{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Ook in het strafprocesrecht is de notie van een behoorlijke procesorde niet onbekend. Zij ziet onder meer op de vraag of het openbaar ministerie het recht op vervolging heeft verspeeld (vergelijk artikel 359a Sv, waarin de beginselen van een behoorlijke procesorde uitdrukkelijk worden genoemd). De beginselen van een behoorlijke procesorde kunnen ook in het strafrecht eraan in de weg staan dat nieuwe stukken door partijen worden ingediend. De rechter zal echter niet kunnen voorbijgaan aan ontlastende stukken. (zie noot 113) De Hoge Raad overwoog als volgt over de uit de beginselen van een behoorlijke procesorde voortvloeiende begrenzing van de bevoegdheid van de advocaat-generaal bij het hof en de verdachte om in hoger beroep nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen: (zie noot 114) \"2.3 Ingevolge art. 414, eerste lid tweede volzin, Sv zijn de advocaat-generaal bij het hof en de verdachte bevoegd voor of bij de behandeling van een zaak in hoger beroep nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen. De uitoefening van die bevoegdheid is evenwel onderworpen aan de eisen die voortvloeien uit de beginselen van een behoorlijke procesorde. Een algemene regel daaromtrent valt niet te geven. Van geval tot geval zal dus moeten worden beoordeeld of aan die eisen is voldaan, waarbij mede betekenis toekomt aan de (belastende dan wel ontlastende) aard van de over te leggen bescheiden of stukken en, indien het gaat om belastende bescheiden of stukken, aan de (al dan niet complexe) aard van de te berechten zaak en het stadium waarin de procedure zich bevindt (vgl. HR 16 november 1999, NJ 2000/214).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4 Ingeval bij de behandeling van een zaak in hoger beroep door de advocaat-generaal dan wel door de verdachte het verzoek wordt gedaan om nadere bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen, zal de rechter een afwijzende beslissing op een dergelijk verzoek dienen te motiveren aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaf. Indien de rechter het verzoek toewijst, zal hij de overgelegde stukken bij zijn beraadslaging dienen te betrekken.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">In het burgerlijk procesrecht spelen de eisen van een goede procesorde eveneens een belangrijke rol, onder meer bij de beoordeling van de tijdigheid van grieven, wijzigingen van eis, nieuwe verweren en nieuwe feitelijke stellingen in hoger beroep. De mogelijkheden van het civiele appel zijn ruim. De appellant kan daarin zijn bezwaren tegen de bestreden uitspraak naar voren brengen in de vorm van grieven, maar het appel kan ook dienen om eigen fouten, misslagen of verzuimen te herstellen, onverschillig of het gaat om onjuiste stellingen dan wel om standpunten die in eerste aanleg ten onrechte juist niet zijn verdedigd. (zie noot 115) Partijen kunnen in hoger beroep ook hun eis wijzigen, nieuwe verweren voeren en nieuwe feitelijke stellingen betrekken. (zie noot 116) Dit alles is in beginsel echter slechts mogelijk in hun eerste schriftelijke processtuk in appel, te weten de memorie van grieven c.q. de memorie van antwoord. Er wordt in dit verband van \"de in beginsel strakke regel\" gesproken. (zie noot 117) Onder omstandigheden moet op \"de in beginsel strakke regel\"’ een uitzondering worden gemaakt, niet alleen bij ondubbelzinnige toestemming van de wederpartij of wegens de bijzondere aard van de desbetreffende procedure, maar ook indien onverkorte toepassing van de regel in strijd zou komen met de eisen van een goede procesorde. Daarbij valt met name te denken aan (i) een rechterlijke fout, (ii) nieuwe ontwikkelingen van feitelijke of juridische aard nadat de memorie van grieven c.q. de memorie van antwoord is genomen, of (iii) een aan de wederpartij toe te rekenen verkeerde voorstelling van zaken, (zie noot 118) in welke gevallen het de betrokken partij niet kan worden aangerekend dat zij zich niet reeds in haar eerste processtuk naar behoren heeft kunnen uitlaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De notie van een goede procesorde is ook in het fiscale procesrecht aan de orde als de toelaatbaarheid van nieuw bewijsmateriaal moet worden beoordeeld. Een goede procesorde brengt volgens de belastingrechter mee dat het bewijs zoveel mogelijk in de schriftelijke stukken en tijdig voor de zitting wordt overgelegd. Bij de beslissing of een partij de gelegenheid moet krijgen bewijsstukken na de zitting alsnog over te leggen, moet een afweging plaatsvinden van enerzijds het belang dat die partij bij het overleggen van die stukken heeft en de redenen waarom hij dit niet in een eerdere fase van de procedure voor de feitenrechter heeft gedaan, en anderzijds het algemeen belang van een doelmatige procesgang. Bij deze afweging moet het verloop van het processuele debat vanaf de bezwaarfase worden betrokken. (zie noot 119) Dragend en aanvullend bewijs 4.7.10 Over de begrippen dragend en aanvullend bewijs kunnen gemakkelijk misverstanden ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Men kan alle bewijs dat aan het opleggen van een bestuurlijke boete ten grondslag wordt gelegd, als dragend beschouwen. Het is immers bestemd om de boeteoplegging te dragen. Daarmee is echter niet gezegd dat het aan de boeteoplegging ten grondslag gelegde bewijs die boeteoplegging ook daadwerkelijk kán dragen, met andere woorden of dat bewijs voldoende \"draagkrachtig\" is. De term dragend bewijs wordt ook wel gebruikt om aan te geven dat het voorhanden bewijsmateriaal voldoende \"draagkrachtig\" is en dat daarmee in het bijzonder de overtreding die tot de boeteoplegging heeft geleid, toereikend is bewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De term aanvullend bewijs wordt vaak gebruikt voor bewijs dat incomplete bewijsmiddelen moet aanvullen. In dat geval wordt het aanvullende bewijs mede dragend; zonder dat aanvullende bewijs zou het reeds voorhanden bewijs mogelijk onvoldoende \"draagkrachtig\" zijn en zou de overtreding die tot de boeteoplegging heeft geleid, wellicht onvoldoende zijn bewezen. Bewijs dat reeds voldoende \"draagkrachtig\" bewijs aanvult, is in wezen overtollig en zou kunnen worden gemist. Niettemin is het eveneens dragend bewijs, als het mede aan de boeteoplegging ten grondslag wordt gelegd en de \"draagkracht\" van het reeds voorhanden bewijs vergroot.</p>\n<p class=\"lf-p\">In verband met het voorgaande acht ik een onderscheid tussen dragend en aanvullend bewijs weinig zinvol. In alle gevallen waarin het bestuursorgaan nader bewijs bijbrengt, zal het dat doen om zoveel mogelijk zeker te stellen dat het boetebesluit niet vanwege een tekort aan bewijs sneuvelt. De hiervoor bedoelde grenzen aan de mogelijkheid voor het bestuursorgaan om na de fase van besluitvorming nadere bewijsmiddelen bij te brengen, verschillen naar mijn mening niet, al naar gelang die nadere bewijsmiddelen, gelet op het reeds voorhanden bewijsmateriaal, al dan niet cruciaal zijn voor de bewijspositie van het bestuursorgaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het voorgaande is echter nog niet de vraag beantwoord wat de Afdeling in haar uitspraak van 30 december 2015 met de term \"dragend bewijs\" voor ogen heeft gestaan. Kennelijk heeft de Afdeling bedoeld dat de uitsluiting van na de voltooiing van de bestuurlijke besluitvorming in te brengen bewijsmiddelen niet voor alle bewijsmiddelen, maar slechts voor bepaalde (\"dragende\") bewijsmiddelen geldt. Ik sluit niet uit dat de Afdeling met \"dragende\" bewijsmiddelen die bewijsmiddelen op het oog heeft gehad, die het bestuursorgaan in redelijkheid reeds in het stadium van de bestuurlijke besluitvorming aan de boeteoplegging ten grondslag had kunnen en dus had moeten leggen. Aldus beschouwd behoeft er geen groot verschil te bestaan tussen de hiervoor ontwikkelde opvatting omtrent de mogelijkheden van nader door het bestuursorgaan in (hoger) beroep in te brengen bewijs en hetgeen de Afdeling in haar uitspraak van 30 december 2015 heeft beslist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussenconclusie 4.7.11 De tussenconclusie is dat de inbreng van nader bewijs door het bestuursorgaan na de afronding van het onderzoek door de toezichthouder niet categorisch is uitgesloten, maar dat de mogelijkheid daartoe na de voltooiing van de bestuurlijke besluitvorming door het beginsel van een afdoening van het geschil binnen een redelijke termijn en (vooral) door de beginselen van een goede procesorde, toegespitst op hetgeen in dit verband in redelijkheid van het bestuursorgaan mocht worden gevergd, wordt begrensd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8)</span>In de jurisprudentie is toepassing van de bestuurlijke lus in zaken betreffende bestuurlijke boeten aanvaard (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2494). Maakt het voor de toelaatbaarheid van de toepassing van dit instrument uit of het gaat om een geconstateerd gebrek in het bewijs van de overtreding (zie in dit verband de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 3 december 2014, ECLI:NL:CBB:2014:438) dan wel om een ander aspect, zoals de hoogte van de boete?</div>\n<p class=\"lf-p\">De toelaatbaarheid van de bestuurlijke lus in boetezaken 4.8.1 Alhoewel de gestelde vraag uitgaat van de toelaatbaarheid van de bestuurlijke lus, ook in zaken betreffende een bestuurlijke boete, zal ik, met het oog op de mogelijke begrenzing van die toelaatbaarheid in specifieke situaties, bij wijze van inleiding ingaan op de discussie die is gevoerd over de vraag of de bestuurlijke lus in het punitieve bestuurs(proces)recht überhaupt toelaatbaar is. Het gaat in die discussie vooral over de verhouding tussen de regeling van artikel 8:72a van de Awb, die volgens tegenstanders van de bestuurlijke lus toepassing van die lus überhaupt zou uitsluiten, en de regeling van de bestuurlijke lus in de artikelen 8:51a-d van de Awb. Ik ga allereerst nader op de totstandkoming van die beide regelingen in.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 8:72a van de Awb 4.8.2 Volgens artikel 8:72a van de Awb, dat op 1 juli 2009 in werking trad, neemt de bestuursrechter, indien hij een boetebesluit vernietigt, een beslissing omtrent het opleggen van de boete en bepaalt hij dat zijn uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde beschikking. Volgens de toelichting regelt de bepaling twee zaken: (zie noot 120) \"In de eerste plaats moet de rechter na vernietiging van het boetebesluit expliciet aangeven of naar zijn oordeel een boete moet worden opgelegd en, zo ja, hoe hoog die zou moeten zijn. In de tweede plaats volgt uit deze bepaling dat de uitspraak van de rechter in de plaats treedt van het vernietigde besluit, indien de rechter van oordeel is dat een (lagere) boete moet worden opgelegd.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling is destijds toegelicht met een beroep op het (onder meer uit artikel 6 van het EVRM voortvloeiende) beginsel van een effectieve rechtsbescherming, dat met zich brengt dat de rechter na vernietiging van het betrokken besluit de zaak zoveel mogelijk zelf afdoet, (zie noot 121) en het recht van de burger op een definitieve beslissing binnen redelijke termijn, welk recht in het bijzonder in het geval van bestraffende sancties geldt. (zie noot 122) Overigens is er ook een verband met artikel 5:43 van de Awb, dat het \"ne bis in idem\"-beginsel voor de bestuurlijke boete introduceert en dat verhindert dat het bestuursorgaan na vernietiging van een boetebesluit door de bestuursrechter wegens dezelfde overtreding opnieuw een bestuurlijke boete aan de overtreder oplegt: (zie noot 123) \"Ten slotte dient nog te worden opgemerkt dat het bestuursorgaan na vernietiging door de rechter van het boetebesluit geen nieuwe boetebesluit voor hetzelfde feit kan nemen. Dit uitgangspunt wordt reeds door de belastingrechter gehanteerd. Het is wenselijk dit voor het gehele bestuursrecht te laten gelden. De betrokken burger heeft er zeker in het geval van bestraffende sancties recht op dat de zaak door de rechter definitief wordt afgedaan. Een en ander doet ook recht aan de eisen van artikel 6 EVRM om een «criminal charge» binnen redelijke termijn te behandelen. Daartoe is in artikel 8:72a de verplichting voor de rechter opgenomen zelf in de zaak te voorzien nadat hij een boetebesluit heeft vernietigd (zie nader de toelichting bij dat artikel).\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de toelichting sluit de bepaling niet uit dat de hoger beroepsrechter de zaak naar de rechtbank terugverwijst, zij het dat de hoger beroepsrechter van die mogelijkheid een terughoudend gebruik zou moeten maken. (zie noot 124) De behandeling van de bepaling in de Eerste Kamer heeft tot de interessante vraag geleid hoe de bestuursrechter in het in artikel 8:72a van de Awb bedoelde geval zelf in de zaak kan voorzien indien het besluit onvoldoende is gemotiveerd of voorbereid en, meer in het bijzonder, of in dat geval ook een actief onderzoek door de bestuursrechter naar feiten en bewijzen tot de mogelijkheden behoort: (zie noot 125) \"Verder willen deze leden weten wat de reikwijdte is van de voorgestelde mogelijkheid voor de bestuursrechter om zelf in de zaak te voorzien (artikel 8:72a Awb). Bedoelt de regering de bestuursrechter ook alle mogelijkheden te bieden die nodig zijn om zelf te voorzien in een zaak, inclusief actief onderzoek naar feiten of bewijzen? Zo nee, op welke wijze kan een rechter dan zelf voorzien in een zaak waarvan het besluit onvoldoende was gemotiveerd of voorbereid? Zo ja, hoe verhoudt deze mogelijkheid zich tot artikel 8:69 Awb en de jurisprudentie daarover?\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Het antwoord van regeringszijde impliceerde dat artikel 8:72a een species is van (het toenmalige) artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, dat de rechter die zelf in de zaak voorziet, doet wat het bestuursorgaan heeft nagelaten, dat hij daartoe gebruik kan maken van alle onderzoeksbevoegdheden die hem (in afdeling 8.2.2) zijn toegekend en dat de bevoegdheden van (het toenmalige) artikel 8:72, vierde lid, en artikel 8:72a van de Awb als ambtshalve bevoegdheden zijn geformuleerd, zodat artikel 8:69 van de Awb aan toepassing daarvan niet in de weg staat: (zie noot 126) \"Ingevolge artikel 8:72, vierde lid, bestaat reeds nu de mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien. Indien de bestuursrechter deze mogelijkheid benut, doet hij wat het bestuursorgaan, naar zijn oordeel, ten onrechte heeft nagelaten. Dit betekent dat de bestuursrechter gebruik maakt van een bevoegdheid die aan het bestuursorgaan is geattribueerd, namelijk het bindend vaststellen van een rechtspositie ten opzichte van het betreffende bestuursorgaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 8:72a vormt een species van artikel 8:72, vierde lid. Als de bestuursrechter een beroep tegen een bestraffende sanctie gegrond verklaart en het bestreden besluit vernietigt (artikel 8:72, eerste lid), moet hij als regel zelf in de zaak voorzien. Dit betekent dat de bestuursrechter in beginsel zelf moet bepalen of een bestraffende sanctie wordt opgelegd, en zo ja, hoe zwaar deze sanctie is. Aldus verricht hij een taak die is toegekend aan het bestuursorgaan ingevolge de wet waarop de gewraakte sanctie is gebaseerd. Artikel 8:72a bewerkstelligt dus dat een geschil over (de hoogte van) een bestraffende sanctie in beginsel finaal door de bestuursrechter wordt beslecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beantwoording van de vraag of hij zelf in de zaak mag of moet voorzien, kan de bestuursrechter gebruik maken van alle onderzoeksbevoegdheden die hem (in afdeling 8.2.2) zijn toegekend. In dit kader signaleren wij voorts dat de zojuist omschreven vraag «ex nunc» moet worden beantwoord, dit wil zeggen: aan de hand van de relevante feiten en omstandigheden zoals deze ten tijde van de uitspraak aan de bestuursrechter bekend zijn. Toepassing van artikel 8:72, vierde lid, - en dus ook van artikel 8:72a - is immers (tevens) een vorm van bestuurlijke besluitvorming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 8:69 impliceert geen verplichting voor de eisende partij om een vordering te formuleren, en bevat ook overigens geen aanknopingspunten voor de stelling dat de bestuursrechter slechts bij wijze van uitzondering zelf in de zaak mag voorzien. De artikelen 8:72, vierde lid, en 8:72a zijn geformuleerd als ambtshalve bevoegdheden, hetgeen betekent dat de bestuursrechter deze bepaling ook zonder daartoe strekkend verzoek mag toepassen. Er bestaat dan ook geen rechtstreeks verband tussen enerzijds artikel 8:69 en anderzijds de artikelen 8:72, vierde lid, en 8:72a.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 8:51a-d van de Awb 4.8.3 Sedert 1 januari 2010 voorziet de Awb in de mogelijkheid van een zogenoemde bestuurlijke lus. In de toelichting op het initiatiefwetsontwerp Wet Vermeij, Koopmans, Neppérus bestuurlijke lus Awb is benadrukt dat toepassing van een dergelijke lus een bevoegdheid en geen verplichting is en dat het gebruik van een dergelijke bevoegdheid niet altijd zin zal hebben. In dat verband wordt het voorbeeld genoemd van een boetebesluit dat lijdt aan een naar zijn aard niet herstelbaar gebrek, omdat van een overtreding geen sprake is of de aangeschrevene niet als overtreder valt aan te merken: (zie noot 127) \"Het gaat om een bevoegdheid. De bestuursrechter is bij constatering van een gebrek dus niet verplicht om de bestuurlijke lus toe te passen. Zo heeft gebruik van deze bevoegdheid feitelijk geen zin als het bestreden besluit lijdt aan een gebrek dat naar zijn aard niet herstelbaar is. Hierbij valt onder meer te denken aan de situatie waarin de rechtbank bij de toetsing van een boetebeschikking oordeelt dat geen sprake is van een overtreding of dat de aangeschrevene niet als overtreder valt aan te merken. Het volgen van zo’n oordeel heeft tot gevolg dat de in geding zijnde boetebeschikking hoe dan ook moet worden herroepen, en daarmee dat het veel meer in de rede ligt om zelf in de zaak te voorzien op de wijze zoals omschreven in artikel 8:72, vierde lid. Evenzeer mogelijk is dat de bestuursrechter kiest voor het passeren van een formeel gebrek (artikel 6:22) of het in stand laten van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit (artikel 8:72, derde lid).\"</p>\n<p class=\"lf-p\">De mogelijkheid om de bestuurlijke lus überhaupt op een boetebesluit toe te passen, werd tijdens de behandeling in de Eerste Kamer expliciet aan de orde gesteld: (zie noot 128) \"De leden van de VVD-fractie hebben nog de volgende vraag. Is de procedure van de bestuurlijke lus ook van toepassing op de bestuurlijke boete en zo ja, wat betekent dit voor de rechtsbescherming van de burger? De leden van de VVD-fractie oordelen het namelijk minder gewenst dat de bestuurlijke lus ook van toepassing is in het geval van een bestuurlijke boete, wat uiteindelijk een strafmaatregel is. Het kan niet zo zijn dat hangende de procedure bij de bestuursrechter de grondslag voor het opleggen van de bestuurlijke boete wordt gewijzigd. Dat zou in strijd zijn met het legaliteitsbeginsel. Ter vergelijking: in het strafrecht zijn de mogelijkheden voor de Officier van Justitie om de tenlastelegging te wijzigen zeer beperkt. Het kan slechts gaan om kleine wijzigingen en bovendien moet daarvoor de toestemming van de voorzitter van de rechtbank die de zaak behandelt worden verkregen. De leden van de VVD-fractie vernemen graag de visie van de initiatiefnemers op dit punt.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">De initiatiefnemers van het wetsontwerp antwoordden hierop als volgt: (zie noot 129) \"De leden van de VVD-fractie vroegen of de bestuurlijke lus ook kan worden toegepast in een beroep dat zich richt tegen een bestuurlijke boete. Wij menen dat dit in beginsel niet het geval is. Als een besluit waarbij een bestuurlijke boete is opgelegd, een gebrek vertoont, moet een aantal situaties worden onderscheiden. De eerste situatie is dat het gebrek naar zijn aard onherstelbaar is. Dit doet zich bijvoorbeeld voor indien de rechter vaststelt dat de gedraging die de belanghebbende wordt verweten niet onder een wettelijke verbodsbepaling valt. Dan is er vanzelfsprekend geen ruimte voor toepassing van de bestuurlijke lus.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een volgende mogelijkheid is dat de rechter constateert dat het bestuur een vormfout heeft gemaakt, die op zichzelf wel herstelbaar zou zijn; de betrokkene is bijvoorbeeld ten onrechte niet gehoord over het voornemen om een boete op te leggen. Dit geval wordt geregeld in het nieuwe artikel 8:72a Awb, dat wordt voorgesteld in het wetsvoorstel Vierde tranche Awb (Kamerstukken I 2007/08, 29 702, nr. A). Dat artikel verplicht de bestuursrechter om in een dergelijk geval zelf te beslissen of ondanks de vormfout een boete moet worden opgelegd en zo ja, hoe hoog deze moet zijn. Met andere woorden: de rechter is dan verplicht om zelf in de zaak te voorzien. Deze bevoegdheid gaat verder dan het toepassen van de bestuurlijke lus, zodat voor deze laatste ook in dit geval geen ruimte meer is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten slotte is denkbaar dat de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bewijs voor de overtreding ontoereikend is. Wij menen dat in dat geval het verdedigingsbeginsel, zoals dit onder meer is neergelegd in artikel 6 EVRM, zich er tegen verzet dat de bestuurlijke lus wordt toegepast om het bestuur in de gelegenheid te stellen om alsnog aanvullend bewijs te leveren.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de behandeling in de Eerste Kamer is nog het volgende opgemerkt: (zie noot 130) \"Mevrouw Broekers-Knol (VVD): Tot slot, de bestuurlijke lus en de bestuurlijke boete. Is de bestuurlijke lus van toepassing op de bestuurlijke boete? Op een vraag daarover van mijn fractie in het voorlopig verslag antwoorden de initiatiefnemers op pagina 6 van de memorie van antwoord dat in beginsel de bestuurlijke lus niet kan worden toegepast in een beroep dat zich richt tegen een bestuurlijke boete. (…) Kortom, de conclusie is helder: in het geval van een bestuurlijke boete is er geen bestuurlijke lus. Kunnen de initiatiefnemers dit zonder meer bevestigen? Zo ja, verdient het dan geen aanbeveling om dit bij een eerstvolgende wetswijziging van de Awb wettelijk vast te leggen ter voorkoming van misverstanden hierover? Wat is de opvatting van de minister van Justitie hierover?\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de initiatiefnemers werd als volgt gereageerd: \"Mevrouw Neppérus: Ik kom op het punt van de bestuurlijke lus en de bestuurlijke boete. (…) Wij zeggen: nee, daar moet je hem niet gaan toepassen. (…) Wij zeggen er wel bij - ik zie mevrouw Broekers-Knol al opstaan - dat je de tekst uit de Awb erbij moet nemen, met name artikel 8:72a. Ik heb het artikel vanochtend nog eens uitgeprint. Er staat toch heel nadrukkelijk: indien de rechtbank een beschikking tot het opleggen van een bestuurlijke boete vernietigt, neemt zij een beslissing omtrent het opleggen van de boete en bepaalt zij dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde beschikking. Wij zeggen dus eigenlijk: dat is de lex specialis. Als je die afzet tegen een lex generalis, zeggen wij: dit is de specialis; dit is gewoon de regeling voor een bestuurlijke boete.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook minister Hirsch Ballin wees op artikel 8:72a van de Awb, dat de bestuurlijke lus zou uitsluiten: (zie noot 131) \"Mevrouw Broekers-Knol heeft gevraagd of wij in de Algemene wet bestuursrecht moeten vastleggen dat bij een bestuurlijke boete nooit een bestuurlijke lus kan worden toegepast. Het antwoord op die vraag is: ja. Dat is al geregeld in het op 1 juli ingevoegde artikel 8:72a.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">De juistheid van die opvatting werd echter betwijfeld: (zie noot 132) \"Mevrouw Broekers-Knol (VVD): (…) Tot slot ga ik nog even in op de bestuurlijke boete en de bestuurlijke lus. Mij is artikel 8:72a van de Awb voorgehouden, ook door de minister van Justitie. Het staat gewoon in de wet, zei hij. In artikel 8:72a Awb staat - ik zeg het toch nog maar eventjes - ″indien de rechtbank een beschikking tot het opleggen van een bestuurlijke boete vernietigt″ - dan praten we dus niet over een bestuurlijke lus - ″dan neemt zij een beslissing omtrent het opleggen van de boete en bepaalt zij dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde beschikking″. Dan praten wij over vernietigen. Bij de bestuurlijke lus zijn we echter nog niet aan vernietigen toe. Dan is er immers een mogelijkheid voor het bestuursorgaan om een gebrek te herstellen. Ik wil met zoveel woorden de toezegging van de minister van Justitie - nogmaals en deze keer heel duidelijk, zonder beroep op artikel 8:72a Awb - dat bestuurlijke lus en bestuurlijke boete niet bij elkaar passen en dat dit, als er de mogelijkheid is dat er weer een wetswijziging komt van de Awb, wordt opgenomen in de Awb.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Minister Hirsch Ballin reageerde hierop als volgt: (zie noot 133) \"Minister Hirsch Ballin: Ik heb geprobeerd het laatste punt van mevrouw Broekers-Knol, zonder te verwijzen naar haar betoog, mee te nemen in mijn beantwoording aan het adres van de heer Janse de Jonge. Artikel 8:72a gaat inderdaad over de situatie van vernietiging. Dan heeft de rechter deze bevoegdheid, maar het gevolg daarvan is dat er geen aanleiding is om bij de bestuurlijke boete de lus toe te passen. (…)\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor alle duidelijkheid: het eerdere antwoord waaraan de minister refereerde, luidde als volgt: (zie noot 134) \"De heer Janse de Jonge bracht in tweede termijn een vraag op over artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht. Hij heeft er gelijk in dat de bepaling zoals zij is geredigeerd niet lijkt te voorkomen dat de bestuurlijke lus, deze rechterlijke interventie ten aanzien van een onderdeel, zou worden toegepast ten aanzien van de dwangsom. Maar artikel 8:72a betekent wel dat de rechter daar geen aanleiding toe heeft, want hij heeft geen reden om op die manier indirect te interveniëren, omdat hij bij de dwangsom het directe interventiemiddel heeft van artikel 8:72a. Dat wilde ik op dit punt tot uitdrukking brengen.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">De discussie in de literatuur 4.8.4 Over de mogelijkheden om de bestuurlijke lus in boetezaken toe te passen, wordt in de literatuur verschillend geoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als argument tegen de toepassing van de bestuurlijke lus in boetezaken is wel aangevoerd dat zij met het \"ne bis in idem\"-beginsel op gespannen voet zou staan. (zie noot 135) Voorts is wel aangevoerd dat door toepassing van de bestuurlijke lus de ratio van artikel 8:72a van de Awb zou worden ondergraven, omdat die toepassing afbreuk zou doen, zowel aan het uitgangspunt van berechting binnen een redelijke termijn als aan de plicht van de rechter om bij vernietiging van een bestuurlijk boetebesluit zoveel mogelijk zelf in de zaak te voorzien. (zie noot 136) Als argument tegen toepassing van de bestuurlijke lus in boetezaken is ook aangevoerd dat die toepassing de indruk kan wekken dat de rechter door het bieden van een herkansing het bestuursorgaan helpt het bewijs rond te krijgen en dat dit in strijd met het beginsel van ongelijkheidscompensatie is. (zie noot 137) Dat het verdedigingsbeginsel, zoals tijdens de behandeling van het initiatiefwetsontwerp door de initiatiefnemers is geopperd, aan toepassing van de bestuurlijke lus in boetezaken in de weg zou staan, is in de literatuur bestreden. (zie noot 138) Ook is bestreden dat artikel 8:72a van de Awb aan toepassing van de bestuurlijke lus in de weg zou staan. Zo is erop gewezen dat artikel 8:72a van de Awb niet beslissend kan zijn, omdat die bepaling uitgaat van de situatie waarin het boetebesluit wordt vernietigd en zodanige vernietiging bij toepassing van de bestuurlijke lus (nog) niet aan de orde is. (zie noot 139) Daarnaast is erop gewezen dat artikel 8:72a van de Awb slechts is bedoeld om (met het oog op het \"ne bis in idem\"-beginsel) te voorkomen dat een bestuursrechter na de vernietiging van het eerste besluit op bezwaar nog een tweede einduitspraak over dezelfde boete zou moeten doen, dat de wijze waarop de bestuursrechter tot zijn einduitspraak komt, de wetgever niet interesseert (zolang de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM wordt gerespecteerd), dat voor een categorische uitsluiting van de bestuurlijke lus in boetezaken een verwijzing naar artikel 8:72a van de Awb niet volstaat en dat de wetgever, zo hij de bestuurlijke lus met betrekking tot bepaalde besluiten had willen verbieden, dat uitdrukkelijk had moeten bepalen. (zie noot 140) Juist met het oog op de verplichte finale afdoening wordt voor een bestuurlijke lus in boetezaken ook wel ruimte gezien, voor zover zij ertoe strekt dat het bestuur bepaalde stukken overlegt of nader bewijs levert, alvorens de bestuursrechter de zaak finaal afdoet. (zie noot 141) Voorts is meer in het algemeen verdedigd dat het volgen van de bestuurlijke lus in boetezaken (maar uiteraard wel binnen de begrenzing van eisen van finale geschilbeslechting, redelijke termijn en een goede procesorde), meer aanspreekt dan het rondmaken van het bewijs door de bestuursrechter dan wel het vrijuit laten gaan van een overtreder aan wie met recht een sanctie had kunnen worden opgelegd. (zie noot 142)</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook schrijvers die toepassing van de bestuurlijke lus in boetezaken niet categorisch uitsluiten, pleiten wel voor enige terughoudendheid. Zo meent Stijnen uit oogpunt van rechtsbescherming dat de bestuursrechter niet al te faciliterend ten behoeve van het bestuur dient op te treden. (zie noot 143) Voorts heeft Stijnen het standpunt betrokken dat ervoor moet worden gewaakt \"dat de bestuurlijke lus verwordt tot een lapmiddel om gebrekkige boetebesluiten overeind te houden\" en dat toepassing van de bestuurlijke lus de uitzondering en niet de regel dient te zijn in boetezaken. Stijnen ziet de bestuurlijke lus als redelijk instrument voor met name de volgende gevallen: a. het bestuursorgaan is ten onrechte niet toegekomen aan een inhoudelijke heroverweging van de primaire boeteoplegging; b. de rechter acht het aannemelijk dat sprake is van een overtreding, maar (mede) gelet op het debat tussen partijen is nadere bewijslevering ter zake (van de omvang en duur) van de overtreding nodig; c. de overtreding staat vast, maar het beroep op het gelijkheidsbeginsel roept vragen op omtrent de inzet of hoogte van de boete. (zie noot 144) De rechtspraak 4.8.5 In de rechtspraak wordt de bestuurlijke lus in boetezaken evenmin uitgesloten en wordt daaraan in het bijzonder in de hiervoor bedoelde gevallen toepassing gegeven. (zie noot 145) Zo kan onder meer worden gewezen op CRvB 3 augustus 2011, AB 2012/224 m.nt. R. Stijnen. Deze (tussen)uitspraak betrof de volgens de Raad niet zorgvuldig tot stand gekomen (en mede aan een bestuurlijke boete ten grondslag gelegde) vaststelling dat appellant gedurende een bepaalde periode per week 70 uur werkzaamheden als zelfstandige had verricht. Omdat de Raad in de voorhanden gegevens onvoldoende feitelijke grondslag zag om de omvang van de door appellant als zelfstandige verrichte werkzaamheden vast te stellen, droeg hij het UWV op de feiten met betrekking tot de omvang van de door appellant verrichte werkzaamheden in de betrokken periode op een zorgvuldige wijze vast te stellen en het bestreden besluit met die feiten in overeenstemming te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oordeel dat de oorspronkelijke vaststelling niet zorgvuldig tot stand was gekomen, berustte op een ter zitting door de appellant gegeven toelichting in het licht waarvan een eerdere verklaring van de appellant een andere betekenis kreeg, op een onzekerheid over de periode waarop een eerdere verklaring betrekking had en op een ter zitting afgelegde verklaring omtrent de openingstijden van de sportschool waar de betrokken werkzaamheden werden verricht, welke verklaring de Raad overigens voor een deel niet aannemelijk achtte. De betrokken zaak behoort tot de door Stijnen onder b onderscheiden categorie van zaken waarin de rechter het aannemelijk acht dat sprake is van een overtreding, maar (mede) gelet op het debat tussen partijen nadere bewijslevering ter zake (van de omvang en duur) van de overtreding nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot die categorie kan mijns inziens ook de beroepszaak worden gerekend waarin aan de orde was dat reeds ingebrachte verklaringen op een wezenlijk onderdeel onvoldoende waren onderzocht en waarin volgens de rechtbank een lus kon worden toegepast om alsnog duidelijkheid over de voorgevallen feiten en omstandigheden te verkrijgen. (zie noot 146) Tot dezelfde categorie reken ik ook de door de Centrale Raad van Beroep berechte zaak waarin drie anonieme verklaringen volgens de rechter onvoldoende onderbouwing van de gestelde feiten vormden, zodat het besluit niet berustte op een zorgvuldig onderzoek en een deugdelijke motivering ontbrak. (zie noot 147) Ook de Afdeling heeft de bestuurlijke lus in boetezaken wel toegepast; zie ABRvS 9 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2494. De overtreding stond in die zaak weliswaar vast, maar de minister had de boete niet (kenbaar) afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Deze zaak, waarin de inzet en de hoogte van de boete centraal stond, is tot op zekere hoogte vergelijkbaar met de door Stijnen onder c onderscheiden categorie van zaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens Haas wordt de bestuurlijke lus in belastingzaken niet gebruikt. Als de belastingrechter over onvoldoende gegevens beschikt om uitspraak te kunnen doen en de behoefte heeft aan nadere informatie van de zijde van de inspecteur, geeft hij er de voorkeur aan de zaak \"aan zich te houden\" en gebruik te maken van de mogelijkheid op de voet van de artikelen 8:27 en 8:28 van de Awb inlichtingen te vragen. (zie noot 148) Zoals in de literatuur wel is gesignaleerd, wijzen met name het College van Beroep voor het bedrijfsleven en de Centrale Raad van Beroep met enige regelmaat een tussenuitspraak in (hoger) beroepsprocedures tegen een boetebesluit, maar is de Afdeling beduidend meer terughoudend. (zie noot 149) Dat neemt echter niet weg dat ook het College van Beroep voor het bedrijfsleven duidelijke grenzen aan de mogelijkheid van een bestuurlijke lus in boetezaken heeft gesteld. Ik wijs op CBb 3 december 2014, ECLI:NL:CBB:2014:438, JOR 2015/39 m.nt. V.H. Affourtit. Daarin overwoog het College: \"4.2.7. Het is in beginsel in een zaak als deze niet de taak van de bestuursrechter, maar van het bestuursorgaan, om het bewijs \"rond te maken\". Het antwoord op de vraag of het ontbrekende bewijs nog valt te verkrijgen, berust op een inschatting; absolute zekerheid daarover valt veelal niet te verkrijgen. De rechter is niet gehouden iedere theoretische kans te bieden en hij mag mede in aanmerking nemen of het nadere onderzoek binnen een redelijke tijd zal zijn afgerond en hoe groot de kans van slagen is. Is er een reëel uitzicht dat het ontbrekende bewijs nog wordt geleverd, dan beslist de rechter of hij het bestuursorgaan de kans daartoe wil bieden. In een voorkomend geval kan hij dat weigeren, bijvoorbeeld als die gelegenheid zich niet verdraagt met de door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens verlangde voortvarende behandeling en gewaarborgde rechten van de verdediging. Een andere reden kan zijn dat het bestuursorgaan, mede gelet op het gewicht van de zaak, voldoende herstelkansen heeft gehad en deze onbenut heeft gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2.8. De tekst van de wet sluit de toepassing van de zogenoemde bestuurlijke lus in punitieve zaken niet uit, al zal de rechter bij de toepassing terughoudendheid betrachten. Anders dan ACM aanvoert, was de rechtbank niet gehouden tot het toepassen van een (al dan niet formele) bestuurlijke lus. De rechtbank heeft immers voor een in de rangorde van artikel 8:72 hogere wijze van geschilafdoening gekozen door de boetebesluiten te herroepen. Die herroeping was naar de stand van zaken in de eerste aanleg juist, omdat het bewijs voor de overtreding ontoereikend was. Dat de taxatie door de rechtbank dat het ontbrekende bewijs niet meer viel te verzamelen achteraf wellicht onjuist blijkt doet aan de juistheid van die keuze op zichzelf niet af.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Het argument dat het bestuursorgaan voldoende herstelkansen heeft gehad en deze onbenut heeft gelaten, werd ook gehanteerd door de Afdeling in haar uitspraak van 17 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4538: \"6. De minister heeft in al zijn besluiten de boete niet op de juiste wijze toegelicht en is er evenmin in geslaagd dit in beroep en hoger beroep te doen, ook niet na de tussenuitspraak. Nu de bestuursrechter gelet op artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht gehouden is een beslissing te nemen over het opleggen van de boete indien hij een beschikking tot het opleggen van een bestuurlijke boete vernietigt en gelet op de omstandigheid dat de minister thans vijf besluiten heeft genomen over de boetes en de omstandigheid dat hij ook in beroep en hoger beroep er niet in is geslaagd de hoogte van de boetes aan [appellante sub 2A] en [appellante sub 2B] deugdelijk te onderbouwen, ziet de Afdeling geen aanleiding de minister nogmaals in staat te stellen de gebreken in de besluitvorming te herstellen en zal de Afdeling de boetebesluiten van 14 en 18 januari 2011 herroepen.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het bestuursorgaan noodzakelijk aanvullend onderzoek reeds in de onderzoeksfase van het besluit had kunnen uitvoeren, was aan de orde in CBb 14 juli 2015, ECLI:NL:CBB:2015:198, AB 2015/322 m.nt. W. Sauter: \"4.18 Het aanvullend onderzoek dat ACM thans voor ogen staat om alsnog sluitend bewijs te leveren behelst een (nader) onderzoek naar de feiten die de gestelde overtredingen constitueren. ACM wil alsnog een aantal personen die schuilgaan achter de destijds door de callcenters gebruikte nummers contacteren. Het College stelt vast dat ACM reeds geruime tijd vóór 26 april 2012 kon beschikken over de door de loterijen overgelegde bellijsten, op grond waarvan ACM nu het aanvullende onderzoek wil uitvoeren, en dat er geen enkele reden is waarom ACM dit onderzoek niet reeds in de onderzoeksfase van het besluit had kunnen uitvoeren. Het College ziet daarom thans geen aanleiding om ACM dit nader onderzoek alsnog toe te staan. Dat ACM meent dat dit onderzoek in korte tijd succesvol kan worden afgerond, wat daarvan ook zij, maakt dit niet anders.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft zich voorts beroepen op strijd met de goede procesorde als grond om een bestuurlijke lus niet toe te laten, zij het dat ook in dat verband een rol speelt of van het bestuursorgaan, gelet op het verloop van het processuele debat, had mogen worden gevergd dat het al eerder bepaalde gegevens in de procedure zou hebben ingebracht; zie CBb 9 mei 2016, ECLI:NL:CBB:2016:107, JB 2016/128 m.nt. C.L.G.F.H. Albers: \"4.5 (…) Het College acht het in dit geval in strijd met de goede procesorde om de staatssecretaris in de gelegenheid te stellen het geconstateerde bewijsgebrek te herstellen. Gedurende de gehele procedure heeft appellante in steeds nauwkeuriger geformuleerde bewoordingen te kennen gegeven dat de transportbewegingen voor haar niet controleerbaar waren, omdat niet aangetoond was dat de transportmiddelen waren uitgerust met de vereiste apparatuur. Met name in het hogerberoepschrift heeft de appellante dit bezwaar op dusdanig heldere wijze verwoord, dat het de staatssecretaris duidelijk had behoren te zijn welke gegevens van hem verlangd werden. Dat de staatssecretaris vervolgens in zijn reactie op het hogerberoepschrift geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid de benodigde gegevens alsnog te leveren, kan niet voor rekening van appellante komen.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">De Afdeling heeft als uitgangspunt gekozen dat het bestuursorgaan het dragend bewijs van een overtreding bij de voltooiing van de bestuurlijke besluitvorming moet leveren; zie ABRvS 30 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:4034, JB 2016/30 m.nt. C.L.G.F.H. Albers. Dat sluit een bestuurlijke lus, gericht op het verkrijgen van dragend bewijs, uiteraard uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Evaluatie 4.8.6 Dat een bestuurlijke lus in boetezaken in het geheel niet zou zijn toegestaan, wordt, ondanks de aan de wetsgeschiedenis te ontlenen opvattingen daarover van de initiatiefnemers en de minister, naar mijn mening in de bestuursrechtspraak, ook die van de Afdeling, terecht niet aanvaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alhoewel reeds in de memorie van toelichting bij het initiatiefwetsontwerp de toepasbaarheid van een bestuurlijke lus in boetezaken aan de orde is gekomen, blijkt daaruit allerminst dat een bestuurlijke lus principieel niet zou zijn toegestaan. In de memorie van toelichting is slechts opgemerkt dat een bestuurlijke lus \"feitelijk\" geen zin heeft als het bestreden besluit lijdt aan een naar zijn aard onherstelbaar gebrek, in welk verband de toelichting als voorbeeld een boetezaak noemt waarin de rechter reeds tot het oordeel is gekomen dat van een overtreding geen sprake is of dat de aangeschrevene niet als overtreder kan worden aangemerkt. In die situatie (van een onherstelbaar gebrek) ligt volgens de toelichting \"veel meer in de rede\" dat de rechter zelf in de zaak voorziet dan dat hij een bestuurlijke lus toepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kennelijk zijn de opvattingen van de initiatiefnemers gaan schuiven naar aanleiding van expliciete vragen in het verslag. Daarin werd de toepassing van een bestuurlijke lus als minder gewenst aangemerkt, omdat zij zou (kunnen) leiden tot een wijziging van \"de grondslag voor het opleggen van de bestuurlijke boete\" in strijd met het legaliteitsbeginsel. Ter vergelijking werd daarbij gewezen op de beperkte mogelijkheden voor wijziging van de tenlastelegging in strafzaken. In de memorie van antwoord hebben de initiatiefnemers vervolgens het standpunt ingenomen dat een bestuurlijke lus in boetzaken \"in beginsel\" niet mogelijk is, omdat (i) voor toepassing van de lus geen ruimte zou zijn in geval van onherstelbare besluiten (de rechter stelt bijvoorbeeld vast dat de verweten gedraging geen overtreding oplevert), (ii) de rechter zelf in geval van herstelbare vormfouten kan voorzien op grond van artikel 8:72a van de Awb en zijn bevoegdheid dienaangaande verder reikt dan toepassing van de bestuurlijke lus en (iii) in geval van volgens de rechter ontoereikend bewijs voor de overtreding het verdedigingsbeginsel, zoals dit onder meer is neergelegd in artikel 6 van het EVRM, zich ertegen verzet dat de bestuurlijke lus wordt toegepast om het bestuur in de gelegenheid te stellen alsnog aanvullend bewijs te leveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waarom het verdedigingsbeginsel zich in algemene zin zou verzetten tegen toepassing van een bestuurlijke lus om het bestuursorgaan in staat te stellen een (niet bij voorbaat onherstelbaar) bewijstekort te helen, is tijdens de parlementaire behandeling van het initiatiefwetsontwerp niet nader toegelicht en valt ook niet zonder meer in te zien. Het zal voor de aangeschrevene ongetwijfeld een tegenvaller zijn, indien hij in (hoger) beroep alsnog met beslissend bewijs van de hem verweten overtreding wordt geconfronteerd. Daarmee is echter nog niet gegeven dat hij zich daartegen (in strijd met het verdedigingsbeginsel) niet naar behoren zou kunnen verweren. Het verdedigingsbeginsel (en meer in het bijzonder het recht van hoor en wederhoor) brengt uiteraard wel met zich dat de aangeschrevene voldoende gelegenheid moet worden geboden om nieuw bewijs te betwisten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de behandeling in de Eerste Kamer is ook artikel 8:72a van de Awb in de beschouwingen betrokken. Die bepaling is door de initiatiefnemers voorgesteld als lex specialis ten opzichte van de regeling van de bestuurlijke lus. Die voorstelling van zaken acht ik niet houdbaar. Artikel 8:72a van de Awb regelt wat de bestuursrechter moet doen als hij een boetebesluit vernietigt; bij toepassing van een bestuurlijke lus (waartoe de rechter op grond van artikel 8:80a van de Awb een tussenuitspraak doet) is vernietiging van het boetebesluit (nog) niet aan de orde. Dat, zoals de minister aanvankelijk in de Eerste Kamer opmerkte, in artikel 8:72a van de Awb is geregeld dat bij een bestuurlijke boete nooit een bestuurlijke lus kan worden toegepast, is onjuist. Ook de minister zelf heeft die opvatting minst genomen genuanceerd. Later heeft hij immers opgemerkt dat de rechter geen aanleiding tot toepassing van het indirecte interventiemiddel van een bestuurlijke lus zal hebben, omdat hij bij de bestuurlijke boete het directe interventiemiddel van artikel 8:72a van de Awb (zelf in de zaak voorzien) heeft. Dat is echter niet concludent, omdat daarmee toepassing van een bestuurlijke lus niet is uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat toepassing van de bestuurlijke lus in boetezaken met de ratio van artikel 8:72a van de Awb in strijd zou zijn, kan ik evenmin volgen. Artikel 8:72a van de Awb verplicht tot finale afdoening van boetezaken. Een bestuurlijke lus draagt aan zodanige afdoening bij; zij is, in de woorden van Koenraad, (zie noot 150) één van de \"finaliseringsinstrumenten\" waarvan de bestuursrechter - ook bij de beslechting van boetegeschillen - in beginsel gebruik mag maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband moet in het bijzonder worden bedacht dat artikel 8:72a van de Awb niet ertoe strekt dat met de vernietiging van het boetebesluit door de bestuursrechter de boete automatisch van de baan is. De bestuursrechter moet in geval van vernietiging in beginsel zelf bepalen of een boete wordt opgelegd, en zo ja, hoe hoog die boete is. Die verplichting van de bestuursrechter houdt althans mede verband met de bepaling van artikel 5:43 van de Awb, die met zich brengt dat het bestuursorgaan zelf na vernietiging van het boetebesluit geen nieuwe boete voor dezelfde overtreding kan opleggen. (zie noot 151) Artikel 8:72a van de Awb verplicht de rechter mede daarom alsnog te doen wat het bestuursorgaan had moeten doen maar als gevolg van het \"ne bis in idem\"-beginsel niet meer kan doen. Daarbij treedt de bestuursrechter als het ware in de plaats van het bestuursorgaan. Zoals in de wetsgeschiedenis is benadrukt, maakt de bestuursrechter daarbij (\"ex nunc\") gebruik van de bevoegdheid die aan het bestuursorgaan is geattribueerd, namelijk die tot het bindend vaststellen van een rechtspositie ten opzichte van het betreffende bestuursorgaan. (zie noot 152) Bij de totstandkoming van artikel 8:72a van de Awb is voorts onderkend dat, ook met het oog op de verplichte afdoening door de rechter zelf, nadere instructie noodzakelijk kan zijn. Zo heeft de behandeling van de bepaling in de Eerste Kamer tot de vraag geleid hoe de bestuursrechter zelf in de zaak kan voorzien indien het besluit onvoldoende is gemotiveerd of voorbereid en, meer in het bijzonder, of in dat geval ook een actief onderzoek door de bestuursrechter naar feiten en bewijzen tot de mogelijkheden behoort. (zie noot 153) Van regeringszijde werd geantwoord dat de bestuursrechter bij de beantwoording van de vraag of hij zelf in de zaak mag of moet voorzien, gebruik kan maken van alle onderzoeksbevoegdheden die hem (in afdeling 8.2.2 van de Awb) zijn toegekend. Toepassing van de bestuurlijke lus en afdoening door de bestuursrechter zelf na eigen onderzoek behoeven niet noodzakelijkerwijs tot materieel verschillende uitkomsten te leiden. De bestuurlijke lus is een aantrekkelijk alternatief voor nader eigen onderzoek door de bestuursrechter, als zij, sneller en eenvoudiger dan eigen onderzoek, tot de door de bestuursrechter gewenste duidelijkheid kan leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten slotte teken ik nog aan dat ik, zoals hiervóór onder 4.7.6 (in fine) reeds aan de orde kwam, toepassing van een bestuurlijke lus, resulterend in een nieuw besluit, niet met het \"ne bis in idem\"-beginsel in strijd acht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De begrenzing 4.8.7 De mogelijkheid van toepassing van een bestuurlijke lus in boetezaken is weliswaar niet uitgesloten, maar zij is niet onbegrensd. Zoals ook de voorstanders van die mogelijkheid benadrukken, zal die toepassing niet in de weg mogen staan aan een finale beslissing binnen redelijke termijn, en zullen de rechten van de verdediging en de eisen van een goede procesorde moeten worden geëerbiedigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals eerder aan de orde kwam, sluit de Afdeling inbreng van \"dragend\" bewijsmateriaal door het bestuursorgaan na de voltooiing van de bestuurlijke besluitvorming uit. (zie noot 154) Een dergelijke uitsluiting impliceert uiteraard mede uitsluiting van een bestuurlijke lus die tot het vergaren van \"dragend\" bewijs strekt. Uit de behandeling van de zevende vraag vloeit voort dat ik het inbrengen van nieuwe bewijsmiddelen na de afronding van het onderzoek door de toezichthouder en ook in (hoger) beroep niet categorisch uitgesloten acht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een principieel onderscheid met betrekking tot de toelaatbaarheid van toepassing van de bestuurlijke lus tussen zaken waarin een bewijstekort of een ander gebrek aan de orde is, zie ik ook overigens geen grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of de hiervoor bedoelde begrenzing veel ruimte zal laten voor een bestuurlijke lus die louter op het bijbrengen van nader bewijs is gericht, moet intussen worden betwijfeld. Het kan naar mijn mening niet zo zijn dat bewijsmiddelen die vanwege strijd met de eisen van een goede procesorde niet meer (spontaan) door het bestuursorgaan in het geding mogen worden gebracht, alsnog door toepassing van de bestuurlijke lus zouden kunnen worden toegelaten. Ook voor eventueel door middel van een bestuurlijke lus te vergaren bewijs zal mijns inziens moeten gelden dat er voor het bestuursorgaan goede redenen waren om dat bewijs niet eerder (spontaan) in het geding te brengen. Het gegeven dat de rechter blijkens zijn tussenuitspraak van oordeel is dat onvoldoende bewijs voor de overtreding voorhanden is (en dat voor toereikend bewijs dus nader bewijs nodig zou zijn), acht ik op zichzelf niet een dergelijke goede reden, ook niet als de rechter een reële kans aanwezig zou achten dat het bestuursorgaan het vereiste aanvullende bewijs alsnog zou kunnen leveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alhoewel ik voor een op nadere bewijsvoering gerichte bestuurlijke lus maar weinig ruimte zie, acht ik haar niet geheel uitgesloten. Zo is denkbaar dat de rechter met de toepassing van de bestuurlijke lus reageert op een \"bewijsaanbod\" van het bestuursorgaan ten aanzien waarvan al is aangetoond dat het niet eerder kon worden gedaan, of dat met de (tussen)uitspraak zelf een verrassende wending aan de zaak wordt gegeven, bijvoorbeeld omdat volgens de rechter uit nieuwe (Europese) rechtspraak volgt dat voor de betrokken overtreding meer of andere feiten en omstandigheden van belang zijn dan bij de behandeling van de zaak werd aangenomen. Overigens kan de vraag rijzen of in het laatste geval een heropening van het onderzoek (artikel 8:68 van de Awb) niet meer voor de hand ligt dan een toepassing van de bestuurlijke lus.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij dit alles past nog de kanttekening dat de Awb de bestuursrechter niet tot toepassing van de bestuurlijke lus verplicht en de bestuursrechter ook buiten het geval van strijd met de eisen van een goede procesorde van toepassing van de bestuurlijke lus kan afzien. Dat laat ruimte voor een hoe dan ook terughoudende toepassing van de bestuurlijke lus ter verkrijging van nader bewijs. Daarbij kan ik mij zeer wel voorstellen dat de rechter ten aanzien van andere gebreken dan bewijsgebreken (die de feitelijke grondslag van de boeteoplegging betreffen), zoals een onvoldoende motivering van de opgelegde boete, tot minder terughoudendheid zal zijn geneigd en eerder ruimte voor toepassing van een bestuurlijke lus zal zien. (zie noot 155) Daarbij ware te bedenken dat veel van de weerstand tegen de bestuurlijke lus in boetezaken juist tegen haar toepassing om bewijsgebreken te herstellen, lijkt te zijn ingegeven.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Samenvatting van de antwoorden 1. De toezichthouder behoeft bij het afnemen van een verhoor geen gebruik te maken van een beëdigde tolk. Het is toelaatbaar dat de toezichthouder van een telefonische tolk gebruik maakt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Met het oog op de identificatie van de opsteller van het boeterapport mag in de regel worden verlangd dat het rapport door hem wordt ondertekend. Het ontbreken van een ondertekening behoeft echter geen consequenties te hebben, als de identiteit van de opsteller van het rapport op andere wijze onomstotelijk kan worden vastgesteld.</div>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de inmiddels in artikel 29a, derde lid, Sv opgenomen regeling ligt het in de rede dat degene die wordt verhoord met het oog op een aan hem op te leggen bestraffende sanctie, zijn verklaring ondertekent als hij zich met de weergave daarvan kan verenigen. Het ontbreken van een handtekening kan aanleiding tot discussie over de juistheid van de verklaring geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wet dwingt er niet toe dat als getuigen gehoorde personen hun verklaring ondertekenen. Ondertekening door de getuige kan de ruimte voor latere discussies over de juistheid van diens verklaring echter beperken.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De handhavende instanties moeten de cautie geven aan een persoon die wordt verhoord met het oog op een aan hem op te leggen sanctie. Van dat laatste is sprake indien naar objectieve maatstaven door een redelijk waarnemer kan worden vastgesteld dat van een \"verhoor\" met het oog op de oplegging van een bestuurlijke boete sprake is.</div>\n<p class=\"lf-p\">Aan getuigen behoeft de cautie niet te worden gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de wet en het EVRM vloeit niet voort dat in het kader van een controlebezoek waarbij vragen worden gesteld, de cautie moet worden gegeven. Dat betekent overigens niet dat een (\"wilsafhankelijke\") verklaring die, zonder dat de cautie was gegeven, onder dwang is verkregen, aan een later aan de verhoorde persoon op te leggen boete ten grondslag kan worden gelegd; de zogeheten reflexwerking van het zwijgrecht verzet zich daartegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het verhoor van een getuige als gevolg van hetgeen de getuige verklaart \"van kleur verschiet\" en voortzetting van het verhoor (mede) op het opleggen van een bestraffende sanctie aan degene die wordt verhoord zou zijn gericht, dient de cautie vóór de daadwerkelijke voortzetting van het verhoor te worden gegeven.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Voor de vastlegging van de verklaring van een verdachte in een strafzaak gelden sedert 1 maart 2017 nadere eisen, waaronder de eis dat die verklaring zo volledig mogelijk en zoveel mogelijk in de vorm van vraag en antwoord wordt opgenomen en dat de verdachte zijn verklaring ondertekent, indien hij daarmee instemt. Het ligt voor de hand voor de vastlegging van de verklaring van de te beboeten persoon ten overstaan van de toezichthouder thans gelijke eisen te hanteren.</div>\n<p class=\"lf-p\">Voor de vastlegging van de verklaring van een ten overstaan van de toezichthouder afgelegde getuigenverklaring gelden geen formele eisen. Wel geldt voor de getuigenverklaring de materiële eis dat zij geen gissingen en conclusies mag bevatten. De grens tussen gissingen en conclusies enerzijds en omstandigheden die een getuige waarneemt of ondervindt, is niet altijd eenvoudig te trekken. De getuige behoeft niet vóór zijn verhoor op de hoogte te worden gesteld van de exacte achtergronden van zijn verhoor en van de consequenties die zijn verklaring voor derden zou kunnen hebben.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Het incorporeren van het boeterapport in een aan de vermeende overtreder te verzenden voornemen tot boeteoplegging is problematisch. Het boeterapport dient als een eigenstandig stuk te worden opgemaakt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Aan het uitgangspunt dat volgens vaste jurisprudentie in beginsel van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt boeterapport mag worden uitgegaan, komt slechts betekenis toe voor hetgeen de verbalisant uit eigen waarneming en ondervinding heeft verklaard. Het uitgangspunt impliceert dus bijvoorbeeld niet zonder meer de juistheid van de vertolking of vertaling, mede ten behoeve van de verbalisant, van een ten overstaan van de verbalisant afgelegde verklaring.</div>\n<p class=\"lf-p\">Door de beboete persoon in een later stadium van de procedure overgelegde afwijkende verklaringen zullen in beginsel door het bestuursorgaan en de bestuursrechter in aanmerking moeten worden genomen. De latere (afwijkende) verklaringen zullen niet per se boven de eerdere, ten overstaan van de toezichthouder afgelegde verklaringen prevaleren. Het zal aan de beboete persoon zijn aan te tonen dat en waarom niet van de eerder afgelegde verklaringen mag worden uitgegaan.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>Het is toelaatbaar dat het bestuursorgaan na afronding van het onderzoek door de toezichthouder (en ook in (hoger) beroep) nader bewijs vergaart en aan de boeteoplegging ten grondslag legt. Na de fase van besluitvorming zal het inbrengen van nieuwe bewijsmiddelen echter ontoelaatbaar zijn, indien daardoor de redelijke termijn wordt overschreden, de rechten van de verdediging worden geschaad of de inbreng van nieuwe bewijsmiddelen in strijd moet worden geacht met de eisen van een goede procesorde, toegespitst op hetgeen in dit verband in redelijkheid van het bestuursorgaan mocht worden gevergd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>De bestuurlijke lus is in boetezaken niet principieel uitgesloten. Voor zover zij strekt tot het bijbrengen van nieuw bewijs, gelden daarvoor tenminste gelijke beperkingen als voor het inbrengen van nader bewijs als bedoeld in het antwoord op vraag 7. Als gevolg daarvan is er voor een bestuurlijke lus, gericht op nadere bewijsgaring, slechts weinig ruimte, maar geheel uitgesloten is zij niet.</div>\n<p class=\"lf-p\">Voorts mag worden aangenomen dat de bestuursrechter hoe dan ook terughoudend zal zijn de bestuurlijke lus voor het herstellen van bewijsgebreken (die de feitelijke grondslag van de boeteoplegging raken) toe te passen, méér dan ten aanzien van andere gebreken, zoals de disproportionaliteit van de opgelegde boete. w.g. Keus staatsraad advocaat-generaal</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(1)</span>Zaaknummer 11663/04, ECLI:CE:ECHR:2012:0405JUD001166304.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(2)</span>M. Schreuder-Vlasblom, Rechtsbescherming en bestuurlijke voorprocedure, Deventer: Kluwer 2013, p. 2, 12 en 13.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(3)</span>R.J.N. Schlössels en S.E. Zijlstra, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat, Deventer: Kluwer 2010, onder 23.3.3.42.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(4)</span>N. Verheij, ‘Tussen toen en nu, Het relevante tijdstip voor besluitvorming in bezwaar en toetsing in beroep’, JBplus 2003, p. 26-47. Zo schrijft artikel 83a Vreemdelingenwet 2000 in asielzaken een toetsing “ex nunc” voor.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(5)</span>Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, p. 35.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(6)</span>Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, p. 36.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(7)</span>Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, p. 37.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(8)</span>R.J.N. Schlössels en S.E. Zijlstra, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat, Deventer: Kluwer 2010, onder 23.3.3.44, waarin wordt verwezen naar PG Awb II, MvT, p. 173 en 175. In de bedoelde passage op p. 173 wordt de bevoegdheid van de bestuursrechter om ambtshalve de feiten aan te vullen, voorgesteld als één van de kenmerken, waarin het zoeken naar de materiële waarheid als derde belangrijke karakteristiek van het bestuursprocesrecht zich vertaalt. In de bedoelde passage op p. 175 wordt bevestigd dat het streven naar het zoeken van de materiële waarheid in de opzet van de Awb overeind blijft, zij het in zijn uitwerking belangrijk gerelativeerd, en wordt de bevoegdheid ambtshalve de feiten aan te vullen voorgesteld als (rechtstreeks uit de ongelijkheidscompensatie voortvloeiend) specifiek kenmerk van het bestuursprocesrecht.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(9)</span>Vgl. R.J.N. Schlössels en S.E. Zijlstra, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat, Deventer: Kluwer 2010, onder 23.3.1.26 en 23.3.4.51, die wijzen op de neiging het proces voor de bestuursrechter steeds meer te zien als een volwaardig partijenproces en op de daaraan inherente tendens van formalisering.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(10)</span>Kamerstukken II 2007/08, 31 352, nr. 3, p. 2. Zie ook R.J.N. Schlössels en S.E. Zijlstra, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat, Deventer: Kluwer 2010, onder 23.3.3.44.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(11)</span>Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 118. Waar in de bedoelde passage in de memorie van toelichting wordt gesproken van “de burger”, moet worden bedacht dat de door het EVRM en de Awb geboden rechtsbescherming niet slechts geldt voor natuurlijke personen, maar ook voor rechtspersonen, alhoewel enkele van de rechten en vrijheden zoals gewaarborgd door het EVRM zich niet voor uitoefening door rechtspersonen lenen. Men denke bijvoorbeeld aan de door artikel 9 EVRM (mede) gewaarborgde “freedom of conscience”; zie ECRM 12 oktober 1988 (Verein Kontakt tegen Oostenrijk), 11921/86, D.R. no 57-B, p. 91: “Moreover, the rights primarily invoked, i.e. the right to freedom of conscience under Article 9 (Art. 9) of the Convention and the right not to be subjected to degrading treatment or punishment (Article 3), are by their very nature not susceptible of being exercised by a legal person such as a private association.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(12)</span>Kamerstukken II 29 702, 2003/04, nr. 3, p. 127. Zie ook R.J.N. Schlössels en S.E. Zijlstra, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat, Deventer: Kluwer 2010, onder 23.3.3.46.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(13)</span>C.L.G.F.H. Albers, ‘Bestraffend bestuur 2014’ in: C.L.G.F.H. Albers e.a., Boetes en andere bestraffende sancties: een nieuw perspectief?, VAR-reeks 152, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2014, p. 77. In voetnoot 392 merkt Albers overigens op dat de bewijsfuik op andere terreinen van het (bijzonder) bestuursrecht nog niet zonder meer uit beeld lijkt te zijn verdwenen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(14)</span>Wet van 20 december 2012 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en aanverwante wetten met het oog op enige verbeteringen en vereenvoudigingen van het bestuursprocesrecht (Wet aanpassing bestuursprocesrecht), Stb. 2012, 682; zie voor de inwerkingtreding per 1 januari 2013 Stb. 2012, 684.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(15)</span>Zie L.M. Koenraad in zijn noot onder 4 bij rechtbank Almelo 29 oktober 2012, ECLI:NL:RBALM:2012:BY1625, AB 2012/394.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(16)</span>Zie over (de omvang van) het recht op een tolk o.m. EHRM 19 december 1989 (Kamasinski tegen Oostenrijk), nr. 9783/82, ECLI:NL:XX:1989:AD0982, NJ 1994/26 m.nt. E.A. Alkema.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(17)</span>Wet van 28 februari 2013 tot implementatie van richtlijn nr. 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (PbEU L 280), Stb. 2013, 85; zie voor de inwerkingtreding Stb. 2013, 268.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(18)</span>Aldus de Aanwijzing bijstand van tolken en vertalers bij de opsporing en vervolging van strafbare feiten (aanwijzing van het College van procureurs-generaal), Stcrt. 2013, 35062.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(19)</span>Wet van 11 oktober 2007, Stb. 2007, 375; zie voor de inwerkingtreding per 1 januari 2009 Stb. 2008, 555.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(20)</span>Kamerstukken II 2004/05, 29 936, nr. 3, p. 4 (“de afnameplicht voor aangewezen instanties”), p. 5 (“een afnameplicht voor bepaalde afnemers”) en p. 23 (“Via een afnameplicht wordt gewaarborgd dat de hiervoor genoemde instanties ook enkel van deze gerechtstolken en beëdigd vertalers gebruik maken.”).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(21)</span>Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem 19 maart 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BW2561.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(22)</span>Zie ook Aanwijzing bijstand van tolken en vertalers bij de opsporing en vervolging van strafbare feiten, Stcrt. 2013, 35062, onder 3.7, en Kamerstukken II 2004/05, 29 936, nr. 3, p. 24.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(23)</span>Zie HR 17 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1446, NJ 2014/340, rov. 2.5: “Anders dan het middel betoogt, staat art. 28 (oud) van de Wet beëdigde tolken en vertalers niet eraan in de weg dat het verhoor van een persoon die de Nederlandse taal niet (voldoende) beheerst, niet steeds plaats vindt met bijstand van - in beginsel - een in het register voor tolken ingeschreven tolk. Het verhoor kan plaatsvinden in een taal die de te horen persoon en de verbalisant in voldoende mate beheersen. Het oordeel van het Hof dat de omstandigheid dat de aangeefster zonder een beëdigde tolk in de Marokkaanse taal is gehoord door verbalisanten, van wie één de Marokkaanse taal beheerst, niet ertoe dient te leiden dat de door haar afgelegde verklaring van het bewijs moet worden uitgesloten, nu er - kort gezegd - geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de weergave van die verklaring in het proces-verbaal en aan de betrouwbaarheid van de verklaring, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het middel is tevergeefs voorgesteld.” (Vgl. in dit verband ook de conclusie van AG Vellinga (ECLI:NL:PHR:2014:1494) voor HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:3282 (afdoening met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie; hierna: RO) over een situatie waarin vragen die een verdachte niet begreep zo nodig in het Engels werden toegelicht; HR 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4412 (géén uitsluiting van het onderzoeksresultaat van het bewijs) over een ademonderzoek waarbij geen tolk aanwezig was maar tussen de verdachte en de opsporingsambtenaren een zodanige communicatie mogelijk was dat de verdachte hen begreep; de conclusie van AG Vegter (ECLI:NL:PHR:2010:BM6913) voor HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6913 (afdoening met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de RO) over een voor de inwerkingtreding van de afnameplicht gehouden verhoor van verdachten door Nederlandse politieambtenaren in de Duitse taal; de conclusie van AG Jörg (ECLI:NL:PHR:2001:ZD2791) voor HR 19 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2791 (afdoening met toepassing van artikel 101a van de RO), waarin het toelaatbaar werd geoordeeld het verhoor in een andere taal te doen plaatsvinden indien de verdachte en de verbalisant beiden van oordeel zijn die taal voldoende te beheersen. (Anders: Hof Arnhem 19 maart 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BW2561, waarin het feit dat (niet een verbalisant maar) de schoonmoeder van de verdachte bij diens politieverhoor als tolk was opgetreden, wegens strijd met artikel 28 van de Wbtv tot bewijsuitsluiting van de verklaring van de verdachte wegens onherstelbaar vormverzuim leidde.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(24)</span>Kamerstukken II 2004/05, 29 936, nr. 3, p. 10.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(25)</span>Kamerstukken II 2011/12, 33 355, nr. 3, p. 20-21; zie ook Kamerstukken II 2011/12, 33 355, nr. 7, p. 14, waar werd herhaald dat de richtlijn en derhalve ook het wetsvoorstel geen betrekking hebben op bestuurlijke boetes, en met betrekking tot de vertaling van stukken “rondom een (forse) bestuurlijk boete” werd opgemerkt dat via artikel 5:49, tweede lid, van de Awb is verzekerd dat de overtreder, indien dit voor zijn verdediging nodig is, in een voor hem begrijpelijke taal van de relevante documenten zal kunnen kennisnemen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(26)</span>ABRvS 12 maart 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC6444, rov. 2.6.2 (“(…) Uit de wet, de uitvoeringsregels noch de beleidsregels volgt dat bij het gehoor van een vreemdeling die de Nederlandse taal niet machtig is een tolk dient op te treden die voorafgaande aan het gehoor wordt beëdigd. (…)”); ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:89, rov. 3.1 (“(…) Nu de vreemdeling niet door een politieambtenaar is gehoord, maar door de inspecteurs met behulp van een als tolk fungerende politieambtenaar, is artikel 28, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet beëdigde tolken en vertalers niet op het horen van de vreemdeling van toepassing. (…)”).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(27)</span>Artikel 1 van de Regeling uitbreiding afnameplicht Wbtv, Stcrt. 2015, 4089.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(28)</span>Volgens de brochure “Wat doet de Inspectie SZW?” houdt de Directie Arbeidsmarktfraude toezicht op de naleving van de Wet arbeid vreemdelingen, de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (ter bestrijding van illegale arbeid, ontduiking van het minimum-loon, arbeidsuitbuiting, malafide arbeidsbemiddeling en andere vormen van arbeidsmarktfraude)”, en is Directie Opsporing “verantwoordelijk voor de strafrechtelijke handhaving met betrekking tot arbeidsmarktfraude, arbeidsuitbuiting, (georganiseerde) uitkeringsfraude en fraude met arbeidsgerelateerde subsidies”.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(29)</span>Kamerstukken II 2004/05, 29 936, nr. 3, p. 6.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(30)</span>Kamerstukken II 2011/12, 33 355, nr. 3, p. 11/12.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(31)</span>Kamerstukken II 2011/12, 33 355, nr. 3, p. 29.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(32)</span>Aanwijzing bijstand van tolken en vertalers bij de opsporing en vervolging van strafbare feiten, Stcrt. 2013, 35062, onder 3.6.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(33)</span>ABRvS 20 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:108, rov. 4.2; ABRvS 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2913, rov. 4.3; ABRvS 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3968, rov. 4.1; ABRvS 16 december 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK6766, rov. 2.4; CRvB 12 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4068, rov. 4.6.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(34)</span>T&amp;C Sv (2015), artikel 153, aant. 3a (A.M. van Hoorn; 11-12-2016), met verwijzing naar HR 9 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5768, NJ 2009/84 (zie ook de conclusie van AG Knigge voor dat onder 9-11).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(35)</span>Vgl. o.m. HR 16 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2481, NJ 2007/67, rov. 3.7. Vgl. voor een geval waarin processen-verbaal van niet bevoegde opsporingsambtenaren die niet als processen-verbaal in de zin van artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 2o, Sv werden aangemerkt, elkaar als andere geschriften in de zin van art. 344, eerste lid, aanhef en onder 5o, van het Sv over en weer konden ondersteunen, HR 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6142, NJ 2010/356, rov. 4.8.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(36)</span>Stb. 2016, 476; zie voor de inwerkingtreding per 1 maart 2017, Stb. 2017, 66.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(37)</span>Richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming, PbEU 2013, L 294/1-12.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(38)</span>Kamerstukken II 2014/15, 34 159, nr. 3, p. 2.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(39)</span>Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 147.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(40)</span>ABRvS 28 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3471, AB 2017/48 m.nt. T.N. Sanders.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(41)</span>Zie bijvoorbeeld CRvB 7 november 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1819, AB 2007/73 m.nt. H.E. Bröring.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(42)</span>Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 122 (“Dit rapport (het boeterapport; LK) is de bestuursrechtelijke tegenhanger van het proces-verbaal van de opsporingsambtenaar, met dien verstande dat het geen bijzondere bewijskracht heeft.”).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(43)</span>Zie o.m. ABRvS 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:996.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(44)</span>Zie o.m. CRvB 1 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP6855, AB 2011/163 m.nt. A.T. Marseille, rov. 5.3.4: “Anders dan de rechtbank, acht de Raad niet van wezenlijk belang dat de betreffende opsporingsambtenaar het proces-verbaal niet heeft ondertekend (…).”; CBb: 21 juni 2011, ECLI:NL:CBB:2011:BQ9556: “Het College stelt weliswaar vast dat dit proces-verbaal niet is ondertekend door de controleambtenaren, maar ziet daarin geen aanleiding voor het oordeel dat van de in dit proces-verbaal opgenomen bevindingen van de controleambtenaren niet kan of mag worden uitgegaan. Daartoe acht het College mede van belang dat, ondanks dat het proces-verbaal door hen niet is ondertekend, deze wel de bevindingen weergeeft van de twee tot controle en opsporing bevoegde ambtenaren van VWA. Bovendien is uit zowel het niet-ondertekende proces-verbaal als de uitdraai “Inspectiebevindingen” te achterhalen welke twee controleambtenaren het bewuste inspectiebezoek hebben verricht.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(45)</span>Zie bijvoorbeeld ABRvS 22 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:756: “7.1 (…) Hoewel het de voorkeur verdient te beschikken over een ondertekend exemplaar van een proces-verbaal, betekent het enkele feit dat het proces-verbaal, zoals dat bij de mededeling is gevoegd, niet door de verbalisant is ondertekend, evenmin dat de daarin weergegeven jegens politieambtenaren afgelegde verklaringen reeds ter zijde moeten worden geschoven op basis van de enkele ontkenning van [appellant] op enig moment nadien dat hij die verklaring aldus heeft afgelegd.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(46)</span>Zie o.m. ABRvS 18 november 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK3681: “Dat [directeur] niet heeft ondertekend, omdat zijn verklaring onjuist zou zijn weergegeven, heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt.”; ABRvS 17 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5190: “De Afdeling ziet, anders dan [appellant] stelt, geen aanleiding voor het oordeel te twijfelen aan de juistheid van het proces-verbaal van verhoor vanwege het ontbreken van zijn handtekening.”; ABRvS 12 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:843: “In het door [appellant] ter zitting naar voren gebrachte dat hij het proces-verbaal van verhoor van 5 februari 2012 niet heeft ondertekend, maakt niet dat niet van de juistheid van dat proces-verbaal mag worden uitgegaan.</div>\n<p class=\"lf-p\">De Afdeling heeft eerder, onder meer bij uitspraak van 11 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW1554, overwogen dat een bestuursorgaan, evenals de rechter, in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. De enkele stelling van [appellant] dat niet van de juistheid van het proces-verbaal van 5 februari 2012 mag worden uitgegaan, omdat dit niet is ondertekend, is onvoldoende om van dit uitgangspunt af te wijken.”; ABRvS 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:996: “[appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de arbeidsinspecteurs hem woorden in de mond hebben gelegd of de verklaring onjuist hebben weergegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het licht van het vorenstaande, is het niet ondertekenen van de verklaring van 22 juli 2013 onvoldoende voor het aannemen van een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld. Derhalve heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister er terecht van is uitgegaan dat [appellant] heeft verklaard als in de verklaring bij het boeterapport is vermeld en deze terecht aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd.”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(47)</span>Zie voor het ontbreken van een handtekening bijvoorbeeld CRvB 3 april 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA3407; zie voor een wel ondertekende verklaring bijvoorbeeld CRvB 6 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4707, rov. 4.4.3: “(…) Appellante heeft de verklaring mede ondertekend nadat zij had aangekruist dat zij de op schrift gestelde verklaring had begrepen en dat deze overeenkwam met wat zij mondeling had verklaard. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor de conclusie dat de communicatie ontoereikend is geweest en dat als gevolg daarvan de verklaring niet overeenkomt met wat appellante heeft bedoeld te verklaren en met wat zij mondeling heeft verklaard.” Overigens sluit ondertekening van een verklaring niet a priori uit dat de bestuursrechter daaraan toch voorbijgaat; zie bijvoorbeeld CRvB 1 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5119.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(48)</span>HR 16 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5706, NJ 2013/310 m.nt. B.F. Keulen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(49)</span>Zie HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308 m.nt. B.F. Keulen, waarin de Hoge Raad de criteria voor bewijsuitsluiting op grond van artikel 359a Sv nader heeft uitgewerkt. In rov. 2.4.1 overwoog de Hoge Raad onder meer: “(…) De eerste factor is \"het belang dat het geschonden voorschrift dient\". De tweede factor is \"de ernst van het verzuim\". Bij de beoordeling daarvan zijn de omstandigheden van belang waaronder het verzuim is begaan. Daarbij kan ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen. De derde factor is \"het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt\". Bij de beoordeling daarvan is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. Daarbij verdient opmerking dat het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, niet kan worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang, zodat een eventuele schending van dit belang als gevolg van een vormverzuim niet een nadeel oplevert als bedoeld in art. 359a, tweede lid, Sv (vgl. HR 4 januari 2011, LJN BM6673, NJ 2012/145, rov. 3.2.2). Opmerking verdient tevens dat indien het niet de verdachte is die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, in de te berechten zaak als regel geen rechtsgevolg zal behoeven te worden verbonden aan het verzuim.\"</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(50)</span>HR 26 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9475, NJ 1994/629 m.nt. G.J.M. Corstens.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(51)</span>EHRM 17 december 1996 (Saunders tegen Verenigd Koninkrijk), ECLI:CE:ECHR:1996:1217JUD001918791, NJ 1997/699 m.nt. G. Knigge.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(52)</span>Zie Kamerstukken II 2003/03, 29 702, nr. 3, p. 97: “Uit de jurisprudentie van het EHRM blijkt wel dat onder omstandigheden verklaringen die voorafgaand aan de criminal charge op grond van een plicht tot informatieverstrekking zijn afgelegd, niet mogen worden gebruikt voor het bewijs van een overtreding waarop een bestraffende sanctie staat. Men zie naast het reeds genoemde Saunders-arrest ook(EHRM 3 mei 2001, EHRC 2001, nr. 45; BNB 2002, nr. 26; AB 2002, 343 (J.B./(Zwitserland); vgl. ook HR 27 juni 2001, AB 2002/342.” Zie ook de noot van E.E.V. Lenos bij EHRM 3 mei 2001, ECLI:NL:XX:2001:AL1323, NJCM 2002, p. 606-615, onder 3: “Uit het Saunders-arrest blijkt dat verklaringen die voorafgaand aan de charge onder dwang zijn verstrekt met een beroep op het nemo tenetur-recht na de charge buiten de criminal charge-procedure kunnen worden gehouden.” Ook de belastingkamer van de Hoge Raad heeft een dergelijke consequentie aan het Saunders-arrest verbonden; zie HR 27 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2314, AB 2002/342 m.nt.</div>\n<p class=\"lf-p\">O.J.D.M.L. Jansen en M.J.J.P. Luchtman onder AB 2002/343, rov. 3.4: “(…) Gelet op het arrest Saunders brengt het een en ander in een geval als het onderhavige, waarin een belastingplichtige aan het EVRM niet het recht kan ontlenen zich te onttrekken aan de verplichting gegevens, inlichtingen en bescheiden te verstrekken, mee dat een verklaring die de betrokkene heeft afgelegd ter voldoening aan die verplichting, niet mag worden gebruikt ten behoeve van de boete-oplegging. (…)”. Volgens Jansen en Luchtman in hun genoemde noot gaat de Hoge Raad hiermee verder dan uit het arrest Saunders voortvloeit: “De medewerkingsplichten van de AWR blijven ten behoeve van de heffing onverkort gelden (vgl. ook HR 8 juli 1998, BNB 1998/326, m.nt.</p>\n<p class=\"lf-p\">P.J. Wattel). Mocht aldus verkregen informatie echter tevens van belang blijken voor een parallel lopend of later volgend punitief sanctietraject, dan neemt het nemo tenetur-beginsel de vorm aan van een bewijsuitsluitingsgrond. Materiaal dat zijn bestaan dankt aan de wil van de betrokkene mag in die gevallen niet voor die doeleinden als bewijs worden gebruikt. Evenmin is dan een omkering van de bewijslast toegestaan. Op dit punt is de Hoge Raad strenger dan het EHRM dat - zo leiden wij althans uit het Saunders-arrest (…) af - niet onder alle omstandigheden zal komen tot bewijsuitsluiting van materiaal dat zijn bestaan dankt aan de wil van de betrokkene en primair werd verkregen voor niet-punitieve doeleinden.” De civiele kamer van de Hoge Raad heeft zich bij de benadering van de belastingkamer aangesloten door te oordelen dat in een civielrechtelijk kort geding de belastingplichtige onder last van een dwangsom kan worden veroordeeld al het materiaal te verschaffen dat van belang kan zijn voor een juiste belastingheffing, ongeacht of het gaat om wilsonafhankelijk of wilsafhankelijk materiaal, zulks echter onder de restrictie dat materiaal van deze laatste soort uitsluitend mag worden gebruikt ten behoeve van de belastingheffing; zie HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640, NJ 2013/435 m.nt.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.W. Zwemmer, rov. 3.9.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(53)</span>T&amp;C Awb (2015), artikel 5:10a, aant. 2 onder c (J.C.A. de Poorter &amp; J. Verbeek).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(54)</span>Zie bijvoorbeeld HR 31 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC8260, NJ 1990/200, rov. 5.3.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(55)</span>Kamerstukken II 2005/06, 29 702, nr. 7, p. 41.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(56)</span>Vgl. ABRvS 3 mei 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AW7337, AB 2006/317 m.nt. O.J.D.M.L. Jansen, rov. 2.5: “De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het stellen van vragen door de arbeidsinspecteur naar aanleiding van een ingekomen melding op 13 maart 2003 over een arbeidsongeval op de dag ervoor, was gericht op de vaststelling van de feiten en de gang van zaken rond het ongeval, en daarmee op de vaststelling of aan de wettelijke verplichtingen was voldaan. In deze fase gold de in de art. 5:16 en 5:20 Awb neergelegde inlichtingenplicht nog onverkort en was de situatie als bedoeld in art. 35 lid 1 en 2 Arbowet 1998 (nog) niet aan de orde.” De geciteerde overweging betrof het zwijgrecht en de cautieplicht die in het toenmalige artikel 35 Arbowet 1998 waren opgenomen. De leden een en twee van die bepaling luidden aldus:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Indien de toezichthouder jegens de belanghebbende een handeling verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem wegens een bepaalde gedraging een bestuurlijke boete zal worden opgelegd, is die belanghebbende niet langer verplicht terzake van die gedraging enige verklaring af te leggen, voor zover het de boete-oplegging betreft. De belanghebbende wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien de daartoe aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 24, voornemens is om aan de belanghebbende een bestuurlijke boete op te leggen, wordt hiervan kennis gegeven aan de belanghebbende onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust. De kennisgeving is een handeling als bedoeld in het eerste lid. Vgl. voorts CRvB 5 januari 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AU9497, AB 2006/169 m.nt. H.E. Bröring: “Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de toonzetting van het looncontrolerapport niet de conclusie wettigt dat het door gedaagde verrichte onderzoek was gericht op iets anders dan de omvang van de door appellante verschuldigde premies ingevolge de werknemersverzekeringswetten. Ook overigens heeft de Raad geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat tijdens de looncontrole een handeling is verricht waaraan appellante in redelijkheid de gevolgtrekking kon verbinden dat een boete zou worden opgelegd.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(57)</span>Zie ook CRvB 21 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2451, AB 2015/333, m.nt. R. Stijnen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(58)</span>Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 96.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(59)</span>Dat laatste is mogelijk de opvatting van de Centrale Raad van Beroep in de hierboven geciteerde overweging, waarin wordt gesproken van materiaal dat niet onafhankelijk van de wil van betrokkene is verkregen: “Indien een belastende verklaring wordt afgelegd zonder dat voorafgaand daaraan de cautie is verstrekt of indien druk is uitgeoefend, zodat die verklaring niet in vrijheid is afgelegd, dient dit materiaal dat niet onafhankelijk van de wil van betrokkene is verkregen te worden uitgesloten van het bewijs voor de boeteoplegging.\"</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(60)</span>Zie in het bijzonder EHRM 17 december 1996 (Saunders tegen Verenigd Koninkrijk), ECLI:CE:ECHR:1996:1217JUD001918791, NJ 1997/699 m.nt. Kn.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(61)</span>N. Jörg, ‘Nemo tenetur na Chambaz v. Zwitserland’, in: G. Knigge e.a. (red.), Gehoord de Procureur-Generaal, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 121.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(62)</span>Zie met verdere verwijzingen Module Algemeen bestuursrecht, artikel 5:10a Awb, aant. 2.2.9 (H.E. Bröring, 07-03-2017). Zie ook de (door de Hoge Raad niet gevolgde) conclusie van AG Wattel voor HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640, NJ 2013/435 m.nt. J.W. Zwemmer.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(63)</span>PbEU 2016, L 65/1-11; het gaat met name om de volgende twee overwegingen: “27. Het recht om te zwijgen en het recht om zichzelf niet te belasten, impliceren dat de bevoegde autoriteiten verdachten of beklaagden niet tegen hun wil mogen dwingen informatie te verstrekken. Bij de beoordeling of sprake is van schending van het recht om te zwijgen of het recht om zichzelf niet te belasten moet rekening worden gehouden met de uitleg die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geeft aan het recht op een eerlijk proces uit hoofde van het EVRM. (…) 29.De uitoefening van het recht om zichzelf niet te belasten, mag de bevoegde instanties niet beletten bewijsmateriaal te vergaren dat rechtmatig van de verdachte of de beklaagde kan worden verkregen door gebruik van rechtmatige dwang en dat onafhankelijk van de wil van de verdachte of beklaagde bestaat, zoals materiaal dat als gevolg van een bevel wordt verkregen, materiaal waarvoor een wettelijke bewaarplicht bestaat alsmede een verplichting om het op verzoek af te staan, adem-, bloed- en urinemonsters en monsters van lichaamsweefsel voor DNA-tests.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(64)</span>N. Jörg, ‘Nemo tenetur na Chambaz v. Zwitserland’, in: G. Knigge e.a. (red.), Gehoord de Procureur-Generaal, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 123-125 en 127-128.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(65)</span>Wet van 17 november 2016, houdende implementatie van richtlijn nr. 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (PbEU L294); zie voor de inwerkingtreding per 1 maart 2017 Stb. 2017, 66.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(66)</span>Zie voor gissingen HR 20 december 1955, NJ 1956/202 m.nt. B.V.A. Röling.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(67)</span>Zie G.J.M. Corstens &amp; M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht (2014), p. 777 e.v..</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(68)</span>HR 11 februari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC1838, NJ 1986/592, rov. 6.1-6.2 (“6.1 De in het middel weergegeven zinsnede uit de getuigenverklaring van X is door de Rb. kennelijk verstaan - en kon ook worden verstaan - als behelzende een mededeling van X nopens de gedachten die bij hem en zijn mede-verbalisant Y zijn opgekomen naar aanleiding van hun eerder in de verklaring gerelateerde waarnemingen. 6.2 Aldus verstaan bevat de betrokken zinsnede niets wat niet vatbaar is voor eigen waarneming of ondervinding.”).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(69)</span>Zie bijvoorbeeld HR 11 januari 1985, NJ 1988/6 m.nt. Th.W. van Veen, rov. 6.1.1 (“Het hof heeft het door het middel gewraakte gedeelte van de verklaring van X kennelijk aldus verstaan - gelijk het heeft kunnen doen - dat deze daarmede tot uitdrukking bracht dat de man, die door de man met de ketting op een afstand werd gehouden, zich gedroeg als iemand die het slachtoffer te hulp wilde komen; zulks is vatbaar voor eigen waarneming of ondervinding.”).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(70)</span>HR 22 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4127, rov. 2.3 (“Het Hof heeft de woorden \"volgens mij\" in de hiervoor weergegeven verklaring kennelijk en niet onbegrijpelijk in die zin opgevat dat [getuige] daarmee tot uitdrukking bracht zich bewust te zijn van de feilbaarheid van zijn waarneming en van zijn geheugen. Het aldus opgevatte voorbehoud doet aan de toelaatbaarheid van de verklaring geen afbreuk. Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.”).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(71)</span>A.J. Blok en L.Ch. Besier, Het Nederlandsche strafproces, tweede deel, Haarlem: Tjeenk Willink 1925, p. 142/143 “Hierbij dient echter in het oog gehouden te worden, dat (…) in den grond iedere “waarneming”, wanneer zij zielkundig ontleed wordt, uit een reeks van waarnemingen blijkt te bestaan.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(72)</span>HR 1 november 1966, ECLI:NL:HR:1966:AB3436, NJ 1967/288; herhaald in HR 16 oktober 1973, ECLI:NL:HR:1973:AD7219, NJ 1974/176.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(73)</span>HR 3 januari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AB8233, NJ 1984/443, rov. 7.2 (“De laatste zinsnede van deze verklaring berust niet op eigen waarneming of ondervinding, doch levert een conclusie op. Zulks behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden, aangezien het Hof kennelijk heeft geoordeeld - gelijk het op grond van hetgeen G. eerder verklaarde ook heeft kunnen doen -, dat die conclusie terecht is getrokken; aldus kan zij worden vereenzelvigd met een door het Hof zelf gemaakte gevolgtrekking.”). Zie ook HR 24 februari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC9737, NJ 1987/1020, rov. 6.1, en HR 12 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1326, NJ 1999/247.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(74)</span>EHRM 27 november 2008 , ECLI:CE:ECHR:2008:1127JUD003639102, NJ 2009/214(Salduz tegen Turkije).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(75)</span>Richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming, PbEU 2013, L 294/1-12.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(76)</span>Wet van 17 november 2016, houdende implementatie van richtlijn nr. 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (PbEU L 294), Stb. 2016, 475, en de Wet van 17 november 2016, houdende wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met aanvulling van bepalingen over de verdachte, de raadsman en enkele dwangmiddelen, Stb. 2016, 476. Zie voor de inwerkingtreding van beide wetten per 1 maart 2017 Stb. 2017, 66.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(77)</span>Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 122.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(78)</span>Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 122.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(79)</span>Zie de noot van O.J.D.M.L. Jansen onder 1 bij ABRvS 19 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT8604, AB 2011/342.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(80)</span>Zie ABRvS 19 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT8604, AB 2011/342 m.nt. O.J.D.M.L. Jansen, waarin het voorschrift van artikel 18b, eerste lid, van de Wav aan de orde was.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(81)</span>HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7709, NJ 2010/409.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(82)</span>Zie het overzichtsarrest getuigen, HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. M.J. Borgers rov. 2.6. Vgl. ook HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2523, NJ 2016/480, rov. 2.3, waarin de Hoge Raad overwoog dat artikel 6, derde lid onder d, EVRM zich niet ertegen verzet dat bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de onderbouwing van verzoeken tot het horen van getuigen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(83)</span>C.L.G.F.H. Albers, ‘Bestraffend bestuur 2014’ in: C.L.G.F.H. Albers e.a., Boetes en andere bestraffende sancties: een nieuw perspectief?, VAR-reeks 152, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2014, p. 77.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(84)</span>Daarbij wordt in de vraag verwezen naar ABRvS 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:996.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(85)</span>M. Schreuder-Vlasblom, Rechtsbescherming en bestuurlijke voorprocedure, Deventer: Kluwer 2013, p. 721/722, met verdere verwijzingen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(86)</span>Zie ABRvS 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1401, AB 2012/144, m.nt. O.J.D.M.L. Jansen, rov. 2.3.2.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(87)</span>Aldus ook Jansen in zijn noot in AB 2012/144 onder 2: “In de kern gaat het er uiteraard om welke verklaring de rechter geloofwaardig acht, en meestal zijn verklaringen die direct na de ontdekking zijn afgelegd ten overstaan van een toezichthouder betrouwbaarder. Dit betekent vanzelfsprekend niet dat de rechter zich niet mag laten overtuigen door latere andersluidende verklaringen.” Overigens releveerde de Afdeling in rov. 2.3.2 uitdrukkelijk dat appellant “geen omstandigheden (heeft) aangevoerd op grond waarvan de eerdere verklaringen niet tot bewijs mogen dienen.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(88)</span>Volgens het besluit op bezwaar werd overigens niet van een mobiele telefoon, maar van een vaste verbinding gebruik gemaakt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(89)</span>Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 147.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(90)</span>R. Stijnen, Rechtsbescherming tegen bestraffing in het strafrecht en het bestuursrecht. Een rechtsvergelijking tussen het Nederlandse strafrecht en bestraffende bestuursrecht, mede in Europees perspectief (diss. Rotterdam), Deventer: Kluwer 2011, p. 631.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(91)</span>Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 127.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(92)</span>Y.E. Schuurmans, 18. Bestuursrecht en bewijs, JBSELECT 2014, p. 275.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(93)</span>Y.E. Schuurmans, 18. Bestuursrecht en bewijs, JBSELECT 2014, p. 274/275.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(94)</span>C.L.G.F.H. Albers, ‘Bestraffend bestuur 2014’ in: C.L.G.F.H. Albers e.a., Boetes en andere bestraffende sancties: een nieuw perspectief?, VAR-reeks 152, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2014, p. 77 en voetnoot 392.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(95)</span>Volgens C.L.G.F.H. Albers, ‘Bestraffend bestuur 2014’ in: C.L.G.F.H. Albers e.a., Boetes en andere bestraffende sancties: een nieuw perspectief?, VAR-reeks 152, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2014, p. 77, is dat niet geheel helder.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(96)</span>Module Algemeen bestuursrecht, artikel 8:72a Awb, aantekening 2.3.1.3 (J.J.M. van Lanen; 01-06-2016).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(97)</span>Zie de tot 2 november 1996 geldende versie van artikel 313, eerste lid, van het Sv, op grond waarvan de officier van justitie vóór zijn requisitoir in eerste aanleg toelating van eventueel door hem gewenste wijzigingen diende te vorderen. De bepaling is in dit opzicht gewijzigd bij de Wet van 14 september 1995, Stb. 1995, 441; zie voor de inwerkingtreding Stb. 1996, 522.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(98)</span>C.L.G.F.H. Albers, noot bij ABRvS 30 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:4034, JB 2016/30, onder 5.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(99)</span>Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 127/128.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(100)</span>Zie daarover Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 144: “Nu kan zich het geval voordoen dat een verlaging van een bestuurlijke boete in werking treedt nadat een boete is opgelegd, maar voordat op een beroep daartegen is beslist. De vraag rijst dan of de bestuursrechter de beschikking tot oplegging van een boete moet vernietigen omdat zij te hoog is. Naar ons oordeel is dat het geval. Het past bij de bijzondere rol van de bestuursrechter in geval hij boetebesluiten toetst dat hij rekening houdt met een dergelijke wijziging ten gunste van de overtreder.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(101)</span>Zie voor een toepassing in een boetezaak CRvB 14 januari 2010, AB 2010/201 m.nt. H.E. Bröring. Zoals ook Bröring in zijn noot signaleert, kan de bestuursrechter op grond van artikel 8:72a Awb (dat voorschrijft dat de bestuursrechter in geval van vernietiging van een boetebeschikking een beslissing neemt omtrent het opleggen van de boete en bepaalt dat zijn uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde beschikking) strikt genomen niet met een in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit volstaan. Ook naar het oordeel van de Afdeling en het College van Beroep voor het bedrijfsleven staat artikel 8:72a Awb echter niet aan een afdoening van een boetezaak overeenkomstig artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb in de weg; zie onder meer ABRvS 18 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ4956, AB 2011/313 m.nt. C.M. Saris (waarin de Afdeling een dergelijke afdoening door de rechtbank sauveerde) en CBb 28 januari 2010, ECLI:NL:CBB:2010:BL5674, AB 2010/125 m.nt. O.J.D.M.L. Jansen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(102)</span>Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, p. 145; Kamerstukken I 2007/08, 29 702, C, p. 44/45.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(103)</span>R. Stijnen, Rechtsbescherming tegen bestraffing in het strafrecht en het bestuursrecht. Een rechtsvergelijking tussen het Nederlandse strafrecht en bestraffende bestuursrecht, mede in Europees perspectief (diss. Rotterdam), Deventer: Kluwer 2011, p. 631.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(104)</span>Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 137.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(105)</span>Artikel 6:19 Awb spreekt in zijn eerste lid van “een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging” en in zijn zesde lid slechts van “intrekking of vervanging”, dus niet mede van “wijziging”. Kennelijk ligt daaraan de gedachte ten grondslag dat een besluit tot wijziging van het bestreden besluit niet de intrekking van dat besluit behelst; het bestreden besluit laat zich in die voorstelling van zaken moeilijk onderscheiden van het gewijzigde besluit, waarin het als het ware voortleeft.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(106)</span>Artikel 6:19 BW betreft situaties waarin het nieuwe besluit de intrekking van het bestreden besluit behelst; vgl. T&amp;C Awb (2015), artikel 6:19, aant. 8 (J.C.A. de Poorter).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(107)</span>Zie hierna onder 4.8.2.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(108)</span>Ook een nieuw besluit dat genomen wordt ter uitvoering van een opdracht in een tussenuitspraak een gebrek in een besluit te herstellen, wordt aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb; Kamerstukken II 2009/10, 32 450, nr. 3, p. 33.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(109)</span>C.L.G.F.H. Albers, noot bij ABRvS 30 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:4034, JB 2016/30, onder 6 en 7.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(110)</span>De term werd al gebruikt door B.J. van Ettekoven &amp; A.P. Klap. ‘De bestuurlijke lus als rechterlijke (k)lus’, JBplus 2010/4, p. 182-199, in het bijzonder p. 182 en 198. Op grond van de eerste ervaringen met de bestuurlijke lus concludeerden de beide auteurs dat voor het beeld van “bestuurtje helpen” weinig grond was: “Winst is dat de rechter veel meer dan voorheen uitschrijft waar de gebreken in het besluit zitten en langs welke weg het hersteltraject kan plaatsvinden, zonder dat dit leidt tot ‘bestuurtje helpen’ ten nadele van de betrokken burger(s). De suggestie dat de ‘bestuurlijke lus’ een instrument ten behoeve van het bestuur zou zijn, zoals besloten ligt in de benaming, is dan ook onjuist.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(111)</span>A. Boorsma, J. Bootsma &amp; A. Geleijnse, ‘Kroniek van het algemeen bestuursrecht’, NJB 2016/1813, onder 5.2.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(112)</span>R. Stijnen, a.w. nr. 6.2.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(113)</span>R. Stijnen, a.w. nr. 6.2.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(114)</span>HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7709, NJ 2010/409.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(115)</span>Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling-van Gent 4 2012/104.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(116)</span>Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling-van Gent 4 2012/162-170.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(117)</span>Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling-van Gent 4 2012/106.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(118)</span>Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling-van Gent 4 2012/107.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(119)</span>HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9648, BNB 2012/254 m.nt. P.J. van Amersfoort.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(120)</span>Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 152.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(121)</span>Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 152.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(122)</span>Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 152. Ook elders in de parlementaire geschiedenis van de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht is artikel 8:72a van de Awb wel genoemd als één van de instrumenten “om burgers binnen afzienbare termijn duidelijkheid te verschaffen over de vraag of een bestuurlijke boete is verschuldigd, en zo ja, welk bedrag precies moet worden betaald”; zie Kamerstukken I 2007/08, 29 702, C, p. 39.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(123)</span>Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 137.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(124)</span>Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 153.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(125)</span>Kamerstukken I 2007/08, 29 702, B, p. 16.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(126)</span>Kamerstukken I 2007/08, 29 702, C, p. 44/45.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(127)</span>Kamerstukken II 2007/08, 31 352, nr. 3, p. 10/11; zie in nagenoeg gelijke zin Kamerstukken II 2007/08, 31 352, nr. 6 (gewijzigde memorie van toelichting), p. 14/15, zij het dat daarin van de bestuursrechter in plaats van de rechtbank wordt gesproken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(128)</span>Kamerstukken I 2008/09, 31 352, B, p. 8.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(129)</span>Kamerstukken I 2008/09, 31 352, C, p. 6.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(130)</span>Handelingen I, 2 november 2009, EK 6 6-124.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(131)</span>Handelingen I 3 november 2009 EK 7 7-171.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(132)</span>Handelingen I 3 november 2009 EK 7 7-189.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(133)</span>Handelingen I 3 november 2009 EK 7 7-194.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(134)</span>Handelingen I 3 november 2009 EK 7 7-193.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(135)</span>C.L.G.F.H. Albers, ‘Bestraffend bestuur 2014’ in: C.L.G.F.H. Albers e.a., Boetes en andere bestraffende sancties: een nieuw perspectief?, VAR-reeks 152, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2014, p. 88, meent dat bij toepassing van de bestuurlijke lus op zijn minst frictie ontstaat met het “ne bis in idem”-beginsel, vooral als er een nieuw (reparatie)besluit wordt genomen dat in de plaats komt van het door de bestuursrechter bij tussenuitspraak (feitelijk) onrechtmatig geoordeelde besluit; T.N. Sanders, ‘Het CBb als wetgever: de bestuurlijke lus toegepast bij de bestuurlijke boete’, M&amp;M 2012, p. 133-138, in het bijzonder p. 137, die opmerkt dat bij toepassing van de bestuurlijke lus “het bestuursorgaan de mogelijkheid wordt gegeven om nogmaals te vervolgen”.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(136)</span>C.L.G.F.H. Albers, a.w. (2014), p. 89., en haar noot bij ABRvS 30 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:4034, JB 2016/30 onder 7.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(137)</span>C.L.G.F.H. Albers, a.w. (2014), p. 89, en haar noot bij ABRvS 30 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:4034, JB 2016/30 onder 7.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(138)</span>Zie H.E. Bröring en H.K. Naves, ‘Waarborgen bij bestraffende bestuurlijke sancties: onvoltooid bestuursrecht”, in T. Barkhuysen, W. den Ouden en J.E.M. Polak, Bestuursrecht harmoniseren: 15 jaar Awb, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2010, p. 449-467, in het bijzonder p. 465; H.E. Bröring in diens noot bij CRvB 14 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BK9293, AB 2010/201; J.P. Heinrich en R.W. Verldhuis,’Handhaving van bestuursrecht’, NTB 2010, 43, nr. 4.4.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(139)</span>In die zin reeds mevrouw Broekers-Knol in haar hiervóór onder 4.8.3 aangehaalde opmerkingen in de Eerste Kamer. V.A. Affourtit noemt het argument in zijn noot bij CBb 3 december 2014, ECLI:NL:CBB:2914:438, JOR 2015/39, maar voert daartegen aan dat toepassing van de bestuurlijke lus plaatsvindt wanneer de rechter een gebrek ziet dat, indien het niet wordt hersteld, tot vernietiging leidt en dat evident is dat een dergelijke situatie zich voordoet als het gebrek ziet op het door het bestuursorgaan geleverde bewijs van de overtreding.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(140)</span>Zie L.M. Koenraad in zijn noot onder 4 bij rb Almelo 29 oktober 2012, ECLI:NL:RBALM:2012:BY1625, AB 2012/394. Daarbij verdient het wel opmerking dat Koenraad, met het oog op het beginsel van ongelijkheidscompensatie, zich onder 7 op het standpunt stelt dat een tussenuitspraak minder voor de hand ligt als het bestuursorgaan uitdrukkelijk een extra kans krijgt om het (mede)plegen van de overtreding buiten redelijke twijfel te stellen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(141)</span>R. Stijnen, a.w., p. 311 en 381.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(142)</span>H.E. Bröring en H.K. Naves, a.w. (2010), p. 466.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(143)</span>R. Stijnen, a.w., p. 311 en 381.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(144)</span>R. Stijnen in zijn noot bij CRvB 3 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR4120, AB 2012/224.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(145)</span>Zie de wat verder uitgewerkte categorisering van toepassingsgevallen in Module Algemeen bestuursrecht, artikel 8:72a Awb, aantekening 2.3.1.3 (J.J.M. van Lanen; 01-06-2016).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(146)</span>Rechtbank Overijssel 10 november 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:5957. De rechtbank gaf ervan blijk zich bewust te zijn van de parlementaire geschiedenis, waaruit kan worden opgemaakt dat de wetgever de bestuurlijke lus niet aanvaardbaar acht in boetezaken. Niettemin oordeelde zij dat toepassing van de bestuurlijke lus (onder meer) denkbaar is, indien zij ertoe leidt dat niet langer redelijke twijfel bestaat over de voorgevallen feiten en omstandigheden en dat dit aansluit bij de strafrechtelijke praktijk. Volgens de rechtbank is uitgangspunt dan wel dat het - in beginsel - niet mag gaan om een geheel nieuwe bewijsrechtelijke grondslag. Vergelijkbaar is rechtbank Almelo 29 oktober 2012, ECLI:NL:RBALM:2012:BY1625, AB 2012/394, m.nt. L.M. Koenraad.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(147)</span>CRvB 18 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9147.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(148)</span>F.J.P.M. Haas, ‘Fiscale boeten’, in C.L.G.F.H. Albers e.a., Boetes en andere bestraffende sancties: een nieuw perspectief?, VAR-reeks 152, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2014, p. 231, voetnoot 84.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(149)</span>Module Algemeen bestuursrecht, artikel 8:72a Awb, aantekening 2.3.1.3 (J.J.M. van Lanen; 01-06-2016).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(150)</span>Zie L.M. Koenraad in zijn noot onder 4 bij rechtbank Almelo 29 oktober 2012, ECLI:NL:RBALM:2012:BY1625, AB 2012/394.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(151)</span>Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 137. Zie ook Module Algemeen bestuursrecht, artikel 8:72a Awb, aantekening 2.3.1.3 (J.J.M. van Lanen; 01 06 2016): “Dit artikel (artikel 8:72a Awb; LK) is in de Awb opgenomen in verband met het ‘ne bis in idem’-beginsel, zoals dat ook is neergelegd art. 5:43 Awb. Na vernietiging van een boetebesluit door de bestuursrechter kan een bestuursorgaan immers geen nieuwe boete opleggen.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(152)</span>Kamerstukken I 2007/08, 29 702, C, p. 44/45.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(153)</span>Kamerstukken I 2007/08, 29 702, B, p. 16.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(154)</span>ABRvS 30 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:4034, JB 2016/30 m.nt. C.L.G.F.H. Albers.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(155)</span>J.C.A. de Poorter, ‘Bestuursprocesrecht’, NTB 2015/20 onder 7.1.</div></div>", "next": 0}