{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">5.123. Uit een en ander volgt dat als de scheepslift zonder lay-up in exploitatie was gebleven en de Code LAME was nageleefd, iedere lierkabel tenminste om de vijf jaar in een roterend schema zou zijn gecontroleerd en dat ieder jaar minimaal vier kabels zouden zijn vervangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">DHR stelt daarom dat in 2016 geen actief klassecertificaat had mogen worden afgegeven zonder dat alle kabels waren vervangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">LR EMEA betoogt echter, samengevat, dat zij van de Code LAME mocht afwijken omdat het niet ging om onderzoek in een reguliere cyclus bij normaal gebruik maar om onderzoek gericht op het weer in gebruik nemen na jaren van lay-up waarin de scheepslift c.q. de kabels gedurende de jaren in lay-up in veel mindere mate aan achteruitgang blootstond(en). Daardoor was vervanging van alle kabels niet noodzakelijk en kon volgens LR EMEA worden volstaan met beperktere vervanging in combinatie met onderzoek en trektesten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.124. Zoals in 5.110 is overwogen, bevat de Code LAME voor reactivatie na een lay-up geen specifieke regels en heeft de Rotterdam Devolved Classification Executive van LR EMEA op 18 februari 2016 bepaald welke onderzoeken nodig waren om tot reactivatie te kunnen komen (zie r.o. 5.46). Uit dat schrijven bleek niets concreets over de vervanging van kabels.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.125. LR EMEA achtte uiteindelijk, naar HbR op 23 maart 2016 aan haar bevestigde, voldoende dat alle kabels over de volle lengte zouden worden onderzocht, visueel en non-destructief, en dat drie kabels zouden worden uitgenomen en aan een trektest onderworpen (zie 3.15).</p>\n<p class=\"lf-p\">LR EMEA betoogt dat zij dit voldoende mocht achten omdat de scheepslift tijdens de jaren van lay-up aanzienlijk minder aan (onder meer) corrosie onderhevig was geweest, omdat de lift niet of nauwelijks bewoog. Of deze veronderstelling juist was, nu zoals DHR aanvoert de lagere lierschijven zich gedurende de lay-up steevast in de corrosiebevorderende splash zone bevonden en eenmaal ontstane corrosie zich progressief voortzet (vgl. 5.37 en 5.41), kan de rechtbank onbesproken laten. Het nog verder reikende standpunt van LR EMEA dat met de in 2016 uitgevoerde surveys als het ware een survey reset had plaatsgevonden, waardoor kon worden gehandeld alsof de scheepslift aan een nieuwe survey cyclus begon alsof de scheepslift voor het eerst was gecertificeerd, acht de rechtbank echter vanwege de ouderdom van de lift, het achterwege laten van een Special Survey en de op punten (te) beperkte reikwijdte van het onderzoek niet houdbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.126. Immers, hetgeen LR EMEA als onderzoek aan de kabels voldoende achtte voor reactivatie na vele jaren onbruik, was al duidelijk minder dan de Code LAME voor een regulier Annual Survey vereiste. Nu specifiek als eis was gesteld en met HbR was overeengekomen dat (onder veel meer) een Annual Survey moest worden verricht, mocht LR EMEA in ieder geval niet minder of anders onderzoeken dan voor een Annual Survey was voorgeschreven. En erger nog, hetgeen uiteindelijk feitelijk aan onderzoek is verricht voldeed zelfs niet aan de door LR EMEA aldus ontoelaatbaar verlaagde maatstaf. Desondanks gaf LR EMEA een klassecertificaat af.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.127. Ten eerste is onverenigbaar met de Code LAME en de afspraken dat LR EMEA niet tenminste vier maar slechts drie kabels liet vervangen. Voor Annual Surveys vereist de Code LAME eenduidig dat minimaal vier kabels worden uitgenomen (zie r.o. 5.25). Door een kabel minder te vervangen, kon LR EMEA niet meer de door de norm beoogde en voldoende geachte mate van zekerheid verkrijgen dat de installatie veilig kon worden gebruikt. Daarmee stelde ze HbR en DHR aan meer risico bloot dan zij bij toepassing van de Code LAME hoefden te verwachten. In het midden kan blijven of vier kabels onder de omstandigheden van dit geval überhaupt voldoende mocht worden geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.128. Ten tweede is voor de rechtbank onbegrijpelijk dat LR EMEA ervoor koos om kabels 2A, 4A en 5B te vervangen. De Code LAME gaat uit van een cyclische vervanging van alle kabels. Dat betekent volgens de rechtbank dat een redelijk handelend en redelijk bewaam surveyor niet zou hebben gekozen voor vervanging van kabels die al één of tweemaal waren vervangen en volgens de Masterlist Items het meest recent waren geïnspecteerd. Logisch zou zijn geweest om te kiezen uit de zeven kabels waarvan niet bekend was of ze ooit waren vervangen en/of de vier kabels waarvan certificaatgegevens ontbraken (zie r.o. 5.41 en 5.43). Aan die kabels was immers in beginsel het grootste risico respectievelijk de grootste onzekerheid verbonden. Kabel 7B viel in beide categorieën.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.129. Ten derde is onverenigbaar met de Code LAME dat LR EMEA niet-destructief onderzoek over minder kabellengte liet verrichten dan voorgeschreven. Artikel 8.6.4 Code LAME schrijft voor Annual Surveys voor - wanneer visueel én niet-destructief onderzoek wordt verricht - dat de uitgenomen kabels over de volle lengte niet-destructief moeten worden onderzocht. Dit hangt samen met de regel dat bij bevredigend niet-destructief onderzoek over de volle lengte van vier kabels niet vier maar slechts één kabel behoeft te worden stukgetrokken ter verificatie van de onderzoeksbevindingen. Deze regels zijn helder en laten geen ruimte voor afwijking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de uitgenomen kabels slechts over een aantal korte lengten met röntgen te laten onderzoeken (zie r.o. 5.56) althans daarmee genoegen te nemen werd niet voldaan aan artikel 8.6.4 Code LAME. Ook hierdoor kon het onderzoek niet leiden tot het zekerheidsniveau dat de Code LAME beoogde te waarborgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de opvolging van het onderzoeksresultaat was onvoldoende. Uit de stukken wordt niet duidelijk of LR EMEA dan wel HbR in 2016 überhaupt kennis hebben genomen van de bevindingen van Applus+. Het schriftelijk rapport over het onderzoek in 2016 dateert ogenschijnlijk van mei 2018 en gesteld noch gebleken is dat Applus+ eerder of heeft gerapporteerd of dat LR EMEA daarover navraag heeft gedaan. De checklist voor het proces-verbaal van overdracht van de scheepslift bevat geen datum of ‘afvinking’ over de bevindingen van het röntgenonderzoek. Indien LR EMEA überhaupt niet heeft geverifieerd welke bevindingen dit voorgeschreven onderzoek had opgeleverd, is dat een fout.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien LR EMEA wel kennis had van de bevindingen van Applus+, is zij eveneens tekort geschoten. Applus+ liet immers weten dat zij op basis van het onderzoek geen oordeel kon geven over de staat van de kabels (zie r.o. 5.56). Gesteld noch gebleken is dat dit tot vragen van LR EMEA of tot nader onderzoek heeft geleid, of tot daarlating van artikel 8.6.4 en toepassing van artikel 8.6.3 Code LAME. Als de Code LAME bepaald onderzoek voorschrijft, is uiteraard niet alleen de bedoeling dat het voorgeschreven onderzoek wordt verricht, maar ook dat de surveyor de onderzoeksresultaten daadwerkelijk gebruikt om zijn oordeel te vormen over de veiligheid van het geïnspecteerde. LR EMEA mocht zonder correct onderzoek met bevredigende uitkomsten niet voortdoen richting afgifte van het certificaat, omdat zij niet kon weten of zij voor die afgifte voldoende basis had.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.130. Ten vierde heeft LR EMEA er niet op toegezien dat de uitgenomen kabels aan de voorgeschreven trektest zijn onderworpen, en evenmin beoordeeld of de resultaten daarvan aanleiding gaven voor nader onderzoek of verdere vervanging van kabels, zoals voorgeschreven in de artikelen 8.6.3 aanhef en onder (b) dan wel 8.6.4 aanhef en onder (c) en (d) Code LAME.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen van de uitgenomen kabels is onderworpen aan een trektest. Het met trektesten proefondervindelijk verifiëren van de uitkomsten van het visuele en niet-destructieve onderzoek aan de kabels is een door de Code LAME voorgeschreven essentiële veiligheidswaarborg. Of LR EMEA nu wel of niet meende dat de trektesten door een derde zouden worden uitgevoerd, feit blijft dat zij is overgegaan tot afgifte van een klassecertificaat zonder dat deze horde was genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank verwerpt het standpunt van LR EMEA dat zij mocht menen dat de trektest achterwege kon blijven omdat de scheepslift succesvol een load test had doorstaan. Die visie strookt niet met de eenduidige bewoordingen van de artikelen 8.6.3 en 8.6.4 en ook overigens biedt de Code LAME daarvoor geen steun.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.131. De conclusie is dat LR EMEA in 2016 zonder het daarvoor noodzakelijke onderzoek naar de kabels te (doen) verrichten en dus ten onrechte een klassecertificaat heeft afgegeven voor de scheepslift met de mededeling dat deze ‘in compliance’ was met de voorschriften van de Code LAME (zie 3.24).</p>\n<p class=\"lf-p\">In een atypische post lay-up situatie met veel onbekende grootheden en risicofactoren, waarin noch haar opdrachtgever noch de beoogde nieuwe exploitant eigen kennis van of ervaring met de te keuren scheepslift had, liet LR EMEA minder dan het volgens haar eigen norm laagst verdedigbare aantal kabels preventief vervangen en minder dan het minimaal voorgeschreven onderzoek aan de kabels verrichten, terwijl zij niets heeft gedaan met de onbevredigende resultaten van het niet-destructieve onderzoek. Dit alles levert een ernstige veronachtzaming van de zorgplicht jegens DHR op en is dus jegens haar onrechtmatig. Voor de schade die DHR daardoor lijdt is LR EMEA aansprakelijk, tenzij bijzondere omstandigheden reden geven om daar anders over te oordelen. ( ix) De verweren tegen de onrechtmatigheid en aansprakelijkheid falen 5.132. Welke schade van DHR aan de fout van LR EMEA kan worden toegerekend, komt in het volgende onderdeel aan de orde. Eerst gaat de rechtbank in op meer algemene verweren tegen de onrechtmatigheid en het beroep op beperkingen van de aansprakelijkheid van LR EMEA.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.133. De rechtbank verwerpt het verweer dat, kort gezegd, eventuele fouten in verband met het in 2016 afgegeven certificaat hun belang verliezen na het verstrijken van een jaar, omdat het certificaat slechts een jaar geldig is, althans binnen een jaar moet worden bevestigd/geëndosseerd (endorsed, zie 3.24). Klassecertificaten hebben een beperkte geldigheidsduur en/of endosseringseisen om te bewerkstelligen dat in de maritieme sector veiligheidskeuringen met regelmaat blijven plaatsvinden, opdat potentieel onveilige situaties tijdig worden gesignaleerd en de verwezenlijking van het daaraan verbonden gevaar zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het verstrijken van de beperkte geldigheidsduur van een klassecertificaat heeft geen invloed op eerder gemaakte fouten of de daaraan te verbinden consequenties.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.134. De rechtbank verwerpt ook het verweer dat de keuring en het certificaat van 2016 als het ware zijn achterhaald omdat LR EMEA in 2017 in opdracht van DHR wederom de scheepslift inspecteerde en keurde. Het na een jaar opnieuw en/of in een nieuwe - contractuele - context keuren van een in 2016 ten onrechte goedgekeurde scheepslift neemt niet de onrechtmatigheid van eerder gemaakte fouten weg, zeker niet wanneer deze zo ernstig zijn als in dit geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.135. Eveneens verwerpt de rechtbank het beroep van LR EMEA op door haar in 2016 jegens HbR en in 2017 jegens DHR bedongen beperkingen van aansprakelijkheid, die DHR volgens LR EMEA ook voor in 2016 eventueel gemaakte fouten tegen zich moet laten gelden. In hoeverre die exoneraties in beginsel DHR binden wat betreft de werkzaamheden van LR EMEA in 2016 kan in het midden blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook als DHR daaraan (contractueel of buitencontractueel) gebonden zou zijn, dan nog is het onder de omstandigheden van dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat LR EMEA een dergelijk beding aan DHR mag tegenwerpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens vaste jurisprudentie moet de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid terughoudend worden toegepast, met name in situaties waarin het commerciële partijen betreft en is slechts in heel bijzondere omstandigheden ruimte voor het buiten toepassing laten van tussen partijen bewust gemaakte afspraken. Van dergelijke omstandigheden is in dit geval sprake. LR EMEA had op zich genomen om de scheepslift volgens de door haar eigen concern opgestelde Code LAME te inspecteren, te vervangen en te keuren. Die Code LAME schreef gedetailleerd voor hoe dat inspecteren, vervangen en keuren moest plaatsvinden om de voldoende geachte mate van zekerheid te bereiken dat de scheepslift veilig in bedrijf kon worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer dan LR EMEA besluit dat zij juist ter zake van gekend kwetsbare onderdelen van de scheepslift, kabels waarop al jaren terug sporen van corrosie zijn waargenomen, minder dan het minimaal vereiste onderzoek zal (doen) verrichten, en vervolgens dit voorgenomen te beperkte onderzoek niet werkelijk uitvoert of de uitkomsten ervan niet tot zich neemt of opvolgt maar desondanks een klassecertificaat afgeeft, veronachtzaamt zij ernstig verwijtbaar de belangen van haar opdrachtgever HbR en de haar bekende materieel belanghebbende DHR. Bovendien had DHR een groot en gerechtvaardigd belang bij correcte nakoming door LR EMEA. De maatschappelijke positie van een classificatiebureau zoals LR EMEA brengt mee dat de betrokken partijen erop mogen vertrouwen dat zij haar taak om de scheepslift te inspecteren en keuren conform de daarvoor afgesproken en geldende normen deskundig en zorgvuldig zou uitvoeren en de afgifte van het klassecertificaat gaf DHR het vertrouwen dat dat was gebeurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder die omstandigheden is het doen van een beroep op contractuele beperking van aansprakelijkheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat LR EMEA een vergoeding voor haar werkzaamheden ontvangt die gering is in verhouding tot de potentiële schade, en dat LR EMEA veel tijd en moeite in het onderzoek naar (andere onderdelen van) de scheepslift heeft gestoken, leidt niet tot een ander oordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.136. Hetgeen DHR verder nog aan verwijten maakt jegens LR EMEA, in verband met andere onderdelen van de scheepslift, de code LAME, de Machinerichtlijn en/of het Warenwetbesluit heeft voor de beoordeling verder geen zelfstandig belang. De rechtbank laat dat verder onbesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.137. Of uit het arrest ‘Duwbak Linda’ moet volgen dat (een deel van) de geleden schade niet voor vergoeding in aanmerking kan komen, zoals LR EMEA betoogt, zal de rechtbank voor zover na r.o. 5.119 nog nodig in de schadestaatprocedure nader beoordelen. ( x) Schade en causaal verband, het beroep op eigen schuld 5.138. DHR vordert onder (i) € 2.172.061,24 aan schadevergoeding en onder (ii) en (iii), samengevat, veroordeling tot vergoeding van bedrijfsschade, te begroten in een schadestaatprocedure. Voor toewijzing van vordering (i) moeten schade en causaal verband vaststaan, voor toewijzing van vorderingen (ii) en (iii) is voldoende dat de mogelijkheid van bedrijfsschade aannemelijk is. Aan die laatste maatstaf is voldaan, nu de scheepslift vanwege het ongeval een tijd buiten gebruik is geweest. Hetgeen hieronder wordt overwogen en geoordeeld ten aanzien van het causaal verband en de eigen schuld geldt voor hetgeen onder (i) wordt gevorderd, maar gaat voor zover in dit stadium al nodig ook op voor de schade waarop vordering (ii) ziet.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.139. De rechtbank acht uitgesloten dat de door LR EMEA gemaakte fout uit de oorzakelijke keten kan worden weggedacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kabel 7B zou immers naar de overtuiging van de rechtbank bij een deugdelijk onderzoek van LR EMEA in 2016 zijn uitgenomen en vervangen voordat DHR de scheepslift in gebruik nam. Kabel 7B was namelijk - zie r.o. 5.41, 5.43 en 5.49 - de enige kabel waarvoor zowel een certificaat (waaruit herkomst en ouderdom konden blijken) als een aanwijzing voor eerdere vervanging ontbrak. In dit scenario zou in april 2018 dus niet de zwaar gecorrodeerde kabel 7B, maar een in 2016 in gebruik genomen nieuwe kabel 7B onderdeel van de scheepslift zijn geweest. Ook zouden drie andere van de minst betrouwbare kabels zijn vervangen. Op de uitgenomen kabels zou een trektest zijn uitgevoerd en het resultaat daarvan zou aanleiding zijn geweest om alle kabels aan de belastbaarheid waarvan redelijkerwijs moest worden getwijfeld te vervangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank acht zeer uitgesloten dat zich in 2018 eenzelfde ongeval zou hebben voorgedaan als kabel 7B en de drie andere meest onzekere kabels zouden zijn vervangen en getest en LR EMEA ook overigens het onderzoek adequaat zou hebben verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.140. LR EMEA stelt echter dat onvoldoende onderhoud door DHR tussen datum ingebruikneming van de scheepslift en datum ongeval, in het bijzonder het ondeugdelijk invetten van de kabels het ongeval heeft veroorzaakt. Zij stelt, onder verwijzing naar stukken van deskundigen, dat een kabel als de ‘oude’ 7B door gebrekkig onderhoud in minder dan twee jaar van ‘voldoende’ naar ‘gebrekkig’ achteruit kan gaan. Dit is niet van belang, nu het erom gaat of de kabels die aanwezig hadden moeten zijn na deugdelijk onderzoek in 2016 in april 2018 door onvoldoende onderhoud gebrekkig hadden kunnen raken. De rechtbank ziet ook in de stukken van deskundigen geen aanleiding om dit laatste te vermoeden. Dat de in 2016 nieuw aangebrachte kabels in deplorabele staat verkeerden in april 2018, en dat dit dan kwam door gebrekkig onderhoud, komt uit de stukken niet naar voren.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.141. De door LR EMEA gestelde overbelasting van de scheepslift of de dokstoelen leidt niet tot een ander oordeel. LR EMEA betoogt en onderbouwt dat de sleepboot gelet op haar gewicht en de verdeling daarvan over het schip, de scheepslift althans de dokstoelen zwaarder belastte dan waarop deze was/waren berekend. Feit blijft echter dat de scheepslift pas is bezweken na de dagenlange reparatieperiode waarin lift en dokstoelen stabiel bleven en niet bezweken. De lift en de dokstoelen zijn niet door overbelasting bezweken, en dat beeld komt ook niet uit het materiaalonderzoek van MMT en Verreet naar voren. Daarom acht de rechtbank niet aannemelijk dat de lift wegens overbelasting zou zijn bezweken als LR EMEA haar onderzoek naar de kabels naar behoren had uitgevoerd en daaraan de juiste opvolging had doen geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.142. Of DHR inderdaad de maximaal toelaatbare belasting overschreed, en of haar voorbereidingen en calculaties van de werkzaamheden aan de sleepboot in dit opzicht tekortschoten, kan dus voor de veroorzaking in het midden blijven. Een en ander kan wel relevant zijn voor het beroep op eigen schuld, dat aan de orde komt bij de beoordeling van de schadeomvang. Ditzelfde geldt voor de stelling dat DHR zelf, en met name de heer Löbler, ook veel ervaring en verstand van staalkabels had en zelf op vervanging had kunnen aansturen of daartoe zelf had kunnen beslissen, maar dit niet heeft gedaan. ( xi) Vordering (i) - de omvang van de schade 5.143. DHR vordert € 1.809.138,73 voor de schade aan de dokstoelen. Dit bedrag is tussen de wederzijdse experts vastgesteld, zo heeft DHR in haar akte eiswijziging toegelicht. Zij verwijst voor deze schade verder naar het rapport van Doldrums van 4 december 2018 (referentie 181608-C) dat zij bij akte ter rectificatie als productie 38 (ter vervanging van de oude productie 37 of 38) heeft overgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.144. LR EMEA betwist het bestaan en de omvang van de opgevoerde schadeposten. Zij vindt deze ook onvoldoende (duidelijk) onderbouwd. Zij wijst er onder meer op dat DHR schadevergoeding vordert op basis van begrote herstelkosten, terwijl er niet is hersteld en ook de bedrijfsschadevordering niet op herstel is gebaseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">DHR heeft in reactie herhaald dat haar toelichting kort was omdat de experts het over deze schadebegroting eens waren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat dit schadebedrag tussen de betrokken experts is vastgesteld, heeft LR EMEA niet betwist. De rechtbank zal daarvan dus uitgaan. LR EMEA is niet zonder meer gebonden aan de door de experts bereikte overeenstemming over de schadecijfers. Maar het ligt dan wel op de weg van LR EMEA om specifiek te zijn in wat er volgens haar mis is met de door haar expert goedgekeurde schadebegroting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de schade is begroot op grond van hetgeen herstel van de doksteunen zou kosten, acht de rechtbank in beginsel redelijk. Uit hetgeen DHR ter toelichting op de bedrijfsschade stelt, blijkt dat uiteindelijk de scheepslift niet is hersteld maar dat is gekozen voor een nieuwe lift, een travellift. Onder die omstandigheden is het uitgaan van wat herstel van de doksteunen zou hebben gekost een verdedigbare keus, omdat een beter alternatief niet direct voor de hand ligt. LR EMEA heeft geen andere, voldoende specifieke, klachten geuit over de omvang van het door DHR voor de dokstoelen gevorderde bedrag. De rechtbank stelt daarom vast dat DHR ter zake van de beschadiging van de dokstoelen schade heeft geleden tot € 1.809.138,73.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.145. DHR vordert € 357.376,25 voor bergingskosten, kosten van opruimen olieverontreiniging, kosten drijvende bok, berging van de dokstoelen, reparatie van de brandblusleiding en het schoonmaken van het werfterrein. DHR verwijst in dat verband naar haar (oude) productie 38.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegen het bestaan en de omvang van deze schadepost richt LR EMEA geen specifieke verweren. De rechtbank stelt daarom vast dat DHR ter zake van deze kosten schade heeft geleden tot € 357.376,25.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.146. LR EMEA stelt in verband met vordering (i) dat DHR van haar CAR-verzekeraars een verzekeringsuitkering groot € 337.500,- heeft ontvangen voor de schade. Zonder toelichting waaruit anders blijkt, moet deze uitkering in mindering strekken op de schade, aldus LR EMEA.</p>\n<p class=\"lf-p\">DHR erkent dat zij van één van haar verzekeraars dit bedrag heeft ontvangen ten titel van voorschot. Zij stelt en onderbouwt dat verzekeraars hebben betaald onder het voorbehoud dat zij het betaalde kunnen terugvorderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">LR EMEA heeft niet betwist dat de betaling als voorschot en niet als (definitieve) uitkering onder de (natte) CAR-polis is gedaan. De rechtbank ziet onder die omstandigheden geen reden om aan te nemen dat de schade onvoorwaardelijk aan DHR is vergoed door verzekeraars, of dat het vorderingsrecht tot het bedrag van het voorschot is overgegaan op (een of meer van) de verzekeraars van DHR. De betaling van het voorschot strekt daarom niet in mindering op de schade en beperkt evenmin het recht van DHR om vergoeding van dit deel van haar schade te vorderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.147. DHR vordert € 5.546,26 voor expertisekosten, en verwijst naar de facturen van Doldrums die zij als productie 29 heeft overgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze schadepost is niet separaat bestreden door LR EMEA, zodat de rechtbank deze zal toewijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.148. De schade waarvan DHR onder (i) vergoeding vordert is hiermee vastgesteld op € 1.809.138,73 plus € 357.376,25 plus € 5.546,26, in totaal € 2.172.061,24.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.149. LR EMEA doet een beroep op eigen schuld van DHR. Zij stelt het volgende. DHR droeg in de bijna twee jaar voorafgaande aan het incident de verantwoordelijkheid voor het opereren en onderhouden van de scheepslift. DHR geeft onvoldoende informatie over hoe zij daaraan invulling heeft gegeven en over haar eigen inspecties. DHR nam en hield de scheepslift in gebruik hoewel zij vond dat het onderzoek door LR EMEA in 2016 moeizaam, onvolledig en vaak niet professioneel was uitgevoerd en dat opgevraagde documentatie niet was verstrekt. DHR had met de heer Löbler veel ervaring met staalkabels in huis, en was zich bewust van de ouderdom van de kabels, maar heeft toch in die bijna twee jaar geen enkele kabel vervangen. Ook moet de rechtbank meewegen dat DHR de voorste doksteunen aan overbelasting heeft blootgesteld, aldus LR EMEA.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.150. De rechtbank verwerpt het beroep op eigen schuld. Uit de door de rechtbank aangehouden lezing van de toedracht en de oorzaken van het ongeval volgt dat DHR erop mocht vertrouwen dat afgifte van een klassecertificaat door LR EMEA betekende dat de Code LAME naar letter en geest was nageleefd. Twijfels en negatieve indrukken bij DHR over de manier waarop het onderzoek was verricht maken niet dat LR EMEA aan DHR kan verwijten dat DHR niet heeft gedaan wat LR EMEA heeft nagelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ernst van het aan LR EMEA te maken verwijt is zo groot, dat de eventueel aan DHR te maken verwijten met betrekking tot het onderhoud/invetten van de kabels en het niet (aanvullend) vervangen van kabels ‘op leeftijd’ daarbij te gering is om tot een vermindering van de aansprakelijkheid van LR EMEA te leiden. Waar LR EMEA als het ware heeft nagelaten om - hoewel dit haar taak was - te constateren dat de emmer al vol was, kan zij de schade niet voor rekening van DHR brengen op de grond dat die - gerustgesteld door het door LR EMEA afgegeven klassecertificaat - de fatale laatste druppels in de emmer heeft laten vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over de gestelde overbelasting van de voorste dokstoelen, die de rechtbank niet onaannemelijk acht maar waarover nog geen zekerheid bestaat, is hierboven al geoordeeld dat deze niet heeft geleid tot het bezwijken van de dokstoelen en ook anderszins niet als oorzaak van het ongeval kan worden beschouwd (r.o. 5.97 en 5.141).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.151. Tegen LR EMEA zal de rechtbank dus een hoofdsom van € 2.172.061,24 toewijzen. De rechtbank zal over dit bedrag de gewone wettelijke rente toewijzen, vanaf de niet als ingangsdatum bestreden dag van dagvaarding (13 december 2021). Voor toewijzing van de wettelijke handelsrente bestaat immers, zoals LR EMEA terecht aanvoert, geen grond. ( xii) Vorderingen (ii) en (iii): de bedrijfsschade 5.152. DHR vordert onder (ii) en (iii), samengevat, een verklaring voor recht dat LR EMEA aansprakelijk is voor de door DHR geleden bedrijfsschade geleden in de periode van 1 mei 2018 tot 31 mei 2022, althans een door de rechtbank te bepalen periode, en veroordeling tot vergoeding van die schade, te begroten in een schadestaatprocedure. DHR vordert bedrijfsschade over de hele periode dat zij geen gebruik heeft kunnen maken van het door haar gehuurde (voormalige RDM-)terrein. DHR heeft, naar de rechtbank begrijpt, een nieuwe huurovereenkomst ondertekend op 1 september 2020. Deze nieuwe huurovereenkomst ziet op hetzelfde terrein maar met een nieuwe travellift in plaats van de scheepslift. Ter zitting heeft DHR verklaard dat gelet op de ongeveer € 700.000 schade en de actiepunten ter waarde van miljoenen is gekozen voor het slopen van de oude scheepslift. Als aanvangsdatum van de schadeperiode neemt DHR niet de datum van het incident, 19 april 2018, maar de eenvoudiger te hanteren datum 1 mei 2018. Als einddatum neemt DHR gemakshalve 31 mei 2022, hoewel de travellift in de loop van juni 2022 in gebruik is genomen. DHR stelt dat haar bedrijfsschade over de aldus bepaalde schadeperiode als gevolgschade aan het incident kan worden toegerekend. Het belang van DHR om een verklaring voor recht te krijgen over de duur van de periode waarover bedrijfsschade dient te worden vergoed, ligt in het reeds nu kortsluiten van de discussie daarover.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.153. LR EMEA benoemt dat DHR uitgaat van een veel langere schadeperiode dan herstel van de scheepslift zou hebben gekost. Zij presenteert dat echter niet als concreet verweer en maakt ook niet duidelijk welke verletperiode in haar visie dan passend zou zijn. Bij die stand van zaken is het verweer onvoldoende onderbouwd om aan toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht over de duur van de verletperiode in de weg te staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.154. Dat DHR bedrijfsschade kan hebben geleden is voldoende aannemelijk, nu zij de scheepslift door het ongeval langdurig niet heeft kunnen gebruiken. Dat is in samenhang met hetgeen over de verwijten aan LR EMEA is geoordeeld genoeg om LR EMEA te veroordelen tot vergoeding van deze schade en om partijen naar de schadestaat te verwijzen om die schade te laten begroten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.155. Het beroep op eigen schuld kan voor zover nodig in de schadestaatprocedure aan de orde komen. ( xiii) Vordering (iv): vergoeding van de schade voortvloeiend uit de vrijwaringsafspraak met HbR 5.156. DHR vordert onder (iv) dat de rechtbank LR EMEA veroordeelt om aan DHR te betalen de bedragen die DHR aan HbR zal blijken verschuldigd te zijn uit hoofde van de vrijwaringsclausule in de huurovereenkomst tussen HbR en DHR.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.157. LR EMEA betwist dat zij verplicht is om DHR te betalen voor een vrijwaringsverplichting (voor vorderingen van de belanghebbenden bij de sleepboot met ingebrip van hun verzekeraars) die DHR vrijwillig jegens HbR op zich heeft genomen. LR EMEA is immers niet zelf jegens die derden aansprakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.158. Het gaat hier om artikel 7 lid 2 huurovereenkomst, dat luidt: “Gebruiker vrijwaart HbR tegen alle aanspraken van derden, die, uit welke hoofde dan ook, schade stellen te hebben geleden in verband met het gebruik van de Scheepslift.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieronder zal naar aanleiding van de vorderingen van HbR tegen DHR in reconventie worden geoordeeld dat aan HbR een beroep op deze bepaling toekomt jegens DHR (zie r.o. 5.185). DHR zal dus worden veroordeeld tot het vrijwaren van HbR van vorderingen van (bepaalde) derden als gevolg van het incident met de scheepslift op 19 april 2018.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze veroordeling jegens HbR levert voor DHR schade op die voortvloeit uit het incident, welk incident is veroorzaakt door onrechtmatig gedrag van LR EMEA jegens DHR. Onder die omstandigheden is LR EMEA ook voor deze schade van DHR aansprakelijk. De rechtbank zal LR EMEA daarom veroordelen zoals door DHR gevorderd. ( xiv) Vordering (v): andere door de rechtbank te geven beslissingen 5.159. DHR vordert onder (v) dat de rechtbank in plaats van of naast het verder gevorderde die beslissingen neemt die zij juist acht. Tot meer of andere belissingen dan hierboven en hieronder vermeld ziet de rechtbank ten aanzien van LR EMEA geen aanleiding. ( xv) Proceskosten en uitvoerbaarheid bij voorraad 5.160. LR EMEA zal als in de ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van DHR. Deze worden tot aan dit vonnis begroot op:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>kosten dagvaarding € 103,32</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>griffierecht € 8.519,00</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>salaris advocaat* € 15.249,50 (3,5 punten × tarief VIII € 4.357,00)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>nakosten € 178,00 (plus de verhoging vermeld in de beslissing)+ Totaal € 24.049,82 *op basis van:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dagvaarding 1 punt</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>akte wijziging van eis + rectificatie 0,5 punt</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>nadere akte 0,5 punt</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>mondelinge behandeling 1 punt</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>conclusie van repliek 0,5 punt + Totaal 3,5 punten 5.161. Ook de nakosten zullen worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.</div>\n<p class=\"lf-p\">5.162. Tegen de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad maakt LR EMEA bezwaar vanwege de omvang van de vordering, de samenstelling van de activa van DHR en het restitutierisico.</p>\n<p class=\"lf-p\">DHR stelt in reactie dat uitvoerbaarheid bij voorraad uitgangspunt is, en dat LR EMEA zelf de liquiditeitspositie van DHR heeft veroorzaakt. Afweging van de wederzijdse belangen moet leiden tot het volgen van de hoofdregel van uitvoerbaarverklaring bij voorraad, aldus DHR.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank begrijpt de bezwaren van LR EMEA tegen de uitvoerbaarheid bij voorraad. Daar staat tegenover dat DHR gelijk krijgt en zij al sinds 2018 de schade draagt zonder daarvoor een vergoeding te hebben ontvangen. Per saldo acht de rechtbank uitvoerbaarheid bij voorraad gerechtvaardigd. beoordeling van het verwijt aan HbR 5.163. DHR stelt, samengevat, dat HbR toerekenbaar is tekortgeschoten in de naleving van de afspraken over de scheepslift. HbR moest ervoor zorgen dat de lift aan alle toepasselijke wettelijke vereisten voldeed en veilig kon worden gebruikt voordat zij deze aan DHR in gebruik gaf, en onderdeel daarvan was dat HbR voor de scheepslift een definitief klassecertificaat moest verkrijgen. HbR is in dat verband tekortgeschoten in de nakoming van haar plicht om de kabels te onderwerpen aan deugdelijk röntgenologisch onderzoek en de uitgekomen kabels te testen op treksterkte. DHR stelt dat HbR (kwalitatief) aansprakelijk is voor de fouten van haar hulppersoon LR EMEA.</p>\n<p class=\"lf-p\">HbR betwist een en ander.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.164. De rechtbank zal de vorderingen tegen HbR afwijzen, om de navolgende redenen. ( xvi) LR EMEA was geen hulppersoon van HbR 5.165. Het verweer dat LR EMEA niet als hulppersoon van HbR kan worden beschouwd, slaagt. HbR had op zich genomen om het nodige te doen om een klassecertificaat te verkrijgen en heeft daartoe LR EMEA ingeschakeld. Tot de bedrijfsactiviteiten van HbR behoort immers niet het afgeven van klassecertificaten en het verrichten van het daarvoor nodige onderzoek. LR EMEA is daartoe wel bevoegd en in staat, zij maakt daarvan wel haar bedrijf. En dus verrichte LR EMEA geen werkzaamheden in opdracht van HbR ter uitoefening van het bedrijf van HbR, zoals bedoeld in het door DHR ingeroepen artikel 6:171 BW. ( xvii) HbR is haar verplichtingen met betrekking tot het certificaat nagekomen 5.166. Juist omdat HbR niet zelf bevoegd of bij machte was om een klassecertificaat af te geven, hoeft zij jegens DHR niet in te staan voor de kwaliteit van het ten behoeve van het certificaat verrichte onderzoek of de betrouwbaarheid van het onderzoeksresultaat. Zij kon haar verplichtingen jegens DHR in dit verband nakomen door het inschakelen en faciliteren van LR EMEA, en het opvolgen van alle instructies die LR EMEA als voorwaarde stelde om tot afgifte van het definitieve klassecertificaat te komen. Dat heeft HbR gedaan. Ook als HbR zich met de inrichting van het onderzoek heeft bemoeid in die zin dat zij heeft geprobeerd de scheepslift zo snel en goedkoop mogelijk over te dragen aan DHR, of indien zij heeft nagelaten te protesteren of in te grijpen terwijl zij ermee rekening moest houden dat onvoldoende onderzoekshandelingen werden verricht, zoals DHR stelt, leidt dit niet tot een ander oordeel. Het was immers de professionele verantwoordelijkheid van LR EMEA om in de wensen van HbR niet verder mee te gaan dan onder de Code LAME toelaatbaar was. LR EMEA heeft zich gedurende vele maanden meer dan tevoren voorzien met allerhande aspecten van de scheepslift beziggehouden en HbR had in dat licht geen reden om te menen dat LR EMEA in den brede geen moeite deed voor een zorgvuldige uitvoering van haar taak.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.167. HbR was jegens DHR niet gehouden tot het doen uitvoeren van trektesten of het juiste röntgenonderzoek. Zij moest slechts die werkzaamheden uitvoeren die LR EMEA als voorwaarde stelde om tot afgifte van het certificaat te kunnen overgaan. Uit de afgifte van het certificaat zonder voorafgaande trektesten en op basis van onvoldoende röntgenonderzoek volgt dat LR EMEA een en ander ofwel niet als voorwaarde voor afgifte van het certificaat heeft gesteld ofwel deze voorwaarde heeft gesteld maar niet gehandhaafd. Die keuze behoort tot het professionele domein van LR EMEA. Aan HbR kan niet worden verweten dat zij niet meer of ander onderzoek heeft doen verrichten dan het aangestelde klassificatiebureau nodig vond. Of zij jegens LR EMEA of anderen tevoren de indruk had gewekt bepaalde onderzoeken te zullen doen verrichten hoeft de rechtbank niet te onderzoeken. ( xviii) HbR hoefde er niet voor in te staan dat de lift veilig kon worden gebruikt 5.168. Vervolgens ligt voor of HbR is tekortgeschoten in de nakoming van haar contractuele verplichtingen door een scheepslift op te leveren die niet veilig kon worden gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">DHR stelt dat is afgesproken dat HbR de scheepslift helemaal in orde zou brengen en volledig veilig zou maken. HbR betwist dit en wijst erop dat het gehuurde ‘as is’ werd aanvaard, juist omdat zij geen eigen kennis over of ervaring met de scheepslift had. DHR betoogt dat de afspraak over levering ‘as is’ alleen voor het terrein gold maar niet voor de scheepslift.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.169. Ter onderbouwing van haar betwisting heeft HbR onder meer gewezen op artikel 14.1 Algemene Bepalingen Gebruiksrechten HbR (waarvan DHR heeft erkend dat deze van toepassing zijn op de uitgifteovereenkomst en huurovereenkomst): “De Onroerende Zaak wordt door de Gebruiker aanvaard in de staat waarin deze zich bevindt bij het ondertekenen van de Akte dan wel bij de aflevering van de Onroerende Zaak indien dit eerder is.\" en op artikel 11 huurovereenkomst: “Artikel 11. Staat en wijze van opleverinq van de Scheepslift/de Voorziening De Scheepslift wordt/is met ingang van het Gebruiksrecht door HbR in de navolgende staat (op)geleverd: zoals vastgelegd in het in artikel 6 vermelde proces verbaal van overdracht, waaronder begrepen de certificaten als bedoeld in artikel 6.6.” en op het proces-verbaal van overdracht: “Ondergetekenden verklaren hierbij dat schouw van de Scheepslift op 7 juni 2016 heeft plaatsgevonden en dat het terrein en de Scheepslift is goedgekeurd (situatie as-is) en derhalve is overgedragen behoudens geconstateerde restpunten. (...) De fotorapportage situatie as-is legt de huidige situatie van de Scheepslift en terrein B vast.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze stukken, die DHR niet of onvoldoende heeft tegengesproken, weerleggen het standpunt dat is afgesproken dat HbR de scheepslift helemaal in orde zou brengen en volledig veilig zou maken. ( xix) Het verwijt over de wettelijke vereisten faalt 5.170. Tenslotte stelt DHR dat HbR is tekortgeschoten in de nakoming van haar contractuele verplichting om een scheepslift op te leveren die voldeed aan alle wettelijke eisen. DHR betoogt in dit verband ook dat HbR als verhuurder van de scheepslift aansprakelijk is op grond van artikel 7:208 BW, omdat de verhuurde zaak gebrekkig was.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.171. HbR betoogt dat de afspraak over de wettelijke eisen was gericht op het periodiek doen keuren van de scheepslift, zoals voorgeschreven in artikel 6d Warenwetbesluit Machines en artikel 7.29 Arbeidsomstandighedenbesluit, en dat HbR aan deze verplichtingen heeft voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank laat de strekking van de afspraak in het midden, maar is het met HbR eens dat zij aan de wettelijke verplichting tot het periodiek doen keuren - voor zover relevant voor deze zaak - heeft voldaan. HbR heeft immers LR EMEA opdracht gegeven tot het onderzoek dat volgens dit daartoe gekwalificeerde en bevoegde klassificatiebureau nodig zou zijn om het klassecertificaat te verkrijgen dat nodig was om de lift weer in bedrijf te mogen stellen. Dat oordeel volgt uit de in dit vonnis genoemde feiten en de over het gedrag van HbR gegeven oordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.172. Het debat tussen partijen spitst zich toe op de vraag of de scheepslift zelf voldeed aan de daaraan te stellen wettelijke eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HbR betoogt verder dat voor aansprakelijkheid op grond van artikel 7:208 BW alleen grond bestaat indien (a) het gebrek ná het aangaan van de overeenkomst is ontstaan en aan de verhuurder is toe te rekenen, (b) het gebrek bij het aangaan van de overeenkomst aanwezig was en de verhuurder het gebrek toen kende of behoorde te kennen; of (c) de verhuurder toen aan de huurder bij het aangaan van de overeenkomst te kennen heeft gegeven dat de zaak het gebrek niet had. Geen van deze voorwaarden is vervuld, aldus HbR.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.173. De rechtbank is dat met HbR eens. Uit hetgeen hierboven over de feiten en de ‘as is’ afspraak is overwogen volgt dat gevallen (a) en (c) zich niet voordoen. Dat geval (b) aan de orde is omdat HbR de zwaar gecorrodeerde conditie van kabel 7B concreet kende toen de overeenkomst werd aangegaan, is onvoldoende gemotiveerd gesteld en komt niet uit de stukken naar voren. Dat HbR in algemene zin behoorde te begrijpen dat de kans bestond dat de scheepslift met gebreken was behept, onder meer gelet op de ouderdom van onderdelen zoals kabels, betekent niet dat zij de concrete toestand van kabel 7B bij het aangaan van de overeenkomst kende of moest kennen. Dat zij deze moest kennen is gesteld en daartoe is aangevoerd dat HbR het gebrek moest kennen omdat zij de scheepslift heeft doen onderzoeken door een derde die het gebrek ten onrechte niet heeft onderkend. Zij verwijst terzake naar literatuur. De rechtbank acht dit standpunt echter niet te verenigen met de uitdrukkelijke ‘as is’ afspraak en ziet dus in dit geval geen reden om DHR in dit standpunt te volgen. Of de toestand van kabel 7B (al) bij het aangaan van de overeenkomst als gebrek moest worden gekwalificeerd kan in het midden blijven. Om deze redenen faalt het beroep op artikel 7:208 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.174. DHR doelt met ‘wettelijke eisen’ voor het overige op de Machinerichtlijn en het Warenwetbesluit Machines. Dat de Machinerichtlijn niet rechtstreeks tussen twee private partijen kan worden ingeroepen, staat niet ter discussie. DHR kan wel een beroep doen op nationale wetgeving waarin de richtlijn is geïmplementeerd, hier het Warenwetbesluit Machines.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.175. De kernvraag is of HbR kwalificeert als ‘fabrikant’ in de zin van artikel 2 sub i van de Machinerichtlijn althans artikel 1 van het Warenwetbesluit Machines. De rechtbank beantwoordt die vraag met ‘nee’, om de navolgende redenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HbR heeft de scheepslift niet ontworpen, geproduceerd, in de handel gebracht of in bedrijf gesteld zoals bedoeld in (de Machinerichtlijn en) het Warenwetbesluit Machines. Het standpunt van DHR dat het gereedmaken van de scheepslift voor ingebruikname door DHR kan worden gelijkgesteld aan ‘in bedrijf stellen’, is in zijn algemeenheid onjuist. Dat blijkt niet uit de op zich heldere definitie en de rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding om dat begrip zo te duiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.176. Het aanvullende standpunt van DHR dat HbR toch telt als fabrikant omdat zij een substantiële wijziging heeft aangebracht in de scheepslift door het besturingssysteem te vervangen, is na specifiek verweer van HbR onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd gehandhaafd. Nog daargelaten dat HbR betwist dat sprake is van vervanging van het besturingssysteem - zij stelt dat de PLC is vervangen door een nieuwe PLC zonder wijzigingen ten aanzien van de snelheid, belastingen of afmetingen van de machine - is onvoldoende concreet gesteld en gebleken dat de gerealiseerde wijziging gevolgen heeft voor de veiligheid van de scheepslift door een nieuw gevaar te creëren of een bestaand risico te vergroten (dat niet eenvoudig kan worden weggenomen of voldoende verminderd). En een dergelijk nieuw of groter gevaar is vereist om van een substantiële wijziging te kunnen spreken. Dit blijkt uit een door HbR overgelegde notitie ‘Wesentlichte Veränderung von Maschinen’, die blijkens de ‘Werkinstructie beoordelen van gewijzigde machines’ van het (Nederlandse) Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid afkomstig is van de Duitse toezichthouder en binnen de Europese Unie breed wordt gedragen. Op die notitie steunde deze rechtbank ook in een bestuursrechtelijke uitspraak van 16 februari 2024: “Onder “substantiële wijziging” wordt verstaan: niet door de fabrikant voorziene of geplande wijziging van een machine of verwant product met fysieke of digitale middelen nadat die machine of dat verwante product in de handel is gebracht of in bedrijf is gesteld, die gevolgen heeft voor de veiligheid van die machine of dat verwante product, door een nieuw gevaar te creëren of een bestaand risico te vergroten, zodat het volgende vereist is: a. a) de toevoeging van afschermingen of beveiligingsinrichtingen aan die machine of dat verwante product waarvan de realisatie een wijziging vereist van het bestaande veiligheidscontrolesysteem, of</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">b)</span>de vaststelling van aanvullende beschermingsmaatregelen om de stabiliteit of de mechanische sterkte van de machine of dat verwante product te waarborgen.”</div>\n<p class=\"lf-p\">5.177. Het standpunt van DHR dat de door HbR doorgevoerde wijzingen gevolgen hebben voor de veiligheid, is niet voldoende om te kunnen oordelen dat een nieuw gevaar is gecreëerd of een bestaand risico is vergroot. Ook de omschrijving die DHR’s expert [naam 3] in zijn e-mail van 26 juni 2023 geeft van hetgeen is gewijzigd, zoals blijkt uit de door hem bekeken documenten over de wijziging, wijst daar niet op. Hij schrijft dat het systeem is vervangen door een moderne digitale installatie voor de alarmering, de beveiliging en de bediening van de hydraulische ventielen, dat de starterkasten opnieuw zijn ingericht en dat dus het hart van de scheepslift is vervangen met nieuwe hardware en software.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat alles acht de rechtbank wel relevant voor de veiligheid, maar niet een nieuw gevaar of een vergroting van een bestaand risico. Hierop stuit het indirecte beroep op de Machinerichtlijn en op het Warenwetbesluit Machines af.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.178. Voor zover DHR nog betoogt dat de veiligheidseisen van de Machinerichtlijn en Warenwetbesluit Machines indirect doorwerken in de manier waarop de overeenkomsten met HbR over de scheepslift moeten worden uitgelegd, stuit dit standpunt af op de daarmee niet verenigbare expliciete afspraak dat de scheepslift ‘as is’ (maar voorzien van een klassecertificaat) zou worden opgeleverd. ( xx) Conclusie ten aanzien van HbR 5.179. Nu de aangevoerde grondslagen de vorderingen tegen HbR niet kunnen dragen, zullen de vorderingen tegen HbR worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.180. DHR zal als in de ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van HbR. Deze worden tot aan dit vonnis begroot op:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>griffierecht € 8.519,00</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>salaris advocaat* € 10.892,50 (2,5 punten x tarief VIII € 4.357,00)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>nakosten € 278,00 (plus de verhoging vermeld in de beslissing)+ Totaal € 19.689,50 *op basis van:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>conclusie van antwoord 1 punt</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>mondelinge behandeling 1 punt</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>conclusie van dupliek 0,5 punt + Totaal 2,5 punten 5.181. De nakosten gelden voor conventie en reconventie gezamenlijk en zullen in het dictum bij de kostenveroordeling in conventie worden vermeld. en voorts in reconventie ( xxi) Vordering I: verklaring voor recht ook ten aanzien van betalingen aan derden 5.182. HbR vordert onder I een verklaring voor recht dat DHR aansprakelijk is voor de schade die HbR lijdt althans nog zal lijden als gevolg van het ongeval met de scheepslift op 19 april 2018, waaronder met name vergoedingen die HbR terzake aan een of meer derden heeft betaald of zal betalen naar aanleiding van een schikking of procedure. De omvang van deze schade dient volgens HbR in een schadestaatprocedure te worden bepaald.</div>\n<p class=\"lf-p\">5.183. Niet in geschil is dat HbR in ieder geval door de belanghebbenden bij de sleepboot en hun verzekeraars is aangesproken tot schadevergoeding ter zake van het incident. HbR stelt dat deze verzekeraars inmiddels aan de belanghebbenden € 1.345.000,- hebben uitgekeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.184. HbR stelt dat als zij jegens derden aansprakelijk is, DHR haar moet vrijwaren op grond van artikel 7 lid 2 huurovereenkomst: “Gebruiker vrijwaart HbR tegen alle aanspraken van derden, die, uit welke hoofde dan ook, schade stellen te hebben geleden in verband met het gebruik van de Scheepslift.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.185. Deze grondslag kan vordering I dragen. Dat voor de belanghebbenden bij de sleepboot schade is ontstaan tijdens gebruik van de scheepslift is evident. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat HbR jegens deze derden (en, mogelijk afhankelijk van buitenlands recht, hun verzekeraars) aansprakelijk kan zijn vanwege het ongeval met de scheepslift, en dat is voldoende om DHR te veroordelen tot vergoeding van deze schade voor HbR, te begroten in een schadestaatprocedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.186. De gevraagde verklaring voor recht ziet ook op andere schade dan aansprakelijkheid jegens derden, namelijk meer algemeen de schade die HbR lijdt of zal lijden als gevolg van het incident met de scheepslift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als primaire grondslag voor dit deel van vordering I voert HbR aan dat uit artikel 26.1 van de tussen partijen overeengekomen Algemene Bepalingen, voor zoveel nodig in verbinding met artikel 7 lid 3 van de huurovereenkomst, volgt dat DHR als gebruiker aansprakelijk is voor elke schade aan de scheepslift, ongeacht door welke oorzaak deze is ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.187. Artikel 26.1 Algemene Bepalingen houdt in: “De Gebruiker is aansprakelijk voor elke schade aan de Onroerende Zaak en de Bebouwing, ongeacht door welke oorzaak deze is ontstaan.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.188. Artikel 7.3 van de huurovereenkomst luidt: “Uitdrukkelijk wordt bepaald dat de aansprakelijkheid van de Gebruiker als vermeld in artikel 25.1 van de Algemene Bepalingen eveneens van toepassing is op de Scheepslift.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.189. DHR betoogt (voornamelijk in conventie) dat het onder de omstandigheden van dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat HbR zich op artikel 26.1 Algemene Bepalingen beroept. Dit verweer steunt in belangrijke mate op de stelling dat - heel kort samengevat - aan HbR verwijten zijn te maken over hoe het ongeval heeft kunnen gebeuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verweer faalt, nu de aangevoerde verwijten in conventie zijn verworpen. Wat er overigens aan omstandigheden voorligt, rechtvaardigt niet de buitentoepassinglating van deze door partijen gemaakte afspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.190. De rechtbank zal de vordering I om deze redenen toewijzen en naar de schadestaat verwijzen voor het begroten van schade, voor zover deze niet al op vordering II onder a of c zal zijn toegewezen (beschadiging scheepslift en expertisekosten). ( xxii) Vordering II (a): schade aan de scheepslift 5.191. HbR vordert dat DHR wordt veroordeeld tot betaling van € 679.972 voor schade aan de scheepslift, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover. Deze vordering berust primair op artikel 26.1 Algemene Bepalingen in verbinding met artikel 7.3 huurovereenkomst. HbR heeft zich beroepen op het rapport van Verschoor &amp; Bras van 5 december 2019 waarin deze schade is begroot op € 679.972.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.192. DHR bestrijdt de vordering ten eerste op de grond dat HbR zelf is tekortgeschoten in de nakoming van haar contractuele verplichtingen jegens DHR.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de oordelen in conventie volgt dat dit verweer geen doel treft.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.193. Het tweede verweer luidt dat het onder de omstandigheden van dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat HbR zich op artikel 26.1 Algemene Bepalingen beroept. Dit verweer faalt om dezelfde redenen als overwogen in r.o. 5.189.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.194. De conclusie is dat DHR zal worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade aan HbR. Over het toe te wijzen bedrag zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf de schadedatum 19 april 2018, welke ingangsdatum niet is bestreden. ( xxiii) Vordering II (b): huurachterstand 5.195. HbR vordert dat DHR wordt veroordeeld tot betaling van € 126.738,35 aan achterstallige huur, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover. In de periode van 1 juli 2019 tot en met 30 september 2020 heeft DHR geen huur betaald aan HbR. In de beëindigingsovereenkomst van 6 oktober 2020 vastgelegd dat de betalingsachterstand € 126.738,35 bedraagt, stelt HbR.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.196. DHR verweert zich tegen deze vordering. Zij stelt dat zij als huurder geen huur is verschuldigd over de periode dat de scheepslift buiten gebruik is geweest, omdat zij over die periode immers niet het genot van het gehuurde heeft gehad.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.197. Hierop heeft HbR gereageerd met de stelling dat DHR niet alleen de scheepslift huurde maar ook het terrein, dat niets mankeerde. Bovendien is de huurder de huurprijs verschuldigd behoudens ontbinding of een vordering tot huurprijsvermindering maar beide zijn niet aan de orde. Blijkens artikel 7:207 lid 2 BW bestaat geen aanspraak op huurvermindering voor gebreken voor het ontstaan waarvan de huurder jegens de verhuurder aansprakelijk is. Dat is hier het geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.198. Daarop heeft DHR niet meer gereageerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.199. Bij die stand van zaken is het verweer onvoldoende gemotiveerd en zal de rechtbank deze vordering toewijzen. Voor zover DHR een beroep doet op artikel 7:207 BW, lag op haar weg om uit te leggen waarom aan lid 2 van dat artikel (“De huurder heeft geen aanspraak op huurvermindering terzake van gebreken (...) voor het ontstaan waarvan hij jegens de verhuurder aansprakelijk is.”) in dit geval niet de door HbR gestelde consequenties toekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.200. Op deze gronden zal de rechtbank € 126.738,35 toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente over de huurpenningen per periode vanaf de vervaldatum voor die periode. ( xxiv) Vordering II (c): expertisekosten 5.201. HbR vordert dat DHR wordt veroordeeld tot betaling van € 78.862,38 voor expertisekosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2022, de dag waarop de conclusie van antwoord (bedoeld lijkt: de conclusie van eis in reconventie, rb.) is genomen. Als grondslag voor deze vordering noemt HbR artikel 6:96 BW. Zij heeft de facturen van de experts overgelegd. Een deel van de facturen is voldaan door de verzekeraars van HbR, die aan HbR last hebben gegeven om in eigen naam regres te zoeken voor deze kosten, aldus HbR.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.202. Deze vordering en de gestelde last zijn door DHR niet afzonderlijk bestreden, zodat zal worden toegewezen: € 78.862,38, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2022. ( xxv) Vordering II (d): proceskosten 5.203. HbR vordert dat DHR wordt veroordeeld tot betaling de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na betekening van het vonnis als betaling uitblijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.204. Nu DHR als de in reconventie in het ongelijk gestelde partij geldt, wordt zij in de proceskosten van HbR veroordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De proceskosten van HbR worden op halve punten gewaardeerd, nu de reconventie samenhangt met de conventie, en begroot op:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>griffierecht € nihil</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>salaris advocaat* € 4.377,50 + (2,5 punten × 0,5 x tarief VII € 3.502,00) Totaal € 4.377,50 *op basis van:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>conclusie van eis in reconventie 1 punt</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>mondelinge behandeling 1 punt</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>akte wijziging eis in reconventie 0,5 punt + Totaal 2,5 punten 5.205. De nakosten in reconventie worden meegenomen in het dictum in conventie en komen dus niet in het dictum in reconventie terug.</div>\n<p class=\"lf-p\">5.206. De uitspraak zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard nu dit is verzocht en niet bestreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">6De beslissing De rechtbank in de zaak tussen DHR en LR EMEA 6.1. veroordeelt LR EMEA tot betaling aan DHR van € 2.172.061,24 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 13 december 2021 tot aan de dag van volledige betaling, 6.2. verklaart voor recht dat LR EMEA aansprakelijk is voor de door DHR geleden bedrijfsschade geleden in de periode van 1 mei 2018 tot 31 mei 2022 als gevolg van het ongeval met de scheepslift op 19 april 2018, 6.3. veroordeelt LR EMEA te veroordelen tot vergoeding van de in 6.2 bedoelde bedrijfsschade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, 6.4. veroordeelt LR EMEA tot betaling aan DHR te betalen de bedragen die DHR aan HbR zal blijken verschuldigd te zijn uit hoofde van de vrijwaringsclausule in de huurovereenkomst tussen HbR en DHR, 6.5. veroordeelt LR EMEA tot betaling van de proceskosten van DHR, begroot op € 24.049,82, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als LR EMEA niet binnen veertien dagen aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 6.6. verklaart dit vonnis wat de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad, 6.7. wijst af het meer of anders gevorderde, in de zaak tussen DHR en HbR: in conventie 6.8. wijst de vorderingen af, 6.9. veroordeelt DHR tot betaling van de proceskosten van HbR, begroot op € 19.689,50, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend en DHR niet binnen veertien dagen na betekening aan de veroordelingen voldoet, 6.10. verklaart dit vonnis wat de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad, in reconventie 6.11. verklaart voor recht dat DHR aansprakelijk is voor de schade die HbR lijdt althans nog zal lijden als gevolg van het ongeval met de scheepslift op 19 april 2018, waaronder vergoedingen die HbR terzake aan een of meer derden heeft betaald of zal betalen naar aanleiding van een schikking of procedure, 6.12. veroordeelt DHR tot vergoeding aan HbR van de in 6.11 bedoelde schade, met uitzondering van de hieronder in 6.13 en 6.15 toe te wijzen schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, 6.13. veroordeelt DHR tot betaling aan HbR van € 679.972 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 19 april 2018, 6.14. veroordeelt DHR tot betaling aan HbR van € 126.738,35 te vermeerderen met de wettelijke rente over de huurpenningen per periode vanaf de vervaldatum voor die periode, 6.15. veroordeelt DHR tot betaling aan HbR van € 78.862,38, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2022;</p>\n<p class=\"lf-p\">6.16. veroordeelt DHR tot betaling van de proceskosten van HbR, begroot op € 4.377,50, 6.17. verklaart dit vonnis wat de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad, 6.18. wijst af het meer of anders gevorderde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Laan, mr. C. Sikkel en mr. S.H.L. Niessen en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.</p>\n<p class=\"lf-p\">1885/3261/1573/1182 Waar in de correspondentie over LR, Lloyd’s of Lloyd’s Register wordt gesproken hanteert de rechtbank waar passend LR EMEA, nu inmiddels duidelijk is dat LR EMEA de betrokken Lloyd’s vennootschap is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de leesbaarheid schrijft de rechtbank in tegenwoordige tijd, ook al bestaat deze scheepslift niet meer.</p>\n<p class=\"lf-p\">DHR, MMT, Doldrums, Verreet en Endures gaan uit van 46 mm. Doldrums heeft de kabeldiameter naar eigen zeggen verkeerd opgegeven aan MMT (44 mm ipv 46 mm, zie productie 48 bij antwoord in reconventie). LR EMEA en McLarens gaan uit van 44 mm. LR EMEA schrijft in haar interne onderzoeksrapport dat de scheepslift alleen voor kabels van 44mm is gecertificeerd, dat de kabelschijven zijn bemeten op kabels van 44 mm en dat LR EMEA kabelcertificaten in haar archief heeft waaruit de 44 mm diameter blijkt. Aankoopfacturen of certificaten van kabels die dit punt ophelderen zijn niet overgelegd. De rechtbank laat dit verder in het midden en constateert dat LR EMEA verplicht was bij haar onderzoeken de kabeldiameters te doen meten zodat een ‘verkeerde’ kabeldiameter door haar zou (moeten) zijn opgemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij ieder Masterlist Item staat steeds onder ‘assigned’ een datum die vijf jaar voor de overdue date ligt, waaruit de rechtbank opmaakt dat dergelijk onderzoek tenminste eens per vijf jaar moest plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op dat moment nog genaamd Vanderwal &amp; Joosten B.V., de rechtbank noemt haar voor de overzichtelijkheid steeds McLarens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0895, r.o. 3.5 (Aardbeimijt).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6012, r.o. 3.4.1 (Duwbak ‘Linda’).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie r.o. 5.46 en 5.110 Artikel 8.6.1 Code LAME. De Periodical Surveys moeten uitgevoerd volgens de artikelen 8.6.2 tot 8.6.13 Code LAME, zie r.o. 5.25 Artikel 8.6.3 aanhef Code LAME, zie r.o. 5.25 Artikel 8.6.3 aanhef en onder a Code LAME, zie r.o. 5.25 Artikel 5.3.3 ISO 4309:2010, zie r.o. 5.27 Artikel 8.6.3 aanhef en onder (b) Code LAME, zie r.o. 5.25 Artikel 8.6.3. aanhef en onder (c) Code LAME, zie r.o. 5.25 Zie r.o. 5.40 Zie r.o. 5.46 Zie r.o. 5.41 Zie r.o. 5.42 Artikel 5.3.3 in verbinding met Annex A van ISO 4309:2010, zie r.o. 5.27 en r.o. 5.37 Artikel 5.6 ISO 4309:2010, zie r.o. 5.30 Artikel 8.6.4 aanhef en onder (c) in samenhang met Artikel 8.6.3 aanhef en onder (b) Code LAME, zie r.o. 5.25 HR 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende machines en tot wijziging van Richtlijn 95/16/EG (herschikking). Deze geldt voor machines, zoals de scheepslift, die voor 1995 in de handel zijn gebracht. De Machineverordening (EU) 2023/1230 gold in de relevante periode nog niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:RBROT:2024:985 (r.o. 6.2.4).</p></div>", "next": 0}