{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">In het Deelrapport gebiedsbescherming (2017) staat over de roerdomp, woudaap en grote karekiet dat de bestaande broedlocaties in de Rijnstrangen buiten het invloedsgebied van het tracé liggen (p. 54). De provincie Gelderland heeft de Rijnstrangen en de Roswaard aangewezen als kerngebieden voor moerasvogels. Hier zullen de uitbreidingsdoelstellingen worden gerealiseerd. De betrokken locaties in beide gebieden vallen volgens het Deelrapport buiten het invloedsgebied van het tracé, zodat de uitbreidingsopgave niet wordt belemmerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Deelrapport gebiedsbescherming (2017) bevat vergelijkbare conclusies voor de porseleinhoen en kwartelkoning (p. 55).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Deelrapport gebiedsbescherming (2019) bevestigt deze bevindingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">57.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan Strijdbaar Angeren en anderen stellen, heeft de minister beoordeeld of het tracé een belemmering vormt voor de uitbreidingsopgave voor de door hen genoemde vogelsoorten. Het betoog mist feitelijke grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leefgebied kamsalamander 58. GNMF stelt dat de aanleg van het tracé leidt tot vernietiging van een voortplantingspoel van de kamsalamander in het Natura 2000-gebied \"Rijntakken\". Ook gaan poelen in de nabijheid buiten het gebied verloren. Dit leidt volgens GNMF tot verlies van een gedeelte van de populatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast stelt GNMF dat het tracé voor de kamsalamander een barrière zal vormen. De amifibietunnel die de minister in dit verband als mitigerende maatregel heeft voorzien, is waarschijnlijk te lang. GMNF wijst hiertoe op een recente wetenschappelijke publicatie waarin vraagtekens worden gezet bij de effectiviteit van tunnels van meer dan 15 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">58.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Natura 2000-gebied \"Rijntakken\" is aangewezen als speciale beschermingszone voor de kamsalamander. De instandhoudingsdoelstelling luidt:</p>\n<p class=\"lf-p\">58.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het Deelrapport gebiedsbescherming (2017) zijn in figuur 6.1 de ligging van het tracé, de begrenzing van het Natura 2000-gebied \"Rijntakken\" en enkele poelen van de kamsalamander weergegeven. Uit deze figuur volgt dat één poel van de kamsalamander binnen de begrenzing van het tracé ligt. Op detailkaart 8 van het tracébesluit is deze poel aangewezen als \"Maatregelvlak ecologische inpassing\". Gelet hierop stelt de Afdeling vast dat het tracébesluit niet tot de vernietiging van een poel van de kamsalamander binnen het Natura 2000-gebied \"Rijntakken\" leidt. In zoverre faalt het betoog.</p>\n<p class=\"lf-p\">58.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het Deelrapport gebiedsbescherming (2017) staat dat, gelet op de toelichting van de instandhoudingsdoelstelling, de verbindingen tussen populaties van belang zijn (p. 50). De nieuwe weg belemmert echter de uitwisseling tussen de poelen ten noorden van de Betuweroute. Om deze barrièrewerking te voorkomen is voorzien in een faunapassage en een amfibietunnel die de uitwisseling van dieren bij poelen ten noorden en ten zuiden van de weg mogelijk maken. Volgens het Deelrapport zijn dergelijke voorzieningen voor de kamsalamander bewezen effectief en zijn er daarom geen directe effecten van het project op de populatie kamsalamanders in het gebied \"Rijntakken\". Hierbij is verwezen naar een advies van Bureau Waardenburg en Stichting Ravon uit 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder staat in het Deelrapport dat ook geen indirecte effecten te verwachten zijn door het (gedeeltelijk) dempen van twee poelen buiten het Natura 2000-gebied. Er blijven namelijk genoeg poelen beschikbaar. Gezien het beperkte effect op voortplantingswateren buiten het Natura 2000-gebied (zowel qua areaal als qua aantallen kamsalamanders) en het feit dat er verbindingen blijven bestaan tussen de populaties, zal de meta-populatie blijven functioneren, aldus het Deelrapport.</p>\n<p class=\"lf-p\">58.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het door GNMF overgelegde rapport van EcoNatura staat dat onzeker is of de voornoemde mitigerende maatregelen wel effectief zijn. Hiertoe wordt verwezen naar een publicatie van Matos et al uit 2017. Volgens GNMF moet op basis hiervan betwijfeld worden of kamsalamanders gebruikmaken van amfibietunnels van meer dan 15 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">58.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het verhandelde ter zitting gaat de Afdeling ervan uit dat de faunapassage en de amfibietunnel waarin het tracébesluit voorziet ongeveer 47 m lang zijn. De minister heeft ter onderbouwing van de effectiviteit van deze maatregelen verwezen naar een advies van Bureau Waardenburg en Stichting Ravon. Dit advies is echter niet als bijlage gevoegd bij het Deelrapport gebiedsbescherming (2017) en evenmin in deze procedure overgelegd. Gelet op het door GNMF overgelegde deskundigenrapport is de Afdeling van oordeel dat de door de minister verwachte voordelen van de maatregelen onvoldoende vast staan. Dit laatste is een vereiste dat voortvloeit uit de rechtspraak van het Hof van Justitie (zie rechtsoverweging 18, met name uitgangspunt 9, van de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603; hierna: de PAS-uitspraak).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog slaagt. Hierna onder 233 en 234 wordt toegelicht wat hiervan het gevolg is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deelrapport gebiedsbescherming (2017) onvolledig?</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">59.</span>Strijdbaar Angeren en anderen betogen dat het Deelrapport gebiedsbescherming (2017) op meerdere punten onvolledig is. Zo zijn niet alle mogelijke effecten van het tracé beschreven. Als voorbeeld noemen zij sterfte door aanrijdingen van dieren, die reëel zijn voor een snelweg met barrièrewerking in een Natura 2000-gebied. Ook is volgens hen het thema verandering van populatiedynamiek niet beoordeeld.</div>\n<p class=\"lf-p\">Verder stellen zij dat ten onrechte niet aan de algemene instandhoudingsdoelstellingen is getoetst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast is onvoldoende onderbouwd hoe het tracébesluit zich verhoudt tot het ontwerp van het beheerplan, aldus Strijdbaar Angeren en anderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook ontbreekt volgens hen een toets aan provinciale verordeningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">59.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Afdeling ziet in hetgeen Strijdbaar Angeren en anderen naar voren hebben gebracht onvoldoende grond voor het oordeel dat in het Deelrapport gebiedsbescherming (2017) niet alle relevante effecten van het tracé voor Natura 2000-gebieden zijn beoordeeld. Anders dan Strijdbaar Angeren en anderen kennelijk menen is de barrièrewerking van het tracé besproken in paragraaf 6.2 van dat rapport.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft het thema ‘verandering van populatiedynamiek’ wijst de Afdeling erop dat de strekking van het Deelrapport gebiedsbescherming (2017) is dat geen significante effecten te verwachten zijn op de habitats van soorten in het Natura 2000-gebied \"Rijntakken\". Tegen deze conclusie hebben Strijdbaar Angeren en anderen hebben geen concrete bezwaren naar voren gebracht, zodat niet kan worden aanvaard dat het thema ‘verandering van populatiedynamiek’ ten onrechte niet is beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder hebben Strijdbaar Angeren en anderen niet onderbouwd waarom de algemene instandhoudingsdoelstellingen in dit geval voor het maken van de passende beoordeling een toegevoegde waarde hebben ten opzichte van de specifieke instandhoudingsdoelstellingen die voor de natuurlijke habitats en de habitats van soorten zijn gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het Deelrapport gebiedsbescherming (2017) rekening houdt met het ontwerp-beheerplan van het gebied \"Rijntakken\" volgt uit paragraaf 4.1. Hierin staat onder meer dat in het beheerplan kerngebieden zullen worden aangewezen waarbinnen behoud en uitbreiding van bepaalde habitats wordt nagestreefd. Uit de effectbepaling in hoofdstuk 6 van het Deelrapport blijkt dat hiermee ook daadwerkelijk rekening is gehouden. Strijdbaar Angeren en anderen hebben ook hiertegen onvoldoende concrete bezwaren naar voren gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover Strijdbaar Angeren en anderen stellen dat het Deelrapport gebiedsbescherming (2017) een toets aan provinciale verordeningen had moeten bevatten, wijst de Afdeling erop dat die toets buiten de doelstelling van dat rapport ligt. Het Deelrapport gebiedsbescherming (2017) strekt ertoe te onderbouwen dat het tracébesluit voldoet aan de normen over gebiedsbescherming in de Tracéwet en de Wnb.</p>\n<p class=\"lf-p\">59.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetgeen Strijdbaar Angeren en anderen naar voren hebben gebracht, biedt gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat het Deelrapport gebiedsbescherming (2017) gebrekkig is. Daarom faalt het betoog.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verontreiniging door afstromend hemelwater 60. Stichting Milieuvrienden Duiven stelt dat verontreinigd hemelwater vanaf het tracé Natura 2000-gebieden in kan stromen. Afspraken met het waterschap hierover blijven volgens haar onzeker.</p>\n<p class=\"lf-p\">60.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het Deelrapport waterplan staat in paragraaf 4.2.2 dat ervoor is gekozen om het water van de brug binnendijks op te vangen en te infiltreren in de bodem: \"Het afstromend brugwater wordt dus met een leiding afgevoerd naar de landhoofden en komt daar uit in een droogvallende voorziening. Het water kan daar infiltreren waarbij de bodempassage zuiverend werkt. Bij grote hoeveelheden afstromend brugwater in een kort tijdsbestek, kan sprake zijn van een overloop vanuit de waterberging naar het oppervlaktewater. De vertraging van de lozing via de berging is voldoende om het vuil te laten bezinken. Vanuit waterkwantiteit betekent dit wel dat het stroomgebied van het binnendijks watersysteem hierdoor iets groter wordt, omdat het water dat op de brug valt in de huidige situatie buitendijks terecht komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat water idealiter wordt opgevangen binnen het systeem waarin het valt, wordt met de waterschappen nog nader afgestemd over de uitwerking van de afwatering van de brug. Hierbij zal verder verkend worden of er een realistische oplossingsrichting bestaat, binnen de kaders van het Blbi, om buitendijks te lozen in geval van extreme situaties.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">In het Deelrapport gebiedsbescherming (2017) is in paragraaf 5.6 ingegaan op mogelijke verontreiniging van het gebied \"Rijntakken\". Onder verwijzing naar het Deelrapport waterplan staat hier dat de brug wordt voorzien van riolering en dat mogelijk vervuild water het gebied daarom niet zal bereiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">60.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover Stichting Milieuvrienden Duiven afspraken met het waterschap onzeker noemt, doelt zij kennelijk op de hiervoor aangehaalde passage uit het Deelrapport waterplan. De afstemming met het waterschap waaraan dit rapport refereert, gaat echter niet over mogelijke verontreiniging. In de alinea daarvoor staat immers dat de vertraging van de lozing via de berging voldoende is om het vuil te laten bezinken. Stichting Milieuvrienden Duiven hebben hier geen concrete bezwaren tegen aangevoerd. Daarom ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de minister niet ervan mocht uitgaan dat er geen verontreiniging van het gebied \"Rijntakken\" zal optreden door afstromend water vanaf de brug.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daling grondwaterstand 61. Stichting Milieuvrienden Duiven stelt dat het tracé leidt tot een daling van de grondwaterstand waardoor negatieve gevolgen ontstaan voor de waaien in Natura 2000-gebieden. Volgens haar is daarom na de aanleg van het tracé langjarige monitoring nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">61.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 5.5 van het Deelrapport gebiedsbescherming (2017) gaat over verdroging (p. 23). Dit effect is alleen aan de orde bij het gebied \"Rijntakken\", andere gebieden liggen te ver weg. Op basis van het \"Geohydrologisch onderzoek\" (bijlage 12 van het tracébesluit) wordt geconcludeerd dat alleen tijdens de aanleg van de (half)verdiepte ligging bij Groessen beïnvloeding van de grondwaterstand zou kunnen optreden. Het is mogelijk om dit te voorkomen door bij de uitvoering randvoorwaarden mee te geven. Daarom wordt in het Deelrapport geconcludeerd dat negatieve effecten door verdroging van het Natura 2000-gebied \"Rijntakken\" op voorhand kunnen worden uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 4 van het tracébesluit, getiteld \"Tijdelijke maatregelen en voorzieningen\" is in het zevende lid bepaald dat de (half)verdiepte ligging met beperkte beïnvloeding van de grondwaterstand moet worden uitgevoerd om omgevingsschade te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">61.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stichting Milieuvrienden Duiven heeft geen concrete bezwaren aangevoerd tegen de hiervoor weergegeven beoordeling. Zij heeft slechts gesteld dat langjarige monitoring nodig is, maar die stelling vindt geen steun in het Deelrapport gebiedsbescherming (2017). Daarom kan het betoog niet slagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stikstofdepositie: het tracébesluit en het PAS 62. Zoals hiervoor onder 34 is beschreven, berust het tracébesluit mede op het PAS. GNMF en Strijdbaar Angeren en anderen voeren aan dat het PAS niet voldoet aan de Habitatrichtlijn en daarom niet aan het tracébesluit ten grondslag gelegd had mogen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">62.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof van Justitie heeft de in de zaken over vergunningen voor veehouderijen gestelde vragen over het PAS beantwoord bij arrest van 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:882. De Afdeling heeft in die zaken vervolgens op 29 mei 2019 uitspraak gedaan (ECLI:NL:RVS:2019:1603). In die uitspraak heeft de Afdeling vastgesteld dat met de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden die in het PAS zijn opgenomen niet zullen worden aangetast. Over wat dit betekent voor besluiten zoals het tracébesluit dat nu ter beoordeling staat is overwogen: \"32.6. Kort gezegd houdt het voorgaande in dat een vergunning voor een activiteit die stikstofdepositie veroorzaakt op een Natura 2000-gebied dat in het PAS is opgenomen, niet kon worden verleend onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt. Dat geldt zowel als de aangevraagde situatie op basis van de in de Regeling [programmatische aanpak stikstof] voorgeschreven wijze niet tot toename van depositie leidt ten opzichte van de hoogste feitelijk veroorzaakte depositie in de periode 2012-2014 of een verleende Nbw-vergunning, als in de gevallen waarin wel sprake is van een toename. Verder is niet relevant of de aanvraag betrekking heeft op een prioritair project (segment 1) of een overig project (segment 2). Het voorgaande geldt verder voor alle besluiten die genoemd zijn in artikel 19km van de Nbw 1998, waaronder het tracébesluit of het wegaanpassingsbesluit. (…) 34. Op 1 januari 2017 is de Nbw 1998 ingetrokken en de Wnb in werking getreden. Op grond van artikel 9.3, derde lid, van de Wnb geldt het PAS als programma als bedoeld in artikel 1.13, eerste lid, van de Wnb. De in 31.1 vastgestelde onverbindendheid van bijlage 2 van het PAS werkt door in het PAS dat op grond van de Wnb van kracht is.</p>\n<p class=\"lf-p\">34.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het PAS-beoordelingskader is overgenomen in de Wnb, het Besluit natuurbescherming (hierna: Bnb) en de Regeling natuurbescherming (hierna: Rnb). In artikel 2.7 van het Bnb zijn de toestemmingsbesluiten opgesomd waarvoor het PAS-beoordelingskader geldt. De artikelen 2.1 en 2.4 van de Rnb bevatten de bepalingen over de wijze waarop de omvang en de toename van stikstofdepositie door activiteiten die depositie veroorzaken op Natura 2000-gebieden die in het PAS zijn opgenomen wordt vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">34.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in 32-32.7 overwogene geldt onverkort voor toestemmingsbesluiten die op grond van de Wnb zijn verleend. Dat houdt kort gezegd in dat een Wnb-vergunning voor een activiteit die stikstofdepositie veroorzaakt op een Natura 2000-gebied dat in het PAS is opgenomen, niet kon worden verleend onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt. Dat geldt zowel als de aangevraagde situatie op basis van de in de Rnb voorgeschreven wijze niet tot toename van depositie leidt, als in de gevallen waarin wel sprake is van een toename. Verder is niet relevant of de aanvraag betrekking heeft op een prioritair project (segment 1) of een overig project (segment 2). Het voorgaande geldt verder voor alle besluiten die genoemd zijn in artikel 2.7 van het Bnb, waaronder het tracébesluit of het wegaanpassingsbesluit.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">62.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op deze overwegingen is de Afdeling van oordeel dat het tracébesluit niet kon worden vastgesteld onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt. Het tracébesluit is daarom in strijd met artikel 13, achtste en negende lid, (oud) van de Tracéwet, gelezen in samenhang met artikel 2.9, eerste lid, (oud) van de Wnb. Het betoog van GNMF en Strijdbaar Angeren en anderen slaagt. Hierna onder 233 en 234 licht de Afdeling toe wat dit betekent.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stikstofdepositie: het wijzigingsbesluit en de ADC-toets Ingetrokken beroepsgrond 63. Ter zitting hebben Strijdbaar Angeren en anderen de beroepsgrond over het PAS als exclusief kader ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inleiding: aanpak beoordeling stikstofdepositie 64. In het Deelrapport gebiedsbescherming (2019) zijn de mogelijke gevolgen van het tracé voor Natura 2000-gebieden door een toename van de stikstofdepositie als volgt beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerst is met behulp van het verkeersmodel berekend op welke wegvakken er als gevolg van het tracé in 2030 (het jaar waarin het meeste verkeer wordt verwacht) een toename optreedt van ten minste 500 motorvoertuigen per etmaal per rijrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens is beoordeeld of binnen 3 km vanaf deze wegvakken zich Natura 2000-gebieden bevinden met stikstofgevoelige habitats (afstandsgrens).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor elk van deze gebieden is met AERIUS Calculator versie 2016L berekend of er in 2024 en 2030 een toename in de stikstofdepositie op daarvoor gevoelige habitats zal ontstaan. In de berekening van het projecteffect zijn alle wegen binnen 5 km van het gebied betrokken (rekengrens).</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarna is beoordeeld wat de ecologische effecten zijn van de hoogste berekende toenamen in stikstofdepositie (in 2024 of 2030) op daarvoor gevoelige habitats. Daarbij zijn onder meer betrokken: de toestand van het gebied en het beheer daarvan, de staat van instandhouding van de relevante habitats, de achtergronddepositie en de kritische depositiewaarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover mogelijke significante negatieve gevolgen niet zijn uit te sluiten, is onderzocht of er mitigerende maatregelen kunnen worden getroffen waarmee deze gevolgen kunnen worden voorkomen of verminderd. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat negatieve gevolgen voor het gebied \"Veluwe\" kunnen worden voorkomen door het instellen van een snelheidsbeperking op de A50. Die snelheidsbeperking zal volgens het verkeersmodel namelijk tot gevolg hebben dat er niet meer verkeer over die weg zal komen te rijden na de aanleg van het tracé.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het onderzoek zijn er geen mitigerende maatregelen mogelijk om te voorkomen dat significante gevolgen kunnen ontstaan op twee habitattypen in het gebied \"Rijntakken\". Om deze reden is beoordeeld welke compenserende maatregelen zouden moeten worden getroffen om het tracébesluit te kunnen vaststellen met toepassing van de zogenoemde ADC-toets in artikel 2.8, vierde lid, van de Wnb.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de toelichting van het wijzigingsbesluit is beschreven waarom er volgens de minister geen alternatieven voor het tracé zijn en welke dwingende redenen van groot openbaar belang volgens hem nopen tot de aanleg het tracé. In het wijzigingsbesluit is bepaald welke compenserende maatregelen getroffen moeten worden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">65.</span>De beroepsgronden over stikstofdepositie worden hierna gekoppeld aan de aspecten die in het Deelrapport gebiedsbescherming (2019) zijn besproken en zoveel mogelijk in dezelfde volgorde besproken.</div>\n<p class=\"lf-p\">Aanlegfase buiten beschouwing 66. Strijdbaar Angeren en anderen voeren aan dat in het Deelrapport gebiedsbescherming (2019) ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de stikstofdepositie in de aanlegfase van het tracé. Dat de stikstofdepositie in de gebruiksfase groter is, is volgens hen geen reden om de aanlegfase buiten beschouwing te laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">66.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals hiervoor onder 64 is beschreven, gaat het Deelrapport gebiedsbescherming (2019) ervan uit dat in 2030 de hoogste verkeersintensiteiten ontstaan. Er is berekend wat de toenamen in stikstofdepositie op daarvoor gevoelige habitats in dat jaar en in het jaar 2024 zullen zijn, uitgedrukt in mol per hectare per jaar. Vervolgens is beoordeeld of de hoogste berekende jaarlijkse toename een significant negatief gevolg heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister heeft toegelicht dat de toename van de stikstofdepositie in de gebruiksfase altijd hoger zal zijn dan in de aanlegfase. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de minister hier zonder meer van uit mogen gaan. Ter illustratie hiervan dient het volgende voorbeeld. Volgens de verkeersprognoses die voor het wijzigingsbesluit zijn gemaakt, zullen in 2030 per etmaal 32.000 motorvoertuigen over de verlengde A15 rijden, die met een brug over het Pannerdensch Kanaal het Natura 2000-gebied \"Rijntakken\" kruist. Strijdbaar Angeren en anderen hebben er op zich terecht op gewezen dat voor de bouw van deze brug werkverkeer in en nabij het Natura 2000-gebied zal gaan rijden als gevolg waarvan er een toename van de stikstofdepositie op het gebied kan ontstaan. Het kan echter zonder meer worden uitgesloten dat dit werkverkeer over een jaar gezien meer stikstof uitstoot dan het gewone wegverkeer na openstelling van de weg, aangezien dat in 2030 in één etmaal immers al bestaat uit 32.000 motorvoertuigen. De minister is in zoverre dan ook uitgegaan van het worstcasescenario.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">500 motorvoertuigen/rijrichting/etmaal 67. GNMF heeft gesteld dat de minister bij de selectie van de te onderzoeken gebieden ten onrechte is uitgegaan van een vaste afstand vanaf alleen de wegvakken waar het verkeersmodel een toename van 500 motorvoertuigen of meer per rijrichting heeft berekend. Volgens GNMF leidt elke drempel tot onnauwkeurigheid en moet de minister elke toename van verkeer doorrekenen. Voor zover het verkeersmodel dat niet mogelijk zou maken, moet de minister maar rekenen met de maximale capaciteit van de weg, aldus GNMF ter zitting.</p>\n<p class=\"lf-p\">67.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten tijde van het vaststellen van het wijzigingsbesluit was in artikel 2.2 van de Regeling natuurbescherming bepaald dat alleen stikstofberekeningen hoeven te worden gemaakt voor gebieden in de nabijheid van wegvakken waarvoor per etmaal een toename van ten minste 1.000 motorvoertuigen per rijrichting wordt verwacht. De passende beoordeling gaat uit van 500 motorvoertuigen. Ter zitting heeft de minister toegelicht dat dit een \"worst case\"-benadering is. Volgens de minister is 500 motorvoertuigen per rijrichting het laagste getal waarover met het verkeersmodel NRM nog betrouwbare uitspraken kunnen worden gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">67.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling dat verkeersmodellen noodzakelijkerwijs uit de aard van de zaak altijd een abstractie van de te verwachten werkelijkheid weergeven en dat de validiteit van een model, zoals het NRM, pas wordt aangetast wanneer de uitkomsten te zeer afwijken van de redelijkerwijs te verwachten werkelijkheid. In dit licht bezien acht de Afdeling het aanvaardbaar dat het NRM wordt gebruikt ook al worden daarmee alleen verkeerseffecten groter dan 500 motorvoertuigen per rijrichting per etmaal voorspeld. Voor zover GNMF vindt dat met de maximale capaciteit van de weg gerekend had moeten worden, overweegt de Afdeling dat dit niet de redelijkerwijs te verwachten werkelijkheid zal zijn. Om deze redenen faalt het betoog.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 km-grens (afstandsgrens) 68. GNMF en Strijdbaar Angeren en anderen betogen dat de minister niet alle relevante Natura 2000-gebieden in de passende beoordeling heeft betrokken. Zij wijzen met name op de keuze van de minister om alleen voor gebieden binnen 3 km van bepaalde wegvakken een stikstofberekening te maken. GNMF stelt dat hiermee ten onrechte toepassing is gegeven aan de afstandsgrens die was gesteld in artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2 (oud) van het Besluit natuurbescherming. Deze bepaling is door de Afdeling immers onverbindend verklaard in de PAS-uitspraak. GNMF wijst erop dat AERIUS Calculator vanaf versie 2019 ook niet meer met de 3 km-grens rekent.</p>\n<p class=\"lf-p\">68.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister heeft het \"Deelrapport ecologie - Addendum\" van 2 juni 2020 overgelegd. Daarin zijn met AERIUS Calculator versie 2019 nieuwe stikstofberekeningen gemaakt, zonder de 3 km-grens. Doordat de 3 km-grens niet is toegepast, moest voor één nieuw gebied, Korenburgerveen, een stikstofberekening worden gemaakt. De nieuwe berekeningen leiden volgens de minister niet tot andere conclusies dan al in het Deelrapport gebiedsbescherming (2017) zijn getrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">68.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de PAS-uitspraak is artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2 (oud) van het Besluit natuurbescherming onverbindend verklaard (onder 34.4 en 34.5). De daarin opgenomen afstandsgrenzen waren namelijk gebaseerd op de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt. Uit die passende beoordeling kan echter niet de zekerheid worden verkregen dat de natuurlijke kenmerken van de betrokken gebieden niet zullen worden aangetast (zie tevens hiervoor onder 62 tot en met 62.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">68.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het addendum van 2 juni 2020 staat op p. 2 dat in het Deelrapport gebiedsbescherming (2019) op basis van artikel 2.12, eerste lid, (oud) van het Besluit natuurbescherming is uitgegaan van de 3 km-afstandsgrens. Dit betekent dat de minister uit het Deelrapport gebiedsbescherming (2019) niet de zekerheid kan hebben verkregen dat het tracé de natuurlijke kenmerken niet zal aantasten van gebieden die zijn gelegen op een afstand van meer dan 3 km van beïnvloede wegvakken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog slaagt in zoverre. Voordat aan de orde kan komen of met het addendum dit gebrek is hersteld, moeten eerst de overige beroepsgronden worden besproken. Hierna onder 233 en 234 komt aan de orde wat het gevolg is van het geconstateerde gebrek.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 km-grens (rekengrens) 69. GNMF betoogt dat de minister ten onrechte alleen de stikstofdeposities heeft berekend van het wegverkeer dat rijdt binnen 5 km van (rekenpunten in) Natura 2000-gebieden. Deze beperking is volgens haar het gevolg van de keuze om in AERIUS Calculator de stikstofdepositie van wegverkeer te berekenen met behulp van de Standaardrekenmethode 2 (hierna: SRM2). Voor overige bronnen wordt OPS gebruikt; daarmee wordt ook gekeken naar deposities buiten 5 km van (rekenpunten in) Natura 2000-gebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter zitting heeft GNMF toegelicht dat SRM2 is bedoeld voor het berekenen van lokale concentraties van stoffen in de lucht. Daarvoor is de beperking tot 5 km van de weg geen probleem. Dit is volgens GNMF echter anders voor het berekenen van de depositie van stikstof die door wegverkeer wordt uitgestoten. Die depositie vindt namelijk voor het grootste deel, volgens GNMF voor 80 procent, plaats op grotere afstanden van de weg. Dit betekent volgens GNMF dat het Deelrapport gebiedsbescherming (2019) ten onrechte niets zegt over een groot deel van de stikstofdepositie die het gevolg is van het tracé.</p>\n<p class=\"lf-p\">GNMF heeft in dit verband ook gewezen op het eindrapport van het Adviescollege Meten en Berekenen Stikstof (hierna: het rapport van het Adviescollege) van 15 juni 2020, dat volgens haar dezelfde kritiek uit op het gebruik van SRM2 voor het berekenen van stikstofdeposities van wegverkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">69.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister heeft ter zitting gesteld dat de implementatie van SRM2 in AERIUS Calculator een maximale rekenafstand heeft van 5 km, omdat eventuele berekende bijdragen van wegverkeer op grotere afstanden niet meer betekenisvol te herleiden zijn tot een individueel project zoals het onderhavige tracé.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister heeft ter zitting verder toegelicht dat hij het niet eens is met het rapport van het Adviescollege dat voor wegverkeer met hetzelfde model zou moeten worden gerekend als voor andere bronnen (OPS). Dat zou namelijk een aanzienlijk minder nauwkeurige berekening opleveren. OPS is volgens de minister ontwikkeld voor het beschrijven van de verspreiding van emissies vanuit een stationaire bron met een verticale uitstoot zoals een schoorsteen. SRM2 is ontwikkeld voor een bewegende bron met een horizontale uitstoot van emissies. De minister stelt dat SRM2 daarmee geschikter is voor berekeningen voor wegen. OPS houdt volgens hem bovendien geen rekening met bijvoorbeeld de hoogte van een weg, een verdiepte ligging en de aanwezigheid van afschermende constructies (zoals geluidschermen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder heeft de minister ter zitting erop gewezen dat volgens het Adviescollege de mate van detail van de huidige stikstofberekeningen (tot 0,005 mol stikstof per hectare per jaar) tot schijnzekerheid leidt. Ook in dit licht bezien is het volgens de minister niet verantwoord om voor wegen met OPS te rekenen op een afstand van meer dan 5 km.</p>\n<p class=\"lf-p\">69.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt aan welke voorwaarden een natuuronderzoek moet voldoen om te kunnen worden aangemerkt als \"passende beoordeling\" als bedoeld in artikel 2.8 van de Wnb. Dit artikel implementeert artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn in het Nederlandse recht. In bijvoorbeeld het arrest van 15 mei 2014, Briels, ECLI:EU:C:2014:330, punt 27, overweegt het Hof: \"Een overeenkomstig artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn uitgevoerde beoordeling mag dus geen leemten vertonen en moet volledige, precieze en definitieve constateringen en conclusies bevatten die elke redelijke wetenschappelijke twijfel over de gevolgen van de geplande werkzaamheden voor het betrokken beschermde gebied kunnen wegnemen (zie in die zin arrest Sweetman e.a., EU:C:2013:220, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).\"</p>\n<p class=\"lf-p\">In hetzelfde arrest benadrukt het Hof dat ook als - zoals in de zaak die nu ter beoordeling staat - de zogenoemde ADC-toets van artikel 6, lid 4, wordt toegepast het essentieel is dat de passende beoordeling de gevolgen van het project voor het betrokken gebied nauwkeurig vaststelt (punt 36): \"De kennis van die gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen voor het betrokken gebied is voor de toepassing van artikel 6, lid 4, namelijk absoluut noodzakelijk, aangezien anders niet kan worden getoetst of aan de voorwaarden voor de toepassing van deze uitzonderingsregel is voldaan. Het onderzoek van eventuele dwingende redenen van groot openbaar belang en dat van het bestaan van minder schadelijke alternatieven vereisen immers dat deze belangen worden afgewogen tegen de aantasting van het gebied door het onderzochte plan of project. Om te kunnen bepalen welke compenserende maatregelen eventueel moeten worden genomen, moet bovendien nauwkeurig worden vastgesteld om welke aantastingen het precies gaat (arrest Commissie/Spanje, C‑404/09, EU:C:2011:768, punt 109).\"</p>\n<p class=\"lf-p\">69.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruiken van een hulpmiddel als AERIUS Calculator voor het maken van de passende beoordeling als bedoeld in artikel 2.8 van de Wnb is dus alleen toegestaan als daarmee volledige, precieze en definitieve constateringen en conclusies kunnen worden verkregen die elke redelijke wetenschappelijke twijfel over de gevolgen van de geplande werkzaamheden voor de betrokken Natura 2000-gebieden kunnen wegnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">69.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van de Afdeling heeft de minister niet toereikend gemotiveerd dat in dit geval aan deze voorwaarden is voldaan. Het is met name nog onduidelijk of de beoordeling van de stikstofdepositie die als gevolg van het tracé kan ontstaan volledig is geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tracé zelf en de wegen waarop als gevolg van het tracé een toename van verkeer te verwachten valt, liggen immers slechts ten dele binnen 5 km van (rekenpunten in) de Natura 2000-gebieden die in het Deelrapport gebiedsbescherming (2019) zijn betrokken. Voor zover het verkeer op grotere afstand rijdt, is de stikstofdepositie die daarvan het gevolg is niet berekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is onduidelijk in hoeverre het tracé leidt tot stikstofdepositie op (rekenpunten in) Natura 2000-gebieden op meer dan 5 kilometer afstand van wegvakken waarvoor het verkeersmodel een toename in verkeer voorspelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">69.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bezwaren worden niet weggenomen door de stelling van de minister dat eventuele berekende bijdragen van wegverkeer op grotere afstanden dan 5 km niet meer betekenisvol te herleiden zijn tot een individueel project. Het is de Afdeling namelijk niet duidelijk wat precies onder \"betekenisvol herleiden\" moet worden verstaan en hoe is vastgesteld dat daarvan bij grotere afstanden dan 5 km geen sprake meer van kan zijn. Wat dit laatste betreft, is in het bijzonder onduidelijk waarom het kennelijk wel mogelijk is om met AERIUS Calculator voor andere bronnen dan wegverkeer de stikstofdeposities \"betekenisvol te herleiden\" op grotere afstanden dan 5 km.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetgeen de minister ter zitting voor het overige naar voren heeft gebracht komt erop neer dat het streven naar volledigheid van de stikstofberekeningen ten koste zal gaan van de precisie. De Afdeling acht niet aannemelijk gemaakt dat deze keuze moet worden gemaakt. En als het niet uitgesloten is dat om technisch-wetenschappelijke redenen tussen deze twee doelen een balans moet worden gevonden, acht zij de gemaakte afweging onvoldoende inzichtelijk. De minister heeft weliswaar gewezen op enkele voordelen die SRM2 volgens hem biedt voor het berekenen van deposities van wegverkeer, maar het is onduidelijk waarom die zwaarder moeten wegen dan het nadeel dat een gedeelte van de depositie helemaal niet berekend wordt. Een cijfermatige onderbouwing van de voor- en nadelen ontbreekt. Bovendien heeft de minister in deze procedure onvoldoende duidelijk gemaakt hoe, als inderdaad moet worden aangenomen dat een gedeelte van de stikstofdepositie bezwaarlijk in de passende beoordeling van een individueel project wordt betrokken, kan worden uitgesloten dat dat gedeelte van de stikstofdepositie, eventueel in samenhang met de stikstofdepositie van andere projecten en activiteiten, toch leidt tot of bijdraagt aan een aantasting van stikstofgevoelige habitats en, als dat niet kan, hoe is verzekerd dat dan passende maatregelen getroffen zullen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">69.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog slaagt. Hierna onder 233 en 234 wordt toegelicht wat dit betekent. In het belang van de definitieve beslechting van het geschil worden hierna nog zoveel mogelijk overige beroepsgronden over het Deelrapport gebiedsbescherming (2019) besproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Snelheidsverlaging A50 als mitigerende maatregel Ingetrokken beroepsgronden 70. Ter zitting hebben Strijdbaar Angeren en anderen de beroepsgrond over de karakterisering van de snelheidsverlaging als mitigerende of compenserende maatregel ingetrokken. Stichting Milieuvrienden Duiven heeft ter zitting de beroepsgrond over de rijrichtingen ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inleiding 71. Bij de voorbereiding van het wijzigingsbesluit heeft de minister vastgesteld dat de aanleg van het tracé volgens het verkeersmodel zal leiden tot een verkeerstoename op de A50. Deze snelweg loopt langs het Natura 2000-gebied \"Veluwe\". Volgens het Deelrapport gebiedsbescherming (2019) zou een toename van het verkeer op deze weg leiden tot meer stikstofdepositie op daarvoor gevoelige habitats en zijn significante gevolgen in zoverre niet uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de minister laat het verkeersmodel zien dat de verkeerstoename op de A50, en daarmee de toename van stikstofdepositie op de \"Veluwe\", kan worden voorkomen door tussen knooppunten Waterberg en Beekbergen tussen 6:00 uur en 23:00 uur de maximale snelheid te verlagen naar 100 km/u. De minister heeft daarom in artikel 7 van het wijzigingsbesluit bepaald dat deze snelheidsverlaging wordt toegevoegd aan de maatregelen voor natuurbescherming in artikel 10 van het tracébesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Instandhoudings- of passende maatregel?</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">72.</span>GNMF betoogt dat de snelheidsverlaging een maatregel is die vanwege de overbelasting van het Natura 2000-gebied \"Veluwe\" al had moeten worden genomen als instandhoudings- of passende maatregel als bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Om deze reden mag de snelheidsverlaging volgens haar niet als mitigerende maatregel in de passende beoordeling worden betrokken.</div>\n<p class=\"lf-p\">72.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister stelt zich op het standpunt dat de snelheidsverlaging ertoe strekt te voorkomen dat het tracé negatieve gevolgen heeft voor het gebied \"Veluwe\" en daarom een mitigerende maatregel is. Ter zitting heeft de minister hieraan toegevoegd dat de snelheidsverlaging niet al noodzakelijk was. De maatregel is niet voorzien in het beheerplan voor het gebied \"Veluwe\" of de structurele aanpak stikstof zoals beschreven in de Kamerbrief van 24 april 2020. De snelheidsverlaging voor de overige snelwegen zoals voorzien in het besluit van 19 december 2019 (Staatscourant 2019, nr. 71032) is dan ook niet als instandhoudings- of passende maatregel genomen, maar dient ten behoeve van het stikstofregistratiesysteem om op korte termijn weer vergunningverlening mogelijk te maken, aldus de minister ter zitting.</p>\n<p class=\"lf-p\">72.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gegeven dat de snelheidsverlaging een maatregel is die naar zijn aard ook geschikt is om ingezet te worden als instandhoudings- of passende maatregel betekent niet dat deze maatregel niet als mitigerende maatregel kan worden ingezet. Uit overweging 13-13.8 van de PAS-uitspraak volgt dat een maatregel die als instandhoudings- of passende maatregel kan worden ingezet als mitigerende maatregel in een passende beoordeling kan worden betrokken als gelet op de staat van instandhouding en de instandhoudingsdoelstelling het behoud van natuurwaarden is geborgd of in geval een verbeter- of hersteldoelstelling geldt, dat doel ook op andere wijze kan worden gerealiseerd. Bovendien dient de maatregel verbonden te zijn aan het plan of project.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het standpunt van de minister komt erop neer dat, voor zover nodig, andere maatregelen dan de snelheidsverlaging op de A50 kunnen en zullen worden getroffen voor het behoud, de verbetering of het herstel van de natuurwaarden in het Natura 2000-gebied \"Veluwe\". Daarom ziet de Afdeling anders dan GNMF geen reden voor het oordeel dat de minister de snelheidsverlaging in dit geval niet mocht betrekken in de passende beoordeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Effectiviteit 73. GNMF, Strijdbaar Angeren en anderen en Stichting Milieuvrienden Duiven betwijfelen of de snelheidsverlaging wel het effect zal hebben dat de minister voorspelt. Zij stellen dat op het betrokken gedeelte van de A50 vanwege de drukte in de huidige situatie het verkeer vaak al hoogstens 100 km/u rijdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het Deelrapport gebiedsbescherming (2019) staat op p. 130: \"Als mitigerende maatregel voor het project A12/A15 Ressen - Oudbroeken (2018) is verlaging van de snelheid op de A50 naar 100 km/uur (in de periode 06:00-23:00 uur) berekend. In plaats van een toename van 1600 motorvoertuigen per etmaal ten opzichte van de autonome ontwikkeling (2030), is er dan sprake van een afname van circa 1500 motorvoertuigen per etmaal op het wegvak A50 knp Waterberg - A1/A50 knp Beekbergen, een afname van circa 8.000 motorvoertuigen op de A12 tussen knp Grijsoord en knp Waterberg en een afname van circa 1100 motorvoertuigen op de A12 tussen knp Grijsoord en aansluiting Ede ten opzichte van de autonome ontwikkeling (2030).\"</p>\n<p class=\"lf-p\">De berekeningen zijn verder toegelicht in een memo van Royal HaskoningDHV van 20 december 2018. Hierin staat dat verschillende varianten van een snelheidsverlaging zijn doorgerekend met behulp van hetzelfde verkeersmodel als voor het tracébesluit is gebruikt, het NRM 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Afdeling stelt vast dat de minister de verkeersgevolgen van de snelheidsverlaging heeft beoordeeld door middel van een vergelijking van de verkeersintensiteiten die het NRM 2017 berekent voor de autonome situatie in 2030, de situatie in 2030 met tracé en die laatste situatie met verschillende varianten van een snelheidsbeperking op de A50. De door appellanten daarover geuite twijfel acht de Afdeling ontoereikend voor het oordeel dat die vergelijking gebrekkig zou zijn. Bij die vergelijking heeft de huidige situatie geen rol gespeeld. Hetgeen appellanten daarover hebben aangevoerd, is dan ook niet van belang voor de vraag of de snelheidsverlaging in 2030 het door de minister verwachte effect zal hebben. Overigens heeft de minister nog een berekening overgelegd waaruit volgt dat zelfs met tweemaal daags een spits van vier uur - in plaats van de twee uur die standaard is in het NRM - nog geen toename van verkeer op de A50 zal ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog faalt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">74.</span>GNMF voert verder aan dat de minister uitgaat van het verkeer in 2030, terwijl het tracé al eerder geopend wordt. Volgens GNMF zal de verbreding van de A12 bij Duiven-Oudbroeken na de openstelling leiden tot extra verkeer op zowel het traject A12 Ede-Waterberg als het traject A50 Waterberg-Beekbergen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Ondanks de snelheidsverlaging is volgens GNMF niet aannemelijk dat het aantal motorvoertuigen zal afnemen. Ter zitting heeft GNMF in dit verband gesteld dat de auto’s die volgens het verkeersmodel niet meer over de A50 zullen rijden mogelijk toch in de omgeving van de \"Veluwe\" rijden, bijvoorbeeld op het onderliggende wegennet. Desondanks heeft de minister het gebied buiten de beoordeling gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook Stichting Milieuvrienden Duiven heeft twijfels geuit over de verkeerseffecten die de minister verwacht van de snelheidsverlaging.</p>\n<p class=\"lf-p\">74.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het Deelrapport Verkeer heeft het tracé in 2030 de grootste verkeersgevolgen. In zoverre is de minister dus uitgegaan van het ongunstigste scenario. Verder is van belang dat in artikel 7 van het wijzigingsbesluit is bepaald dat de snelheidsverlaging in werking treedt voorafgaand aan de openstelling van de extra rijstroken van de A12 en A15. De Afdeling is van oordeel dat daarmee in zoverre is gewaarborgd dat de snelheidsverlaging tijdig het voorspelde effect heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">74.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover GNMF wijst op een mogelijke verandering in het verkeer in de nabijheid van de \"Veluwe\" als gevolg van de snelheidsverlaging wordt als volgt overwogen. In het Deelrapport gebiedsbescherming (2019) staat op p. 130: \"De verkeersafname ter hoogte van het traject A50 knp Waterberg - A1/A50 knp Beekbergen betekent wel een relatief beperkte toename van verkeer over het nieuwe A15 tracé en overige delen van het verkeersnetwerk. Gebieden die als gevolg van de ViA15 inclusief mitigerende maatregel een stikstofdepositiebijdrage hebben zijn Natura 2000 Rijntakken, Natura 2000 Lingegebied &amp; Diefdijk-zuid en Natura 2000 Loevestein, Pompveld &amp; Kornsche Boezem.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">De verkeersgevolgen van de snelheidsverlaging op de A50 zijn verder toegelicht in bijlage 4 van het Deelrapport. Daar staat dat de afbakening van de gebieden hoofdzakelijk is gemaakt op basis van de gevolgen op het hoofdwegennet, maar er zijn ook toenames meegenomen op lokale wegen die aansluiten op de A15. De berekende toe- en afnames van meer dan 500 motorvoertuigen per rijrichting in de situatie met snelheidsverlaging zijn weergegeven in afbeelding 4. Uit die afbeelding volgt dat voor de wegen die het dichtst bij het gebied \"Veluwe\" zijn gelegen een afname van verkeer is berekend. In hetgeen GNMF heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van deze bevindingen. Gelet hierop heeft de minister er in zoverre van uit mogen gaan dat als gevolg van de snelheidsverlaging het tracé niet meer zal leiden tot een toename van verkeer in de nabijheid van de \"Veluwe\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het overige stelt de Afdeling vast dat GNMF en Stichting Milieuvrienden Duiven enkel vermoedens naar voren hebben gebracht over de verkeerseffecten die het tracé volgens hen zou kunnen hebben. De Afdeling acht deze op zich beschouwd onvoldoende om de uitkomsten van het door de minister gebruikte verkeersmodel NRM in twijfel te trekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betogen falen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">75.</span>GNMF voert verder aan dat uit de door Rijkwaterstaat ter beschikking gestelde rekenbestanden voor AERIUS volgt dat er bij de mitigerende maatregel geen rekening mee is gehouden dat de huidige maximumsnelheid in de periodes waarin de spitsstroken geopend zijn niet 120 km/uur maar 100 km/uur is. Daarnaast is er uitgegaan van 100 km/uur gedurende het hele etmaal, terwijl de maatregel alleen geldt tussen 06:00 en 23:00 uur, aldus GNMF.</div>\n<p class=\"lf-p\">75.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betoog mist feitelijke grondslag. Het standpunt van de minister over de snelheidsverlaging berust niet op een berekening van stikstofdepositie met AERIUS, maar - zoals hiervoor beschreven - op berekeningen met het verkeersmodel. Omdat uit de verkeersberekeningen volgt dat de snelheidsverlaging ertoe leidt dat op de A50 niet langer een verkeerstoename ontstaat als gevolg van het tracé, mocht de minister ervan uitgegaan dat in zoverre geen toename van stikstofdepositie op de \"Veluwe\" zal ontstaan.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">76.</span>GNMF en Strijdbaar Angeren betogen dat de snelheidsverlaging onvoldoende gewaarborgd is. Volgens hen had de minister moeten voorzien in permanente trajectcontrole op of een fysieke aanpassing van de A50 tussen Waterberg en Beekbergen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Zij voeren tevens aan dat het besluit van 19 december 2019 tot verlaging van de maximumsnelheid op snelwegen tot gevolg heeft dat niet meer kan worden uitgegaan van de vermeende positieve gevolgen van de snelheidsverlaging in het wijzigingsbesluit. Ter zitting heeft GNMF gewezen op recente rechtspraak van de Afdeling, waaruit volgens haar volgt dat het effect van een maatregel die nog niet is uitgevoerd gegarandeerd moet zijn op het moment waarop het besluit met die maatregel wordt genomen. Een garantie is een uitspraak over de toekomst. Door de algemene snelheidsverlaging wordt deze garantie volgens GNMF teniet gedaan. De omstandigheid dat de algemene snelheidsverlaging dateert van na het wijzigingsbesluit kan hier op grond van de Habitatrichtlijn niet aan afdoen, aldus GNMF ter zitting.</p>\n<p class=\"lf-p\">76.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister heeft met het besluit van 19 december 2019 op grond van de Wegenverkeerswet 1994 voorzien in een verlaging van de maximumsnelheid op snelwegen. Het doel hiervan is, zo staat in het besluit, de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden te verlagen om vergunningverlening voor bepaalde stikstof uitstotende projecten mogelijk te maken. Over het tracébesluit en het wijzigingsbesluit die in deze procedure ter beoordeling voorliggen staat in het besluit van 19 december 2019: \"Op 18 februari 2019 is het Tracébesluit A12/A15 Ressen - Oudbroeken (2019) tot wijziging van het Tracébesluit A12/A15 Ressen - Oudbroeken (2017) vastgesteld. In dit tracébesluit tot wijziging is een verlaging van de maximumsnelheid op een deel van de A50 opgenomen als mitigerende maatregel. Deze maatregel bestaat eruit dat tussen knooppunt A12/A50 Waterberg en knooppunt A1/A50 Beekbergen op beide rijbanen van de A50 tussen 06:00 en 23:00 uur (ongeacht de openstelling van de spitsstrook) een maximumsnelheid van 100 km/uur geldt. In de eerder genoemde Kabinetsbrief van 13 november 2019 is aangegeven dat de effecten van die verlaging niet nogmaals ingezet kunnen en zullen worden. Deze maatregel valt dan ook buiten de reikwijdte van dit verkeersbesluit. Ondanks dat deze maatregel geen onderdeel uitmaakt van onderhavig verkeersbesluit zal de mitigerende maatregel gelijktijdig uitgevoerd worden met de uitvoering van dit verkeersbesluit. Het later uitvoeren van deze maatregel (zoals voorzien in het Tracébesluit A12/A15 Ressen - Oudbroeken 2019) zou tot de ongewenste situatie leiden dat de huidige maximumsnelheid van 120 km/uur tussen 06:00 en 19:00 uur in stand zou blijven.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">76.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de PAS-uitspraak heeft de Afdeling op basis van de rechtspraak van het Hof van Justitie uitgangspunten geformuleerd om vast te stellen of een maatregel in de passende beoordeling mag worden betrokken. Onder meer geldt: \"10. Ten tijde van de passende beoordeling moet gegarandeerd zijn dat de maatregelen en autonome ontwikkelingen resultaat hebben voordat het plan of project negatieve gevolgen zal hebben. [HvJ EU 7 november 2018, PAS, ECLI:EU:C:2018:882]\"</p>\n<p class=\"lf-p\">76.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit geval was ten tijde van de passende beoordeling gegarandeerd dat de snelheidsverlaging resultaat heeft voordat het tracé negatieve gevolgen zou hebben. Uit het door de minister verrichte onderzoek volgt immers dat de snelheidsverlaging ertoe leidt dat het tracé niet langer een toename van verkeer veroorzaakt op de A50 tussen Waterberg en Beekbergen en daarom ook niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op de \"Veluwe\" vanwege het verkeer op die weg. De inwerkingtreding van deze maatregel voorafgaand aan het openstellen van het tracé is naar het oordeel van de Afdeling voldoende gewaarborgd door middel van artikel 7 van het wijzigingsbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het besluit van de minister van 19 december 2019 doet aan dit oordeel niet af. Dit besluit dateert immers van na het vaststellen van het wijzigingsbesluit. Het besluit van 19 december 2019 ligt in deze procedure ook niet ter toetsing voor, omdat het geen besluit is als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. Het tracébesluit en het wijzigingsbesluit worden daardoor niet ingetrokken, gewijzigd of vervangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">76.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Afdeling is verder van oordeel dat het Europese recht er niet toe verplicht het besluit van 19 december 2019 toch te betrekken in de beoordeling van de rechtmatigheid van het wijzigingsbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat het in Unierechtelijke zaken toepasselijke procesrecht bij gebreke van Unierechtelijke voorschriften ter zake beheerst wordt door de beginselen van gelijkwaardigheid, doeltreffendheid en effectieve rechtsbescherming. Deze beginselen houden in dat de desbetreffende nationale procedureregels niet ongunstiger mogen zijn dan die voor soortgelijke nationale vorderingen (gelijkwaardigheidsbeginsel) en dat zij de uitoefening van de door Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken (doeltreffendheidsbeginsel) (arresten van het Hof van Justitie van 16 december 1976, Rewe, ECLI:EU:C:1976:188, punt 5; 16 december 1976, Comet, ECLI:EU:C:1976:191, punt 13; 14 december 1995, Peterbroeck, ECLI:EU:C:1995:437, punt 12; 7 juni 2007, Van der Weerd e.a., ECLI:EU:C:2007:318, punt 28).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Nederlandse recht is in deze situatie niet ongunstiger dan voor soortgelijke nationale vorderingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook wordt de uitoefening van de door Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk gemaakt. Tegen het besluit van 19 december 2019 konden belanghebbenden rechtsmiddelen aanwenden. Mocht de openstelling van het tracé in de toekomst toch leiden tot een toename van verkeer nabij de \"Veluwe\" en als gevolg daarvan tot een toename van stikstofdepositie dan biedt het Nederlandse recht aan belanghebbenden mogelijkheden om het bevoegd gezag te bewegen in dat verband de nodige maatregelen te treffen, bijvoorbeeld op grond van paragraaf 2.2 van de Wnb of hoofdstuk II, paragraaf 2, van de Wegenverkeerswet 1994.</p>\n<p class=\"lf-p\">ADC-toets</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>inleiding 77. Uit het Deelrapport gebiedsbescherming (2019) volgt dat het tracé vanwege een toename van stikstofdepositie significante effecten kan hebben op de habitattypen stroomdalgraslanden (H6120) en glanshaver- en vossenstaarthooilanden (H6510A) in het Natura 2000-gebied \"Rijntakken\". Het verlies in oppervlakte van deze habitats dat hierdoor op termijn kan ontstaan, is berekend op 25 m2 respectievelijk 336 m2.</div>\n<p class=\"lf-p\">In hoofdstuk 4 van de toelichting van het wijzigingsbesluit heeft de minister uiteengezet dat het tracé volgens hem toch moet worden gerealiseerd, omdat er geen alternatieve oplossingen zijn. Hiertoe heeft de minister zeven alternatieven voor het tracé beoordeeld. Die schieten volgens hem alle tekort omdat ze niet voldoen aan de doelstelling van het project en/of niet minder negatieve effecten op Natura 2000-gebieden hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder stelt de minister dat het tracé nodig is om dwingende redenen van groot openbaar belang. In de toelichting van het wijzigingsbesluit staat hierover onder meer dat het tracé nodig is om verkeersproblemen in de regio Arnhem-Nijmegen op te lossen, de verkeersveiligheid te vergroten en de veiligheid bij hoogwater te verbeteren. Omdat stroomdalgraslanden een prioritair habitattype is, geldt in dit geval dat het tracé nodig moet zijn in verband met argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid en de openbare veiligheid. Volgens de minister is hieraan voldaan vanwege de voornoemde veiligheidsargumenten.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">78.</span>Voordat de beroepsgronden die hiertegen zijn aangevoerd worden besproken, wijst de Afdeling op het volgende. Zoals hiervoor onder 69.2 is overwogen, is het vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat ook in het geval - zoals in deze zaak - de ADC-toets als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de Habitatrichtlijn wordt uitgevoerd, het van wezenlijk belang is dat de aantasting die het project veroorzaakt nauwkeurig wordt vastgesteld. Uit hetgeen eerder in deze uitspraak is overwogen, volgt dat op dit moment onvoldoende duidelijk is of de minister in dit geval de aantastingen met de vereiste nauwkeurigheid heeft vastgesteld. In het belang van een zoveel mogelijk definitieve beslechting van het geschil zal de Afdeling toch de beroepsgronden over de alternatieven en dwingende redenen van groot openbaar belang bespreken. Daarbij wordt verondersteld dat het tracé alleen leidt tot de hiervoor onder 77 vermelde aantastingen van de habitattypen stroomdalgraslanden (H6120) en glanshaver- en vossenstaarthooilanden (H6510A).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>alternatieven 79. Strijdbaar Angeren en anderen voeren aan dat de minister bij de beoordeling van de alternatieven in het wijzigingsbesluit gebruikmaakt van de Trajectnota/MER en de \"Validatie MER\". In deze documenten wordt echter uitgegaan van veel hogere verkeersintensiteiten dan de minister met het recentste verkeersmodel voor het wijzigingsbesluit heeft berekend. Strijdbaar Angeren en anderen vinden dat de minister bij de beoordeling van de alternatieven in het wijzigingsbesluit had moeten uitgaan van de recentste verkeersprognoses.</div>\n<p class=\"lf-p\">79.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister stelt zich op het standpunt dat het niet nodig is om voor alle alternatieven nieuwe verkeersintensiteiten te berekenen. Weliswaar zijn voor de \"Validatie MER\" lagere verkeersintensiteiten berekend dan voor de Trajectnota/MER, maar de trends zijn volgens de minister dezelfde. De minister stelt dat de nieuwste verkeersberekeningen met NRM 2017 geen reden geven om hieraan te twijfelen. De berekende intensiteiten voor het voorkeursalternatief liggen namelijk tussen de intensiteiten die zijn berekend voor de Trajectnota/MER en de \"Validatie MER\".</p>\n<p class=\"lf-p\">79.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In tabel 4.2.2 van de \"Validatie MER\" is met behulp van indexcijfers weergegeven wat de verwachte toe- en afnames van het verkeer zullen zijn op de belangrijkste wegen in de regio Arnhem-Nijmegen. Dit is gedaan voor zowel het verkeersmodel dat voor de Trajectnota/MER is gebruikt als voor het verkeersmodel dat bij de vaststelling van het tracébesluit het recentste was. De indexcijfers laten vergelijkbare ontwikkelingen zien.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verkeersintensiteiten die de minister voor het voorkeursalternatief in het wijzigingsbesluit heeft berekend met het NRM 2017 zijn hiermee in lijn. De absolute verkeersintensiteiten die zijn berekend voor de betrokken wegen liggen tussen de waarden die zijn berekend voor de Trajectnota/MER en de \"Validatie MER\". Dit volgt uit tabel 4-1 van de toelichting van het wijzigingsbesluit en tabel 4.2.1 van de \"Validatie MER\". Gelet hierop heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat het doorrekenen van alle alternatieven met het nieuwste verkeersmodel niet nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog faalt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">80.</span>Strijdbaar Angeren en anderen en GNMF betogen dat de minister een alternatief voor het tracé had moeten onderzoeken met een langere tunnel dan alleen een tunnel voor de kruising met het Pannerdensch Kanaal. Ook [appellanten sub 8] en Stichting Milieuvrienden Duiven wijzen op een tunnel als alternatief.</div>\n<p class=\"lf-p\">80.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister ziet geen reden om meer onderzoek te doen naar een tunnel als alternatieve oplossing. Een tunnel heeft namelijk nadelen bij calamiteiten en (dreigend) hoogwater. Daarnaast is een tunnel te duur. Dit geldt volgens de minister zeker voor een tunnel die langer is dan nodig zou zijn om alleen het Pannerdensch Kanaal te kruisen. Bij tweemaal die lengte zouden de meerkosten al honderden miljoenen euro’s bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder zal een tunnel de significante effecten van het tracé als gevolg van stikstofdepositie niet wegnemen. Die ontstaan namelijk hoofdzakelijk op grote afstand van het Pannerdensch Kanaal. Het getroffen perceel stroomdalgraslanden ligt op hemelsbreed 17 km. Een van de twee percelen glanshaverhooilanden ligt op 2,5 km. Het andere ligt wel nabij het kanaal, direct ten zuiden van de plek waar de brug is voorzien. Om dit perceel te ontzien qua stikstofdepositie zou volgens de minister de tunnelmond echter op vele kilometers afstand geplaatst moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">80.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van de Afdeling heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat een, al dan niet verlengde, tunnel onder het Pannerdensch Kanaal in dit geval geen reëel alternatief is. Zo is namelijk onbestreden dat de significante effecten vanwege stikstofdepositie hoofdzakelijk ontstaan op meerdere kilometers afstand van het Pannerdensch Kanaal. Wat betreft het perceel dat wel op korte afstand ligt, is onbestreden dat het voorkomen van stikstofdepositie op die plek zou vereisen dat de tunnelmond op vele kilometers afstand zou moeten komen. Hierdoor zouden de meerkosten voor een tunnel - zie hiervoor onder 29.2 - nog verder oplopen. Verder is aannemelijk dat een tunnel ook nadelen heeft bij calamiteiten en hoogwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog faalt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">81.</span>[appellanten sub 14] voeren aan dat het Regiocombi 1-alternatief het Natura 2000-gebied ontziet. Bovendien is dit alternatief volgens hen goedkoper.</div>\n<p class=\"lf-p\">GMNF wijst op het Regiocombi 2-alternatief. Volgens haar had de minister moeten onderzoeken met welke aanpassingen dit alternatief de minst negatieve effecten zal veroorzaken op voor stikstof gevoelige habitats.</p>\n<p class=\"lf-p\">81.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister stelt dat het Regiocombi 1-alternatief de verkeersproblemen onvoldoende oplost. Bovendien is dit alternatief wat betreft de significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden niet beter dan het voorkeursalternatief. De minister wijst erop dat de Regiocombi-alternatieven zorgen voor veel meer verkeer over de A12 en daardoor aanzienlijke effecten hebben op de zuidkant van de \"Veluwe\".</p>\n<p class=\"lf-p\">81.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover [appellanten sub 14] aanvoeren dat het Regiocombi 1-alternatief het Natura 2000-netwerk ontziet, geldt dat alleen voor het gebied \"Rijntakken\". In paragraaf 4.1.8 van de toelichting van het wijzigingsbesluit is beschreven dat dit alternatief echter meer nadelige gevolgen heeft voor het gebied \"Veluwe\" vanwege (tijdelijk) ruimtebeslag en stikstofdepositie. Volgens de toelichting is dit alternatief daarom per saldo niet beter voor het Natura 2000-netwerk. [appellanten sub 14] hebben hier niets tegen aangevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">81.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder stelt de Afdeling vast dat GNMF niet heeft geconcretiseerd welke aanpassingen van het Regiocombi 2-alternatief de minister ten onrechte niet in aanmerking zou hebben genomen. De enkele stelling dat de minister aanpassingen had moeten onderzoeken is onvoldoende voor het oordeel dat de minister het wijzigingsbesluit niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid.</p>\n<p class=\"lf-p\">81.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betogen falen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">82.</span>GNMF voert aan dat de minister bij de beoordeling van de alternatieven meer onderzoek had moeten doen naar de verlaging van de maximumsnelheid op meerdere snelwegen in Gelderland. Een lagere snelheid heeft tot gevolg dat het verkeer minder stikstof uitstoot. Ook zou de doorstroming verbeteren zonder dat er capaciteitsverlies optreedt, aldus GNMF.</div>\n<p class=\"lf-p\">82.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de startnotitie is de hoofddoelstelling van het project omschreven als: het verbeteren van de bereikbaarheid en veiligheid over de weg door de doorstroming op, capaciteit en betrouwbaarheid/robuustheid van de weg te vergroten en daarbij rekening te houden met de leefomgeving. Als bijkomende doelstellingen zijn vermeld: bijdragen aan een (internationaal) concurrerend vestigingsklimaat; bijdragen aan een ruimtelijk­economisch vitale (woon- en leefklimaat) Stadsregio Arnhem Nijmegen; en toekomst vaste oplossing, waaronder robuustheid en hoogwaterveiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">82.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Afdeling acht niet aannemelijk dat het verlagen van de maximumsnelheid in Gelderland op zichzelf in relevante mate bijdraagt aan deze doelstellingen. Alleen al om deze reden heeft de minister hier geen nader onderzoek naar hoeven te doen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">83.</span>Stichting Milieuvrienden Duiven merkt op dat in het Deelrapport gebiedsbescherming (2019) wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2454 (Blankenburgverbinding). Volgens haar is een belangrijk verschil tussen dat project en de ViA15 dat er diverse alternatieven zijn voor een doortrekking van de A15 naar de A12. Deze zijn beschreven in de Trajectnota/MER, aldus Stichting Milieuvrienden Duiven.</div>\n<p class=\"lf-p\">83.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister heeft in paragraaf 4.1 van de toelichting van het wijzigingsbesluit beschreven waarom de alternatieven uit de Trajectnota/MER volgens hem geen alternatieve oplossingen zijn als bedoeld in artikel 2.8, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wnb. Stichting Milieuvrienden Duiven heeft niet toegelicht waarom deze beschrijving niet zou kloppen. Alleen al hierom faalt het betoog.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dwingende redenen van algemeen belang 84. Strijdbaar Angeren en anderen wijzen erop dat het tracé leidt tot een aantasting van de prioritaire habitat stroomdalgraslanden, waardoor de minister maar op een aantal specifieke dwingende redenen van groot openbaar belang een beroep mag doen. Het merendeel van de redenen die zijn vermeld in de toelichting van het wijzigingsbesluit valt hier volgens Strijdbaar Angeren en anderen echter niet onder. Daarom was volgens hen de uitdrukkelijke instemming van de Europese Commissie voor het tracé vereist, maar die is nooit gegeven.</div>\n<p class=\"lf-p\">84.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In paragraaf 4.2 van de toelichting van het wijzigingsbesluit heeft de minister uiteengezet om welke dwingende redenen van groot openbaar belang volgens hem het tracé nodig is. Het gaat, kort samengevat, om het oplossen van verkeersproblemen in de regio Arnhem-Nijmegen, het verbeteren van de bereikbaarheid en de robuustheid en veiligheid van het wegennet, het verbeteren van de leefomgeving rond regionale wegen, het verbeteren van de hoogwaterveiligheid en het bijdragen aan de economische ontwikkeling van de regio.</p>\n<p class=\"lf-p\">84.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tracé kan volgens het Deelrapport gebiedsbescherming (2019) leiden tot significante gevolgen voor de habitattypen stroomdalgraslanden (H6120) en glanshaver- en vossenstaarthooilanden (H6510A). Alleen het eerstgenoemde habitattype is een prioritair habitattype waarvoor het vijfde lid van artikel 2.8 van de Wnb van belang is. In dit verband is van belang dat uit de toelichting van het wijzigingsbesluit volgt dat de minister zich op het standpunt stelt dat het tracé onder meer nodig is voor het verbeteren van de openbare veiligheid als bedoeld in onderdeel a van voornoemd artikellid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat in de toelichting ook andere redenen zijn vermeld, betekent niet dat de minister op grond van onderdeel b advies had moeten vragen aan de Europese Commissie. Die andere redenen zijn van belang voor het niet-prioritaire habitattype dat significante gevolgen van het tracé kan ondervinden. De omstandigheid dat geen advies aan de Europese Commissie is gevraagd, betekent wel dat de aantasting van het prioritaire habitattype alleen kan worden gerechtvaardigd met de redenen als bedoeld in onderdeel a van artikel 2.8, vijfde lid. Of de minister hierin is geslaagd, wordt hierna beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog faalt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">85.</span>GNMF betoogt - kort samengevat - dat de onderbouwing van de verbetering van de verkeersveiligheid van het tracé niet deugt. De Afdeling zal dit betoog niet bespreken. De minister heeft ter zitting weliswaar erkend dat er hierbij fouten zijn gemaakt, maar hij heeft ook toegelicht dat de gestelde bijdrage aan de verkeersveiligheid niet is bedoeld als argument voor onderdeel a van artikel 2.8, vijfde lid, van de Wnb.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">86.</span>Strijdbaar Angeren en anderen en GNMF voeren aan dat de openbare veiligheid bij hoogwater mogelijk een geldige reden is om de weg aan te leggen, maar niet om deze permanent, dus ook buiten calamiteiten, voor het verkeer open te stellen. Het is immers niet zozeer de aanleg als wel het gebruik van het tracé dat tot significante effecten leidt.</div>\n<p class=\"lf-p\">GNMF betoogt tevens dat de minister onvoldoende en bovendien ondeugdelijk heeft onderbouwd dat het tracé nodig is voor de hoogwaterveiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">86.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat de dwingende redenen van groot openbaar belang moeten worden afgewogen tegen de aantasting van het betrokken gebied door het project (zie hiervoor onder 69.2). De aantasting van het prioritaire habitattype stroomdalgraslanden in het gebied \"Rijntakken\" als gevolg van het tracé betreft op termijn een verlies van 25 m2. De minister heeft een zwaarder gewicht toegekend aan het tracé omdat dit bij hoogwater bijdraagt aan de evacuatiemogelijkheden door middel van een extra vaste oeververbinding tussen de regio Arnhem-Nijmegen en de Achterhoek/Liemers. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de minister in redelijkheid tot deze belangenafweging kunnen komen. Een cijfermatige of anderszins uitgebreidere onderbouwing - zoals door GNMF gewenst - was hiervoor niet vereist.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>compenserende maatregelen 87. Als compenserende maatregel heeft de minister in artikel 8 van het wijzigingsbesluit voorzien in de aanleg van 200 m2 stroomdalgraslanden en 700 m2 glanshaver- en vossenstaarthooilanden in het gebied \"Rijntakken\". a. berekening compensatieopgave 88. GNMF betoogt dat het Deelrapport gebiedsbescherming (2019) wat betreft de compensatieopgave ten onrechte geen inzicht verschaft in de duur van de overschrijding van de kritische depositiewaarde voor de habitattypen waar als gevolg van het tracé de stikstofdepositie toeneemt. Dit is volgens haar van belang omdat voortdurende overschrijding van de kritische depositiewaarde resulteert in veranderingen in vegetatie, soortensamenstelling, met tot gevolg verruiging en vergrassing en het dichtgroeien van het vegetatiedek.</div>\n<p class=\"lf-p\">88.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister stelt dat in de ecologische beoordeling de huidige staat van instandhouding nadrukkelijk is betrokken. Volgens de minister is deze namelijk relevant en niet de duur van de overschrijding van de kritische depositiewaarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">88.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In hoofdstuk 5 van het Deelrapport gebiedsbescherming (2019) is beoordeeld wat de effecten kunnen zijn van toenamen in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De door GNMF genoemde aspecten zoals verruiging en vergrassing zijn in de effectbeoordeling betrokken. Ook is ingegaan op de staat van instandhouding van de betrokken habitats, de kritische depositiewaarden en de achtergronddepositie van stikstof. De Afdeling ziet niet in waarom in aanvulling hierop ook de duur van de overschrijding van de kritische depositiewaarden vermeld had moeten worden. Daarom faalt het betoog.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">89.</span>GNMF stelt dat voor de habitattypen die gecompenseerd moeten worden onvoldoende inzicht is verschaft in de locatiespecifieke omstandigheden en de staat van instandhouding.</div>\n<p class=\"lf-p\">89.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In paragraaf 5.2.1 van het Deelrapport gebiedsbescherming (2019) is ingegaan op de gevolgen van de toename van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied \"Rijntakken\". Bij de effectbeoordeling is, ook voor de te compenseren habitattypen stroomdalgraslanden (H6120) en glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver) (H6510), uitdrukkelijk aandacht besteed aan de lokale omstandigheden waaronder de habitats in het gebied voorkomen. GNMF heeft niet toegelicht welke relevante informatie hierbij zou ontbreken. Daarom bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het wijzigingsbesluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">90.</span>GNMF stelt dat kennelijk gemakshalve is uitgegaan van een afname van het oppervlak van een habitat bij deposities boven de kritische depositiewaarde van 0,18 procent per mol. Daarmee wordt er volgens GNMF ten onrechte van uitgegaan dat de afname recht evenredig is met de toename van de stikstofdepositie boven de kritische depositiewaarde, terwijl het volgens haar ook mogelijk is dat de bijdrage van een kleine stikstofdepositie op een specifiek habitattype op een specifieke locatie leidt tot een snellere of exponentiële afname van het betreffende habitattype. Vandaar dat per locatie de specifieke omstandigheden in beeld dienen te worden gebracht, aldus GNMF.</div>\n<p class=\"lf-p\">90.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister betwist dat er gemakshalve van 0,18 procent is uitgegaan. Volgens de minister is de gemiddelde afname 0,14 procent per mol. Onder verwijzing naar figuur 5 van bijlage 3 van het Deelrapport gebiedsbescherming (2019) stelt de minister dat 0,18 procent de meest steile curve is voor habitattypen die hier relevant zijn. Door uit te gaan van 0,18 procent is volgens de minister uitgegaan van een worst-case-benadering.</p>\n<p class=\"lf-p\">90.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In bijlage 3 van het Deelrapport gebiedsbescherming (2019) is toegelicht dat de compensatieopgave is berekend met de methode die is ontwikkeld voor het project Maasvlakte 2. Daarbij zijn voor verschillende typen duinhabitats percentages vastgesteld voor de afname van areaal per mol N door kwaliteitsverlies bij toename van de stikstofdepositie. In de bijlage zijn de habitattypen die in het Deelrapport aan de orde zijn op basis van de stikstofgevoeligheid vergeleken met de typen duinhabitats en op basis daarvan zijn de relevante percentages bepaald. De habitattypen stroomdalgraslanden en glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver), waar de compensatieopgave voor is vastgesteld, zijn aangemerkt als zeer gevoelig voor stikstofdepositie met een bijbehorend percentage van 0,18 procent per mol.</p>\n<p class=\"lf-p\">De berekening gaat volgens het Deelrapport uit van het ongunstigste scenario doordat geen rekening is gehouden met beheermaatregelen en de toekomstige daling van de achtergronddepositie.</p>\n<p class=\"lf-p\">90.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Afdeling stelt vast dat de minister het percentage van 0,18 procent per mol heeft gekozen op basis van een vergelijking van habitats aan de hand van de stikstofgevoeligheid, waarbij tevens is uitgegaan van ongunstige aannames over beheer en achtergronddepositie. GNMF heeft deze berekening als zodanig niet bestreden, maar heeft alleen in algemene zin gesteld dat het mogelijk is dat de afname per locatie verschilt. Deze stelling heeft GNMF niet verder onderbouwd. Het betoog is daarom onvoldoende voor het oordeel dat de minister de compensatieopgave niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft vastgesteld.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">91.</span>GNMF voert verder aan dat op basis van de dosis-effectrelatie alleen de netto compensatieopgave is meegenomen. Volgens haar dienen ten minste alle locaties waar een toename van de stikstofdepositie plaatsvindt, in beginsel te worden gecompenseerd. Onderlinge uitruil is niet mogelijk, aldus GNMF.</div>\n<p class=\"lf-p\">91.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het Deelrapport gebiedsbescherming (2019) is voor alle locaties in Natura 2000-gebieden waar een toename van stikstofdepositie is berekend aan de hand van de specifieke omstandigheden van het betrokken gedeelte van het gebied beoordeeld of die toename, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, een significant negatief effect kan zijn. Volgens het Deelrapport is dat alleen het geval voor enkele locaties met de habitattypen stroomdalgraslanden en glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver) in het gebied \"Rijntakken\". GNMF heeft tegen de aldus gemaakte ecologische beoordeling onvoldoende concrete bezwaren aangevoerd. Daarom geeft het betoog geen aanleiding voor het oordeel dat het wijzigingsbesluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog faalt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">92.</span>Stichting Milieuvrienden Duiven betoogt dat bij de berekening van de compensatieopgave een vreemde omslag is gemaakt van mol/ha naar m2. Zij vindt bijlage 3 van het Deelrapport gebiedsbescherming (2019) niet te volgen.</div>\n<p class=\"lf-p\">92.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stichting Milieuvrienden Duiven heeft gesteld dat de toelichting van de berekening van de compensatieopgave niet te volgen is, maar zij hebben niet uitgelegd waarom. De enkele stelling van Stichting Milieuvrienden Duiven is onvoldoende voor het oordeel dat het wijzigingsbesluit niet toereikend is gemotiveerd. Daarom faalt het betoog. b. geschiktheid locatie compensatie 93. GNMF betoogt dat het Deelrapport gebiedsbescherming (2019) onvoldoende inzicht verschaft in de specifieke omstandigheden van de locaties waar de compensatie plaatsvindt. Zij stelt dat het gaat om plekken waar de achtergronddepositiewaarde van stikstof hoger is dan de kritische depositiewaarde van de habitattypen die voor compensatie in aanmerking komen. Hierom betwijfelt GNMF of de benodigde kwaliteit van de te ontwikkelen habitattypen binnen afzienbare tijd kan worden gerealiseerd en in stand kan worden gehouden. Volgens haar is het dan ook niet aannemelijk dat het resultaat van de compenserende maatregelen wordt bereikt op het moment dat de schade van het project optreedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">93.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het \"Compensatieplan stikstofdepositie\" van 22 januari 2019 is uitgewerkt hoe de compensatieopgave moet worden gerealiseerd. Daarin staat dat de geschiktheid van mogelijke locaties is beoordeeld vanuit ecologisch, juridisch en praktisch oogpunt (paragraaf 1.3). Eén van de \"harde randvoorwaarden\" is dat de locatie voldoet aan de ecologische vereisten van het habitattype of daarvoor geschikt is te maken, waardoor er de benodigde zekerheid is dat het habitattype zich ook daadwerkelijk ontwikkelt. Daarnaast staat er dat ermee rekening is gehouden of het te ontwikkelen habitattype passend is in de ruimtelijke context van het landschap en dat in dit kader wordt gezocht naar aansluiting bij locaties of zones waar het habitattype nu al voorkomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het compensatieplan is er een potentiële locatie in Cortenoever nabij de IJssel die aan alle eisen en randvoorwaarden voldoet. Het betreft voormalige landbouwgronden met op ongeveer 5 m afstand bestaande stroomdalgraslanden en op ongeveer 100 m glanshaverhooilanden. Deze gronden zijn qua bodemtype en locatie geschikt om deze twee habitattypen tot ontwikkeling te brengen, hoewel de voedselrijkdom nog wel te hoog is. Om die op korte termijn te laten dalen, zijn diverse aanvullende maatregelen mogelijk. Die zijn in het compensatieplan opgesomd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder staat er dat de bestaande stroomdalgraslanden en glanshaverhooilanden bij Cortenoever oud, reliëfrijk en voor een groot deel onbemest en tamelijk voedselarm zijn. Beide habitattypen komen in zeer goed ontwikkelde vorm voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">93.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op zich wijst GNMF er terecht op dat in het compensatieplan noch het Deelrapport gebiedsbescherming (2019) staat hoe groot de stikstofdepositie is op de locatie waar de compensatieopgave gerealiseerd gaat worden. Dit neemt niet weg dat in het compensatieplan is toegelicht waarom de locatie geschikt is voor het ontwikkelen van stroomdalgraslanden en glanshaverhooilanden en welke maatregelen in dat verband nog genomen moeten worden. De omstandigheid dat de twee habitattypen op korte afstand van de locatie in zeer goede kwaliteit voorkomen, wijst erop dat stikstofdepositie in de huidige situatie geen knelpunt is. De minister heeft dit in het nadere verweerschrift bevestigd en uiteengezet dat de stikstofdepositie op de betrokken locatie in de toekomst zal dalen en grotendeels onder de kritische depositiewaarden zal komen te liggen. De Afdeling ziet in hetgeen GNMF heeft aangevoerd dan ook geen reden om te betwijfelen dat stikstofdepositie voor de gekozen locatie geen knelpunt is. Daarom faalt het betoog. c. wachttijd 94. Strijdbaar Angeren en anderen en GNMF betogen dat in het wijzigingsbesluit ten onrechte niet is bepaald dat de compensatie eerst moet zijn aangelegd en aangeslagen voordat met de aanlegwerkzaamheden van het tracé kan worden begonnen. Daarvoor achten zij van belang dat in het compensatieplan staat dat de gebieden die dienen als compensatie 5 tot 10 jaar nodig hebben om als habitattypen te kunnen kwalificeren. Gelet hierop had volgens hen wachttijd moeten worden opgenomen. GNMF wijst in dit verband op het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Orléans (ECLI:EU:C:2016:583), waarin volgens haar eisen worden gesteld aan de zekerheid van het effect en tijdstip van uitvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">94.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister stelt dat de effectiviteit van de compenserende maatregelen is onderbouwd in het compensatieplan. Volgens de minister treden de effecten op stikstofgevoelige habitattypen door een toename van verkeer weliswaar op vanaf het moment van ingebruikname van het tracé in 2023/2024, maar omdat de achteruitgang geleidelijk plaatsvindt, is het volgens hem niet zo dat de betrokken habitattypen op dat moment direct niet meer kwalificeren. De inrichtingsmaatregelen voor compensatie zijn volgens de minister uiterlijk in 2021 gereed. Doordat het tempo van de ontwikkeling hoger is dan het tempo van de aantasting, zal geen sprake zijn van vermindering van het oppervlak of de kwaliteit van de betrokken habitattypen, aldus de minister.</p>\n<p class=\"lf-p\">94.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge artikel 2.8, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wnb worden de nodige compenserende maatregelen getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">94.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2454, heeft de Afdeling al overwogen dat hetgeen het Hof van Justitie heeft overwogen in het arrest Orléans niet gaat over compenserende maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook heeft de Afdeling in die uitspraak overwogen dat volgens de \"Richtsnoeren voor de toepassing van artikel 6, lid 4, van de Habitatrichtlijn\" van de Europese Commissie het niet onder alle omstandigheden is vereist dat het resultaat van de voorgenomen compenserende maatregelen is bereikt voordat de schade ontstaat. In dat geval moeten volgens de Commissie aanvullende maatregelen worden getroffen om geleden verliezen extra te compenseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">94.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het compensatieplan staat dat de realisatie van de compensatie is gegarandeerd. De provincie Gelderland is eigenaar van de locatie en gaat Rijkswaterstaat toestemming verlenen voor inrichting, beheer en monitoring van de compensatie. Provincie Gelderland legt dit vast in een brief aan Rijkswaterstaat. De ontwikkeling van soortenarme vegetaties kan volgens het compensatieplan plaatsvinden binnen 5 tot 10 jaar, afhankelijk van voedselrijkdom bij de start. Er worden gerichte inrichtingsmaatregelen getroffen om de voedselrijkdom te verlagen en toepassing van maaisel met zaden zodat de ontwikkeling binnen 5 tot 10 jaar mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder staat er dat de beheerder extra maatregelen zal nemen indien het habitattype zich onvoldoende ontwikkelt. De inrichtingsmaatregelen zullen voor aanvang van het gebruik van de ViA15 zijn gerealiseerd (uiterlijk in 2021). Het tempo van ontwikkeling is hoger dan het tempo van aantasting (zie ook bijlage 3 van de passende beoordeling). Op geen enkel moment zal er daarom sprake zijn van een vermindering van oppervlak of kwaliteit van de betrokken habitattypen. Gelet op de omvang, kwaliteit, locatie en tijdigheid van de compensatie is de conclusie dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft, aldus het compensatieplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">94.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het compensatieplan volgt dat tussen 2026 en 2031 op de compensatielocatie de stroomdalgraslanden (200 m2) en glanshaverhooilanden (700 m2) volledig tot ontwikkeling zullen zijn gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier staat tegenover dat het tracé naar verwachting in 2023 in gebruik wordt genomen en dat, volgens het Deelrapport gebiedsbescherming (2019), in 2030 het grootste projecteffect wordt verwacht, in die zin dat dan de hoogste toenamen in stikstofdepositie op daarvoor gevoelige habitats zullen ontstaan. Deze toenamen kunnen leiden tot kwaliteitsverlies van de habitats en, op langere termijn, tot verlies van oppervlakte. In het Deelrapport gebiedsbescherming (2019) is de termijn voor het volledige verlies aan oppervlakte voor de twee betrokken habitattypen bepaald op 25 jaar, dus ongeveer in 2048. Dit verlies is berekend op 25 m2 aan stroomdalgraslanden en 336 m2 aan glanshaverhooilanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de betrekkelijk lange termijn tot dat de negatieve gevolgen zich ten volle zullen hebben gemanifesteerd (2048), het feit dat de compensatiegave uiterlijk ongeveer ten tijde van de hoogste toename in stikstofdepositie zal zijn gerealiseerd (2031 tegen 2030) en de omstandigheid dat meer oppervlakte wordt gecompenseerd dan er uiteindelijk maximaal verloren kan gaan, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de compenserende maatregelen waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De door appellanten gewenste wachtperiode is daarom niet noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog faalt. d. borging 95. Strijdbaar Angeren en anderen en GNMF betogen dat de duurzaamheid van de compenserende maatregelen onvoldoende is geborgd. De minister stelt weliswaar dat de provincie Gelderland in een brief zal garanderen dat Rijkswaterstaat toestemming krijgt voor de inrichting, het beheer en de monitoring van de compensatie, maar deze toestemming is volgens hen niet verkregen voordat het wijzigingsbesluit is vastgesteld zodat de compensatie niet voorafgaand is verzekerd. Daarnaast is de brief ten onrechte niet ter inzage gelegd, zodat deze niet controleerbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook ontbreekt volgens Strijdbaar Angeren en anderen de garantie van de provincie dat de locatie blijvend de gewenste habitattypen zal behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">95.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister stelt dat gedeputeerde staten van Gelderland op 20 februari 2019 schriftelijk hebben bevestigd dat zij bereid zijn de compenserende maatregelen op eigendom van de provincie te steunen, mede gelet op het belang van de provincie bij de doortrekking van de A15. In deze brief is aangegeven dat de toestemming pas geformaliseerd zou worden nadat het gewijzigde tracébesluit is gepubliceerd. Met de kennisgeving van het wijzigingsbesluit op 27 februari 2019 heeft deze toezegging daarmee tijdig zijn werking verkregen, aldus de minister.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister stelt verder dat de gronden voor de compensatie onderdeel zijn van het Natura 2000-gebied en van het Gelders Natuurnetwerk. Volgens de minister zullen Rijkswaterstaat en de provincie erop toezien dat de gebieden dusdanig beheerd worden dat de te ontwikkelen habitattypen behouden zullen blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">95.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 8 van het wijzigingsbesluit verplicht de minister om de compensatieopgave te realiseren op de daarin aangeduide percelen. De minister heeft zich bij het vaststellen van het wijzigingsbesluit op het standpunt gesteld dat de provincie zal meewerken aan het uitvoeren van deze verplichting. Er is geen reden om te betwijfelen dat dit standpunt op dat moment klopte. De brief van gedeputeerde staten van na het wijzigingsbesluit bevestigt dit. De minister was niet verplicht om bij de vaststelling van het wijzigingsbesluit een schriftelijk stuk over te leggen als bewijs van de instemming van de provincie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover Strijdbaar Angeren en anderen aanvoeren dat niet is gegarandeerd dat de habitattypen na de aanleg behouden zullen blijven, wijst de Afdeling erop dat de compensatielocatie in het Natura 2000-gebied \"Rijntakken\" ligt en daarom beschermd is op grond van de Wnb.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betogen falen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige beroepsgronden gebiedsbescherming Referentiesituatie en cumulatie 96. Strijdbaar Angeren en anderen, GNMF en Stichting Milieuvrienden Duiven betogen dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de cumulatie van effecten van het tracé met andere projecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Strijdbaar Angeren en anderen en GNMF wijzen er in dit verband op dat in het Deelrapport gebiedsbescherming (2019) staat dat voor het Natura 2000-gebied \"Rijntakken\" een effectbeoordeling van de cumulatie met overige plannen en projecten \"niet van toepassing\" is. Zij doen beiden een beroep op het arrest van het Hof van Justitie van 26 april 2017, Moorburg, ECLI:EU:C:2017:301.</p>\n<p class=\"lf-p\">In reactie op het verweerschrift hebben Strijdbaar Angeren en anderen hun betoog verder toegelicht. Zij vinden dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de gevolgen van het project moeten worden getoetst ten opzichte van de feitelijke situatie ten tijde van het nemen van het besluit, waarbij projecten die in het verleden zijn gerealiseerd en uitgevoerd worden onderdeel uitmaken van deze \"autonome situatie\". Weliswaar is dit vaste jurisprudentie van de Afdeling, maar volgens Strijdbaar Angeren en anderen is die achterhaald door het voornoemde Moorburg-arrest. Hieruit volgt volgens hen dat een passende beoordeling tevens in moet gaan op de cumulatieve effecten met reeds uitgevoerde projecten. Dit betekent dat deze in het verleden uitgevoerde projecten niet in de referentiesituatie kunnen worden meegenomen. Strijdbaar Angeren en anderen hebben een lijst overgelegd met projecten die volgens hen in de cumulatietoets hadden moeten worden betrokken. Zij lichten daar één project specifiek uit: het Programma Stroomlijn van Rijkswaterstaat. Dit project heeft volgens de passende beoordeling die daarvoor is gemaakt effecten op dezelfde habitattypen als het tracé, aldus Strijdbaar Angeren en anderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">96.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de minister volgt uit het Moorburg-arrest dat bij de beoordeling van de gevolgen van een voorgenomen project voor Natura 2000-gebieden ook alle projecten in aanmerking moeten worden genomen die samen met dat voorgenomen project significante gevolgen kunnen hebben. Dat is in dit geval ook gebeurd. In het Deelrapport gebiedsbescherming (2017) en in het Deelrapport gebiedsbescherming (2019) is de projectsituatie beschouwd, die bestaat uit de autonome ontwikkeling plus de effecten van de ViA15. Projecten die reeds in het verleden zijn gerealiseerd en nog steeds uitgevoerd worden, maken deel uit van de autonome situatie en zijn dus in de beoordeling van de mogelijke gevolgen van het project betrokken. Wat appellanten voorstaan komt er volgens de minister op neer dat over de band van de passende beoordeling voor het tracé opnieuw alle door hen genoemde projecten die in het verleden zijn gerealiseerd opnieuw passend worden beoordeeld alsof voor die projecten met het tracébesluit (opnieuw) toestemming zou worden gegeven. Dat is niet wat de Habitatrichtlijn eist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over het Programma Stroomlijn stelt de minister dat dit in 2016 is vergund en uitgevoerd. Uit de passende beoordeling die voor dat project is gemaakt volgt volgens de minister dat op geen van de genoemde habitattypen een negatief effect optreedt. Er kan dus helemaal geen sprake zijn van cumulatie. Voor de in de betreffende passende beoordeling genoemde soorten is evenmin sprake van permanente effecten en kan dus evenmin sprake zijn van cumulatie. De realisatie van 'Stroomlijn fase 3, percelen 1 en 2, tranche 4’ leidt alleen voor een paar in die passende beoordeling onderzochte soorten tot een tijdelijk effect door verstoring tijdens de uitvoering. Die uitvoering heeft echter al geruime tijd geleden plaatsgevonden en ook met deze effecten kan bij de aanleg of het gebruik van de ViA15 dus nooit meer sprake zijn van cumulatie, aldus de minister.</p>\n<p class=\"lf-p\">96.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover Strijdbaar Angeren en anderen en GNMF wijzen op de passage in het Deelrapport gebiedsbescherming (2019) waarin staat dat voor het Natura 2000-gebied \"Rijntakken\" een effectbeoordeling van de cumulatie met overige plannen en projecten \"niet van toepassing\" is, overweegt de Afdeling als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit paragraaf 5.1.1 van dit rapport volgt dat wanneer is vastgesteld dat het tracé negatieve effecten heeft die op zichzelf genomen niet significant zijn, het projecteffect in cumulatie met overige projecten en/of plannen is beschouwd die eveneens stikstofdepositie teweeg brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De passage in paragraaf 5.2.4 waarnaar appellanten verwijzen, bevat de vaststelling dat een dergelijke beoordeling van cumulatie voor het gebied \"Rijntakken\" niet hoeft te worden gemaakt, omdat niet is vastgesteld dat het tracé leidt tot stikstofdepositie op dit gebied die op zichzelf genomen geen negatieve gevolgen heeft. De Afdeling begrijpt dat deze passage bij appellanten tot verwarring heeft kunnen leiden, omdat die de indruk wekt dat de stikstofdepositie vanwege het tracé in isolatie is beoordeeld. Dat is echter niet het geval. Uit het rapport blijkt namelijk dat de betekenis van de extra stikstofdepositie als gevolg van het tracé mede is gerelateerd aan de totale stikstofdepositie op het gebied (oftewel de achtergronddepositie). Dit is in het algemeen toegelicht in paragraaf 1.3 van het Deelrapport en blijkt ook uit de effectbeoordeling van de berekende toenamen in stikstofdepositie op het gebied \"Rijntakken\" in paragraaf 5.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgaande betekent dat de betogen feitelijke grondslag missen voor zover ze ervan uitgaan dat de mogelijke gevolgen van stikstofdepositie vanwege het tracé niet zijn beoordeeld in combinatie met andere plannen of projecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">96.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover het gaat om andere effecten van het tracé dan stikstofdepositie stelt de Afdeling vast dat in het Deelrapport gebiedsbescherming (2017) is ingegaan op de gevolgen van het tracé in combinatie met andere plannen en projecten. Zo is bij verstoring door geluid in het gebied \"Rijntakken\" uitgegaan van de cumulatieve geluidbelasting van wegverkeer, spoorverkeer en scheepvaart (paragraaf 5.3.1). Bij de beoordeling van het verlies van 0,8 ha zachthoutooibossen in hetzelfde gebied is uitdrukkelijk ingegaan op de relatie met andere projecten die van invloed zijn op het oppervlak van dit habitattype (6.8.1). In bijlage 7 is een overzicht opgenomen van de vergunningen die hierbij zijn betrokken. Daar zijn ook vergunningen bij die zijn verleend in het door Strijdbaar Angeren en anderen genoemde Programma Stroomlijn. Verder is in een aparte paragraaf beoordeeld of het tracé mogelijk gevolgen heeft die op zichzelf genomen niet significant zijn, maar in combinatie met andere plannen of projecten wel (6.8.5).</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van de Afdeling hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat het Deelrapport gebiedsbescherming (2017) wat dit betreft onvolledig is. Zij hebben weliswaar diverse andere projecten genoemd, maar zij hebben niet toegelicht welke effecten deze projecten in combinatie met het tracé zouden kunnen hebben die niet al zijn verdisconteerd in het Deelrapport gebiedsbescherming (2017).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder ziet de Afdeling met de minister geen redenen waarom de hiervoor beschreven werkwijze in het Deelrapport gebiedsbescherming (2017) en (2019) niet in overeenstemming zou zijn met hetgeen het Hof van Justitie heeft overwogen in het Moorburg-arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuw beleid stikstof 97. Stichting Milieuvrienden Duiven wijst erop dat de snelheidsverlaging op de A50 geen effect heeft op het Natura 2000-gebied \"Rijntakken\". De stikstofdepositie op dit gebied zal toenemen vanwege ander gebruik en de daarmee toenemende verkeersstromen. Er zal nieuw beleid moeten worden uitgewerkt in het kader van de nieuwe aanpak stikstof. Het is volgens haar derhalve noodzakelijk dat dan ook de plannen voor de A15/A12 opnieuw worden overwogen en getoetst aan deze nieuwe aanpak stikstof.</p>\n<p class=\"lf-p\">97.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het wijzigingsbesluit moet voldoen aan artikel 2.8 van de Wnb. In het Deelrapport gebiedsbescherming (2019) en de toelichting van het wijzigingsbesluit heeft de minister toegelicht waarom dat volgens hem het geval is. De minister heeft hierbij erkend dat het tracé zal leiden tot meer stikstofdepositie op het gebied \"Rijntakken\" waardoor significante negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten. Om deze reden heeft de minister toepassing gegeven aan artikel 2.8, vierde lid, van de Wnb. De minister was verder niet verplicht om bij de vaststelling van het wijzigingsbesluit rekening te houden met eventueel nog te ontwikkelen nieuw beleid over stikstofdepositie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevolgen voor Natura 2000-gebieden in Duitsland 98. Strijdbaar Angeren en anderen voeren aan dat in het Deelrapport gebiedsbescherming (2019) ook Duitse Natura 2000-gebieden betrokken hadden moeten worden. Het is volgens hen niet voldoende dat de minister bij zijn besluitvorming gebruik heeft gemaakt van het rapport \"Auswirkungsstudie ViA15 Deutschland\" van 19 juni 2015 (hierna: Auswirkungsstudie). Dit rapport is namelijk in strijd met artikel 2:6 van de Awb niet in het Nederlands vertaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">98.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.6 van de Awb luidt: \"1. Bestuursorganen en onder hun verantwoordelijkheid werkzame personen gebruiken de Nederlandse taal, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van het eerste lid kan een andere taal worden gebruikt indien het gebruik daarvan doelmatiger is en de belangen van derden daardoor niet onevenredig worden geschaad.\"</div>\n<p class=\"lf-p\">98.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Auswirkungsstudie zijn de (milieu)gevolgen van het tracébesluit in Duitsland beschreven. Het rapport dient ertoe de Bondsrepubliek Duitsland en het Bundesland Nordrhein Westfalen over deze gevolgen te informeren en zo te voldoen aan het Verdrag van Espoo en bilaterale afspraken, zo staat op p. 6. Gelet hierop heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het gebruik van de Duitse taal voor dit stuk doelmatiger is en de belangen van derden daardoor niet onevenredig worden geschaad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog faalt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">99.</span>Verder stellen Strijdbaar Angeren en anderen dat de Auswirkungsstudie inhoudelijk tekortschiet. Niet alles is onderzocht en er is ook niet aan alle doelen getoetst. Ook is het rapport verouderd omdat het in 2015 is opgesteld, terwijl het Deelrapport gebiedsbescherming (2017) van twee jaar later is.</div>\n<p class=\"lf-p\">Stichting Strijdbaar Angeren en anderen voeren tegen het tracébesluit ook aan dat waarschijnlijk niet alle Duitse Natura 2000-gebieden zijn beoordeeld waar extra stikstofdepositie kan ontstaan. Dit komt volgens hen doordat AERIUS ten onrechte effecten onder 0,05 mol N/ha/jaar niet weergeeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast wijzen zij erop dat voor de drie Duitse gebieden die wel zijn beoordeeld, is uitgegaan van de systematiek die in Duitsland gebruikt wordt. Weliswaar heeft de Afdeling dit aanvaard in de uitspraak van 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1312, maar destijds vielen buitenlandse gebieden niet onder de definitie van \"Natura 2000-gebied\" in de Natuurbeschermingswet 1998 en werd rechtstreeks getoetst aan artikel 6 van de Habitatrichtlijn. Inmiddels vallen buitenlandse gebieden wel onder de definitie van \"Natura 2000-gebied\" van de Wnb. Strijdbaar Angeren en anderen vinden het daarom niet voor de hand liggen om voor Duitse gebieden een andere systematiek te gebruiken. Zij verzoeken de Afdeling uit te spreken dat alle Natura 2000-gebieden volgens gelijke criteria beoordeeld moeten worden die voldoen aan de in Nederland gehanteerde maatstaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">99.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Strijdbaar Angeren en anderen hebben onvoldoende geconcretiseerd welke effecten het tracé op Natura 2000-gebieden in Duitsland zou kunnen hebben die niet in de Auswirkungsstudie zijn beoordeeld. Verder is de enkele stelling dat dit rapport dateert uit 2015 onvoldoende voor het oordeel dat de minister het niet aan zijn besluiten ten grondslag heeft mogen leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">99.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover het betoog berust op de veronderstelling dat vanwege het gebruik van AERIUS Calculator niet alle Duitse gebieden zijn beoordeeld, stelt de Afdeling vast dat voor de Auswirkingsstudie is gerekend met het model Pluim Snelweg (zie bijlage II, p. 38). In zoverre mist het betoog feitelijke grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">99.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder heeft de inwerkingtreding van de Wnb geen verandering gebracht voor hetgeen de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1312. In de Auswirkungsstudie mocht daarom worden uitgegaan van het Duitse beoordelingskader.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie gebiedsbescherming 100. Samengevat heeft de Afdeling de volgende gebreken vastgesteld in de bestreden besluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tracébesluit is gebrekkig omdat: a. a) ontoereikend is gemotiveerd dat de verwachte voordelen van de faunapassage en de amfibietunnel voor de kamsalamander vaststaan (overweging 58.5);</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">b)</span>het is gebaseerd op de passende beoordeling van het PAS, terwijl daaruit niet de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden die in het PAS zijn opgenomen niet zullen worden aangetast (overweging 62.1-62.2).</div>\n<p class=\"lf-p\">Het wijzigingsbesluit is gebrekkig omdat:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">c)</span>het is gebaseerd op de 3 km-afstandsgrens in artikel 2.12, eerste lid, (oud) van het Besluit natuurbescherming, terwijl die bepaling onverbindend is (overweging 68.2-68.3);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">d)</span>ontoereikend is gemotiveerd dat, ondanks het hanteren van een 5 km-rekengrens in de stikstofberekeningen, uit het Deelrapport gebiedsbescherming (2019) volledige, precieze en definitieve constateringen en conclusies kunnen worden verkregen die elke redelijke wetenschappelijke twijfel over de gevolgen van het tracébesluit voor de betrokken Natura 2000-gebieden kunnen wegnemen (overweging 69.4-69.5).</div>\n<p class=\"lf-p\">Soortenbescherming Wnb Toepasselijke wetgeving 101. [appellant sub 25] betoogt dat in het tracébesluit niet is vermeld hoe wordt omgegaan met de Flora- en faunawet. Strijdbaar Angeren en anderen stellen dat niet of nauwelijks gekeken is naar de provinciale verordening. GNMF stelt dat de soortgroep waartoe de bunzing, de wezel en de hermelijn behoren, per 1 maart 2017 een strikte bescherming hebben gekregen in de Omgevingsverordening Gelderland.</p>\n<p class=\"lf-p\">101.1. De Afdeling stelt vast dat de Flora- en faunawet is vervangen door de Wnb. In paragraaf 4.1 van het Deelrapport soortenbescherming is beschreven dat als wettelijk kader is uitgegaan van de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en de implementatie daarvan in de Wnb. Het betoog van [appellant sub 25] treft gelet hierop geen doel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover Strijdbaar Angeren en anderen en GNMF menen dat de minister de Omgevingsverordening Gelderland heeft miskend, overweegt de Afdeling dat - wat er overigens ook is van de door GNMF vermelde vrijstellingen in de Omgevingsverordening - de minister bij de vaststelling van het tracébesluit niet aan de bepalingen over soortenbescherming in die verordening is gebonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Chw 102. [appellant sub 18] voert aan dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met het voorkomen van de kamsalamander en de rugstreeppad in zijn tuin.</p>\n<p class=\"lf-p\">102.1. De Afdeling stelt vast dat deze beroepsgrond buiten de beroepstermijn van het tracébesluit is aangevoerd. Deze beroepsgrond moet daarom buiten bespreking blijven gelet op artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsingskader 103. De vragen of voor de uitvoering van het tracébesluit een vrijstelling dan wel een ontheffing op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wnb nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Dat doet er niet aan af dat de minister het tracébesluit niet heeft kunnen vaststellen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid heeft moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het tracébesluit in de weg staat.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">104.</span>Met een beroep op het Deelrapport soortenbescherming stelt de minister dat soortenbescherming geen beletsel vormt voor de uitvoerbaarheid van het tracébesluit. Gelet op voormeld toetsingskader dient de Afdeling in dit verband de vraag te beantwoorden of van de kant van appellanten zodanige feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht dat moet worden vastgesteld dat ten aanzien van beschermde soorten niet van de juiste gegevens is uitgegaan.</div>\n<p class=\"lf-p\">Algemene bezwaren 105. Strijdbaar Angeren en anderen betogen dat de effecten van de aanleg en het gebruik van het tracé op de diverse beschermde diersoorten niet goed in beeld zijn gebracht. De verwijzing in het Deelrapport soortenbescherming naar artikel 1 van het tracébesluit en hoofdstuk 3 van de toelichting vinden zij onvoldoende. Er wordt geen inzicht gegeven in het daadwerkelijke ruimtebeslag van het tracé en in de aanleg- en gebruiksfase en de tijdsduur van de aanleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">105.1. Hoofdstuk 2 van het Deelrapport soortenbescherming bevat een beschrijving van het project. Daarin wordt voor een gedetailleerde beschrijving van het tracé verwezen naar het tracébesluit. Het ruimtebeslag van het tracé in zowel de aanleg- als de gebruiksfase is daarin beschreven, zodat de Afdeling niet inziet waarom daarin onvoldoende inzicht zou bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">105.2. In hoofdstuk 3 van het Deelrapport is onderkend dat de tijdsduur van de aanleg nog niet helemaal bekend is. In het Deelrapport wordt evenwel steeds ingegaan op zowel permanente als tijdelijke effecten. Strijdbaar Angeren en anderen hebben niet geconcretiseerd waarom dit ontoereikend zou zijn voor het beoordelen van de uitvoerbaarheid van het tracébesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">105.3. Het betoog faalt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">106.</span>Strijdbaar Angeren en anderen noemen verder als voorbeeld van een effect van het tracé dat volgens hen onvoldoende inzichtelijk is gemaakt een toename van het aantal aanrijdingen met dieren. Weliswaar is het gevaar van aanrijdingen in paragraaf 3.2 benoemd, maar in de effectbeoordeling komt dit niet aan bod, aldus Strijdbaar Angeren en anderen.</div>\n<p class=\"lf-p\">106.1. In het Deelrapport soortenbescherming zijn versnippering en barrièrewerking als gevolg van het tracé beschreven, met name in relatie tot de brug over het Pannerdensch Kanaal. In dit verband is het ontstaan van aanrijdingen genoemd als mogelijk effect. Anders dan Strijdbaar Angeren en anderen stellen, komt dit aspect wel degelijk aan bod bij de effectbeoordeling die voor de verschillende soorten is gemaakt, bijvoorbeeld bij de steenmarter en de bever (paragraaf 4.3.1). In zoverre mist het betoog feitelijke grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">106.2. Verder is van belang dat de minister heeft toegelicht dat met de aanleg van ecopassages, rasters en beplanting langs de weg aanrijdingen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daardoor is volgens de minister geen sprake van overtreding van een van de verbodsbepalingen in de Wnb. De Afdeling ziet in hetgeen Strijdbaar Angeren en anderen hebben aangevoerd geen reden om hieraan te twijfelen. Daarom faalt het betoog voor het overige.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">107.</span>Strijdbaar Angeren en anderen stellen daarnaast dat het thema ‘verandering in populatiedynamiek’ ten onrechte niet is beoordeeld. Dit terwijl juist de doorsnijding van leefgebieden voor bepaalde soorten tot veranderingen in populatiedynamiek kan leiden. Dit had beoordeeld moeten worden, aldus Strijdbaar Angeren en anderen.</div>\n<p class=\"lf-p\">107.1. De minister heeft toegelicht dat met het tracébesluit geen sprake is van een direct effect op de populatieopbouw of -grootte. Uit het Deelrapport volgt dat andere storende factoren die indirect effect kunnen hebben, zoals ruimtebeslag, verstoring, verdroging, barrièrewerking en stikstofdepositie niet leiden tot significant negatieve effecten, aldus de minister. Er is volgens hem dan ook geen sprake van een verandering in populatiedynamiek als gevolg van de nieuwe weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">107.2. Strijdbaar Angeren en anderen hebben slechts in algemene zin gesteld dat een verandering van de populatiedynamiek kan ontstaan. Zij hebben dit verder niet geconcretiseerd. Daarom ziet de Afdeling in het betoog geen reden voor het oordeel dat de minister zich in zoverre niet op het Deelrapport mocht baseren. Het betoog faalt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">108.</span>Strijdbaar Angeren en anderen stellen dat onduidelijk is of het Deelrapport soortenbescherming bij de inventarisatie van de voorkomende soorten in het projectgebied wel uitgaat van de laatste gegevens. Er wordt weinig inzicht gegeven in de manier waarop met gegevens is omgegaan en op welke gegevens welke conclusie nu precies steunt. Ook het gebruik van de \"Effectenindicator Natura 2000-gebieden\", die niet geschreven is voor soortenbescherming, wordt niet verantwoord, aldus Strijdbaar Angeren en anderen.</div>\n<p class=\"lf-p\">108.1. Het Deelrapport soortenbescherming is voorzien van verwijzingen naar (wetenschappelijke) literatuur, die zijn opgesomd in de literatuurlijst (p. 69-82). Verder is in bijlage 1 een verslag opgenomen van de actualisatie van de bronnenstudie en het veldonderzoek door Bureau Waardenburg. Strijdbaar Angeren en anderen hebben in hun betoog niet geconcretiseerd waarom deze informatie niet toereikend zou zijn voor de minister om de uitvoerbaarheid van het tracébesluit te beoordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">108.2. Verder stelt de Afdeling vast dat het Deelrapport soortenbescherming naar de \"Effectenindicator Natura 2000-gebieden\" verwijst als bron voor het potentiële gevaar voor soorten van verstoring door trillingen en verontreiniging (paragrafen 3.3.2 en 3.6). De Afdeling ziet niet in waarom dit nader verantwoord had moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">108.3. Het betoog faalt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">109.</span>Strijdbaar Angeren en anderen betogen verder dat verstoringen door trillingen, ruimtebeslag en versnippering onvoldoende in kaart zijn gebracht en dat deze effecten ten onrechte zijn benaderd door het hanteren van algemene grenswaarden. Volgens hen moet namelijk per soort een op de soort en de omgeving afgestemde beoordeling plaatsvinden.</div>\n<p class=\"lf-p\">Stichting Milieuvrienden Duiven wijst erop dat het tracé, met name de brug over het Pannerdensch Kanaal, leidt tot versnippering van leefgebieden en als barrière zal werken. Zij vindt het antwoord op haar bezwaren hierover in de zienswijzennota onvoldoende.</p>\n<p class=\"lf-p\">109.1. In hoofdstuk 3 van het Deelrapport soortenbescherming zijn de mogelijke effecten van het project op beschermde soorten beschreven. Hierbij is per effect verantwoord van welke inzichten en wetenschappelijke publicaties is uitgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In paragraaf 3.2 is beschreven op welke wijze het tracé kan leiden tot versnippering en barrièrewerking en wat de effecten daarvan kunnen zijn. In hoofdstuk 4 is vervolgens op basis hiervan beoordeeld wat de verwachte effecten zijn op de soorten die voorkomen in het projectgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">109.2. Strijdbaar Angeren en anderen en Stichting Milieuvrienden Duiven hebben niet geconcretiseerd waarom deze werkwijze in dit geval niet toereikend is dan wel waarom het Deelrapport soortenbescherming wat dit betreft niet klopt. Alleen al hierom falen de betogen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">110.</span>Strijdbaar Angeren en anderen betogen dat niet alle soorten lijken te zijn getoetst. Het gaat volgens hen om soorten die waren vrijgesteld onder de Flora- en faunawet en de lichtbeschermde tabel 1-soorten.</div>\n<p class=\"lf-p\">110.1. In paragraaf 4.2 van het Deelrapport is beschreven welke op grond van dit kader beschermde soorten voorkomen in het studiegebied. Hierbij wordt verwezen naar bijlage 1 bij het Deelrapport, waarin de resultaten van de inventarisaties van Bureau Waardenburg zijn weergegeven. Strijdbaar Angeren en anderen hebben niet geconcretiseerd welke door de Wnb beschermde soorten in het projectgebied zouden voorkomen die ten onrechte niet zijn betrokken in het Deelrapport soortenbescherming. Voor zover zij erop wijzen dat er verschillen zijn tussen de soorten die waren beschermd op grond van de Flora- en faunawet en die zijn beschermd op grond van de Wnb stelt de Afdeling vast dat dit is onderkend in het Deelrapport soortenbescherming op onder meer p. 19 en verder van het rapport van Bureau Waardenburg. Er bestaat daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het tracébesluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betogen falen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mitigerende en compenserende maatregelen 111. Strijdbaar Angeren en anderen betogen dat het erop lijkt dat strategisch gebruik is gemaakt van de termen mitigerende en compenserende maatregelen, omdat juist bij de licht beschermde soorten die zich veelal makkelijker aanpassen dan strikt beschermde soorten compensatie minder noodzakelijk moet worden geacht. Sommige voorgestelde mitigerende maatregelen zijn volgens hen feitelijk compenserende maatregelen en moeten onder een ander beoordelingskader worden getoetst.</p>\n<p class=\"lf-p\">111.1. In de inleiding van paragraaf 4.4 van het Deelrapport soortenbescherming staat - kort samengevat - dat mitigerende maatregelen ertoe dienen negatieve effecten zoveel als mogelijk te beperken. Is dat niet volledig mogelijk, dan is het aanvragen van een ontheffing nodig. Er zijn dan compenserende maatregelen nodig om het verlies aan natuurwaarden terug te brengen, aldus het Deelrapport. In het vervolg van het Deelrapport is aan de hand van dit uitgangspunt beschreven welke mitigerende en compenserende maatregelen nodig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Strijdbaar Angeren en anderen hebben niet geconcretiseerd welke maatregelen in het Deelrapport soortenbescherming onjuist gekwalificeerd zouden zijn. Alleen al hierom faalt het betoog.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen auteursvermelding 112. Strijdbaar Angeren en anderen betogen dat net als in de passende beoordeling in het Deelrapport soortenbescherming ten onrechte de auteurs niet zijn vermeld. Hierdoor is niet duidelijk wat de expertise van de auteurs is, terwijl regelmatig een beroep wordt gedaan op expert judgement.</p>\n<p class=\"lf-p\">112.1. In het Deelrapport soortenbescherming zijn de auteurs vermeld in de colofon op de een-na-laatste bladzijde. Het betoog mist feitelijke grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mogelijkheid ontheffing 113. Strijdbaar Angeren en anderen betogen dat de minister ten onrechte concludeert dat de benodigde ontheffingen waarschijnlijk kunnen worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe voeren zij allereerst aan dat volgens het Deelrapport soortenbescherming ontheffingen nodig zijn voor het overtreden van verbodsbepalingen over soortenbescherming in de Wnb. Omdat het hierbij ook gaat om soorten in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, kan alleen ontheffing worden verleend op de gronden die zijn genoemd in artikel 3.8, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Wnb. Die gronden zijn volgens Strijdbaar Angeren en anderen niet van toepassing op het tracébesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de tweede plaats voeren zij aan dat in het Deelrapport soortenbescherming ten onrechte voor geen enkele soort waarvoor een ontheffing nodig is de staat van instandhouding is beoordeeld. Voor soorten in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en vogels is volgens Strijdbaar Angeren en anderen bovendien vereist dat de staat van instandhouding ook op lokaal of regionaal niveau wordt beoordeeld. Dat heeft de minister nagelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">113.1. Uit tabel 4-4 in samenhang met tabel 4-1 van het Deelrapport soortenbescherming volgt dat voor zowel soorten die zijn vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn als vogels die zijn vermeld in de Vogelrichtlijn, mogelijk een ontheffing op grond van de Wnb nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">113.2. De Afdeling ziet in wat Strijdbaar Angeren en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding om te oordelen dat de minister op voorhand in redelijkheid heeft moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het tracébesluit in de weg staat omdat de eventueel benodigde ontheffingen niet kunnen worden verleend. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals hiervoor onder 1 is vastgesteld, is volgens de Startnotitie de hoofddoelstelling van het project het verbeteren van de bereikbaarheid en veiligheid over de weg in de regio Arnhem-Nijmegen en is een bijkomende doelstelling het verbeteren van de hoogwaterveiligheid. Gelet hierop kan een ontheffing voor soorten in bijlage IV van de Habitatrichtlijn mogelijk worden verleend op grond van artikel 3.8, vijfde lid, onder b, ten derde, van de Wnb (dwingende reden van groot openbaar belang) en voor vogels die zijn vermeld in de Vogelrichtlijn op grond van artikel 3.3, vierde lid, onder b, ten eerste, van de Wnb (volksgezondheid of de openbare veiligheid). In hoeverre dit daadwerkelijk het geval is, staat nu niet ter beoordeling (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:596, onder 21.5).</p>\n<p class=\"lf-p\">113.3. Over de beoordeling van de staat van instandhouding overweegt de Afdeling dat in paragraaf 4.3 van het Deelrapport soortenbescherming per soortgroep de effecten zijn beschreven. Daarbij is ook beoordeeld of mogelijk een verbodsbepaling wordt overtreden en of mitigerende maatregelen nodig zijn dan wel een ontheffing moet worden aangevraagd. Voor de soorten waarvoor een ontheffing waarschijnlijk nodig is wordt weliswaar niet ingegaan op de feitelijke staat van instandhouding van de betrokken soort, maar deze enkele omstandigheid leidt niet tot het oordeel dat de minister zich bij de vaststelling van het tracébesluit niet in redelijkheid op het Deelrapport soortenbescherming heeft kunnen baseren. Zoals hiervoor al overwogen komt de vraag of een ontheffing daadwerkelijk kan worden verleend in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Daarbij zal het van de betrokken soort, het effect van het project en de mogelijke maatregelen afhangen of het nodig is om inzicht te hebben in de feitelijke staat van instandhouding.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betogen falen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verlichting 114. GNMF stelt dat licht dat afkomstig is van de doorgetrokken A15 negatieve gevolgen kan hebben voor beschermde diersoorten. Zo kan de verlichting van auto’s zorgen voor barrièrewerking voor gevoelige soorten als de meervleermuis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter zitting heeft GNMF ook gesteld dat de minister als nieuw beleid heeft dat snelwegen weer zullen worden verlicht. Het is daarom niet uitgesloten dat langs het tracé toch verlichting zal worden geplaatst. Ook heeft GNMF ter zitting gewezen op de fietsvoorzieningen die in het kader van het project worden aangelegd. Fietspaden worden volgens haar in verband met de sociale veiligheid meestal verlicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">114.1. In het Deelrapport soortenbescherming is verstoring door licht benoemd als mogelijk effect van het tracé. Er staat in paragraaf 3.3.4: \"Er wordt geen wegverlichting aangelegd langs de nieuwe snelweg. Dit is een ontwerpuitgangspunt die het vertrekpunt is voor de effectbepaling. Wel is er sprake van een toename van verlichting als gevolg van de koplampen van het verkeer. Dit is een nieuwe verlichtingsbron die met name gericht is op de weg en wegbermen zelf. Er is dus geen sprake van directe beschijning (illuminatie) van de omgeving. Wel is sprake van zichtbaarheid van de lichtbron als gevolg van uitstraling (luminatie), maar wordt door soorten als minder hinderlijk ervaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdelijk effect Verlichting is een aandachtspunt tijdens de uitvoeringsperiode en daarom zal dit aspect meegenomen worden bij de beschrijving van tijdelijke effecten van verlichting tijdens de uitvoering van werkzaamheden.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de effectbeoordeling is verstoring door licht bij de in het projectgebied aangetroffen soorten met name van belang voor vleermuizen. Het Pannerdensch Kanaal is mogelijk een vliegroute voor de watervleermuis en meervleermuis tijdens de seizoensmigratie. Het kanaal blijft passeerbaar onder de brug. Hoewel er geen wegverlichting wordt aangebracht, dreigt een permanent effect als gevolg van verstoring door verlichting van het wegverkeer (p. 23). Daarnaast is er een mogelijk tijdelijk effect op vleermuizen door het gebruik van verlichting tijdens de werkzaamheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Deelrapport gaat ervan uit dat de brug over het Pannerdensch Kanaal met een opstaande rand wordt uitgevoerd. Daarom ontstaat geen permanent effect voor vleermuizen. Als tijdens de werkzaamheden het gebruik van verlichting bij vliegroutes en foerageergebieden wordt vermeden of als de werkterreinen worden afgeschermd, dan is er in zoverre ook geen tijdelijk effect te verwachten, aldus het Deelrapport soortenbescherming.</p>\n<p class=\"lf-p\">114.2. Artikel 10 van het tracébesluit luidt: \"Om negatieve effecten op de natuur te voorkomen en te voldoen aan de Wet natuurbescherming en regels ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk worden de volgende mitigerende maatregelen getroffen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Voor de uitvoering van de werkzaamheden gelden enkele generieke maatregelen waar bij de effectbeoordeling rekening mee gehouden is. a. brugontwerp zonder verlichting en met opstaande rand om lichtverstoring door wegverkeer tegen te gaan; b. afschermen van werkterreinen om verstoring door licht tegen te gaan.\"</div>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge het derde lid, onderdeel c, geldt in aanvulling hierop: \"Tijdens de werkzaamheden aan kunstwerken die ook de functie vervullen als vliegroute en/of nabij foerageergebied van meervleermuizen liggen wordt de functionaliteit behouden door het afschermen van de verlichting van het werkterrein.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">114.3. Zoals blijkt uit artikel 10 van het tracébesluit heeft de minister mogelijke verstoring van beschermde diersoorten door verlichting in de besluitvorming betrokken en in het tracébesluit al voorzien in mitigerende maatregelen. GNMF heeft niet aannemelijk gemaakt dat de minister daarbij specifieke soorten of effecten ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover GNMF wijst op een mogelijke verandering van het uitgangspunt dat er geen wegverlichting langs het tracé wordt aangelegd, ziet de Afdeling geen reden voor het oordeel dat de minister daar ten tijde van het vaststellen van het tracébesluit al rekening mee had moeten houden. Overigens moet de minister - zoals hij ter zitting ook heeft erkend - als hij in de toekomst toch verlichting langs het tracé wil aanbrengen op dat moment bezien of dat kan leiden tot een overtreding van een verbodsbepaling van de Wnb. Als dat niet kan worden uitgesloten, dan zal de minister op dat moment alsnog een ontheffing moeten aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grondgebonden zoogdieren Bever 115. Strijdbaar Angeren en anderen betogen dat de toetsing van de gevolgen voor de bever in het Deelrapport soortenbescherming onvolledig is. Volgens hen is deze namelijk gericht op de enkele verstoring van een beverburcht, terwijl met de forse ingrepen in het gebied ook andere permanente effecten voor de bever en voor het leefgebied van de bever verwacht kunnen worden. Anders dan in het Deelrapport staat, is het niet voldoende om als mitigerende maatregel een afstand van 50 m tot een beverburcht aan te houden. Hiermee is volgens Strijdbaar Angeren en anderen namelijk geen afweging gegeven over de staat van instandhouding van de bever.</p>\n<p class=\"lf-p\">115.1. In paragraaf 4.3.1 van het Deelrapport soortenbescherming staat dat op ongeveer 150 en 200 m van de brug twee bewoonde beverburchten liggen. Daarnaast bevinden zich op enkele tientallen meters van de brug twee onbewoonde burchten. Volgens het Deelrapport is er naar verwachting geen sprake van verstoring van bevers in de gebruiksfase. Daarvoor wordt onder meer van belang geacht dat bevers snel kunnen wennen aan menselijke activiteiten en de bever de brug onderlangs kan passeren waardoor geen sprake hoeft te zijn van verkeersslachtoffers. In het Deelrapport wordt geconcludeerd dat geen sprake is van permanente aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen en functionaliteit van het leefgebied, aangezien er geen vaste rust- en verblijfplaatsen verloren gaan en er voldoende geschikt leefgebied voorhanden blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over de tijdelijke effecten staat in het Deelrapport dat wanneer de onbewoonde burchten ten tijde van de werkzaamheden wel bewoond zijn, verstorende effecten in de voorplantingsperiode niet kunnen worden uitgesloten. In dat geval moet betreding van de directe omgeving van de burcht (binnen 50 m) worden voorkomen. In paragraaf 4.2.2 van het Deelrapport zijn voor de bever mogelijke mitigerende maatregelen opgenomen waarmee overtredingen van verbodsbepalingen kunnen worden voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">115.2. Strijdbaar Angeren en anderen hebben niet onderbouwd waarom, in weerwil van het voorgaande, permanente effecten van het tracé voor de bever zullen ontstaan. Verder ziet de Afdeling in hetgeen is aangevoerd geen redenen om te betwijfelen dat met mitigerende maatregelen kan worden voorkomen dat een verbodsbepaling wordt overtreden. Voor zover Strijdbaar Angeren en anderen stellen dat met de mitigerende maatregel geen afweging is gegeven over de staat van instandhouding van de bever wijst de Afdeling erop dat alleen als een mitigerende maatregel niet kan voorkomen dat een verbodsbepaling uit de Wnb wordt overtreden, moet worden beoordeeld of een ontheffing kan worden verleend. Pas dan speelt de staat van instandhouding een rol.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Otter 116. Strijdbaar Angeren en anderen stellen dat het Deelrapport soortenbescherming onvoldoende aandacht heeft voor de effecten van de aanleg en het gebruik van het tracé op de otter. Hoewel de otter volgens het Deelrapport wel is waargenomen in het gebied, komt deze volgens Strijdbaar Angeren en anderen ten onrechte niet voor op het overzicht in tabel 7-1 en heeft er geen toetsing aan de staat van instandhouding plaatsgehad.</p>\n<p class=\"lf-p\">116.1. In paragraaf 4.2.1 van het Deelrapport soortenbescherming staat dat nabij het tracé twee waarnemingen bekend zijn van de otter. Uit het rapport van Bureau Waardenburg volgt dat deze waarnemingen zijn gedaan in juli en november 2014. Volgens het Deelrapport soortenbescherming zijn in 2016 echter geen sporen aangetroffen. De otter is dan ook niet vermeld in het overzicht van beschermde soorten binnen de tracégrenzen zoals opgenomen in tabel 4-1 en komt ook niet terug in de bespreking van de effectbeschrijving en -beoordeling in paragraaf 4.3.1. Volgens het Deelrapport soortenbescherming in 2016 zijn twee nieuwe otters uitgezet in de Rijnstrangen en in de Ooijpolder. De minister stelt dat met de aanleg van twee duikers aan weerszijden van knooppunt Oudbroeken, waarvan ook de otter gebruik kan maken, rekening wordt gehouden met mogelijke toekomstige vestiging van deze soort in het studiegebied.</p></div>", "next": 239507}