{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Uit het rapport van de ILT blijkt dat alle Stints die na 27 juli 2018 zijn geproduceerd en afgeleverd waren voorzien van de nieuwe terugkeerveer. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat door verdachten na 19 september 2018 geen Stints met een gebroken terugkeer zijn verkocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank concludeert dat verdachten geen Stints hebben verkocht terwijl zij wetenschap hadden van de schadelijkheid. De rechtbank zal verdachten daarom vrijspreken van art. 174 Sr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hebben verdachten zich schuldig gemaakt aan de overtreding van art. 175 Sr?</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat verdachten vanaf 19 september 2018 wetenschap hebben gehad van het schadelijk karakter van een gebroken terugkeerveer. Een bewezenverklaring van art. 174 kan niet volgen omdat niet is gebleken dat verdachten na die datum Stints hebben verkocht. Art. 175 Sr betreft de schuldvariant van art. 174 Sr. Voor een bewezenverklaring van art. 175 Sr is wetenschap van de schadelijkheid geen vereiste. De rechtbank dient daarom de vraag te beantwoorden of mogelijk wel sprake is van een overtreding van art. 175 Sr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een bewezenverklaring in de zin van art. 175 Sr zal de rechtbank moeten kunnen vaststellen dat door de schuld van verdachten schadelijke waren zijn verkocht zonder dat de koper of verkrijger met het schadelijke karakter bekend was. Hiervoor is vastgesteld dat ten aanzien van iemand die weet van een mogelijk risico maar ervan uitgaat dat het gevolg niet zal intreden, niet kan worden gezegd dat diegene wetenschap heeft gehad van de schadelijkheid. Mogelijk kan dan echter wel gezegd worden dat diegene nalatig, onvoorzichtig of onachtzaam heeft gehandeld en dat daarmee sprake is van schuld in de zin van art. 175 Sr. Ook dan zal in zekere zin sprake moeten zijn van aanvaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wetenschap van de schadelijkheid is niet eerder dan 19 september 2018 gebleken. Ruim voor die tijd, vanaf mei 2017, hebben verdachten in toenemende mate meldingen ontvangen van problemen met de gashendel en de terugkeerveer. De meldingen zijn door verdachten aanvankelijk geadresseerd als op zichzelf staande problemen of incidenten, die vroegen om reparatie of vervanging van de gashendel of specifiek de terugkeerveer. Dat acht de rechtbank verklaarbaar, nu dergelijke problemen sedert de start in 2014 van het gebruik van de betreffende gashendel zich weinig hadden voorgedaan. Gaandeweg is uit overleg met fabrikant [leverancier 1] en uit eigen onderzoek de veronderstelling bij [verdachte] ontstaan dat de oorzaak een “te strakke” terugkeerveer zou kunnen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het feit dat de gashendel bij een breuk van de terugkeerveer nog immer kon worden teruggedraaid naar de nulstand is het risico van dit probleem als beheersbaar en niet als hoog ingeschat, waarbij de oplossing nog steeds in de vervanging van de terugkeerveer werd gezocht. Immers, een nieuwe terugkeerveer ging niet direct weer stuk en functioneerde in beginsel naar behoren. Daarnaast heeft [verdachte] in 2018 stappen ondernomen om een goede terugkeerveer zelf te laten produceren, toen fabrikant [leverancier 1] het breken van de terugkeerveer bleef wijten aan misbruik door krachtuitoefening door de gebruiker, geen vervangende gashendels meer leverde en niet meer reageerde op vragen van [verdachte] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze nieuwe veer is op 27 juli 2018 geleverd en vervolgens steeds gemonteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet is gebleken dat verdachten bij het ontwerp en de constructie van de Stint hun keuzes lichtzinnig hebben gemaakt. De gashendel is bij een bestaande en gerenommeerde fabrikant gekocht. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan zij aan de betrouwbaarheid van die fabrikant hadden moeten twijfelen. Evenmin is gebleken dat verdachten aan de deugdelijkheid van de geleverde onderdelen hadden moeten twijfelen. De betreffende gashendel betrof een onderdeel dat in/op vele verschillende voertuigen als motoren en bromfietsen werd gebruikt. De periode dat er problemen ontstonden met de terugkeerveer is voorafgegaan door een lange periode van gebruik zonder problemen. Evenmin is het de rechtbank gebleken dat, waren verdachten bekend geweest met het risico van het niet automatisch terugveren van de gashendel, te weten: het blijven aandrijven, zij dat risico hebben aanvaard. Er is steeds gereageerd op meldingen, waarbij reparaties en vervanging van gashendels vlot, en in de loop van 2018 ook proactief zijn uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank concludeert gelet op het voorgaande dat met de door verdachten gekozen aanpak ten aanzien van de problemen met de gashendel en terugkeerveer niet nalatig, onvoorzichtig of onachtzaam is gehandeld. De rechtbank zal verdachten daarom eveneens vrijspreken ten aanzien van art. 175 Sr.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>( (een of meer van) deze Stint(s) was/waren voorzien van een ondeugdelijk gemonteerde gashendel, waardoor de gashendel kon aanlopen tegen het uiteinde van het stuur en waardoor deze – bij loslaten – mogelijk niet terugkeerde naar de ruststand en de aandrijving onbedoeld in stand kon blijven (dossier ZD03, schadelijkheid C2).</div>\n<p class=\"lf-p\">Het standpunt van het OM.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het OM stelt zich op het standpunt dat dit onderdeel wettig en overtuigend bewezen kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze eigenschap kan niet los gezien worden van andere eigenschappen, zoals het ontbreken van een remschakelaar, de onvoldoende krachtige mechanische rem, het ontbreken van een noodstopvoorziening en het ontbreken van een opstartbeveiliging.</p>\n<p class=\"lf-p\">TNO beschrijft in haar rapport het risico van een voertuig dat niet meer remt wanneer de bestuurder wenst te remmen. Dit kan volgens TNO in veel voorkomende verkeerssituaties leiden tot levensbedreigende verwondingen. TNO beschrijft verder dat door het verkeerd monteren van de gashendel op het stuur, het rubberen handvat van de gashendel kan aanlopen tegen het uiteinde van het stuur. Daardoor komt de hendel niet terug naar de nulstand en blijft de aandrijving actief.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat verdachten wetenschap hadden van deze schadelijkheid blijkt uit de eigen servicehandleiding. Daar wordt in omschreven hoe de gashendel gemonteerd moet worden om te voorkomen dat de gashendel kan aanlopen tegen het uiteinde van het stuur. Die instructie bleek in de praktijk in enkele gevallen geen valide oplossing. Net zoals bij de breuk van de terugkeerveer, werkt ook hier de aangewezen handeling ‘bij remmen laat je het gas los’ in negatieve zin mee.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdachten hebben hun kennis over deze schadelijkheid niet gedeeld en evenmin hebben zij gebruikers enig handelingskader meegegeven wat te doen in het geval de gashendel niet automatisch terugveert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het standpunt van de verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging stelt zich op het standpunt dat niet bewezen kan worden dat sprake is van een schadelijkheid en dat daarom voor dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspraak dient te volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is mogelijk om de gashendel verkeerd te monteren, zodat deze niet goed terugkomt in de nulstand. Bij de montage werd hier daarom bijzondere aandacht aan besteed. Het levert geen schadelijkheid op nu het niet ziet op een gebrek van het product dat op de markt is gebracht, maar het ziet op de wijze van montage. Bovendien wordt gebruik gemaakt van een zeer gebruikelijke gashendel. Uit de jurisprudentie blijkt onvoldoende duidelijk in hoeverre het schadelijke karakter van toepassing is op de wijze van montage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oordeel van de rechtbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt op grond van het dossier vast dat gedurende de tenlastegelegde periode Stints voorzien zijn geweest van een ondeugdelijk gemonteerde gashendel, waardoor de gashendel kon aanlopen tegen het uiteinde van het stuur en waardoor deze – bij loslaten –mogelijk niet terugkeerde naar de ruststand en de aandrijving onbedoeld in stand kon blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank baseert zich voor deze vaststelling op de bevindingen van TNO, die hier onderzoek naar deed. TNO stelt in haar onderzoek vast dat door een verkeerde montage van de gashendel op het stuur, het rubberen handvat kon aanlopen tegen het uiteinde van het stuur. Daardoor kwam de hendel niet naar de nulstand terug en bleef de aandrijving actief. De gashendel moest dan handmatig worden teruggedraaid om de aandrijving te doen stoppen. In de servicehandleiding van de Stint werd beschreven hoe de gashendel gemonteerd moest worden om te voorkomen dat dit gebeurde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is er sprake van een schadelijkheid in de zin van art. 174/175 Sr?</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is sprake van een schadelijkheid als er schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid zijn opgetreden of als met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat er schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid konden optreden, als gevolg van elk gebruik van de Stint waarmee redelijkerwijs rekening moest worden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het dossier blijkt dat in totaal drie meldingen zijn gedaan die verband houden met een onjuiste positie van de gashendel op het stuur. De oorzaak van die onjuiste positie is onbekend gebleven en ook is niet gebleken dat de verkeerde montage in de betreffende gevallen gevolgen voor het leven of de gezondheid heeft gehad. Bij de Stint die betrokken was bij het ongeval op 20 september 2018 is geen onjuist gemonteerde gashendel geconstateerd. De rechtbank kan op grond hiervan niet vaststellen dat er schadelijke gevolgen door een verkeerd gemonteerde gashendel zijn opgetreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank moet verder concluderen dat er geen onderzoek is gedaan naar de vraag of een verkeerde montage van de gashendel gevolgen voor het leven of de gezondheid kon hebben. Dan resteert de vraag of de rechtbank dit anderszins kan vaststellen. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het dossier hiervoor geen aanknopingspunten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het feit dat TNO concludeert dat het beter zou zijn ervoor te zorgen dat de gashendel niet verkeerd gemonteerd kan worden (bijvoorbeeld door middel van een aanslag) in plaats van hiervoor te waarschuwen in de montagehandleiding, is daarvoor onvoldoende. De mogelijkheid een product veiliger te maken is op zichzelf onvoldoende om tot de vaststelling te kunnen komen dat er sprake is van een schadelijkheid, heeft de rechtbank hiervoor reeds bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank concludeert dat het dossier geen bewijs bevat op basis waarvan de rechtbank kan vaststellen dat er gedurende de tenlastegelegde periode schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid zijn opgetreden, dan wel op basis waarvan zij met voldoende mate van zekerheid kan vaststellen dat er schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid konden optreden, doordat Stints voorzien waren van een verkeerd gemonteerde gashendel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat er sprake is van een schadelijkheid in de zin van art. 174/175 Sr acht de rechtbank daarom niet bewezen. Daarmee komt de rechtbank niet toe aan de overige te beantwoorden vragen en zal de rechtbank verdachten vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>( (een of meer van) deze Stint(s) was/waren voorzien van een vrijloophendel welke voor de bestuurder niet zichtbaar en/of niet te bedienen was vanaf het staplateau, en/of was/waren (een of meer van) deze Stint(s) niet voorzien van een vrijloopbeveiliging, (mede) waardoor de Stint aangedreven kon worden terwijl de vrijloop ingeschakeld is (en de elektromechanische rem buiten werking gesteld is) (schadelijkheden ZD04 D4 en ZD05 E4).</div>\n<p class=\"lf-p\">Het standpunt van het OM.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het OM splitst dit gedachtestreepje op in een tweetal afzonderlijke onderdelen, te weten de vrijloophendel die voor de bestuurder niet zichtbaar en/of niet te bedienen was vanaf het staplateau en het ontbreken van een vrijloopbeveiliging. Het OM stelt zich op het standpunt dat het onderdeel met betrekking tot de vrijloophendel wettig en overtuigend bewezen kan worden en vordert partiële vrijspraak met betrekking tot het ontbreken van een vrijloopbeveiliging.</p>\n<p class=\"lf-p\">De positie van de vrijloophendel.</p>\n<p class=\"lf-p\">TNO heeft vastgesteld dat een stilgevallen voertuig kan worden verplaatst nadat de parkeerrem handmatig gelicht wordt door middel van de vrijloophendel en het contact uitgeschakeld wordt. Dit zijn volgens TNO geen intuïtieve handelingen. TNO adviseert daarom een handmatig te bedienen parkeerreminrichting zodat het voertuig bij stilvallen vrij kan blijven rollen. Deze kan ook niet onbedoeld geactiveerd worden. Deze zou bediend moeten kunnen worden door een bedienelement in de directe nabijheid van de andere bedienorganen en zo worden uitgerust dat het niet vergeten kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een goed en snel gebruik van de vrijloophendel op de momenten dat het nodig is vraagt om een goede instructie in de handleiding en in de rijvaardigheidstrainingen, die ontbrak. Onder andere de zichtbaarheid van de vrijloop, het gebruiksgemak en een logische en eenvoudige situering moeten het gebruik zo eenvoudig en kenbaar mogelijk maken. Vooral door de keuze om de vrijloophendel op een niet-zichtbare plek te plaatsen, was het gebruik ervan niet eenvoudig en evenmin kenbaar. Dit probleem is een schadelijkheid, zeker nu is geconstateerd dat er vaak sprake is van het onbedoeld stilvallen van de Stint.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het bekend raken van de problematiek rond het onbedoeld stilvallen van de Stint hadden verdachten extra moeten nadenken over de plaats en het gebruik van de vrijloophendel, inclusief de instructies die zij gebruikers geven voor dit soort noodsituaties. De wetenschap van het onbedoeld stilvallen is één op één ook van toepassing te achten voor de schadelijkheid van de niet zichtbare plaats van de vrijloophendel. Door dat na te laten en de vrijloop niet aan te passen is er sprake van voorwaardelijk opzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van verzwijgen is ook sprake geweest. Verdachten hebben hun kennis hierover, in combinatie met hun kennis ten aanzien van het onbedoeld stilvallen, nimmer met de gebruikers gedeeld. Evenmin hebben zij gebruikers passend geïnformeerd over een adequate handelswijze.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ontbreken van een vrijloopbeveiliging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het NFI en TNO hebben vastgesteld dat de Stint geen voorziening heeft die voorkomt dat gereden kan worden als de elektromechanische rem door de vrijloophendel buiten werking is gesteld. De motorcontroller is daar wel op voorbereid, maar de schakelaar die nodig is om de stand van de vrijloophendel te herkennen is achterwege gelaten. Niet alleen kan dit een probleem opleveren bij ‘blocking’ – de Stint rijdt dan vrij door – maar tevens bij het op een helling stilzetten van de Stint. De elektromagnetische rem wordt dan immers niet geactiveerd. Het ontbreken van een vrijloopbeveiliging dient daarom als een schadelijkheid te worden beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het risico bij het parkeren of stilzetten van een Stint op een helling was bij verdachten bekend en zij hebben hierover een waarschuwing opgenomen in de handleiding. Hoewel het inbouwen van een beveiliging in het voertuig zelf vanuit veiligheidsoogpunt verstandiger was geweest, kan hier ‘het verzwijgen’ in de zin van art 174/175 Sr niet bewezen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de situatie waarin de Stint tijdens het rijden plotseling stilvalt kan de wetenschap van deze schadelijkheid niet bewezen worden. Het gaat in deze situatie om een samenloop van problemen. De vrijloop zou bij het gaan rijden ten onrechte geactiveerd moeten zijn en er moet een storing tijdens het rijden optreden. In het overzicht van alle meldingen komt deze situatie niet voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het standpunt van de verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging stelt zich op het standpunt dat niet bewezen kan worden dat sprake is van een schadelijkheid en dat daarom voor dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspraak dient te volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het remsysteem, waaronder de vrijloophendel en de werking daarvan, is destijds goedgekeurd door de RDW en getest door de SWOV. In de Regeling voertuigen zijn geen aanvullende eisen gesteld ten aanzien van de vrijloopfunctie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het NFI lijkt te stellen dat wanneer de vrijloopstand zou zijn ingeschakeld, de Stint niet kan worden beremd met de gashendel. Deze aanname is onjuist. Als de (elektromagnetische) parkeerrem in de vrijloopstand staat, betekent dit dat deze rem niets kan doen. Dit staat los van het normale gebruik en het remmen. De motorcontroller remt nog steeds deels op de motor af als je de gashendel loslaat. De parkeerrem bestaat uit twee remschijfjes die tegen elkaar worden geduwd, hetgeen hoorbaar is door een klikje. Bij normaal gebruik kom je na het remmen tot stilstand, waarna de parkeerrem de rem op elkaar klikt. Bij het inschakelen van de vrijloop trek je de twee schijfjes van elkaar af en kunnen ze niet meer op elkaar klikken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de rijtraining wordt aandacht besteed aan het gebruik van de vrijloophendel, waar deze zit, hoe deze werkt en aan hoe te handelen in bepaalde situaties. Daarbij wordt het voorbeeld van eventueel stilvallen op het spoor expliciet benoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de vrijloopbeveiliging volgt uit het dossier niet dat dit tot specifieke situaties heeft geleid. Dat tijdens het rijden de vrijloop wordt geactiveerd is ook niet goed voorstelbaar. Bovendien heeft dit geen invloed op de remweg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oordeel van de rechtbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">De positie van de vrijloophendel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het onderzoek van het NFI en TNO volgt dat de Stint over een parkeerrem beschikte. De parkeerrem kon handmatig door de bestuurder van de Stint buiten werking worden gesteld door middel van een hendel die zich aan de achterzijde van de Stint bevond (de zgn. vrijloop). Bij de gekeurde Stint bevond de hendel zich rechts aan de achterzijde van het bestuurdersplatform. Bij latere modellen bevond de hendel zich vlak voor het linker achterwiel van de Stint. Als de parkeerrem was geactiveerd kon de Stint alleen weggeduwd worden nadat de Stint in de vrijloopstand was gezet en nadat het voertuig was uitgeschakeld met de contactsleutel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is er sprake van een schadelijkheid in de zin van art. 174/175 Sr?</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is sprake van een schadelijkheid als er schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid zijn opgetreden of als met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat er schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid konden optreden als gevolg van elk gebruik van de Stint waarmee redelijkerwijs rekening moest worden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt vast dat vrijloophendel werkte zoals die behoorde te werken. De verschillende standen van de hendel en de werkwijze hoe te handelen als de Stint onbedoeld stil kwam te vallen stond beschreven in de gebruikershandleiding. Ook in de rijvaardigheidstrainingen werd hierop gewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dossier bevat geen bewijs dat er schadelijke gevolgen door de positie van de vrijloophendel zijn opgetreden. De rechtbank moet verder concluderen dat er geen onderzoek is gedaan naar de vraag of de positie van de vrijloophendel gevolgen voor het leven of de gezondheid kon hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het OM verwijst in dit verband ten onrechte naar meldingen die betrekking hebben op het stilvallen van de Stint door bijvoorbeeld accuproblemen. Uit die meldingen blijkt niet dat door de positie van de vrijloophendel situaties zijn ontstaan waardoor schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid zijn opgetreden of konden optreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De constatering dat de vrijloophendel niet zichtbaar of niet te bedienen was vanaf het staplateau, is onvoldoende om van een schadelijkheid te kunnen spreken. Ook de aanbevelingen van TNO over de parkeerinrichting van de Stint voldoen daartoe niet. Dat er mogelijkheden waren om de Stint veiliger te maken is op zichzelf onvoldoende om tot de vaststelling te komen dat er sprake is van een schadelijkheid, heeft de rechtbank hiervoor reeds bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dan resteert de vraag of de rechtbank anderszins kan vaststellen of sprake is van een schadelijkheid. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het dossier hiervoor geen aanknopingspunten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ontbreken van een vrijloopbeveiliging.</p>\n<p class=\"lf-p\">TNO heeft vastgesteld dat inschakeling van de Stint terwijl deze in de vrijloopstand staat, bij het keuringsvoertuig niet mogelijk is, bij latere Stints wel. De latere Stints hebben geen voorziening die voorkomt dat gereden kan worden als de handrem door de vrijloophendel buiten werking is gesteld. De rechtbank baseert zich hierbij op de onderzoeken van het NFI en TNO.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is er sprake van een schadelijkheid in de zin van art. 174/175 Sr?</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is sprake van een schadelijkheid als er schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid zijn opgetreden of als met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat er schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid konden optreden als gevolg van elk gebruik van de Stint waarmee redelijkerwijs rekening moest worden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt vast dat vrijloophendel werkte zoals die behoorde te werken. De verschillende standen van de hendel zijn de gebruikers via de gebruikershandleiding bekend. De gebruikershandleiding wees er ook op dat Stint nooit in vrijloop mocht staan als de Stint stilgezet of geparkeerd werd. Ook in de rijvaardigheidstrainingen werd hierop gewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dossier bevat geen bewijs dat schadelijke gevolgen door het ontbreken van de vrijloopbeveiliging zijn opgetreden. De rechtbank moet verder concluderen dat er geen onderzoek is gedaan naar de vraag of de het ontbreken van de vrijloopbeveiliging gevolgen voor het leven of de gezondheid kon hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het OM verwijst in dit verband eveneens naar meldingen die betrekking hebben op het stilvallen van de Stint door bijvoorbeeld accuproblemen. Uit die meldingen blijkt niet dat door het ontbreken van een vrijloopbeveiliging situaties zijn ontstaan waardoor er schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid zijn opgetreden of konden optreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat TNO aanbevelingen doet over de parkeerinrichting van de Stint voldoet hiertoe evenmin. Dat er mogelijkheden waren om de Stint veiliger te maken is op zichzelf onvoldoende om tot de vaststelling te komen dat sprake is van een schadelijkheid, heeft de rechtbank hiervoor reeds bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dan resteert de vraag of de rechtbank dit anderszins kan vaststellen. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het dossier hiervoor geen aanknopingspunten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank concludeert dat het dossier geen bewijs bevat op basis waarvan de rechtbank kan vaststellen dat er gedurende de tenlastegelegde periode schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid zijn opgetreden, dan wel op basis waarvan zij met voldoende mate van zekerheid kan vaststellen dat er schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid konden optreden, doordat de vrijloophendel niet zichtbaar of te bedienen was vanaf het staplateau of omdat de Stint niet voorzien was van een vrijloopbeveiliging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat er sprake is van een schadelijkheid in de zin van art. 174/175 Sr acht de rechtbank daarom niet bewezen. Daarmee komt de rechtbank niet toe aan de overige te beantwoorden vragen en zal de rechtbank verdachten vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>( (een of meer van) deze Stint(s) was/waren niet voorzien van een opstartbeveiliging, waardoor bij het starten van de Stint de aandrijving van de motor onbedoeld tot stand kon komen (dossier ZD04, schadelijkheid D5).</div>\n<p class=\"lf-p\">Het standpunt van het OM.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het OM stelt zich op het standpunt dat dit onderdeel wettig en overtuigend bewezen kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het NFI heeft vastgesteld dat indien aan het einde van de opstartperiode de gashendel bediend is en de rijrichtingsschakelaar in een rijstand staat, de motor direct begint met aandrijven. De motorcontroller biedt de mogelijkheid om dat te voorkomen, maar die veiligheidsmaatregel is uitgeschakeld. Ter vergelijking wijst het NFI op het feit dat een opstartbeveiliging voor elektrische rolstoelen en scootmobielen verplicht is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdachten hadden wetenschap van deze schadelijkheid. In de periode tussen augustus/september 2017 tot en met 11 september 2018 zijn drie meldingen binnengekomen. Bij twee van de drie meldingen gaat het om ongevallen en twee melders wijzen expliciet op het gevaar dat van deze schadelijkheid uitgaat. Daarnaast was in de standaardconfiguratie van de motorcontroller deze beveiliging geactiveerd. Samen met Alpatek zijn in 2014 de instellingen van de motorcontroller bepaald. Het moet een bewuste keuze zijn geweest deze te deactiveren. Voor de wetenschap is tevens van belang dat een opstartbeveiliging op basis van de Machinerichtlijn wettelijk vereist is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is op geen enkele manier over deze schadelijkheid naar de gebruikers toe gecommuniceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het standpunt van de verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging stelt zich op het standpunt dat niet bewezen kan worden dat sprake is van een schadelijkheid en dat daarom voor dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspraak dient te volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een opstartbeveiliging is niet verplicht voor de Stint. Een opstartbeveiliging kan daarnaast ook bestaan uit het moeten verrichten van een handeling voordat weggereden kan worden. Daarvan is sprake nu de Stint alleen zal starten door de contactsleutel in het slot om te draaien. Op dat moment staat er dus iemand op de Stint. Bovendien kan een opstartbeveiliging juist tot onveilige situaties leiden door de complexiteit van handelingen die je moet verrichten voordat de Stint in beweging komt. Het niet direct weg kunnen rijden in een noodsituatie, levert ook een risico op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het risico van ongewild wegrijden hebben verdachten wel degelijk waargenomen. Het risico is als laag ingeschat en ondervangen met de waarschuwingen in de gebruikershandleiding dat de sleutel altijd uit het contact moet worden gehaald. Daar werd tijdens de rijtrainingen ook op gewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oordeel van de rechtbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt vast dat de Stints die voorzien waren van motorcontroller SME AC-S1 geen opstartbeveiliging hadden. Als aan het einde van de opstartperiode de gashendel werd bediend en de rijrichtingschakelaar in de rijstand stond, dan ving de motor direct aan met aandrijven. De rechtbank baseert zich hiervoor op het onderzoek van het NFI.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is er sprake van een schadelijkheid in de zin van art. 174/175 Sr?</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is sprake van een schadelijkheid als kan worden vastgesteld dat er schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid zijn opgetreden of met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat er schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid konden optreden als gevolg van elk gebruik van de Stint waarmee redelijkerwijs rekening moest worden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt vast dat het dossier geen bewijs bevat dat er door het ontbreken van een opstartbeveiliging schadelijke gevolgen zijn opgetreden. De meldingen die in het dossier zijn opgenomen of door het OM in dit verband worden aangehaald, hebben geen betrekking op het ontbreken van een opstartbeveiliging op zichzelf. De meldingen en incidenten gaan over het breken van de terugkeerveer of het klemmen van de gashendel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt ook vast dat er geen onderzoek is gedaan naar de vraag of door het ontbreken van een opstartbeveiliging schadelijke gevolgen konden optreden. Dan resteert de vraag of de rechtbank dit anderszins kan vaststellen. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het dossier hiervoor geen aanknopingspunten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat een opstartbeveiliging in de situatie van een gebroken terugkeerveer of het klemmen van de gashendel mogelijk een adequate beveiliging zou zijn geweest, maakt dit niet anders. Dat de Stint veiliger gemaakt kon worden, wil niet zeggen dat de Stint schadelijk was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien gaat het hier om een mogelijke verbetering of een veiligheidstoepassing die ziet op een situatie waarin de Stint door een defect of onjuiste montage van de gashendel bij het opstarten direct aandrijft. Het is naar het oordeel van de rechtbank de oorzaak van de onbedoelde aandrijving die dan mogelijk een schadelijkheid oplevert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verder onjuist om te stellen dat de onveiligheid en daarmee de schadelijkheid van de Stint gegeven is, omdat het NFI constateert dat een opstartbeveiliging eenvoudig via de motorcontroller kon worden geactiveerd of omdat de Machinerichtlijn en de norm ISO 7176-14 (geldend voor elektrische rolstoelen en scootmobielen) het verplicht stellen een opstartbeveiliging aan te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Los van het feit dat de rechtbank hiervoor reeds heeft overwogen dat de Machinerichtlijn niet van toepassing is c.q. verdachten niet kan worden tegengeworpen, volstaat het niet voldoen aan een eis of norm op zichzelf gelet op de definitie van het begrip niet om te kunnen spreken van een schadelijkheid. Het is (hooguit) een indicatie dat er schadelijke gevolgen kunnen optreden. Nu die niet op grond van het dossier kunnen worden vastgesteld, rechtvaardigt deze omstandigheden niet de conclusie dat de Stint schadelijk was.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank wijst er tot slot op dat ten tijde van de toelating van de Stint in 2011 een opstartbeveiliging geen vereiste was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank concludeert dat het dossier geen bewijs bevat op basis waarvan de rechtbank kan vaststellen dat er gedurende de tenlastegelegde periode schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid zijn opgetreden, dan wel op basis waarvan zij met voldoende mate van zekerheid kan vaststellen dat er schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid konden optreden, doordat de Stint niet over een opstartbeveiliging beschikte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat er sprake is van een schadelijkheid in de zin van art. 174/175 Sr acht de rechtbank daarom niet bewezen. Daarmee komt de rechtbank niet toe aan de overige te beantwoorden vragen en zal de rechtbank verdachten vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>( (een of meer van) deze Stint(s) was/waren voorzien van voor gebruik in de Stint ondeugdelijke en/of ongeschikte accu’s en/of voor de gebruikte accu’s ongeschikte acculaders, en/of was de Stint dusdanig ontworpen dat de kwaliteit en/of werking van de accu’s (snel) verminderde(n), waardoor deze ondeugdelijk werden, (mede) waardoor de Stint onbedoeld kon vertragen of stilvallen (dossier ZD05, schadelijkheden E1 en E2).</div>\n<p class=\"lf-p\">Het standpunt van het OM.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het OM stelt zich op het standpunt dat dit onderdeel wettig en overtuigend bewezen kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de rapporten van het NFI, TNO en het proces-verbaal van [verbalisant] blijkt dat sprake is geweest van een aantal mankementen in de werking en (de keuzes in) de inbouw van de twee accu’s in de Stint. Daar kunnen ongewenste consequenties uit voortvloeien, zoals het plots stil- of uitvallen van de Stint, maar ook het opzwellen/uit elkaar barsten van de accu’s zou zo’n consequentie kunnen zijn. In de woorden van de tenlastelegging valt dit te beschouwen als het ‘ondeugdelijk worden’ van de accu’s door het ontwerp van de Stint dat ervoor zorgde dat de kwaliteit en de werking van de accu’s snel verminderden. Daarnaast is een verminderd remvermogen mogelijk, hetgeen automatisch effect heeft op de remvertraging en daarmee een langere remweg tot gevolg heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er was wetenschap bij verdachten omtrent de problematiek rondom de accu’s, inclusief het veiligheidscomponent dat daarmee gepaard ging. Dat ging verder dan de reguliere problematiek rondom de accu’s en de foute batch van één van de acculeveranciers. Veel meldingen met betrekking tot de accu’s gingen over het plotseling stilvallen van de Stint. In ieder geval [verdachte] wist dat het regeneratief remmen zijn effect had op de status van de accu’s. In plaats van daar een oplossing voor te zoeken heeft hij concessies gemaakt ten aanzien van de remweg om zo de regeneratieve stroom te beperken, overigens zonder dat hiermee de accuproblemen zijn opgelost. Uit tapgesprekken die dateren van na het ongeval blijkt dat verdachten pas dan daadwerkelijke actie gaan ondernemen, terwijl het probleem al langere tijd bekend was. Ook wordt dan pas gesproken over het handelingskader dat ze gebruikers moeten gaan meegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook het probleem van het koken, sissen, dampen of uit elkaar barsten van de accu’s lijkt zijn oorsprong te (kunnen) vinden in de veel te hoge remstroom die ontstaat bij regeneratief remmen. In een tijdsbestek van ca. 6,5 maanden komen hier 13 meldingen over binnen. Verdachten zijn hierover in contact getreden met leverancier [leverancier 2] , maar ten tijde van het ongeval was hier nog geen duidelijkheid over. Wel is door [leverancier 2] een brief verzonden waarin wordt gewezen op mogelijke gevolgen van het niet kwijt kunnen van de warmte door de accu. Verdachten hebben weliswaar vrij snel gehandeld ten aanzien van dit probleem, maar zij hebben nagelaten ook zelf de werking en de inpassing van de accu’s in de Stint goed te onderzoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op geen enkele manier is er naar de gebruikers toe actief gecommuniceerd over deze schadelijkheid. Bij problemen met de accu’s werden deze doorgaans simpelweg vervangen. Een goed handelingsperspectief aan (alle) gebruikers hoe hier hiermee om te gaan is niet gegeven, terwijl de problemen met de accu’s bleven voortduren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het standpunt van de verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging stelt zich op het standpunt dat niet bewezen kan worden dat sprake is van een schadelijkheid en dat daarom voor dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspraak dient te volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat zowel TNO als het NFI op bepaalde punten de werking van de accu’s en de effecten daarvan op het voertuig ongewenst achten, levert nog geen schadelijkheid in de zin van art. 174/175 Sr op. Daar komt bij dat verdachten veel aandacht hadden voor de accu’s en verbeteringen op dit vlak. Bovendien verleenden verdachten ook zeer transparant service ten aanzien van het vervangen van defecte accu’s. Wanneer een melding binnenkwam over een niet goed werkende accu, werd als eerste onderzoek gedaan bij de klant om te kijken of er mogelijk sprake was van verkeerd gebruik. Dit kon bestaan uit het negeren van signalen, verkeerd laden of doordat de rode stekker na het laden niet goed terug in de Stint werd gestopt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het OM probeert een link te leggen tussen het aantal meldingen omtrent accu’s en een gestelde ontwerpfout van de Stint, maar die relatie is niet te leggen. De meldingen wijzen hier ook niet op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het OM heeft met het onderzoek enkel bewezen dat er verbeterpunten waren en dat verdachten hiervan ook zelf op de hoogte waren, maar het heeft niet kunnen bewijzen dat het tot een onaanvaardbaar gevaar leidt, nog daargelaten dat verdachten van dit gevaar op de hoogte zouden zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oordeel van de rechtbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het OM heeft in de tenlastelegging onder meer gesteld dat de Stint dusdanig was ontworpen dat de kwaliteit en/of werking van de accu’s (snel) verminderde. In het requisitoir voert het OM daarnaast aan dat dit kon leiden tot een verminderd remvermogen van de Stint. Dat had weer automatisch effect op de remvertraging van de Stint, met een langere remweg tot gevolg. De rechtbank begrijpt hieruit dat het OM stelt dat ook dit (verminderde remvermogen) een verwijt is dat aan dit gedachtestreepje van de tenlastelegging gekoppeld wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het OM treedt daarmee naar het oordeel van de rechtbank buiten de tenlastelegging. Blijkens de tekst van de tenlastelegging is immers het (enige) verwijt dat omtrent het ontwerp van de accu’s gemaakt wordt, dat de Stint plotseling kon vertragen of stilvallen. Een verminderd remvermogen wordt niet genoemd. De rechtbank zal daarom hetgeen het OM hierover heeft aangevoerd buiten beschouwing laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Stint beschikte over twee in serie geschakelde loodaccu’s. Er zijn gedurende de tenlastegelegde periode drie verschillende merken gebruikt. De accu’s werden opgeladen met acculaders. De motorcontroller van de Stint was zo ingesteld dat de accu’s ook bijgeladen konden worden door te remmen op de motor (regeneratief remmen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het NFI, TNO en verbalisant [verbalisant] hebben onderzoek gedaan naar de werking van de accu’s en/of de wijze waarop de accu’s waren toegepast in de Stint. Uit deze onderzoeken is onder andere gebleken dat de acculaders die gebruikt werden, te zwaar waren voor de gebruikte accu’s, dat de accu’s sterk te lijden hadden onder het regeneratief remmen en dat er een onbalans bestond tussen de accu’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is er sprake van een schadelijkheid in de zin van art. 174/175 Sr?</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is sprake van een schadelijkheid als er schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid zijn opgetreden of als met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat er schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid konden optreden als gevolg van elk gebruik van de Stint waarmee redelijkerwijs rekening moest worden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt vast dat het dossier geen bewijs bevat dat door de bevindingen omtrent de accu’s schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid zijn opgetreden. De rechtbank moet ook vaststellen dat er geen onderzoek is gedaan naar de vraag of door de bevindingen met betrekking tot de accu’s schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid konden optreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het OM verwijst in dit verband naar meldingen die over de accu’s zijn gedaan. Op basis van deze meldingen kan weliswaar geconstateerd worden dat de accu’s in de praktijk vaak tot problemen leidden, zoals het plotseling stilvallen van een Stint of het ontstaan van schade aan de accu’s zelf, maar kan naar het oordeel van de rechtbank niet in objectieve zin vastgesteld worden dat dit stilvallen of deze schade zijn oorzaak vond in het ontwerp van Stint. De verklaringen van de melders geven weliswaar voor hen verontrustende ervaringen met de Stint weer, maar zijn in zoverre onvoldoende om op basis daarvan vast te kunnen stellen dat er door het ontwerp van de Stint ten aanzien van de accu’s gevaar voor het leven of de gezondheid kon optreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dan resteert de vraag of de rechtbank dit anderszins kan vaststellen. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het dossier hiervoor geen aanknopingspunten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank concludeert dat het dossier geen bewijs bevat op basis waarvan de rechtbank kan vaststellen dat er gedurende de tenlastegelegde periode schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid zijn opgetreden, dan wel op basis waarvan zij met voldoende mate van zekerheid kan vaststellen dat er schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid konden optreden, door de bevindingen over de accu’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat er sprake is van een schadelijkheid in de zin van art. 174/175 Sr acht de rechtbank daarom niet bewezen. Daarmee komt de rechtbank niet toe aan de overige te beantwoorden vragen en zal de rechtbank verdachten vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>( (een of meer van) deze Stint(s) was/waren niet voorzien van een aanwezigheidsdetectie van de bestuurder, waardoor de Stint bij het van het staplateau vallen/stappen door de bestuurder niet automatisch tot stilstand kwam (dossier ZD04, schadelijkheid D2) Het standpunt van het OM.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het OM stelt zich op het standpunt dat dit onderdeel wettig en overtuigend bewezen kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Stint was niet voorzien van een schakelaar waarmee de aanwezigheid van de bestuurder werd gedetecteerd. De Stint kon dus ook worden bediend met de gashendel als de bestuurder naast of achter het voertuig op de grond stond. De motorcontroller biedt de mogelijkheid om dit te voorkomen, maar de schakelaar die nodig is om de aanwezigheid van een bestuurder te herkennen – de zogenaamde aanwezigheidsschakelaar – ontbrak. In de handleiding van de motorcontroller wordt verwezen naar de EN 1175-1 norm. Deze norm verplicht tot een systeem, los van de gashendel, dat automatisch voorkomt dat een voertuig bediend kan worden op het moment dat de bestuurder het voertuig verlaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">TNO heeft vastgesteld dat als een bestuurder van de Stint valt, de Stint door het ontbreken van een aanwezigheidsdetectie op een helling vrij door kan rollen. Dit gegeven is relevant, omdat het staplateau is voorzien van een tranenplaat die snel glad wordt als die nat is. Daarnaast is de Stint zodanig gebouwd dat het logisch is om, als je van de Stint af wilt stappen, je je vasthoudt aan het stuur. Je komt dan in een positie dat het risico bestaat dat er gas wordt bijgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdachten zijn door gebruikers meermalen expliciet gewezen op de noodzaak van een aanwezigheidsdetectie. Het was bij verdachten ruimschoots bekend dat de Stint door kon rijden als er niemand op stond en dat dit kon zorgen voor gevaar voor goederen en personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdachten hebben bij de ontwikkeling van de Stint het risico onderkend dat het voertuig kon rijden zonder bestuurder, als de bestuurder van de Stint zou vallen. Daarom hebben ze ervoor gezorgd dat de gashendel niet blokkeerbaar is en dat deze direct terugveert naar de neutrale stand indien deze wordt losgelaten. Verdere actie was niet nodig. Toen bekend werd dat de gashendel wel blokkeerbaar bleek of niet direct terugveerde, hebben verdachten nagelaten gebruikers meer en anders te waarschuwen dan zij hebben gedaan, of de Stint aan te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het standpunt van de verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging stelt zich op het standpunt dat niet bewezen kan worden dat er sprake is van een schadelijkheid en dat daarom voor dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspraak dient te volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er was geen norm van toepassing op de Stint op grond waarvan de Stint zou moeten beschikken over een aanwezigheidsdetectie. Dat nu wel een aanwezigheidsdetectie verplicht is en ook is aangebracht op de BSO-bus, doet hieraan niets af. Bovendien kan met deze enkele constatering niet de conclusie worden getrokken dat de Stint destijds gevaarlijk was. Dat het hiermee veiliger is geworden, is niet wat art. 174/175 Sr verondersteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oordeel van de rechtbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt vast dat de Stint gedurende de tenlastegelegde periode niet over een aanwezigheidsdetectie beschikte. De rechtbank baseert zich hierbij op de onderzoeken van NFI en TNO.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is er sprake van een schadelijkheid in de zin van art. 174/175 Sr?</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is sprake van een schadelijkheid als kan worden vastgesteld dat er schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid zijn opgetreden of met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat er schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid konden optreden als gevolg van elk gebruik van de Stint waarmee redelijkerwijs rekening moest worden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt vast dat het dossier geen bewijs bevat dat er door het ontbreken van een aanwezigheidsdetectie schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid zijn opgetreden. De rechtbank moet ook vaststellen dat er geen onderzoek is gedaan naar de vraag of door het ontbreken van een aanwezigheidsdetectie schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid konden optreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De meldingen die in het dossier staan of door het OM in dit verband worden aangehaald, zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet of staan niet in relatie tot het ontbreken van een aanwezigheidsdetectie op zichzelf. Zij vormen daarom geen onderbouwing voor het verwijt dat het ontbreken van een aanwezigheidsdetectie schadelijke gevolgen heeft gehad of kon hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dan resteert de vraag of de rechtbank dit anderszins kan vaststellen. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het dossier hiervoor geen aanknopingspunten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het NFI en TNO stellen dat het toepassen van een aanwezigheidsdetectie in bepaalde situaties kan voorkomen dat de Stint vrij kan doorrollen, is voor het beantwoorden van deze vraag niet bepalend. Dat de Stint met de aanwezigheidsdetectie in sommige situaties veiliger zou zijn geweest, wil niet zeggen dat de Stint door het ontbreken van deze voorziening schadelijk was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien gaat het hier om een mogelijke verbetering of een veiligheidstoepassing die ziet op een situatie waarin de Stint door een defect of storing onbedoeld blijft aandrijven. Het is naar het oordeel van de rechtbank de oorzaak van de onbedoelde aandrijving die dan mogelijk een schadelijkheid oplevert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de Machinerichtlijn en de norm EN 1175-1 (opgenomen in de handleiding van de motorcontroller, deze norm is van toepassing op industriële trucks) het verplicht stellen om een aanwezigheidsdetectie toe te passen, leidt evenmin tot die conclusie. Los van het feit dat de rechtbank hiervoor reeds heeft overwogen dat de Machinerichtlijn niet van toepassing is, c.q. verdachten niet kan worden tegengeworpen, volstaat het niet voldoen aan een eis of norm op zichzelf gelet op de definitie van het begrip niet om te kunnen spreken van een schadelijkheid. Het is (hooguit) een indicatie dat er schadelijke gevolgen kunnen optreden. Nu die niet op grond van het dossier kunnen worden vastgesteld, rechtvaardigen deze omstandigheden niet de conclusie dat de Stint schadelijk was.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank wijst er tot slot op dat de Regeling voertuigen geen aanwezigheidsdetectie eiste. De gekeurde Stint beschikte daar niet over. De SWOV heeft in technisch opzicht geen redenen gezien waarom de Stint niet op een veilige manier zou kunnen deelnemen aan het verkeer. Dit is dan ook een contra-indicatie voor de gestelde schadelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank concludeert dat het dossier geen bewijs bevat op basis waarvan de rechtbank kan vaststellen dat er gedurende de tenlastegelegde periode schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid zijn opgetreden, dan wel op basis waarvan zij met voldoende mate van zekerheid kan vaststellen dat er schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid konden optreden, door het ontbreken van een aanwezigheidsdetectie op de Stint.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat er sprake is van een schadelijkheid in de zin van art. 174/175 Sr acht de rechtbank daarom niet bewezen. Daarmee komt de rechtbank niet toe aan de overige te beantwoorden vragen en zal de rechtbank verdachten vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>( (een of meer van) deze Stint(s) was/waren niet voorzien van een zitplaats voor de bestuurder, dan wel enige andere voorziening om de stabiliteit van de bestuurder op het staplateau te garanderen (dossier ZD04, schadelijkheid D3).</div>\n<p class=\"lf-p\">Het standpunt van het OM.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het OM stelt zich op het standpunt dat dit onderdeel wettig en overtuigend bewezen kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">TNO heeft opgemerkt dat het ontbreken van een zitplaats leidt tot veiligheidsrisico’s voor remmen en sturen door de grotere kans dat de bestuurder van het voertuig valt. Dit leidt in alle situaties tot een onbeheersbare situatie. TNO beveelt een inrichting aan om de kans te minimaliseren dat een bestuurder van een zitplaats valt. Ook tijdens de schouw van de ISZW is het ontbreken van een zitplaats naar voren gekomen. In de Machinerichtlijn is opgenomen dat bedieningsposten zo moeten zijn ontworpen dat zitplaatsen kunnen worden geïnstalleerd. De Stints waren voorzien van een zitplaats noch hadden zij een andere stabiliteitsvoorziening. Dit valt te beschouwen als een schadelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdachten hebben over het wel of niet plaatsen van een zitplaats nagedacht, maar zij hebben hierin geen goede keuze gemaakt, dan wel zij hadden deze keuze in de loop der jaren moet herzien. Uit meerdere meldingen moet voor hen duidelijk zijn geworden dat er situaties voorkwamen waarbij de bestuurder het evenwicht kon verliezen. Het feit dat de Stint zodanig was ontworpen dat de bestuurder alleen met de linkerhand een niet beweegbaar deel van het stuur kon vasthouden, beperkte de instabiliteit nog verder. Uit een tapgesprek van 10 december 2018 blijkt dat medewerkers van de BSO al vanaf het begin de fabrikanten vroegen om een zadel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het risico dat je tijdens het rijden je evenwicht verliest wordt benoemd in de gebruikershandleidingen en ook tijdens de rijvaardigheidstrainingen wordt daar aandacht aan besteed. Verdachten vinden dat ze daarin zo goed als mogelijk instructies en tips hebben gegeven. Maar deze schadelijkheid dient in samenhang te worden bezien met de omstandigheden dat de tranenplaat snel glad wordt, dat er geen handgrepen zijn maar dat je je moet vasthouden aan de gashendel, dat een aanwezigheidsdetectie ontbreekt, dat de Stint geen goede remmen had en dat de accu’s snel kapotgingen waardoor je plotseling stil kwam te vallen. Onder deze omstandigheden had een deugdelijke zitplaats de Stint veiliger kunnen maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het standpunt van de verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging stelt zich op het standpunt dat niet bewezen kan worden dat sprake is van een schadelijkheid en dat daarom voor dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspraak dient te volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toevoeging van een zitplaats betreft simpelweg een aanbeveling om de veiligheid te verhogen, maar het is geen vereiste. Bovendien is juist vanuit veiligheidsoogpunt gekozen voor een staplaats. Op deze manier is er goed overzicht over de kinderen in de bak en het verkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien de zeer beperkte snelheid van de Stint valt ook niet in te zien dat de kans dat een bestuurder van het staplateau zou afvallen te allen tijde moet worden voorkomen en dat het niet voldoen daaraan een schadelijkheid op zou leveren. Zonder een afweging van de risico’s die gepaard gaan met of zonder stabiliteitsvoorziening kan niet objectief worden bepaald dat sprake is van een schadelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oordeel van de rechtbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt vast dat de Stint gedurende de tenlastegelegde periode niet over een stabiliteitsvoorziening voor de bestuurder beschikte. De rechtbank baseert zich hierbij op het onderzoek van TNO.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is er sprake van een schadelijkheid in de zin van art. 174/175 Sr?</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is sprake van een schadelijkheid als kan worden vastgesteld dat er schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid zijn opgetreden of met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat er schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid konden optreden als gevolg van elk gebruik van de Stint waarmee redelijkerwijs rekening moest worden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt vast dat het dossier geen bewijs bevat dat er door het ontbreken van een stabiliteitsvoorziening schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid zijn opgetreden. De rechtbank moet ook vaststellen dat er geen onderzoek is gedaan naar de vraag of door het ontbreken van een stabiliteitsvoorziening schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid konden optreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de meldingen die in het dossier staan of die door het OM in dit verband worden aangehaald, blijkt dat het is voorgekomen dat bestuurders tijdens het rijden van de Stint zijn gevallen. Uit die meldingen volgt echter niet dat het hebben van een zitplaats of andere stabiliteitsvoorziening die val had kunnen voorkomen. Deze meldingen vormen daarom geen onderbouwing voor het verwijt dat het ontbreken van een stabiliteitsvoorziening schadelijke gevolgen heeft gehad of kon hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dan resteert de vraag of de rechtbank dit anderszins kan vaststellen. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het dossier hiervoor geen aanknopingspunten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat TNO stelt dat het niet hebben van een stabiliteitsvoorziening leidt tot veiligheidsrisico’s bij het remmen en sturen door de grotere kans dat de bestuurder van het voertuig valt, is voor het beantwoorden van deze vraag niet bepalend. Dat de Stint met een stabiliteitsvoorziening in sommige situaties veiliger zou zijn geweest, wil niet zeggen dat de Stint door het ontbreken van een dergelijke voorziening schadelijk was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de Machinerichtlijn het verplicht stelt om een zitplaats voor de bestuurder te hebben, leidt evenmin tot die conclusie. Los van het feit dat de rechtbank hiervoor reeds heeft overwogen dat de Machinerichtlijn niet van toepassing is, c.q. verdachten niet kan worden tegengeworpen, is het niet voldoen aan een eis of norm op zichzelf gelet op de definitie van het begrip niet voldoende om te kunnen spreken van een schadelijkheid. Het is (hooguit) een indicatie dat er schadelijke gevolgen kunnen optreden. Nu die niet op grond van het dossier kunnen worden vastgesteld, rechtvaardigt deze omstandigheid niet de conclusie dat de Stint schadelijk was.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank wijst er tot slot op dat de Regeling voertuigen geen stabiliteitsvoorziening eiste. De gekeurde Stint beschikte daar niet over. De SWOV heeft in technisch opzicht geen redenen gezien waarom de Stint niet op een veilige manier zou kunnen deelnemen aan het verkeer. Dit is daarom een contra-indicatie voor de gestelde schadelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank concludeert dat het dossier geen bewijs bevat op basis waarvan de rechtbank kan vaststellen dat er gedurende de tenlastegelegde periode schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid zijn opgetreden, dan wel op basis waarvan zij met voldoende mate van zekerheid kan vaststellen dat schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid konden optreden, door het ontbreken van een stabiliteitsvoorziening op de Stint.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat er sprake is van een schadelijkheid in de zin van art. 174/175 Sr acht de rechtbank daarom niet bewezen. Daarmee komt de rechtbank niet toe aan de overige te beantwoorden vragen en zal de rechtbank verdachten vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>( (een of meer van) deze Stint(s) voldeed/voldeden niet aan de in de EMC-Richtlijn (Richtlijn 2004/108/EC en/of 2014/30/EU) gestelde essentiële eisen omtrent EMC (elektromagnetische compatibiliteit) en/of was de bedrading niet zodanig geïnstalleerd en afgeschermd dat elektromagnetische verstoringen (van de motorcontroller) steeds konden worden voorkomen (dossier ZD06, schadelijkheid F2).</div>\n<p class=\"lf-p\">Het standpunt van het OM.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het OM stelt zich op het standpunt dat dit onderdeel wettig en overtuigend bewezen kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de van toepassing zijnde Machinerichtlijn wordt op verschillende plaatsen naar Elektromagnetische Compatibiliteit (hierna: EMC) verwezen. Op grond van art. 3 van de Machinerichtlijn is de EMC-richtlijn van toepassing. Maar ook los daarvan is de EMC-richtlijn van toepassing gelet op de artt. 1 en 2 van die Richtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel verdachten stellen dat ze ervan uitgingen dat de EMC-richtlijn niet van toepassing was, blijkt uit het dossier dat zij zich wel bewust waren van de EMC-richtlijn en hebben zij in een aantal zogenaamde verklaringen van overeenstemming opgenomen dat de Stint in overeenstemming is met die EMC-richtlijn. Verdachten hebben erkend dat zij in de tenlastegelegde periode geen conformiteitsbeoordeling hebben gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Stint zitten meerdere onderdelen die in EMC-verband relevant zijn. Het NFI merkt hierover op dat alle onderzochte Stints zijn voorzien van een 3-fasen inductiemotor. De elektromotor wordt aangestuurd door een elektronische regeleenheid, een motorcontroller, die de gelijkspanning van de accu’s omzet in een 3-fasen wisselspanning. Bevindingen van het NFI ten aanzien van de wijze van inbouw van de motorcontroller, de bedrading en de metalen behuizing geven aanleiding om nader onderzoek te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op verzoek van het OM heeft de rechter-commissaris (hierna: de RC) prof. Leferink benoemd als deskundige om nader onderzoek te doen naar de voorliggende EMC-vraagstukken. Voor een contra-expertise heeft de verdediging dhr. R. Brett (hierna: dhr. Brett) ingeschakeld. Beiden hebben meerdere rapporten aangeleverd. Ook zijn zij bij de RC gehoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de visie van het OM is er alle reden om uit te gaan van de bevindingen en conclusies van prof. Leferink en niet van de conclusie van dhr. Brett. Dhr. Brett betoogt dat de Stint voldeed aan de geldende normen. Er is echter een groot verschil tussen sec ‘voldoen aan normen’ en de vraag of een product in zijn geheel op EMC-gebied deugdelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het onderzoek van prof. Leferink blijkt onder meer dat geen enkele kabel is afgeschermd, dat de metalen behuizing waarin de motorcontroller was geïnstalleerd geen enkele afschermende werking had en dat er geen ferrietringen zijn gebruikt waar dit wel moest. Prof. Leferink heeft verschillende EMC-testen uitgevoerd waarbij bij beide varianten van de Stint verstoringen zijn waargenomen waarbij de aandrijving onafhankelijk van de positie van de gashendel ging versnellen, vertragen of achteruitlopen (zonder dat de schakelaar voor de rijinrichting werd aangeraakt). Dit deed zich voor bij meerdere frequenties en bij verschillende niveaus. Prof. Leferink stelt dat deze storingen worden veroorzaakt door het draadje dat afkomstig is van de snelheidsregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze vaststellingen met betrekking tot de EMC, in combinatie met het gegeven dat de mechanische rem onvoldoende krachtig is om in het geval van een aandrijving van de motorcontroller de Stint tot stilstand te kunnen brengen, leveren een schadelijkheid op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdachten hadden van deze schadelijkheid wetenschap. Zij zijn door verschillende personen op dit gevaar gewezen en gewaarschuwd. Verdachten doen niets met de informatie. Als je ervan uitgaat dat de ongevalsstint snelheid hield terwijl dit niet de bedoeling was, dan is het reëel te achten dat er op dat moment een verstoring was in het signaal van de encoder, veroorzaakt door elektromagnetische straling. Het is niet duidelijk of en hoe vaak er eerder bij andere Stints problemen waren door dergelijke verstoringen, maar er zijn in de loop der jaren meerdere meldingen geweest van Stints die ineens niet meer remden, die uit zichzelf gingen rijden en van het op hol slaan van een Stint. Uit het dossier rijst het beeld dat verdachten er niet aan willen dat verstoringen in de signalen een oorzaak kunnen zijn van die voorvallen. Verdachten leggen de oorzaak neer bij de gebruiker.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdachten hebben deze schadelijkheid verzwegen, sterker nog zij hebben daarover gelogen door te verklaren dat de Stint hiermee wél in overeenstemming was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het standpunt van de verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging stelt zich op het standpunt dat niet bewezen kan worden dat sprake is van een schadelijkheid en dat daarom voor dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspraak dient te volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De EMC-richtlijn was niet van toepassing op de Stint. Uit het dossier blijkt daarnaast niet dat de Stint op EMC-gebied tekortschoot. Het dossier levert op beide punten een diffuus en tegenstrijdig beeld op. Dhr. Brett heeft aangevoerd dat de essentiële eisen uit de EMC-Richtlijn niet zien op veiligheid. Op dat gebied vergt de richtlijn nadere invulling. In de praktijk worden daarom meerdere uiteenlopende concrete normen gehanteerd voor immuniteit, bijvoorbeeld de UN/ECE R10-norm. Maar zelfs indien ervan uitgegaan zou worden dat de Stint niet zou voldoen aan de geldende norm, dan betekent dit nog niet dat dit automatisch een gevaar voor het leven of de gezondheid zou kunnen opleveren. Deze vraag wordt niet beantwoord door simpelweg EMC-normen toe te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">TNO heeft vastgesteld dat de motorcontroller zodanig robuust geprogrammeerd is, dat als er een afwijking van normaal gebruik wordt geconstateerd, de motorcontroller in alle gevallen zou moeten afschakelen. Daarnaast concludeert TNO dat uit de door hen uitgevoerde EMC-test blijkt dat de Stint H304 niet ontoelaatbaar beïnvloed wordt door elektromagnetische straling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De conclusies van prof. Leferink en dhr. Brett, die uitgaan van dezelfde testresultaten, staan lijnrecht tegenover elkaar. Dhr. Brett stelt vast dat de Stint uitzonderlijk goed presteert op EMC-gebied. Prof. Leferink stelt dat de onderzoeksresultaten aantonen dat de Stint storingsgevoelig is en gevaarlijk gedrag kan vertonen. De rapporten van prof. Leferink roepen bij de verdediging ernstige vraagtekens op over de bruikbaarheid van het rapport van prof. Leferink. Wat de verdediging betreft zijn de bevindingen van dhr. Brett zeer overtuigend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alles overwegende geldt dat het voor juristen nauwelijks mogelijk is om te bepalen welke van deze deskundigen gevolgd zou moeten worden. Daarvoor is de materie te complex en staan de bevindingen van de deskundigen te ver uit elkaar. Nu er geen onderzoek is gedaan naar de verkeersveiligheid en niet is onderbouwd hoe eventuele EMC-gebreken een ongevalsrisico vergroten, kan er geen oordeel over gevaarzetting of schadelijkheid worden gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oordeel van de rechtbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 2014/30/EU wordt in het spraakgebruik aangeduid als de EMC-richtlijn. De EMC-richtlijn verving Richtlijn 2004/108/EU (de oude EMC-richtlijn).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zowel de oude als de nieuwe EMC-richtlijn (hierna: EMC-richtlijn) zijn verplicht geïmplementeerd in nationale wetgeving, in de Telecommunicatiewet, en in lagere regelgeving, waaronder het Besluit elektromagnetische compatibiliteit (Stb. 2007, 19) en de Regeling elektromagnetische compatibiliteit 2007 (Stcrt. 2007, 96).</p>\n<p class=\"lf-p\">De EMC-richtlijn geeft een horizontaal geharmoniseerd kader voor het in de handel brengen, het vrije verkeer en de ingebruikneming van apparaten die elektromagnetische verstoringen kunnen veroorzaken of waarvan het functioneren vatbaar is om door dergelijke verstoringen te worden beïnvloed.</p>\n<p class=\"lf-p\">De EMC-richtlijn regelt de essentiële eisen voor deze producten inzake hun onderlinge elektromagnetische compatibiliteit. Deze eisen worden omgezet in technische voorschriften in het kader van niet-bindende geharmoniseerde normen waarmee de conformiteit van producten met deze richtlijn kan worden aangetoond.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bedoeling van de tenlastelegging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de formulering van dit onderdeel in de tenlastelegging acht de rechtbank het van belang om eerst vast te stellen hoe de rechtbank dit onderdeel van de tenlastelegging begrijpt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tenlastelegging maakt het verwijt dat de Stint niet voldeed aan de in de EMC-richtlijn gestelde essentiële eisen en/of de bedrading was niet zodanig geïnstalleerd en afgeschermd dat elektromagnetische verstoringen van de motorcontroller steeds konden worden voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De essentiële eisen waarnaar de tenlastelegging verwijst, staan in bijlage 1 van de EMC-richtlijn. De in bijlage I gestelde essentiële eisen zijn:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Uitrusting moet, rekening houdende met de stand van de techniek, zodanig zijn ontworpen en vervaardigd dat wordt gegarandeerd dat:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">a)</span>de opgewekte elektromagnetische verstoringen het niveau niet overschrijden waarboven radio- en telecommunicatieapparatuur en andere uitrusting niet meer overeenkomstig hun bestemming kunnen functioneren;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">b)</span>zij een zodanig niveau van ongevoeligheid voor de bij normaal gebruik te verwachten elektromagnetische verstoringen bezit dat zij zonder onaanvaardbare verslechtering van het beoogd gebruik kan functioneren.</div>\n<p class=\"lf-p\">Onder het begrip ‘uitrusting’ wordt elk apparaat verstaan. Onder het begrip ‘apparaat’ wordt verstaan: elk afgewerkt toestel of een samenstel ervan dat op de markt wordt aangeboden als een aparte functionele eenheid ten behoeve van de eindgebruiker en dat in staat is elektromagnetische verstoringen te veroorzaken, of waarvan het functioneren vatbaar is om door dergelijke verstoringen te worden beïnvloed. De Stint geldt als zo’n apparaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De essentiële eisen zien - kort gezegd - op de hoeveelheid elektromagnetische straling die apparaten mogen uitstralen (sub a) en de mate van immuniteit die apparaten moeten bezitten tegen het ontvangen van elektromagnetische straling (sub b).</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt op basis van de inhoud van het dossier vast dat de tenlastelegging niet ziet op de eis die wordt gesteld onder sub a en laat die daarom buiten beschouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het requisitoir wordt in dit verband ook het verwijt gemaakt dat verdachten geen risicoanalyse en -beoordeling hebben gemaakt. Hoewel deze verplichting staat opgenomen in de EMC-richtlijn, is dit geen essentiële eis uit bijlage 1. De rechtbank laat daarom dit verwijt ook buiten beschouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Was de EMC-richtlijn van toepassing?</p>\n<p class=\"lf-p\">Het OM heeft de storingsgevoeligheid van de Stint voor elektromagnetische straling blijkens de tenlastelegging gekoppeld aan de EMC-richtlijn. De stelling van het OM is dat de EMC-richtlijn gedurende de hele tenlastegelegde periode van toepassing was. Dit wordt door de verdediging betwist. De rechtbank zal daarom eerst ingaan op de vraag in hoeverre de EMC-richtlijn van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stel vast dat de vraag of en met ingang van wanneer welke Europese, dan wel nationale regels voor EMC van toepassing waren op de Stint, niet eenvoudig is vast te stellen. De rechtbank ontkomt voor de beantwoording van de vraag niet aan een aantal vaststellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals de rechtbank hiervoor ten aanzien van de Machinerichtlijn heeft overwogen viel de Stint naar het oordeel van de rechtbank tot 1 januari 2016 onder Richtlijn 2002/24/EG betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige voertuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 2002/24/EG bepaalt dat ten aanzien van voertuigen die onder haar regeling vallen, de goedkeuring ten aanzien van de EMC wordt gekeurd aan de hand van Richtlijn 97/24/EG, die in Hoofdstuk 8, paragraaf 5.4 eisen stelt inzake de elektromagnetische immuniteit van het voertuig. Daarmee zijn op specifieke wijze essentiële eisen, als bedoeld in bijlage I van EMC-richtlijn 2004/108/EG vastgesteld. Voor die situatie bepaalt art. 1, lid 4 van Richtlijn 2004/108/EG dat in dat geval Richtlijn 97/24/EG van toepassing is. Richtlijn 97/24/EG is van toepassing op de Stint en niet de EMC-richtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met ingang van 1 januari 2016 is Verordening 168/2013 van toepassing en worden zowel Richtlijn 2002/24/EG als Richtlijn 97/24/EG ingetrokken. Omdat de Stint, zoals de rechtbank eerder heeft overwogen, niet onder Verordening 168/2013 valt is vanaf dat moment de meer algemene EMC-richtlijn 2004/108/EG wel van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 20 april 2016 wordt EMC-Richtlijn 2004/108/EG ingetrokken en treedt EMC-Richtlijn 2014/30/EU in werking. Vanaf 20 april 2016 moest de Stint derhalve hieraan voldoen. Deze richtlijn is geïmplementeerd in de Telecommunicatiewet, waarvan de voor EMC relevante onderdelen per 1 juli 2016 in werking zijn getreden. In het op art. 10.9 van de Telecommunicatiewet gebaseerde Besluit elektromagnetische compatibiliteit is opgenomen dat uitrusting dient te voldoen aan de essentiële eisen, bedoeld in bijlage I, art. 1 van Richtlijn 2014/30/EU. Ingevolge art. 5 van dit Besluit wordt uitrusting vermoed te voldoen aan de essentiële eisen, indien is voldaan aan de met betrekking tot Richtlijn 2014/30/EU vastgestelde geharmoniseerde normen of delen daarvan, die betrekking hebben op de betreffende eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen of naar een concrete geharmoniseerde norm wordt verwezen. Wel wordt sedert 1 januari 2015 in de Beleidsregel aanwijzing bijzondere bromfietsen in art. 17, lid 2 onder b, bepaald dat een bijzondere bromfiets voorzien van een elektromotor voor wat betreft de invloed van elektromagnetische straling is getest volgens VN/ECE reglement nr. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot 1 januari 2016 moest de Stint ten aanzien van EMC voldoen aan Richtlijn 97/24/EG waarin duidelijke eisen inzake de elektromagnetische immuniteit van het voertuig zijn opgenomen. Echter: de rechtbank stelt vast dat de tenlastelegging niet op die richtlijn ziet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanaf 1 januari 2016 moest de Stint voldoen aan EMC-richtlijn 2004/108/EG. Vanaf 20 april 2016 moest de Stint voldoen aan EMC-richtlijn 2014/30/EU, die is geïmplementeerd in de Telecommunicatiewet en het Besluit elektromagnetische compatibiliteit. In deze wet of besluit is geen concrete norm voor de bijzondere bromfiets vervat. Echter, volgens de Beleidsregel aanwijzing bijzondere bromfietsen is het de bedoeling van de Minister geweest VN/ECE reglement nr. 10 het toetsingskader voor EMC te laten zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voldeed de Stint aan de essentiële eisen van de EMC-richtlijn?</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of zij kan vaststellen dat de Stint niet voldeed aan de essentiële eisen van Bijlage 1 van de EMC-richtlijn en overweegt hierover het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">TNO voerde EMC-testen uit, waarbij de immuniteit van het nieuwe model Sint is beproefd. De EMC-testen zijn uitgevoerd conform Appendix 6 van VN/ECE Reglement 10. Verder zijn ook testen uitgevoerd met hogere veldsterktes dan de norm voorschrijft (± 40 V/m) en bij meer oriëntaties van het voertuig ten opzichte van de antenne. Volgens TNO toonden de EMC-testen aan dat de aandrijving van voertuig H304 niet ontoelaatbaar werd beïnvloed door elektromagnetische straling, ook niet bij hogere veldsterktes of bij andere oriëntatie van het voertuig ten opzichte van de antenne dan de norm voorschrijft. Het LCD display was wel gevoelig voor elektromagnetische straling. Dat voldeed niet aan de norm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het NFI concludeerde in haar onderzoek dat elektromagnetische straling in principe de werking van de motorcontroller kan beïnvloeden. In de brief van 4 februari 2020 geven [naam 2] en [naam 3] aan dat het resultaat van de test van TNO reden geeft om een redelijke robuustheid van de motorcontroller ten aanzien van EM-straling te veronderstellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Prof. Leferink heeft zowel de oude als de nieuwe variant van de Stint getest. Daarnaast heeft hij de motorcontroller van het bij het ongeval betrokken voertuig in een Stint geplaatst en deze getest. Er zijn verschillende tests uitgevoerd. De testresultaten zijn – kort samengevat – als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Oude-Stint Referentie-Stint Stint met motorcontroller betrokken bij het ongeval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stoorgevoeligheid directe-injectie test Ja Nee Nee Stoorgevoeligheid aanstralen anechoïsche kamer Niet getest Stoorgevoelig vanaf 75 V/m Stoorgevoelig vanaf 75 V/m Stoorgevoeligheid aanstralen nagalmkamer Stoorgevoelig vanaf 47 V/m Stoorgevoelig vanaf 48 V/m Niet getest De bij de injectietest waargenomen veranderingen betroffen versnellen, vertragen of achteruitlopen, zonder dat de rijrichtingschakelaar werd aangeraakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op verzoek van de verdediging zijn de rapporten van prof. Leferink geëvalueerd door dhr. R. Brett (hierna: Brett). De rechtbank stelt vast dat – hoewel over de wijze van meten wel enkele opmerkingen worden gemaakt – Brett in zijn rapport uitgaat van de meetresultaten uit het onderzoek door prof. Leferink. Door Brett zijn geen EMC-testen uitgevoerd. Prof. Leferink en Brett verschillen van mening op welke wijze de meetresultaten uit het rapport van prof. Leferink moeten worden geïnterpreteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de kern weergegeven stelt prof. Leferink dat deze testresultaten onmiskenbaar aantonen dat de Stint storingsgevoelig is en gevaarlijk gedrag kan vertonen. In de visie van prof. Leferink voldoet de Stint niet aan de essentiële eisen van de EMC-richtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brett stelt daartegen  ook in de kern weergegeven  dat de Stint ruimschoots voldoet aan het vereiste EMC-immuniteitsniveau dat getoetst moet worden aan norm VN/ECE R10 en dat uit de metingen van prof. Leferink blijkt dat de Stint ruimschoots aan die norm voldoet. Brett stelt tevens dat het ontwerp van de Stint bovengemiddeld robuust is ten opzichte van storende elektromagnetische velden. Brett stelt dat de door prof. Leferink waargenomen veranderingen in snelheid of blokkeren juist wijzen op een correct functioneren van de geprogrammeerde veiligheidsfuncties van de motorcontroller SME AC-S1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank kan gelet op het voorgaande niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat de Stint niet voldeed aan de essentiële eisen van Bijlage 1 van de EMC-richtlijn. De in het dossier voorhanden zijnde gegevens met betrekking tot elektromagnetische compatibiliteit in zijn totaliteit bezien, geeft geen eenduidig beeld met betrekking tot de immuniteit van de Stint voor elektromagnetische invloeden. Uit de rapporten van TNO en het NFI kan worden opgemaakt dat de aldaar onderzochte Stints allemaal van latere datum zijn dan de in 2011 gekeurde Stint en beschikten over de SME AC-S1 motorcontroller. De meetresultaten van prof. Leferink geven een storingsgevoeligheid met variaties in snelheid en rijrichting, maar dit doet zich met name voor bij directe injectietests bij de oude Stint met de Curtiscontroller. De bij de test in de anechoïsche kamer waargenomen storingsgevoeligheid deed zich voor bij een veldsterkte (47 Vm), die hoger is dan de VN/ECE R10 voorschrijft (30 V/m). Bij de Stints met de SME AC-S1 controller wordt ook storingsgevoeligheid waargenomen. Uit het rapport van prof. Leferink valt op te maken dat dit voorkomt bij veldsterktes van 75 V/m, die hoger zijn dan de VN/ECE R10 voorschrijft, te weten: 30 V/m.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank concludeert ten aanzien van de ‘oude’ Stint dat weliswaar een storingsgevoeligheid is aangetoond bij een directe injectietest, maar dat hieruit niet de conclusie kan worden getrokken dat niet werd voldaan aan essentiële eisen van de EMC-richtlijn omdat die richtlijn ten tijde van het keuren van de ‘oude’ Stint niet van toepassing was. In de periode dat de EMC-richtlijn wel van toepassing was (van 1 januari 2016) beschikte de Stint over de motorcontroller SME AC-S1. Bij deze motorcontroller is door prof. Leferink eveneens storingsgevoeligheid waargenomen. Echter, over de te hanteren normen bestond geen duidelijkheid, terwijl de Beleidsregel aanwijzing bijzondere bromfietsen vanaf 1 januari 2015 de VN/ECE R10 voorschreef ten behoeve van de aanwijzing met als norm 30 V/m. Naar het oordeel van de rechtbank kan tegen die achtergrond, alsmede de bevindingen van TNO en het NFI, de onduidelijkheid over de te hanteren normen niet aan verdachten worden tegengeworpen, temeer nu uit het onderzoeksrapport van prof. Leferink lijkt te kunnen worden opgemaakt dat de onderzochte Stints met de SME AC-S1 motorcontroller voldeden aan de norm van VN/ECE Reglement 10. De rechtbank spreekt de verdachten daarom vrij van dit onderdeel van het verwijt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Was de bedrading niet zodanig geïnstalleerd en afgeschermd dat elektromagnetische verstoringen van de motorcontroller steeds konden worden voorkomen?</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot het verwijt dat de bedrading niet zodanig was geïnstalleerd en afgeschermd dat elektromagnetische verstoringen steeds konden worden voorkomen overweegt de rechtbank het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het dossier kan worden opgemaakt dat er een wezenlijk verschil heeft bestaan in de manier waarop de bedrading in de behuizing van de motorcontroller van de Stint was geïnstalleerd. Het NFI beschrijft dat in de eerste ‘oude’ variant van de Stint alle elektrische bedrading aan de achterkant van de behuizing is doorgevoerd, zwakstroom/signaalkabels en stroomvoerende kabels dicht langs elkaar lopen en de motorcontroller door de bedrading wordt bedekt. Dat is niet volgens de norm EN 12895 waar de fabrikant van de motorcontroller naar verwijst. Het is niet ondenkbaar dat de werking van de motorcontroller hierdoor aangetast is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de tweede variant, aangetroffen in nieuwere voertuigen, is de inrichting meer conform de aanbevelingen van de fabrikant van de motorcontroller: de faseleidingen naar de elektromotor en de accukabels zijn gescheiden van de overige bedrading, die niet over de motorcontroller heen ligt. Om de kans te reduceren dat elektromagnetische straling de werking van de motorcontroller beïnvloedt geeft de gebruikershandleiding van de AC-S1 motorcontroller aanwijzingen voor het aanbrengen van elektrische bedrading. Dat een voertuig bij foutief aangebrachte bedrading van de motorcontroller gevaarlijk gedrag kan vertonen, toont een door SME genoemd incident met een vorkheftruck aan. De kans dat elektromagnetische invloeden veranderingen in het werkgeheugen van de motorcontroller aanbrengen is extreem klein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zowel prof. Leferink als getuige [getuige 1] hebben de wijze waarop de bedrading in de Stint was aangebracht niet in positieve bewoording beschreven. Diskwalificaties zijn gebruikt als ‘een spaghettibende’ en ‘(…) in de doos gekwakt’. Naar de rechtbank aanneemt zijn die kwalificaties gebruikt ten aanzien van de eerste door het NFI beschreven variant van de Stint. Prof. Leferink stelt tevens dat bij de referentie-Stint en de ongevalsbetrokken Stint de motorcontroller weliswaar in een metalen behuizing is aangebracht, maar dat deze behuizing ‘niets doet’, omdat de kabels onbehandeld naar buiten worden geleid. Er hadden afgeschermde kabels moeten worden gebruikt of filters, zoals ferrietringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit zowel het NFI-rapport als het rapport van prof. Leferink kan worden opgemaakt dat als gevolg van de wijze van aanbrengen van de elektrische bedrading elektromagnetische golven de werking van de motorcontroller kunnen beïnvloeden. Prof. Leferink doet in zijn rapport desgevraagd aanbevelingen voor ontwerpmaatregelen om mogelijke beïnvloeding door elektromagnetische straling te voorkomen, zoals de toepassing van ferrietringen of een digitale regeling van de snelheid in plaats van een analoog stoorgevoelig signaal. Prof. Leferink stelt vast dat dergelijke maatregelen niet zijn uitgevoerd of gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank neemt aan dat de eerste variant van over en door elkaar lopende bedrading in de behuizing van de motorcontroller in elektromagnetisch opzicht geen schoonheidsprijs verdient en dat de variant met de geordende bedrading beter voldoet, en dat er, getuige het rapport van prof. Leferink, ontwerpmaatregelen denkbaar waren om de Stint beter bestand te maken voor elektromagnetische velden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het rapport van prof. Leferink kan verder worden opgemaakt dat bij de Stints met de motorcontroller SME AC-S1 bij bepaalde veldsterkten storingsgevoeligheid werden gemeten. TNO observeert in de bij DEKRA verrichte EMC-testen, uitgevoerd volgens de norm VN/ECE Reglement 10, bij een veldsterkte van 240 MHz bij een ingestelde snelheid van 10 km/u een minieme snelheidsvariatie van 0.1 km/u, die valt binnen de norm van minder dan 10% van de ingestelde snelheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank neemt aan dat er door de wijze van bedraden een mate van storingsgevoeligheid heeft bestaan bij de Stint. De vraag is of dit een schadelijkheid in de zin van art. 174/175 Sr oplevert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is er sprake van een schadelijkheid in de zin van art. 174/175 Sr?</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is sprake van een schadelijkheid als kan worden vastgesteld dat er schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid zijn opgetreden of met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat er schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid konden optreden als gevolg van elk gebruik van de Stint waarmee redelijkerwijs rekening moest worden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt vast dat het dossier geen bewijs bevat dat door de wijze waarop de bedrading was geïnstalleerd en afgeschermd schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid zijn opgetreden. Uit het dossier blijkt niet dat dit daadwerkelijk heeft geleid tot storingen. De conclusie van het OM dat het niet anders kan zijn dan dat dit de oorzaak moet zijn geweest van het ongeval van 20 september 2018, kan de rechtbank op basis van de inhoud van het dossier niet volgen. Het onderzoek van het NFI heeft namelijk geleid tot de conclusie dat niet bekend is geworden of het ongevalsvoertuig (Stint H303) een defect had dat ertoe kon leiden dat het voertuig onbedoeld versnelde en/of niet meer beremd kon worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank moet ook vaststellen dat er geen onderzoek is gedaan naar de vraag of door de wijze van bedraden schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid konden optreden. De rechtbank kan dit ook niet op andere wijze vaststellen, nu het dossier daarvoor geen aanknopingspunten biedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank concludeert dat het dossier geen bewijs bevat op basis waarvan de rechtbank kan vaststellen dat er gedurende de tenlastegelegde periode schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid zijn opgetreden, dan wel op basis waarvan zij met voldoende mate van zekerheid kan vaststellen dat schadelijke gevolgen voor het leven of de gezondheid konden optreden, doordat de bedrading niet zodanig geïnstalleerd en afgeschermd was dat elektromagnetische verstoringen steeds konden worden voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat er sprake is van een schadelijkheid in de zin van art. 174/175 Sr acht de rechtbank daarom niet bewezen. Daarmee komt de rechtbank niet toe aan de overige te beantwoorden vragen en zal de rechtbank verdachten vrijspreken ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie ten aanzien van feit 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het OM heeft in de tenlastelegging onder 13 gedachtestreepjes in totaal 18 eigenschappen van de Stint opgenomen die zouden moeten worden aangemerkt als een schadelijkheid, waarmee verdachten bekend waren, die zij hebben verzwegen toen zij de Stint op de markt brachten en terwijl dit de dood van vier kinderen ten gevolge heeft gehad. Ten aanzien van het merendeel (15) van die eigenschappen komt de rechtbank tot het oordeel dat er geen schadelijkheid, als bedoeld in art. 174/175 Sr kan worden vastgesteld. Een aantal ontbrekende voorzieningen, zoals een noodstopvoorziening, aanwezigheidsdetectie of een zitplaats voor de bestuurder waren ook niet vereist. Het gegeven dat bepaalde voorzieningen de Stint veiliger hadden kunnen maken, leidt nog niet tot de conclusie dat het ontbreken ervan een schadelijkheid inhoudt. Ook het gegeven dat er meer dan één voorziening te noemen is die ontbrak en die de Stint veiliger had kunnen maken, kan niet leiden tot de conclusie dat bij elkaar opgeteld sprake is van een schadelijkheid van de Stint. Waar de rechtbank een schadelijkheid bewezen acht, acht de rechtbank de wetenschap van de schadelijkheid niet bewezen (breuk of slecht contact 0-draad), dan wel concludeert de rechtbank dat niet met die wetenschap Stints zijn verkocht (terugkeerveer).</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank komt tot de conclusie dat geen van de tenlastegelegde onderdelen leidt tot een bewezenverklaring op grond van art. 174/175 Sr. De rechtbank zal verdachten daarom integraal vrijspreken van het onder feit 1 tenlastegelegde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt van art. 174/175 Sr, komt de rechtbank ook niet toe aan de vraag of er sprake is van causaliteit tussen één van de tenlastegelegde eigenschappen van de Stint en de dood van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] . De rechtbank realiseert zich dat deze uitspraak voor de nabestaanden en slachtoffers onbevredigend en pijnlijk moet zijn. Er heeft immers een ongeluk plaatsgevonden waarbij kinderen om het leven zijn gekomen. Voor het ongeluk is na uitgebreide onderzoeken geen oorzaak is gevonden, zodat uit het ongeluk geen conclusie over de veiligheid van de Stint kan worden getrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Stint voldeed naar het oordeel van de verantwoordelijke instanties in 2011 aan de toen geldende regelgeving op basis waarvan de Stint is toegelaten tot de openbare weg. De toepassing van die regelgeving op de Stint is met de wetenschap van nu niet steeds goed te begrijpen. Na het ongeval is het wettelijk kader ingrijpend veranderd en moet een voertuig zoals de Stint voldoen aan duidelijkere en veel meer omvattende eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze strafzaak is veel verantwoordelijkheid neergelegd bij verdachten. Dat is ook begrijpelijk, omdat de Stint bedoeld was om kinderen van anderen mee over de weg te vervoeren. Het is dan ook voorstelbaar dat bij het ontwerp van de Stint de grootst mogelijke nadruk zou zijn gelegd op de veiligheid. Ook de rechtbank vraagt zich met de uit de onderzoeken opgedane kennis af of verdachten met het oog op de veiligheid andere en betere ontwerpkeuzes hadden kunnen maken. De vraag of de Stint veiliger had kunnen zijn, en achteraf bezien ook had moeten zijn, kan bevestigend worden beantwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">De huidige BSO-bus lijkt in veel aspecten niet meer op de Stint die in de tenlastegelegde periode op de weg reed. Veel van de veiligheidsaspecten die ontbraken op de Stint van toen, zijn toegepast op de BSO-bus van nu. De rechtbank begrijpt dat bij nabestaanden en slachtoffers daarover boosheid en onbegrip bestaat. In de onderhavige zaak heeft de rechtbank echter niet de vraag te beantwoorden of er betere keuzes met het oog op de veiligheid gemaakt hadden kunnen worden, maar of bewezen kan worden wat aan verdachten ten laste is gelegd: namelijk dat zij opzettelijk een product op de markt hebben gebracht waarvan zij wisten dat het schadelijk was voor het leven of de gezondheid van de gebruikers van het product. Tussen het waarborgen van de maximale veiligheid en het willens en wetens een schadelijk product op de markt brengen zit ruimte en het is, naar het oordeel van de rechtbank, die ruimte waarin verdachten hebben geopereerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2 Feit 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan verdachten is onder feit 2 overtreding van art. 225 Sr ten laste gelegd. Verdachten worden verweten dat zij een (e-mail)bericht d.d. 28 juli 2011 (deze staat niet op de tenlastelegging van [medeverdachte 2] ), gebruikershandleidingen en verklaringen van overeenstemming (hierna: VVO’s) valselijk hebben opgemaakt en/of dat zij van die valselijk opgemaakte geschriften gebruik hebben gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het standpunt van het OM.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het OM stelt zich op het standpunt dat dit onderdeel wettig en overtuigend bewezen kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de bewijsbestemming van de in de tenlastelegging genoemde stukken zijn dit geschriften in de zin van art. 225 Sr. In ieder van deze geschriften is een valsheid opgenomen die gericht was op misleiding. Daarmee is sprake van het valselijk opmaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van het (e-mail)bericht, de gebruikershandleidingen en de VVO van 1 november 2017 kan ook bewezen worden dat verdachten van die valselijk opgemaakte geschriften gebruik hebben gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het standpunt van de verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging stelt zich op het standpunt dat dit feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden en dat daarom vrijspraak dient te volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oogmerk tot misleiding kan niet worden bewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de gebruikershandleiding geldt dat van misleiding geen sprake kan zijn, nu deze pas bij aflevering werd verstrekt. Een gebruikershandleiding is bovendien geen geschrift in de zin van art. 225 Sr, omdat een gebruikershandleiding geen bewijsbestemming heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de VVO’s staat vast dat vijf van de zes verklaringen niet zijn gebruikt. Een bewezenverklaring voor het voorhanden hebben staat in een te ver verband van de realiteit, omdat dat deze documenten juist bedoeld zijn om aan derden te verstrekken. De enige wel verstrekte VVO bevat geen valsheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oordeel van de rechtbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is er sprake van valsheid in geschrift en zo ja, is van die geschriften gebruik gemaakt?</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank zal hieronder per onderdeel − te weten: het (email)bericht d.d. 28 juli 2011, de gebruikershandleidingen en de VVO’s – bespreken of kan worden bewezen dat er sprake is van valsheid in geschrifte.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Het (e-mail)bericht d.d. 28 juli 2011.</div>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat namens [medeverdachte 1] (later [medeverdachte 1] geheten) op 28 juli 2011 een brief is verstuurd naar het Ministerie gericht aan de toenmalige Minister. In het bericht wordt de Minister verzocht de Stint aan te wijzen als een bijzondere bromfiets zonder kentekenverplichting. In deze brief is de volgende alinea opgenomen: ‘In het ontwikkelingstraject heeft veiligheid centraal gestaan. Tijdens dit traject hebben verschillende kinderopvangorganisaties ons ondersteund en geadviseerd. Ook hebben wij een CE-markeringstraject doorlopen. Een uitgebreide risicoanalyse is daarvan een onderdeel.’ De brief is ondertekend door [medeverdachte 3] en [verdachte] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Het OM verwijt [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 1] dat de zinsnede ‘Ook hebben wij een CE-markeringstraject doorlopen’ in strijd met de waarheid is. De rechtbank oordeelt als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De brief aan de Minister ziet op de aanvraag tot het aanwijzen van de Stint als bijzondere bromfiets. Met deze brief wordt aanspraak gemaakt op de bevoegdheid van de Minister om tot een formeel besluit over te gaan. Het is een maatschappelijk belang dat aanvragen die tot doel hebben de Minister te bewegen tot het nemen van een formeel besluit geen onwaarheden bevat. Daarmee is de brief aan te merken als een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen in de zin van art. 225 Sr. [medeverdachte 3] en [verdachte] hebben tijdens de behandeling ter terechtzitting verklaard dat de hiervoor genoemde zinsnede niet waar was. In de ontwikkelingsfase van de Stint hebben zij weliswaar ook naar onderdelen van de Machinerichtlijn gekeken (waarin de regels omtrent een CE-markering zijn opgenomen), maar de Stint had het CE-markeringstraject niet doorlopen. Verdachten wisten dit op het moment van het versturen van de brief. De rechtbank stelt gelet hierop vast dat de brief door het opnemen van deze valse zinsnede valselijk is opgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met een CE-markering wordt aangegeven dat een product voldoet aan de toepasselijke wettelijke eisen uit de EU-wetgeving (zoals de Machinerichtlijn). Deze eisen zien op de veiligheid van een product. De opmerking dat het CE-markeringstraject is doorlopen, is opgenomen in een alinea waarin kenbaar wordt gemaakt dat in het ontwikkelingstraject van de Stint veiligheid centraal heeft gestaan. Hieruit leidt de rechtbank af dat het de bedoeling van verdachten is geweest om bij de Minister te benadrukken dat, (mede) doordat het CE-markeringstraject zou zijn doorlopen, het ging om een veilig voertuig. Een andere uitleg kan de rechtbank hier niet aan geven. De rechtbank stelt gelet hierop vast dat verdachten het oogmerk hadden tot misleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat verdachten geen opzet hebben gehad. Uit de verklaringen van verdachten en de betekenis van de door hen opgenomen zinsnede, volgt het tegendeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de brief is verzonden naar de Minister, staat daarmee ook vast dat verdachten hiervan gebruik hebben gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank concludeert op basis van voorgaande dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De gebruikershandleidingen.</div>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging betwist dat gebruikershandleidingen geschriften zijn in de zin van art. 225 Sr, omdat gebruikershandleidingen geen bewijsbestemming hebben. De rechtbank volgt de verdediging in dit verweer en overweegt daartoe als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge art. 225 Sr dient de valsheid gepleegd te zijn ten aanzien van een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen. Dit houdt naar bestendige jurisprudentie in dat aan het geschrift in het maatschappelijk verkeer betekenis voor het bewijs van enig feit pleegt te worden toegekend. Bij de beoordeling hiervan moet het betreffende geschrift op zichzelf beoordeeld worden, in dit geval de gebruikershandleiding van de Stint.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van de rechtbank is een gebruikershandleiding bij een apparaat primair bedoeld om de gebruiker van een apparaat te informeren over de technische eigenschappen van een apparaat, het functioneren en de functies van het apparaat, het gebruik van knoppen, instellingen, onderhoud en dergelijke. Het geven van informatie aan de gebruiker van het apparaat staat voorop.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de gebruikershandleidingen als vermeld in de tenlastelegging zijn mededelingen opgenomen betreffende het voldoen aan de Machinerichtlijn, het doorlopen van het CE-markeringstraject of het doorlopen van een risicobeoordeling volgens de ISO-norm 12100:2010. Het komt de rechtbank voor dat verdachten deze mededelingen in de gebruikershandleidingen hebben opgenomen, met de bedoeling om die tot bewijs van enig feit laten te dienen. De rechtbank stelt vast dat die mededelingen misleidend zijn, want deze waren gelet op de verklaringen van verdachten ter terechtzitting onwaar. De vraag die moet worden beantwoord is echter of, los van die mededelingen, een gebruikershandleiding kan worden aangemerkt als een geschrift waaraan in het maatschappelijk verkeer zodanige betekenis wordt toegekend dat dat geschrift bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen. Die vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend gelet op de primaire functie van een gebruikershandleiding tot het geven van informatie aan de gebruiker van een apparaat. De rechtbank ziet dit oordeel bevestigd in bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad en verwijst hiertoe naar onder meer het arrest met nummer ECLI:NL:HR:2025:1089, waaraan door de verdediging is gerefereerd. De gebruikershandleidingen zijn daarmee geen geschrift dat bestemd is om tot het bewijs van enig feit te dienen in de zin van art. 225 Sr.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt gelet hierop vast dat feit 2, voor zover het de gebruikershandleidingen betreft, niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De rechtbank zal de verdachten vrijspreken van deze onderdelen van de tenlastelegging.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De VVO’s.</div>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat er zes VVO’s zijn aangetroffen op de computer van [verdachte] . In deze verklaringen, die van verschillende data zijn, wordt steeds een type Stint benoemd met vervolgens de verklaring van [medeverdachte 1] dat die Stint in overeenstemming is met de Machinerichtlijn of dat die Stint in overeenstemming is met de Machinerichtlijn en de EMC-richtlijn uit 2004. Alle verklaringen zijn ondertekend door [verdachte] en [medeverdachte 3] .</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt vast dat de VVO’s geschriften zijn als bedoeld in art. 225 Sr. Een VVO heeft een bewijsbestemming gelet op de verklaring die daarmee wordt gegeven omtrent de conformiteit aan (in dit geval) de Machinerichtlijn en de EMC-richtlijn. Het is in het maatschappelijk verkeer van belang dat van de juistheid van dergelijke verklaringen kan worden uitgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat vijf van de zes VVO’s conceptversies waren en dat er daarom geen sprake is van een geschrift. Uit niets blijkt dat het concepten betrof. De vijf VVO’s waar de verdediging op doelt zien er hetzelfde uit als de zesde VVO, die volgens de verdediging wel een definitieve versie betrof. Alle (zes) VVO’s hebben dezelfde opmaak en zijn ondertekend door [medeverdachte 3] en [verdachte] . Nergens staat vermeld dat het concepten zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het OM verwijt verdachten dat de verklaringen in de VVO’s omtrent de conformiteit aan de Machinerichtlijn en/of de EMC-richtlijn in strijd met de waarheid zijn. [verdachte] en [medeverdachte 3] hebben bij de behandeling ter terechtzitting verklaard dat volgens hen één Stint voldeed aan de Machinerichtlijn, namelijk de Pick Up-Stint die Gladheidsbestrijding Mainport Rotterdam in gebruik had (hierna: GMR). Ten behoeve van die Stint was de VVO van 1 november 2017 opgemaakt. Alle andere Stints waren niet in overeenstemming met de Machinerichtlijn en in zoverre klopte de tekst in de andere VVO’s volgens hen dan ook niet. [medeverdachte 3] en [verdachte] verklaarden ter terechtzitting verder dat voor geen enkele Stint EMC-testen zijn uitgevoerd voordat ze op de markt zijn gebracht, zodat de verklaringen in de VVO’s dat de Stints in overeenstemming waren met de EMC-richtlijn uit 2004 niet waar waren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet hierop staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de VVO’s, met uitzondering van de VVO die dateert van 1 november 2017, in strijd met de waarheid zijn. Gelet op de inhoud van de VVO’s en het doel waarvoor dergelijke verklaringen worden opgesteld, is de rechtbank van oordeel dat verdachten met het opstellen ervan onmiskenbaar de bedoeling hebben gehad daarmee bij afnemers de indruk te wekken dat de betreffende Stints wel voldeden aan de Machinerichtlijn en/of de EMC-richtlijn. Zij hadden het oogmerk tot misleiding. Zij hebben zich hiermee schuldig gemaakt aan het plegen van valsheid in geschrifte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de VVO van 1 november 2017 stelt de rechtbank op basis van het dossier vast dat deze verstrekt is aan GMR. GMR had een aantal Pick Up-Stints in gebruik en reed daarmee op het terrein van BP. BP wilde dat deze Stints CE-gemarkeerd zouden zijn. Daarom vroeg GMR aan [medeverdachte 1] om een CE-markering. Dit gebeurde in december 2017. [naam 4] heeft toen per e-mail vanuit [medeverdachte 2] laten weten dat er geen CE-markering mogelijk was, omdat een CE-markering niet voor voertuigen gold. Toch ontving de toenmalige commercieel directeur van GMR, getuige [getuige 2] , op 12 oktober 2018 van [verdachte] per e-mail een VVO gedateerd 1 november 2017 die door [medeverdachte 3] en [verdachte] was ondertekend. In die verklaring verklaart [medeverdachte 1] dat de Stint type A serie D (de Pick Up-Stint) in overeenstemming is met de Machinerichtlijn. [getuige 2] heeft deze VVO doorgestuurd aan BP.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt vast dat ook de inhoud van deze VVO in strijd met de waarheid is. De verklaring die met deze VVO wordt gegeven is onjuist. Geen enkele Stint was in overeenstemming met de Machinerichtlijn, ook dit specifieke type niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank is verder van oordeel dat ook ten aanzien van deze VVO het oogmerk tot misleiding bij verdachten bestond. Net als bij de andere VVO’s is dat gelegen in de inhoud van de VVO en het doel waarvoor een dergelijke verklaring wordt opgesteld. Daaruit kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden geconcludeerd dan dat verdachten met het opstellen ervan onmiskenbaar de bedoeling hebben gehad daarmee bij GMR de indruk te wekken dat de Stint voldeed aan de Machinerichtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank volgt de verdediging niet dat verdachten pas achteraf tot de conclusie zouden zijn gekomen dat de Stint van GMR niet voldeed aan de Machinerichtlijn, zodat het oogmerk tot misleiding ten tijde van het opstellen van de VVO heeft ontbroken. [verdachte] heeft immers verklaard dat hij en [medeverdachte 3] slechts naar een aantal aspecten van de Machinerichtlijn hebben gekeken bij het ontwerp van de Stint. Geen enkele Stint voldeed volledig aan de Machinerichtlijn. Dit hadden zij ook niet als uitgangspunt genomen, omdat deze richtlijn volgens hen niet gold, aldus verdachten. Dit maakt dat verdachten al ten tijde van het opstellen van deze VVO hebben geweten dat ook de Stint van GMR niet in overeenstemming was met de Machinerichtlijn en dat de verklaring die zij op dit punt deden in de VVO, onjuist was.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de zes VVO’s valselijk zijn opgemaakt. Ten aanzien van de VVO d.d. 1 november 2017 kan daarnaast ook wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachten daarvan gebruik hebben gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is er sprake van feitelijk leidinggeven door [medeverdachte 3] en [verdachte] aan de door [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] gepleegde strafbare feiten?</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat de ten laste gelegde gedragingen onder feit 2 zijn verricht ten behoeve van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , dat de gedragingen zijn verricht in naam van deze rechtspersonen en dat deze gedragingen dienstig zijn geweest in het door hen uitgeoefende bedrijf. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de ten laste gelegde gedragingen zijn verricht in de sfeer van deze rechtspersonen. De gedragingen kunnen daarom in redelijkheid aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] worden toegerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de strafbare handelingen met betrekking tot de brief van 28 juli 2011 geldt dat deze alleen aan [medeverdachte 1] als opvolger van [medeverdachte 1] kan worden toegerekend, omdat de rechtspersoon [medeverdachte 2] ten tijde van die handelingen nog niet was opgericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting vast dat [verdachte] en [medeverdachte 3] gezamenlijk volledig zeggenschap hadden over het handelen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , ook ten aanzien van de concreet bewezenverklaarde gedragingen. Het zijn [verdachte] en [medeverdachte 3] die daar in gezamenlijkheid uitvoering aan hebben gegeven. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] en [medeverdachte 3] tezamen en in vereniging feitelijk leiding hebben gegeven aan de bewezenverklaarde gedragingen van [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] Conclusie ten aanzien van feit 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte 3] feitelijk leiding hebben gegeven aan de door [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] gepleegde feiten, te weten het valselijk opmaken van de tenlastegelegde geschriften, met uitzondering van de gebruikershandleidingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de brief van 28 juli 2011 en de VVO van 1 november 2017 acht de rechtbank ook wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] die valselijk opgemaakte geschriften heeft gebruikt, terwijl daaraan door [verdachte] en [medeverdachte 3] feitelijk leiding is gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3 Feit 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan verdachten is onder feit 3 overtreding van art. 225 Sr ten laste gelegd. Het OM verwijt verdachten dat zij uit de gebruikershandleiding 2018-08 verwijzingen naar de Machinerichtlijn, de norm ISO:12100:2010 en het CE-markeringstraject hebben verwijderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het standpunt van het OM.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het OM stelt zich op het standpunt dat dit onderdeel wettig en overtuigend bewezen kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 20 oktober 2018 worden in de gebruikershandleiding 2018-08 verwijzingen naar de Machinerichtlijn, de norm ISO:12100:2010 en het CE-markeringstraject, verwijderd. Deze versie van de gebruikershandleiding werd gedeeld met het Ministerie en de ILT. Dit terwijl de gebruikershandleiding gewoon voorhanden was en het verzoek van het Ministerie uiteraard zag op de op dat moment van toepassing zijnde stukken. Met de aanpassing van de gebruikershandleiding hebben verdachten een vervalsing aangebracht en gelet op het feit dat de originele versie van de gebruikershandleiding gewoon voorhanden was, moet daarbij sprake zijn geweest van het oogmerk tot misleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het standpunt van de verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging stelt zich op het standpunt dat dit feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden en dat daarom vrijspraak dient te volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kort na het ongeval is informatie verstrekt aan het Ministerie en de ILT. Verdachten waren op dat moment op de hoogte van het feit dat de alinea’s opgenomen onder 1.2 en 1.3 onjuist waren en/of de verkeerde indruk kon achterlaten. Om juiste informatie te verstrekken zijn deze alinea’s verwijderd. Van een oogmerk tot misleiding is geen sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast blijkt uit het dossier niet dat er verzoeken van de ILT en het Ministerie lagen om de van toepassing zijnde stukken te verstrekken. Zij hebben niet gevraagd om specifieke stukken, het lijkt er zelfs op dat de gebruikershandleiding ongevraagd is verstuurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oordeel van de rechtbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar de onder feit 2 ten aanzien van de gebruikershandleiding gemaakte overwegingen, is de rechtbank ook ten aanzien van de onder feit 3 opgenomen gebruikershandleiding van oordeel dat dit document niet is aan te merken als een geschrift dat bestemd is tot het bewijs van enig feit te dienen, gezien haar primaire informatiefunctie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie ten aanzien van feit 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt vast dat feit 3 niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De rechtbank zal verdachten daarom ten aanzien van dit feit vrijspreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">5De bewezenverklaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat:</p>\n<p class=\"lf-p\">T.a.v. feit 2: [medeverdachte 1] , thans bekend onder de statutaire en handelsnaam [medeverdachte 1] , en/of [medeverdachte 2] , in de periode van 28 juli 2011 tot en met 12 oktober 2018 in Zeewolde en/of Soesterberg en/of Nijkerk en/of Bilthoven, telkens geschriften, namelijk</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een bericht d.d. 28 juli 2011 gericht aan het Ministerie van Infrastructuur en Milieu met daarin het verzoek om de Stint aan te wijzen als ‘bijzondere bromfiets zonder kentekenverplichting’, en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>één of meerdere Verklaring(en) van Overeenstemming betreffende machines, te weten: een Verklaring van Overeenstemming betreffende machines, gedateerd 1 augustus 2011 en ondertekend door [medeverdachte 3] en/of [verdachte] , en een Verklaring van Overeenstemming betreffende machines, gedateerd 10 september 2011 en ondertekend door [medeverdachte 3] en/of [verdachte] , en een Verklaring van Overeenstemming betreffende machines, gedateerd 1 juni 2012 en ondertekend door [medeverdachte 3] en/of [verdachte] , en een Verklaring van Overeenstemming betreffende machines, gedateerd 1 augustus 2017 en ondertekend door [medeverdachte 3] en/of [verdachte] , en een verklaring van Overeenstemming betreffende machines, gedateerd 1 september 2017 en ondertekend door [medeverdachte 3] en/of [verdachte] , en een Verklaring van Overeenstemming betreffende machines, gedateerd 1 november 2017 en ondertekend door [medeverdachte 3] en/of [verdachte] , zijnde telkens geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, telkens valselijk en in strijd met de waarheid heeft opgemaakt, telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken, en/of daarvan telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt als ware het echt en onvervalst, bestaande die valsheid erin dat, in strijd met de waarheid,</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>in voornoemd bericht is vermeld dat de Stint het CE-markeringstraject heeft doorlopen,</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>in voornoemde Verklaring(en) van Overeenstemming betreffende machines is opgenomen dat de elektrisch aangedreven bolderwagen met de naamsaanduiding Stint en/of het elektrisch aangedreven voertuig volgens de codering Stint, type (s) A, serie A, B en/of D, in overeenstemming is met de Machinerichtlijn 2006/42/EG, en in de Verklaringen van Overeenstemming d.d. 1 augustus 2011, 1 augustus 2017 en 1 september 2017 is opgenomen dat de Stint in overeenstemming is met de richtlijn 2004/108/EG EMC, en bestaande dat gebruik maken hierin dat,</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>voornoemd bericht is verzonden aan het Ministerie van Infrastructuur en Milieu met daarin het verzoek om de Stint aan te wijzen als zijnde bijzondere bromfiets zonder kentekenverplichting teneinde de indruk te wekken dat de Stint voldoet aan de in de Machinerichtlijn (2006/42/EG) bedoelde veiligheidseisen, en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>voornoemde Verklaring van Overeenstemming betreffende machines d.d. 1 november 2017 te verstrekken aan één of meerdere afnemers van het product teneinde de indruk te wekken dat de Stint voldoet aan de in de Machinerichtlijn (2006/42/EG) bedoelde veiligheidseisen, aan welke verboden gedragingen hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander, feitelijke leiding heeft gegeven.</div>\n<p class=\"lf-p\">6De strafbaarheid van het feit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">7De strafbaarheid van verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft aangevoerd dat bij feit 2 sprake is geweest van dwaling, omdat verdachten (achteraf bezien) ten onrechte zijn uitgegaan van de juistheid van hun beweringen in de brief aan de Minister van 28 juli 2011 en de VVO’s. De verdediging is daarom van mening dat ten aanzien van het bewezenverklaarde onder feit 2 ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen, omdat deze feitelijke dwaling de strafbaarheid van verdachten wegneemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit verweer wordt verworpen. De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat verdachten bij het valselijk opmaken van de betreffende geschriften het oogmerk tot misleiding hadden. De rechtbank heeft daarbij vastgesteld dat verdachten (ook destijds) op de hoogte waren van de onjuistheid van hun beweringen. Dit laat geen ruimte voor het verweer dat er sprake was van dwaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">8Oplegging van straf.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eis van de officier van justitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De officier van justitie eist, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn, een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren en 4 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het standpunt van de verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de strafmaat zijn door de verdediging geen opmerkingen gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oordeel van de rechtbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van feitelijk leidinggeven aan de door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gepleegde valsheid in geschrift. Door deze handelingen konden de Minister, afnemers en gebruikers er ten onrechte van uitgaan dat de Stint voldeed aan de (veiligheids)eisen van de Machinerichtlijn. Omdat hiermee indruk wordt gewekt dat mede op basis daarvan sprake is van een veilig product, neemt de rechtbank de verdachten dit kwalijk. Het is van belang dat de overheid en consumenten kunnen uitgaan van de juistheid van dergelijke mededelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zwaartepunt in deze strafzaak en het feit waar ook de strafeis van het OM in grote mate op is gebaseerd, ligt echter bij de verdenking van het opzettelijk op de markt brengen van een schadelijke Stint, als gevolg waarvan [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] zijn te komen overlijden. De rechtbank is ten aanzien van deze verdenking niet tot een bewezenverklaring gekomen. Ten aanzien van het verwijt onder 2, het meermalen plegen van valsheid in geschrift, is de rechtbank wel tot een bewezenverklaring gekomen. Hoewel ook dit een kwalijk strafbaar feit oplevert, betekent dit naar het oordeel van de rechtbank dat een gevangenisstraf niet aan de orde is. Dan resteert de vraag of oplegging van een andere straf passend en geboden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bewezenverklaarde feit heeft zich afgespeeld in de periode van 2011 tot en met 12 oktober 2018. De rechtbank komt meer dan 7 jaren later tot een uitspraak. De rechtbank realiseert zich dat het onderzoek niet eenvoudig van aard was en mede daardoor lang heeft geduurd. Dit neemt echter niet weg dat verdachte hierdoor zeer lange tijd in onzekerheid heeft verbleven over de uitkomst van deze strafzaak. Dit gegeven speelt, zeker gelet op de aard van de verdenking en het daaraan verbonden strafmaximum van een levenslange gevangenisstraf, een belangrijke rol bij de beslissing van de rechtbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alles afwegende acht de rechtbank de oplegging van een straf niet opportuun, omdat zij van oordeel is dat hiermee in deze zaak geen strafdoel is gediend. Vanuit het oogpunt van vergelding en vanuit het oogpunt van preventie, heeft een straf naar haar oordeel van de rechtbank in deze zaak geen toegevoegde waarde. De rechtbank zal verdachte dan ook met toepassing van het bepaalde in art. 9a Sr schuldig verklaren zonder oplegging van een straf.</p>\n<p class=\"lf-p\">DE UITSPRAAK De rechtbank:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>verklaart de dagvaarding nietig ten aanzien van het ten laste gelegde onder feit 1, voor zover dat betrekking heeft op de zinsnede: ‘voldeed/voldeden (een of meer van) deze Stint(s) niet aan een of meer van de in Bijlage 1 van de Machinerichtlijn (Richtlijn 2006/42/EG) voorgeschreven essentiële veiligheids- en gezondheidseisen betreffende het ontwerp en de bouw van machines (dossier ZD00, bijlage 68), en/of’;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 en 3 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:</p>\n<p class=\"lf-p\">T.a.v. feit 2:</p>\n<p class=\"lf-p\">Medeplegen van het feitelijk leidinggeven aan het medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd en medeplegen van het feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in art. 225, eerste lid, van het wetboek van strafrecht, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd en medeplegen van feitelijk leidinggeven aan het medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in art. 225, eerste lid, van het wetboek van strafrecht, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beslissing:</p>\n<p class=\"lf-p\">T.a.v. feit 2:</p>\n<p class=\"lf-p\">Schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit vonnis is gewezen door: mr. A.H.J.J. van de Wetering, voorzitter, mr. H. Slaar en mr. N. Flikkenschild, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.P.M. van de Wouw, griffier, en is uitgesproken op 13 februari 2026.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage I De tenlastelegging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Feit 1: [medeverdachte 1] , thans bekend onder de statutaire en handelsnaam [medeverdachte 1] , en/of [medeverdachte 2] , op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 31 maart 2011 tot en met 1 oktober 2018 te Zeewolde en/of Soesterberg en/of Nijkerk en/of Bilthoven en/of Oss, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) waren, te weten zogenoemde Stints, heeft verkocht en/of te koop heeft aangeboden en/of heeft afgeleverd en/of heeft uitgedeeld, terwijl [medeverdachte 1] / [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] (telkens) wist(en) dat die waren voor het leven of de gezondheid schadelijk zijn, immers:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>voldeed/voldeden (een of meer van) deze Stint(s) niet aan een of meer van de in Bijlage 1 van de Machinerichtlijn (Richtlijn 2006/42/EG) voorgeschreven essentiële veiligheids- en gezondheidseisen betreffende het ontwerp en de bouw van machines (dossier ZD00, bijlage 68), en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>was/waren (een of meer van) deze Stint(s) niet voorzien van een remvoorziening waarmee de ingevolge artikel 5.6.90 van de Regeling Voertuigen voorgeschreven minimale remvertraging van 4,0m/s² kon worden behaald, en/of was de motorcontroller softwarematig zodanig afgesteld dat een optimale remwerking werd tegengegaan (dossier ZD01, schadelijkheid A1), en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>was/waren (een of meer van) deze Stint(s) niet voorzien van een zodanig krachtige mechanische rem dat de Stint (ongehinderd) tot stilstand kon worden gebracht bij een tegelijkertijd mogelijk zijnde aandrijving van de motor, en/of niet voorzien van een remschakelaar die een dergelijke gelijktijdige aandrijving van de motor onmogelijk zou moeten maken (dossier ZD01, schadelijkheden A2 en A3), en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>was/waren (een of meer van) deze Stint(s) niet voorzien van een noodstopvoorziening (dossier ZD04, schadelijkheid D1), en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>was/waren (een of meer van) deze Stint(s) zodanig geconstrueerd dat bij een breuk of slecht contact van de 0-draad de aandrijving van de motor onbedoeld in de hoogste stand schakelde en/of de Stint onbedoeld versnelde (dossier ZD02, schadelijkheid B1), en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>was/waren (een of meer van) deze Stint(s) voorzien van een (ondeugdelijke) gashendel waarin de terugkeerveer kon breken, waardoor de gashendel bij loslaten niet tot de nulstand terugveerde en daardoor de aandrijving van de motor onbedoeld in stand kon blijven (dossier ZD03, schadelijkheid C1), en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>was/waren (een of meer van) deze Stint(s) voorzien van een ondeugdelijk gemonteerde gashendel, waardoor de gashendel kon aanlopen tegen het uiteinde van het stuur en waardoor deze – bij loslaten – mogelijk niet terugkeerde naar de ruststand en de aandrijving onbedoeld in stand kon blijven (dossier ZD03, schadelijkheid C2), en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>was/waren (een of meer van) deze Stint(s) voorzien van een vrijloophendel welke voor de bestuurder niet zichtbaar en/of niet te bedienen was vanaf het staplateau, en/of was/waren (een of meer van) deze Stint(s) niet voorzien van een vrijloopbeveiliging, (mede) waardoor de Stint aangedreven kon worden terwijl de vrijloop ingeschakeld is (en de elektromechanische rem buiten werking gesteld is) (schadelijkheden D4 en E4), en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>was/waren (een of meer van) deze Stint(s) niet voorzien van een opstartbeveiliging, waardoor bij het starten van de Stint de aandrijving van de motor onbedoeld tot stand kon komen (dossier ZD04, schadelijkheid D5), en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>was/waren (een of meer van) deze Stint(s) voorzien van voor gebruik in de Stint ondeugdelijke en/of ongeschikte accu’s en/of voor de gebruikte accu’s ongeschikte acculaders, en/of was de Stint dusdanig ontworpen dat de kwaliteit en/of werking van de accu’s (snel) verminderde(n), waardoor deze ondeugdelijk werden, (mede) waardoor de Stint onbedoeld kon vertragen of stilvallen (dossier ZD05, schadelijkheden E1 en E2), en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>was/waren (een of meer van) deze Stint(s) niet voorzien van een aanwezigheidsdetectie van de bestuurder, waardoor de Stint bij het van het staplateau vallen/stappen door de bestuurder niet automatisch tot stilstand kwam (dossier ZD04, schadelijkheid D2), en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>was/waren (een of meer van) deze Stint(s) niet voorzien van een zitplaats voor de bestuurder, dan wel enige andere voorziening om de stabiliteit van de bestuurder op het staplateau te garanderen (dossier ZD04, schadelijkheid D3), en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>voldeed/voldeden (een of meer van) deze Stint(s) niet aan de in de EMC-Richtlijn (Richtlijn 2004/108/EC en/of 2014/30/EU) gestelde essentiële eisen omtrent EMC (elektromagnetische compatibiliteit) en/of was de bedrading niet zodanig geïnstalleerd en afgeschermd dat elektromagnetische verstoringen (van de motorcontroller) steeds konden worden voorkomen (dossier ZD06, schadelijkheid F2), terwijl [medeverdachte 1] / [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] dat schadelijke karakter (telkens) heeft/hebben verzwegen, en zulks terwijl dit feit de dood van vier kinderen (te weten: [slachtoffer 4] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 5] ) ten gevolge heeft gehad; tot welk(e) feit(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven;</div>\n<p class=\"lf-p\">EN/OF dat op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 december 2012 tot en met 1 oktober 2018 te Nijkerk en/of Bilthoven en/of Oss, in elk geval in Nederland, aan het aan [medeverdachte 1] / [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] haar/hun schuld te wijten is geweest dat (telkens) waren, te weten zogenoemde Stints, zijn verkocht en/of te koop zijn aangeboden en/of zijn afgeleverd en/of zijn uitgedeeld, waarbij die Stints schadelijk voor het leven of de gezondheid waren aangezien (één of meer van) deze Stint(s):</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>niet voldeed/voldeden aan één of meer van de in Bijlage 1 van de Machinerichtlijn (Richtlijn 2006/42/EG) voorgeschreven essentiële veiligheids- en gezondheidseisen betreffende het ontwerp en de bouw van machines (dossier ZD00, bijlage 68), en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>niet was/waren voorzien van een remvoorziening waarmee de ingevolge artikel 5.6.90 van de Regeling Voertuigen voorgeschreven minimale remvertraging van 4,0m/s² kon worden behaald, en/of was de motorcontroller softwarematig zodanig afgesteld dat een optimale remwerking werd tegengegaan (dossier ZD01, schadelijkheid A1), en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>niet was/waren voorzien van een zodanig krachtige mechanische rem dat de Stint (ongehinderd) tot stilstand kon worden gebracht bij een tegelijkertijd mogelijk zijnde aandrijving van de motor, en/of niet voorzien van een remschakelaar die een dergelijke gelijktijdige aandrijving van de motor onmogelijk zou moeten maken (dossier ZD01, schadelijkheden A2 en A3), en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>niet was/waren voorzien van een noodstopvoorziening (dossier ZD04, schadelijkheid D1), en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>zodanig was/waren geconstrueerd dat bij een breuk of slecht contact van de 0-draad de aandrijving van de motor onbedoeld in de hoogste stand schakelde en/of de Stint onbedoeld versnelde (dossier ZD02, schadelijkheid B1), en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>was/waren voorzien van een (ondeugdelijke) gashendel waarin de terugkeerveer kon breken, waardoor de gashendel bij loslaten niet tot de nulstand terugveerde en daardoor de aandrijving van de motor onbedoeld in stand kon blijven (dossier ZD03, schadelijkheid C1), en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>was/waren voorzien van een ondeugdelijk gemonteerde gashendel, waardoor de gashendel kon aanlopen tegen het uiteinde van het stuur en waardoor deze</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>bij loslaten – mogelijk niet terugkeerde naar de ruststand en de aandrijving onbedoeld in stand kon blijven (dossier ZD03, schadelijkheid C2), en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>was/waren voorzien van een vrijloophendel welke voor de bestuurder niet zichtbaar en/of niet te bedienen was vanaf het staplateau, en/of was/waren (een of meer van) deze Stint(s) niet voorzien van een vrijloopbeveiliging, (mede) waardoor de Stint aangedreven kon worden terwijl de vrijloop ingeschakeld is (en de elektromechanische rem buiten werking gesteld is); (schadelijkheden D4 en E4), en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>niet was/waren voorzien van een opstartbeveiliging, waardoor bij het starten van de Stint de aandrijving van de motor onbedoeld tot stand kon komen (dossier ZD04, schadelijkheid D5), en/of</div></div>", "next": 239720}