{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Voorafgaande aan de planvaststelling is niet beoordeeld of kan worden uitgesloten dat de bedrijfsuitbreiding, al dan niet in samenhang met andere plannen of projecten, significante gevolgen heeft voor de speciale beschermingszone. Verweerder heeft dit miskend door desalniettemin in te stemmen met een bedrijfsuitbreiding. Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Gelet hierop, alsmede gelet op hetgeen reeds is overwogen in 2.5.3.1., zijn de beroepen van de Gelderse Milieufederatie en anderen en van het college van burgemeester en wethouders in zoverre en het beroep van [appellanten sub 13] gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede voor wat betreft de hoogwatervluchtplaats wegens strijd met artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, te worden vernietigd, voorzover goedkeuring is onthouden aan het plandeel met de bestemming \"Niet-agrarische bedrijven\" betreffende de gronden aan de [locatie 1].</p>\n<p class=\"lf-p\">2.17.4. Ten aanzien van de vraag of het aanlegvergunningstelsel in het plan voldoende bescherming biedt op grond van de Vogel- en Habitatrichtlijn overweegt de Afdeling dat in het aanlegvergunningstelsel voor toetsing van aanlegvergunningplichtige activiteiten ten behoeve van een bepaalde functie is uitgegaan van het beginsel dat niet blijvend onevenredig afbreuk mag worden gedaan aan de landschapswaarden van het gebied. Deze toets biedt niet dezelfde bescherming als artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Aldus heeft verweerder ten onrechte niet in zijn besluitvorming betrokken dat met het in het plan opgenomen aanlegvergunningstelsel, voorzover betrekking hebbend op bestemmingen binnen en in de directe omgeving van speciale beschermingszones, de nakoming van de verplichtingen van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn niet is verzekerd. De omstandigheid dat artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn rechtstreekse werking heeft, kan dit niet helen. Het beroep van de Gelderse Milieufederatie en anderen is ook in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het in artikel 11, tweede lid, onder 2, artikel 13, vierde lid, onder 3, artikel 14, vierde lid, onder 2, van de planvoorschriften opgenomen toetsingskader voor de verlening van aanlegvergunningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.17.5. De Afdeling ziet echter aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zelfvoorziend goedkeuring te verlenen aan artikel 11, tweede lid, onder 2, artikel 13, vierde lid, onder 3, artikel 14, vierde lid, onder 2, van de planvoorschriften. Zij overweegt daartoe het volgende. Nu volgens openbaar bekend gemaakte informatie van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de inwerkingtreding van de Natuurbeschermingswet 1998, zoals gewijzigd bij Wet van 20 januari 2005 tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 in verband met Europeesrechtelijke verplichtingen (Staatsblad 2005, 195), in oktober 2005 zal plaatsvinden, zal vanaf dat moment geen strijd meer bestaan tussen het in de planvoorschriften opgenomen aanlegvergunningenstelsel en artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Immers in de voorafgaande beoordeling die deze bepaling vereist, wordt voorzien door het vergunningvereiste van artikel 19d en volgende van de gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beroep van [appellanten sub 16] met betrekking tot de ecologische verbindingszone Standpunt van appellanten 2.18. [appellanten sub 16] (hierna: appellanten) stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voorzover daarin op hun weiland ten zuiden van de dam naar het bedrijf [appellante sub 6] een ecologische verbindingszone van 200 meter breed is geprojecteerd. Zij voeren aan dat in het streekplan ter plaatse geen ecologische verbindingszone is opgenomen en dat hun weiland ingesloten ligt en daarom niet geschikt is als ecologische verbindingszone. Ook vrezen zij ten gevolge van de zone beperkingen bij het bewerken van de gronden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bestreden besluit 2.18.1. Verweerder heeft het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het plan in zoverre goedgekeurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaststelling van de feiten 2.18.2. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.18.2.1. De in geding zijnde gronden van appellanten zijn in gebruik als weiland en worden in het noorden begrensd door de toegangsweg naar [appellante sub 6] en in het oosten door het bedrijfsterrein van dat bedrijf. De zuidgrens wordt gevormd door de watergang Ooijsche Graaf en de westgrens door de Koningin Julianalaan. De Koningin Julianalaan is ter hoogte van de Ooijsche Graaf een onverhard pad met een breedte van ongeveer 3 meter. De watergang loopt onder het pad door naar de agrarische gronden aan de andere zijde van het pad.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.18.2.2. In het plan is aan het weiland de bestemming \"Agrarisch gebied met landschapswaarden\" toegekend. Voorts is het weiland gelegen binnen de op de plankaart aangeduide \"Zone ten behoeve van een ecologische verbinding\". Gronden gelegen binnen deze zone zijn, ingevolge artikel 39 van de planvoorschriften tevens bestemd voor de bescherming van de aanwezige planten- en diersoorten in verband met de toekomstige aanleg van een ecologische verbindingszone.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.18.2.3. In het streekplan is bepaald dat tussen natuurgebieden ecologische verbindingszones worden gerealiseerd. Een deel van de verbindingszones krijgt gestalte in en langs watergangen. De overige zones bestaan uit houtsingels, bosjes, poelen of andere landschapselementen. Op de streekplankaart zijn de in ontwikkeling zijnde en voorziene ecologische verbindingszones indicatief aangegeven. Onomkeerbare ontwikkelingen die verwezenlijking van ecologische verbindingszones onmogelijk maken, worden geweerd. Definitieve tracékeuzes worden op projectniveau gemaakt. De verbindingen hebben een breedte, variërend van enkele meters tot maximaal enige tientallen meters en worden op basis van vrijwillige overeenkomsten gerealiseerd. Gemeenten dienen ecologische verbindingszones indicatief in hun bestemmingsplannen op te nemen en na realisering concreet vast te leggen. De indicatieve aanduiding is noodzakelijk om ontwikkelingen, die de realisering van verbindingszones onomkeerbaar zouden blokkeren, te voorkomen. Het provinciale beleid ten aanzien van ecologische verbindingszones is uitgewerkt in de Gelderse Natuurdoelenkaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.18.2.4. De in geding zijnde zone ten behoeve van een ecologische verbinding is niet opgenomen in het streekplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.18.2.5. De in het plan neergelegde zone tussen de Groenlanden en de Erlecomse Polder, langs de Ooijsche Graaf, is een gemeentelijke zone gebaseerd op het beleid, uiteengezet in de zogenoemde \"Brede Visie Buitengebied Ubbergen 1998\" en nader uitgewerkt in het Landschapsbeleidsplan Ubbergen uit 1998. Het gemeentelijke beleid ten aanzien van natuur is onder meer gericht op het tot stand brengen van relaties tussen natuurgebieden en relaties tussen natuurgebieden en agrarisch landschap. Volgens het Landschapsbeleidsplan is de Erlecomse Polder aangemerkt als een belangrijke schakel voor de verspreiding van de Das en bestaan, onder meer voor dit dier, via de Ooijsche Graaf belangrijke migratiemogelijkheden vanuit de Groenlanden. De zone dient volgens dit beleid te worden beschouwd als indicatief zoekgebied waarbinnen de kern van een ecologische verbinding moet komen te liggen. Binnen de zoekgebieden worden ontwikkelingen die de realisering van een ecologische verbinding frustreren, uitgesloten. Realisering van de verbinding geschiedt op vrijwillige basis. Ten behoeve van het daadwerkelijk realiseren van ecologische verbindingen is in artikel 43 van de planvoorschriften een wijzigingsbevoegdheid opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.18.2.6. Het zoekgebied heeft ter hoogte van het weiland van appellanten een breedte van ongeveer 225 meter. Volgens het deskundigenbericht is de zone aldus aan te merken als een corridor, als bedoeld in de Gelderse Natuurdoelenkaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oordeel van de Afdeling 2.18.3. Verweerder heeft het provinciale beleid in redelijkheid als beoordelingskader en als uitgangspunt kunnen nemen voor zijn besluit omtrent goedkeuring van het plan en zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het gemeentelijke beleid ten aanzien van ecologische verbindingszones niet in strijd met dit beleid is. Verweerder heeft terecht het standpunt ingenomen dat het plan, ook wat betreft de breedte van de zone, in zoverre is vastgesteld in overeenstemming met het beleid. Hij heeft daarbij in aanmerking kunnen nemen dat, mede gelet op de vrijheid van de gemeenteraad om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften op te leggen die hij uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht, de omstandigheid dat de zone als zodanig niet in het streekplan is opgenomen, niet met zich brengt dat de gemeenteraad deze niet in het plan heeft kunnen opnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Appellanten hebben verder niet aannemelijk gemaakt dat het weiland ongeschikt is als ecologische verbinding. Blijkens het deskundigenbericht kan de zone aan weerszijden van de Ooijsche Graaf ter plaatse van het weiland van appellanten aangemerkt worden als een corridor en wordt de watergang niet onderbroken door de Koningin Julianalaan. Niet gebleken is dat dit onjuist is. In het deskundigenbericht is voorts gesteld dat dit pad, door zijn karakter en geringe breedte, slechts een beperkte barrièrewerking heeft voor dieren. De Afdeling ziet in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen reden dit standpunt niet te volgen. Verweerder heeft, in navolging van de gemeenteraad, voorts bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het belang dat is gediend bij het weren van ontwikkelingen die realisering van de ecologische verbinding onmogelijk maken dan aan het belang van appellanten bij een onbeperkt gebruik van hun weiland.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Afdeling neemt hierbij mede in aanmerking dat niet gebleken is dat appellanten plannen hebben het gebruik van de gronden als weiland te wijzigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.18.4. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.18.5. Het beroep van [appellanten sub 16] is, in zoverre, ongegrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beroepen met betrekking tot de bestemming \"Verkeersdoeleinden\" betreffende de Koningin Julianalaan 2.19. [appellanten sub 16] en [appellante sub 6] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming \"Verkeersdoeleinden\" betreffende de Koningin Julianalaan. [appellanten sub 16] voeren aan dat deze bestemming ten onrechte is gelegd op een strook industrieterrein, te weten de verharde toegangsweg naar het bedrijfsterrein van [appellante sub 6], in plaats van op het onverharde pad naast deze strook, dat de oorspronkelijke Koningin Julianalaan is. [appellante sub 6] voert aan dat bij het toekennen van de bestemming ten onrechte geen rekening is gehouden met de verwachting dat aan haar bezwaren tegen het plan van toedeling tegemoet zal worden gekomen. [appellante sub 6] meent dat, nu het verharde pad feitelijk behoort tot haar bedrijfsterrein, hieraan de bestemming \"Niet-agrarische bedrijven\" had moeten worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bestreden besluit 2.19.1. Verweerder heeft het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het plan in zoverre goedgekeurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaststelling van de feiten 2.19.2. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.19.2.1. Tussen de Erlecomsedam en de dorpskern Ooij, ter hoogte van de gronden van [appellanten sub 16], ligt een weg die door de gemeenteraad op de plankaart is aangeduid als de Koningin Julianalaan. Dit pad is ter hoogte van de Erlecomsedam verhard en heeft daar een breedte van ongeveer 5 meter. Na de inrit naar het bedrijfsterrein van [appellante sub 6] gaat de weg over in een onverhard pad van ongeveer 3 meter breed, dat doorloopt tot aan de grens van de kern Ooij.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.19.2.2. Ten westen van de weg ligt een omheind weiland. In dit weiland is parallel aan het verharde weggedeelte een spoor aanwezig. Appellanten stellen dat dit spoor de werkelijke Koningin Julianalaan is. Het spoor sluit bij het hek aan op het verharde weggedeelte. Volgens het deskundigenbericht is niet vast te stellen of het spoor verderop aansluit op het onverharde gedeelte van de Koningin Julianalaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.19.2.3. Het verharde deel van de weg wordt incidenteel gebruikt als parkeer- dan wel overnachtingsplaats door vrachtwagenchauffeurs, wanneer het bedrijfsterrein van [appellante sub 6] afgesloten is. Het onverharde deel van de weg wordt voornamelijk gebruikt door fietsers en wandelaars. Verder vormt het pad de ontsluiting van het loonwerkersbedrijf aan de rand van de dorpskern van Ooij, zodat ook landbouwmachines gebruik maken van het pad.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.19.2.4. De gemeenteraad heeft aan de weg de bestemming \"Verkeerdoeleinden\" toegekend. Gronden met deze bestemming zijn ingevolge artikel 29 van de planvoorschriften bestemd voor verkeersdoeleinden overeenkomstig de op de plankaart aangeduide bestemmingscategorieën, een en ander met bijbehorende bouwwerken, geen gebouw zijnde, en voorzieningen, waaronder parkeervoorzieningen. Er zijn drie bestemmingscategorieën: provinciale weg, gemeentelijke weg en langzaamverkeersverbinding. Het in geding zijnde pad is op de plankaart aangeduid als \"gemeentelijke weg\".</p>\n<p class=\"lf-p\">2.19.2.5. In het Landinrichtingsplan voor de Herinrichting van de Ooijpolder uit 1996 is de Koningin Julianalaan aangeduid als een bestaand pad, dan wel onverharde weg. Uitgangspunt van het landinrichtingsplan is handhaving van het pad in deze vorm. In het door verweerder op 12 januari 2000 vastgestelde begrenzingenplan is de Koningin Julianalaan opgenomen als grotendeels onverharde en voor het laatste gedeelte verharde, openbare weg. In het plan van toedeling ingevolge de Landinrichtingswet zijn, gelet op het openbare karakter van de weg, eigendom, beheer en onderhoud toegewezen aan de gemeente Ubbergen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oordeel van de Afdeling 2.19.3. De planregeling in het bestemmingsplan, waarin de Koningin Julianalaan, met inbegrip van het verharde gedeelte, is aangemerkt als een gemeentelijke weg, is in overeenstemming met het begrenzingenplan van verweerder en het plan van toedeling ingevolge de Landinrichtingswet. Vast staat dat [appellante sub 6] op grond van de in het plan toegekende bestemming \"Verkeersdoeleinden\" het bestaande gebruik van het verharde weggedeelte kan voortzetten. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het openbare karakter van de weg aan dit gebruik in de weg staat. Gelet hierop heeft verweerder in redelijkheid geen aanleiding behoeven te zien voor het oordeel dat aan het verharde weggedeelte een niet-agrarische bedrijfsbestemming had dienen te worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.19.3.1. Voorzover [appellanten sub 16] stellen dat het spoor in het weiland voor verkeersdoeleinden had dienen te worden bestemd, in plaats van de verharde weg, overweegt de Afdeling dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.19.3.2. Voorzover appellanten zich erop beroepen dat het plan van toedeling in het kader van de Landinrichtingswet nog niet definitief is vastgesteld en daarmee de toedeling van de gronden nog niet vast ligt, overweegt de Afdeling dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ook in zoverre aan de bezwaren van appellanten geen doorslaggevend gewicht behoefde te worden toegekend. Zij neemt hierbij mede in aanmerking dat de omstandigheid dat het plan van toedeling nog niet is vastgesteld en in de toekomst mogelijk een andere toedeling van de gronden plaatsvindt niet in de weg kan staan aan de vaststelling en goedkeuring van het bestemmingsplan overeenkomstig het vastgestelde begrenzingenplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.19.4. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beroep van [appellante sub 6], in zoverre, en het beroep van [appellanten sub 16] zijn ongegrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proceskostenveroordeling 2.20. Verweerder dient ten aanzien van de beroepen van [appellanten sub 13] en [appellante sub 6] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van de beroepen van het college van burgemeester en wethouders, [appellante sub 15], [appellant sub 9] en de Gelderse Milieufederatie en anderen is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Wat betreft de overige beroepen bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin:</div>\n<p class=\"lf-p\">I. verklaart het beroep van de St. Augustinus Stichting niet-ontvankelijk;</p>\n<p class=\"lf-p\">II. verklaart de beroepen van [appellanten sub 11], [appellante sub 15], en [appellant sub 9] geheel en de beroepen van het college van burgemeester en wethouders van Ubbergen, [appellante sub 6] en de Gelderse Milieufederatie en anderen gedeeltelijk gegrond;</p>\n<p class=\"lf-p\">III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 29 juli 2004, nr. RE2004.501, voorzover daarbij goedkeuring is onthouden aan: a. de plandelen met de bestemming \"Niet-agrarische bedrijven\" en aan artikel 17, tweede lid, onder 1a, en artikel 17, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften wat betreft de gronden aan de [locatie 2] en aan de [locatie 1]; b. de in artikel 17, vierde lid, onder b, van de planvoorschriften opgenomen zinsnede \"met dien verstande dat een bestaande buitenopslag qua oppervlakte en hoogte mag worden voortgezet\"; c. het plandeel met de bestemming \"Niet-agrarische bedrijven\" en aan artikel 17, tweede lid, onder 1 a, en artikel 17, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften wat betreft de gronden aan de [locatie 6]; en voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan: d. het plandeel met de bestemming \"Agrarisch gebied met landschapswaarden\" wat betreft de gronden aan de [locatie 9]; e. het in artikel 11, tweede lid, onder 2, artikel 13, vierde lid, onder 3, artikel 14, vierde lid, onder 2, van de planvoorschriften opgenomen toetsingskader voor de verlening van aanlegvergunningen;</p>\n<p class=\"lf-p\">IV. onthoudt goedkeuring aan de onder III. c. genoemde planonderdelen;</p>\n<p class=\"lf-p\">V. verleent goedkeuring aan de onder III.b. en III.e genoemde planonderdelen;</p>\n<p class=\"lf-p\">VI. bepaalt dat deze uitspraak wat betreft de onder III.b., III.c. en III.e. genoemde planonderdelen in de plaats treedt van het onder III. genoemde besluit;</p>\n<p class=\"lf-p\">VII. verklaart de beroepen van [appellant sub 4], [appellant sub 7], [appellant sub 1], [appellanten sub 11], [appellante sub 14], [appellant sub 2], [appellanten sub 8], [appellant sub 5], [appellanten sub 17] en [appellanten sub 16] geheel en de beroepen van het college van burgemeester en wethouders, [appellante sub 6] en de Gelderse Milieufederatie en anderen voor het overige ongegrond;</p>\n<p class=\"lf-p\">VIII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van de door hierna vermelde appellanten in verband met de behandeling van hun beroepen gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1610,00 (zegge: duizend zeshonderdtien euro); dit bedrag dient door de provincie Gelderland, onder vermelding van het zaaknummer, als volgt te worden betaald aan:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>[appellanten sub 13] € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>[appellante sub 6] € 805,00, (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;</div>\n<p class=\"lf-p\">IX. gelast dat de provincie Gelderland aan [appellant sub 9] het door hem voor de behandeling van zijn beroep betaalde griffierecht, ad € 136,00 (zegge: honderdzesendertig euro), vergoedt en aan [appellanten sub 13], het college van burgemeester en wethouders, [appellante sub 15], [appellante sub 6] en de Gelderse Milieufederatie en anderen elk afzonderlijk het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht, ad € 273,00 (zegge: tweehonderddrieënzeventig euro), vergoedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat. w.g. Van Buuren w.g. Broekman Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2005 12-392-466.</p></div>", "next": 0}