500,= horloge, Rolex GNT master II (goednr. 741305), geschatte waarde € 15.500,= horloge Day-date (goednr. 741233), geschatte waarde € 42.500,= onroerend registergoed appartement [adres 2] te Marbella, (Finca 60341 van Registro</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3)</span>, geschatte waarde € 306.000,- Gelast de teruggave van de in beslag genomen een motor, Harley Davidson, [kenteken 3] (goednr. 740853) aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon.</div>\n<p class=\"lf-p\">Dit vonnis is gewezen door: mr. M.M.L.A.T. Doll, voorzitter, mr. W. Heijninck en mr. W.M.T. Keukens, leden, in tegenwoordigheid van D.A. Koopmans, griffier, en is uitgesproken op 20 februari 2026.</p></div>", "next": 0}