{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De rechtbank acht op dit moment het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad (dan wel het HvJEU) niet noodzakelijk voor de thans in deze procedure te nemen beslissingen. Inmiddels heeft het gerechtshof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2020:543; zie 4.2) in de zaak van de Vereniging Woekerpolis tegen NN echter aangekondigd dat het prejudiciële vragen overweegt. Denkbaar is dat het, om proceseconomische redenen, efficiënt is om, gegeven dat voornemen en gelet op het partijdebat in deze zaak, dat niet gelijk is aan het debat in die zaak, (toch) ook in deze zaak prejudiciële vragen te stellen. De Hoge Raad kan zich dan tegelijk buigen over meerdere aspecten van de problematiek en deze meewegen bij de beantwoording van de hem voorgelegde vragen en, eventueel, bij de vraag of het voorleggen van vragen aan het HvJEU noodzakelijk is vanwege de Unierechtelijke component. Daartegen pleit dat daarvan ongewenste vertraging zal uitgaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen zich nader uit te laten over de wenselijkheid van het stellen van vragen en in voorkomend geval, over de inhoud daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.85.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zaak zal naar de rol worden verwezen voor uitlatingen van partijen over de onder 4.52, 4.73, 4.74, 4.80, 4.81 en 4.84 bedoelde onderwerpen. De Stichting en NN dienen eerst elk een akte te nemen, waarna zij (kruislings) kunnen reageren op de akte van de ander. De rechtbank zal daartoe een ruime termijn bepalen. Partijen kunnen uiteraard in onderling overleg kortere termijnen aanhouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.86.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank zal geen tussentijds hoger beroep tegen dit vonnis openstellen, nu er geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken die het toestaan van tussentijds hoger beroep rechtvaardigen. De omstandigheid dat er thans een zaak bij het gerechtshof Den Haag aanhangig is over (deels) dezelfde problematiek als in de onderhavige zaak, vormt geen bijzondere omstandigheid die afwijking van de hoofdregel van artikel 337 Rv rechtvaardigt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.87.</p>\n<p class=\"lf-p\">Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>De beslissing De rechtbank 5.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 15 juli 2020 voor het nemen van een conclusie door beide partijen over hetgeen vermeld is onder 4.52, 4.73, 4.74, 4.80, 4.81 en 4.84, waarna beide partijen op de rol van twaalf weken daarna (kruislings) een antwoordconclusie kunnen nemen, 5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.</div>\n<p class=\"lf-p\">Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, mr. J.C.A.T. Frima en mr. P. Volker en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. C. Sikkel, waarnemend rolrechter, nu de voorzitter en de rolrechter daartoe buiten staat zijn op 22 april 2020. [2083/106/1659/2221]</p></div>", "next": 0}