{"html": "<div class=\"lf-doc\"><div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">83.</span>Ad c. De getuigen in deze zaak hebben - ieder voor zich - gemotiveerd aangegeven verdachte te kennen(183), bijvoorbeeld omdat hij de zoon van een machtige koopman was, zij bij hem of zijn familieleden op school hebben gezeten, zij regelmatig koffie aan hem verkochten etcetera. De rechtbank heeft in de omstandigheid dat verdachte ten aanzien van vrijwel elke getuige à charge heeft aangegeven dat hij deze getuige niet kent (en ook overigens) geen aanwijzing gevonden om de getuigenverklaringen op dit punt in twijfel te trekken. Immers, verdachte was in het gebied waarin hij woonachtig was een bekend persoon, zodat het goed voorstelbaar is dat er getuigen zijn die hém wel kennen maar hij hén niet.</div>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank neemt afstand van het verwijt van de raadsman dat het onderzoek van het Openbaar Ministerie gebrekkig is geweest, omdat er geen confrontaties van de getuigen met verdachte hebben plaatsgevonden. Het is een door alle gezaghebbende wetenschappers op dit punt erkend uitgangspunt dat het een strikte voorwaarde is bij herkenningstesten dat de getuige de verdachte bij geen andere gelegenheid dan het misdrijf gezien kan hebben.(184) Anders ontstaat het probleem van \"plaatsing\", waarmee wordt gedoeld op de situatie waarin de getuige weet dat hij de hem getoonde verdachte kent, maar niet meer weet waarvan. Ten aanzien van alle getuigen à charge - behoudens [getuige 4] - kan worden vastgesteld dat zij verdachte ook bij een andere gelegenheid dan de tenlastegelegde feiten hebben gezien.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de literatuur wordt dan ook gesteld dat het probleem van herkenning van bekende personen niet met behulp van een gecontroleerde identificatieprocedure nader getoetst kan worden en dat de herkenning eigenlijk op het gezag van de getuige aanvaard moet worden. Wel kan de waarnemingssituatie geëvalueerd worden, aldus de deskundigen, waarbij de in hoofdstuk 6 (waardering van getuigenbewijs) te bespreken aandachtspunten van belang zijn.(185) 84. Het Openbaar Ministerie heeft overigens eveneens gelijk waar het stelt dat een (f)oslo in 2006 of later uitsluitend iets zegt over de vraag of de getuige meer dan tien jaar later de verdachte nog herkent, en erg weinig over de vraag of de getuige in 1994 de verdachte kon herkennen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kritiek op de rechter-commissaris 85. De raadsman heeft in zijn pleidooi uitvoerig aandacht besteed aan alle vragen die hij aan getuigen had willen stellen, maar die in zijn visie ten onrechte door de rechter-commissaris zijn belet.(186) De raadsman heeft weliswaar geen conclusie aan zijn stellingen verbonden, maar de rechtbank gaat er vanuit dat de raadsman heeft willen betogen dat aldus aan de rechten van verdachte op een eerlijk proces tekort is gedaan. Dat betoog wordt verworpen op grond van het volgende.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">86.</span>De rechtbank heeft vastgesteld dat de rechter-commissaris inderdaad antwoorden op bepaalde vragen van de raadsman heeft belet.(187) De rechter-commissaris heeft de wettelijke bevoegdheid om vragen te beletten om te voorkomen dat de getuige moet antwoorden op vragen van de verdachte (of diens raadsman) of het Openbaar Ministerie die overbodig zijn, hem nadeel kunnen berokkenen of waardoor diens goede naam wordt aangetast. De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat de rechter-commissaris bij het overgrote deel van de door hem of haar belette antwoorden de reden daarvoor in het proces-verbaal van verhoor van de desbetreffende getuige heeft gerelateerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de rechter-commissaris, gelet op de daarvoor in het proces-verbaal opgenomen motivering, het antwoord op de meeste vragen terecht belet.(188) Het spreekt bijvoorbeeld vanzelf dat de vraag van de raadsman aan getuige [getuige 14] waarom hij, toen hij verstopt lag onder de lijken, de twee vrouwen die onder zijn ogen werd verkracht, niet te hulp is geschoten, werd belet als onnodig kwetsend voor de getuige en ontbloot van menselijk inlevingsvermogen.(189) 87. Niet in alle gevallen is de reden voor het beletten van het antwoord op een vraag gerelateerd in het proces-verbaal, hetgeen overigens ook niet wettelijk verplicht is. Uit het proces-verbaal blijkt niet dat de raadsman in die gevallen de relevantie van de vraag had toegelicht aan de rechter-commissaris.(190) 88. Opvallend is dat de raadsman bij pleidooi steeds melding heeft gemaakt van de door de rechter-commissaris belette vragen of antwoorden, maar slechts in één geval aan de rechtbank heeft verzocht om de belette vragen nogmaals aan de desbetreffende getuigen voor te leggen.(191) Deze vragen zijn daarop - in opdracht van de rechtbank - opnieuw aan de getuigen voorgelegd of op een andere manier beantwoord.(192) Ook een aantal andere vragen, waarop het antwoord van de getuigen door de rechter-commissaris bij eerdere verhoren was belet, is tijdens de rogatoire reizen in december 2008 en januari 2009 overigens alsnog beantwoord.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">89.</span>Gelet op het voorgaande is - ook op dit punt - van een inbreuk op de verdedigingsrechten van verdachte geen sprake.</div>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 6: Waardering van getuigenbewijs Inleiding 1. Het bewijs van de aan verdachte verweten feitelijke gedragingen bestaat hoofdzakelijk uit verklaringen van (oog)getuigen. In het dossier Maton figureren meer dan 50 getuigen en het dossier bevat meer dan 100 getuigenverklaringen. De oudste verklaring dateert van 10 september 1996 en de meest recente van 27 januari 2009.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het dossier bevat verklaringen van getuigen afgelegd tegenover:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de Nationale Recherche;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de rechter-commissaris;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het Rwanda-tribunaal in de vorm van trial testimonies en witness statements;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>gacaca's;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Canadese dan wel Amerikaanse autoriteiten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het Parquet Général in Rwanda.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De waardering van de diverse getuigenverklaringen vormt voor de rechtbank, zoals het Openbaar Ministerie het heeft verwoord, het \"pièce de résistance\" in deze strafzaak. Die waardering zal op basis van 'papier' moeten geschieden. De rechtbank heeft immers geen getuigen ter zitting gehoord. Wel hebben drie getuigen in hun hoedanigheid van slachtoffer dan wel nabestaande en beledigde partij een verklaring ter zitting afgelegd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Over de wijze waarop deze waardering zal plaatsvinden - vanuit welke invalshoeken en aan de hand van welke aandachtspunten - handelt dit hoofdstuk.</div>\n<p class=\"lf-p\">Algemene opmerkingen 5. Deze zaak wordt beoordeeld op grond van Nederlands recht. Dit betekent onder meer dat als wettige bewijsmiddelen alleen worden erkend de in artikel 339 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) genoemde middelen en dat de bewijsminimumregels van artikel 341-344a Sv van toepassing zijn. Zo mag de bewezenverklaring niet op de verklaring(en) van slechts één getuige berusten (de \"unus testis nullus testis\"-regel). De bewijsminima geven uitdrukking aan het beginsel van de dubbele bevestiging, dat inhoudt dat er steeds twee van elkaar onafhankelijke bronnen moeten zijn om tot bewezenverklaring van een strafbaar feit te komen. Deze eis vindt zijn grond in de gedachte dat het onverantwoord is iemand te veroordelen enkel en alleen op grond van de mededelingen van één persoon. Uitgangspunt in ons strafrechtsstelsel is verder dat de rechter vrij is in de selectie en waardering van de (wettige) bewijsmiddelen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Het Rwanda-tribunaal kent geen bewijsminimumregels. Het is vaste jurisprudentie van het tribunaal dat zij geen \"unus testis nullus testis\"-regel hanteert;(193) ook een veroordeling op basis van één verklaring, zonder steunbewijs, is mogelijk, zelfs als dit een de auditu-verklaring betreft.(194) 7. Onderzoek wijst uit dat ooggetuigenverklaringen, zelfs als die onder de meest gunstige omstandigheden zijn afgelegd, regelmatig niet accuraat zijn. Om die reden moeten getuigenverklaringen in het algemeen kritisch worden bekeken. Zie hierover in Het Recht van Binnen, psychologie van het recht: \"Herinneringen zijn niet per definitie betrouwbaar en de subjectieve zekerheid over de juistheid ervan is geen garantie voor accuratesse. Fouten kunnen optreden door allerlei oorzaken. Er zijn zelfs zoveel factoren die tot onjuistheden kunnen leiden en er is zo weinig dat gedaan kan worden om ze te voorkomen, dat men zich kan afvragen of herinneringen eigenlijk ooit wel te vertrouwen zijn. Is alles wat we ons denken te herinneren niet een illusie? (...) Voor de rechtspleging is het antwoord echter niet zo geruststellend. Juist de situaties waar het in de rechtspraak vaak om gaat, zoals het herinneren van emotionele en onverwachte gebeurtenissen die veel aandacht krijgen, en waar het essentieel is dat specifieke details correct zijn, blijken het meest gevoelig voor fouten. Dat betekent niet dat alle (oog)getuigenverklaringen nu gewantrouwd moeten worden. Het betekent wel dat dergelijke verklaringen kritisch moeten worden bekeken en dat hun rol in de bewijsvoering zorgvuldig moet worden geëvalueerd\".(195) 8. De grenzen aan het menselijk waarnemingsvermogen en geheugen zijn evident. Door zowel interne processen als externe factoren wordt het geheugenspoor van de originele ervaring veranderd of aangevuld. Het probleem daarbij is dat de bron van die veranderingen of aanvullingen niet wordt opgemerkt of wordt vergeten. Die bron kan bestaan uit interne processen, zoals selectieve waarneming en interpretatie tijdens het ervaren van de originele gebeurtenis of reconstructie tijdens het ophalen. De bron kan ook bestaan uit externe factoren, zoals het integreren van later verkregen informatie in het geheugenspoor van de originele ervaring, of het accepteren van gesuggereerde gebeurtenissen als echte herinneringen. De oorzaak van \"fouten\" in het geheugen is dikwijls een vorm van bronverwarring, ook wel bronamnesie genoemd.(196) 9. De Nederlandse jurisprudentie geeft geen 'harde criteria' op grond waarvan kan worden bepaald of een getuige geloofwaardig is en zijn verklaring betrouwbaar. Algemeen aanvaard uitgangspunt is wel dat de rechter dient na te gaan of een getuigenis gezien de persoon die dit geeft, de omstandigheden waaronder het tot stand is gekomen en de feitelijke informatie die het bevat, voldoende betrouwbaar en aannemelijk is om als bewijsmiddel te worden gebruikt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">10.</span>De beoordeling van de geloofwaardigheid van de getuige en de betrouwbaarheid en aannemelijkheid van de getuigenverklaringen in deze zaak is een lastige opgave, en moet te meer kritisch geschieden, nu de getuigen in dit dossier vrijwel allen afkomstig zijn uit een andere omgeving en cultuur dan de onze, zij hebben verklaard over gebeurtenissen die zich bijna 15 jaar geleden hebben afgespeeld, in een ander deel van de wereld, en welke van een dermate dramatisch karakter zijn dat zij het voorstellingsvermogen haast te boven gaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">11.</span>De Nederlandse strafrechter heeft zich in de afgelopen jaren vaker gebogen over getuigenbewijs in internationale strafzaken, waarbij de aan de verdachte verweten gedragingen ver in het verleden lagen, plaatsvonden in een ander werelddeel en het dossier grotendeels uit verklaringen van getuigen afkomstig uit een 'ver buitenland' bestond. In die zaken werden om die reden de getuigenverklaringen met behoedzaamheid bezien; een zelfde behoedzaamheid als de rechtbank in deze zaak zal betrachten. Zie bijvoorbeeld rechtbank 's-Gravenhage in de zaak tegen de Afghaanse generaal [F.]: \"De strafzaak tegen de verdachte betreft feiten welke zich meer dan twintig jaar geleden hebben afgespeeld in een door politieke, religieuze en etnische geschillen en door gewelddadigheden verscheurd land. Veel van die geschillen bestaan tot op de dag van vandaag. Dit gegeven, maar met name het tijdsverloop maakt het noodzakelijk de getuigenverklaringen met behoedzaamheid te bezien. Dit is temeer van belang waar het hier gaat om gebeurtenissen in een samenleving, welke op alle gebieden - cultureel, technisch, economisch en politiek - zo volstrekt verschillend is van de Nederlandse, dat ook de rechtbank op bijna geen enkel punt kan terugvallen op feiten of omstandigheden 'van algemene bekendheid' en op inzichten in gebruikelijke organisatievormen en verhoudingen en aldus belemmerd wordt bij haar beoordeling van de getuigenverklaringen\".(197) 12. Ook het gerechtshof 's-Gravenhage in de zaak [K.] heeft, ten aanzien van verdachtes eigen verklaring, gewezen op deze bijzonderheden en tot voorzichtigheid gemaand: \"[Met bovenstaande overwegingen] wil het hof bovendien duidelijk maken, hoe lastig het is de feitelijke situatie in een dergelijk 'ver buitenland' vast te stellen en hoe voorzichtig daarom moet worden omgegaan met de beoordeling van de juistheid of onjuistheid van afgelegde verklaringen tegen de achtergrond van die feitelijke situatie, waarmee de Nederlandse justitie niet op voorhand vertrouwd is\".{198} Uitgangspunten bewijswaardering 13. Het Openbaar Ministerie heeft aangegeven dat het zich voor het bewijs in deze zaak hoofdzakelijk baseert op de verklaringen die de getuigen hebben afgelegd tegenover de (Nederlandse) rechter-commissaris. In aanvulling daarop put het Openbaar Ministerie bewijs uit de verklaringen van deze getuigen tegenover de Nationale Recherche en het Rwanda-tribunaal.(199) 14. De rechtbank onderschrijft het uitgangspunt van het Openbaar Ministerie dat ter beoordeling primair voorliggen de - verdachte belastende - verklaringen die de getuigen hebben afgelegd tegenover de (Nederlandse) rechter-commissaris. Deze verklaringen zijn immers afgelegd voor een rechter en zijn expliciet gericht op de schuld of onschuld van deze verdachte. Bovendien hebben zowel het Openbaar Ministerie als de verdediging tijdens deze verhoren de gelegenheid gehad de getuigen uitvoerig te ondervragen en de geloofwaardigheid van de getuige en de betrouwbaarheid van diens verklaring te toetsen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">15.</span>Het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben over de wijze waarop getuigenverklaringen in dit dossier moeten worden beoordeeld zienswijzen en standpunten ingenomen. Het Openbaar Ministerie heeft in dit verband toetsingskaders geformuleerd en aan de rechtbank voorgelegd en uitgebreide overwegingen gewijd aan hetgeen bij de beoordeling van getuigenverklaringen van belang kan zijn. De rechtbank zal in dit hoofdstuk een toetsingskader formuleren waarbinnen de getuigenverklaringen zullen worden beoordeeld. Om tot een toetsingskader te komen vergt het volgende bespreking.</div>\n<p class=\"lf-p\">I: Persoon van de getuige 16. De rechtbank zal onderzoeken of er omstandigheden aannemelijk zijn geworden die mogelijk van invloed zijn op de geloofwaardigheid van de getuige. Zij zal daartoe nagaan of de getuige betrokkenheid heeft bij de tenlastegelegde feiten, alsmede of de getuige een belang of motief heeft - persoonlijk, etnisch, financieel of anderszins - om in strijd met de waarheid een voor verdachte belastende verklaring af te leggen.(200) Verder kan van belang zijn of de getuige verdachte kent, en zo ja, uit welke hoofde en in welke mate en of de getuige één of meer van de andere getuigen die verdachte belast(en) kent.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">17.</span>De rechtbank zal ook onderzoeken of getuigen onderscheid hebben kunnen maken tussen wat zij zelf hebben gezien en wat zij van anderen hebben gehoord (hearsay). Voorts heeft zij oog voor mogelijk verstorende effecten ten gevolge van culturele verschillen. Zo zal worden bezien of een getuige moeite heeft met tijd-, ruimte- en afstandbepaling en/of zich wellicht niet kan oriënteren aan de hand van kaarten, foto- en beeldmateriaal, alsmede de wijze waarop een getuige reageert op vragen, met name delicate, en deze beantwoordt.(201) 18. De meeste getuigen in dit dossier zijn getraumatiseerde getuigen. Niet kan worden gezegd dat een getraumatiseerde getuige minder betrouwbaar is dan een niet getraumatiseerde getuige. Wel is het zo dat herinneringen aan centrale details van een traumatische gebeurtenis vaak accurater en vollediger zijn dan herinneringen aan perifere details van eenzelfde gebeurtenis. Hiervoor zijn twee redenen aan te wijzen: de aandacht richt zich op bedreigende, centrale details van een gebeurtenis (het zogenoemde \"weapon focus effect\").(202) Daarnaast vernauwen de grenzen van het traumatische beeld (\"boundary restriction\"). Dit houdt in dat er minder achtergrond wordt waargenomen waardoor elementen die zich in de marge van een emotioneel beeld bevinden worden vergeten.(203) 19. In het dossier figureren twee getuigen die destijds kind waren. (Rechts)psychologisch onderzoek heeft laten zien dat het geheugen van kinderen wel degelijk accuraat is en dat kinderen accuraat kunnen vertellen over gebeurtenissen die enige jaren eerder hebben plaatsgevonden.(204) Er zijn dan ook geen redenen om a priori aan te nemen dat verklaringen van kinderen niet betrouwbaar zijn vanwege de leeftijd van de kinderen, ook niet als zij spreken over gebeurtenissen die enige jaren eerder hebben plaatsgevonden.</div>\n<p class=\"lf-p\">II: Totstandkoming van de getuigenis 20. De rechtbank zal onderzoeken of er in de wijze van totstandkoming van de getuigenis of ten tijde van het verhoor omstandigheden zijn aan te wijzen die van invloed kunnen zijn geweest op de betrouwbaarheid van de inhoud van de verklaringen. De rechtbank legt daarbij de nadruk op de totstandkoming van de verklaringen afgelegd tegenover de rechter-commissaris, omdat deze, zoals gezegd, primair voorliggen ter beoordeling. In verband met de wijze van verhoor is relevant de manier van vragen stellen, het soort vragen dat wordt gesteld, de inhoud van de vragen, de houding en het gedrag van de verhoorder. Van belang is voorts of er aanwijzingen zijn voor communicatieproblemen of misverstanden tussen de verhoorder en de getuige of tussen de tolk en de getuige. Daarnaast is van belang of de getuige één of meer van de andere getuigen die verdachten belast(en) kent en met hem of haar over de onderhavige zaak contact heeft gehad alvorens een verklaring af te leggen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">21.</span>De rechtbank dient vervolgens na te gaan of een getuigenverklaring, gezien de feitelijke informatie die het bevat, voldoende betrouwbaar en aannemelijk is om als bewijsmiddel te worden gebruikt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Betrouwbaarheid van de verklaring in objectieve zin 22. Het Openbaar Ministerie heeft voor wat betreft de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring van getuigen in objectieve zin het beoordelingskader dat het gerechtshof 's-Gravenhage in de zaak [K.] heeft geschetst overgenomen. De relevante overwegingen van het hof luiden als volgt: \"Ten aanzien van het bewijsmiddel 'verklaring van een getuige' geldt (evenals voor de verklaring van de verdachte) in algemene zin dat die verklaring reeds vanwege de subjectiviteit van de waarneming, nog daargelaten mogelijk falende herinnering of kwade bedoeling van de betrokken getuige, per definitie een minder hard karakter heeft. De beoordeling van de betrouwbaarheid (in objectieve zin) van door getuigen afgelegde verklaringen zal mede (curs. rb) moeten plaatsvinden aan de hand van:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">a)</span>de toetsing aan objectieve, van elders verkregen gegevens zoals met betrekking tot de situatie ter plaatse,</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">b)</span>de consistentie van opeenvolgende, door de desbetreffende getuige afgelegde verklaringen,</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">c)</span>de overeenstemming van die verklaring(en) met hetgeen andere getuigen stellen en - ten slotte -</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">d)</span>de (op zichzelf minder 'hard' vast te stellen) plausibiliteit van de inhoud van de afgelegde verklaring(en).\"(205) 23. Uit de jurisprudentie van het Rwanda-tribunaal blijkt - zoals het Openbaar Ministerie ook heeft benadrukt - dat het tribunaal de getuigenverklaringen langs dezelfde meetlat legt als het gerechtshof in de zaak [K.] heeft gedaan en ook vanuit de andere genoemde invalshoeken - de persoon van de getuige en de totstandkoming van het verhoor - beziet. Zie naast de relevante overwegingen in de zaken Akayesu(206) en Semanza(207), bijvoorbeeld de uitspraak van de Kamer van Berechting in de zaak Nchamihigo: \"15. The jurisprudence on the recollection of details is also well formulated. The events about which the witnesses testified occurred more than a decade before the trial. Discrepancies attributable to the lapse of time or the absence of record keeping, or other satisfactory explanation, do not necessarily affect the credibility or reliability of the witnesses. The Chamber will evaluate the testimony of each witness in the context of the testimony as a whole and determine to what extent it can believe and rely on the testimony. In making this assessment, the Chamber will consider whether the testimony was inconsistent with prior statements made by the witness and, if so, the cause of the inconsistency. The Chamber will also consider the internal consistency and integrity of the testimony and the context in which it was given. The Chamber will compare the testimony of each witness with the testimony of other witnesses and with the surrounding circumstances. The Chamber will explain the criteria on which it acts on a case-by-case basis.\" (onderstr. rb)(208) alsmede - nog recenter - de uitspraak van de Kamer van Berechting van het Rwanda-tribunaal in de zaak Bikindi van 2 december 2008: \"31. When evaluating viva voce evidence, the Chamber considered various factors, including the witnesses' demeanour in court, the plausibility and clarity of their testimony, and whether there were contradictions or inconsistencies within their testimony or between their testimony and their prior statements relied upon in court or admitted as exhibits. It also considered the individual circumstances of the witnesses, including their role in the events in question, their relationship with the Accused and whether the witnesses would have an underlying motive to give a certain version of the events.\" (onderstr. rb)(209) 24. De rechtbank deelt de visie van het Openbaar Ministerie dat dit beoordelingskader ook in deze zaak houvast kan bieden bij de beoordeling van de getuigenverklaringen.</div>\n<p class=\"lf-p\">III: De toetsing aan objectieve, van elders verkregen gegevens zoals met betrekking tot de situatie ter plaatse.</p>\n<p class=\"lf-p\">Forensisch onderzoek 25. De rechtbank heeft in hoofdstuk 5 reeds vastgesteld dat alle mogelijkheden voor forensisch onderzoek zijn benut. De mogelijkheid van toetsing van de verklaringen van de getuigen aan objectieve gegevens is, zo blijkt, beperkt. De toetsing kan slechts geschieden aan de hand van het achtergrondmateriaal over de Rwandese genocide in 1994 dat zich in het dossier bevindt, de feitelijke vaststellingen van het Rwanda-tribunaal zoals over het Zevendedags Adventistencomplex (Mugonero), het beeldmateriaal behorende bij het door het Rwanda-tribunaal verrichte onderzoek met betrekking tot het Zevendedags Adventistencomplex, de foto's van de Nationale Recherche en het beeldmateriaal van de verrichte schouw. Voorts bevinden zich in het zaaksdossier-[gezin getuigen 3 en 4] rapporten van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) over een door het echtpaar ter beschikking gestelde brief. Het feit dat het objectief bewijsmateriaal als door de raadsman bedoeld niet voorhanden is, maakt in ieder geval niet dat een betrouwbaarheidstoets op voorhand niet mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaststellingen Rwanda-tribunaal 26. De raadsman heeft betoogd dat de rechtbank geen vaststellingen van het Rwanda-tribunaal ten nadele van verdachte mag overnemen indien deze zijn gebaseerd op getuigenonderzoek, documentonderzoek en/of deskundigenonderzoek en de verdediging deze getuigen en deskundigen niet heeft kunnen ondervragen en/of de desbetreffende onderliggende documenten niet heeft kunnen inzien.(210) 27. Sommige feitelijke vaststellingen van het Tribunaal, zoals de vaststelling dat op 16 april 1994 op het Mugonero-complex een aanval op Tutsi-vluchtelingen heeft plaatsgevonden en op 13 mei 1994 op de Muyira heuvel, hebben ook in deze zaak als uitgangspunt te gelden. Deze vaststellingen zijn na uitgebreid onderzoek door het Tribunaal gedaan en de rechtbank ziet geen enkel aanknopingspunt om aan de juistheid daarvan te twijfelen. Weliswaar zijn de vaststellingen gebaseerd op onder meer verklaringen van getuigen en deskundigen alsmede documenten, zonder dat de verdediging op de totstandkoming daarvan enige invloed heeft kunnen uitoefenen, doch dat maakt niet dat de rechtbank de vaststellingen niet kan overnemen, te meer niet nu de verdediging niet (concreet) heeft aangegeven welke feitelijke vaststellingen zij betwist, en op welke grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">IV: De consistentie van opeenvolgende, door de desbetreffende getuige afgelegde verklaringen; en VI: de overeenstemming van die verklaring(en) met hetgeen andere getuigen hebben verklaard Status verklaringen 28. De beoordeling van de verklaringen die getuigen tegenover de rechter-commissaris en de Nationale Recherche hebben afgelegd, zal mede geschieden in het licht van a) de verklaringen die deze getuigen, voor zover relevant, eerder tegenover andere instanties - waaronder het Rwanda-tribunaal, het Parquet Général in Rwanda, Canadese en Amerikaanse autoriteiten en de gacaca's - hebben afgelegd, b) de verklaringen van andere getuigen bij één of meer van de genoemde instanties en c) de verklaringen van verdachte.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">29.</span>Zoals hierboven weergegeven bevinden zich bij de stukken diverse verklaringen die getuigen hebben afgelegd tegenover onderzoekers en/of rechters van het Rwanda-tribunaal. Het gaat om witness statements en trial testimonies. Witness statements betreffen verklaringen die (potentiële zittings-) getuigen hebben afgelegd tegenover onderzoekers van het Rwanda-tribunaal. Deze statements zijn over het algemeen niet erg uitgebreid en in ieder geval niet woordelijk uitgewerkt. Vaak hebben de onderzoekers van het Rwanda-tribunaal (of van de Rwandese autoriteiten)(211) de getuigen (slechts) gericht gevraagd naar de persoon jegens wie een onderzoek werd verricht(212) dan wel naar een bepaald concreet incident.(213) Trial testimonies betreffen de verklaringen van getuigen die op een terechtzitting - in het openbaar of achter gesloten deuren - tegenover de rechters van het Rwanda-tribunaal zijn afgelegd, in aanwezigheid van de aanklager en de verdediging. Van deze verklaringen zijn over het algemeen letterlijke verslagen beschikbaar. Hetzelfde onderscheid kan worden gemaakt ten aanzien van de verklaringen die getuigen hebben afgelegd tegenover Canadese en Amerikaanse onderzoekers respectievelijk rechters.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">30.</span>Het Openbaar Ministerie heeft gewezen op de beperkingen van de statements die zijn afgelegd tegenover onderzoekers van het Rwanda-tribunaal en de mogelijkheid van misslagen daarin. Het Openbaar Ministerie heeft uitgelegd dat direct na de genocide honderden onderzoekers van de Verenigde Naties over Rwanda zijn uitgewaaierd om zoveel mogelijk informatie te verzamelen. Vele duizenden statements, ook wel interviews genoemd, zijn op deze manier op papier gezet. Ook in de jaren daarna zijn statements opgenomen, vaak gericht op lopende onderzoeken tegen bepaalde verdachten of in verband met concrete incidenten. Het kan niet anders dan dat de statements, zeker de eerste jaren, onder primitieve omstandigheden zijn opgenomen. Het land \"lag immers plat\". De statements zijn bovendien opgenomen door onderzoekers van over de hele wereld met onbekende vaardigheden, gebruiken en achtergronden en met behulp van tolken, waarvan het niveau en de kwaliteit evenmin bekend zijn. Om deze redenen moet aan de statements maar een relatieve waarde worden toegekend. Het Openbaar Ministerie heeft gewezen op diverse overwegingen van het Rwanda-tribunaal, gewijd aan de diverse \"zwaktes\" in statements, waaruit volgt dat het tribunaal de bewijswaarde - om onder meer genoemde redenen - aanzienlijk minder acht dan van een verklaring afgelegd tegenover rechters.(214) 31. Het Openbaar Ministerie heeft voorts betoogd dat de waarde van gacaca-verklaringen, althans de gacaca-verklaringen die zich in het dossier bevinden, als instrument om de betrouwbaarheid van een getuige te meten, zeer beperkt is. Daarvoor acht het de volgende factoren van belang: van ondervraging van de getuige zoals dat in het Nederlandse strafproces of de procedure bij de internationale tribunalen aan de orde is, is geen sprake. Gacaca-verslagen hebben meer het karakter van notulen van een vergadering. Het is niet bekend hoe de gacaca-bijeenkomsten zijn verlopen: of daar bepaalde personen of incidenten centraal stonden, of iedereen die wilde spreken aan het woord kwam, of alles wat men wilde zeggen, gezegd kon worden etc. De vastlegging is zeer fragmentarisch. Niet kan worden beoordeeld of het een adequate vastlegging is van wat er tijdens de bijeenkomst is gezegd. Het is verder moeilijk te beoordelen of degene die aan het woord is geweest zijn opmerkingen heeft gemaakt in relatie tot een bepaalde persoon, in reactie op een opmerking van iemand anders etc., aldus het Openbaar Ministerie.(215) 32. De rechtbank heeft nota genomen van de stellingen van het Openbaar Ministerie terzake van de statements en gacaca-verklaringen - stellingen welke de raadsman niet heeft bestreden - en zal daaraan waar nodig bij de bespreking van de tenlastegelegde feiten en de individuele getuigenverklaringen nader aandacht besteden. Op deze plaats volstaat de rechtbank met de constatering dat de stellingen van het Openbaar Ministerie in ieder geval geen aanleiding geven om de statements in het algemeen te bestempelen als bewijsmiddelen waaraan slechts een geringe bewijskracht kan worden toegekend. Het gegeven dat ten tijde van het afleggen van een statement over het algemeen aanzienlijk minder tijd was verstreken sinds de gebeurtenissen van 1994 - en deze gebeurtenissen aldus voor de getuigen 'verser in het geheugen' lagen - dan ten tijde van de totstandkoming van de overige verklaringen, maakt reeds dat de inhoud van de statements wel degelijk van groot belang kan zijn. Algemeen bekend is immers dat in de loop van de tijd herinneringen minder gedetailleerd worden door vergeten. Steeds zal moeten worden bezien in welke context een statement tot stand is gekomen, wat aan een getuige is gevraagd en wat de getuige heeft geantwoord.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">33.</span>De raadsman heeft betoogd, zo begrijpt de rechtbank, dat de rechtbank gebonden is aan de inhoud van een statement of trial testimony indien een getuige tegenover de onderzoekers of rechters van het Rwanda-tribunaal heeft aangegeven naar waarheid te hebben verklaard.(216) Dit betoog wordt verworpen. Het is aan de rechtbank om zich een oordeel te vormen over de betrouwbaarheid van de inhoud van de voorhanden verklaringen en de mededeling van de getuige dat hij naar waarheid heeft verklaard speelt daarbij slechts een marginale rol. Het betoog van de raadsman impliceert overigens dat de rechtbank de inhoud van de diverse de verdachte belastende verklaringen die tegenover de rechter-commissaris zijn afgelegd ook steeds als juist zou moeten aannemen, reeds omdat de betreffende getuige tegenover een rechter heeft verklaard de waarheid te hebben gesproken. Het moet er voor worden gehouden dat de raadsman dit niet heeft willen betogen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Onderzoek naar (bron van) discrepanties, inconsistenties of tegenstrijdigheden 34. De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaringen van de getuigen alleen betrouwbaar kunnen worden geacht en tot bewijs van het tenlastegelegde gebezigd als de verklaringen onderling consistent zijn. Aangezien geen van de getuigen consistent heeft verklaard, heeft de raadsman nu eens geconcludeerd dat de verklaringen uitgesloten dienen te worden van het bewijs, dan weer dat zij niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">35.</span>Het Openbaar Ministerie heeft - kort gezegd - gesteld dat wanneer getuigen door de jaren heen verschillende verklaringen hebben afgelegd, tussen die verklaringen onderling bijna als vanzelfsprekend verschillen bestaan. Alleen substantiële inconsistenties dienen te worden geanalyseerd en gewogen. Daarbij moet volgens het Openbaar Ministerie acht worden geslagen op een aantal mogelijke oorzaken voor dergelijke inconsistenties, waaronder: culturele aspecten, trauma, tijdsverloop, de omstandigheden waaronder en het doel waarmee de verklaringen zijn opgenomen, het feit dat er in een vertaling veel verloren kan gaan, vergissingen van de getuigen dan wel van andere procesdeelnemers etcetera. Wanneer er geen bevredigende verklaring voor wezenlijke inconsistenties bestaat, kàn dit invloed hebben op de bewijskracht van een verklaring. Het Openbaar Ministerie heeft als consequenties die aan inconsistenties verbonden kunnen worden achtereenvolgens genoemd: het constateren van de inconsistentie zonder verdere gevolgen; het inconsistente deel van de verklaring niet gebruiken voor het bewijs; steunbewijs verlangen voor het inconsistente deel; integrale diskwalificatie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">36.</span>De rechtbank overweegt dat deze visie van het Openbaar Ministerie niet alleen steun vindt in de nationale rechtspraak, maar ook in de rechtspraak van de internationale tribunalen. Uit de rechtspraak van de internationale tribunalen blijkt dat inconsistenties regelmatig worden toegeschreven aan dezelfde als de door het Openbaar Ministerie genoemde oorzaken en niet per se meebrengen dat verklaringen niet tot het bewijs worden gebezigd. Zo heeft de Kamer van Beroep van het Joegoslavië-Tribunaal in de zaak Kupreškic in paragraaf 31 bijvoorbeeld overwogen: \"The presence of inconsistencies in the evidence does not, per se, require a reasonable Trial Chamber to reject it as being unreliable. Similarly, factors such as the passage of time between the events and the testimony of the witness, the possible influence of third persons, discrepancies, or the existence of stressful conditions at the time the events took place do not automatically exclude the Trial Chamber from relying on the evidence. However, the Trial Chamber should consider such factors as it assesses and weighs the evidence.\"(217) Ook het Speciaal Hof voor Sierra Leone heeft overwogen dat inconsistenties niet automatisch de getuige in diskrediet brengen. Als mogelijke oorzaken heeft de Kamer van Berechting in bijvoorbeeld de zaak Fofana(218) gewezen op tijdsverloop en de wijze waarop het geheugen werkt als mogelijke oorzaken van het door elkaar halen van bepaalde details en het vergeten van andere aspecten. De Kamer van Berechting van het Joegoslavië-tribunaal heeft in de zaak Furundžija(219) aangegeven dat inconsistenties ook een indicatie kunnen zijn dat de getuige juist niet beïnvloed is en de waarheid spreekt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">37.</span>De rechtbank onderschrijft voorts de visie van het Openbaar Ministerie dat substantiële inconsistenties dienen te worden geanalyseerd en gewogen. De rechtbank zal, bij de bespreking van de afzonderlijke feitencomplexen, stilstaan bij die verschillen die zien op aspecten van een verklaring die dragend moeten zijn voor het bewijs of die anderszins evident de geloofwaardigheid van de getuige dan wel de betrouwbaarheid van diens verklaring raken. In navolging van het Rwanda-tribunaal(220) is de rechtbank van oordeel dat een wezenlijk te achten discrepantie of inconsistentie onder de aandacht van de getuige moet worden gebracht zodat de getuige de mogelijkheid heeft de inconsistentie te verklaren. Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank op 4 december 2008 besloten het onderzoek ter terechtzitting te schorsen en vijf getuigen opnieuw door de rechter-commissaris te doen horen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">38.</span>De meest in het oog springende discrepantie die in deze zaak aan het licht is gekomen is dat diverse getuigen de naam van verdachte pas hebben genoemd tegenover de Nationale Recherche en de Nederlandse rechter-commissaris, doch deze niet hebben genoemd in eerder afgelegde statements en/of trial-testimonies. Het Openbaar Ministerie heeft in dit verband betoogd dat voor het Rwanda-tribunaal, waar getuigen \"om de haverklap\" voor de voeten geworpen kregen dat zij een bepaalde verdachte of een bepaald incident niet eerder hadden genoemd, het \"nauwelijks een factor van belang\" is gebleken of een getuige een bepaalde verdachte eerder heeft genoemd of niet. Het Openbaar Ministerie stelt dan ook: \"de rechters oordelen simpelweg dat het 'niet significant' is, of dat het de getuigen niet tegengeworpen kan worden als er niet specifiek is gevraagd naar een bepaalde verdachte. Dat geldt voor het niet noemen van een verdachte in statements, maar ook in trial testimonies\". Het Openbaar Ministerie heeft in dit verband passages aangehaald uit de zaken Ntakirutimana en Kayishema &amp; Ruzindana.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">39.</span>Het Openbaar Ministerie heeft mede op basis van deze jurisprudentie geconcludeerd dat het in de context van de Rwandese genocide, met zoveel geweld en zoveel aanvallers, niet verdacht of merkwaardig is dat in de onderhavige zaak diverse getuigen in eerdere statements, gacaca-verklaringen en trial testimonies die op zaken van andere verdachten zien, de naam van verdachte niet hebben genoemd als hen daar niet eerder naar is gevraagd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">40.</span>De rechtbank onderschrijft de constatering van het Openbaar Ministerie dat het Rwanda-tribunaal het niet altijd relevant acht of een getuige een bepaalde verdachte of een bepaald incident eerder heeft genoemd of niet.(221) De rechtbank tekent hierbij echter wel aan dat het Rwanda-tribunaal niet \"simpelweg\" oordeelt dat het \"niet significant is\", doch vele factoren in ogenschouw neemt, waaronder de verklaring voor deze omissie en de houding van de getuige op de zitting. Het Rwanda-tribunaal heeft ook meermalen en in verschillende zaken geoordeeld dat een getuige geen bevredigende verklaring heeft gegeven voor een dergelijke \"omissie\" en op grond daarvan diens verklaring niet betrouwbaar bevonden.(222) V: Identificaties en herkenningen 41. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank zich bij het testen van de kwaliteit van de identificaties van verdachte door de getuigen de volgende vragen dient te stellen: a. Kende de getuige verdachte? b. Wat was de afstand tussen de getuige en verdachte? c. Hoe lang en/of hoe vaak heeft de getuige verdachte gezien? d. Was het licht of donker? e. In hoeverre worden de waarnemingen geschraagd door ander (getuigen)bewijs? f. Zijn er andere factoren die de waarneming betrouwbaar of minder betrouwbaar maken? (bijvoorbeeld: kon de getuige het handelen, het wapen, de kleding of mededaders beschrijven?) 42. Het Openbaar Ministerie heeft hierbij de aandacht gevestigd op de Angelsaksische rechtspraktijk, waarin door de jaren heen een bestendig toetsingskader is geformuleerd om de kwaliteit van identificaties door ooggetuigen te meten. De Britse zaak Turnbull is één van de belangrijkste leading cases over ooggetuigenherkenning (uitspraak van 1976 van de Court of Appeal Criminal Division in de zaken Regina - v -Turnbull and Another; Regina - v - Whitby; Regina - v - Roberts, 6 juli 1976, hierna: Turnbull). De Internationale Tribunalen hebben meerdere keren teruggegrepen op deze uitspraak en uitgesproken dat visuele identificatie bij uitstek gevoelig is voor vergissingen en daarom altijd met \"extreme caution\" moet worden behandeld.(223) Ook in de op dit gebied gezaghebbende literatuur komen de door het Openbaar Ministerie genoemde vragen duidelijk naar voren als relevant voor de beoordeling van herkenningen van verdachten door getuigen.(224) 43. De rechtbank zal bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen op het punt van de herkenning van verdachte dan ook telkens de hiervoor onder a tot en met f genoemde vragen trachten te beantwoorden. Met betrekking tot de onder a geformuleerde vraag hecht de rechtbank eraan te benadrukken dat algemeen bekend is dat voor de kwaliteit van een ooggetuigenwaarneming van belang is of er sprake is van herkenning van een bekende ('recognising') of van identificatie van een onbekende ('identification'). Het is een algemeen erkend uitgangspunt dat een herkenning van een bekende onder goede omstandigheden aanzienlijk betrouwbaarder is dan de identificatie van een onbekende.(225)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">44.</span>Zoals hiervoor in hoofdstuk 5 (Het onderzoek) al is vermeld hebben alle getuigen(226) - ieder voor zich - gemotiveerd aangegeven verdachte te kennen. De rechtbank neemt, zoals gezegd, afstand van het verwijt van de raadsman dat het onderzoek van het Openbaar Ministerie gebrekkig is geweest omdat er geen confrontaties van de getuigen met verdachte hebben plaatsgevonden. Op dit punt roept de rechtbank in herinnering dat het een door alle gezaghebbende wetenschappers op dit punt erkend uitgangspunt is dat het een strikte voorwaarde is bij herkenningstesten dat de getuige de verdachte bij geen andere gelegenheid dan het misdrijf gezien kan hebben.(227) Anders ontstaat het probleem van \"plaatsing\", waarmee wordt gedoeld op de situatie waarin de getuige weet dat hij de hem getoonde verdachte kent, maar niet meer weet waarvan. Ten aanzien van alle getuigen à charge - behoudens dr. [getuige 4] - kan worden vastgesteld dat zij verdachte ook bij een andere gelegenheid dan de tenlastegelegde feiten hebben gezien. In de literatuur wordt gesteld dat het probleem van herkenning van bekende personen niet met behulp van een gecontroleerde identificatieprocedure nader getoetst kan worden en dat de herkenning eigenlijk op het gezag van de getuige aanvaard moet worden. Wel kan de waarnemingssituatie geëvalueerd worden, aldus de deskundigen, waarbij de hiervoor onder a tot en met f genoemde punten van belang zijn.(228) VII: De plausibiliteit van de inhoud van de afgelegde verklaring(en) 45. Bij de beoordeling van de plausibiliteit van de verklaringen in deze zaak past - zoals het Openbaar Ministerie terecht heeft opgemerkt - grote terughoudendheid. Het Openbaar Ministerie heeft de rechtbank, aan de hand van beeldmateriaal dat verder niets met de inhoud van deze zaak te maken heeft, ingescherpt dat wat vanuit het eigen referentiekader (fysiek) onvoorstelbaar is, toch mogelijk of geloofwaardig blijkt. Voorts raken, toegespitst op deze zaak, de gebeurtenissen tijdens de genocide in 1994 aan de grenzen van het voorstellingsvermogen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Afsluiting 46. Op grond van het vorenstaande zal de rechtbank bij de beoordeling van de afzonderlijke feitencomplexen de geloofwaardigheid van de getuigen en de betrouwbaarheid van hun verklaringen toetsen aan de hand van de hiervoor besproken aandachtspunten:</p>\n<p class=\"lf-p\">I: De persoon van de getuige;</p>\n<p class=\"lf-p\">II: De totstandkoming van de verklaring;</p>\n<p class=\"lf-p\">III: De toetsing aan objectieve, van elders verkregen gegevens;</p>\n<p class=\"lf-p\">IV: De consistentie van opeenvolgende, door deze getuige afgelegde verklaringen;</p>\n<p class=\"lf-p\">V: De kwaliteit van identificaties en herkenningen;</p>\n<p class=\"lf-p\">VI: De overeenstemming van de verklaringen met hetgeen andere getuigen hebben verklaard;</p>\n<p class=\"lf-p\">VII: De plausibiliteit van de inhoud van de afgelegde verklaring(en).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij zal blijken dat niet al hetgeen hiervoor aan de orde is gesteld steeds bespreking behoeft. Waar nodig zal worden aangegeven op welke van de hiervoor beschreven en voor het desbetreffende feitencomplex relevante aandachtspunten wordt teruggegrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 7 De wegversperring in Mugonero Algemeen 1. Zoals hiervoor in hoofdstuk 5 (Het onderzoek) is vermeld, heeft de Minister van Buitenlandse Zaken op 14 februari 2006 een individueel ambtsbericht over verdachte uitgebracht. In dit ambtsbericht staat vermeld dat volgens zegslieden duidelijk was dat verdachte de leiding had bij een blokkade die 50 meter van zijn woning in Mugonero was opgericht. Verder is hierin opgenomen dat er talloze getuigenverklaringen tegen verdachte en zijn broer bestaan die inhouden dat zij bij de genoemde blokkade beslisten over leven en dood van anderen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Veel van de in dit onderzoek gehoorde getuigen(229) hebben melding gemaakt van een wegversperring in Mugonero, in de omgeving van de brug over het riviertje de Kiboga. De rechtbank zal hieronder slechts enkele van deze verklaringen kort weergegeven.</div>\n<p class=\"lf-p\">Getuigenverklaringen [Getuige 3] 3. [Getuige 3] heeft op 18 oktober 1996 een witness statement afgelegd tegenover onderzoekers van het Rwanda-tribunaal. Deze verklaring had voornamelijk betrekking op de rol van de broer van verdachte, Obed Ruzindana, tijdens de genocide. In deze verklaring heeft zij ook gesproken over een wegversperring die zij op 27 april 1994 in Mugonero heeft gezien. Deze wegversperring werd bemand door militairen of milities(230) en gendarmes. De jongere broer van Obed Ruzindana, Joseph Murakaza, had volgens deze getuige de leiding over deze wegversperring.(231) 4. Hetgeen deze getuige in 1996 heeft verklaard tegenover onderzoekers van het Rwanda-tribunaal heeft zij in latere verklaringen tegenover de Nederlandse autoriteiten herhaald en aangevuld. Deze verklaringen (zowel de verklaring die plaatsvond in aanwezigheid van de Nationale Recherche als de verklaringen tegenover de rechter-commissaris) zullen hierna in hoofdstuk 8 (Misdrijven tegen de gezin [getuigen 3 en 4]) uitgebreid worden besproken.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Deze getuige heeft de locatie van de wegversperring niet precies kunnen aangeven. Wel weet zij dat deze wegversperring bij de brug in Mugonero was. Dat was op de weg die van Kibuye naar Cyangugu gaat.(232) Bij deze wegversperring moest zij aan de mensen die bij de barrière stonden haar identiteitskaart laten zien.(233) De getuige had deze vernietigd, omdat daarop stond dat zij Tutsi was en in die tijd Tutsi's werden opgespoord en gedood. De mensen bij de barrière pikten dit niet.(234) 6. Ook heeft deze getuige verklaard dat zij deze Joseph kent als Murakaza en dat zij weet dat anderen hem [achternaam verdachte] noemen. Murakaza is de naam van zijn vader. Zijn broer heet Obed Ruzindana en hij kwam uit een grote familie. Zijn zussen heten [F2] en [F9]. Met [F2] heeft zij op school gezeten en [F9] zat een klas hoger op dezelfde school. Over de familie van verdachte heeft zij verklaard dat het een bekende familie van handelaren was, die in het handelscentrum van Mugonero woonde. De winkel was voor hun woning en ook in Kigali had de familie winkels.(235) [Getuige 4] 7. Deze getuige heeft met betrekking tot deze wegversperring een in hoofdlijnen gelijkluidende verklaring afgelegd. In zijn herinnering was deze barrière een grotere blokkade. Hij kan zich niet meer in detail herinneren wat voor soort mensen er bij de barrière stonden.(236) 8. Verder heeft hij verklaard dat de persoon die zich in de winkel bevond voor zijn gevoel de eigenaar van de zaak was. Zijn vrouw had over deze persoon gezegd dat zijn naam Joseph was. Bij deze getuige is de naam Murakaza blijven hangen, omdat de man de brief, die later in hoofdstuk 8 uitgebreid zal worden besproken, met die naam had ondertekend.(237) De getuige heeft voorts verklaard dat er - gebaseerd op zijn waarneming - een connectie leek te zijn tussen de eigenaar van de winkel en de bewakers bij de slagboom. De verkoper van de winkel had namelijk regelmatig contact en wisselde gedachten uit met het 'dienstpersoneel' bij de slagboom. De indruk van deze getuige was dan ook dat de persoon in de winkel de coördinator ter plaatse was.(238) Hij had ook de indruk dat de eigenaar van de winkel bevoegd was om beslissingen te nemen en verantwoordelijk was voor het handhaven van de regels.(239) [Getuige 12] 9. Deze getuige heeft verklaard dat hij in Mugonero een barricade heeft gezien. Deze barricade stond bij de brug over de rivier de Kiboga. Deze brug ligt tussen Rwamatamu en Mugonero. Deze getuige heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij niet weet wie de slagboom daar had neergezet en van wie de slagboom was.(240) Nadat de getuige was geconfronteerd met zijn verklaring tegenover de Nationale Recherche, inhoudende dat [verdachte] een eigen slagboom in Mugonero had, heeft hij verklaard dat [verdachte] de chef van de slagboom was. Op de vraag hoe hij dat wist, heeft de getuige geantwoord dat het duidelijk was dat [verdachte] de chef van die slagboom was.(241)</div>\n<p class=\"lf-p\">[Getuige 28] 10. Deze getuige heeft verklaard dat Joseph [achternaam verdachte] een zekere Murego - die hij later heeft gedood - had benoemd tot chef van de slagboom en hem vertelde dat iedereen bij de slagboom zijn identiteitskaart moest tonen. Joseph had volgens deze getuige de leiding over de situatie bij de slagboom en hij heeft gezien en gemerkt dat Joseph opdrachten en bevelen gaf aan de mensen die daar waren.(242) [F6] 11. [F6], één van de zussen van verdachte, heeft verklaard dat de afstand tussen de Kiboga en hun woning ongeveer 2 à 3 minuten lopen was. Over deze rivier lag een brug en ten tijde van de oorlog stond op deze brug een barricade die werd bemand door Hutu-mannen.(243) Eigen verklaringen verdachte Bij de Nationale Recherche 12. Verdachte heeft in zijn verhoor bij de Nationale Recherche verklaard dat de dichtstbijzijnde barricade vanaf zijn huis en de winkel in Mugonero gelegen was tussen het marktplein en de brug over de Kiboga. Deze barricade heeft hij omschreven als stenen die weggehaald werden als iemand er doorheen mocht. Er was geen slagboom.(244) 13. In een later verhoor heeft hij over de locatie van deze barricade gezegd dat deze zich naast de brug bevond op de weg richting Kibuye en Cyangugu. In dit verhoor heeft hij herhaald dat deze barricade alleen uit stenen bestond. Op de vraag of er ook hout op de barricade was, heeft hij geantwoord dat hij alleen stenen heeft gezien en alleen kan zeggen wat hij heeft gezien.(245) 14. Verder heeft hij ontkend iets met de barricade te maken te hebben gehad.(246) Er stonden soldaten bij die barricade, aldus verdachte. De mensen die deze barricade bemanden heeft hij verder omschreven als gendarmes die uniformen droegen. Zij waren van de regering. Op de vraag of het militairen of politieagenten waren, heeft hij geantwoord dat het eigenlijk politieagenten waren in dienst van de regering.(247) 15. Verdachte heeft in zijn verhoor bij de Nationale Recherche ontkend dat hij wel eens Joseph Murakaza werd genoemd.(248) Wel heeft hij in zijn verhoor gezegd dat als er door een getuige gesproken wordt over Joseph Murakaza, lid van de familie Murakaza, van wie één van zijn zussen [F2] heet en die een broer heeft met de naam Obed Ruzindana, hij wordt bedoeld.(249) Ter terechtzitting van 14 oktober 2008 16. Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat er in Mugonero een barricade was geplaatst over de Kiboga. De afstand tussen zijn woning en deze barricade was ongeveer 100 meter. Vanuit zijn woning kon hij deze barricade niet zien. Deze barricade bestond uit stenen, aldus verdachte.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">17.</span>Kort na de oprichting van deze eerste barricade is er volgens verdachte een tweede barricade geplaatst. Deze tweede barricade was gemaakt van bomen: twee verticale bomen met daarop een horizontale boom. Deze barricade was op ongeveer 150 tot 200 meter afstand van zijn woning, vanaf de Kiboga in de richting van het zuiden (Cyangugu) en niet in de richting van Kibuye. Als men vanaf de rivier in de richting Kibuye vertrok, kwam men eerst langs de stenen barricade. De houten barricade was vanaf de rivier de andere kant op.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">18.</span>Verdachte heeft verklaard dat hij niet meer precies wist wanneer deze barricade was opgericht, maar hij dacht binnen een week na het overlijden van de president. De tweede barricade zou zijn opgericht enkele dagen daarna. Nadat de tweede barricade was opgericht, had de eerste barricade geen functie meer.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">19.</span>Verdachte heeft voorts verklaard dat hij niet wist of mensen zo maar een barricade op konden richten. Hij heeft nooit gehoord dat mensen werden opgeroepen om barricades op te richten. Hij heeft ook nooit van iemand anders gehoord dat hij of zij wel een dergelijke oproep, bijvoorbeeld via de radio, had gehoord. De barricades werden door zowel burgers als militairen bemand. De burgers die dit deden, kende hij niet; zij waren uit verschillende plaatsen gekomen. De namen van de militairen kende hij evenmin.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">20.</span>Gevraagd naar het doel van dergelijke barricades heeft verdachte gezegd dat hij daar geen goed antwoord op kon geven. Naar zijn idee werden de barricades opgericht vanwege het probleem van de veiligheid. Nader daarover bevraagd, kon hij niet aangegeven wat dit veiligheidsprobleem precies was.</div>\n<p class=\"lf-p\">Ter terechtzitting van 16 oktober 2008 21. Op deze zittingsdag heeft verdachte ontkend ooit bij een barricade in Mugonero te hebben gestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter terechtzitting van 17 oktober 2008 22. Op deze zittingsdag heeft verdachte verklaard dat hij niet heeft gezien wie de tweede (de houten) barricade heeft opgericht. Hij dacht dat dit gedaan was door autoriteiten. Of dit burgerautoriteiten, militaire of andere autoriteiten waren, kon hij niet zeggen. Hij heeft van niemand gehoord wie de opdracht had gegeven tot oprichting van deze barricade. Evenmin heeft hij ooit gehoord dat er instructies werden gegeven aan mensen die de barricade bemanden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">23.</span>Verdachte heeft verder verklaard dat hij zich niet meer kon herinneren of hij wel eens burgerautoriteiten, zoals een prefect, heeft gezien bij de barricade. Ook kon hij niets zeggen over de rangen van de militairen die hij bij de barricade heeft gezien. Gevraagd naar het aantal militairen bij deze barricade heeft hij geantwoord dat hij dacht dat hij daar een stuk of tien militairen had gezien. Over het verschil tussen militairen en gendarmes heeft hij verklaard dat hij hen niet kon onderscheiden. Over de betrokkenheid van burgers bij het bemannen van de barricade heeft hij gezegd dat hij niet wist of burgers een rol hadden bij de barricade. De burgers die hij daar had gezien, kende hij niet. Zodoende kon hij ook niet weten of zij de barricade bemanden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">24.</span>Over de houten barricade heeft hij nog verklaard dat hij vanuit de winkel daarop geen zicht had. Op de vraag of hij vanuit zijn woning wel zicht had op deze barricade, heeft hij geantwoord dat hij dacht dat dit onmogelijk was. Bomen beperkten het gezichtsveld op de barricade en het was niet mogelijk om op het dak van het huis te komen. Ook vanaf het dak was het dus niet mogelijk om deze barricade te zien.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">25.</span>Verdachte heeft voorts verklaard dat de stenen barricade vanaf de veranda, voor de woning/winkel, te zien was. De houten barricade was vanaf de veranda niet te zien.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">26.</span>Op de vraag of hij wel eens langs de barricade kwam dan wel daar wel eens ging kijken, heeft verdachte geantwoord dat hij de slagboom niet vaak passeerde. In zijn herinnering was er in de buurt van de houten barricade een café waar hij af en toe naar toeging om andere mensen te spreken. Hij heeft verder gezegd dat hij denkt dat hij in totaal één of twee keer bij deze barricade is geweest.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">27.</span>Incidenten bij één van de barricades heeft hij nooit gezien en hij kon zich niet meer herinneren of hij wel eens iets heeft gehoord over incidenten waarbij mensen zijn vermoord. Hij heeft wel gezien dat auto's bij de stenen barricade kwamen en dat ze daar stopten. Hij heeft niet kunnen zien of de inzittenden bijvoorbeeld werden gefouilleerd of dat zij papieren moesten laten zien.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">28.</span>Verder heeft verdachte verklaard dat hij zich niet meer kon herinneren of hij wel eens auto's heeft zien stoppen bij de houten barricade. De personen die deze barricade bemanden, waren militairen en burgers. Namen van deze personen herinnerde hij zich niet. Over de burgers bij de barricade kon hij niet weten of zij daar een functie vervulden of daar alleen maar als nieuwsgierigen stonden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">29.</span>De militairen bij de barricade waren bewapend. De burgers die hij wel eens bij de barricade zag, hadden in zijn herinnering geen wapens. Op de vraag wie de baas was bij de barricade heeft verdachte geantwoord dat hij dat niet precies wist.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">30.</span>Verder heeft hij verklaard dat hij nooit schoten heeft gehoord vanaf de kant van de eerste barricade. Of hij wel eens schoten heeft gehoord vanaf de kant van de tweede barricade, kon hij zich niet meer herinneren.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">31.</span>Over de precieze locatie van de barricades en het café heeft verdachte gezegd dat het café gelegen was in de richting van Cyangugu, vlakbij de brug. De tweede barricade was 150 meter na de brug in de richting van Cyangugu. Als je daar naartoe liep, kwam je eerst langs het café. Het café was op ongeveer 10 meter afstand van de barricade.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">32.</span>Op verzoek van de rechtbank heeft verdachte op luchtfoto's de locatie van de barricades aangegeven, waarna hij deze ook heeft ingetekend op een luchtfoto. Het Openbaar Ministerie en de rechtbank hebben hierbij geconstateerd dat verdachte het café eerst zeer dichtbij de brug aanwees en vervolgens een stuk verder weg van de brug.</div>\n<p class=\"lf-p\">Ter terechtzitting van 20 oktober 2008 33. Verdachte heeft ter terechtzitting ontkend dat hij wel eens Joseph Murakaza werd genoemd. Op de vraag wie er wordt aangeduid door een getuige die de volgende omschrijving geeft: Joseph Murakaza, lid van de familie Murakaza, van wie één van zijn zussen [F2] heet en die een broer heeft met de naam Obed Ruzindana, heeft verdachte geen antwoord willen geven. Wel heeft hij gezegd dat de politie hem heeft gevraagd naar Joseph, de zoon van Murakaza, die in de winkel werkte en de broer was van Obed Ruzindana en dat het gezien die wijze van formuleren niet anders kon zijn dat hij daarmee wordt bedoeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oordeel van de rechtbank over de wegversperring 34. Gelet op het vorenstaande, stelt de rechtbank vast dat er kort na het neerstorten van het vliegtuig van de president op 6 april 1994 een wegversperring in Mugonero in de buurt van de brug over de Kiboga is opgericht. Deze wegversperring had, zoals ook nader zal blijken uit de hierna te bespreken feiten, tot doel de identificatie van Tutsi's.(250) Ook stelt de rechtbank vast dat verdachte een leidende rol heeft gespeeld bij deze slagboom en dat er op de momenten dat hij niet aanwezig was bij de wegversperring er sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en de personen die op die momenten de wegversperring bemanden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">35.</span>De stelling van de raadsman dat verdachte de facto geen zeggenschap kan hebben gehad over de militairen bij de slagboom, aangezien hij slechts een burger was die niet in verband kan worden gebracht met het leger, wordt op grond van het vorenstaande verworpen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 8 De misdrijven tegen het gezin [getuigen 3 en 4] Ontstaan verdenking 1. Zoals hiervoor in hoofdstuk 5 (Het onderzoek), is vermeld, zijn er - naar aanleiding van de overdracht van het zogenoemde Cyangugu-dossier - in Rwanda getuigen door de Nationale Recherche gehoord. Eén van deze door de Nationale Recherche gehoorde getuigen betrof [getuige 7]. In dat verhoor verklaarde hij over een Duitse arts en zijn gezin die bij de slagboom van de verdachte met de dood zouden zijn bedreigd.(251) Via internet heeft de Nationale Recherche de naam en het adres van deze Duitse arts, dr. [getuige 4], achterhaald, waarna hij en zijn vrouw als getuigen zijn gehoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Weergave van de meest relevante ooggetuigenverklaringen 2. De rechtbank zal hieronder eerst in het kort de belangrijkste verklaringen van ooggetuigen weergeven, zoals afgelegd tegen de rechter-commissaris, aangevuld met onderdelen van de verklaringen die deze getuigen ten overstaan van de Nationale Recherche hebben afgelegd. [Getuige 3] 3. Deze getuige heeft verklaard dat zij op 27 april 1994(252) samen met haar man [getuige 4], een Duitse arts, en hun in februari van dat jaar geboren zoontje vanuit Kibuye (Rwanda)(253) wilde vluchten. Zij wilden vluchten, omdat haar broers en vrienden op 25 april 1994 waren gedood, zij vaak werden bedreigd en veel mensen in hun huis zijn gekomen en hadden geplunderd.(254) 4. Teneinde hun vlucht mogelijk te maken is haar man naar de prefect gegaan om een document te vragen voor hun vertrek. Kort nadat zij van de prefect een dergelijk document hadden ontvangen, zijn zij, haar man en hun baby in een ambulance vertrokken. De chauffeur van deze ambulance was [B4] en zij werden begeleid door een gendarme.(255) 5. De getuige heeft verder verklaard dat zij tijdens deze vlucht langs verscheidene barrières zijn gekomen en dat zij in Mugonero bij een barrière moesten stoppen. Deze barrière werd bewaakt door milities.(256) Deze milities waren gewapend met onder meer machetes,(257) een soort houten knuppels en stokken.(258) De getuige kon niet meer zeggen hoeveel mensen er bij deze barrière stonden. Evenmin kon zij zich nog herinneren of de mensen bij de barrière uniformen droegen.(259) 6. De mensen bij de barrière vroegen om papieren waarop stond dat zij mochten vertrekken. Tevens wilden zij de identiteitskaart van de getuige zien. De getuige heeft hierover verklaard dat zij deze had vernietigd, omdat daarop stond dat zij Tutsi was en in die tijd Tutsi's werden opgespoord en gedood. De mensen bij de barrière pikten dit niet en zeiden: \"Zoals het nu gaat kan het niet, we gaan het aan Joseph vragen\". Daarop moesten zij naar Joseph gaan.(260) Toen zij naar de woning van Murakaza reden, zijn meerdere mensen achter de auto aangelopen. Die mensen riepen dingen als: \"Tutsi's moeten worden gedood, de Tutsi's hebben de president gedood dus wij moeten ze doden, we moeten opletten dat de witte geen geld betaalt om te corrumperen\". Verder riepen deze mensen nog tegen de getuige \"Jullie Tutsi's, die kakkerlakken\"(261) en zeiden ze dat \"Tutsi's gemeen zijn\", \"Dat ze allemaal dood moeten\", \"Dat ze nooit meer een Tutsi wilden zien\", \"Dat ze wilden dat hun kinderen en kleinkinderen op een goede dag zouden vragen hoe Tutsi's er eigenlijk uitzagen\", \"Dat niemand tevreden en gelukkig kon zijn zolang er nog Tutsi's in leven waren\" en \"Dat Tutsi's net slangen waren\". Verder heeft de getuige steeds het woord \"Inyenzi\" (kakkerlak) gehoord.(262) Bij de winkel van Joseph is de chauffeur van de ambulance gestopt en zijn zij, haar man, de baby en de gendarme uitgestapt en hebben ze Joseph ontmoet.(263)</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>Op de vraag van de rechter-commissaris of de getuige Joseph meteen herkende, heeft zij geantwoord dat het geen geheim was dat Mugonero een gevaarlijke plaats was die werd geleid door Murakaza.(264) Toen zij bij de winkel aankwam, ontmoette zij een man in een militair tenue. [B4] vertelde haar dat deze man Joseph was.(265) 8. Nadat Joseph had gevraagd wat er aan de hand was, heeft [B4] uitgelegd dat zij niet gedood konden worden, omdat het gevaarlijk was omdat haar man Duitser was. Als hij dood zou gaan, zouden er moeilijkheden met Duitsland komen. Joseph, [getuige 4] en [B4] hebben volgens de getuige veel onderhandeld. Zij heeft dit niet allemaal gevolgd, omdat zij niet erg aanwezig was.(266) Wel heeft zij gemerkt dat Joseph de leider was op wie alles zich richtte; hij had het laatste woord.(267) Hij heeft ook samengewerkt met de milities. De getuige heeft dit gemerkt, omdat zij vanaf de barrière naar Joseph werden gebracht en bij hem, de chef, moesten stoppen. De situatie is aan hem uitgelegd en hij heeft gezegd: \"Let op dat je de blanke niet verwondt\". Daarnaast moedigde hij de milities aan in slogans. Zij kon alleen niet meer woord voor woord vertellen wat ze tegen elkaar zeiden.(268) Joseph was voor haar ook de baas was omdat de milities hem gehoorzaamden. Joseph liet zich door niemand beïnvloeden en hij nam de beslissingen.(269) 9. Nadat de situatie aan Joseph was uitgelegd, heeft hij met [B4] en [getuige 4] onderhandeld en vervolgens [B4] naar de prefect gestuurd om te vragen wat hij moest doen met de Duitse arts. De gendarme die de ambulance begeleidde, [getuige 4], de getuige en hun baby zijn bij Joseph gebleven. In de tijd dat zij moesten wachten op het antwoord van de prefect bleven de overige aanwezigen de getuige bedreigen.(270) 10. Op enig moment is [B4] teruggekomen met een antwoord van de prefect. Dit antwoord hield in dat de arts en de baby moesten worden vrijgelaten en de getuige moest blijven. Zij was niet gerechtigd om te gaan omdat zij uit Rwanda kwam. Zij werd uitgescholden, vernederd en er werd gezegd hoe zij zou worden gedood. Daarnaast werd er gezegd dat de baby ook moest worden gedood, omdat zij en [getuige 4] niet getrouwd waren en de baby daarom geen Duitser was maar een Tutsi. De getuige heeft hierover gezegd dat dit haar toen niets zei; ze was eigenlijk al dood en zag mensen om zich heen die gek waren.(271) 11. [B4] heeft ook nadat hij was teruggekomen met het antwoord van de prefect met Joseph onderhandeld. [B4] heeft er opgewezen dat het gevaarlijk was om [getuige 4] iets aan te doen in verband met de samenwerking met Duitsland. Joseph heeft toen besloten dat de vraag voorgelegd moest worden aan de burgemeester van Gishyita. Joseph heeft hiertoe een brief aan de burgemeester geschreven om hem te vragen om naar Mugonero te komen om in de zaak te beslissen.(272) De getuige heeft niet zelf gezien dat Joseph de brief heeft geschreven; zij heeft alleen gezien dat hij met de brief vanuit de winkel naar buiten kwam. Verder heeft zij gezien dat deze brief was ondertekend met Murakaza Joseph.(273)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">12.</span>[B4] is met deze brief vertrokken en toen het al donker werd, teruggekomen met een antwoord van de burgemeester. Dit antwoord hield in dat de burgemeester hen toestemming gaf om terug te gaan naar Kibuye en dat hij zou nadenken over de zaak en in de boeken na zou kijken of de getuige was gehuwd met de Duitser. Nadat dit antwoord was voorgelezen, heeft Joseph gezegd dat zij weg konden gaan, waarop zij in de ambulance zijn gestapt en terug zijn gegaan naar Kibuye.(274) 13. Gedurende de tijd dat de getuige, haar man en hun baby werden tegenhouden en moesten wachten, kwamen er veel andere mensen die haar beledigden en uitscholden. Ook deze mensen hadden wapens en zij hebben de hele tijd beledigingen geschreeuwd.(275) Joseph heeft dit ook gestimuleerd en daartoe aangezet. De mensen hebben onder meer geroepen: \"Hutu-power\".(276) Tegen de aanwezige kinderen werd gezegd: \"Kijk maar goed naar die Tutsi-vrouw, dat zijn het soort mensen die de president hebben vermoord\". Tegen een vrouw die bij Joseph olie had gekocht en klaagde over de afgemeten hoeveelheid heeft Joseph gezegd dat het niets uitmaakte, tenzij ze graag ook als een Tutsi behandeld wilde worden.(277) 14. Op de vraag of Joseph zelf de getuige ook heeft bedreigd of uitgescholden, heeft zij geantwoord dat zij niet weet of het een belediging genoemd kan worden maar dat voor haar - gelet op de context - de vraag van Joseph \"Je vertrekt met een blanke, maar heb je eraan gedacht om je moeder te groeten?\" als zodanig te gelden heeft. Zij heeft dit toegelicht door er op te wijzen dat zij hier niet op kon reageren. Het deed haar pijn, omdat bijna alle Tutsi's al waren gedood. Daarnaast heeft zij dit nog uitgelegd door te wijzen op de staat waarin zij zich verkeerde; zij was al dood.(278) 15. De getuige heeft over hetgeen is gebeurd in de uren dat zij moesten wachten verder nog gezegd dat zij het meemaakte zonder echt te volgen wat er gebeurde. Ze wist nog dat er veel milities waren die zeiden dat men moest oppassen om niet gecorrumpeerd te worden. De eerste opdracht was alle Tutsi's te doden en daarna zouden ze de goederen van de Tutsi's verdelen.(279) Verder heeft zij hierover verklaard dat zij soms sprak en soms ook lachte. Joseph heeft daarop gezegd: \"Kijk eens hoe slecht die Tutsi's zijn, ze lachen zelfs als we ze gaan doden\".(280) De aanwezigen hebben ook gezegd dat de getuige mocht kiezen of zij in Kibingo, Mugonero of Gishyita gedood zou worden.(281) 16. Op de vraag hoe lang zij bij de winkel van Joseph hebben moeten wachten, heeft de getuige geantwoord dat zij dit niet kon zeggen, omdat zij geen besef had van tijd. Zij weet nog wel dat Joseph in die tijd niet steeds in de winkel is geweest. Hij kwam soms ook naar buiten en dan sprak hij met de mensen daar. Er waren heel veel mensen en er werd van alles tegen haar geroepen, wat Joseph ook heeft gehoord. De omstanders schreeuwden ook leuzen als \"Hutu power, Hutu power\" en Joseph schreeuwde af en toe met hen mee.(282)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">17.</span>Over hoe zij zich die middag voelde, heeft de getuige verklaard dat zij geen gevoel had. Ze keek als een toeschouwer en had op de een of andere manier geaccepteerd dat ze misschien al dood was.(283) De getuige heeft hier verder over verklaard dat zij de hele tijd bang was voor haar zoon. Dit omdat haar bijvoorbeeld ook werd toegeroepen dat ze het kind moest afstaan en dat het haar niet toebehoorde. Anderen zeiden dat het kind een Tutsi was en na 30 jaar misschien terug zou komen om zijn moeder te wreken.(284) [Getuige 4] 18. Deze getuige heeft verklaard dat hij op 27 april 1994(285) met zijn vrouw, [getuige 3], en hun net twee maanden oude zoontje [B1](286) uit wanhoop wilde vluchten via Cyangugu (Rwanda) naar Congo.(287) Prefect Kayishema had hem reispapieren gegeven om langs de barrières te komen.(288) Bij de barrière in Mugonero werd de auto, die door het ziekenhuis ter beschikking was gesteld, tegengehouden.(289) De getuige heeft hierover gezegd dat hij zich niet meer kon herinneren wie er precies bij de slagboom stonden. Hij kon niet met zekerheid zeggen wat voor wapens deze mensen hadden, maar het was gebruikelijk dat mensen bij de controleposten met stokken, machetes of geweren bewapend waren. De getuige wist het niet meer zeker, maar hij geloofde dat hij zich mensen met geweren herinnert.(290) 19. Nadat zij waren tegengehouden werd hem verteld dat zijn vrouw, als Tutsi, niet verder mocht reizen, omdat zij onder de macht van Rwanda viel en hun zoon ook. De getuige zelf mocht wel verder reizen, omdat hij een buitenlander was en omdat de prefect daarvoor toestemming had gegeven in de reispapieren.(291) 20. De chauffeur van het ziekenhuis voerde onderhandelingen, zodat zij allemaal door zouden kunnen reizen. De chauffeur mocht uiteindelijk als tussenpersoon teruggaan naar prefect Kayishema om toestemming te vragen voor de verdere reis. De getuige en zijn gezin moesten wachten; vooral zijn vrouw mocht niet weg en de getuige is bij haar gebleven. Zij zijn naar een winkel gebracht(292) waar zij onder de luifel hebben gewacht. Het wachten heeft het grootste deel van de dag in beslag genomen.(293) Zij zijn bij die winkel neergezet en waren onder de bewaking van de persoon die daar bij de winkel was.(294) 21. Tijdens het wachten werden zij voordurend bekeken door een wisselende hoeveelheid mensen, die volgens de getuige erop wachtten om zijn vrouw om te brengen en daarover spraken. De getuige zag mensen gebaren maken waarbij men met de vinger langs de hals bewoog. De getuige heeft niet alles van wat er werd gezegd in detail verstaan. Het begrijpen en onthouden van slechts enkele dingen: zoals Tutsi en Inyenzi was volgens hem al voldoende.(295) De getuige heeft deze situatie, waarin de mensen om hen heen over hun spraken en daarbij het woord \"Inyenzi\" (kakkerlak) gebruikten, ervaren als bedreigend.(296) Op een gegeven moment begonnen ook de bewakers om hen heen hun geduld te verliezen en hing er duidelijk meer spanning in de lucht.(297)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">22.</span>De getuige heeft verklaard dat hij niet weet of de winkel waar zij moesten wachten van de persoon was die hij daar heeft gezien. Voor hem was de persoon die zich in de winkel bevond echter wel de eigenaar daarvan. De getuige heeft van zijn vrouw gehoord dat die persoon Joseph was. De naam Murakaza is bij de getuige blijven hangen, omdat de brief die door de eigenaar van die winkel is geschreven daarmee was ondertekend. Van zijn vrouw heeft hij vernomen dat de winkeleigenaar de broer van Obed Ruzindana was.(298) De getuige heeft verder verklaard dat hij aanneemt dat de mensen in de winkel de eigenaar hebben aangesproken met Joseph maar dat de herinnering daaraan voor hem niet belangrijk is.(299) Voor de getuige was Joseph slechts een functiedrager.(300) 23. De getuige heeft gedurende de middag waargenomen dat de verkoper in de winkel regelmatig contact had met de bewakers bij de slagboom. De getuige zag dat de persoon in de winkel de coördinator ter plaatse was en bovendien was hij ook de contactpersoon voor de getuige.(301) Hij had ook de indruk dat de eigenaar van de winkel beslissingsbevoegdheden had en hij heeft waargenomen dat de eigenaar, tenminste op de achtergrond, deelnam aan alle beslissingsprocessen. Naar zijn oordeel was de eigenaar verantwoordelijk voor het handhaven van de regels, had hij invloed en was hij bevoegd om beslissingen te nemen.(302) 24. De chauffeur is op enig moment teruggekomen met de mededeling dat de prefect niets voor de familie kon doen en dat de beslissing over het verder reizen bij de lokale autoriteiten lag. De getuige heeft hierover verklaard dat dit betekende dat zijn vrouw vermoord zou worden. De getuige zelf mocht wel doorreizen, maar hij wilde zijn vrouw niet opgeven. De chauffeur heeft daarop voorgesteld om de burgermeester van Gishyita om hulp te vragen. Dit werd geaccepteerd, waarna de chauffeur met een schriftelijke aanvraag naar het gemeentehuis is gegaan.(303) 25. Op de vraag of de getuige heeft gezien dat Joseph zelf dat schriftelijke verzoek heeft geschreven, heeft hij geantwoord dat hij hier vanuit gaat. De getuige weet niet meer of Joseph zelf de brief aan de chauffeur heeft gegeven. Deze brief heeft de getuige in ieder geval niet gezien voor de chauffeur vertrok. Later heeft hij deze brief wel gezien. Hij had deze brief ook in zijn bezit, omdat hij er vanuit ging dat hij deze nodig had om de terugreis te ondernemen.(304) Deze brief is ondertekend met de naam Murakaza.(305) 26. Na circa anderhalf uur kwam de chauffeur terug en informeerde hen dat de burgemeester bereid was hen de volgende dag te laten trouwen. Zij konden dan ook samen vertrekken en mochten dus terug reizen naar Kibuye om de procedure op te starten.(306) Dit antwoord van de burgemeester was achterop het verzoek van Joseph geschreven.(307) De getuige heeft de situatie op dat moment als zeer gespannen omschreven: er was frustratie en teleurstelling bij de mensen. Op enig moment verzocht de chauffeur de familie om in de ambulance te stappen, waarna ze weg zijn teruggereden naar Kibuye.(308) De getuige herinnert zich de situatie verder als zeer hectisch.(309)</div>\n<p class=\"lf-p\">Overige mogelijke bewijsmiddelen 27. Het dossier bevat voorts verklaringen van de getuigen [getuige 28], [getuige 17], [getuige 7], [getuige 15] en [getuige 9], alsmede onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna NFI) aan de door de familie [getuigen 3 en 4] ter beschikking gestelde brief.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">28.</span>De rechtbank volstaat op dit moment met het noemen van deze overige getuigenverklaringen. In de volgende paragrafen zal de rechtbank eerst het onderzoek door het NFI, de eigen verklaring van verdachte, de standpunten van het Openbaar Ministerie en de raadsman bespreken. Vervolgens zal de rechtbank overgaan tot het onderzoeken van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 3] en [getuige 4].</div>\n<p class=\"lf-p\">De door de familie [getuigen 3 en 4] ter beschikking gestelde brieven 29. Zowel de heer als mevrouw [getuigen 4 en 3] hebben in hun verklaringen van augustus 2006 melding gemaakt van een brief die Joseph zou hebben geschreven aan burgemeester Charles Sikubwabo. De heer [getuige 4] heeft daarbij aangegeven dat hij dit briefje nog had en de volgende dag een kopie daarvan aan de ambtenaren van het Bundeskriminalambt ter beschikking zou stellen.(310) 30. Deze brief, alsmede het op de achterkant geschreven antwoord van de burgemeester zijn door een gerechtstolk vertaald. De inhoud van de aan burgemeester Charles Sikubwabo geschreven brief is als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">27 april 1994 Meneer de burgemeester van de gemeente Gishyita Ik vraag u om geduld te hebben met het belangrijke werk dat u doet. Nu is het dringend nodig dat u hier naar Mugonero komt om het probleem op te lossen van die Tutsi die wij bij een blanke hebben aangetroffen. Maar wij wilden de auto die hen vervoerde naar de gouverneur sturen. De gouverneur zei dat deze persoon moet blijven. Die blanke moet doorreizen naar Icyangungu. Daarom stuurde ik deze auto met een begeleidend militair om jullie hier naar toe te halen. Dezelfde auto zal jullie terugbrengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik ben Joseph Murakaza(311) 31. Het op de achterkant geschreven antwoord van de burgemeester is als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">De heer Joseph Murakaza Zij moeten naar Kibuye terugkeren omdat wij niet weten dat zij getrouwd zijn. Wat deze dame betreft, dat wordt later bestudeerd. Wij kunnen kijken in de boeken die daarvoor bedoeld zijn. Wees dan voorzichtig zodat wij de samenleving/ relatie van Duitsers en Rwandezen niet verstoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrede gewenst Sikubwabo Charles Burgemeester.(312) 32. Ten einde handschriftonderzoek te kunnen laten verrichten is op 9 augustus 2006 een schrijfproef bij verdachte afgenomen.(313) 33. Op 18 december 2006 heeft [getuige 4] telefonisch contact opgenomen met het onderzoeksteam. In dit gesprek heeft hij meegedeeld dat hij na zijn verhoor op zoek is gegaan naar de originele brief die Joseph had geschreven aan de bourgemestre en diens antwoord daarop. Nadat het hem was gelukt deze in Rwanda te traceren, zijn deze brieven naar zijn huisadres in Duitsland opgestuurd.(314) De brieven zijn vervolgens op 28 december 2006 overhandigd aan het onderzoeksteam.(315) 34. Op 29 januari 2007 heeft het NFI zijn eerste deskundigenrapport uitgebracht. Uit dit rapport blijkt dat, bij vergelijking tussen de brief die is ondertekend met Joseph Murakaza en het beschikbare vergelijkingsmateriaal van [verdachte], naast punten van verschil, overeenkomsten of sporen daarvan zijn waargenomen. De conclusie van dit rapport is dat de brief die is ondertekend met Joseph Murakaza mogelijk is geschreven door [verdachte].(316) 35. Op 10 mei 2007 heeft het NFI zijn tweede deskundigenrapport uitgebracht betreffende onderzoek aan het insteekhoesje waarin de door [getuige 4] ter beschikking gestelde brieven zaten. Het onderzoek richtte zich op het zichtbaar maken van de tekst op het insteekhoesje om vervolgens te proberen om aan te geven waar deze tekst zich op het insteekhoesje bevond en wat voor substantie het betrof. Uit dit onderzoek bleek dat er teksten op de buitenkant van het hoesje terecht zijn gekomen. Deze teksten zijn hier terechtgekomen omdat de kopieën van de brief tegen het hoesje aan hebben gelegen en de inkt op het plastic is overgedragen.(317) 36. Op 23 mei 2007 heeft het NFI zijn derde deskundigenrapport uitgebracht. Uit dit rapport blijkt dat er op de door [getuige 4] ter beschikking gestelde brieven een vijftal dactyloscopische sporen (NFI-01; NFI-02; NFI-03; NFI-04 en NFI-05) zijn veiliggesteld. Deze sporen zijn voor de identificatieprocedure overgebracht naar de KLPD.(318) De KLPD heeft daarop deze sporen onderzocht en op 14 juni 2007 bericht dat de sporen NFI-01, NFI-03, NFI-04 en NFI-05 niet afkomstig zijn van de op de aandachtsvestiging genoemde persoon.(319) 37. Op 29 augustus 2007 heeft het NFI bericht dat onderzoek naar de leeftijd van de bewuste brief aan de hand van onderzoek naar de gebruikte inkt niet mogelijk is, indien de brief ouder is dan 6 maanden. In dat geval kan het onderzoek niet met de daarvoor vereiste nauwkeurigheid plaatsvinden en kan er geen uitspraak worden gedaan over de mogelijke ouderdom. Ook het vaststellen van de eerst mogelijke datum van introductie van de op het document gebruikte inkten levert problemen op en zou slechts een aanwijzing op kunnen leveren of iets in een bepaalde periode kan zijn opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast heeft de deskundige toegelicht dat het zeer lastig tot onmogelijk is om de herkomst (land van oorsprong) van de daarbij gebruikte middelen (papieren, inkt) te onderzoeken.Voorts heeft het NFI erop gewezen dat beantwoording van vragen of op grond van het handschrift vastgesteld kan worden wat het karakter is van de schrijver en onder welke omstandigheden de brieven zijn opgesteld, zeer omstreden is. De betrouwbaarheid en de validiteit van dergelijke grafologische uitspraken zijn nooit wetenschappelijk aangetoond. Evenmin kunnen er betrouwbare uitspraken gedaan worden over het geslacht van een schrijver op grond van de kenmerken van het handschrift.(320) 38. De rechtbank heeft op de terechtzitting van 20 december 2007 de vraag aan de orde gesteld of het feit dat er geen dactyloscopische sporen van verdachte zijn aangetroffen op de door [getuige 4] verstrekte brief een indicatie op kan leveren dat hij deze brief nooit in handen heeft gehad. Zeer tegen de zin van de verdediging heeft de rechtbank de officier van justitie verzocht een deskundige van het NFI te benaderen met de vraag of er enige conclusie mag worden verbonden aan het feit dat er geen dactyloscopische sporen van verdachte zijn aangetroffen op de brief en, zo ja, welke.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">39.</span>Op 28 april 2008 heeft verbalisant [verbalisant 2], Forensisch Adviseur/ Expert Forensische Opsporing bij de KLPD bericht dat er geen DNA-onderzoek kon worden verricht op de bewuste brieven. Hij heeft hiertoe gesteld dat gelet op de gladheid van het oppervlak, de afwezigheid van een aanwijzing van een specifieke plaats van contact, een relatief lage frequentie van contact, diverse contacten van andere donoren en het tijdsverloop (ruim 14 jaar) de brief te kwalificeren valt als een niet kansrijk stuk van overtuiging voor een DNA-onderzoek.(321) 40. Op 19 mei 2008 heeft de Nationale Recherche de immigratiedienst in Kigali verzocht om de afgifte van een handgeschreven brief, welke door verdachte zou zijn geschreven te verkrijging van een paspoort. Op 20 mei 2008 is vervolgens een kopie van deze brief ontvangen. Hierbij werd toegezegd dat het origineel eveneens verstrekt zou kunnen worden, maar daarvoor moest een uitdrukkelijk verzoek ingediend worden door de prosecutor general van het Parquet Général te Kigali.(322) Op enig moment heeft het Landelijk Parket ook deze originele brief ontvangen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">41.</span>Het NFI heeft op 12 juni 2008 bericht dat aan de omstandigheid dat geen vingerafdrukken van verdachte zijn aangetroffen op de bewuste brief niet de conclusie mag worden verbonden dat hij deze brieven nooit in zijn handen heeft gehad. Daarnaast maakt het NFI in deze brief melding van het feit dat het tweede dactyloscopische spoor (NFI-2) te weinig dactyloscopische informatie bleek te bevatten. Hierdoor was dit spoor niet bruikbaar voor identificatiedoeleinden.(323) 42. Op 30 september 2008 heeft het NFI, op de aanvraag van de officier van justitie van 19 september 2008 voor een voortgezet onderzoek, bericht dat het nieuwe vergelijkingsmateriaal (te weten hiervoor in paragraaf 40 genoemde handgeschreven brief ter verkrijging van een paspoort) vijf jaar eerder dan de betwiste brief is geschreven. Volgens de deskundige vormt dit tijdsverschil een beperking voor het vergelijkend onderzoek. Uit dit bericht blijkt verder dat met name met het nieuwe vergelijkingsmateriaal naast sporen van overeenkomst verschillen zijn waargenomen. Deze verschillen zijn echter niet van voldoende gewicht om redelijkerwijs uit te kunnen sluiten dat ze samenhangen met de ontwikkelingen in het handschrift van de verdachte in de vijf jaar voorafgaand aan de betwiste brief. Met vergelijkingshandschrift dat qua datering dichter ligt bij de betwiste brief acht de deskundige het wellicht mogelijk om hier meer duidelijkheid over te krijgen. De conclusie, zoals verwoord in het rapport van 21 juni 2007, inhoudende dat de brief mogelijk is geschreven door [verdachte], blijft daarom gehandhaafd.(324) 43. Ter terechtzitting van 18 november 2008 heeft het Openbaar Ministerie meegedeeld dat er op 26 mei 2008 een rechtshulpverzoek was uitgaan naar Italië. De reden hiervoor was, dat het Openbaar Ministerie het mogelijk achtte dat aan de Universiteit van Bari nog handgeschreven materiaal van verdachte getraceerd zou kunnen worden. Dergelijk materiaal zou dan kort voor 1994 geschreven zijn, zodat het wellicht mogelijk zou zijn bedoelde duidelijkheid te verkrijgen. Vergelijkingsmateriaal vanuit Italië is uiteindelijk op 14 november 2008 ontvangen, waarna het Openbaar Ministerie het NFI om nader onderzoek heeft verzocht.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">44.</span>Op 8 december 2008 heeft het NFI in een brief bericht dat de conclusie zoals verwoord in het rapport van 21 juni 2007 en de brief van 30 september 2008 (inhoudende dat de brief mogelijk is geschreven door [verdachte]) blijft gehandhaafd.(325) Eigen verklaringen verdachte 45. Zowel bij de Nationale Recherche als ter terechtzitting heeft verdachte ontkend iets met dit tenlastegelegde feit te maken hebben gehad.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bij de Nationale Recherche 46. In zijn verhoor van 8 augustus 2006 heeft verdachte verklaard dat hij in de periode van april 1994 tot en met juni/juli 1994 geen buitenlanders heeft gezien in Mugonero en dat hij heeft gehoord dat de buitenlanders ongeveer een week na het neerschieten van de president zijn geëvacueerd. Wel heeft hij zo rond juni/ juli 1994 Franse soldaten gezien.(326) 47. In een later verhoor heeft verdachte op vragen over een blanke Duitse arts die in april 1994 in Mugonero zou zijn geweest verklaard dat hij ongeveer een week nadat het vliegtuig van de president was neergeschoten wel een blanke man in de straat heeft gezien. Bij deze man heeft hij geen vrouw of kind gezien. Verdachte heeft deze man gezien toen hij op zijn veranda stond, waar vandaan hij de barrière kon zien, en in de richting van de weg keek. Hij heeft toen gezien dat deze man sprak met een gendarme. Hij heeft echter niet gezien hoe dit is geëindigd, omdat hij op een gegeven moment naar huis is gegaan. De blanke man is in ieder geval niet in zijn winkel geweest.(327) 48. Verder heeft verdachte, zoals hiervoor in hoofdstuk 7 (De wegversperring in Mugonero) paragraaf 15 al is vermeld, ontkend dat hij wel eens Joseph Murakaza werd genoemd.(328) Wel heeft hij gezegd dat als een getuige heeft verklaard over Joseph die in een winkel in Mugonero werkte, de broer is van Obed Ruzindana en de zoon van Murakaza, het duidelijk is dat dit over hem gaat.(329) 49. Ook in een later verhoor heeft verdachte erkend dat als er door een getuige gesproken wordt over Joseph Murakaza, lid van de familie Murakaza, van wie één van zijn zussen [F2] heet en die een broer heeft met de naam Obed Ruzindana, hij wordt bedoeld.(330) 50. Op vragen van de Nationale Recherche waarom zij een belastende verklaring af zou leggen heeft verdachte het volgende verklaard: \"Zijn vrouw is Tutsi en hij is Duits. Als je de getuigenverklaring leest, leest men dat hij mij kende en mijn zus kende. Nu hebben we het over zijn vrouw, die kende mij en mijn zus. Ze vertelde dat ze in 1996 naar mijn woonplaats is geweest om mij op te zoeken en wraak te nemen op mij. Als je de relatie bekijkt tussen haar en haar man, is het dan niet logisch dat zijn vrouw als Tutsi-vrouw alles zou doen om mij in de problemen te brengen.\"(331) Ter terechtzitting van 20 oktober 2008 51. In de verklaringen die verdachte tijdens de inhoudelijke behandeling heeft afgelegd, heeft verdachte erkend dat hij tijdens zijn verhoren bij de Nationale Recherche heeft gesproken over een blanke man die hij ongeveer een week na het overlijden van de president heeft gezien. Op het deel van zijn verklaring dat hij in die periode geen buitenlanders in Mugonero heeft gezien, is hij teruggekomen. Ter terechtzitting heeft hij verklaard dat hij na het neerhalen van het vliegtuig veel blanken langs zag lopen en in auto's voorbij zag rijden. Hij heeft hierover verder verklaard dat hij op de radio had gehoord dat de buitenlanders werden geëvacueerd en dat als hij blanke mensen zag, hij er vanuit ging dat zij werden geëvacueerd. Verder heeft verdachte verklaard dat hij het zich niet meer zo goed herinnert en dat hij niet kan zeggen waar hij de blanke mensen zag en ik welke periode. Evenmin heeft hij kunnen aangeven vanaf welk moment hij ze niet meer heeft gezien.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">52.</span>Na geconfronteerd te zijn met het feit dat verdachte in zijn verklaring bij de Nationale Recherche over één blanke man heeft gesproken en ter terechtzitting telkens heeft gesproken over vele blanke mensen, heeft hij verklaard dat zijn verklaring bij de Nationale Recherche dan op een misverstand moet berusten. Hij heeft dit verder toegelicht op de opmerking dat hij had begrepen dat de Nationale Recherche alleen maar vroeg naar \"blanken in de winkel\".</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">53.</span>Verder heeft verdachte verklaard dat als hij het zich goed herinnert, hij de man ergens op straat heeft gezien. Dit is echter erg moeilijk voor hem om zich te herinneren, omdat hij heel veel blanken mensen op verschillende momenten heeft gezien.</div>\n<p class=\"lf-p\">Verdachte heeft voorts gezegd dat zijn verklaring bij de Nationale Recherche niet aldus mag worden uitgelegd dat hij de blanke man bij de barrière heeft gezien. Hij heeft dit uitgelegd door te wijzen op het feit dat elke auto die langsreed, moest stoppen bij de barrière. Deze blanke man moest daar net als alle andere mensen stoppen. Aangezien er militairen stonden bij de barrière, heeft verdachte verklaard dat hij denkt dat de persoon die daar stond een praatje maakte met de militairen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">54.</span>De rechtbank heeft verdachte ter terechtzitting nader bevraagd over enkele van zijn opmerkingen tegenover de Nationale Recherche. Hem is voorgehouden dat hij bij de Nationale Recherche als mogelijke motieven voor het afleggen van valse verklaringen heeft genoemd: manipulatie door de regering, analfabetisme en afgunst ten opzichte van succesvolle mensen heeft genoemd. De rechtbank heeft hem voorgehouden dat in ieder geval [getuige 4] geen analfabeet is en aan hem gevraagd of er reden is om aan te nemen dat de [getuige 4] door de huidige regering van Rwanda is gemanipuleerd. Verdachte heeft hierop geantwoord dat hij geen reden heeft dit aan te nemen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">55.</span>Verdachte is terechtzitting ook zijn verklaring voorgehouden dat het logisch is dat mevrouw [getuige 3] en ook de heer [getuige 4] hem belasten, omdat mevrouw [getuige 3] Tutsi is. Hij heeft hierop geantwoord dat hij hiermee \"niet een specifiek iemand bedoelde\". Verdachte is voorts voorgehouden dat, indien de Tutsi achtergrond van mevrouw [getuige 3] al een rol zou hebben gespeeld, dit nog geen verklaring is waarom zij hèm belast en niet bijvoorbeeld een andere Hutu, die dan wel haar zou hebben tegengehouden en de bewuste brief zou hebben geschreven. Verdachte is hierop het antwoord schuldig gebleven.</div>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt Openbaar Ministerie 56. Het Openbaar Ministerie acht dit feit wettig en overtuigend bewezen op grond van de door verdachte geschreven brief aan bourgmestre Sikubwabo, de verklaringen van [getuige 3] en [getuige 4], in samenhang bezien met de (als steunbewijs aangemerkte) verklaringen van [getuige 28] en [getuige 7].(332) 57. Volgens het Openbaar Ministerie staat vast dat Joseph Murakaza Joseph M. is en dat hij bij het schrijven van deze brief bewust gebruik heeft gemaakt van de bekende naam van zijn vader. Het Openbaar Ministerie heeft als reden hiervoor genoemd dat anders de kans groot was dat een belangrijk man als Sikubwabo geen idee had gehad met wie hij van doen had. Een andere belangrijke aanwijzing dat [verdachte] terugvalt op het gebruik van de naam Joseph Murakaza ziet het Openbaar Ministerie in het door hem gekozen emailadres murajos@[X].com. Volgens het Openbaar Ministerie is de enige logische conclusie dat dit een samenvoeging is van de namen Murakaza en Joseph.(333) 58. Het Openbaar Ministerie heeft dan ook gesteld dat de als objectief bewijs aangemerkte brief door verdachte is geschreven. In dit verband heeft het Openbaar Ministerie gesteld dat het handschriftonderzoek hier geen zekerheid over heeft opgeleverd, maar ook geen contra-indicaties.(334) 59. Over de verklaringen van [getuige 3] heeft het Openbaar Ministerie gesteld dat de betrouwbaarheid van deze getuige niet ter discussie staat, aangezien zij gedetailleerde en consistente verklaringen heeft afgelegd. Haar verklaringen worden door het Openbaar Ministerie dan ook betrouwbaar en geloofwaardig geacht.(335) 60. Ten aanzien van de herkenning van verdachte door [getuige 3] heeft het Openbaar Ministerie gewezen op de omstandigheid dat zij verdachte al ruim voor 27 april 1994 kende en zij ook de omgeving van Mugonero kende. Daarnaast heeft het Openbaar Ministerie gesteld dat de getuige verdachte gedurende langere periode heeft gezien en hij haar ook is aangewezen door de chauffeur.(336) 61. De verklaringen van [getuige 4] zijn deze minder gedetailleerd zijn. Maar zij ondersteunen de verklaringen van [getuige 3] in belangrijke mate, aldus het Openbaar Ministerie. Over de mate van gedetailleerdheid heeft het Openbaar Ministerie nog opgemerkt dat de getuige ook zelf erop heeft gewezen zich sommige details niet meer goed te kunnen herinneren. Bovendien heeft de getuige aangegeven dat hij ook niet alles heeft kunnen begrijpen, omdat Kinyarwanda niet zijn moedertaal is. Gelet op de consistentie en geloofwaardigheid van zijn verklaringen heeft het Openbaar Ministerie ook de verklaringen van [getuige 4] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs geacht.(337)</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">62.</span>Ten aanzien van de verklaringen van [getuige 28] en [getuige 7] heeft het Openbaar Ministerie gesteld dat deze op onderdelen afwijken. Gelet hierop heeft het Openbaar Ministerie deze verklaringen slechts gebruikt voorzover ze steun vinden in andere bewijsmiddelen.(338) 63. Het Openbaar Ministerie heeft voorts gesteld dat het gewapend conflict (substantiële) invloed heeft gehad op de totstandkoming van of de wijze waarop het door hen bewezenverklaarde geachte feit heeft plaatsgevonden. Volgens het Openbaar Ministerie dient het handelen van verdachte gekwalificeerd te worden als aanranding van de persoonlijke waardigheid, vernedering en onterende behandeling, alsmede als bedreiging met geweld gericht tegen het leven. Het Openbaar Ministerie heeft dan ook gevorderd dat de rechtbank het gehele primair tenlastegelegde bewezen acht.(339) 64. Voor het geval de rechtbank aan de subsidiair tenlastegelegde foltering toekomt, heeft het Openbaar Ministerie gesteld dat [getuige 3] en [getuige 4] niet de mogelijkheid hadden om zich aan het handelen van verdachte te onttrekken. Gelet hierop waren zij van hun vrijheid beroofd in de zin van de Uitvoeringswet Folteringverdrag.(340) Standpunt raadsman 65. De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte voor dit feit dient te worden vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. De raadsman heeft hiertoe onder meer het volgende aangevoerd.</div>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van getuige [getuige 3] 66. De verklaring van deze getuige dat zij bij één van de zussen van verdachte op het internaat heeft gezeten, wordt door geen enkel bewijsmiddel ondersteund. Daarnaast geldt dat, zelfs als hiervan wordt uitgegaan, zij verdachte alleen in de jaren '70 heeft gezien. Voorts heeft zij verklaard dat zij de dader niet kan omschrijven. Nu een dader pas kan worden herkend door iemand die de dader ook kent, kan er volgens de raadsman geen andere conclusie worden getrokken dan dat deze getuige de dader niet op een behoorlijke manier heeft kunnen identificeren. De omstandigheid dat chauffeur [B4] tegen haar heeft gezegd dat de dader Joseph was, maakt dit niet anders, omdat de getuige hem zelf moet kunnen herkennen. Volgens de raadsman kan aan de verklaringen van deze getuige dan ook geen enkele bewijswaarde worden toegekend. Mitsdien kunnen haar verklaringen niet worden gebruikt voor het bewijs in deze zaak.(341) Ten aanzien van getuige [getuige 4] 67. De raadsman heeft betoogd dat deze getuige alleen een gebeurtenis omschrijft en de dader niet kan identificeren als zijnde Joseph M. De getuige kende de dader niet, hij kan hem ook niet omschrijven en heeft bijvoorbeeld ook geen herinnering aan de leeftijd van de dader. De naam Joseph heeft deze getuige alleen van zijn vrouw en later van de Nationale Recherche en de rechter-commissaris gehoord. Het is volgens de raadsman dan ook heel goed mogelijk dat als gevolg hiervan deze getuige de dader Joseph is gaan noemen. Voorts heeft de raadsman erop gewezen dat de getuige heeft verklaard dat de naam Murakaza alleen is blijven hangen, omdat daarmee de bewuste brief is ondertekend.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">68.</span>Op basis van de verklaringen van deze getuige is volgens de raadsman dan ook geen zekerheid te verkrijgen over de vraag of de persoon die de verweten handelingen heeft verricht ook daadwerkelijk verdachte is. De verdediging stelt zich dan ook op het standpunt dat het bewijs daarvoor niet is geleverd.(342) Ten aanzien van [getuige 28] 69. De raadsman heeft ten aanzien van deze getuige gezegd dat hij vermoedelijk een naprater is dan wel iemand die zijn verklaring baseert op wat hij misschien van anderen heeft gehoord. Daarnaast heeft deze getuige veel moeite gedaan verdachte te belasten en heeft hij melding gemaakt van gebeurtenissen waarover de overige getuigen niets hebben gezegd. Volgens de raadsman zal de rechtbank dan ook moeten kiezen: of de heer en mevrouw [getuigen 4 en 3] hebben in hun verklaringen gelogen of [getuige 28] moet aangemerkt worden als een fantast die zijn verklaringen bij elkaar heeft gelogen.(343) 70. Volgens de raadsman is dat laatste het geval: de verklaringen van [getuige 28] zijn ongeloofwaardig en onsamenhangend. De verklaringen van deze getuige zijn dan ook in zijn geheel onbruikbaar, juist omdat deze zijn overladen met allerlei details waarvan geen enkele andere getuige melding heeft gemaakt. Het selecteren van enkele bruikbare onderdelen uit zijn verklaring doet volgens de raadsman afbreuk aan de totale beoordeling van de getuige.(344) Ten aanzien van de verklaringen van [getuige 7] en [getuige 15] 71. De raadsman heeft met betrekking tot de verklaringen van deze getuigen aangevoerd dat zij niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt, nu de rechter-commissaris en de verdediging hen niet heeft kunnen horen.(345) Ten aanzien van de aan Charles Sikubwabo geschreven brief 72. De raadsman heeft met betrekking tot deze brief aangevoerd dat gekeken dient te worden naar positief bewijs op grond waarvan iets vaststaat. De redenering van het Openbaar Ministerie dat, ondanks het ontbreken van verdachtes vingerafdrukken, niet uitgesloten kan worden dat hij de brief in handen heeft gehad, is volgens hem dan ook onzuiver.(346) Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat nu er wel vingerafdrukken van iemand anders op deze brief zijn veiliggesteld, dit een zeer goede aanwijzing is dat verdachte deze brief nooit in handen heeft gehad.(347) 73. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat ook het verrichte handschriftonderzoek geen positief bewijs heeft opgeleverd. Ten aanzien van het tweede vergelijkingsonderzoek heeft hij aangevoerd dat dit referentiemateriaal, de handgeschreven aanvraag voor een paspoort, niet kan dienen als ondersteuning voor de eerdere brief. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat er geen bewijs voorhanden is waaruit blijkt dat deze brief door verdachte is geschreven. Zo is verdachte hier nooit op gehoord, zijn de gegevens niet geverifieerd en is het handschrift ook niet vergeleken met het door de schrijfproef verkregen handschrift. Er zijn dan ook geen aanknopingspunten dat verdachte de auteur is van deze brief. Gelet hierop kan deze brief niet dienen als bewijsmiddel.(348)</div>\n<p class=\"lf-p\">Alibi 74. De raadsman heeft verder aangevoerd dat [getuige 18] heeft verklaard dat verdachte op 27 april 1994 op de Kizenga heuvel een aanval uitvoerde. Nu verdachte niet op twee plaatsen tegelijk kan zijn, zal de rechtbank moeten durven kiezen: of zij acht deze getuige onbetrouwbaar of onwaarachtig dan wel de heer en mevrouw [getuigen 4 en 3]. Indien de rechtbank de getuige [getuige 18] onbetrouwbaar oordeelt, zal dit volgens de raadsman zijn, omdat niet te verklaren is waarom deze getuige - overigens net als vele andere getuigen in dit dossier - voordat het Nederlandse opsporingsonderzoek is ingesteld niet eerder de naam van verdachte heeft genoemd, terwijl hij hem thans een zeer cruciale rol toedeelt. Een andere reden om deze getuige onbetrouwbaar te achten ziet de raadsman in het feit dat andere getuigen verdachte op het zelfde moment op een andere plaats zien. Gelet op het belang van dit oordeel heeft de raadsman opgemerkt dat hij hoopt dat de rechtbank de moed heeft om deze afweging daadwerkelijk te benoemen.(349) Het oordeel van de rechtbank 75. Zoals hiervoor in paragraaf 28 is vermeld, ziet de rechtbank aanleiding om op dit punt de verklaringen van de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] uitdrukkelijk te onderzoeken op hun betrouwbaarheid. De rechtbank zal hierbij de in hoofdstuk 6 (Waardering van getuigenbewijs) paragraaf 46 vermelde aandachtspunten toepassen, hetgeen hierna (zonder uitputtend te willen zijn) wordt toegelicht, doch slechts indien de verklaringen daartoe aanleiding geven. [Getuige 3] Ad I: De persoon van de getuige 76. Deze getuige heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zij Tutsi is.(350) Gedurende de eerste weken van de genocide woonde zij in Kibuye samen met haar vriend, [getuige 4], en hun in februari geboren zoontje.(351) 77. Over verdachte heeft zij gezegd dat zij hem kent als Joseph Murakaza. Zij heeft verder gezegd dat zij via internet weet dat anderen hem [naam verdachte] noemen.(352) Over Joseph Murakaza heeft zij gehoord dat hij naar Europa is geweest om te studeren.(353) De getuige heeft verder verklaard dat zij Joseph al heel lang kent omdat zij met zijn zussen [F2] en [F9] op school zat.(354) De getuige zat in dezelfde klas als [F2] en [F9] zat één klas hoger.(355) Zoals hiervoor in hoofdstuk 7 (De wegversperring in Mugonero) paragraaf 6 al is vermeld, heeft zij verklaard dat Murakaza de naam is van de vader van Joseph.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">78.</span>Over de familie van Joseph heeft zij verklaard dat zijn broer Obed Ruzindana heet. Zij heeft verder gezegd dat Joseph uit een grote familie komt. De getuige heeft verder verklaard dat de familie Murakaza een bekende familie van handelaren was(356) die in het handelscentrum van Mugonero woonden. De winkel was voor hun woning en ook in Kigali had de familie winkels. In de winkel werd van alles verkocht.(357) 79. Verdachte heeft ter terechtzitting van 20 oktober 2008 verklaard dat hij deze getuige niet kent. Hij heeft verder gezegd dat hij niet weet of deze getuige bij zijn zus op het internaat heeft gezeten. Daarnaast kon hij zich niet meer herinneren of [F2] en [F9] samen op een internaat hebben gezeten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">80.</span>Uit de beschuldiging blijkt dat deze getuige met name is genoemd als één van de slachtoffers van het tenlastegelegde feit. Gelet hierop is er geen aanleiding om de vraag omtrent betrokkenheid van de getuige, anders dan als slachtoffer, te bespreken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">81.</span>De rechtbank is niet gebleken dat de getuige enig belang dan wel motief heeft om in strijd met de waarheid een voor verdachte belastende verklaring af te leggen. De rechtbank ziet ook in de omstandigheid dat de getuige bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat zij na de genocide terug is geweest naar Rwanda en dat zij mensen heeft gevraagd naar [verdachte](358) geen aanleiding om te veronderstellen dat zij enig belang dan wel motief heeft om, in strijd met de waarheid, een voor verdachte belastende verklaring af te leggen. Tenslotte maakt de rechtbank er hier melding van dat verdachte ter terechtzitting zijn stelling dat deze getuige hem belast omdat zij Tutsi is en hij Hutu in geen enkel opzicht aannemelijk heeft kunnen maken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">82.</span>Zoals uit het vorenstaande blijkt, is deze getuige inmiddels getrouwd met [getuige 4], die in de tenlastelegging ook als slachtoffer is genoemd. De getuige heeft desgevraagd verklaard dat zij en haar man [getuige 4] geen afspraken hebben gemaakt over de inhoud van de door hen af te leggen verklaringen.(359) 83. De rechtbank is ook overigens niets gebleken van enige afstemming door deze getuigen. Desalniettemin kan niet worden uitgesloten dat er sprake is van bronamnesie. Hoewel dit niet uitdrukkelijk uit het dossier blijkt, kan het niet anders zijn dan dat deze getuigen veel met elkaar hebben gesproken over deze gebeurtenis. Zoals hiervoor in hoofdstuk 6 (Waardering van getuigenbewijs) paragraaf 8 al is vermeld, is het in de wetenschap erkend dat getuigen die kennis hebben uit eigen waarneming van een gebeurtenis moeilijk aanvullingen daarop uit andere bron (bijvoorbeeld uit hetgeen zij van andere mensen hebben gehoord) kunnen onderscheiden van hetgeen zij zelf daadwerkelijk hebben waargenomen. De rechtbank ziet hier echter - mede gelet op wat zij hierna ten aanzien van haar verklaringen zal overwegen - geen aanleiding om de verklaringen van deze getuige minder betrouwbaar te achten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">84.</span>Verder blijkt uit de verklaringen van deze getuige dat zij een zeer duidelijk onderscheid kan maken tussen wat zij heeft gezien en wat zij van anderen heeft gehoord.(360) 85. De rechtbank is derhalve van oordeel dat er in de persoon van de getuige geen aanleiding te vinden is om aan haar geloofwaardigheid te twijfelen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Ad II: De totstandkoming van de verklaring 86. Er zijn geen aanwijzingen dat zich voor wat betreft de totstandkoming van de getuigenis ten tijde van de verhoren, omstandigheden hebben voorgedaan die van invloed kunnen zijn geweest op de betrouwbaarheid van de inhoud van de verklaringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betrouwbaarheid van de verklaring in objectieve zin Ad III: Toetsing aan objectieve, van elders verkregen gegevens 87. Gelet op hetgeen hiervoor in de paragrafen 34 tot en met 44 is vermeld, zijn de uitkomsten van het door het NFI en de KLPD verrichte onderzoek niet strijdig met de verklaringen van deze getuige.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">88.</span>Vastgesteld is dat de op de brief veiliggestelde dactyloscopische sporen niet afkomstig zijn van verdachte. Mitsdien onderschrijft de uitkomst van dit onderzoek de verklaringen van deze getuige niet uitdrukkelijk. Nu echter het ontbreken van deze sporen niet de conclusie rechtvaardigt dat verdachte deze brief nooit in zijn handen kan hebben gehad, is de uitkomst van dit onderzoek ook niet in strijd met de verklaringen van deze getuige.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">89.</span>Voor het verrichte handschriftonderzoek geldt hetzelfde. Op grond van het onderzoek door het NFI hebben de deskundigen op de vraag of het handschrift op deze brief overeenkomt met het handschrift van verdachte niet de uitspraak 'waarschijnlijk' of sterker kunnen doen. Echter, het onderzoek sluit niet uit dat verdachte deze brief heeft geschreven, nu de conclusie van dit onderzoek blijft dat de bewuste brief mogelijk door verdachte is geschreven. Uit de bij dit rapport gevoegde vakbijlage blijkt dat deze conclusie is bereikt, omdat de bevindingen van het onderzoek weliswaar niet strijdig zijn met de stelling dat de brief door verdachte is geproduceerd, maar dat er geen sprake was van een zodanige combinatie van schrijvertyperende kenmerken dat op grond hiervan de uitspraak 'waarschijnlijk' of sterker kan worden gedaan.</div>\n<p class=\"lf-p\">Ad IV: De consistentie van opeenvolgende, door deze getuige afgelegde verklaringen 90. Zoals hiervoor in hoofdstuk 7 (De wegversperring in Mugonero) paragraaf 3 is vermeld, heeft deze getuige op 18 oktober 1996 een witness statement afgelegd tegenover onderzoekers van het Rwanda-tribunaal. In het kader van het onderzoek tegen verdachte is zij op 2 augustus 2006 in aanwezigheid van rechercheurs van de Nationale Recherche als getuige gehoord en op 5 en 6 februari 2007 door de rechter-commissaris.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">91.</span>Al in haar statement van 1996 heeft deze getuige melding gemaakt van de barricade in Mugonero, de rol van Joseph Murakaza daarbij en diens rol bij het thans tenlastegelegde feit. Deze verklaring is - zeker in vergelijking met de latere verklaringen - relatief kort na de tenlastegelegde gebeurtenis afgelegd. Daarnaast komt haar statement, dat overigens is afgelegd in het onderzoek tegen Obed Ruzindana, in hoofdlijnen overeen met de inhoud van haar later (meer gedetailleerde) verklaringen. Ten slotte geldt dat zij deze verdachte belastende verklaring al ruim tien jaar voor het Nederlandse opsporingsonderzoek heeft afgelegd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">92.</span>Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van deze getuige in zeer hoge mate consistent zijn. De verschillen in de verklaringen van deze getuige betreffen verschillen op kleine detailpunten die op geen enkele wijze beschouwd kunnen en mogen worden als wezenlijke tegenstrijdigheden. Deze kleine verschillen behoeven dan ook geen bespreking. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat deze verschillen niet - ook niet in onderling verband bezien - een omstandigheid op kunnen leveren ten gevolge waarvan de verklaringen van deze getuige als onbetrouwbaar dienen te worden aangemerkt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">93.</span>Daarnaast geldt dat het inherent is aan het afleggen van meerdere verklaringen dat er verschillen in die verklaringen zitten en dat in sommige verklaringen bepaalde elementen niet of nauwelijks aan de orde komen. Verschillen kunnen goed voortvloeien uit het verstrijken van de tijd, de chaotische aard van de gebeurtenis waarbij de getuige ernstig voor haar leven en het leven van haar baby heeft moeten vrezen, de emoties die teweeg worden gebracht door de herinnering aan deze voor de getuige dramatische gebeurtenis, dan wel een vergissing van de getuige of een andere procesdeelnemer. Bovendien mag een vergelijking van verschillen er niet toe leiden dat het zicht op de gehele verklaring wordt ontnomen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">94.</span>Gelet op het vorenstaande, is de rechtbank van oordeel dat de verschillen in de verklaringen van deze getuige geen afbreuk doen aan de betrouwbaarheid daarvan.</div>\n<p class=\"lf-p\">Ad V: De kwaliteit van de herkenning van verdachte door [getuige 3] 95. De getuige heeft verklaard dat zij na haar schooltijd verdachte niet meer heeft gezien.(361) In haar getuigenverhoor in Duitsland heeft zij verklaard dat zij van 1975 tot 1979 op een internaat in Kibuye-Stad heeft gezeten.(362) In dit verhoor heeft zij verder gezegd dat zij met [F2], één van de dochters van de familie Murakaza, op het internaat in Kibuye heeft gezeten.(363) Verder heeft zij verklaard dat zij in de vijf jaar voorafgaand aan de genocide geen personen van de familie Murakaza meer heeft gezien.(364) 96. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat zij verdachte al ongeveer 15 jaar voorafgaand aan het tenlastegelegde feit niet meer had gezien. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook geen sprake van een recente en bijzonder sterke, betrouwbare basis om verdachte te herkennen en te identificeren. Zoals hiervoor in hoofdstuk 6 (Waardering van getuigenbewijs) paragraaf 42 al is opgemerkt is visuele identificatie bij uitstek gevoelig voor vergissingen. Daarom dient een visuele identificatie met grote voorzichtigheid te worden behandeld, zeker indien deze herkenning is gedaan onder moeilijke, traumatische omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad VI: overeenstemming van de verklaring van deze getuige met hetgeen andere getuigen hebben verklaard 97. De rechtbank zal, gelet op de aard van deze toets en de samenhang met de beoordeling van de overige getuigenverklaringen, dit punt hierna in de paragrafen 128 tot en met 130 bespreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad VII: de plausibiliteit van de inhoud van de afgelegde verklaring 98. De inhoud van de verklaringen van deze getuige geeft geen aanleiding dit punt uitdrukkelijk te bespreken. [Getuige 4] Ad I: De persoon van de getuige 99. Deze getuige is een Duitse arts die van 1984 tot 1989 in Congo/Zaïre heeft gewerkt. Van 1989 tot en met eind 1991 heeft hij in Duitsland gewoond, waarna hij begin 1992 naar Rwanda is gegaan. In oktober 1993 is hij verhuisd naar Kibuye-Stad om daar in het ziekenhuis te werken.(365) Gedurende de eerste weken van de genocide woonde hij samen met zijn vriendin, [getuige 3], en hun 2 maanden oude zoontje [B1] in Kibuye-Stad.(366) Tot eind april 1994 heeft de getuige nog gewerkt in het ziekenhuis tot hij samen met zijn partner en kind op 27 april 1994 uit wanhoop heeft geprobeerd te vluchten. Nadat deze vlucht was mislukt, is hij op 21 mei 1994 door de honorair consul in Bukavu gered en naar Duitsland gebracht. Van augustus 1994 tot en met 1998 heeft de getuige weer in Rwanda gewerkt.(367) 100. Bij de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat hij voor de genocide nog nooit had gehoord van [verdachte]. Ook had hij nooit contact met hem gehad. De getuige heeft verder gezegd dat hij meent dat hij in de dagen voorafgaand aan de genocide niets had gehoord over de familie Murakaza. Hij had in ieder geval nog nooit contact gehad met deze familie, maar hij wist wel dat zij een zaak hadden aan een marktplaats in Mugonero. Voorafgaand aan de genocide had hij wel vaak over de weg langs de marktplaats gereden, maar de markt zelf niet bezocht. Hij was ook nog nooit in de zaak van de familie Murakaza geweest.(368) 101. De getuige heeft op de vraag of hij Joseph ooit eerder had gezien, geantwoord dat hij zich daar niet bewust van is.(369) Hij heeft verder aangegeven dat hij Joseph niet kan beschrijven en dat hij hem waarschijnlijk ook niet meer zou kunnen herkennen.(370) In zijn verhoor in Duitsland heeft de getuige hier verder nog over gezegd dat hij zich meent te herinneren dat zijn vrouw hem heeft verteld dat ook de jongere broer van Obed Ruzindana zich in de winkel ophield en mogelijk zelfs de eigenaar was van de winkel.(371) 102. Sinds de gebeurtenis bij de controlepost op 27 april 1994 heeft de getuige Obed Ruzindana of zijn broer niet meer gezien.(372) 103. Verdachte heeft ter terechtzitting van 20 oktober 2008 verklaard dat hij deze getuige niet kent.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">104.</span>Uit de beschuldiging blijkt dat deze getuige met name is genoemd als één van de slachtoffers van het tenlastegelegde feit. Gelet hierop is er geen aanleiding om de vraag omtrent betrokkenheid van de getuige, anders dan als slachtoffer, nader te bespreken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">105.</span>De rechtbank is niet gebleken dat de getuige enig belang dan wel motief heeft om, in strijd met de waarheid, een voor verdachte belastende verklaring af te leggen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">106.</span>Zoals hiervoor vermeld, is deze getuige inmiddels getrouwd met [getuige 3], die in de beschuldiging ook als slachtoffer is genoemd. De getuige heeft desgevraagd verklaard dat hij en zijn vrouw wel over het verhoor hebben gesproken, maar dat zij geen inhoudelijke informatie hebben afgesproken en dat er dus niets is afgestemd.(373) 107. De rechtbank is ook overigens niets gebleken van enige afstemming door deze getuigen. Desalniettemin kan niet uitgesloten worden dat er sprake is van bronamnesie. Hoewel dit niet uitdrukkelijk uit het dossier blijkt, kan het niet anders zijn dan dat deze getuigen veel met elkaar hebben gesproken over deze gebeurtenis. Zoals hiervoor in hoofdstuk 6 (Waardering van getuigenbewijs) paragraaf 8 al is vermeld, is het in de wetenschap erkend dat getuigen die kennis hebben uit eigen waarneming van een incident moeilijk aanvullingen daarop uit andere bron (bijvoorbeeld uit hetgeen zij van andere mensen hebben gehoord) kunnen onderscheiden van hetgeen zij zelf daadwerkelijk hebben waargenomen. De rechtbank ziet hierin echter - mede gelet op wat zij hierna ten aanzien van zijn verklaring zal overwegen - geen aanleiding de verklaringen van deze getuige minder betrouwbaar te achten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">108.</span>Verder blijkt uit de verklaringen van deze getuige dat hij een zeer duidelijk onderscheid kan maken tussen wat hij heeft gezien en wat hij van anderen heeft gehoord.(374) 109. De rechtbank is derhalve van oordeel dat er in de persoon van de getuige geen aanleiding te vinden is om aan zijn geloofwaardigheid te twijfelen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Ad II: De totstandkoming van de verklaring 110. Uit het proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris blijkt dat de getuige zeer assertief was wat betreft de werkwijze tijdens de verhoren(375) en meerdere keren heeft aangegeven dat hij niet gelukkig was met de procedure van vertaling.(376) De getuige was duidelijk in staat om bepaalde conclusies in zijn verklaring te onderbouwen aan de hand van zijn observaties, waardoor de rechtbank een goed inzicht heeft gekregen in de situatie ter plekke.(377) Ook heeft de getuige duidelijk aangegeven wat hij uit de situatie ter plekke heeft opgemaakt(378) en wat hij niet meer weet.(379) Er zijn dan ook geen aanwijzingen dat er, voor wat betreft de totstandkoming van de verklaring ten tijde van de verhoren, omstandigheden zijn aan te wijzen die van invloed kunnen zijn geweest op de betrouwbaarheid van de inhoud van deze verklaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betrouwbaarheid van de verklaring in objectieve zin Ad III: Toetsing aan objectieve, van elders verkregen gegevens 111. Gelet op hetgeen hiervoor in de paragrafen 34 tot en met 44 is vermeld en nader is besproken in de paragrafen 87 tot en met 89, zijn de uitkomsten van het door het NFI en de KLPD verrichte onderzoek niet strijdig met de verklaringen van deze getuige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad IV: De consistentie van opeenvolgende, door deze getuige afgelegde verklaringen 112. Deze getuige heeft op 25 september 1995, 19 september 1996 en 20 september 1996 witness statements afgelegd tegenover onderzoekers van het Rwanda-tribunaal. In geen van deze statements heeft de getuige melding gemaakt van deze tenlastegelegde gebeurtenis.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">113.</span>In zijn verhoor bij de rechter-commissaris heeft de getuige dit uitgelegd. Hij heeft hierbij gewezen op het feit dat hij slechts heeft verklaard over de algemene situatie voorafgaand, tijdens en na afloop van de genocide. Verder heeft hij gezegd dat hij tegenover de onderzoekers wel over Kayishema heeft verklaard maar niet over Joseph en de militie in Mugonero. Hij heeft dit toegelicht door te zeggen dat Joseph slechts een 'bijpersoon' was. Hij was voor de getuige en diens partner op die ene dag wel van levensbelang, maar voor het Rwanda-tribunaal was hij slechts een bijpersoon wiens rol destijds niet belangrijk was.(380) 114. Gelet op de inhoud van deze witness statements acht de rechtbank de verklaring die de getuige heeft gegeven voor het niet eerder noemen van het tenlastegelegde feit zeer plausibel. Immers, uit deze witness statements blijkt dat de getuige, zoals hij ook zelf bij de rechter-commissaris heeft verklaard, eerst alleen heeft gesproken over de algemene situatie in Rwanda en in het bijzonder in zijn woonplaats Kibuye voorafgaand, tijdens en na afloop van de genocide. In zijn laatste verklaring tegenover de onderzoekers van het Rwanda-tribunaal heeft hij gesproken over hetgeen hij in Kibuye heeft gezien dan wel gehoord over de aanval op het 'Home St. Jean'-complex. Pas op het einde van deze verklaring heeft de getuige melding gemaakt van zijn vlucht op 27 april 1994 waarover hij verder geen enkel detail heeft gegeven. Onder deze omstandigheden is het niet verrassend dat hij in deze statements niet heeft gesproken over verdachte en de gebeurtenissen bij de slagboom in Mugonero.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">115.</span>De rechtbank is dan ook van oordeel dat de omstandigheid dat de getuige in zijn verklaringen tegenover onderzoekers van het Rwanda-tribunaal niets heeft verklaard over het thans tenlastegelegde feit in genen dele de betrouwbaarheid van zijn verklaring aantast.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">116.</span>Voor het overige geldt dat de verklaringen van deze getuige in zeer hoge mate consistent zijn. De verschillen in de verklaringen van deze getuige betreffen verschillen op kleine detailpunten die op geen enkele wijze beschouwd kunnen en mogen worden als wezenlijke tegenstrijdigheden. Deze kleine verschillen behoeven dan ook geen bespreking. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat deze verschillen niet - ook in onderling verband bezien - een omstandigheid op kunnen leveren ten gevolge waarvan de verklaringen van deze getuige als onbetrouwbaar dienen te worden aangemerkt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">117.</span>Daarnaast geldt dat het inherent is aan het afleggen van meerdere verklaringen dat er verschillen in die verklaringen zitten en dat in sommige verklaringen bepaalde elementen niet of nauwelijks aan de orde komen. Verschillen kunnen goed voortvloeien uit het verstrijken van de tijd, de chaotische aard van de gebeurtenis waarbij de getuige ernstig voor het leven en het leven van zijn vrouw en zoontje heeft moeten vrezen, de emoties die teweeg worden gebracht door de herinnering aan deze voor de getuige dramatische gebeurtenis, dan wel een vergissing van de getuige of een andere procesdeelnemer. Bovendien mag een vergelijking van verschillen er niet toe leiden dat het zicht op de gehele verklaring wordt ontnomen. Gelet op het vorenstaande, is de rechtbank van oordeel dat de verschillen in de verklaringen van deze getuige geen afbreuk doen aan de betrouwbaarheid daarvan.</div>\n<p class=\"lf-p\">Ad V: De kwaliteit van de herkenning van verdachte door [getuige 4]</p></div>", "next": 239078}