{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Deskundigenkosten 4.110. [partij 1] vorderen onder 3.3. van hun petitum een bedrag van € 19.873,20 plus rente wegens gemaakte onderzoekskosten. Dit bedrag is als volgt opgebouwd: € 495,05 [adviesbureau] € 6.824,40 TechnoConsult € 2.171,95 Trition € 10.381,80 Bouwstad 4.111. Het Bouwbedrijf heeft verweer gevoerd tegen de hoogte van deze kosten. Het Bouwbedrijf stelt dat het inschakelen van meerdere deskundigen niet volledig noodzakelijk was, dat Bouwstad de bevindingen van TechnoConsult grotendeels heeft overgenomen, en dat het Bouwbedrijf ondanks verzoeken daartoe niet bij de beoordelingen betrokken is geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.112. De rechtbank stelt voorop dat [partij 1] op grond van artikel 6:96 BW recht hebben op vergoeding van redelijke en noodzakelijke onderzoekskosten ter vaststelling van gebreken. De rechtbank acht het inschakelen van meerdere deskundigen noodzakelijk om de diverse gebreken objectief vast te laten stellen. Tegelijkertijd is duidelijk dat Bouwstad grotendeels de bevindingen van TechnoConsult heeft overgenomen, waardoor sprake is van gedeeltelijke dubbeltelling in kosten. Dit rechtvaardigt een matiging van de kosten voor TechnoConsult en Bouwstad . Dat het Bouwbedrijf mogelijk onvoldoende bij het onderzoeksproces betrokken is geweest, weegt bij de beoordeling mee, maar sluit de vergoeding van onderzoekskosten niet uit. Alles overwegende zal de rechtbank de onderzoekskosten als volgt toewijzen. De kosten van [adviesbureau] en Triton zullen volledig worden toegewezen. De kosten van TechnoConsult en Bouwstad zullen voor 50% worden toegewezen. Daarmee wordt uitgekomen op het door de rechtbank redelijk geachte bedrag van in totaal van € 11.270,10.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.113. [partij 1] vorderen wettelijke rente over de onderzoekskosten vanaf de datum van oplevering of de datum van melding van de gebreken, althans vanaf een in goede justitie te bepalen datum. De rechtbank overweegt dat de wettelijke rente slechts verschuldigd is vanaf het moment waarop de onderzoekskosten feitelijk zijn gemaakt en opeisbaar zijn. Bij oplevering en bij de melding van de gebreken bestond er nog geen vordering tot vergoeding van onderzoekskosten. De vordering kan derhalve niet met terugwerkende kracht vanaf die data worden verhoogd met rente. Gelet hierop zal de rechtbank de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 2 april 2025, de datum van de conclusie na comparitie waarbij aanspraak op de totale onderzoekskosten is gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige (gevolg)schade 4.114. [partij 1] vorderen onder 3.1 en 3.2 van hun petitum ten titel van schadevergoeding een bedrag van € 3.320,19 plus rente. Zij verwijzen daarbij naar randnummers 146 en 157-159 van de dagvaarding. Blijkens die randnummers is dit bedrag als volgt opgebouwd: € 1.411,67 voor het drogen van het platdak doordat dakbedekking niet werd aangebracht, € 972,00 aan kosten voor het opstoken van de vloer doordat de aardwarmtepomp niet tijdig kon worden geplaatst, € 181,50 voor het inschakelen van een elektricien voor het aansluiten van de huidige aardwarmtepomp op krachtstroom, € 458,31 aan kosten voor gordijnen ter verduistering omdat zonnenscreens nog niet konden worden bevestigd, € 296,80 aan kosten van extra tussen- en elektrameters.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.115. Het gevorderde bedrag van € 1.411,67 wegens dakdroogkosten is op geen enkele wijze onderbouwd. Er is geen inzicht gegeven in de omvang van de schade en de aansprakelijkheid van het Bouwbedrijf . Hetzelfde geldt voor de gevorderde opstookkosten van € 972,00. De verwijzing naar een enkel e-mailbericht kan hiervoor geen grondslag vormen. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.116. Ook de gevorderde elektricienkosten van € 181,50 worden afgewezen. [partij 1] hebben onvoldoende gesteld, laat staan onderbouwd, dat het aansluiten van de aardwarmtepomp op krachtstroom noodzakelijk was en op welke grondslag deze kosten voor rekening van het Bouwbedrijf zouden moeten komen. [partij 1] stellen wel hogere stroomkosten te hebben gehad doordat de WTW-installatie en aardwarmtepomp niet goed functioneerden, maar deze schade is niet concreet gespecificeerd en onderbouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.117. Ter onderbouwing van de kosten voor gordijnen stellen [partij 1] dat het afwerken van het stucwerk en het schoonmaken van de muur nodig was om de screens te kunnen plaatsen. Het Bouwbedrijf betwist dit. Nu niet is komen vast te staan dat het plaatsen van screens daarvan afhankelijk was, [partij 1] er ook voor hadden kunnen kiezen deze werkzaamheden zelf te laten uitvoeren en het Bouwbedrijf bovendien heeft aangevoerd dat de gordijnen niet tijdelijk waren daar deze reeds vóór oplevering zijn aangeschaft, wordt de vordering afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverschuldigde betaling 4.118. [partij 1] vorderen een verklaring voor recht dat zij € 10.875,00 te veel aan het Bouwbedrijf hebben betaald en vorderen terugbetaling van dat bedrag. [partij 1] stellen dat dit bedrag betrekking heeft op kosten van uitvoering/ werkvoorbereiding die zij voornamelijk zelf hebben moeten verrichten doordat het Bouwbedrijf deze werkzaamheden zou hebben nagelaten en dat uit de overgelegde correspondentie en bijgevoegde producties duidelijk wordt dat zij deze werkzaamheden zelf hebben uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.119. De rechtbank is van oordeel dat de vordering niet toewijsbaar is. Allereerst is op geen enkele wijze onderbouwd dat en welke werkzaamheden daadwerkelijk door [partij 1] zouden zijn verricht en in hoeverre het gevorderde bedrag van €10.875,00 daarop betrekking heeft. Een enkele verwijzing naar de overgelegde correspondentie en bijgevoegde producties, zonder daarbij aan te geven welke correspondentie en producties, kan niet als een deugdelijke onderbouwing van de vordering worden beschouwd. Daarbij komt dat er een contractuele grondslag voor betaling bestond, namelijk de aannemingsovereenkomst. Ook als [partij 1] zelf werkzaamheden zouden hebben verricht, kan een betaling niet zonder meer als onverschuldigd worden aangemerkt. Gelet hierop zal de rechtbank de gevorderde verklaring voor recht en terugbetaling niet toewijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Buitengerechtelijke kosten 4.120. [partij 1] vorderen op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW een bedrag van € 3.198,76 incl. btw aan buitengerechtelijke kosten. Het Bouwbedrijf betwist deze vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.121. Ingevolge artikel 6:96 lid 2 sub c BW komen redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking. Buitengerechtelijke kosten als bedoeld in deze bepaling komen alleen voor vergoeding in aanmerking indien deze de dubbele redelijkheidtoets kunnen doorstaan. Vereist is dat, in de gegeven omstandigheden, de kosten redelijk zijn en de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk waren. Beoordeeld dient dan ook te worden of de kosten qua omvang binnen redelijke grenzen zijn gebleven en of het redelijk is geweest om in gegeven omstandigheden de betreffende kosten te maken. De buitengerechtelijke kosten dienen geen betrekking te hebben op verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237 en 239 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.122. [partij 1] dienen te stellen en te specificeren dat kosten zijn gemaakt ter zake van andere verrichtingen dan die waarvoor de in de artikelen 237 en 239 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. Bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing is het de rechtbank niet duidelijk voor welke verrichtingen [partij 1] een vergoeding vordert. Om die reden zal de vordering worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Immateriële schadevergoeding en schade van opgenomen vrije dagen 4.123. [partij 1] vorderen een bedrag van € 30.000,00 aan immateriële schade. Daarnaast vorderen zij in verband met opgenomen vakantiedagen een bedrag van € 10.497,86 als vermogensschade.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.124. De rechtbank is met het Bouwbedrijf van oordeel dat deze vorderingen onvoldoende zijn onderbouwd. In ons rechtssysteem worden vorderingen tot vergoeding van immateriële schade of persoonlijke tijdsinvestering slechts in zeer uitzonderlijke gevallen toegewezen. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor het ongemak dat de situatie voor [partij 1] heeft veroorzaakt, hebben zij onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij door de tekortkomingen van het Bouwbedrijf zodanig emotioneel of persoonlijk zijn geraakt dat een immateriële schadevergoeding gerechtvaardigd is, laat staan voor het gevorderde bedrag. Voor wat betreft de gevorderde vergoeding voor de opgenomen vakantiedagen geldt dat de daardoor geleden inkomstenvermindering als gevolg van het opnemen van extra vakantiedagen voor vergoeding in aanneming kan komen, als die aan de schadeveroorzakende gebeurtenis kan worden toegerekend. [partij 1] stellen dat zij diverse vakantiedagen hebben moeten opnemen om het Bouwbedrijf bepaalde gebreken te kunnen laten beoordelen en herstellen en voor de deskundigen. Onder verwijzing naar productie 67 stellen zij dat het om 40 vrije dagen gaat. De rechtbank is van oordeel dat [partij 1] onvoldoende hebben onderbouwd dat de afspraken/werkzaamheden waarvoor zij stellen vrij te hebben genomen niet konden worden gepland op dagen waarop vrij waren. Verder hebben zij onvoldoende onderbouwd dat het opnemen van deze dagen volledig kan worden toegerekend aan de tekortkoming van het Bouwbedrijf .</p>\n<p class=\"lf-p\">Proceskosten in conventie 4.125. Hoewel de vorderingen van [partij 1] niet op alle onderdelen worden toegewezen, is een substantieel gedeelte van het gevorderde wel toewijsbaar gebleken. De rechtbank is daarom van oordeel dat [partij 1] als de in overwegende mate in het gelijk gestelde partij hebben te gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit brengt mee dat het Bouwbedrijf als de in conventie grotendeels in het ongelijk gestelde partij de proceskosten (inclusief nakosten) moet betalen. De proceskosten van [partij 1] worden begroot op:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>kosten van de dagvaarding € 134,55</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>griffierecht € 1.325,00</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>salaris advocaat € 1.535,00 (2,5 punten × € 614,00)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 3.172,55 4.126. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. in reconventie 4.127. Het Bouwbedrijf stelt dat [partij 1] per datum oplevering (7 september 2022) het resterende bedrag van de aanneemsom verschuldigd zijn van € 109.940,72. Dit bedrag is gefactureerd middels drie facturen. Het Bouwbedrijf gaat daarbij uit van een aanneemsom van € 483.164,30, overeengekomen meerwerk ten bedrage van € 7.973,30 en € 45.255,21 aan minderwerk. [partij 1] hebben € 355.941,67 betaald zodat nog een te betalen bedrag van € 109.940,72 resteert. [partij 1] schieten tekort in de nakoming van de op hen rustende betalingsverplichting en beroepen zich ten onrechte op opschorting, aldus het Bouwbedrijf .</div>\n<p class=\"lf-p\">4.128. [partij 1] stellen zich primair op het standpunt dat [factuurnummer 2] , met omschrijving restant aanneemsom inclusief verrekening meer- en minderwerk, pas op 16 juli 2024 verzonden is zodat de betalingstermijn ten tijde van het indienen van de eis in reconventie nog niet verstreken was. Er is derhalve geen opeisbare vordering zodat de reconventie moet worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.129. De rechtbank volgt [partij 1] niet in hun redenering. Dat de betalingstermijn van [factuurnummer 2] ten tijde van het instellen van de reconventionele vordering nog niet verstreken was, betekent alleen dat er nog geen sprake was van verzuim. Dit brengt mee dat wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten niet toewijsbaar zijn over de periode vóór het verstrijken van de betalingstermijn. Dit leidt er niet toe dat de reconventionele vorderingen voor afwijzing gereed liggen. De rechtbank komt aan een inhoudelijke beoordeling toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.130. Partijen zijn het erover eens dat tussen hen een aanneemovereenkomst is gesloten voor een bedrag van € 483.164,30. Eveneens staat vast dat partijen meerwerk zijn overeengekomen ter hoogte van in ieder geval € 7.973,30. Daarmee bedraagt het uitgangspunt voor de eindafrekening € 491.137,60.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.131. Partijen verschillen van mening over de omvang van het minderwerk. Het Bouwbedrijf stelt dat sprake is van overeengekomen minderwerk ter hoogte van € 45.255,21, zodat de aangepaste aanneemsom (€ 483.164,30 + € 7.973,30 - € 45.255,21 = ) € 445.882,39 bedraagt. [partij 1] stellen dat het minderwerk aanzienlijk hoger is en dat na verrekening van meer- en minderwerk de aangepaste aanneemsom € 405.191,75 bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.132. Vaststaat dat door [partij 1] een bedrag van € 335.941,67 is voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.133. Volgens het Bouwbedrijf moeten [partij 1] nog een resterende aanneemsom van (€ 445.882,39 - € 335.941,67 = ) € 109.940,72 betalen. Volgens [partij 1] moeten zij nog € 58.779,58 betalen. [partij 1] stelt dat dit het verschil is tussen de nieuwe aanneemsom van € 405.191,75 en de betaalde facturen van € 335.941,67. [partij 1] doen met betrekking tot dit door hen erkende bedrag een beroep op opschorting en verrekening met de herstelkosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.134. Het is de rechtbank niet duidelijk hoe [partij 1] tot het bedrag van € 405.191,75 komen. De berekening die zij daaraan bij conclusie na comparitie ten grondslag leggen is onnavolgbaar. Dit geldt te meer, nu [partij 1] ten tijde van de mondelinge behandeling nog uitgingen van een aangepaste aanneemsom van € 400.272,55. De berekening daarvan hadden zij verwerkt in productie 91. Ter zitting hebben zij ter toelichting op deze aangepaste aanneemsom van € 400.272,55 aangegeven dat zij tot dit bedrag zijn gekomen door het minderwerk uit randnummers 144 en 147 van de dagvaarding in mindering te brengen op de overeengekomen aanneemsom van € 483.164,30. Bij akte wijzing eis is randnummer 144 aangevuld met nog een aantal andere posten aan minderwerk. Het Bouwbedrijf kan deze nieuwe aanneemsom van € 400.272,55 nog factureren. Er is al een bedrag van € 358.781,25 gefactureerd. Dat betekent dat nog een bedrag van € 41.491,29 gefactureerd kan worden. [partij 1] moeten dit bedrag dus nog betalen en niet het in de dagvaarding genoemde bedrag van € 17.632,11, aldus [partij 1] Ook in deze redenering kon de rechtbank [partij 1] niet volgen. De overeengekomen aanneemsom van € 483.164,30 -/- minderwerk € 66.790,04 -/- minderwerk € 10.875,00 = € 405.499,26 en niet € 400.272,55. Bovendien moeten [partij 1] niet alleen de restant aanneemsom van € 41.491,29 betalen maar ook nog de openstaande facturen van € 22.839,58.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.135. De rechtbank stelt vast dat [partij 1] in hun berekening verschillende posten door elkaar hanteren, waaronder (i) de contractuele eindafrekening, (ii) de stand van facturering en betaling, en (iii) een beroep op opschorting en verrekening. Deze posten dienen echter van elkaar te worden onderscheiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Juiste aanneemsom na verrekening van meer- en minderwerk 4.136. De rechtbank stelt voorop dat eerst dient te worden vastgesteld wat de juiste aanneemsom na verrekening van meer- en minderwerk bedraagt. Pas daarna kan worden beoordeeld welk bedrag, gelet op de reeds verrichte betalingen, nog verschuldigd is. Een beroep op opschorting en verrekening komt eerst in beeld nadat is vastgesteld dát en hoeveel [partij 1] nog dienen te betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.137. Indien wordt uitgegaan van het door [partij 1] gestelde bedrag van € 405.191,75 als aangepaste aanneemsom en het vaststaande reeds betaalde bedrag van € 335.941,67 daarop in mindering wordt gebracht, resteert een bedrag van € 69.250,08, en niet een bedrag van € 58.779,58, zoals [partij 1] stellen. [partij 1] hebben niet inzichtelijk gemaakt hoe zij tot dit bedrag komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.138. Wat wel duidelijk uit de berekening van [partij 1] blijkt, is dat zij zich beroepen op een aanzienlijk hogere post aan minderwerk dan door het Bouwbedrijf is erkend. Daarmee rust op [partij 1] de stelplicht en bewijslast van dit gestelde minderwerk. Daaraan hebben zij niet voldaan. De enkele verwijzing naar een opsomming van posten die volgens [partij 1] door hen zelf zouden zijn uitgevoerd, dan wel op 4 maart 2022 als minderwerk zouden zijn overeengekomen met het Bouwbedrijf , is daartoe – gelet op de gemotiveerde betwisting van het Bouwbedrijf – onvoldoende. De door hen gegeven opsommingen en berekeningen maken niet inzichtelijk welke aanvullende werkzaamheden concreet zijn vervallen, op welke wijze deze zijn gewaardeerd en op welk moment en op welke grondslag deze als minderwerk tussen partijen zouden zijn overeengekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.139. Nu het bestaan en de omvang van minderwerk boven het door het Bouwbedrijf erkende bedrag van € 45.255,21 niet is komen vast te staan, gaat de rechtbank uit van dit bedrag van € 45.255,21 bij de vaststelling van de eindafrekening tussen partijen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.140. Dit betekent dat [partij 1] aan het Bouwbedrijf nog een restant aanneemsom van € 109.940,72 verschuldigd zijn. Dit bedrag is door het Bouwbedrijf gefactureerd bij facturen met nummers [factuurnummer 1] , [factuurnummer 3] en [factuurnummer 2] . Daarmee komt de rechtbank toe aan de beoordeling van het door [partij 1] gevoerde verweer van opschorting en verrekening. [partij 1] stellen dat zij betaling van (een deel van) het openstaande bedrag mogen opschorten wegens niet uitgevoerd herstel en dit mogen verrekenen met door hen gestelde herstelkosten wegens tekortkomingen in het uitgevoerde werk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beroep op opschorting en verrekening 4.141. De rechtbank stelt voorop dat een beroep op opschorting en verrekening slechts kan slagen indien vaststaat dat [partij 1] een opeisbare en voldoende bepaalbare tegenvordering hebben, die in zodanig verband staat met de betalingsverplichting dat opschorting gerechtvaardigd is. Het is aan [partij 1] om feiten en omstandigheden te stellen en, bij betwisting, te bewijzen waaruit het bestaan en de omvang van een dergelijke tegenvordering volgt. [factuurnummer 1] 4.142. Ten aanzien [factuurnummer 1] van 12 juli 2022, de laatste termijn van de gevelstukadoor, voeren [partij 1] aan dat zij deze factuur niet hebben betaald omdat zij geklaagd hebben over de kwaliteit van het stucwerk en de steenstrips (gebreken 3 en 6). [partij 1] stellen dat deze gebreken eerst moeten worden hersteld voordat betaling verschuldigd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.143. De rechtbank heeft in conventie geoordeeld dat ten aanzien van het stucwerk en de steenstrips geen sprake is van een gebrek. Nu de vermeende gebreken niet zijn komen vast te staan, ontbreekt de grondslag voor de opschorting van de betaling van deze factuur. Het beroep op opschorting faalt daarom. [factuurnummer 3] 4.144. [factuurnummer 3] heeft betrekking op de door [installatiebureau] geleverde en geplaatste aardwarmtepomp. [partij 1] stellen dat zij betaling van deze factuur mogen opschorten wegens non-conformiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.145. De rechtbank volgt [partij 1] niet in hun standpunt. Weliswaar is in kort geding geoordeeld dat de huidige aardwarmtepomp niet aan de overeenkomst beantwoordt, maar het Bouwbedrijf is bereid dit te herstellen door levering en montage van een nieuwe aardwarmtepomp. Daartoe ligt reeds geruime tijd een uitvoerbaar herstelplan gereed. De uitvoering van dit plan wordt thans, zoals in conventie is overwogen, door [partij 1] verhinderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.146. De rechtbank gaat ervan uit dat het Bouwbedrijf zal overgaan tot herstel van de aardwarmtepomp, zodra [partij 1] daaraan hun medewerking verlenen. Zolang zij hun medewerking daaraan niet verlenen, is er sprake van schuldeisersverzuim en zijn zij niet bevoegd om hun betalingsverplichting op te schorten. Dat betekent dat [partij 1] gehouden zijn om de factuur te voldoen. [factuurnummer 2] 4.147. [factuurnummer 2] ten bedrage van € 87.101,14 heeft als omschrijving ‘restant aanneemsom inclusief verrekening meer- en minderwerk’. De juistheid van deze factuur wordt door [partij 1] betwist. Uit de processtukken van het Bouwbedrijf , in onderlinge samenhang bezien met hetgeen hiervoor is overwogen over de aanneemsom, het overeengekomen meer- en minderwerk en de reeds door [partij 1] verrichte betalingen, blijkt voldoende hoe het Bouwbedrijf tot dit restantbedrag is gekomen. De rechtbank acht de factuur derhalve voldoende gespecificeerd en het daarin genoemde bedrag in beginsel toewijsbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.148. [partij 1] voeren echter als verweer aan dat betaling van deze factuur kan worden opgeschort dan wel verrekend omdat de gebreken nog niet zijn hersteld en de begrote herstelkosten minimaal € 260.000,00 zouden bedragen. Dit verweer faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.149. Voor het beroep op verrekening geldt dat er geen herstelkosten zijn gevorderd, zodat er geen bestaande en opeisbare vordering is waarmee het restant van de aanneemsom kan worden verrekend. [partij 1] vorderen immers geen vervangende schadevergoeding, maar nakoming in de zin van herstel van gebreken. Zolang een dergelijke vordering niet is omgezet in een geldvordering, ontbreekt een rechtsgrond voor verrekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.150. Voor het beroep op opschorting geldt dat opschorting leidt tot uitstel van betaling en niet tot het vervallen van de betalingsverplichting. [partij 1] hebben hun betalingsverplichting opgeschort, zo begrijpt de rechtbank, totdat de gebreken zijn hersteld. Nu in conventie is vastgesteld welke gebreken moeten worden hersteld en het Bouwbedrijf daartoe in conventie zal worden veroordeeld, is er voor [partij 1] geen reden meer om zich op opschorting te blijven beroepen. Dit geldt temeer nu aan het Bouwbedrijf in conventie tevens een dwangsom zal worden opgelegd, voor het geval zij niet aan de veroordeling zal voldoen. De slotsom is dan ook dat [partij 1] zullen worden veroordeeld tot het betalen van het restant van de aanneemsom ten bedrage van € 87.101,14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke rente en incassokosten 4.151. Uit het voorgaande volgt dat [partij 1] gehouden zijn de drie openstaande facturen te voldoen. Deze belopen gezamenlijk een bedrag van € 109.940,72. De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom zal worden toegewezen met ingang van de datum van dit vonnis. Er is namelijk niet toegelicht waarom de rente met ingang van de gevorderde ingangsdatum, zijnde de dag waarop een sommatiebrief verzonden is, verschuldigd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.152. Het Bouwbedrijf vordert daarnaast vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Daartegen is geen inhoudelijk verweer gevoerd. De aanmaning voldoet aan de eisen zoals neergelegd in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en artikel 6:96 lid 6 BW, zodat ook dit deel van de vordering toewijsbaar is. Daarom zal een bedrag van € 1.874,41 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen met ingang van de datum van dit vonnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proceskosten in reconventie 4.153. [partij 1] zijn in reconventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van het Bouwbedrijf worden begroot op:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>salaris advocaat € 1.929,00 (2 punten ×factor 0,5 x € 1.929,00)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.107,00 4.154. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.</div>\n<p class=\"lf-p\">5De beslissing De rechtbank in conventie 5.1. veroordeelt het Bouwbedrijf om de in rechtsoverweging 4.100. genoemde gebreken binnen een termijn van vier maanden na datum van dit vonnis te herstellen naar eisen van goed en deugdelijk werk, 5.2. veroordeelt het Bouwbedrijf tot betaling van een dwangsom van € 500,00 per dag (of gedeelte daarvan) dat het Bouwbedrijf in gebreke blijft aan de veroordeling onder 5.1. te voldoen, met een maximum van € 50.000,00, 5.3. veroordeelt het Bouwbedrijf om aan [partij 1] te betalen een bedrag van € 11.270,10 aan onderzoekskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 2 april 2025 tot de dag van volledige betaling, 5.4. veroordeelt het Bouwbedrijf in de proceskosten van € 3.172,55, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als het Bouwebedrijf niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.5. veroordeelt het Bouwbedrijf in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan, 5.6. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.7. wijst het meer of anders gevorderde af, in reconventie 5.8. veroordeelt [partij 1] om aan het Bouwbedrijf te betalen een bedrag van € 109.940,72, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, 5.9. veroordeelt [partij 1] om aan het Bouwbedrijf te betalen een bedrag van € 1.874,41 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, 5.10. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.11. wijst het meer of anders gevorderde af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit vonnis is gewezen door mr. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 1 en 2 dagvaarding Productie 13 conclusie van antwoord zijdens [partij 2] Productie 4 dagvaarding Productie 5 dagvaarding Productie 5 dagvaarding Productie 9 dagvaarding, rapport van 17 mei 2022 Productie 10 dagvaarding, rapport van 17 juni 2022 Productie 11 dagvaarding Productie 2 conclusie van antwoord Productie 16 dagvaarding Productie 19 dagvaarding, rapport Lekdectiecentrale Productie 20 dagvaarding, rapport van Trition Productie 17 dagvaarding Productie 24 dagvaarding Productie 25 dagvaarding Producties 29 en 30 dagvaarding Productie 40 dagvaarding, rapport TechnoConsult d.d. 24 mei 2023 Productie 34 dagvaarding Productie 35 dagvaarding, rapport van [deskundige] van 9 juni 2023 Productie 36 dagvaarding Productie 56 dagvaarding, rapport van Trition B.V. van 13 oktober 2023 Productie 58 dagvaarding en productie 108 zijdens [partij 1] Productie 152 conclusie na comparitie zijdens [partij 1] Productie 113 zijdens [partij 1] Productie 114 zijdens [partij 1] Productie 116 zijdens [partij 1] Productie 117 zijdens [partij 1] Productie 134 zijdens [partij 1] Facturen [factuurnummer 1] , [factuurnummer 3] en [factuurnummer 2] , producties 15, 14 en 1 bij conclusie van antwoord Productie 124 conclusie van antwoord in reconventie Productie 106 bij conclusie na comparatie zijdens [partij 1] Productie 40 dagvaarding Pagina 28 van productie 40 bij dagvaarding Pagina 13 productie 134 bij dagvaarding Productie 40 bij dagvaarding Productie 9 bij dagvaarding Productie 134 bij conclusie na comparitie Productie 40 bij dagvaarding Productie 6 conclusie van antwoord Productie 40 bij dagvaarding Productie 134 bij conclusie na comparitie Productie 40 bij dagvaarding Pagina 33 van productie 40 bij dagvaarding Pagina 6 van productie 134 bij conclusie na comparitie Pagina 8 van productie 35 bij dagvaarding Pagina 24 van productie 134 en productie 116 zijdens [partij 1] Productie 35 p. 10 en verder Productie 108 zijdens [partij 1] Productie 134 conclusie na comparitie Productie 9 van het Bouwbedrijf Productie 10 van het Bouwbedrijf Productie 139 zijdens [partij 1] Productie 146 zijdens [partij 1] Productie 40 zijdens [partij 1] Productie 134 zijdens [partij 1] Productie 40 zijdens [partij 1] Productie 48 zijdens [partij 1] Productie 61 zijdens [partij 1] Productie 56 bij dagvaarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 114 zijdens [partij 1] Productie 117 zijdens [partij 1] Productie 134 zijdens [partij 1] [factuurnummer 1] de dato 12-07-2022 ten bedrage van € 10.437,08 (productie 15 zijdens het Bouwbedrijf ), [factuurnummer 3] de dato 17-02-2023 ten bedrage van € 12.402,50 (productie 14 zijdens het Bouwbedrijf ) en [factuurnummer 2] de dato 16-07-2024 ten bedrage van € 87.101,14 (productie 1 zijdens het Bouwbedrijf ).</p></div>", "next": 0}