{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Over het verblijf in het kamp heeft de getuige onder meer het volgende verklaard. Toen hij in de hal van verdachte aankwam, begon verdachte direct migranten te slaan. Verdachte sloeg met een houten stok. Een bewaker sloeg hen met een riem. De omstandigheden op het kamp waren slecht, er was weinig eten en drinken en er waren geen medische voorzieningen. Er werd gekookt, maar er was niet genoeg eten voor alle migranten. De migranten mochten pas reizen als er geld was overgemaakt. Totdat er was betaald, oefende verdachte druk op hen uit om te betalen. De getuige moest $2.200,00 aan verdachte betalen voor de zeereis naar Europa. De broer van de getuige, die in Israël zat, kreeg van verdachte te horen dat hij het geld moest overmaken naar iemand in Soedan. Na het betalen van het geld kreeg de broer van de getuige een code die hij naar hem doorstuurde. Deze code diende als bewijs dat er betaald was. Verdachte was verantwoordelijk voor het controleren wie er wel en niet betaald had. Verdachte was degene die bepaalde wat er gebeurde en regelde het vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over de zeereis heeft deze getuige onder meer het volgende verklaard. Nadat er betaald was, ging de getuige met een groep andere migranten naar een loods dichtbij de kust. Hier hebben ze een dag en een nacht gezeten, alvorens ze naar de zee werden gebracht. Toen de getuige met anderen naar de boten ging om de zeereis te maken, zag hij dat er twee boten waren: één boot met een motor en één boot die gesleept werd door de boot met de motor. De Arabieren beslisten wie in welke boot moest stappen. De getuige zat in de boot die gesleept werd. De boten waren niet zeewaardig. In de twee boten samen zaten ongeveer 320 personen. Niemand droeg een zwemvest en er waren slechts vier of vijf waterjerrycans voor onderweg. De getuige kon niet goed zwemmen.Na enkele uren ging de boot lek. Van de boot met motor viel de motor uit. Een Italiaans schip heeft hen gered. Op 1 augustus 2015 is de getuige in Italië aangekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verklaringen afgelegd bij de Koninklijke Marechaussee komen overeen met de verklaring die deze getuige op 28 maart 2024 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd. Aanvullend heeft de getuige bij de rechter-commissaris nog verklaard dat verdachte bij de kust aanwezig was voordat de getuige en de andere migranten in de boten stapten en dat verdachte hierop toezicht hield.</p>\n<p class=\"lf-p\">De persoon aangeduid als ‘ [getuige 2] ’ in de tenlastelegging onder feit 7 (getuigennummer [nummer 2] ) is op 16 december 2024 als getuige gehoord door de Koninklijke Marechaussee en op 16 september 2025 door de rechter-commissaris in strafzaken. De getuige heeft verklaard dat hij in juli 2015 vier of vijf dagen in een loods van verdachte heeft verbleven in Tripoli en daarna vier of vijf dagen bij de kust. Uit het uittreksel BRP blijkt dat hij in ieder geval sinds 24 februari 2016 in Nederland is ingeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over het verblijf in het kamp heeft de getuige onder meer het volgende verklaard. Toen ze in de loods van verdachte zaten, gaf verdachte opdracht dat de migranten moesten bellen naar familieleden om de betaling voor de reis te regelen. De getuige moest $4.000,00 betalen aan verdachte voor de reis over zee. Een vriend van de getuige in Israël heeft het geld aan een contactpersoon van verdachte gegeven die in Israël geld voor verdachte verzamelde. Als de migranten belden voor geld, werden ze altijd onder druk gezet. Er waren vijf mannen die het telefoonwerk deden voor verdachte. Alleen als het echt nodig was of als iemand het geld niet kon of wilde betalen, kwam verdachte langs. Verdachte bedreigde de migranten en schold hen uit. De getuige is een paar keer geslagen door verdachte met een waterslang op zijn rug. Hij sloeg zo hard, dat de huid van getuige ervan open lag en bloedde. Verdachte heeft een pistool tegen zijn hoofd gezet en gezegd dat hij de getuige zou doodschieten. De migranten in de loods kregen maar twee keer per dag eten. Soms kregen ze pasta en soms saus met brood. Er was weinig doucheruimte. Verdachte was degene die ervoor zorgde dat de migranten werden vervoerd van land naar land, dat ze verbleven in een land waar ze niet mochten zijn en uiteindelijk in Europa aankwamen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over de zeereis heeft deze getuige onder meer het volgende verklaard. Op een gegeven moment ging de getuige aan boord van een boot. Toen het licht begon te worden, zagen ze dat hun boot geen motor had, maar werd voortgetrokken door een andere boot. Midden op de zee werden ze gered door de Italiaanse kustwacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.2.5. Ten aanzien van feit 8: aankomst op 4 februari 2018 in Messina Een andere aankomstlijst van migranten die per boot Italië hebben bereikt, die in het kader van het JIT door de Italiaanse autoriteiten te Palermo aan het onderzoeksteam Pearce is verstrekt, betreft de aankomstlijst van 4 februari 2018. Op deze lijst staan de nationaliteiten van honderdzevenenvijftig (157) migranten die op die dag arriveerden in de haven van Messina (Sicilië).</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het reddingsverslag is gebleken dat er op 1 februari 2018 om 11:53 uur, na signalering vanuit het operatiecentrum te Rome, werd doorgegeven aan het schip [schip 7] 3 dat er op coördinaten 33°18.6' N - 011°53' E 13 mn (zeemijl) ten noorden van de Libische kust en 135 mn ten zuiden van Lampedusa een boot zou varen met migranten aan boord. Door de [schip 7] 3 werd een houten blauwe boot met ongeveer 157 migranten aan boord onderschept. De [schip 7] 3 heeft op 4 februari 2018 om 07:30 uur aangemeerd in de haven van Messina om de migranten te ontschepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aankomstlijst is in onderzoek Pearce geanalyseerd en onderzocht op in Nederland verblijvende migranten. Dit onderzoek heeft geresulteerd in de identificatie van de volgende personen: ‘ [getuige 16] ’ geboren op [geboortedatum 18] 2002; ‘ [getuige 9] ’ geboren op [geboortedatum 19] 1994; ‘ [getuige 17] ’ geboren op [geboortedatum 20] 2001.</p>\n<p class=\"lf-p\">De persoon aangeduid als ‘ [getuige 16] ’ in de tenlastelegging onder feit 8 (getuigennummer [nummer 23] ) is op 12 april 2021, 27 juni 2021 en 13 maart 2023 als getuige gehoord door de Koninklijke Marechaussee. Zij heeft verklaard in 2017 in het kamp van verdachte te zijn aangekomen en dat ze hier zes of zeven maanden heeft verbleven. Zij heeft verklaard sinds 2018 in Nederland te zijn. Blijkens documentatie in het dossier is de ingangsdatum van de verblijfstitel van getuige in Nederland 19 april 2018.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over het verblijf in het kamp heeft de getuige als volgt verklaard. Ze kwam na een reis vanuit Khartoem aan op een groot terrein met meerdere loodsen in Libië. Deze plek heette ‘ [plaats 2] ’. De getuige kreeg van ‘kapo’s’ te horen dat ze moest betalen als ze verder naar de zee wilde reizen. Migranten mochten de loods niet verlaten voor het geld betaald was. De migranten moesten familieleden bellen om te vragen het bedrag te betalen. De getuige moest zelf elke ochtend gedurende een week in de rij staan om te bellen. Ze moest 3.800 betalen, in euro’s denkt de getuige. De getuige heeft verdachte zelf ter plaatse gezien. In het kamp kreeg zij te horen dat hij een mensensmokkelaar was. Verdachte had veel handlangers (kapo’s) voor hem werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De getuige heeft verdachte zelf niets zien doen, maar zijn handlangers kregen opdracht van hem iets uit te voeren. De handlangers moesten de migranten slaan. Getuige heeft verdachte de opdracht zien en horen geven iemand te slaan die niet betaalde. Ze kent de namen van twee handlangers, namelijk [naam 9] (fonetisch) en [naam 19] (fonetisch). De handlangers kregen allerlei opdrachten van verdachte, waaronder het slaan van de migranten en het verzorgen van eten. Het kwam heel vaak voor dat migranten in opdracht van verdachte geslagen werden. De getuige is zelf door de handlangers geslagen toen ze in de rij stond voor de douche. Zij werd met een soort stok op haar rug geslagen. De loods was één groot gebouw waarin ook douches en toiletten waren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hygiëne in het kamp was een groot probleem. De getuige kreeg geen of onvoldoende maandverband, dit was ook niet te koop in het kamp. Er was onvoldoende drinkwater of water om jezelf mee te wassen en er was te weinig eten. Ze kregen tweemaal per dag een lepel macaroni. Ze hadden in het kamp ook veel last van ongedierte, zoals luizen. Iedereen had schurft door het gebrek aan hygiëne. Migranten in het kamp werden erg ziek en kregen infecties. Ze heeft ook gezien dat Somalische migranten zijn komen te overlijden doordat ze te weinig eten kregen. Zwangere vrouwen kregen geen medische hulp bij de bevalling. Soms overleefde de baby de bevalling niet. De getuige was zelf bang dat ze dood zou gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over de zeereis heeft de getuige als volgt verklaard. Op een gegeven moment kreeg de getuige haar moeder te spreken. [naam 9] was bij dit gesprek aanwezig. Er werd haar verteld dat het bedrag was betaald en dat de handlangers hiervan op de hoogte waren. [naam 9] , de belangrijkste handlanger van verdachte, vertelde op gegeven moment dat ze naar de zee mocht reizen. Ze vertrokken met ongeveer zestig personen in één vrachtwagen. De vrachtwagen werd bedekt en ze moesten stil zijn. Ze zijn eerst naar een plek gereden waar ze te eten kregen en moesten overnachten. De volgende dag zijn ze naar de kust gereden, waar ze in de avond rond negen uur aankwamen. Aan de kust lag een rubberboot waar Arabieren op zaten. Verder in de zee lag een houten boot, waar ze steeds met een aantal heengebracht werden. De getuige kon niet zwemmen en kreeg geen reddingsvest of andere middelen om zichzelf mee te beschermen. De migranten op de boot hadden geen voeding bij zich. Ze kregen geen instructies over de zeereis. Ze zaten dicht op elkaar en hadden geen ruimte. Tijdens de zeereis kwam er water in de boot vanuit een opening aan de onderkant. De zeereis was erg gevaarlijk. Als zij te water zou zijn geraakt zou ze zijn verdronken. De volgende dag rond acht uur ’s ochtends zagen ze de grote reddingsboot die hen gered heeft en naar de kust van Italië heeft gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verklaringen komen overeen met de verklaring die de getuige op 21 maart 2024 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De geïdentificeerde in Nederland verblijvende persoon aangeduid als ‘ [getuige 9] ’ (getuigennummer [nummer 24] ) is op 23 juni 2021 en 28 juni 2021 als getuige gehoord door de Koninklijke Marechaussee. Uit de analyse van de aankomstlijst is gebleken dat zij op dezelfde aankomstlijst stond als de hiervoor genoemde én in de tenlastelegging opgenomen persoon aangeduid als ‘ [getuige 16] ’. De getuige “ [getuige 9] ” heeft verklaard niet in de loods van verdachte te hebben verbleven, maar wel in een loods van een andere smokkelaar op hetzelfde kampterrein, in 2017 voor ongeveer zes maanden. De getuige heeft verklaard dat ze verdachte in die periode heeft gezien op het terrein. Verdachte was een smokkelaar en had een eigen groep migranten op het terrein. Verdachte was het ergste. Hij mishandelde migranten en gooide koud water over hen heen. De getuige heeft verklaard dat ze omstreeks januari 2018 richting de kust is vertrokken. Bij de kust waren ook andere reizigers. Haar is verteld dat zij onder andere uit het kamp van verdachte kwamen. De boot waar ze op moesten, lag al klaar in het water. Het was een houten of metalen boot. Ze zijn rond negen uur in de avond begonnen met de bootreis. De volgende ochtend zijn ze door de Italianen gered.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze getuige heeft tijdens het verhoor door de rechter-commissaris op 27 mei 2025 verklaard dat ze verdachte één keer persoonlijk heeft gezien. Ze wist dat dit verdachte was, omdat de Libiërs hem riepen en zijn naam noemden. Hij vroeg bij welke smokkelaar ze zat en lachte haar uit. Verdachte had mensen die anderen voor hem mishandelden. Ze heeft gehoord dat migranten, die bij verdachte zaten en niet op tijd betaalden, werden mishandeld. Ze moesten bellen. De personen die in de loods van verdachte verbleven, werden door verdachte naar de zee gestuurd. De smokkelaar bij wie je zat is ook de persoon die je naar de zee stuurde.</p>\n<p class=\"lf-p\">De geïdentificeerde in Nederland verblijvende persoon hiervoor aangeduid als ‘ [getuige 17] ’ (getuigennummer [nummer 25] ) is op 10 mei 2021 en 28 mei 2021 als getuige gehoord door de Koninklijke Marechaussee. Uit de analyse van de aankomstlijst is gebleken dat zij op dezelfde aankomstlijst stond als de hiervoor aangeduide en op de tenlastelegging opgenomen getuige ‘ [getuige 16] ’. De getuige ‘ [getuige 17] ’ heeft verklaard niet in de loods van verdachte te hebben verbleven, maar wel in een magazijn van een andere smokkelaar op hetzelfde terrein. Dit was in 2017 gedurende ongeveer acht maanden. Het terrein bevond zich in de plaats ‘ [plaats 4] ’ (fonetisch). De getuige heeft verklaard dat er naast de loods waar zij zat nog twee loodsen waren, waaronder een van verdachte. Ze heeft migranten horen bespreken dat verdachte hun smokkelaar was. Zij heeft verklaard dat zij, nadat haar broer voor haar betaald had, samen met de anderen die betaald hadden, is vertrokken naar de kust. Onderweg moesten ze twee keer overnachten in een loods. Ze heeft onderweg naar de kust twee meisjes gesproken die in het kamp van verdachte hadden gezeten. Toen de getuige bij de kust aankwam stonden daar al de migranten die in het kamp van verdachte hadden verbleven. Ze werden samen op de boot naar Italië gezet. Ze zijn rond tien uur in de avond de zee op gegaan. Vroeg in de ochtend zijn ze door het grote schip gered.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.2.6. Ten aanzien van feit 9: aankomst op 12 maart 2018 in Pozzallo Een andere aankomstlijst van migranten die per boot Italië hebben bereikt, die in het kader van het JIT door de Italiaanse autoriteiten te Palermo aan het onderzoeksteam Pearce is verstrekt, betreft de aankomstlijst van 12 maart 2018. Op deze lijst staan de namen, met bijbehorende foto’s, van eenennegentig (91) migranten die op die dag arriveerden in Pozzallo (Italië).</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het reddingsverslag is gebleken dat er op 11 maart 2018 een reddingsoperatie plaatsvond op de Middellandse Zee. Op 11 maart 2018 om 00:10 uur is het schip [schip 4] naar een locatie gevaren waar een vaartuig dat in de problemen verkeerde, was gesignaleerd. Het ging om een witte rubberboot met een buitenboordmotor met aan boord 93 migranten. De migranten vertelden dat ze op 10 maart 2018 vanuit het kustgebied van [locatie 4] waren vertrokken. Het schip [schip 4] droeg vanwege gezondheidsredenen twee van de migranten over aan een andere patrouilleboot in de buurt van het eiland Lampedusa.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aankomstlijst is in onderzoek Pearce geanalyseerd en onderzocht op in Nederland verblijvende migranten. Dit onderzoek heeft geresulteerd in de identificatie van onder meer twee in Nederland verblijvende migranten van deze aankomstlijst, te weten: (…) 5. ‘ [getuige 15] ’, ( [getuige 13] ), geboren op [geboortedatum 21] 1996 en (…) 7. ‘ [getuige 18] ’, ( [getuige 4] ), geboren op [geboortedatum 22] 2002.</p>\n<p class=\"lf-p\">Getuige ‘ [getuige 15] ’ heeft tijdens het verhoor van 4 maart 2021 verdachte herkend van een fotoblad met het nummer 18.</p>\n<p class=\"lf-p\">De persoon aangeduid als ‘ [getuige 15] ’ in de tenlastelegging onder feit 9 (getuigennummer [nummer 26] ) is op 21 juni 2021, 13 oktober 2021, 8 november 2021, 3 februari 2022 en 4 maart 2022 als getuige gehoord door de Koninklijke Marechaussee. Hij heeft verklaard dat hij vanaf november of december 2016 ongeveer een jaar in het kamp van verdachte in [plaats 1] heeft verbleven. De getuige is na aankomst in Italië via België naar Nederland gereisd. Toen hij in Italië aankwam had hij tuberculose. Ook toen de getuige in Nederland aankwam, had hij nog tuberculose. Uit het uittreksel BRP blijkt dat hij sinds 10 februari 2021 in Nederland is ingeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over het verblijf in het kamp en het door hem opgelopen letsel heeft de getuige onder meer het volgende verklaard. Verdachte was de baas in het kamp. Hij gaf opdrachten aan zijn handlangers, de kapo’s. Drie van hen heetten [naam 9] , [naam 10] en [naam 21] . Een vierde kapo betrof een dikke man, door wie de getuige vaak is geslagen. De getuige kreeg van [naam 9] te horen dat hij moest betalen. Nadat er voor hem betaald was, kreeg hij een code. [naam 9] controleerde aan de hand van deze code of er daadwerkelijk betaald was. [naam 9] was verantwoordelijk voor het registeren van de migranten die op het kamp aankwamen en voor het bijhouden of men wel of niet betaald had. Hij werkte voor verdachte en had nauw contact met hem. Hij sloeg de migranten ook. [naam 10] liet de migranten in de rij staan en was belast met het slaan van de migranten. Hij sloeg met een zweep gemaakt van een soort rubber en een waterslang met een stuk metaal erin. Hij sloeg hen op het hoofd, op de rug of op de ogen. [naam 21] sloeg ook. Bij aankomst in het kamp van verdachte werden de migranten geslagen met een zweep door de handlangers van verdachte. Ze werden elke dag om 4 uur in de ochtend wakker gemaakt en moesten dan in de rij gaan staan om familieleden te bellen om zo snel mogelijk geld over te laten maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwijl ze belden, werden ze geslagen zodat de familieleden hoorden dat ze mishandeld en gemarteld werden. De getuige moest aanvankelijk $5.500,00 betalen, maar na een jaar heeft de familie van de getuige in Eritrea $2.500,00 betaald. De getuige werd elke dag geslagen omdat hij aanvankelijk een onjuist telefoonnummer had doorgegeven. Nadat hij het telefoonnummer van zijn opa had doorgegeven, hoorde getuige van zijn opa dat zijn moeder was flauwgevallen nadat de getuige met zijn moeder had gesproken. Omdat de getuige vervolgens zelf de verbinding verbrak, kreeg hij straf en werd hij vastgebonden door de handlangers van verdachte. De getuige werd gedurende 24 uur ondersteboven opgehangen met zijn handen en benen op zijn rug vastgebonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens werd er water over zijn lichaam gegooid en werd hij geslagen door voornoemde [naam 10] met een gummistok. De getuige heeft door het slaan en het vastbinden littekens overgehouden aan zijn armen en benen. Hij was er een week ziek van, maar kreeg behalve paracetamol geen medische hulp. Er was geen medische verzorging in de loods.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdachte heeft een vrouw in het kamp op een gegeven moment meegenomen. Zij weigerde met verdachte naar bed te gaan en daarom hij heeft bij haar gesmolten plastic op haar rug gedruppeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De getuige en de andere migranten in het kamp kregen maar één keer per dag, slechts enkele hapjes pasta te eten. Pas als je bij de groep zat die het reisgeld had betaald, kreeg je twee maaltijden per dag. Op sommige momenten was er geen water. Ze konden zich maar één keer per week douchen en wassen. Ze mochten maar twee keer per dag naar het toilet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over de zeereis heeft de getuige onder meer het volgende verklaard. Drie tot vier maanden nadat het reisgeld betaald was door zijn familie in Eritrea, ging getuige met anderen richting de kust. Na een maand op een locatie vlakbij de kust te hebben verbleven, is de getuige richting Italië vertrokken in een rubberboot. De boot had een kleine motor. Deze boot was niet geschikt voor de zee en er was niet genoeg plek in de boot. De migranten in de boot konden niet zwemmen en niemand droeg een reddingsvest. Er kwam water in de boot. De bestuurder van de boot was een Eritrese vluchteling. Op het moment dat ze gered werden, was de brandstof bijna op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verklaringen afgelegd bij de Koninklijke Marechaussee komen overeen met de verklaring die de getuige op 14 maart 2024 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De persoon aangeduid als ‘S’ in de tenlastelegging onder feit 9 (getuigennummer [nummer 32] ) is op 22 september 2021 als getuige gehoord door de Koninklijke Marechaussee en op 18 maart 2024 door de rechter-commissaris in strafzaken. Zij heeft verklaard dat zij vanaf januari 2017 een jaar in de loods van verdachte in [plaats 1] heeft verbleven. De getuige is vanuit Italië naar Nederland gegaan. Ze is in 2018 in Nederland aangekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over het verblijf in het kamp heeft de getuige onder meer het volgende verklaard. De getuige is door verdachte ontvoerd toen zij aankwam in Libië. Zij werd meegenomen door Libiërs die voor verdachte werkten. De omstandigheden in de loods waren moeilijk. De getuige en de andere migranten in de loods werden geslagen en mishandeld en ze kregen te weinig eten. Ze werden mishandeld door een Ethiopiër genaamd [naam 9] , een Ethiopiër genaamd [naam 22] en een Somaliër. Als migranten mishandeld werden, zat verdachte toe te kijken. Migranten die niet konden betalen, werden met koud water overgoten, moesten over de grond rollen en werden constant mishandeld en uitgehongerd. De getuige is heel vaak mishandeld. Er was geen medische hulp in de loods van verdachte. Alleen als verdachte zin had, werd iemand vervoerd voor een medische behandeling. Getuige moest 6000 (de rechtbank begrijpt $) aan verdachte betalen. Het geld is betaald door een oom van de getuige in Israël.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over de zeereis heeft de getuige onder meer het volgende verklaard. Vier maanden nadat het geld betaald was, werd zij naar de kust gebracht. Daar verbleef zij in een magazijn van verdachte. Nadat zij daar twee weken had verbleven, werd zij, samen met andere migranten, door Libiërs, die samenwerkten met verdachte, naar zee gebracht. Ze werden door de Libiërs geholpen om aan boord te gaan van een rubberboot. Praktisch gezien was het niet mogelijk om met die boot Italië te bereiken. De getuige was heel ziek en zwak toen ze gered werd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verklaringen afgelegd bij de Koninklijke Marechaussee komen overeen met de verklaring die de getuige op 18 maart 2024 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De persoon aangeduid als ‘ [getuige 2] ’ in de tenlastelegging onder feit 9 (getuigennummer [nummer 27] ) is op 10 maart 2021 als getuige gehoord door de Koninklijke Marechaussee.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over het verblijf in het kamp heeft de getuige verklaard dat hij hoorde dat de migranten in de loods van verdachte ’s ochtends werden geslagen met een slang. Hij hoorde de kapo’s dan zeggen “Sta op, sta op, anders ga ik je nog eens doodslaan”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over de zeereis heeft deze getuige onder meer het volgende verklaard. De getuige werd door de Libiërs begeleid tot aan de kust, waar hij en de andere migranten in een boot moesten stappen. Het was een rubberboot met een motor op de achterkant van de boot. Het was geen zeewaardige boot. Ze zaten met teveel migranten opgepropt in de boot. De bodem van de boot ging op een gegeven moment kapot, waardoor er water in de boot kwam.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.2.7. Ten aanzien van feit 1: deelname aan een criminele organisatie De deelname aan een criminele organisatie is, naar aanleiding van de genomen beslissingen onder hoofdstuk 3, reeds toegespitst op het plegen van de misdrijven mensensmokkel en afpersing. De hiervoor beschreven bewijsmiddelen onder 5.4.2.1. tot en met 5.4.2.6. zijn derhalve ook redengevend voor het onder 1 ten laste gelegde feit.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bewijsoverwegingen 5.4.3.1. Ten aanzien van de mensensmokkelfeiten ten laste gelegd onder 2, 3, 5, 7, 8 en 9 5.4.3.1.1. Het beoordelingskader van artikel 197a Sr Voor een bewezenverklaring van artikel 197a lid 1 Sr is vereist dat de verdachte behulpzaam is geweest een persoon toegang tot of doorreis te verschaffen door Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie, of dat de verdachte daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden, dat de toegang of doorreis of het verblijf wederrechtelijk is. Het bestanddeel ‘behulpzaam zijn’ dient in overeenkomstige zin te worden uitgelegd als in artikel 48 Sr. Het gaat erom of de verdachte de toegang en/of de doorreis van de vreemdeling in enigerlei opzicht bevordert of gemakkelijk maakt. Het bestanddeel ‘toegang’ dient te worden gelezen als binnenkomst en ‘doorreis’ als transit of doortocht. Het bestanddeel ‘wederrechtelijk’ moet in de delictsomschrijving van artikel 197a Sr worden uitgelegd als ‘zonder enig subjectief recht of enige bevoegdheid’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een beroep of gewoonte maken als bedoeld in artikel 197a lid 4 Sr is aan de orde indien de verdachte zich vaker en met enige regelmaat, al dan niet beroepsmatig, schuldig heeft gemaakt aan mensensmokkel.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.3.1.2. Modus operandi Het gebruik van aan andere soortgelijke feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen als steunbewijs – in de vorm van zogenaamd schakelbewijs – is volgens de Hoge Raad onder bepaalde omstandigheden toegelaten. Voor de bewezenverklaring van een feit wordt in dat geval mede redengevend geacht de – uit één of meer bewijsmiddelen blijkende – omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. Het moet gaan om bewijsmateriaal ten aanzien van die andere feiten dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten of kenmerkende gelijkenissen vertoont met het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit, zoals een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van de verdachte. Daarbij kan van belang zijn of en in hoeverre de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de onderscheidene feiten zijn begaan, op essentiële punten overeenkomen. Dit wordt ook wel aangeduid als modus operandi.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank overweegt dat uit de verklaringen van de verschillende gesmokkelde personen, zoals opgenomen in paragraaf 5.4.2., volgt dat er sprake is geweest van een gelijksoortige handelwijze ten aanzien van de mensensmokkelfeiten. Er bestaan op essentiële punten kenmerkende overeenkomsten in de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de verschillende incidenten van mensensmokkel – zoals tenlastegelegd onder feit 2, 3, 5, 7, 8 en 9 – hebben plaatsgevonden. Er lijkt hierbij sprake te zijn geweest van een jarenlange praktijk waarin verdachte groepen migranten behulpzaam is geweest bij het verschaffen van toegang tot Europa, via een overtocht over de Middellandse Zee. In de eerste plaats geldt dat het in alle gevallen gaat om mensensmokkel waarbij de gesmokkelde personen eerst langere tijd hebben verbleven in een kamp in Libië.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast geldt dat de handelwijze van verdachte specifieke overeenkomsten vertoont, zoals blijkt uit de getuigenverklaringen van de verschillende gesmokkelde personen. Er is door hen verklaard dat zij werden verzameld in een kamp in Libië (veelal rondom of in [plaats 1] ), waar zij werden mishandeld en gedwongen werden familieleden te bellen om te betalen voor de overtocht naar Europa. Tijdens het bellen werden de migranten ook mishandeld om familieleden tot betaling te bewegen. Verdachte gaf opdracht hiertoe aan zijn ‘handlangers’. De migranten kregen in het kamp weinig voedsel, vaak maar een of tweemaal per dag enkele lepels macaroni. Vervolgens werden zij – wanneer er voor hun overtocht was betaald – vervoerd, al dan niet per (afgedekte) vrachtwagen, naar een gebouw of plaats nabij de kust en vervolgens naar zee voor de overtocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overtocht vond plaats over de Middellandse Zee met een houten boot of rubberboot die (na enige tijd) zonder begeleiding, en in meerdere gevallen zonder motor, werd achtergelaten op zee.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank is van oordeel dat, anders dan door de verdediging is betoogd, de getuigenverklaringen een solide fundament voor de bewezenverklaring van de mensensmokkelfeiten vormen, mede gelet op de vele overeenkomsten op essentiële punten in deze getuigenverklaringen. De verklaringen vinden bovendien bevestiging in vastgestelde concrete feiten, zoals de satellietbeelden en foto’s van de kampen en zelfs foto’s van de bewakers met stukken tuinslang als wapenstok in hun hand. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat er sprake is geweest van een herkenbaar en gelijksoortig patroon – een kenmerkende modus operandi – te herkennen in de aan verdachte verweten mensensmokkelfeiten. De bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan de respectievelijk als 2, 3, 5, 7, 8 en 9 ten laste gelegde mensensmokkelfeiten zullen dan ook gebruikt worden als steunbewijs in de vorm schakelbewijs voor de andere mensensmokkelfeiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.3.1.3. Behulpzaam bij het verschaffen van toegang en/of doorreis?</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank is op grond van de onder 5.4.2. uiteengezette bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk meerdere personen behulpzaam is geweest bij het verschaffen van toegang tot en/of doorreis door meerdere landen van de Europese Unie. De rechtbank stelt vast dat door getuigen is verklaard dat zij in het kamp / de loods van verdachte verbleven, dat verdachte opdrachten gaf met betrekking tot het (laten) voldoen van de te betalen reissom en dat verdachte bepaalde wie op de vrachtwagen mocht om richting de kust gebracht te worden. Verdachte is door getuigen telkens aangewezen als ‘de baas’ op het kamp ten behoeve van wie ze het bedrag voor de overtocht moesten betalen, waarna de gesmokkelde getuigen pas hun reis mochten vervolgen. Door de getuigen is ook verklaard dat verdachte zich zodanig gedroeg en jegens hen uitliet dat zij daaruit afleidden dat hij verantwoordelijk was voor de gehele reis, waaronder de zeereis.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank overweegt dat het bestanddeel 'behulpzaam zijn bij' als bedoeld in artikel 197a Sr, zoals ook uit de wetsgeschiedenis blijkt, in overeenkomstige zin moet worden uitgelegd als in artikel 48 Sr. Het gaat er dus om of verdachte de gesmokkelde persoon, voor zover hier van belang, de toegang tot of de doorreis door een of meer Europese landen in enigerlei opzicht heeft bevorderd of gemakkelijk heeft gemaakt. Voor een bewezenverklaring van behulpzaamheid in de zin van artikel 197a lid 1 Sr is voldoende dat sprake is van behulpzaamheid bij een deel van het mensensmokkeltraject. Het land van aankomst of de (beoogde) eindbestemming of de plaats waar de handelingen van verdachte met betrekking tot de behulpzaamheid zich feitelijk hebben voltrokken, zijn elk op zichzelf beschouwd derhalve niet doorslaggevend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank is samenvattend van oordeel dat verdachte de onder de feiten 2, 3, 5, 7, 8, en 9 in de bewezenverklaring vermelde personen behulpzaam is geweest bij het verschaffen van toegang tot Nederland, en/of doorreis door verschillende Europese landen, door daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, al dan niet via een tussenpersoon, door hen: te vervoeren naar en/of begeleiden naar en/of verzamelen op/in een plek/kamp nabij de kust in Libië, en te voorzien van een boot, al dan niet met buitenboordmotor en/of kapitein/stuurman/ begeleider, en per boot te vervoeren van Libië naar Italië, en instructies te geven over de te betalen reissom en/of over de wijze van betaling daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.3.1.4. Opzet op (eind)bestemming Nederland?</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt vast dat, voor zover hier van belang, de in de tenlastelegging opgenomen gesmokkelde getuigen tijdens de tocht over de Middellandse Zee zijn gered door Non Gouvernementele Organisaties (NGO’s) en/of de Italiaanse autoriteiten, waarna ze in Italië aan land zijn gebracht. Zoals reeds eerder is geconcludeerd onder onderdeel 3.3.2. is de rechtbank van oordeel dat deze getuigen als direct gevolg van het strafbare handelen van verdachte in de zin van artikel 197a Sr zijn doorgereisd naar Nederland. Zij zijn binnen afzienbare tijd na de aankomst in Italië doorgereisd en in Nederland aangekomen om asiel aan te vragen, en daarmee is in Nederland het rechtsbelang, dat wordt beschermd door artikel 197a Sr, geschonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de verdediging is aangevoerd dat de personen die de smokkel hebben georganiseerd opzet zouden hebben gehad op smokkel vanuit Afrika naar Italië als eindbestemming, en dat er geen opzet op toegang tot Nederland is geweest. De rechtbank overweegt dat, in het kader van het delict mensensmokkel als bedoeld in artikel 197a Sr, de opzet van verdachte gericht moest zijn op behulpzaamheid bij de wederrechtelijke toegang tot en/of doorreis door één van de in dat artikel genoemde (EU-)landen. Uit het dossier volgt dat de overtochten waren gericht op een tocht over de Middellandse Zee naar Italië. Voor bewezenverklaring van het telkens ten laste gelegde onderdeel “in Nederland” is voor toerekening aan verdachte voldoende dat er door de gesmokkelde personen uiteindelijk binnen afzienbare termijn is doorgereisd naar Nederland. Door het overbrengen van deze personen naar Italië is het immers, mede door de open Europese binnengrenzen, voor iedere migrant mogelijk naar andere Europese landen, waaronder Nederland, door te reizen. Gelet op de relatief korte periode tussen de aankomst in Italië en het zich verschaffen van toegang tot Nederland door de gesmokkelde personen, kan die toegang tot Nederland redelijkerwijs aan verdachte worden toegerekend. Door de bewezen verklaarde smokkelactiviteiten, ook al eindigden die wat verdachte betreft in Italië, heeft verdachte immers de doorreis door andere EU-landen én de toegang tot Nederland bevordert en/of gemakkelijk gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.3.1.5. Tezamen en in vereniging met een of meer anderen?</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank zal aan de hand van het kader als uiteengezet onder 5.4.1. beoordelen of er sprake is geweest van medeplegen, door anderen dan de medeverdachte [medeverdachte 1] , waarover de rechtbank zich hiervoor in paragraaf 5.4.1.3 al heeft uitgelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt vast dat door alle – onder 2, 3, 5, 7, 8 en 9 op de tenlastelegging opgenomen – gesmokkelde getuigen is verklaard over een samenwerking tussen verdachte en zijn handlangers op het kamp / in de loods. Door getuigen is verklaard dat verdachte opdrachten aan zijn handlangers gaf, waaronder opdrachten om de migranten op het kamp te mishandelen. Getuigen hebben een handlanger (fonetisch) genaamd ‘ [naam 9] ’ aangewezen als de persoon die zich bezig hield met onder meer het financiële deel van de mensensmokkel. [naam 9] regelde de codes met betrekking tot de betalingen en hield een lijst bij met namen van de migranten voor wie de overtocht was betaald. Daarnaast hebben verschillende getuigen een handlanger (fonetisch) genaamd ‘ [naam 10] ’ en een handlanger (fonetisch) genaamd ‘ [naam 11] ’ of ‘ [naam 21] ’ aangewezen als personen die zich voornamelijk bezig hielden met het bewaken en mishandelen van migranten op het kamp / in de loods.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank is op basis daarvan van oordeel dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn handlangers bij de gezamenlijke uitvoering van de smokkel van de mensen genoemd in de ten laste gelegde feiten 2, 3, 5, 7, 8 en 9. Er is sprake geweest van een intensieve en bewuste samenwerking, waarbij verdachte opdrachten gaf aan de handlangers ten behoeve van het laten voldoen van de reissom door de migranten, de (orde)bewaking op het kamp en het op transport zetten van migranten naar de kust. De handlangers van verdachte hebben daarmee een materiële en/of intellectuele bijdrage van voldoende gewicht aan de mensensmokkelfeiten geleverd. Daarnaast blijkt uit de getuigenverklaringen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van handlangers aan de kust, die tijdelijk onderdak aan de kust organiseerden en boten regelden waarmee de migranten vervolgens de zee op werden gevaren vanuit Libië richting Italië. Hoewel in het onderzoek geen zicht is gekregen op de precieze inhoud van de samenwerking en de onderling gemaakte afspraken, blijkt uit de verklaringen dat er tussen verdachte en deze handlangers aan de kust sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op de smokkel van de migranten van Libië naar Italië.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen de mensensmokkelfeiten ten laste gelegd onder 2, 3, 5, 7, 8 en 9 heeft gepleegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.3.1.6. Wetenschap?</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank is van oordeel dat op basis van de in paragraaf 5.4.2. opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte steeds wist dat de onder 2, 3, 5, 7, 8 en 9 opgenomen personen wederrechtelijk naar of door een of meer van de in artikel 197a Sr opgenomen landen wilden reizen, terwijl die toegang en/of doorreis wederrechtelijk waren. De migranten werden immers gesmokkeld en in niet zeewaardige vaartuigen de Middellandse Zee opgestuurd, in de hoop en onzekere verwachting dat zij zouden worden gered en overgebracht naar het Europese vasteland, juist omdat zij geen geldige reispapieren hadden voor een reguliere inreis in de Europese Unie.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.3.1.7. Levensgevaar te duchten?</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 197a lid 5 Sr is ‘levensgevaar voor een ander te duchten’ als strafverzwarende omstandigheid opgenomen. Voor de invulling van het begrip ‘levensgevaar’ in het kader van dit artikel, wordt in de jurisprudentie aansluiting gezocht bij de jurisprudentie die ziet op ‘levensgevaar’ zoals bedoeld in artikel 157 Sr. De Hoge Raad vult het te duchten gevaar in aan de hand van het vereiste van voorzienbaarheid. Daarbij wordt uitgegaan van voorzienbaarheid ten tijde van het handelen van de verdachte. Om het levensgevaar voor een ander als vaststaand te kunnen aannemen is in algemene zin vereist dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat dat levensgevaar concreet te duchten was. Dit betekent dat het levensgevaar ten tijde van het behulpzaam zijn bij de toegang tot en/of doorreis naar de Europese Unie naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Dat de verdachte zelf dat gevaar wellicht niet heeft voorzien, is in dat verband niet van belang. Door de verdediging is deze strafverzwarende omstandigheid van de ten laste gelegde mensensmokkelfeiten niet betwist.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank is – gelet op het proces-verbaal dat ten behoeve van dit onderdeel door de Koninklijke Marechaussee is opgesteld, de inhoud van de getuigenverklaringen, alsmede hetgeen algemeen bekend is over de Centrale Middellandse Zeeroute – van oordeel dat bij de mensensmokkelfeiten onder 2, 3, 5, 7, 8 en 9 telkens levensgevaar voor een ander te duchten was, zowel in de kampen als tijdens de reis naar de zee, als de zeereis zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.3.1.8. Een beroep of gewoonte maken?</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de ten laste gelegde periodes, het aantal ten laste gelegde feiten en het aantal gesmokkelde personen die verdachte behulpzaam is geweest bij het verschaffen van toegang tot of doorreis door de in de bewezenverklaring opgenomen landen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte van het plegen van mensensmokkel, als onder 2, 3, 5, 7, 8 en 9 bewezen verklaard, een beroep of gewoonte heeft gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.3.1.9. Conclusie De rechtbank is resumerend van oordeel dat hiermee wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 2, 3, 5, 7, 8 en 9 ten laste gelegde mensensmokkelfeiten, zoals hierna in de bewezenverklaring in paragraaf 5.5. omschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.3.2. Ten aanzien van de afpersingsfeiten ten laste gelegd onder 4 en 6 5.4.3.2.1. Het beoordelingskader van artikel 317 Sr Voor een bewezenverklaring van afpersing in de zin van artikel 317 lid 1 Sr moet vast komen te staan dat de verdachte, met het oogmerk om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld of bedreiging met geweld, iemand heeft bewogen tot de afgifte van enig goed dat geheel of ten dele aan deze of aan een derde toebehoort. Er moet een causaal verband zijn tussen het geweld of de bedreiging met geweld enerzijds en de afgifte van het goed anderzijds. Afgifte is in het algemeen de daad van hem op wie de dwang wordt uitgeoefend. Dat behoeft echter niet specifiek diens fysieke handeling te zijn, ook het doen afgeven kan er onder vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.3.2.2. Ten aanzien van feit 4</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige ‘ [getuige 6] ’ Door de verdediging is aangevoerd dat er ernstig moet worden getwijfeld aan de juistheid van de verklaring van getuige ‘ [getuige 6] ’, met getuigennummer [nummer 6] , dat de verklaring niet betrouwbaar is en dat de feiten op basis hiervan niet duidelijk kunnen worden vastgesteld. Er dient daarom vrijspraak van het onder 4 ten laste gelegde feit te volgen.</div>\n<p class=\"lf-p\">De getuige ‘ [getuige 6] ’ heeft bij de Koninklijke Marechaussee verklaard dat zij door haar destijds minderjarige broer ‘ [getuige 5] ’, met getuigennummer [nummer 5] , is gebeld vanuit een kamp in Libië, dat hij werd mishandeld tijdens de telefoongesprekken en dat haar broer tegen haar zei dat ze snel geld moest betalen voor de zeereis. Zij heeft de inhoud van dit gesprek verteld aan haar ouders, omdat zij zelf het bedrag niet kon voldoen. Haar ouders hebben uiteindelijk voor de reis van haar broer betaald. Zij woonde ten tijde van dit telefoongesprek in Nederland.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt vast dat het dossier aanwijzingen bevat dat getuige ‘ [getuige 6] ’ wellicht niet naar waarheid heeft verklaard over wie de betaling uiteindelijk heeft verricht, wellicht ter bescherming van de hawala bankier in Nederland, maar dat kan in het midden blijven. De rechtbank overweegt dat indien de getuige ‘ [getuige 6] ’ op dit punt niet naar waarheid heeft verklaard, dit nog niet betekent dat haar volledige verklaring als onbetrouwbaar dient te worden aangemerkt. Daarnaast is het voor de bewezenverklaring van het onderhavige feit niet doorslaggevend dat kan worden vastgesteld wie uiteindelijk de betaling heeft verricht, maar wel dat sprake is van voldoende causaliteit tussen het bellen en bedreigen van familieleden, in dit geval getuige ‘ [getuige 6] ’, en het uiteindelijke overmaken van een geldbedrag. Dit is, evenals het verband met Nederland, reeds vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank overweegt daarnaast dat de verklaring van de getuige ‘ [getuige 6] ’ op essentiële punten steun vindt in de verklaring van de getuige ‘ [getuige 5] ’. Voor zover sprake is van tegenstrijdigheden of inconsistenties in de verklaringen over wie de getuige ‘ [getuige 5] ’ gebeld zou hebben vanuit het kamp, zijn die van ondergeschikte aard en ook verklaarbaar door het tijdsverloop en de werking van het geheugen én bovendien heeft de getuige ‘ [getuige 5] ’ hier een plausibele verklaring over afgelegd bij de rechter-commissaris. Hij heeft verklaard dat hij meerdere familieleden heeft moeten bellen en de te bellen telefoonnummers doorgaf aan de handlangers van verdachte, die vervolgens belden en hem de telefoon gaven. Hij werd vervolgens mishandeld, waardoor hij niet meer precies wist wie hij allemaal heeft gesproken. Bij aankomst in Nederland kreeg hij te horen dat hij ook zijn zus ‘ [getuige 6] ’ heeft gebeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank ziet, mede op basis van voornoemde overwegingen, geen aanleiding om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de voor de bewezenverklaring essentiële onderdelen van de door de getuige ‘ [getuige 6] ’ afgelegde verklaring te twijfelen. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook de verklaring van de getuige ‘ [getuige 6] ’ voor het bewijs kan worden gebruikt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Is er sprake van afpersing?</div>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt – op basis van de bewijsmiddelen als uiteengezet in paragraaf 5.4.2. en onder verwijzing naar hetgeen is overwogen in paragraaf 3.3.2.2. – vast dat de getuige ‘ [getuige 5] ’ door verdachte werd gedwongen om zijn zus ‘ [getuige 6] ’ te bellen vanuit een kamp in Libië om haar te bewegen geld over te (laten) maken voor zijn overtocht. Getuige ‘ [getuige 5] ’ werd tijdens dit telefoongesprek mishandeld. Getuige ‘ [getuige 6] ’ heeft vervolgens contact opgenomen met haar ouders, waarna het geld voor de reis is betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank is van oordeel dat verdachte derhalve met het oogmerk om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld of bedreiging met geweld, de getuige ‘ [getuige 5] ’ en de getuige ‘ [getuige 6] ’ heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, dat geheel of ten dele aan de beide getuigen of aan een derde toebehoorde. De omstandigheid dat niet de getuige ‘ [getuige 5] ’ of de getuige ‘ [getuige 6] ’, maar hun ouders het geld hebben betaald aan een handlanger van verdachte maakt dit niet anders, nu ook doen afgeven valt onder afpersing. Voorts heeft de rechtbank in paragraaf 3.3.2.2. reeds het causaal verband vastgesteld tussen het geweld en het bedreigen met geweld en het afgeven van het geld door de ouders van de getuigen. De omstandigheid dat niet de ouders zelf zijn gebeld door hun zoon ‘ [getuige 5] ’, maar op de hoogte raakten via zijn zus, de getuige ‘ [getuige 6] ’, doet niet af aan het vereiste causaal verband.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, met het oogmerk om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld of bedreiging met geweld, de getuige ‘ [getuige 5] ’ en de getuige ‘ [getuige 6] ’ en/of hun familieleden heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag dat aan (een van) de getuigen en/of aan een derde toebehoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.3.2.3. Ten aanzien van feit 6</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Het gebruik van de verklaring van de getuige ‘ [getuige 7] ’ in het licht van artikel 6 EVRM Door de verdediging is aangevoerd dat getuige ‘ [getuige 7] , met getuigennummer [nummer 7] , niet door de rechter-commissaris is gehoord en dat de verdediging daarom niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om ten aanzien van die getuige het ondervragingsrecht uit te oefenen, terwijl deze getuige een Keskin-getuige is wiens verklaring als “sole or decisive” moet worden aangemerkt. Indien deze verklaring gebezigd wordt voor het bewijs zou volgens de verdediging geen sprake zijn van een eerlijk proces ex artikel 6 EVRM en daarom moet de verklaring worden uitgesloten van het bewijs. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er bij uitsluiting van de verklaring van deze getuige geen steunbewijs is voor de verklaring van getuige ‘ [getuige 3] ’, met getuigennummer [nummer 17] . Er dient daarom vrijspraak te volgen van het onder 6 ten laste gelegde feit.</div>\n<p class=\"lf-p\">Door de Hoge Raad is bepaald dat in gevallen waarin de rechter voor het bewijs gebruik wil maken van een door een getuige afgelegde verklaring, terwijl de verdediging – ondanks het nodige initiatief – niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om ten aanzien van die getuige het ondervragingsrecht uit te oefenen, de rechter moet nagaan of het proces als geheel eerlijk is verlopen. Hierbij zijn – met het oog op de beoordeling of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces – van belang (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. In dit verband is van belang dat in geval een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om een getuige te ondervragen heeft ontbroken, het aan de rechtbank is om te beoordelen of een bewezenverklaring in beslissende mate op een door een getuige afgelegde verklaring wordt gebaseerd, in die zin dat die verklaring daarvoor \"the sole or decisive basis\" is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt vast dat de verdediging geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen ten aanzien van de getuige ‘ [getuige 7] ’, aangezien de rechter-commissaris heeft beslist af te zien van het horen van deze getuige na diverse vergeefse pogingen hiertoe.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. De rechtbank overweegt dat de verklaringen van de getuige ‘ [getuige 7] ’ niet het enige of doorslaggevende bewijs vormen in deze zaak. Zo heeft ook getuige ‘ [getuige 3] ’, de broer van getuige ‘ [getuige 7] ’, een getuigenverklaring afgelegd. Ten aanzien van deze getuige heeft de verdediging haar ondervragingsrecht wel kunnen uitoefenen. Tevens passen de verklaringen van beide getuigen bij de hiervoor beschreven modus operandi en vinden de verklaringen steun in de verklaringen van andere getuigen ten aanzien van soortgelijke feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat de verklaringen van getuige ‘ [getuige 7] ’, afgelegd buiten aanwezigheid van de verdediging, niet \"the sole or decisive basis\" zijn voor een bewezenverklaring van het onder 6 ten laste gelegde feit. Naar het oordeel van de rechtbank zijn geen nadere compenserende factoren vereist voor het ontbreken van de ondervragingsgelegenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de procedure ten aanzien van dit feit voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de verklaringen van de getuige ‘ [getuige 7] ’ voor het bewijs kunnen worden gebruikt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Is er sprake van afpersing?</div>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt – op basis van de bewijsmiddelen als uiteengezet in paragraaf 5.4.2. en onder verwijzing naar hetgeen is overwogen in paragraaf 3.3.2.2. – vast dat getuige ‘ [getuige 7] ’ door handlangers van verdachte in diens opdracht werd gedwongen om zijn broer (de getuige ‘ [getuige 3] ’) te bellen vanuit een kamp in Libië om hem te bewegen geld over te maken voor zijn overtocht, tijdens welk telefoongesprek de getuige ‘ [getuige 7] ’ werd mishandeld. De getuige ‘ [getuige 3] ’ heeft vervolgens contact opgenomen met twee ooms die woonachtig waren in Israël, waarna zij het geld voor de reis hebben betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank is van oordeel dat verdachte daarmee, met het oogmerk om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld of bedreiging met geweld, getuige ‘ [getuige 7] ’ en getuige ‘ [getuige 3] ’ heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag, dat geheel of ten dele aan (een van) beide getuigen en/of aan een derde toebehoorde. De omstandigheid dat niet een van de getuigen maar enkele ooms het geld hebben betaald aan een handlanger van verdachte maakt dit niet anders, nu – zoals hiervoor reeds is overwogen – ook het doen afgeven valt onder afpersing. Voorts heeft de rechtbank in paragraaf 3.3.2.2. reeds het causaal verband vastgesteld tussen het geweld en het bedreigen met geweld en het afgeven van het geld door de ooms van de getuigen. De omstandigheid dat de ooms niet rechtstreeks zijn gebeld, maakt niet dat geen sprake is van het vereiste causaal verband. Uit de verklaring van getuige ‘ [getuige 3] ’, in combinatie met de feitelijke betaling, blijkt genoegzaam het causaal verband.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, met het oogmerk om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld, de getuige ‘ [getuige 7] ’ en de getuige ‘ [getuige 3] ’ dan wel hun familieleden, heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag dat aan de getuigen en/of aan een derde toebehoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.3.2.4. Tezamen en in vereniging met een of meer anderen?</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank zal aan de hand van het kader als uiteengezet in paragraaf 5.4.1. nader beoordelen of en in hoeverre er bij feit 4 en 6 sprake is geweest van medeplegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt vast, onder verwijzing naar hetgeen is overwogen in paragraaf 5.4.2.2. dat, bij het onder 4 ten laste gelegde feit, geld is betaald ten behoeve van verdachte voor de overtocht van de getuige ‘ [getuige 5] ’. De rechtbank stelt verder vast onder verwijzing naar hetgeen is overwogen in paragraaf 5.4.2.3. dat bij het onder 6 ten laste gelegde feit eveneens geld is betaald voor de overtocht van de getuige ‘ [getuige 7] ’. De rechtbank concludeert dat er een of meer handlangers moeten zijn geweest in Israël die het geld in ontvangst nam(en) voor verdachte. Verder overweegt de rechtbank onder verwijzing naar de in paragraaf 5.4.2. uiteengezette bewijsmiddelen dat getuigen een handlanger (fonetisch) genaamd ‘ [naam 9] ’ hebben aangewezen als de persoon die zich bezig hield met onder meer het financiële deel van de mensensmokkel. [naam 9] regelde de codes en hield een lijst bij met namen van migranten waarvoor de overtocht was betaald. Voorts volgt uit de bewijsmiddelen uiteengezet in paragraven 5.4.2.2. en 5.4.2.3. dat de getuige ‘ [getuige 5] ’ en ‘ [getuige 7] ’, terwijl zij moesten bellen met familieleden, werden geslagen en mishandeld door handlangers van verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank is op basis daarvan van oordeel dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn hiervoor genoemde handlangers, waarbij sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering van de afpersingsfeiten en van een intensieve samenwerking. De genoemde handlangers van verdachte hebben daarmee een materiële en/of intellectuele bijdrage van voldoende gewicht aan de afpersingsfeiten geleverd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.3.2.5. Conclusie De rechtbank is van oordeel dat hiermee wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich, tezamen en in vereniging met anderen, schuldig heeft gemaakt aan de onder 4 en 6 ten laste gelegde afpersingsfeiten, zoals hierna in de bewezenverklaring in paragraaf 5.5. omschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.3.3. Ten aanzien van deelname aan een criminele organisatie ten laste gelegd onder 1 5.4.3.3.1. Het beoordelingskader van artikel 140 Sr Voor een veroordeling voor deelneming aan een organisatie in de zin van artikel 140 Sr moet worden vastgesteld dat sprake is van een organisatie, die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, en dat de verdachte aan die organisatie heeft deelgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er dient sprake te zijn van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één ander. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat iemand, om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt, moet hebben samengewerkt of bekend moet zijn geweest met alle anderen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is geweest. Voor duurzaamheid of bestendigheid is een zeker tijdsverloop van het samenwerkingsverband een aanwijzing. Het samenwerkingsverband moet in ieder geval een meer dan incidenteel karakter hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor deelneming aan de criminele organisatie is voldoende dat de verdachte in zijn algemeenheid weet, in de zin van onvoorwaardelijk opzet (voorwaardelijk opzet is dus niet voldoende), dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Het opzet van verdachte moet gericht zijn op het deelnemen aan de criminele organisatie. Volgt uit de bewijsvoering dat verdachte een aan de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie bijdragende of ondersteunende handeling heeft verricht, dan ligt daarin zijn wetenschap met betrekking tot dat oogmerk besloten. Indien daarentegen uit de bewijsvoering slechts volgt dat verdachte voor deelnemers van een criminele organisatie hand- en spandiensten heeft verricht zonder dat daaruit kan worden afgeleid dat hij daarbij handelde in de wetenschap dat de organisatie het plegen van bovengenoemde misdrijven tot oogmerk had, dan staat daarmee niet vast dat de verdachte in zijn algemeenheid wist dat die organisatie bedoeld oogmerk had en levert het handelen van een verdachte geen deelneming aan die criminele organisatie op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de wetsgeschiedenis van artikel 140 Sr en de vaste jurisprudentie omtrent het begrip ‘leider’ volgt dat dit duidt op een bijzondere kwaliteit van de dader, als degene die een centrale rol speelt binnen de organisatie. De leider hoeft niet de hoogste leider te zijn of het meest te verdienen. Doorslaggevend is uiteindelijk of de betrokkene binnen de organisatie een bepaalde macht heeft of een bepaald gezag bezit. De leider onderscheidt zich van de overige deelnemers door gedragingen als het nemen van initiatieven, het verdelen van taken, het geven van opdrachten, het (eventueel) sanctioneren van overtredingen van binnen de organisatie geldende regels of afspraken of het verdelen van de opbrengst van de criminele activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.3.3.2. De criminele organisatie en haar deelnemers De rechtbank stelt vast dat het dossier aanwijzingen bevat voor meerdere vormen van samenwerking tussen verdachte en anderen. De rechtbank dient allereerst te beoordelen of daarbij sprake is geweest van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Verdachte en andere mensensmokkelaars De rechtbank stelt vast dat er in het dossier aanwijzingen zijn dat er enige vorm van samenwerking is geweest tussen verdachte en andere mensensmokkelaars. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte en (door het Openbaar Ministerie veronderstelde mensensmokkelaars) [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] een crimineel samenwerkingsverband gevormd zouden hebben.</div>\n<p class=\"lf-p\">Door verschillende getuigen is onder meer het volgende verklaard over deze personen en de samenwerking tussen hen en verdachte. [medeverdachte 1] en verdachte zouden op een soortgelijke wijze opereren, verdelingen maken van de migranten die aankwamen in [plaats 1] en zij zouden op hetzelfde ommuurde terrein loodsen hebben gehad. [medeverdachte 3] zou een mensensmokkelaar zijn en migranten van [medeverdachte 1] en/of verdachte ontvoeren om hen opnieuw af te persen en/of terug te verkopen aan hun oorspronkelijke smokkelaar. [medeverdachte 2] zou bovenaan in de organisatie staan en de baas van [medeverdachte 1] en [verdachte] zijn. Daarnaast zijn door het Openbaar Ministerie ter ondersteuning hiervan meerdere berichten vanuit de Facebook-accounts ‘ [accountnaam 4] ’ en ‘ [accountnaam 1] ’ met en/of over (de veronderstelde Facebook-accounts van) [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op de terechtzitting naar voren gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank is van oordeel dat er weliswaar aanwijzingen bestaan voor enige vorm van samenwerking, maar dat op basis van de inhoud van het dossier niet kan worden vastgesteld dat er sprake is geweest van een ‘organisatie’ met een zekere duurzaamheid of gestructureerd karakter van samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] . De rechtbank kan niet vaststellen dat sprake is van een (zichtbare) onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten met het oog op het bereiken van een gemeenschappelijk doel. Hiervoor bevat het onderzoeksdossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. In zoverre kan geen bewezenverklaring van feit 1 volgen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Verdachte en de in de tenlastelegging opgenomen veronderstelde geldkoeriers De rechtbank kan op basis van het dossier evenmin vaststellen dat er enige vorm van directe samenwerking heeft bestaan tussen verdachte enerzijds en de in de tenlastelegging opgenomen en in Nederland woonachtige ‘geldkoeriers’ en/of hawala bankiers anderzijds. Onder meer nu de rechtbank heeft vastgesteld dat er geen bewijsbaar crimineel samenwerkingsverband tussen verdachte en andere mensensmokkelaars heeft bestaan, kunnen deze personen ook niet in het kader van een overkoepelende organisatie aan verdachte worden verbonden. Uit het dossier blijkt niet van een rechtstreeks verband tussen verdachte en (een van) deze geldkoeriers en/of hawala bankiers. Ook wat die door het Openbaar Ministerie veronderstelde samenwerking betreft, kan derhalve geen bewezenverklaring van feit 1 volgen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Verdachte en zijn handlangers in het kamp / de loods De rechtbank stelt – op basis van de bewijsmiddelen als uiteengezet in paragraaf 5.4.2. en hetgeen is overwogen in paragraaf 5.4.3.1.5. – vast dat verdachte zich samen met meerdere handlangers (in wisselende samenstelling) gedurende een aantal jaren stelselmatig en vrijwel dagelijks bezig heeft gehouden met georganiseerde mensensmokkel. Door meerdere getuigen, over verschillende jaren, zijn met name [naam 9] , [naam 10] en [naam 11] of [naam 21] (fonetisch) aangewezen als handlangers van verdachte. De rechtbank overweegt dat door meerdere getuigen verklaard is over een onderlinge rolverdeling op het kamp. Binnen de organisatie was sprake van een hiërarchie, waarbinnen de handlangers werden aangestuurd door verdachte en aan hem ook verantwoording aflegden. In deze langere periode is sprake geweest van een repeterend patroon.</div>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank is op basis daarvan van oordeel dat er tussen verdachte en zijn handlangers, waaronder de drie met name genoemde, een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband heeft bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.3.3.3. Het oogmerk van de organisatie De rechtbank overweegt dat door vrijwel alle getuigen is verklaard dat handlangers van verdachte – in opdracht van verdachte – orde moesten houden in het kamp waar de migranten in het kader van mensensmokkel van Libië naar Europa verbleven. Daarnaast moesten de handlangers de migranten in het kamp mishandelen terwijl zij telefoneerden met familieleden, om zo te bewerkstelligen dat er betaald werd voor de smokkel van de migranten. De rechtbank stelt op basis van die verklaringen vast dat de samenwerking van verdachte met zijn handlangers was gericht op het runnen van het kamp van waaruit zij opereerden ten behoeve van de mensensmokkel naar Europa en het afpersen van (familieleden van) de migranten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank is op basis van de in paragraaf 5.4.2. uiteengezette bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de organisatie (bestaande uit verdachte en zijn handlangers in het kamp / de loods) het oogmerk heeft gehad om de misdrijven mensensmokkel en afpersing te plegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.3.3.4. De rol en deelname van verdachte Verdachte maakte deel uit van de kern van het samenwerkingsverband en heeft binnen de criminele organisatie een zeer actieve en leidende rol vervuld. De rechtbank stelt op basis van de in paragraaf 5.4.2. uiteengezette bewijsmiddelen vast dat het verdachte is geweest die opdrachten heeft gegeven aan anderen, die betrekking hadden op het bewaken, mishandelen en afpersen van de migranten (en hun familieleden). Ook nam verdachte zelf deel aan de mishandelingen. Verdachte gaf daarnaast het bevel voor de (minder dan) minimale hoeveelheden voedsel die de migranten in het kamp/de loods te eten kregen. Ook bepaalde verdachte wie uiteindelijk op een vrachtwagen werd gezet om naar de kust te worden gebracht, voor de overtocht naar Europa. Veel getuigen kregen bij aankomst in het kamp te horen dat verdachte hun mensensmokkelaar was en dat ze zich in zijn loods bevonden. Hij was de centrale persoon aan wie iedereen binnen het kamp / in de loods verantwoording moest afleggen en die uiteindelijk bepaalde wat er gebeurde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat verdachte op de hoogte was van het criminele oogmerk van de organisatie is, mede gelet op zijn coördinerende rol, evident. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat verdachte wist dat hij deelnam aan een organisatie en is van oordeel dat hij handelingen heeft verricht die hebben bijgedragen aan de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, zodat daarin zijn wetenschap met betrekking tot dat oogmerk besloten ligt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle hiervoor genoemde vaststellingen leiden de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zich in de gehele ten laste gelegde periode binnen de organisatie bezig heeft gehouden met de georganiseerde smokkel van migranten van Libië over de Middellandse Zee naar Europa en dat hij daarin een actieve, bepalende en sturende rol heeft gehad, waardoor het strafverzwarende element van artikel 140, derde lid, Sr van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.3.3.5. Conclusie De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte als leider heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van de misdrijven mensensmokkel (artikel 197a Sr) en afpersing (artikel 317 Sr).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:</p>\n<p class=\"lf-p\">Feit 1 - criminele organisatie hij op (een of meer) tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 1 juli 2018, te Nederland en te Italië en te Libië,tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten medeverdachte [medeverdachte 1] en/of medeverdachte [medeverdachte 4] [medeverdachte 1] en/of medeverdachte [medeverdachte 5] en/of medeverdachte [medeverdachte 6] en/of medeverdachte [medeverdachte 7] en/of medeverdachte [medeverdachte 8] en/of medeverdachte [medeverdachte 9] en/of medeverdachte [medeverdachte 10] en/of een of meer (onbekend gebleven) (andere) persoon/personen,welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk telkens het plegen van- mensensmokkel, als bedoeld in artikel 197a, lid 1, lid 2, lid 4, en lid 5 en lid 6, van het Wetboek van Strafrecht, met betrekking tot migranten uit Afrika via de Middellandse Zeeroute vanuit Libië naar Europa, terwijl verdachte( n ) daarvan een beroep en/of gewoonte van maken en/of met zwaar lichamelijk letsel als gevolg of daarvan levensgevaar te duchten is en/of de dood ten gevolge heeft, en/of- afpersing, als bedoeld in artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht, namelijk (de familie van) voornoemde persoon/personen, althans een ander, dwingen door geweld of bedreiging met geweld tot de afgifte van een geldbedrag, met het oogmerk zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, terwijl hij, verdachte, leider en/of oprichter en/of bestuurder van voormelde organisatie is/was/is geweest;</p>\n<p class=\"lf-p\">Feit 2 - ZAAKDOSSIER 003 / aankomst 12-12-2017 Augusta hij op (een of meer) tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2017 tot en met 31 maart 2018, althans de periode van 1 augustus 2017 tot en met 9 maart 2022,te Nederland en te Italië en te Libië,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) een ander of anderen, te weten, (in elk geval) de personen die gebruik maken van de navolgende personalia, (waaronder een kind/minderjarige),1. [getuige 11] (v), geboren op [geboortedatum 23] 1984 (getuige [nummer 8] ), en/of2. [getuige 12] ( m ), geboren op [geboortedatum 24] 1982 (getuige [nummer 9] ), en/of3. [getuige 2] ( m ), geboren op [geboortedatum 25] 2002 (getuige [nummer 10] ), en/of- behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door (lid 1), en/ofItalië en/of Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie en/of IJsland en/of Noorwegen en/of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, te weten Libië, en/ofvoornoemde persoon/personen (telkens) daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, door die voornoemde persoon/personen, al dan niet via een tussenpersoon,- tijdens de reis te begeleiden en/of mee te reizen, en/of- te (laten) vervoeren naar en/of begeleiden naar en/of verzamelen op/in een plek/kamp op of (nabij de kust) van Libië, en/of- te voorzien van (een of meerdere) bo(o) t (en), al dan niet met (een of meerdere) buitenboordmotor(en) en/of kapitein(s)/stuurman(nen)/begeleider(s), en/of- per boot te (laten) vervoeren van Libië naar Italië, en/of- instructies te (laten) geven over de te betalen reissom en/of over de wijze van betaling daarvan,althans enige andere handeling gericht op het organiseren van de reis en/of het vervoer van die voornoemde persoon/personen,terwijl hij, verdachte en/of zijn medeverdachte( n ) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang en/of doorrei(s)z(en) telkens wederrechtelijk was/waren, en/ofterwijl door dit feit (telkens) levensgevaar voor die voornoemde persoon/personen te duchten was en/of zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad (lid 5), omdat(verblijf in het kamp)- het verblijf in een kamp van verdachte gepaard gaat ging met vele en/of dagelijkse mishandelingen, al dan niet met gebruik van (water/tuin)slangen en/of (een) stok(ken), en/of- er onvoldoende voedsel en/of schoon drinkwater/drinken en/of medische verzorging aanwezig is was in het kamp, en/of (letsel)- voornoemde [getuige 2] littekens aan zijn benen heeft overgehouden ten gevolge van de mishandelingen, en/of - voornoemde [getuige 2] voor enige tijd verlamd is geweest aan zijn rechterhand ten gevolge van de mishandelingen, en/of (zeereis)- de reis over zee plaatsvindt plaatsvond met (een of meerder) kleine houten en/of rubberbo(o) t (en) via de Middellandse Zee-route, waarvan algemeen bekend is dat dit een gevaarlijke smokkelroute is met (een hoog risico op) (vele) (dodelijke) ongevallen en/of verdrinkingen, althans een hoog risico daarop, en/of- de gebruikte boten niet geschikt zijn waren om de Middellandse Zee over te steken, en/of- de gebruikte boten gevuld/beladen worden werden met meer mensen dan waarvoor deze boten geschikt zijn waren, en/of- de gebruikte bo(o) t (en) lek zijn was of lek raken raakte tijdens de overtocht en/of- er geen reddingsvesten worden werden verstrekt, en/of- de boten met opvarenden op enig moment zonder kapitein/stuurman/begeleider en/ofbuitenboordmotor(en) achtergelaten worden werden op zee, en/of- de opvarenden onvoldoende vaar- en/of zwemvaardigheden hebben hadden,terwijl hij, verdachte, van het plegen van dit feit (al dan niet) een beroep of gewoonte heeft gemaakt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Feit 3 - ZAAKDOSSIER 004 / aankomst 28-12-2017 Augusta hij op (een of meer) tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2017 tot en met 28 december 2017 31 december 2018, althans in de periode van 1 mei 2017 tot en met 31 januari 2022, te Nederland en te Italië en te Libië,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) een ander of anderen, te weten, de personen die gebruik maken van de navolgende personalia, (waaronder een kind/minderjarige),1. [getuige 5] ( m ), geboren op [geboortedatum 26] 2002 (getuige [nummer 5] ), en/of2. [getuige 13] ( m ), geboren op [geboortedatum 27] 1991 (getuige [nummer 12] ) en/of3. [getuige 9] ( m ), geboren op [geboortedatum 28] 1987 1997 (getuige [nummer 13] ), en/of- behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door (lid 1), en/ofItalië en/of Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie en/of IJsland en/of Noorwegen en/of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, te weten Libië, en/of en/ofvoornoemde persoon/personen (telkens) daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, door die voornoemde persoon/personen, al dan niet via een tussenpersoon,- tijdens de reis te begeleiden en/of mee te reizen, en/of- te (laten) vervoeren naar en/of begeleiden naar en/of verzamelen op/in een plek/kamp op of (nabij de kust van) in Libië, en/of- te voorzien van (een of meerdere) bo(o) t (en), al dan niet met (een of meerdere) buitenboordmotor(en) en/of kapitein(s)/stuurman(nen)/begeleider(s), en/of- per boot te (laten) vervoeren van Libië naar Italië, en/of- instructies te (laten) geven over de te betalen reissom en/of over de wijze van betaling daarvan,althans enige andere handeling gericht op het organiseren van de reis en/of het vervoer van die voornoemde persoon/personen,terwijl hij, verdachte en/of zijn medeverdachte( n ) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang en/of doorrei(s)z(en) telkens wederrechtelijk was/waren, en/ofterwijl door dit feit (telkens) levensgevaar voor die voornoemde persoon/personen te duchten was en/of zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad (lid 5), omdat(verblijf in het kamp)- het verblijf in een kamp van verdachte gepaard gaat ging met vele en/of dagelijkse mishandelingen, al dan niet met gebruik van (water/tuin)slangen en/of elektriciteit en/of zweep en/of andere voorwerpen, en/of- er onvoldoende voedsel en/of schoon drinkwater/drinken en/of medische verzorging en/of sanitaire voorzieningen aanwezig was/waren in het kamp, en/of (zeereis)- de reis over zee plaatsvindt plaatsvond met (een of meerder) kleine houten en/of rubberbo(o) t (en) via de Middellandse Zee-route, waarvan algemeen bekend is dat dit een gevaarlijke smokkelroute is met (een hoog risico op) (vele) (dodelijke) ongevallen en/of verdrinkingen, althans een hoog risico daarop, en/of- de gebruikte bo(o) t (en) niet geschikt zijn was om de Middellandse Zee over te steken, en/of- de gebruikte bo(o) t (en) gevuld/beladen worden werd met meer mensen dan waarvoor deze bo(o) [getuige 11] (en) geschikt zijn was, en/of- de gebruikte bo(o) t (en) lek zijn was of lek raken raakte tijdens de overtocht en/of- er geen reddingsvesten worden werden verstrekt, en/of- de bo(o) t (en) met opvarenden op enig moment zonder kapitein/stuurman/begeleider en/ofbuitenboordmotor(en) achtergelaten worden werd op zee, en/of- er geen tot weinig voedsel en/of drinkwater aanwezig is tijdens de overtocht, en/of- de opvarenden onvoldoende vaar- en/of zwemvaardigheden hebben hadden, en/ofterwijl hij, verdachte, van het plegen van dit feit (al dan niet) een beroep of gewoonte heeft gemaakt (lid 4);</p>\n<p class=\"lf-p\">Feit 4 - ZAAKDOSSIER 004 / afpersing [getuige 6] hij op (een of meer) tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2017 tot en met 28 december 2017,te Nederland en te Italië en te Libië,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelendoor geweld en/of bedreiging met geweld[getuige 5] en/of diens zus [getuige 6] en/of een of meer (andere) familieleden en/of vrienden en/of kennissen van die [getuige 5] heeft gedwongen tot de afgifte van (in totaal) 9.000,- US dollar, althans 8.000, US dollar-, althans (tweemaal) 4.000, US dollar-, althans een of meer geldbedrag(en), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [getuige 6] en/of een of meer (andere) familieleden en/of vrienden en/of kennissen, in elk geval aan een derde toebehoorde( n ), door- die [getuige 5] vanuit Libië te laten bellen met zijn in Nederland woonachtige zus [getuige 6] en/of (andere) familieleden, en/of- die [getuige 5] ten tijde van dat/die telefoongesprek(ken) te slaan en/of te martelen en/of te mishandelen, waarbij die [getuige 5] schreeuwde van de pijn en/of angst, en/of - waarbij die [getuige 5] schreeuwde, en/of- die [getuige 5] te bedreigen met de dood, als zijn familie en/of vrienden en/of kennissen niet (snel genoeg) een of meer geldbedrag(en) zou(den) betalen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Feit 5 - ZAAKSDOSSIER 008 / aankomst 24-04-2018 Messina hij op (een of meer) tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2017 tot en met 24 april 2018, althans in of omstreeks de periode van 1 juli 2017 tot en met 21 juli 2021,te Nederland en te Italië en te Libië,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens)een ander of anderen, te weten, de personen die gebruik maken van de navolgende personalia, (waaronder een kind/minderjarige),l . [getuige 14] (v), geboren op [geboortedatum 29] 2000 (getuige [nummer 14] ), en/of2. [getuige 7] ( m ), geboren op [geboortedatum 30] 1994 (getuige [nummer 7] ), en/of3. [getuige 13] ( m ), geboren op [geboortedatum 31] 1994 (getuige [nummer 15] ), en/of4. [getuige 12] ( m ), geboren op [geboortedatum 32] 1990 (getuige [nummer 16] ), en/of- behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door (lid 1), en/ofItalië en/of Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie en/of IJsland en/of Noorwegen en/of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, te weten Libië, en/ofvoornoemde persoon/personen (telkens) daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, door die voornoemde persoon/personen, al dan niet via een tussenpersoon,- tijdens de reis te begeleiden en/of mee te reizen, en/of- te (laten) vervoeren naar en/of begeleiden naar en/of verzamelen op/in een plek/kamp op of (nabij de kust) in Libië, en/of- te voorzien van (een of meerdere) bo(o) t (en), al dan niet met (een of meerdere) buitenboordmotor(en) en/of kapitein(s)/stuurman(nen)/begeleider(s), en/of- per boot te (laten) vervoeren van Libië naar Italië, en/of- instructies te (laten) geven over de te betalen reissom en/of over de wijze van betaling daarvan,althans enige andere handeling gericht op het organiseren van de reis en/of het vervoer van die voornoemde persoon/personen,terwijl hij, verdachte en/of zijn medeverdachte( n ) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang en/of doorrei(s)z(en) wederrechtelijk was/waren, en/ofterwijl door dit feit (telkens) levensgevaar voor die voornoemde persoon/personen te duchten was en/of zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad (lid 5), omdat(verblijf in het kamp)- het verblijf in een kamp van verdachte gepaard gaat ging met vele en/of dagelijkse (zware) mishandelingen, al dan niet met gebruik van (water/tuin)slangen en/of andere voorwerpen, en/of- er onvoldoende voedsel en/of schoon drinkwater/drinken en/of medische verzorging en/of sanitaire voorzieningen aanwezig is waren in het kamp, en/of (letsel)- voornoemde [getuige 11] [getuige 7] littekens aan zijn handen en/of bovenbenen heeft overgehouden ten gevolge van de mishandelingen, en/of- voornoemde [getuige 4] open wonden en/of ontvelde huid heeft bekomen ten gevolge van de mishandelingen, en/of(zeereis)- de reis over zee plaatsvindtond met (een of meerder) rubberbo(o) t (en) via de Middellandse Zee-route, waarvan algemeen bekend is dat dit een gevaarlijke smokkelroute is met (een hoog risico op) (vele) (dodelijke) ongevallen en/of verdrinkingen, althans een hoog risico daarop, en/of- de gebruikte bo(o) t (en) niet geschikt was zijn om de Middellandse Zee over te steken, en/of- de gebruikte bo(o) t (en) gevuld/beladen weorden met meer mensen dan waarvoor deze bo(o) t (en) geschikt waszijn, en/of- de gebruikte bo(o) t (en) lek was of lek raakte of volliep met water tijdens de overtocht en/of- er geen, althans onvoldoende reddingsvesten worden verstrekt, althans reddingsvesten van onvoldoende kwaliteit woerden verstrekt, en/of- de bo(o) [getuige 11] (en) met opvarenden op enig moment zonder kapitein/stuurman/begeleider en/of buitenboordmotor(en) achtergelaten woerden op zee, en/of - er geen voedsel en/of drinkwater aanwezig is tijdens de overtocht, en/ofterwijl hij, verdachte, van het plegen van dit feit (al dan niet) een beroep of gewoonte heeft gemaakt (lid 4);</p>\n<p class=\"lf-p\">Feit 6 - ZAAKDOSSIER 005 / afpersing ‘ [getuige 7] ’ hij op (een of meer) tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2017 tot en met 24 april 2018,te Nederland en te Italië en te Libië,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelendoor geweld en/of bedreiging met geweld ‘ [getuige 7] ’ en/of diens broer en/of een of meer (andere) familieleden en/of vrienden en/of kennissen van die ‘ [getuige 7] ’ heeft gedwongen tot de afgifte van (in totaal) € 1.700,-, althans een of meer geldbedrag(en), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die ‘ [getuige 7] ’ en/of een of meer (andere) familieleden en/of vrienden en/of kennissen, in elk geval aan een derde toebehoorde( n ), door- die ‘ [getuige 7] ’ vanuit Libië te laten bellen met zijn in Nederland woonachtige broer en/of (andere) familieleden, en/of- die ‘ [getuige 7] ’ ten tijde van dat/die telefoongesprek(ken) te slaan en/of te martelen en/of te mishandelen, waarbij die ‘ [getuige 7] ’ schreeuwde van de pijn en/of angst, en/of - waarbij die ‘ [getuige 7] ’ schreeuwde, en/of- die ‘ [getuige 7] ’ te bedreigen met de dood, als zijn familie en/of vrienden en/of kennissen niet (snel genoeg) een of meer geldbedrag(en) zou(den) betalen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Feit 7 - ZAAKDOSSIER 001 / aankomst 01-08-2015 Lampedusa hij op (een of meer) tijdstippen in of omstreeks de periode van april 2015 tot en met 1 augustus 2015, althans de periode van april 2015 tot en met 27 januari 2022 24 februari 2016 te Nederland en te Italië en te Libië,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,(telkens)een ander of anderen, te weten, de personen die gebruik maken van de navolgende personalia,1. [getuige 12] (v), geboren op [geboortedatum] 1992 (getuige [nummer 19] ), en/of2. [getuige 9] ( m ), geboren op [geboortedatum] 1991 (getuige [nummer 20] ), en/of3. [getuige 15] ( m ), geboren op [geboortedatum] 1989 (getuige [nummer 21] ), en/of4. [getuige 13] ( m ), geboren op [geboortedatum] 1987 (getuige [nummer 22] ), en/of5. [getuige 1] ( m ), geboren op [geboortedatum] 1987 (getuige [nummer 1] ), en/of6. [getuige 2] ( m ), geboren op [geboortedatum] 1987 (getuige [nummer 2] / procesverbaalnr 3627), en/of- behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door (lid 1), en/of Italië en/of Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie en/of IJsland en/of Noorwegen en/of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, te weten Libië, en/ofvoornoemde persoon/personen (telkens) daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, door die voornoemde persoon/personen, al dan niet via een tussenpersoon,- tijdens de reis te begeleiden en/of mee te reizen, en/of- te (laten) vervoeren naar en/of begeleiden naar en/of verzamelen op/in een plek/kamp op of (nabij de kust) in Libië, en/of- te voorzien van (een of meerdere) bo(o) t (en), al dan niet met (een of meerdere) buitenboordmotor(en) en/of kapitein(s)/stuurman(nen)/begeleider(s), en/of- per boot te (laten) vervoeren van Libië naar Italië, en/of- instructies te (laten) geven over de te betalen reissom en/of over de wijze van betaling daarvan,althans enige andere handeling gericht op het organiseren van de reis en/of het vervoer van die voornoemde persoon/personen,terwijl hij, verdachte en/of zijn medeverdachte( n ) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang en/of doorrei(s)z(en) telkens wederrechtelijk was/waren, en/ofterwijl door dit feit (telkens) levensgevaar voor die voornoemde persoon/personen te duchten was en/of zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad (lid 5), omdat(verblijf in het kamp)- het verblijf in een kamp van verdachte gepaard gaatging met vele en/of dagelijkse mishandelingen, al dan niet met gebruik van (water/tuin)slangen en/of stokken en/of andere (scherpe) voorwerpen,- er onvoldoende voedsel en/of schoon drinkwater/drinken en/of medische verzorging aanwezig iswas op het kamp, en/of (letsel)- voornoemde [getuige 13] [getuige 9] een bloedende hoofdwond heeft bekomen ten gevolge van de mishandelingen en/of blijvende littekens op zijn achterhoofd en/of kuit, en/of (zeereis)- de reis over zee plaatsvindtvond met (een of meerdere) twee kleine houten en/of rubberbo(o) t (en) via de Middellandse Zee-route, waarvan algemeen bekend is dat dit een gevaarlijke smokkelroute met (een hoog risico op) (vele) (dodelijke) ongevallen en/of verdrinkingen, althans een hoog risico daarop, en/of- de gebruikte bo(o) t (en) niet geschikt zijn was/waren om de Middellandse Zee over te steken, en/of- de gebruikte bo(o) t (en) gevuld/beladen wordenwerden met meer mensen dan waarvoor deze bo(o) [getuige 11] (en) geschikt zijnwaren, en/of- de gebruikte bo(o) t (en) lek zijnwaren of lek rakenraakten tijdens de overtocht en/of- er geen reddingsvesten worden werden verstrekt, en/of- de bo(o) t (en) met opvarenden op enig moment zonder kapitein/stuurman/begeleider en/of buitenboordmotor(en) achtergelaten wordenwerden op zee, en/of- de opvarenden onvoldoende vaar- en/of zwemvaardigheden hadden, en/of- er geen voedsel en/of drinkwater op de bo(o) t (en) aanwezig iswas, en/ofterwijl hij, verdachte, van het plegen van dit feit (al dan niet) een beroep of gewoonte heeft gemaakt (lid 4);</p>\n<p class=\"lf-p\">Feit 8 - ZAAKSDOSSIER 006 / aankomst 04-02-2018 Messina hij op (een of meer) tijdstippen in of omstreeks de periode van januari 2017 tot en met 4 februari 2018 19 april 2018, althans in de periode van januari 2017 tot en met 12 april 2021,te Nederland en te Italië en te Libië,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,(telkens)een ander of anderen, te weten, de minderjarige persoon die gebruik maakt van de navolgende personalia,1. [getuige 16] (v), geboren op [geboortedatum] 2002 (getuige [nummer 23] ), en/of- behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door (lid 1), en/ofItalië en/of Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie en/of IJsland en/of Noorwegen en/of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, te weten Libië, en/ofvoornoemde persoon/personen (telkens) daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, door die voornoemde persoon/personen, al dan niet via een tussenpersoon,- tijdens de reis te begeleiden en/of mee te reizen, en/of- te (laten) vervoeren naar en/of begeleiden naar en/of verzamelen op/in een plek/kamp op of (nabij de kust) in Libië, en/of- te voorzien van (een of meerdere) bo(o) t (en), al dan niet met (een of meerdere) buitenboordmotor(en) en/of kapitein(s)/stuurman(nen)/begeleider(s), en/of- per boot te (laten) vervoeren van Libië naar Italië, en/of- instructies te (laten) geven over de te betalen reissom en/of over de wijze van betaling daarvan,althans enige andere handeling gericht op het organiseren van de reis en/of het vervoer van die voornoemde persoon/personen,terwijl hij, verdachte en/of zijn medeverdachte( n ) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang en/of doorrei(s)z(en) telkens wederrechtelijk was/waren, en/ofterwijl door dit feit (telkens) levensgevaar voor die voornoemde persoon te duchten was en/of zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad (lid 5), omdat(verblijf in het kamp)- het verblijf in een kamp van verdachte gepaard gaat ging met vele en/of dagelijkse mishandelingen, al dan niet met gebruik van (water/tuin)slangen en/of (een) stok(ken) en/of andere voorwerpen, en/of- er onvoldoende voedsel en/of schoon drinkwater/drinken en/of medische verzorging en/of sanitaire voorzieningen aanwezig is/zijn was/waren in het kamp, en/of (zeereis)- de reis over zee plaatsvindt plaatsvond met (een of meerder) kleine houten en/of rubberbo(o) t (en) via de Middellandse Zee-route, waarvan algemeen bekend is dat dit een gevaarlijke smokkelroute met (een hoog risico op) (vele) (dodelijke) ongevallen en/of verdrinkingen, althans een hoog risico daarop, en/of- de gebruikte bo(o) t (en) niet geschikt zijn was om de Middellandse Zee over te steken, en/of- de gebruikte bo(o) t (en) gevuld/beladen worden werd met meer mensen dan waarvoor deze bo(o) t (en) geschikt zijn was, en/of- de gebruikte bo(o) t (en) lek zijn was of lek raken raakte en/of vollopen volliep met water tijdens de overtocht en/of- er geen, althans onvoldoende reddingsvesten worden werden verstrekt, althans reddingsvesten van onvoldoende kwaliteit worden verstrekt, en/of- de bo(o) t (en) met opvarenden op enig moment zonder kapitein/stuurman/begeleider en/ofbuitenboordmotor(en) achtergelaten worden werd op zee, en/of- de opvarenden onvoldoende vaar- en/of zwemvaardigheden hebbenhadden, en/of- er geen voedsel en/of drinkwater aanwezig is was tijdens de overtocht, en/ofterwijl hij, verdachte, van het plegen van dit feit (al dan niet) een beroep of gewoonte heeft;</p>\n<p class=\"lf-p\">Feit 9 - ZAAKSDOSSIER 007 / aankomst 12-03-2018 Pozzallo hij op (een of meer) tijdstippen in of omstreeks de periode van november 2016 tot en met 12 maart 2018, althans in de periode van november 2016 tot en met 12 januari 2022 10 februari 2021,te Nederland en te Italië en te Libië,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens)een ander of anderen, te weten, de personen die gebruik maken van de navolgende personalia, (waaronder een of meer kind(eren) /minderjarige( n )),1. [getuige 8] ( m ), geboren op [geboortedatum] 2001 (getuige [nummer 28] ), en/of2. [getuige 9] ( m ), geboren op [geboortedatum] 2001 (getuige [nummer 29] ), en/of3. [getuige 2] ( m ), geboren op [geboortedatum] 2001 (getuige [nummer 27] ), en/of4. [getuige 1] (V), geboren op [geboortedatum] 2002 (getuige [nummer 30] ), en/of5. [getuige 15] ( m ), geboren op [geboortedatum] 1996 (getuige [nummer 26] ), en/of 6. [getuige 8] ( m ), geboren op [geboortedatum] 2003 (getuige [nummer 31] ), en/of7. [getuige 8] (v), geboren op [geboortedatum] 2002 (getuige [nummer 32] ), en/of- behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door (lid 1), en/ofItalië en/of Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie en/of IJsland en/of Noorwegen en/of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, te weten Libië, en/ofvoornoemde persoon/personen (telkens) daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, door die voornoemde persoon/personen, al dan niet via een tussenpersoon,- tijdens de reis te begeleiden en/of mee te reizen, en/of- te (laten) vervoeren naar en/of begeleiden naar en/of verzamelen op/in een plek/kamp op of (nabij de kust) in Libië, en/of- te voorzien van (een of meerdere) bo(o) t (en), al dan niet met (een of meerdere) buitenboordmotor(en) en/of kapitein(s)/stuurman(nen)/begeleider(s), en/of- per boot te (laten) vervoeren van Libië naar Italië, en/of- instructies te (laten) geven over de te betalen reissom en/of over de wijze van betaling daarvan,althans enige andere handeling gericht op het organiseren van de reis en/of het vervoer van die voornoemde persoon/personen,terwijl hij, verdachte en/of zijn medeverdachte( n ) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang en/of doorrei(s)z(en) telkens wederrechtelijk was/waren, en/ofterwijl door dit feit (telkens) levensgevaar voor die voornoemde persoon/personen te duchten was en/of zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad (lid 5), omdat(verblijf in het kamp)- het verblijf in een kamp van verdachte gepaard gingaat met vele en/of dagelijkse (zware) mishandelingen, te weten door (onder meer):- het slaan van een of meerdere migranten, al dan niet met gebruik van (water/tuin)slangen, waarin al dan niet een stuk metaal zat en/of andere voorwerpen, en/of - het druppelen van gesmolten plastic over de blote rug van een persoon, en/of- het ondersteboven ophangen van voornoemde [getuige 13] [getuige 15] met zijn handen op zijn rug en benen bij elkaar gebonden en/of daarbij al dan niet met een stok werd geslagen en/of met water werd overgoten, en/of- er onvoldoende voedsel en/of schoon drinkwater/drinken en/of medische verzorging en/of sanitaire voorzieningen aanwezig is was in het kamp, en/of (letsel)- voornoemde [getuige 13] [getuige 15] littekens op zijn armen en/of benen heeft overgehouden ten gevolge van de mishandelingen, en/of (zeereis)- de reis over zee plaatsvindtvond met (een of meerder) kleine houten en/of rubberbo(o) t (en) via de Middellandse Zee-route, waarvan algemeen bekend is dat dit een gevaarlijke smokkelroute met (een hoog risico op) (vele) (dodelijke) ongevallen en/of verdrinkingen, althans een hoog risico daarop, en/of- de gebruikte bo(o) t (en) niet geschikt zijnwas om de Middellandse Zee over te steken, en/of- de gebruikte bo(o) t (en) gevuld/beladen wordenwerd met meer mensen dan waarvoor deze bo(o) t (en) geschikt was, en/of- de gebruikte bo(o) t (en) lek zijn en/of lek raken en/of vollopenvolliep met water tijdens de overtocht en/of- er geen, althans onvoldoende reddingsvesten worden verstrekt, althans reddingsvesten van onvoldoende kwaliteit worden verstrekt, en/of - de bo(o) t (en) met opvarenden op enig moment zonder kapitein/stuurman/begeleider en/of buitenboordmotor(en) achtergelaten worden op zee, en/of - er geen voedsel en/of drinkwater aanwezig is tijdens de overtocht, en/ofterwijl hij, verdachte, van het plegen van dit feit (al dan niet) een beroep of gewoonte heeft gemaakt (lid 4).</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in zijn verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">6De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het onder feit 1 bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 140 Sr, het onder feit 2, 3, 5, 7, 8 en 9 bewezen verklaarde in artikel 197a Sr en het onder feit 4 en 6 bewezen verklaarde in de artikelen 312 en 317 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op: feit 1: het misdrijf: als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven; feit 2, 3, 5, 7, 8, 9, telkens : het misdrijf: mensensmokkel, terwijl het feit wordt begaan door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte heeft gemaakt en terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen en terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is; feit 4, 6, telkens : het misdrijf: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7De strafbaarheid van verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">8De op te leggen straf of maatregel 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft – onder meer gelet de ernst en omvang van de feiten – gevorderd aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van twintig (20) jaren met aftrek van voorarrest op te leggen. Dit betreft het wettelijk strafmaximum in de onderhavige strafzaak. De officier van justitie heeft aangevoerd dat de rechtbank, in het kader van artikel 63 Sr, geen rekening hoeft te houden met de Ethiopische veroordeling en dat nog onduidelijk is of verdachte het resterende strafdeel van deze veroordeling zal ondergaan in Nederland. Dit is weliswaar verzocht door de Ethiopische autoriteiten, maar de uiteindelijke beslissing hierover zal door de Minister van Justitie en Veiligheid genomen moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft met betrekking tot de strafmaat verzocht de straf te matigen, aangezien zij de maximale gevangenisstraf niet passend vindt. De verdediging heeft hiertoe allereerst aangevoerd dat de lezing van het Openbaar Ministerie, dat verdachte het kopstuk zou zijn van een internationaal smokkelnetwerk, onjuist is en hem niet de centrale rol in dit netwerk kan worden toegerekend. De verdediging heeft daarnaast verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met het Ethiopisch vonnis van 14 juni 2021, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien jaar en een geldboete van 200.000,00 Birr. Verdachte moet nog ruim vijftien jaar van deze gevangenisstraf ondergaan, mogelijk in Nederland. Een gevangenisstraf van twintig jaar zou betekenen dat verdachte in totaal vijfendertig jaar in detentie moet doorbrengen, hetgeen volgens de verdediging een onwenselijke en disproportionele bestraffing zou opleveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3 De gronden voor een straf of maatregel Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aard en ernst van de feiten Verdachte heeft zich gedurende meerdere jaren schuldig gemaakt aan een zeer ernstige, grootschalige én gewelddadige vorm van mensensmokkel. Verdachte was leider van een criminele organisatie die zich op grote schaal bezig hield met het op mensonterende wijze smokkelen van mannen, (zwangere) vrouwen en kinderen vanuit Libië via de gevaarlijke Centrale Middellandse Zeeroute per boot naar Europa. Verdachte heeft misbruik gemaakt van de kwetsbare positie waarin de migranten zich bevonden. Zij waren bereid grote risico’s te nemen en moesten – onder dreiging en dwang – forse bedragen betalen voor de overtocht. Daarnaast werd er op inhumane wijze met hen omgegaan. Migranten werden, in het kamp waar verdachte de leiding had, en tijdens de levensgevaarlijke overtocht naar Europa, blootgesteld aan erbarmelijke en levensgevaarlijke omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grote groepen migranten werden zonder reddingsvesten op overbeladen en vaak lekke en ondeugdelijke boten op de Middellandse Zee aan hun lot overgelaten. Voordat zij deze afschuwelijke zeereis moesten doorstaan, werden zij ondergebracht in een kamp, een loods en/of een magazijn in Libië, waar grote aantallen migranten in een voor dat aantal mensen te kleine loods verbleven. Hier werden zij onderworpen aan (dagelijkse) mishandelingen, afpersing en uithongering. De migranten in het kamp stonden doodsangsten uit. De getuigen hebben uitgesproken dat ze dachten dat ze het verblijf in het kamp dan wel de zeereis niet zouden overleven. Door een aantal van hen – waaronder twee spreekgerechtigden ter terechtzitting – is indringend verklaard over hun persoonlijke ervaringen en over hetgeen andere migranten, met wie zij in het kamp hebben verbleven, is overkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sommige anderen hebben hun wens voor vrijheid en veiligheid met de dood moeten bekopen. Uit de verklaringen van de migranten is gebleken dat zij jaren later nog steeds veel last en (mentale) pijn ondervinden van wat zij toen hebben meegemaakt. Voor verdachte was dit alles kennelijk ondergeschikt aan zijn financiële gewin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door mensensmokkel wordt het overheidsbeleid inzake de bestrijding van het verschaffen van illegale toegang en verblijf in Nederland, alsmede de illegale doorreis door landen van de Europese Unie. De handelwijze van de verdachte heeft het beleid van de Nederlandse overheid om een gereguleerd asielbeleid te voeren, en het daarvoor benodigde maatschappelijk draagvlak, ernstig ondermijnd. Een criminele organisatie als de onderhavige vormt – gelet op de macht die zij uitoefent op haar leden en op delen van de (internationale) samenleving in het algemeen – mede een bedreiging voor de veiligheid van de Nederlandse samenleving. Verdachte heeft hierin een leidende rol gehad. Ook zijn er aanwijzingen dat verdachte zich vanuit detentie heeft ingespannen om valse documenten te verkrijgen en getuigen te (laten) beïnvloeden, hetgeen de rechtbank zeer kwalijk en verontrustend vindt. Het illustreert de gevaren voor de Nederlandse samenleving van criminele samenwerkingsverbanden met internationale vertakkingen en contacten, zoals hier aan de orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De persoonlijke omstandigheden van verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 28 augustus 2025. Hieruit blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. Verdachte is – zoals reeds benoemd in onderdeel 3.3.3. van dit vonnis – op 14 juni 2021 bij Ethiopisch vonnis veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien jaren en een geldboete van 200.000,00 Birr voor meerdere mensensmokkelfeiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdachte is, naar aanleiding van het trajectconsult van 14 maart 2023, zes weken door het Pieter Baan Centrum (hierna: het PBC) geobserveerd. Het PBC heeft in het rapport van 4 januari 2024, op basis van gegevens die door verdachte zijn verstrekt, de levensloop van verdachte geschetst. Verdachte heeft in het PBC verteld dat hij door zijn moeder is opgevoed en dat zijn vader Ethiopisch militair was. Vanaf zijn zevende levensjaar is verdachte bij een boer gaan werken. Hij moest als kind vroeg zelfstandig zijn. Toen hij achttien jaar oud was moest hij het leger in. In 2004 werd hij vader van een dochter en in 2006 vader van een zoon. In het leger heeft hij heftige dingen gezien en meegemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij besloot in 2014 samen met een vriend te vluchten tijdens een patrouille en is richting Soedan gegaan, waar hij gewerkt heeft als een taxichauffeur en later een café heeft geopend. Hij raakte bevriend met een opposant van de Eritrese regering, waardoor verdachte zelf doelwit werd voor de Eritrese regering en moest onderduiken. Hij kon geen officieel legitimatiebewijs verkrijgen en heeft daarom een vals document geregeld onder de naam waaronder hij is gedagvaard. Hiermee is hij ook naar Dubai gereisd en vervolgens naar Ethiopië. Daar is hij in 2018 opgepakt wegens verdenking van het veroorzaken van een auto-ongeluk en het verlaten van de plaats delict. In 2021 is hij schuldig bevonden aan mensensmokkel en gevangen genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In 2022 is hij naar Nederland gebracht. Hij heeft in het PBC herhaaldelijk aangegeven iemand anders te zijn en de feiten niet te hebben gepleegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het PBC heeft gerapporteerd dat – mede door de taalbarrière – gedurende de observatieperiode weinig zicht is verkregen op wie verdachte is en wat hij denkt en beleeft. Verdachte komt over als een bedeesde, zelfredzame en coöperatieve man die gedisciplineerd en terughoudend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het PBC heeft geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn voor een psychiatrische aandoening, een verstandelijke beperking of een andersoortige stoornis bij verdachte. Ook zijn er geen aanwijzingen voor een posttraumatische stressstoornis of een andere trauma gerelateerde stoornis. Een stoornis in de persoonlijkheid kan niet formeel worden uitgesloten, maar hier zijn geen evidente kenmerken van gezien. Het is niet mogelijk geweest om te komen tot een gestructureerd professioneel oordeel over het gevaar op herhaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alles afwegende adviseert het PBC verdachte bij een bewezenverklaring volledig toerekeningsvatbaar te beschouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De strafoplegging De rechtbank stelt vast dat de onderhavige zaak, door zowel de omvang als de aard van de feiten, van een uitzonderlijke ernst is, enerzijds vanwege de ondermijning van het Nederlandse en Europese vreemdelingenbeleid, maar anderzijds en vooral vanwege de bijzonder wrede, gewelddadige en mensonterende behandeling waaraan de verdachte en zijn mededaders de migranten hebben blootgesteld. Verdachte en zijn mededaders hebben gewetenloos, zonder mededogen en zonder oog voor de menselijke waardigheid gehandeld. Naar het lijkt enkel en alleen om zoveel mogelijk geld af te persen van kwetsbare en hulpeloze mensen die op zoek zijn naar een betere toekomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">De maximaal op te leggen gevangenisstraf voor het misdrijf mensensmokkel bedraagt vijftien jaren. Nu sprake is van meerdaadse samenloop, wordt dit strafmaximum op grond van artikel 57 Sr met een derde verhoogd. De maximaal op te leggen gevangenisstraf is derhalve twintig jaren. Het Openbaar Ministerie heeft oplegging van deze straf geëist.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank is van oordeel dat de bewezen verklaarde feiten oplegging van de geëiste straf rechtvaardigen. Weliswaar hebben niet alle onderdelen van de tenlastelegging tot een bewezenverklaring geleid, maar wat bewezen is verklaard rechtvaardigt zonder twijfel eveneens oplegging van de maximale gevangenisstraf.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de persoonlijke omstandigheden van verdachte ziet de rechtbank geen aanleiding een lagere straf op te leggen. Verdachte is volledig toerekeningsvatbaar geacht, heeft geen verantwoordelijkheid genomen of zelfs maar spijt betuigd voor zijn gedragingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank houdt geen rekening met de Ethiopische veroordeling. Artikel 63 Sr is niet van toepassing op buitenlandse strafrechtelijke veroordelingen. Door de verdediging is uitdrukkelijk verzocht niet het strafmaximum op te zoeken. Dit omdat het in concreto zou betekenen dat nu het Ethiopisch vonnis door Nederland is overgenomen, het strafmaximum fors zou worden overschreden. De rechtbank volgt de verdediging hierin niet, omdat niet is komen vast te staan dat de straf is of zal worden overgenomen. Uit de uitleveringsstukken blijkt dat de Ethiopische autoriteiten weliswaar om overname van de tenuitvoerlegging van de straf hebben verzocht, maar niet is gebleken dat de Minister van Justitie en Veiligheid – de in Nederland bevoegde autoriteit – daarin heeft bewilligd. De rechtbank laat hiermee de vraag nadrukkelijk onbeantwoord of zij daarmee rekening zou hebben gehouden indien de straf wél zou zijn overgenomen. Mocht de straf in de toekomst wel worden overgenomen door Nederland, dan staat voor de verdachte een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang open.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf voor de duur van twintig (20) jaren aan verdachte opleggen, met aftrek van de reeds ondergane tijd in voorarrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">9De schade van benadeelden 9.1 De vordering van de benadeelde partijen 9.1.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering van benadeelde partij ‘ [getuige 1] ’ met getuigennummer [nummer 1] Slachtoffer ‘ [getuige 1] ’ heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen tot betaling van schadevergoeding ter hoogte van een totaalbedrag van €22.506,02 (tweeëntwintigduizend vijfhonderd en zes euro en twee eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende post:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>restitutie “reisgeld” betaald aan verdachte voor een bedrag van €2.006,02.</div>\n<p class=\"lf-p\">Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van €10.500,00 gevorderd. De gevorderde immateriële schade bestaat uit de volgende posten:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>omstandigheden in het kamp voor een bedrag van €1.500,00;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>mishandelingen, martelingen en bedreigingen in het kamp voor een bedrag van €1.500,00;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>zeereis/te duchten levensgevaar voor een bedrag van €7.500,00.</div>\n<p class=\"lf-p\">Verder wordt een bedrag van €10.000,00 gevorderd voor toekomstige schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.1.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering van benadeelde partij ‘ [getuige 3] ’ met getuigennummer [nummer 3] Slachtoffer ‘ [getuige 3] ’ heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen tot betaling van schadevergoeding ter hoogte van een totaalbedrag van €35.956,40 (vijfendertigduizend negenhonderdzesenvijftig euro en veertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende post:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>restitutie “reisgeld” betaald aan verdachte voor een bedrag van €2.456,40.</div>\n<p class=\"lf-p\">Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van €22.500,00 gevorderd. De gevorderde immateriële schade bestaat uit de volgende posten:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>omstandigheden in het kamp voor een bedrag van €5.000,00;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>mishandelingen, martelingen en bedreigingen in het kamp voor een bedrag van €10.000,00;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>zeereis/te duchten levensgevaar voor een bedrag van €7.500,00.</div>\n<p class=\"lf-p\">Verder wordt een bedrag van €10.000,00 gevorderd voor toekomstige schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering van benadeelde partij ‘ [getuige 2] ’ met getuigennummer [nummer 2] Slachtoffer ‘ [getuige 2] ’ heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen tot betaling van schadevergoeding ter hoogte van een totaalbedrag van €27.647,31 (zevenentwintigduizend zeshonderdenzevenenveertig euro en eenendertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende post:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>restitutie “reisgeld” betaald aan verdachte voor een bedrag van €3.647,31.</div>\n<p class=\"lf-p\">Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van €14.000,00 gevorderd. De gevorderde immateriële schade bestaat uit de volgende posten:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>omstandigheden in het kamp voor een bedrag van €1.500,00;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>mishandelingen, martelingen en bedreigingen in het kamp voor een bedrag van €5.000,00;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>zeereis/te duchten levensgevaar voor een bedrag van €7.500,00.</div>\n<p class=\"lf-p\">Verder wordt een bedrag van €10.000,00 gevorderd voor toekomstige schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.1.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering van benadeelde partij ‘ [getuige 4] ’ met getuigennummer [nummer 4] Slachtoffer ‘ [getuige 4] ’ heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen tot betaling van schadevergoeding ter hoogte van een totaalbedrag van €80.000,00 (tachtigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van €55.000,00 gevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gevorderde immateriële schade bestaat uit de volgende posten:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>omstandigheden in het kamp voor een bedrag van €7.500,00;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>mishandelingen, martelingen en bedreigingen in het kamp voor een bedrag van €20.000,00;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>seksueel geweld voor een bedrag van €20.000,00;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>zeereis/te duchten levensgevaar voor een bedrag van €7.500,00.</div>\n<p class=\"lf-p\">Verder wordt een bedrag van €25.000,00 gevorderd voor toekomstige schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van ‘ [getuige 1] ’, ‘ [getuige 3] ’, ‘ [getuige 2] ’ en ‘ [getuige 4] ’ – met uitzondering van de toekomstige schade – inclusief de wettelijke rente toewijsbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen, omdat de rechtbank niet toekomt aan een beoordeling van de vorderingen gelet op de bepleitte niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Subsidiair dienen de benadeelde partijen niet ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen wegens de bepleitte integrale vrijspraak. Meer subsidiair dienen de benadeelde partijen niet ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen wegens het gebrek aan deskundigheid van de deskundigen Ibrahim en Otto, waardoor het onmogelijk is om in het strafgeding tot een zorgvuldige beoordeling van de civiele vorderingen te komen. Uiterst subsidiair dienen de benadeelde partijen niet ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen, aangezien behandeling van de vorderingen in dit strafgeding onevenredig belastend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4 Het oordeel van de rechtbank 9.4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de vorderingen van ‘ [getuige 3] ’ en ‘ [getuige 4] ’ De rechtbank is van oordeel dat benadeelde partijen ‘ [getuige 3] ’ en ‘ [getuige 4] ’ niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen. De rechtbank komt niet toe aan een beoordeling van de civiele vorderingen gelet op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, ten aanzien van de onderdelen van de tenlastelegging die op ‘ [getuige 3] ’ en ‘ [getuige 4] ’ zien, wegens het ontbreken van rechtsmacht. De rechtbank zal deze benadeelde partijen daarom in hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat zij de vorderingen in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de vorderingen van ‘ [getuige 1] ’ en ‘ [getuige 2] ’ De rechtbank heeft bij de behandeling van de voorvragen geoordeeld dat de Nederlandse strafwet toepasselijk is op de strafzaak tegen verdachte op grond van artikel 2 Sr. Nu de strafzaak tegen verdachte naar de regels van het Nederlandse strafrecht wordt gevoerd, is in deze zaak ook artikel 51f Sv van toepassing. De benadeelde partij wordt de mogelijkheid geboden zich met een civiele vordering als benadeelde partij in het strafproces te voegen. De vraag die nu ambtshalve beantwoord moet worden, is naar welk nationaal burgerlijk recht de vorderingen dienen te worden beoordeeld; Nederlands of Libisch recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De advocaten van de benadeelde partijen hebben zich op het schriftelijk onderbouwde standpunt gesteld dat de beoordeling van de vorderingen, aan de hand van de regels uit de zogenaamde Rome II-verordening, naar Libisch recht dient plaats te vinden. Zij hebben het juridisch kader naar Libisch recht in een schriftelijk standpunt van 26 juni 2025 uiteengezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Openbaar Ministerie heeft zich hierbij aangesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft zich in de schriftelijke reactie van 25 augustus 2025 op het standpunt gesteld dat dient te worden uitgegaan van toepassing van het Libisch recht, nu de partijen niet uitdrukkelijk zijn overeenkomen dat het Nederlands recht van toepassing is. De verdediging heeft daarnaast de juistheid en volledigheid van het door de advocaten van de benadeelde partijen geschetste kader betwist bij gebrek aan wetenschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4.2.1. De deskundigheid inzake Libisch burgerlijk recht van [naam 23] en [naam 24] De rechtbank heeft, naar aanleiding van het voorgaande en de pro-formazitting van 22 september 2025, op 1 oktober 2025 de zaak naar de rechter-commissaris verwezen voor de benoeming van [naam 23] en [naam 24] als deskundigen met betrekking tot het vraagstuk van de toepassing van Libisch recht op de civiele vorderingen van de benadeelde partijen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft dit deskundigenbericht op 27 oktober 2025 ontvangen. De deskundigen Otto en Ibrahim hebben een aantal door de rechtbank, verdediging en advocaten van de benadeelde partijen, geformuleerde vragen over hun academische achtergrond en (de toepassing van) het Libisch recht beantwoord. Zij hebben onder meer gerapporteerd dat de weergave van het Libisch recht, als uiteengezet door de advocaten van de benadeelde partijen, juist is en hebben aangevuld hoe de vaststelling van de aansprakelijkheid en de vaststelling van de schade naar Libisch recht moet plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft de expertise van de door de rechtbank aangewezen deskundigen Otto en Ibrahim betwist en aangevoerd dat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat het door hen geschetste Libisch civiel aansprakelijkheidskader daadwerkelijk correspondeert met de Libische wetgeving en rechtspraktijk. Dit zou tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partijen in de vorderingen moeten leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank is – op basis van de curricula vitae, hetgeen op de terechtzitting naar voren is gebracht én de inhoud van het uitgebrachte rapport – van oordeel dat de deskundigen [naam 23] en [naam 24] als duo over voldoende deskundigheid beschikken om op te treden in de onderhavige zaak. De rechtbank heeft op de zittingen van 22 september 2025 en 1 oktober 2025 reeds geoordeeld dat zij de deskundigen als duo voldoende deskundig acht inzake het Libisch burgerlijk recht om een deskundigenbericht hierover uit te brengen. De deskundigen hebben als duo gerapporteerd en hebben hetgeen door de advocaten van de benadeelde partijen uiteen is gezet, bevestigd en nader toegelicht. Dit correspondeert tevens met wat er in openbare bronnen gevonden kan worden over de Libische civiele aansprakelijkheidswetgeving en rechtspraktijk. De rechtbank heeft dan ook geen reden te twijfelen aan de deskundigheid van [naam 23] en [naam 24] op de punten waarover zij een deskundigenbericht hebben uitgebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank zal het deskundigenbericht en hetgeen is ingebracht door de advocaten van de benadeelde partijen gebruiken bij de beoordeling van de vorderingen van de benadeelde partijen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4.2.2. Het op de vorderingen toepasselijk recht De vraag naar het toepasselijke recht op de vorderingen (uit onrechtmatige daad) van de benadeelde partijen in de onderhavige zaak dient, op grond van artikel 10:159 Burgerlijk Wetboek, te worden beantwoord aan de hand van de regels uit de zogenoemde Rome II-verordening. De Rome II-verordening (Verordening EG nr. 864/2007, hierna: Rome II) is vanaf 11 januari 2009 van toepassing in alle lidstaten van de Europese Unie (met uitzondering van Denemarken) en dus ook in Nederland. De vorderingen van de benadeelde partijen betreffen immers niet-contractuele vorderingen in de betekenis van artikel 1 Rome II. Rome II heeft op grond van artikel 3 een universeel formeel toepassingsgebied. Dit betekent dat deze verordening ook van toepassing is op zaken die aan de Nederlandse rechter worden voorgelegd, waarin een onrechtmatige daad aan de orde is die buiten de Europese Unie is gepleegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4 lid 1 van Rome II geeft de algemene regel voor de vaststelling van het toepasselijke recht. Het recht van het land waar de schade zich voordoet (lex loci damni) is het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad. Dit is ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen. Deze hoofdregel leidt in het geval van de onderhavige zaak naar het Libisch recht, aangezien de benadeelde partijen op kampen in Libië zaten en in Libië zijn aangevangen met de overtocht over zee.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 15 van Rome II geeft de werkingssfeer met betrekking tot de materieelrechtelijke kwesties die door dat toepasselijk Libisch recht worden geregeld, waaronder de grond en de omvang van de aansprakelijkheid, het vaststellen wie voor een handeling aansprakelijk gesteld kan worden, het bestaan, de aard en de begroting van de schade of het gevorderde en het bepalen wie recht heeft op vergoeding van de persoonlijk geleden schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank is op basis van het vorenstaande van oordeel dat de beoordeling van de vorderingen van de benadeelde partijen naar Libisch burgerlijk recht dient plaats te vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4.2.3. Onevenredige belasting van het strafgeding?</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft – uiterst subsidiair – gesteld dat de behandeling van de vorderingen van de benadeelde partijen een onevenredige belasting zou opleveren voor het strafgeding, en dat dit tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partijen in hun vorderingen zou moeten leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank is van oordeel dat wanneer buitenlands recht van toepassing is op een vordering, dit niet direct maakt dat deze vordering een onevenredige belasting oplevert voor het strafgeding. De rechtbank overweegt dat er – gelet op de internationale aspecten van de vorderingen – op voorhand schriftelijk debat is gevoerd over de vorderingen en over welk recht zou moeten worden toegepast. Daarnaast is er een deskundigenbericht uitgebracht over dit vraagstuk. De verdediging is in de gelegenheid gesteld inhoudelijke vragen te stellen met betrekking tot de toepassing van het Libisch recht, maar heeft – met uitzondering van de vraag of er richtlijnen bekend zijn voor de hoogte van schadevergoedingen in Libië – hier geen gebruik van gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank overweegt dat het gaat om twee relatief overzichtelijke vorderingen. Ten aanzien van beide vorderingen bestaat de gevorderde materiële schade maar uit één post, namelijk restitutie van het bedrag dat voldaan is met betrekking tot de overtocht en de immateriële schade zou in beide gevallen een direct gevolg zijn van de aan verdachte ten laste gelegde handelingen. Overige aspecten als causaliteit, schade en verjaring zijn in die zin van eenvoudige aard, of niet aan de orde. De vaststelling van het strafrechtelijke verwijt heeft reeds plaatsgevonden, waardoor – net als bij Nederlands civiel recht – naar het Libisch burgerlijk recht ervan kan worden uitgegaan dat er sprake is van een onrechtmatigheid of ‘fout’.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen sprake is van een onevenredige belasting van het strafgeding, zodat er evenmin reden is de benadeelde partijen om die reden (kennelijk) niet-ontvankelijkheid te verklaren in hun vorderingen.</p></div>", "next": 238955}