{"html": "<div class=\"lf-doc\"><div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(59)</span>H.W. Heyman, S.E. Bartels en V. Tweehuysen, Vastgoedtransacties. Overdracht, Den Haag: Boom juridisch 2019, p. 161.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(60)</span>Rb. Noord-Nederland 14 januari 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:56. Zie ook Rb. Noord-Nederland 21 juni 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:3242.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(61)</span>Namelijk op de website https://www.vverecht.nl/, toen ik zocht op ‘model leveringsakte’. Wat de herkomst van deze modelakte is, heb ik niet kunnen achterhalen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(62)</span>Zie Bartels op de in voetnoot 59 aangehaalde plaats.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(63)</span>Namens het IMG is bij de behandeling door de rechtbank geopperd dat dit slot zou zijn opgenomen door toedoen van eiser, zonder de instemming van de derde-partijen - een nogal opmerkelijke stelling m.i. -, maar dat slot staat ook in het model dat ik op genoemde website vond. In zijn schriftelijke opmerkingen over de prejudiciële vragen bij brief van 13 juni 2023 merkt het IMG nog op dat het feit dat sprake is van een stille cessie al volgt uit het gegeven dat de cessie is opgenomen in een authentieke akte. Dat is niet zo’n sterk argument: ook een gewone cessie kan immers bij authentieke akte tot stand worden gebracht. Of sprake is van een gewone of een stille cessie hangt, zoals volgt uit het hiervoor vermelde, af van hetgeen partijen daarover zijn overeengekomen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(64)</span>Daarover is wellicht twijfel mogelijk, gelet op de uitlating in de opmerkingen over de prejudiciële vragen van het IMG bij brief van 13 juni 2023, p. 2, bovenaan, dat het geval zich kan voordoen dat de vordering op het IMG tijdens de behandeling van de aanvraag teniet kan gaan door voldoening door de NAM aan de aanvrager. Als de vordering op de NAM altijd wordt gecedeerd, kan dat geval zich immers niet voordoen. Mogelijk is deze uitlating echter een verschrijving of is daarbij gedacht aan een toepassing van art. 6:34 BW.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(65)</span>Zie de zittingsaantekeningen van de rechtbank, p. 4 bovenaan. De opmerking behoeft wat mij betreft wel nadere toelichting, maar de rechtbank heeft volgens de zittingsaantekeningen niet doorgevraagd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(66)</span>Zie o.m. de schriftelijke opmerkingen namens eiser naar aanleiding van de prejudiciële vragen bij brief van 7 juni 2023, p. 1-2. De e-mail is daarbij overgelegd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(67)</span>Zie de zittingsaantekeningen van de rechtbank, p. 3 onderaan, p. 4 bovenaan. Hoe het zit met de ontvangst van de in de vorige voetnoot genoemde e-mail is niet duidelijk.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(68)</span>Daarbij attendeer ik erop dat ook omstandigheden die dateren van na de totstandkoming van de overeenkomst - zoals in dit geval de omstandigheden dat eiser na het sluiten van de koopovereenkomst de aanvraag bij het IMG heeft gedaan en daarvan melding heeft gemaakt aan de derde-partijen -, van belang kunnen zijn voor de uitleg daarvan. Zie zeer uitvoerig hierover Schelhaas &amp; Valk, Uitleg van rechtshandelingen (Mon. Pr. nr. 20) 2022/1.5, met vermelding van rechtspraak.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(69)</span>Schlössels &amp; Zijlstra, a.w., p. 338-339.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(70)</span>Zie voor het feit dat het om een begrenzing gaat de toelichting op art. 3:2 Awb, PG Awb I, p. 203, l.k.</div></div>", "next": 0}