{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">45.1. De raad stelt dat aan de keuze voor de locatie van het Energielandgoed een zorgvuldige afweging ten grondslag ligt, waarbij meerdere locaties aan de hand van een MER zijn onderzocht. Gelet op de aspecten energieopbrengst, ruimtegebruik, leefomgeving en landschap is de keuze gevallen op de locatie Wells Meer. Volgens de raad zal de realisatie van het energielandgoed uitsluitend mogelijk zijn na beëindiging van de bedrijfsvoering van [appellante sub 1] en anderen. De belangen van [appellante sub 1] en anderen zijn volgens de raad betrokken bij de belangenafweging die aan het plan ten grondslag ligt. De raad heeft echter doorslaggevend gewicht toegekend aan het belang bij grootschalige opwekking van duurzame energie. Volgens de raad is de gemeente al geruime tijd in gesprek met [appellante sub 1] en anderen over uitkopen of het verplaatsen van de bedrijfsactiviteiten. Daarbij wijst de raad op een besluit van 13 juli 2021 om over te gaan tot onteigening indien geen overeenstemming wordt bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">45.2. De Afdeling stelt vast dat de raad bij de planvaststelling heeft onderkend dat de realisatie van het Energielandgoed tot gevolg heeft dat de agrarische bedrijfsvoering van [appellante sub 1] en anderen moet worden beëindigd. Dat de agrarische bedrijfsvoering van [appellante sub 1] en anderen moet worden beëindigd betekent niet dat de raad bij de planvaststelling niet redelijkerwijs een groter gewicht heeft mogen toekennen aan de belangen die zijn gediend met de realisatie van het Energielandgoed dan aan de bedrijfsbelangen van [appellante sub 1] en anderen. De omstandigheid dat ten tijde van de planvaststelling nog geen overeenstemming was bereikt met [appellante sub 1] en anderen over de wijze waarop de negatieve gevolgen voor hun agrarische bedrijfsvoering kunnen worden weggenomen, betekent evenmin dat de raad niet tot vaststelling van de het plan heeft mogen besluiten. Daartoe acht de Afdeling redengevend dat de realisatie van het Energielandgoed uitsluitend mogelijk zal zijn door minnelijke verwerving dan wel onteigening van de hiervoor benodigde gronden. Hierbij is minnelijke verwerving van de gronden het uitgangspunt. Indien de gronden niet minnelijk kunnen worden verworven en tot onteigening wordt overgegaan, is het wettelijk uitgangspunt dat [appellante sub 1] en anderen volledig schadeloos moeten worden gesteld. Hiermee zijn de belangen van [appellante sub 1] en anderen naar het oordeel van de Afdeling afdoende gewaarborgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog slaagt niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangenafweging woon- en leefklimaat [appellant sub 2] 46. [appellant sub 2] betoogt dat zijn woning door het plan omgeven zal worden door zonnepanelen, waardoor de groene omgeving en het weidse uitzicht zal veranderen in een zwart/grijze wereld. De raad heeft volgens [appellant sub 2] onvoldoende onderzocht of de bijdrage aan de realisering van de energietransitie ook met minder grote gevolgen voor mens en natuur mogelijk was geweest. Zo is niet eerst onderzocht of er mogelijkheden waren om zonnepanelen op bestaande gebouwen te plaatsen, of om op andere manieren te zorgen voor een plan met minder ingrijpende gevolgen. De raad heeft dus onvoldoende onderzoek gedaan naar mogelijke alternatieven. Ook heeft de raad onvoldoende gewicht toegekend aan het belang van de bescherming van de natuur en de leefomgeving. Dat strookt niet met de ambitie van de gemeente om met het Energielandgoed ook de belangen van burgers te dienen. Burgers ervaren slechts een verslechtering van hun leefomgeving en zullen ook financieel geen baat hebben bij het plan, zo betoogt [appellant sub 2].</p>\n<p class=\"lf-p\">46.1. De raad stelt dat het plan inderdaad zonnevelden rondom het woonperceel van [appellant sub 2] mogelijk maakt. Het perceel van [appellant sub 2] is volgens de raad echter ruim en omgeven door groen, waardoor het zicht op de zonnepanelen beperkt zal zijn. Gelet hierop acht de raad dit ruimtelijk aanvaardbaar. Overigens heeft de raad, om [appellant sub 2] tegemoet te komen, met [appellant sub 2] afgesproken dat een talud met een hoogte van 1,60 meter zal worden gerealiseerd, waardoor het zicht op de zonnepanelen verder zal worden beperkt. De zonnepanelen hebben namelijk een maximale hoogte van 1,60 meter. Ook wijst de raad overigens nog op andere afspraken die met [appellant sub 2] zijn gemaakt, waardoor het zicht op de zonnepanelen zo veel mogelijk zal worden beperkt, zoals het vrij houden van een bepaalde zone rondom de woning van zonnepanelen en maatregelen om het vrije uitzicht vanuit het zijraam van de woning te behouden. Verder verwijst de raad naar het uitgebreide locatieonderzoek, de eerder opgestelde structuurvisie en de onderzoeken die daaraan ten grondslag liggen, de zonneladder en het MER. Volgens de raad blijkt daaruit dat niet over één nacht ijs is gegaan en dat naar alle relevante ruimtelijke aspecten, waaronder de bescherming van de natuur en de leefomgeving, onderzoek is gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">46.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad de relevante belangen van [appellant sub 2] bij de planvaststelling betrokken. De raad heeft daarbij de gevolgen van het plan voor het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2] onderkend, maar heeft redelijkerwijs een groter gewicht mogen toekennen aan het belang dat is gediend met de realisatie van het Energielandgoed in deze vorm en op deze locatie. De raad heeft daarbij mogen betrekken dat het perceel van [appellant sub 2] ruim is en omgeven door groen, waardoor het zicht op de zonnepanelen beperkt zal zijn. Ook voor het overige heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling de verschillende relevante belangen bij de planvaststelling betrokken en heeft de raad voldoende oog gehad voor mogelijke alternatieven. De Afdeling verwijst daartoe mede naar wat hiervoor is overwogen in het kader van de zonneladder, nut en noodzaak van het plan en de natuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog slaagt niet. [appellant sub 3] en anderen 47. [appellant sub 3] en anderen betogen dat de aanvullende geluidsberekeningen van Pondera, die in bijlage 18 bij de plantoelichting bij het herstelbesluit zijn gevoegd, onvolledig zijn. Bij het onderwerp verkeer door bezoekers is er ten onrechte geen rekening gehouden met seizoensinvloeden. Ook is er geen rekening gehouden met het verkeer dat wordt veroorzaakt door de medewerkers uit het bedrijfsverzamelgebouw, de onderhoudsmedewerkers voor de installaties of de agrariërs die zorgen voor de planten onder de zonnepanelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">47.1. De Afdeling overweegt dat [appellant sub 3] en anderen bestaat uit meerdere personen. Het plangebied wordt ontsloten door de Wezerweg, die aan de zuidwestzijde aansluit op de N271 en aan de noordoostzijde op de Veenweg. De woningen van [appellant sub 3] en anderen liggen niet aan deze wegen. Gelet op de positie van hun woningen ten opzichte van deze wegen en verkeersstructuur ter plaatse, ziet de Afdeling niet in dat eventuele geluidsoverlast door verkeer als gevolg van seizoensinvloeden of door medewerkers uit het bedrijfsverzamelgebouw, de onderhoudsmedewerkers voor de installaties of de agrariërs die zorgen voor de planten onder de zonnepanelen zal optreden op of rond de gronden van [appellant sub 3] en anderen. [appellant sub 3] en anderen komen met deze beroepsgrond dus niet op voor hun eigen belang. Artikel 8:69a van de Awb staat in de weg aan de vernietiging van het bestemmingsplan op grond van dit aspect. De Afdeling zal deze grond daarom niet inhoudelijk bespreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog slaagt niet. [appellant sub 4] 48. [appellant sub 4] betoogt dat de raad zijn belangen onvoldoende heeft betrokken in de belangenafweging. Het bestemmingsplan leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het bestemmingsplan maakt mogelijk dat het perceel van [appellant sub 4] volledig wordt ingesloten door zonnepanelen en dat er op korte afstand van de woonbestemming grote windturbines mogelijk worden gemaakt. [appellant sub 4] verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 17 mei 2023, ECLI:NLRVS:2023:1930. Volgens [appellant sub 4] had de raad grootschalige energieopwekking alleen moeten toestaan als aanvulling op wat er in stedelijk gebied gerealiseerd kan worden. Volgens [appellant sub 4] leidt het bestemmingsplan in deze vorm ook tot onnodige horizonvervuiling. [appellant sub 4] betoogt daarnaast dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de nadelige effecten van lichtreflectie door de zonnepanelen op zijn perceel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is hier geen onderzoek naar gedaan. Volgens [appellant sub 4] klemt dit nog meer, omdat er geen goede landschappelijke inpassing heeft plaatsgevonden. In het bestemmingsplan, maar ook privaatrechtelijk, had bescherming tegen overlast door lichtreflectie geregeld moeten worden. [appellant sub 4] betoogt verder dat in het herstelbesluit van 25 april 2022 ten onrechte de voorwaardelijke verplichting in artikel 15.2.1 van de planregels is komen te vervallen. In de planregels wordt nu niet meer geborgd dat het landschappelijk inpassingsplan in bijlage 3 bij de planregels, dat ziet op zijn perceel, wordt uitgevoerd. Volgens [appellant sub 4] moet de raad verantwoordelijk blijven voor de landschappelijke inpassing van zijn perceel.</p>\n<p class=\"lf-p\">48.1. De raad heeft toegelicht dat hij de gevolgen van het bestemmingsplan op het woon- en leefklimaat van [appellant sub 4] aanvaardbaar acht en dat landschappelijke inpassing rondom het perceel van [appellant sub 4] niet noodzakelijk is. De raad verwijst daarbij onder meer naar het verweer dat hij heeft gevoerd bij de onderwerpen geluid en slagschaduw. Ook wijst de raad er op dat de drie (voorkeurs)varianten die zijn beoordeeld in het MER alle drie als passend zijn beoordeeld met het oog op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uit het MER volgt ook dat de plaatsing van de windturbines negatieve gevolgen heeft voor de visuele rust, openheid en zichtbaarheid, maar positief scoort op de criteria aansluiting/invloed op de landschappelijke structuur en de herkenbaarheid van de opstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de raad zijn de effecten van de windturbines op het landschap niet zodanig dat van de realisering van de windturbines moet worden afgezien. De raad stelt zich daarbij op het standpunt dat in het algemeen geen blijvende rechten ontleend kunnen worden aan een geldend bestemmingsplan en dat de raad op basis van gewijzigde planologische inzichten en na een belangenafweging andere bestemmingen en planregels mag vaststellen. Volgens de raad hoefde er geen onderzoek gedaan te worden naar lichtreflectie of lichtschittering, omdat dit niet zal optreden. Volgens de raad worden windturbines tegenwoordig gemaakt met een anti-reflecterende coating. Daarbij worden zonnepanelen alleen nog gemaakt van speciaal glas dat het licht optimaal absorbeert en niet of nauwelijks reflecteert.</p>\n<p class=\"lf-p\">48.2. Het perceel van [appellant sub 4] is ongeveer 39.000 m2 groot en ligt op een afstand van ongeveer 340 m van de Wezerweg. Het perceel heeft voor het grootste gedeelte de bestemming \"Agrarisch met waarden\". Deze gronden omringen een vlak met de bestemming \"Wonen\", waarin de woning van [appellant sub 4] staat. Het perceel van [appellant sub 4] wordt geheel omsloten door gronden met de bestemming \"Energielandgoed\", met uitzondering van een strook van ongeveer 10,5 m breed, waar de toegangsweg in ligt. Aan de gronden van het Energielandgoed rondom het perceel van [appellant sub 4] is de aanduiding \"specifieke vorm van bedrijf - zonnepark\" toegekend. Hier geldt op grond van de planregels een bebouwingspercentage van 25%, een maximale bouwhoogte van 1,6 m en een minimale afstand tussen de onderkant van de zonnepanelen en het aansluitende afgewerkte maaiveld van 0,6 m. Ook geldt er een minimale afstand van de zonnepanelen tot geluidgevoelige objecten van minstens 25 m. De dichtstbijzijnde windturbine die het plan mogelijk maakt, ligt op ongeveer 240 m van zijn perceel en ongeveer 460 m van zijn woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">In bijlage 3 bij de planregels is een document opgenomen waarin is omschreven hoe het perceel van [appellant sub 4] kan worden ingepast. Deze omschrijving bestaat uit de tekst: \"Inpassing van dit perceel geschiedt door langs de rode belijning inlandse eiken aan te planten. Er kan worden uitgegaan van een plantafstand van 15 tot 20 meter\". In de planregels is geen bepaling opgenomen waaruit volgt dat deze inpassing aangelegd en/of in standgehouden moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">48.3. Zoals is overwogen in overweging 17, moet de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan de betrokken belangen afwegen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad de belangen van [appellant sub 4] onvoldoende kenbaar meegenomen in zijn belangenafweging. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in het algemeen geen blijvende rechten ontleend kunnen worden aan een geldend bestemmingsplan en hij mocht ook verwijzen naar de conclusies die in het MER zijn getrokken over het woon- en leefklimaat. Maar uit het verweer van de raad en de plantoelichting blijkt onvoldoende duidelijk of en in hoeverre de raad de belangen van [appellant sub 4] heeft meegewogen, waarbij van belang is dat zijn perceel midden in het energielandgoed is gelegen en nog voor wonen wordt bestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">48.4. De raad heeft in het verweerschrift toegelicht dat het landschappelijk inpassingsplan dat in het verleden is overeengekomen met [appellant sub 4], niet als voorwaardelijke verplichting aan de destijds verleende vrijstelling voor de sloop en bouw van de woning van [appellant sub 4] is verbonden. Omdat [appellant sub 4] de landschappelijke inpassing nog niet had gerealiseerd, heeft de raad in het (vorige) bestemmingsplan \"Buitengebied 2018\" (artikel 42.2.1, aanhef en onder a, van de planregels en bijlage 5 bij de regels) alsnog een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de landschappelijke inpassing van de [locatie 1]. De Afdeling begrijpt hieruit dat het landschappelijk inpassingsplan is opgesteld ten behoeve van de bouw van de woning van [appellant sub 4]. Daarmee is nog onvoldoende duidelijk welk gewicht de raad toekent aan de landschappelijke gevolgen van het nu voorliggende bestemmingsplan op het perceel van [appellant sub 4].</p>\n<p class=\"lf-p\">De raad heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de landschappelijke inpassing van het perceel van [appellant sub 4], die eerder wel noodzakelijk is geacht, nu niet meer noodzakelijk is, terwijl de ruimtelijke uitstraling van de ontwikkeling die in dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt veel groter is dan ontwikkeling waarvoor het landschappelijk inpassingsplan oorspronkelijk was opgesteld. De omgeving van [appellant sub 4] zal namelijk aanmerkelijk veranderen door de komst van het Energielandgoed. Volgens de raad loopt het perceel van [appellant sub 4] zeer ruim om de woning en de tuin van [appellant sub 4] heen, die volgens de raad ook omgeven is door groen. De Afdeling stelt echter vast dat de gronden met de woonbestemming niet midden op het perceel van [appellant sub 4] liggen. De kortste afstand tussen het vlak met de woonbestemming en het Energielandgoed is ongeveer 7,5 m. De kortste afstand tussen de woning van [appellant sub 4] en het Energielandgoed is ongeveer 33 m. Zoals is overwogen onder 48.2 laten de bouwregels in het bestemmingsplan toe dat de zonnepanelen direct langs de perceelsgrens worden geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het verweer van de raad blijkt onvoldoende of en hoe de raad de impact van een dergelijke invulling van het bestemmingsplan heeft meegewogen. De raad heeft daarmee onvoldoende gemotiveerd waarom de landschappelijke inpassing van het perceel van [appellant sub 4] niet noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog slaagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitvoerbaarheid Financiële uitvoerbaarheid 49. [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 3] en anderen betogen dat onduidelijk is of het bestemmingsplan financieel uitvoerbaar is. Volgens [appellante sub 1] en anderen is er geen onderbouwing gegeven van de financiële uitvoerbaarheid. Daarnaast is er geen inzicht gegeven in de (financiële) waarborgen die er zijn in verband met het niet langer kunnen gebruiken van de landbouwgronden door [appellante sub 1] vanwege het energielandgoed. Ook is er geen inzicht gegeven in de kosten van de noodzakelijke natuurcompensatie en is het project afhankelijk van de SDE++subsidie, terwijl het nog niet duidelijk is of daar aanspraak op kan worden gemaakt. [appellant sub 3] en anderen wijzen er in dat verband op dat in de voorwaarden voor de SDE subsidie staat dat de productie-installatie uiterlijk binnen vier jaar na de beschikkingsdatum in gebruik moet worden genomen. Ook is de raad volgens hen in het masterplan uitgegaan van incorrecte bedragen. Verder heeft er volgens [appellante sub 1] en anderen een uitgebreide marktconsulatie plaatsgevonden, maar informatie is in strijd met artikel 3:11, eerste lid, en 3:14, eerste lid, van de Awb, niet bij de stukken gevoegd. Omdat er nog geen bedrijven bekend zijn die de uitvoering en exploitatie van het energielandgoed op zich willen nemen, en de gemeente het energielandgoed ook niet zelf gaat ontwikkelen, is er sprake van een onuitvoerbaar plan.</p>\n<p class=\"lf-p\">49.1. Bij een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog over de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder de financieel-economische uitvoerbaarheid, alleen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit als de raad redelijkerwijs had moeten inzien dat het plan om financieel-economische of andere redenen op voorhand niet uitvoerbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raad heeft in het verweerschrift onder verwijzing naar paragraaf 6.1.1 van de plantoelichting en paragraaf 7.5 in het masterplan toegelicht dat het bestemmingsplan financieel uitvoerbaar is. De raad is hierbij ingegaan op in hoeverre het bestemmingsplan gefinancierd wordt door eigen vermogen, projectfinanciering en subsidies. De Afdeling ziet in wat [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd geen reden om te twijfelen aan de uitgangspunten die de raad heeft gehanteerd. Ook hebben zij niet concreet gemaakt welke informatie over de marktconsultatie ontbreekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarom heeft de raad zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat er geen redenen zijn waarom het plan op voorhand niet uitvoerbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog slaagt niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oprichten BV’s 50. [appellant sub 3] en anderen wijzen er op dat de gemeente het Energielandgoed wil realiseren en exploiteren door een B.V. op te richten. Volgens hen is het de vraag of de gemeente daartoe wel bevoegd is, gelet op de Wet financiering decentrale overheden (Fido) en de regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden (Ruddo).</p>\n<p class=\"lf-p\">50.1. Daargelaten de vraag of de door [appellant sub 3] en anderen ingeroepen normen kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen - in dat geval kan de aangevoerde beroepsgrond op grond van artikel 8:69a van de Awb niet tot vernietiging leiden - hebben [appellant sub 3] en anderen niet nader onderbouwd waarom de Fido en de Ruddo aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staan. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de raad vanwege deze regelingen op voorhand had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog slaagt niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Netaansluiting 51. [appellant sub 3] en anderen betogen dat de plannen niet uitvoerbaar zijn, omdat er een verzwaarde nieuwe netaansluiting gerealiseerd zal moeten worden met een aparte ruimtelijke procedure. Het is volstrekt onduidelijk wanneer de aansluiting op het elektriciteitsnet gereed is. Ook moet er een nieuw transformatorstation worden gebouwd, maar hier is geen rekening mee gehouden in de planning en in de aanvraag. Uit berichtgeving van TenneT blijkt volgens [appellant sub 3] en anderen dat er een mismatch is tussen de planning van de raad en de netaansluiting. Verder moet de bekabelingsinfrastructuur door het bijzonder stiltegebied van het Natura 2000-gebied aangelegd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">51.1. Bij een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog over de uitvoerbaarheid van dat plan alleen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit als de raad redelijkerwijs had moeten inzien dat het plan op voorhand niet uitvoerbaar is. Daar is hier geen sprake van. De Afdeling ziet in wat [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Energielandgoed niet op het elektriciteitsnetwerk kan worden aangesloten. De raad heeft toegelicht dat de gemeente Bergen en netbeheerders Enexis Netbeheer en TenneT op 9 september 2019 een intentieovereenkomst hebben getekend over het tijdig aansluiten van het Energielandgoed op het elektriciteitsnet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook heeft de gemeente met TenneT afgesproken dat in de opstartfase altijd ruimte beschikbaar zal zijn voor de ontsluiting van het Energielandgoed. Verder is vastgelegd dat stapsgewijs uiterlijk in 2027 een volledige aansluiting is gerealiseerd. De Afdeling heeft geen reden om te twijfelen aan de toelichting van de raad. Voor zover [appellant sub 3] en anderen hebben betoogd dat de netaansluiting door een stiltegebied moet worden aangelegd, kan de Afdeling dit betoog niet volgen. Op ongeveer 2,5 km van het plangebied ligt het stiltegebied De Hamert. In het MER is in paragraaf 4.2.6 ingegaan op de aanleg van het kabeltracé. Ook is er een kaartje opgenomen waarin twee mogelijke routes voor het kabelracé zijn aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beide routes lopen niet door het stiltegebied of op korte afstand daarvan. In zoverre mist het betoog feitelijke grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog slaagt niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Evidente privaatrechtelijke belemmering 52. [appellante sub 5] betoogt dat het onduidelijk is of de gronden in het plangebied beschikbaar zijn voor de ontwikkeling. De provincie heeft aan [appellante sub 5] toegezegd de gronden openbaar te verkopen, maar dat is niet gebeurd. In plaats daarvan zijn de gronden verkocht aan de gemeente Bergen. [appellante sub 5] wil de gronden in het plangebied graag zelf kopen voor zijn bedrijf. Volgens [appellante sub 5] moeten de gronden alsnog openbaar verkocht worden. Hij is een civielrechtelijke procedure gestart om deze openbare verkoop af te dwingen. Omdat de provincie de gronden aan de gemeente Bergen heeft verkocht, heeft de provincie gehandeld in strijd met de afspraken die zij heeft gemaakt en de uitspraken die zij heeft gedaan. De provincie heeft daarom het vertrouwensbeginsel geschonden. Daarnaast heeft de raad onzorgvuldig gehandeld. [appellante sub 5] heeft in zijn zienswijze gewezen op de toezegging van de provincie. In de zienswijzenota is daarop gereageerd met de stelling dat er sprake zou zijn van een onherroepelijke en onvoorwaardelijke koopovereenkomst, terwijl er ook staat dat de aankoop van de gronden nagenoeg rond zou zijn. Volgens [appellante sub 5] is zonder een afschrift van de koopovereenkomst zijn zienswijze onzorgvuldig beantwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">52.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de gemeente Bergen al een paar jaar de eigenaar is van de gronden in het plangebied. Als er al sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel door het handelen van de provincie, kan dat er niet toe leiden dat de gemeente Bergen gronden te koop moet aanbieden die zij in eigendom heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">52.2. De Afdeling overweegt allereerst dat de provincie Limburg geen partij is bij deze procedure. De vraag of de provincie heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel kan hier daarom niet aan de orde komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">52.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bestaat voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vaststelling van een bestemmingsplan in de weg staat, alleen aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is namelijk de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit, waarbij de bewijslast wordt beheerst door de in die procedure geldende regels. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 30 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9957.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is in deze zaak geen sprake van een dergelijk geval. Dat in de zienswijzenota staat dat de aankoop van de gronden nagenoeg rond is, geeft geen reden om te twijfelen aan de stelling van de raad dat de gemeente Bergen de eigenaar is van de gronden in het plangebied. Ook de mededeling van [appellante sub 5] dat hij een civielrechtelijke procedure is gestart om ervoor te zorgen dat de gronden alsnog openbaar verkocht worden, maakt niet dat er sprake is van een evident privaatrechtelijke belemmering. Ook hoefde de raad geen afschrift van de koopovereenkomst bij de zienswijzenota te voegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen zo duidelijke privaatrechtelijke belemmering is dat verwezenlijking van het plan niet mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog slaagt niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onzekerheden 53. [appellant sub 3] en anderen betogen dat de uitvoering van de plannen afhankelijk is van een aantal nog onzekere factoren. Zo wijzen zij er op dat er nog geen omgevingsvergunning is aangevraagd voor de Energieboulevard. Ook is er nog geen Wnb-ontheffing aangevraagd. Daarnaast zijn de gronden nog niet pachtvrij. [appellant sub 3] en anderen wijzen er daarnaast op dat de aansprakelijkheid bij calamiteiten niet is geregeld. Volgens [appellant sub 3] en anderen ontbreekt ook de concrete invulling van het meervoudig ruimtegebruik. Er blijft slechts 8 ha over voor landbouw, wat slechts 2% van het geheel is. Verder is er volgens [appellant sub 3] en anderen onduidelijkheid over het eigendom van de stikstofdepositieruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">53.1. De Afdeling ziet in wat [appellant sub 3] en anderen hebben aangedragen geen reden voor het oordeel dat de raad redelijkerwijs had moeten inzien dat het bestemmingsplan op voorhand niet uitvoerbaar is. In het algemeen geldt dat een omgevingsvergunning of een Wnb-ontheffing niet direct hoeft te worden aangevraagd nadat het bestemmingsplan is vastgesteld. [appellant sub 3] en anderen hebben geen redenen aangedragen waarom deze niet verleend zouden kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Afdeling overweegt vervolgens dat de raad heeft toegelicht dat de gemeente Bergen de eigenaar is van de gronden waar het Energielandgoed is voorzien. Er is een onteigeningsprocedure gestart en bij koninklijk besluit van 6 oktober 2022 (nr. 2022002175) zijn de gronden door de kroon aangewezen ter onteigening. De raad heeft toegelicht dat hij overgaat tot onteigening van de gronden wanneer er geen overeenstemming wordt bereikt met de pachter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het regelen van de aansprakelijkheid bij calamiteiten maakt geen onderdeel uit van de procedure die gevolgd moet worden bij de vaststelling van een bestemmingsplan. In zoverre kan er ook geen sprake zijn van een gebrek in het bestemmingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over het multifunctionele ruimtegebruik en het eigendom van de stikstofdepositieruimte overweegt de Afdeling dat [appellant sub 3] en anderen deze punten niet nader hebben onderbouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog slaagt niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">OMGEVINGSVERGUNNING WINDPARK Verhouding besluiten van 23 februari 2021 en 10 mei 2022 54. Met het besluit van 10 mei 2022 heeft het college de op 23 februari 2021 verleende omgevingsvergunning voor het windpark gedeeltelijk gewijzigd verleend. De Afdeling zal hierna eerst de van rechtswege ontstane beroepen tegen het besluit van 10 mei 2022 behandelen. In het kader daarvan worden zowel de beroepsgronden die zijn aangevoerd tegen het besluit van 23 februari 2021 als de nadere beroepsgronden die zijn aangevoerd tegen het besluit van 10 mei 2022 besproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Strijd met artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo 55. [appellante sub 1] en anderen betogen dat het college heeft miskend dat de vergunningverlening in strijd is met artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo, omdat op grond van de bepalingen onder 11.4 van de planregels een omgevingsvergunning voor de activiteit \"uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden\" als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo nodig is voor de aanleg van de zonnevelden en windturbines op gronden die zijn aangewezen voor ‘Waarde - Archeologie middelhoog’. De aanvraag voor de omgevingsvergunningen voor de zonnevelden en de windturbines had daarom ook betrekking moeten hebben op deze activiteit. Ook is ten onrechte niet onderkend dat op grond van de bepalingen onder paragraaf 20.1 en 20.2 van de planregels omgevingsvergunningen nodig zijn voor het \"uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden\" op gronden die zijn opgenomen op de Kaart Cultuurhistorische waarden (bijlage 4a planregels), die moeten aanhaken bij de verleende omgevingsvergunningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">55.1. Het college stelt dat [appellante sub 1] en anderen deze beroepsgrond baseren op de bepalingen onder 11.3 en 11.4 van de planregels, maar deze planregels strekken tot bescherming van het algemeen belang van archeologische waarden en niet tot bescherming van het belang van [appellante sub 1] en anderen om gevrijwaard te blijven van de ruimtelijke invloed van het plan voor hun woon- en leefklimaat of bedrijfsvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">55.2. Zoals de Afdeling al eerder heeft geoordeeld, bijvoorbeeld in de uitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, is voor de inroepbaarheid van schending van een procedurele norm of de schending van een formeel beginsel van behoorlijk bestuur het beschermingsbereik van de onderliggende materiële norm bepalend. De schending van procedurele normen of formele beginselen van behoorlijk bestuur kan bij de toepassing van artikel 8:69a van de Awb niet los worden gezien van de materiële normen waarop appellant zich beroept. Aan deze procedurele normen of formele rechtsbeginselen komt in zoverre geen zelfstandige betekenis toe. Wanneer de schending van ingeroepen materiële normen niet tot vernietiging van een besluit kan leiden, geldt dat ook voor een door appellant gestelde schending van procedurele normen of formele beginselen van behoorlijk bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">55.3. [appellante sub 1] en anderen bestaat uit natuurlijke personen en bedrijven. De natuurlijke personen zoeken bescherming in het belang om gevrijwaard te blijven van negatieve gevolgen van het bestemmingsplan voor hun woon- en leefklimaat. De bedrijven komen op voor hun bedrijfsbelangen. De bepalingen onder 11.3 en 11.4 en onder 20.1 en 20.2 in de planregels waar [appellante sub 1] en anderen in dit betoog naar verwijzen, strekken tot bescherming van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden. Deze bepalingen strekken dus niet tot bescherming van de belangen waar [appellante sub 1] en anderen voor opkomen. Artikel 8:69a van de Awb staat in de weg aan de vernietiging van het besluit op dit punt. De Afdeling zal deze beroepsgrond daarom niet inhoudelijk bespreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog slaagt niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Keuze Voorkeursmodel en inrichtingsvariant voor windenergie 56. Voor zover [appellant sub 4] ook in het kader van de omgevingsvergunning voor het windpark betoogt dat het Voorkeursmodel en de daarbinnen gekozen inrichtingsvariant voor windenergie niet logischerwijs volgen uit de onderzochte onderzoeksmodellen en onvoldoende concreet zijn onderzocht, verwijst de Afdeling naar wat daarover hiervoor in het kader van het bestemmingsplan onder 32.1 is overwogen. Daaruit volgt dat dit betoog niet slaagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstand 57. [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 3] en anderen betogen dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid zijn gesteld om te reageren op de welstandstoets. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (hierna: CRK) heeft vergaderd op 26 oktober 2020 en op 3 november 2020 een advies uitgebracht, tijdens de zienswijzetermijn. Volgens [appellante sub 1] en anderen is dit in strijd met artikel 3:14, eerste lid, van de Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast is het welstandsadvies volgens [appellant sub 3] en anderen ondeugdelijk tot stand gekomen. Allereerst bestaat de CRK uit één persoon waarbij zowel de relatie tot de gemeente als het mandaat van de CRK onduidelijk zijn. Daarnaast is de welstandsnota vastgesteld in november 2001, toen er nog geen windturbines met een maximale tiphoogte van 250 m bestonden. Ook is deze welstandsnota vooral gericht op woningen en andere gebouwen, niet op windturbines.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het welstandsadvies volgt volgens [appellante sub 1] en anderen dat de CRK niet akkoord is gegaan met de hoogte van de windturbines, omdat deze afwijken van de hoogten die zijn opgenomen in het masterplan. Ook heeft de CRK negatief geadviseerd over de kleur. De aanvullende motivering van het college over deze punten schiet tekort.</p>\n<p class=\"lf-p\">57.1. Het college is het met [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 3] en anderen eens dat in strijd met artikel 3:14 van de Awb de ter inzage gelegde stukken niet zijn aangevuld met het welstandsadvies. Volgens het college kan dit gebrek echter met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd worden, omdat [appellante sub 1] en anderen hierdoor niet zijn belemmerd om een zienswijze in te dienen en beroep in te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">57.2. In de ontwerpvergunning voor de windturbines is voor het aspect welstand een \"PM\" opgenomen. De zienswijzetermijn liep van 8 oktober 2020 tot en met 18 november 2020. De welstandstoets, die van 3 november 2020 is, is dus uitgebracht gedurende de zienswijzetermijn. Het college heeft erkend dat de ter inzage gelegde stukken in strijd met artikel 3:14 van de Awb niet zijn aangevuld met het welstandsadvies. Het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning bevat in zoverre een gebrek. De Afdeling ziet echter aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. De Afdeling acht niet aannemelijk dat [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 3] en anderen of andere belanghebbenden zijn benadeeld. De welstandstoets maakt onderdeel uit van de omgevingsvergunning die is verleend op 23 februari 2021. In de ruimtelijke onderbouwing is ook verwezen naar de welstandstoets. Belanghebbenden hebben daarmee de mogelijkheid gehad om dit bij hun beroep te betrekken, wat [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 3] en anderen ook hebben gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Afdeling ziet in wat [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd ook geen aanleiding voor het oordeel dat het welstandsadvies ondeugdelijk tot stand is gekomen. In de welstandstoets staat dat de plannen zijn besproken met de voltallige CRK, waarbij er namens de CRK vier personen aanwezig waren. De welstandstoets is ook namens de CRK ondertekend. In zoverre mist het betoog dat de CRK uit slechts één persoon bestaat, feitelijke grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De CRK heeft zich onder meer gebaseerd op de Welstandsnota 2008. Dat deze welstandsnota volgens [appellant sub 3] en anderen verouderd is, betekent niet dat de commissie zich daar niet op mocht baseren. Dat de welstandsnota niet gericht is op windturbines, maakt dat niet anders. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat er in de gemeente Bergen geen andere grote windturbines zijn en dat daar in de gemeente geen beleid voor is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder staat in de welstandstoets: \"De hoogte van de turbines in de omgevingsvergunning wijkt echter af van het Masterplan. Ashoogte is minimaal 130 meter (Masterplan: 125 meter), de tiphoogte is minimaal 195 en maximaal 250 meter (Masterplan: 187,5 meter). De CRK heeft zorgen bij de hoogte en adviseert de hoogte in het Masterplan aan te houden of anderszins de effecten van een hogere tiphoogte visueel inzichtelijk te maken en landschappelijk te motiveren. De voorkeur van de CRK gaat uit naar een kleur die tegen de lucht wegvalt, dus geen wit maar grijs. Rode strepen op de turbines, zoals op de turbines over de grens, leggen een ongewenste optische relatie.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">In het bestemmingsplan is in artikel 5.2.2, onder c en d, bepaald dat de ashoogte maximaal 165 m en de tiphoogte maximaal 250 m mogen zijn. In zoverre is het bouwvolume van de windturbines al vastgelegd in het bestemmingsplan. Een welstandstoets mag geen betrekking hebben op het bouwvolume, de situering en de maatvoering als toegestaan in een ruimtelijk plan (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1146). Voor zover de CRK in de welstandstoets is ingegaan op het bouwvolume van de windturbines, hoefde het college dat advies dus niet op te volgen. Over het betoog dat de CRK negatief heeft geadviseerd over de kleur van de windturbines, overweegt de Afdeling dat dit betoog feitelijke grondslag mist. In de welstandtoets staat weliswaar dat de voorkeur van de CRK uitgaat naar een kleur dit tegen de lucht wegvalt, dus geen wit maar grijs. Ook staat er dat de rode strepen op de turbines, zoals de windturbines vlak over de Duitse grens hebben, een ongewenste optische relatie leggen. De CRK heeft echter een positief advies uitgebracht over de windturbines.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog slaagt niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Andere windturbinetypes 58. [appellant sub 3] en anderen betogen dat er een mismatch is tussen de in de MER besproken turbine en de turbines die geplaatst zullen gaan worden en tussen de in de aanvraag besproken turbine en de turbines die geplaatst zullen gaan worden. Het is nu onduidelijk welke turbines er geplaatst gaan worden, waardoor de omgevingsvergunning onvoldoende is afgebakend. De omwonenden zijn onvoldoende beschermd tegen de mogelijke effecten van de toepassing van andere windturbines.</p>\n<p class=\"lf-p\">58.1. Het college stelt zich op het standpunt dat vanwege de gefaseerde realisatie van het windpark ruimte is gelaten voor een definitieve keuze van het te realiseren type windturbine. Er zijn grenzen gesteld aan de keuzevrijheid in artikel 5.2.2 en 5.3.2 van de planregels en in de voorschriften van de omgevingsvergunning. Hierdoor is voldoende duidelijk wat de maatvoering van de te vergunnen windturbines zal zijn en is er geen sprake van strijd met de rechtszekerheid. Het is ook niet vereist dat bij de vergunningaanvraag en -verlening al een keuze wordt gemaakt voor het type windturbine of voor een precieze as- en tiphoogte, aldus het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">58.2. Anders dan [appellant sub 3] en anderen en anderen kennelijk veronderstellen, is niet vereist dat in de vergunningaanvraag en bij de vergunningverlening al een keuze wordt gemaakt voor het type windturbine of voor een precieze as- of tiphoogte. De Afdeling verwijst naar de uitspraken van 14 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3331 (windpark Autena, onder 3), 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2225, (windpark Oostpolder, onder 6.1) en ook naar de uitspraak van 19 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1947 (Windpark Oude Maas, onder 39.2). Het college heeft kunnen volstaan met het verbinden van een voorschrift aan de vergunning dat uiterlijk 3 maanden voor aanvang van de bouwwerkzaamheden de documenten van het te realiseren type windturbine, opstelplaatsen en funderingen ter goedkeuring bij het bevoegd gezag moeten worden ingediend. Gelet hierop ziet de Afdeling niet waarom het college in strijd met de zorgvuldigheid of rechtszekerheid heeft gehandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog slaagt niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schaarse vergunning 59. [appellant sub 3] en anderen betogen dat de vergunning die het college heeft verleend voor de bouw van het windpark een schaarse vergunning is. Van een schaarse vergunning kunnen er minder verleend worden dan dat er (potentieel) gegadigden zijn. Volgens [appellant sub 3] en anderen is daar hier sprake van omdat er in de gemeente niet nog een windpark gerealiseerd zal worden. Bij dit soort vergunningen moeten alle potentiële gegadigden gelijke kansen krijgen om in een transparante procedure mee te dingen naar zo’n vergunning. Omdat dit niet is gebeurd, zijn potentiële belanghebbenden, waaronder [appellant sub 3] en anderen, buiten spel gezet om duurzame initiatieven te ontwikkelen en daarin te participeren. Om meer duidelijkheid te krijgen over de uniforme interpretatie en toepassing van de EU-regelgeving, verzoeken [appellant sub 3] en anderen de Afdeling om de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie: \"Indien slechts een beperkt aantal zoeklocaties door overheidshandelen / besluiten is vastgelegd en als en in onlosmakelijke samenhang daarmee ook de slechts op die zoeklocaties te vergunnen realisatie en exploitatie van windparken is beperkt - zodat sprake is van schaarse publieke rechten waarbij reële mededinging dient te worden gegarandeerd uit hoofde van het beginsel gelijke behandeling en als gevolg waarvan op grond van de transparantieverplichting voor elke potentiële belanghebbende een passende mate van openbaarheid dient te worden gewaarborgd - levert dat in dit geval dan geen relevante schaarste op die evenmin met schaarste kan worden verdeeld in de zin van het Unierecht?\"</p>\n<p class=\"lf-p\">59.1. De Afdeling overweegt dat niet is gebleken dat [appellant sub 3] en anderen concrete interesse hebben (gehad) mee te dingen in de realisatie van het windpark. Zij hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten, omdat zij als omwonenden vrezen voor de aantasting van de kwaliteit van hun woon- en leefomgeving. De normen waar [appellant sub 3] en anderen hier een beroep op doen, strekken niet tot de bescherming van hun belang als omwonenden bij het behoud van een goede kwaliteit van hun woon- en leefomgeving. Het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a van de Awb staat in de weg aan de vernietiging van de omgevingsvergunning op basis van deze beroepsgrond. De Afdeling zal deze beroepsgrond daarom niet inhoudelijk bespreken. Dit betekent ook dat beantwoording van de door de [appellant sub 3] en anderen opgeworpen vraag niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10 en 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog slaagt niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">OMGEVINGSVERGUNNING ZONNEVELDEN 180 HA Welstand 60. [appellante sub 1] en anderen betogen dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid zijn gesteld om te reageren op de welstandstoets. Tijdens de zienswijzetermijn heeft de commissie ruimtelijke kwaliteit vergaderd op 26 oktober 2020 en deze heeft op 3 november 2020 een advies uitgebracht. Volgens [appellante sub 1] en anderen is dit in strijd met artikel 3:14, eerste lid, van de Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">60.1. De Afdeling heeft onder 57.2 overwogen dat de welstandstoets van 3 november 2020 is uitgebracht gedurende de zienswijzetermijn. Net als de omgevingsvergunning voor het windpark bevat de omgevingsvergunning voor de zonnevelden in zoverre een gebrek. Net als bij de omgevingsvergunning voor het windpark ziet de Afdeling aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. De Afdeling acht niet aannemelijk dat [appellante sub 1] en anderen of andere belanghebbenden zijn benadeeld, omdat de welstandstoets onderdeel uitmaakt van de omgevingsvergunning die is verleend op 23 februari 2021. In de ruimtelijke onderbouwing is ook verwezen naar de welstandstoets. Belanghebbenden hebben daarmee de mogelijkheid gehad om dit bij hun beroep te betrekken, wat [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 3] en anderen ook hebben gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog slaagt niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschriften 61. [appellante sub 1] en anderen betogen dat er in de omgevingsvergunning ten onrechte geen voorschrift is opgenomen om de reflectie van zonlicht op de zonnepanelen te beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">61.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het niet noodzakelijk is om voorschriften op te nemen om reflectie van zonlicht te beperken. Deze schittering kan en zal worden voorkomen door de hoogte, helling en plaatsing van de panelen. Verder worden zonnepanelen tegenwoordig gemaakt van speciaal glas dat het licht optimaal absorbeert en niet of nauwelijks reflecteert.</p>\n<p class=\"lf-p\">61.2. [appellante sub 1] en anderen hebben niet onderbouwd waarom het toepassen van niet-reflecterende materialen en de voorziene hoogte, helling en plaatsing van de panelen onvoldoende zijn om onaanvaardbare hinder door lichtschittering te voorkomen. Gelet hierop ziet de Afdeling in wat [appellante sub 1] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college in de omgevingsvergunning nadere voorschriften had moeten opnemen om lichtreflectie te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog slaagt niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">OMGEVINGSVERGUNNING TESTVELDEN ZONNEPARK (PROCEDURE 202303586) Procedureel 62. [appellante sub 1] en anderen betogen dat het besluit tot vaststelling van de omgevingsvergunning voor de testvelden ten onrechte onder het coördinatiebesluit is geschaard. In het coördinatiebesluit staat slechts een omgevingsvergunning voor het zonnepark genoemd. Volgens [appellante sub 1] en anderen worden hier niet de testvelden mee bedoeld. Als de raad het college de bevoegdheid had willen geven om meerdere zonnevelden gecoördineerd voor te bereiden, had dit duidelijk in het coördinatiebesluit aangegeven moeten worden. Op grond van artikel 3.31, eerste lid, van de Wro, moeten de besluiten die gecoördineerd zijn voorbereid in het coördinatiebesluit genoemd worden. Volgens [appellante sub 1] en anderen is het niet de bedoeling van een coördinatiebesluit dat alle toekomstige aanvragen in het plangebied voor windturbines, zonneparken, Wnb-vergunningen en -ontheffingen en watervergunningen onder de werking van het coördinatiebesluit vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitleg die het college geeft aan het systeem van de Wabo en Wro is volgens [appellante sub 1] en anderen in strijd met de bedoeling van de wetgever en de rechtszekerheid. Strijd met de rechtszekerheid kan een reden zijn om een coördinatiebesluit via een exceptieve toets onverbindend te verklaren. [appellante sub 1] en anderen verwijzen hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2566, onder 22.2. Omdat het besluit niet onder het coördinatiebesluit valt, had de reguliere voorbereidingsprocedure gevolgd moeten worden. Volgens [appellante sub 1] en anderen heeft dit tot gevolg dat de Afdeling niet bevoegd is om kennis te nemen van dit geschil.</p>\n<p class=\"lf-p\">62.1. Het college stelt zich op het standpunt dat hier de juiste procedure is gevolgd. In de eerste instantie is er inderdaad van uitgegaan dat de reguliere procedure van toepassing was, maar dit is later hersteld. Uit artikel 3.30 van de Wro volgt niet dat de besluiten die vallen onder een coördinatieregeling tegelijk moeten worden voorbereid en bekendgemaakt. Verder wijst het college op formulering van het coördinatiebesluit waaruit volgt dat dit besluit betrekking heeft op alle benodigde vergunningen in het plangebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">62.2. [appellante sub 1] en anderen wijzen er terecht op dat strijd met een algemeen rechtsbeginsel of algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en reden kan zijn om een coördinatiebesluit buiten toepassing te verklaren. Daar is hier echter geen sprake van. Zoals de Afdeling al eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 10 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2023:3685, onder 3.1, volgt uit de redactie van artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wro niet dat de toepassing van de gemeentelijke coördinatieregeling ertoe verplicht dat alle besluiten die nodig zijn voor de uitvoering van een bestemmingsplan ook gelijktijdig moeten worden voorbereid en bekendgemaakt. Dat blijkt ook niet uit de geschiedenis van de totstandkoming van die regeling. Zie daarvoor de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:296, onder 12.2. Dat de omgevingsvergunning voor het oprichten van de testvelden niet gelijktijdig met het bestemmingsplan van 17 december 2020 en de andere omgevingsvergunningen is voorbereid en bekendgemaakt, is dus niet in strijd met de coördinatieregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog slaagt niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Evidente privaatrechtelijke belemmering 63. [appellante sub 1] en anderen betogen dat de gemeente Bergen niet als belanghebbende kan worden aangemerkt en dat de aanvraag daarom buiten behandeling gesteld of afgewezen had moeten worden. De activiteit kan met zekerheid niet worden verwezenlijkt, omdat de gronden langjarig zijn verpacht aan [appellante sub 1]. Hoewel er aan [appellante sub 1] op grond van de Onteigeningswet een aanbod is gedaan over een minnelijke ontbinding van de pachtovereenkomst, is er nog geen overeenstemming bereikt. Vooralsnog is er dus geen zicht op wijziging van de situatie, aldus [appellante sub 1] en anderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">63.1. De Afdeling heeft onder 52 al overwogen dat de gemeente Bergen de eigenaar is van de gronden waar het Energielandgoed is voorzien. Er is een onteigeningsprocedure gestart en op 6 oktober 2022 zijn de gronden door de kroon aangewezen ter onteigening. In zoverre is er geen sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering. De Afdeling ziet daarom geen reden voor het oordeel dat de aanvragen buiten behandeling gesteld had moeten worden of deze afgewezen had moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog slaagt niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bandbreedte in de bouwhoogte 64. [appellante sub 1] en anderen betogen dat de activiteit voor bouwen onvoldoende is omschreven in de omgevingsvergunning. Volgens de bouwtekeningen mogen de zonnepanelen 3 tot 8,6 m hoog worden, wat een wezenlijk verschil van 5,6 m is. Volgens [appellante sub 1] en anderen is dit in strijd met de rechtszekerheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">64.1. Het college stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van strijd met de rechtszekerheid. Volgens het college is het aanvaardbaar om in de omgevingsvergunning een bandbreedte op te nemen voor de hoogte van de zonnepanelen. Dit maakt het mogelijk om op het moment van uitvoering te kiezen voor de modernste zonnepanelen. Dat de bandbreedte ten opzichte van de toegestane hoogte relatief groot is, kan volgens het college aan voorbij worden gegaan vanwege de ruimtelijke inpassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Afdeling stelt voorop dat het college moet beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. In de toelichting op de aanvraag is een bandbreedte opgenomen en staat dat de constructies 3 tot 8,6 m hoog worden. De Afdeling is van oordeel dat het college een bandbreedte mocht opnemen in de omgevingsvergunning voor de zonnepanelen. Gelet op het feit dat in artikel 5.2.4, onder a, sub 2, derde bolletje, van de planregels, is bepaald dat de zonnepanelen in de zone met aanduiding \"specifieke vorm van bedrijf - innovatieve zone\" een maximale hoogte mogen hebben van 10 m, acht de Afdeling in dit geval de ruimtelijke uitstralingseffecten van de bandbreedte in de omgevingsvergunning beperkt. Ook kan de Afdeling het standpunt van de raad volgen dat de bandbreedte het mogelijk maakt om op het moment van uitvoering te kiezen voor de modernste zonnepanelen. Mede gelet op het innovatieve karakter van de testvelden, acht de Afdeling het hier aanvaardbaar dat het college ervoor heeft gekozen om deze bandbreedte op te nemen in de omgevingsvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog slaagt niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">WATERVERGUNNING Inleiding 65. Zoals hiervoor vermeld in het procesverloop heeft het dagelijks bestuur op 11 maart 2021 aan de gemeente Bergen een watervergunning verleend voor het dempen van de primaire watergang Wellsmeerlossing, het gedeeltelijk dempen en verleggen van de primaire watergang Waterlossing op de Oever en ook voor het aanbrengen van twee stuwen. In de watervergunning staat dat het dempen/ verleggen van de primaire watergangen is gericht op het realiseren van een hoger grondwaterpeil, ter ondersteuning van de natuur en het klimaatneutraal maken van het Energielandgoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij besluit van 16 mei 2022 heeft het dagelijks bestuur de op 11 maart 2021 verleende watervergunning gedeeltelijk gewijzigd om zo tegemoet te komen aan enkele beroepen. Het besluit van 16 mei 2022 heeft betrekking op het aanleggen van een nieuwe watergang \"Eerste Zijtak Wellse Molenbeek\" met daarin een stuw. Met deze nieuwe watergang wordt een extra afwaterings- en ontwateringsmogelijkheid geboden voor de aanliggende gronden, zo staat in het besluit. Verder is op grond van artikel 3.3. van de Keur Waterschap Limburg 2019 vergunning verleend voor het nemen van hydrologische maatregelen in een projectgebied met een grootte van meer dan 10 ha.</p>\n<p class=\"lf-p\">65.1. Bij de voorbereiding van de watervergunning heeft het dagelijks bestuur het rapport \"Geohydrologisch onderzoek\" van 19 oktober 2020 laten opstellen door Antea Group (hierna: het geohydrologisch rapport). In dit rapport zijn de gevolgen van het Energielandgoed voor de waterhuishouding in kaart gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onjuiste rechtsmiddelenverwijzing 66. Voor zover [appellante sub 1] en anderen betogen dat in het besluit tot verlening van de watervergunning van 11 maart 2021 een onjuiste rechtsmiddelenclausule is opgenomen, is dit geen aanleiding om het besluit te vernietigen. Dit is een omstandigheid van na het nemen van het bestreden besluit, zodat het alleen kan leiden tot verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding. Maar deze situatie speelt hier niet. Overigens hebben [appellante sub 1] en anderen niet bestreden dat deze administratieve onvolkomenheid is opgelost met het doorzenden van het beroepschrift van [appellante sub 1] en anderen op grond van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog slaagt niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsingskader 67. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 20 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:887) kent artikel 6.21 van de Waterwet een limitatieve opsomming van weigeringsgronden. Een eventuele weigering van de aangevraagde watervergunning is slechts mogelijk voor zover de aanvraag niet verenigbaar is met de doelstellingen die worden genoemd in artikel 2.1, eerste lid, van de Waterwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">67.1. Artikel 2.1 van de Waterwet luidde ten tijde van de besluitvorming als volgt: \"1. De toepassing van deze wet is gericht op: a. voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met b. bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en c. vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De toepassing van deze wet is mede gericht op andere doelstellingen dan genoemd in het eerste lid, voor zover dat elders in deze wet is bepaald.\"</div>\n<p class=\"lf-p\">Geohydrologisch onderzoek 68. [appellante sub 1] en anderen betogen dat er diverse gebreken zitten in de watervergunning. Volgens [appellante sub 1] en anderen is de watervergunning in strijd met artikel 2.1, eerste lid, van de Waterwet genoemde doestellingen verleend. Ook is deze onzorgvuldig voorbereid en in strijd met de rechtszekerheid. Zij voeren daartoe de volgende redenen aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">68.1. In de eerste plaats voeren [appellante sub 1] en anderen aan dat het geohydrologisch rapport gedateerde en onvolledige gegevens bevat. Zo is rekening gehouden met 19 locaties in het plangebied waar peilbuisgegevens beschikbaar zouden zijn, terwijl die gegevens gedateerd zijn. Er is één peilbuis (B52E3247) die beschikt over grondwatergegevens van de periode tussen 27 maart 2010 en 27 maart 2018, maar die bevindt zich ten opzichte van [appellante sub 1] aan de andere kant van het plangebied. Met deze gegevens kan geen verantwoorde toetsing van het waterbelang plaatsvinden, aldus [appellante sub 1] en anderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">68.1.1. De Afdeling overweegt over dit betoog dat het dagelijks bestuur onweersproken heeft toegelicht dat de gegevens waar [appellante sub 1] en anderen op wijzen inderdaad gedateerd zijn, maar dat deze gegevens niet zijn gebruikt voor het monitoringsplan. Wel is rekening gehouden met de door [appellante sub 1] en anderen genoemde peilbuis met actuele meetgegevens van de periode tussen 27 maart 2010 tot 27 maart 2019. Daarnaast is de situatie in kaart gebracht op basis van hoogtelijnen voor het grondwaterniveau (het zogenoemde \"isohypsenpatroon\") en de bestaande grondwateronttrekkingen. Ook is gebruik gemaakt van de kennis die bij het waterschap bekend is. Verder zal monitoring plaatsvinden. Hiermee wordt in de toekomst tussentijds getoetst of sprake is van wateroverlast en dan kan zo nodig tijdig worden ingegrepen, zo heeft het dagelijks bestuur toegelicht. [appellante sub 1] en anderen hebben niet betoogd dat en waarom het dagelijks bestuur niet van deze informatie mocht uitgaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">68.2. In de tweede plaats voeren [appellante sub 1] en anderen aan dat dat het geohydrologisch rapport slechts een presentatie van conclusies is. Niet is te herleiden hoe de berekeningen zijn opgebouwd. Zo is niet duidelijk wat het doel is van het verleggen en aanpassen van primair en secundair oppervlaktewater, hoeveel beregening en grondwateronttrekking wordt aangepast/verwijderd en waarom de infiltratiecapaciteit van de grond niet is aangepast. Verder wordt in onderdeel 4 van het geohydrologisch onderzoek geconstateerd dat het model de situatie droger inschat dan is gemeten, en dat desondanks buiten het plangebied verhogingen van 20 cm worden ingeschat. [appellante sub 1] en anderen betogen verder dat het geohydrologisch rapport slechts een onderzoeksopzet bevat om in de toekomst de relevante gegevens te verkrijgen. Er wordt met de besluitvorming vooruitgelopen op de uitkomsten van onderzoek. Dat is niet verenigbaar met de door [appellante sub 1] en anderen verwachtte wateroverlast met aanzienlijke schade aan hun eigendommen tot gevolg.</p>\n<p class=\"lf-p\">68.2.1. Zoals de Afdeling ook heeft overwogen onder 13.1, heeft het dagelijks bestuur toegelicht dat het geohydrologisch rapport een weergave bevat van de resultaten van het geohydrologisch onderzoek. Het waterschap is betrokken bij het opstellen van het geohydrologisch onderzoek. Volgens het dagelijks bestuur is er geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de onderzoeksresultaten. Van vooruitlopen op de uitkomsten van onderzoek is geen sprake. Het onderzoek is gebaseerd op het grondwatermodel IBRAHYM, dat door Deltares in afstemming met het waterschap Limburg, de provincie Limburg en de Waterleidingmaatschappij Limburg (WML) is ontwikkeld voor grondwatergerelateerde vragen in heel Limburg. Voor dit onderzoek is een uitsnede uit het model gemaakt, waarbij de resultaten getoetst zijn aan de beschikbare gegevens. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat het model onbetrouwbaar is. De resultaten geven volgens het dagelijks bestuur geen aanleiding te vrezen voor het optreden van wateroverlast. Het is wel gebruikelijk om de situatie na planuitvoering te blijven monitoren, om zo nodig - als blijkt dat de werkelijkheid afwijkt van het model - nadere maatregelen te kunnen nemen. Dit is een extra waarborg om eventuele wateroverlast te voorkomen. [appellante sub 1] en anderen hebben niet onderbouwd waarom deze werkwijze onzorgvuldig is en de conclusies van het dagelijks bestuur onjuist zouden zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog slaagt niet.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">69.</span>[appellante sub 1] en anderen betogen dat onduidelijk is of de in het geohydrologisch onderzoek voorgestelde mitigerende maatregelen noodzakelijk en afdoende zijn. Ook is het uitvoeren van de maatregelen ten onrechte niet gewaarborgd in een voorwaardelijke verplichting. Verder ontbreekt een omgevingsvergunning voor de activiteit \"uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden\" als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo, voor de aanleg binnen de bestemming \"Bos\" en zijn waterhuishoudkundige werken op grond van het bestemmingsplan niet bij recht toegestaan.</div>\n<p class=\"lf-p\">De nieuwe waterloop langs de Veenweg in voorschrift 8 van de watervergunning is niet publiekrechtelijk mogelijk gemaakt en ook is onduidelijk welke maatregelen getroffen moeten worden uit hoofde van voorschrift 8, onder 3, van de watervergunning, aldus [appellante sub 1] en anderen. Verder voeren zij aan dat ten onrechte een verplichting tot bijsturen bij wateroverlast of onvoorziene gevolgen ontbreekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">69.1. De Afdeling overweegt dat in het geohydrologisch onderzoek diverse mitigerende maatregelen worden genoemd. [appellante sub 1] en anderen hebben niet nader onderbouwd bij welke van deze mitigerende maatregelen zij hun twijfels hebben en waarom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder overweegt de Afdeling dat het dagelijks bestuur heeft toegelicht dat de nieuwe watergang pas in beeld komt wanneer aansluiting op de bestaande tertiaire watergang niet mogelijk is. Deze maatregel is vooralsnog niet vereist, en komt dus slechts in beeld als er onverwacht negatieve effecten optreden ter hoogte van de gronden van [appellante sub 1] en anderen. Een vergunning voor omgevingsvergunning voor de activiteit \"uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden\" als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo, is daarom op dit moment niet noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over het betoog dat de nieuwe waterloop in voorschrift 8 van de watervergunning niet publiekrechtelijk mogelijk wordt gemaakt, overweegt de Afdeling dat, anders dan [appellante sub 1] en anderen betoogd hebben, dit al is geregeld in het bestemmingsplan. Op een afbeelding onder voorschrift 8.3 in de watervergunning en op de kaart bij de Leggerwijziging is te zien dat de nieuwe primaire watergang is gesitueerd aan de zuidoostkant van het plangebied, langs de Veenweg. Deze gronden hebben in het bestemmingsplan grotendeels de bestemming \"Energielandgoed\". Op grond van artikel 5.1.1, onder m en n, van de planregels, zijn deze gronden mede bestemd voor waterhuishoudkundige voorzieningen en waterlopen en waterpartijen. Een deel van de gronden heeft de bestemming \"Bos\" of \"Natuur\". Op grond van artikel 4.1.1, onder e, respectievelijk artikel 6.1.1, onder g, zijn deze gronden mede bestemd voor water. Deze bepalingen staan niet in de weg aan het aanleggen van de nieuwe watergang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is in voorschrift 8, onder 3, van de watervergunning opgenomen dat op de plaats van de demping maatregelen moeten worden getroffen om wateroverlast en/of watertekort bij de aangrenzende percelen te voorkomen. Het dagelijks bestuur heeft over dit voorschrift toegelicht dat dit een doelvoorschrift is, op grond waarvan de verplichting geldt om ter plaatse van de gedempte watergang maatregelen te treffen om wateroverlast of een watertekort op de aangrenzende percelen, waaronder het perceel van [appellante sub 1], te voorkomen. De Afdeling kan het dagelijks bestuur volgen in het standpunt dat een separate verplichting tot bijsturen bij wateroverlast of onvoorziene gevolgen niet vereist is, omdat met bovengenoemd voorschrift geborgd wordt dat wateroverlast wordt voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">69.2. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in wat [appellante sub 1] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de watervergunning is verleend in strijd met artikel 2.1, eerste lid, van de Waterwet genoemde doestellingen, onzorgvuldig zijn voorbereid of in strijd zijn met de rechtszekerheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog slaagt niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitvoerbaarheid watervergunning 70. [appellante sub 1] en anderen betogen dat er belemmeringen zijn voor het kunnen verlenen van de watervergunning. Zo moet het aanleggen van de in de vergunning voorziene nieuwe watergang aan de oostzijde van het plangebied worden uitgevoerd op gronden die in eigendom zijn bij [appellante sub 1], maar deze gronden zijn daarvoor niet beschikbaar. Daarnaast is deze waterloop voorzien op gronden van het kabeltracé van Tennet.</p>\n<p class=\"lf-p\">70.1. De Afdeling overweegt dat het dagelijks bestuur heeft toegelicht dat het de bedoeling is dat de primaire watergang aan de oostzijde van het plangebied behouden blijft. Slechts als de aansluiting op de bestaande tertiaire watergang niet mogelijk is, komt een nieuwe watergang in beeld. Volgens het dagelijks bestuur wordt deze watergang geheel binnen het plangebied aangelegd en wordt deze niet aangelegd op de gronden die in eigendom zijn bij [appellante sub 1] en anderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook in het geval dat de watergang wel wordt aangelegd op de gronden die in eigendom zijn bij [appellante sub 1] en anderen, leidt dat niet tot de conclusie dat de watervergunning gebrekkig is. Zoals de Afdeling al eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 21 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:846, onder 9.1, kent artikel 6.21 van de Waterwet een limitatieve opsomming van weigeringsgronden. Het al dan niet bestaan van een evidente privaatrechtelijke belemmering of bestaande fysieke belemmeringen vallen niet te herleiden tot die doelstellingen en kunnen dan ook geen redenen zijn de aangevraagde vergunning te weigeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog slaagt niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het herstelbesluit 71. Over de gewijzigde watervergunning van 16 mei 2022 betoogt [appellant sub 4] in de eerste plaats dat sprake is van strijd met artikel 2.1 Waterwet, de Keur Waterschap Limburg 2019, artikel 1.17 van de uitvoeringsregels Keur Waterschap Limburg 2019 en hoofdstuk 12 van de beleidsregels Keur Waterschap Limburg. [appellant sub 4] stelt dat ongefundeerd is geconcludeerd dat de maatregelen geen nadelige gevolgen zouden hebben voor het watersysteem. Een concrete toetsing aan het Water beheerplan, een deugdelijke onderbouwing en een aanvullend hydrologisch onderzoek ontbreken. Verder is ten onrechte geen rekening gehouden met het effect op het grondwater(peil). [appellant sub 4] betoogt daarnaast dat het dagelijks bestuur niet deugdelijk heeft gemotiveerd hoe de maatvoering van de stuw is bepaald. Ook hier ontbreekt volgens hem nieuw hydrologisch onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">71.1. Het dagelijks bestuur heeft toegelicht dat het dempen van de waterloop Wellsmeerlossing op het perceel van [appellant sub 4] zal leiden tot een toename van de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand van 0,15 tot maximaal 0,2 m. Volgens het Dagelijks bestuur is deze verhoging aanvaardbaar en zal deze niet leiden tot onaanvaardbare vernatting op het perceel van [appellant sub 4]. Om aan de vrees van [appellant sub 4] tegemoet te komen, heeft het dagelijks bestuur ten overvloede besloten om een extra watergang met stuw aan te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">71.2. De Afdeling begrijpt uit wat op de zitting is besproken dat het betoog van [appellant sub 4] vooral is ingegeven door de vrees dat de extra watergang met stuw niet zal worden aangelegd, omdat dit niet geborgd is in de watervergunning. Op de zitting heeft het dagelijks bestuur uitdrukkelijk toegezegd dat deze watergang met stuw wordt aangelegd. Het dagelijks bestuur doet dit om tegemoet te komen aan de zorgen van [appellant sub 4], hoewel deze watergang met stuw niet noodzakelijk is. De vrees van [appellant sub 4] is daarom ongegrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog slaagt niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrees voor vernatting 72. [appellant sub 4] betoogt dat het dagelijks bestuur ten onrechte heeft aangenomen dat hij geen wateroverlast in zijn woning en kelder zal ondervinden en dat ten onrechte geen mitigerende maatregelen zijn voorzien. [appellant sub 4] vreest dat de hogere grondwaterstand ook de fundering van zijn woning zal aantasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de eerste plaats gaat het dagelijks bestuur volgens [appellant sub 4] er ten onrechte van uit dat de stijging van de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) ter plaatse van zijn perceel beperkt blijft tot 20 cm. Volgens [appellant sub 4] is het dagelijks bestuur in de zienswijzennota uitgegaan van een onjuiste ligging van zijn perceel. Daarnaast is volgens [appellant sub 4] in het hydrologisch rapport miskend dat het GHG feitelijk 9 cm hoger ligt dan volgens het model is berekend, zodat het model de situatie droger heeft ingeschat dan het geval is. Ook wordt ten onrechte gesteld dat de bebouwing van [appellant sub 4] ongeveer 2 m hoger ligt dan het omliggende maaiveld. Uit de hoogtekaart (hoofdstuk 4, verificatie) heeft het omliggende maaiveld deels een hoogte van 18-18,5 m +NAP en van 17,5-18 m +NAP. De gronden van [appellant sub 4] hebben een hoogte van 18,5-19 m +NAP. Dat betekent dat de bebouwing van [appellant sub 4] niet meer dan ongeveer een meter (minimaal 0,5 en maximaal 2,0) boven het omliggende maaiveld ligt, en dus niet gemiddeld 2 m hoger. Ook is ten onrechte geen rekening gehouden met droge perioden, waarin de grondwaterstand kan fluctueren. Verder is de aanleiding voor de aanleg van de nieuwe watergang niet deugdelijk onderbouwd. Niet duidelijk is wat de gevolgen van deze nieuwe watergang zullen zijn voor het perceel van [appellant sub 4].</p>\n<p class=\"lf-p\">72.1. Op de zitting heeft het dagelijks bestuur toegelicht dat de grondwaterstand dynamisch is en over een periode van 8 jaar is bekeken. Bij de GHG ligt het grondwater ongeveer 80 cm onder het maaiveld. In drogere periodes ligt het grondwater ongeveer een meter dieper, op 180 cm onder het maaiveld. Het bestemmingsplan zal ertoe leiden dat de grondwaterstand 15 tot 20 cm zal stijgen. Dit geldt ook voor de rest van het perceel, waar daarnaast de GHG 20 tot 25 cm zal stijgen. Op de zitting heeft het dagelijks bestuur ook toegelicht dat het grondwater op dat moment ongeveer 100 cm onder het maaiveld lag. De kelder van [appellant sub 4] ligt daarmee al dieper dan de grondwaterstand. Volgens het dagelijks bestuur is dit geen probleem als de kelder waterdicht is, wat niet is weersproken door [appellant sub 4]. Gelet op het voorgaande kan de Afdeling het dagelijks bestuur volgen in het standpunt dat er hier sprake is van een beperkte stijging van de grondwaterstand, die niet zal leiden tot onaanvaardbare vernatting op het perceel van [appellant sub 4].</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog slaagt niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">EINDCONCLUSIE Conclusie ten aanzien van de beroepen van [appellant sub 6] en [appellante sub 5] 73. Het beroep van [appellant sub 6] is niet-ontvankelijk. Het beroep van [appellante sub 5] is ongegrond.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">74.</span>Wat deze beroepen betreft is dit een einduitspraak. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van hen geen aanleiding.</div>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie ten aanzien van het beroep van [appellant sub 2] 75. Gelet op wat hiervoor onder 29 is overwogen, zal in de einduitspraak een oordeel worden gegeven over de betogen van [appellant sub 2] over het aspect geluid.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">76.</span>Wat het beroep van [appellant sub 2] betreft is dit een tussenuitspraak. In de einduitspraak zal worden geoordeeld over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.</div>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie ten aanzien van de beroepen van [appellante sub 1] en anderen, [appellant sub 4] en [appellant sub 3] en anderen 77. Gelet op wat hiervoor onder 16.4 en 48.4 is overwogen, zijn het besluit van de raad van 25 april 2022, waarbij de raad het bestemmingsplan \"Energielandgoed Wells Meer\" heeft gewijzigd en opnieuw heeft vastgesteld, en de besluiten van het college van 23 februari 2021 en 10 mei 2022, waarbij het college de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en e van de Wabo voor de bouw en het oprichten, veranderen of in werking hebben van het windpark met vier windturbines (gewijzigd) heeft verleend, genomen in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op finale geschilbeslechting zal de Afdeling op grond van artikel 8:51d van de Awb de raad en het college opdragen om met inachtneming van hetgeen onder 16.4 en 48.4 is overwogen binnen 20 weken na verzending van deze uitspraak de daar omschreven gebreken te herstellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raad en het college kunnen dit doen door in de planregels en de vergunningvoorschriften alsnog een eigen norm voor het aspect geluid op te nemen die is voorzien van een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivering, of een ander besluit te nemen. Verder dient de raad deugdelijk te motiveren hoe de belangen van [appellant sub 4] zijn betrokken in de belangenafweging en waarom landschappelijke inpassing op zijn perceel niet noodzakelijk is, of een ander besluit te nemen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">78.</span>De raad en het college dienen de Afdeling en de andere partijen mededeling te doen van eventuele nieuwe besluiten en deze besluiten zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Bij de voorbereiding van de nieuwe besluiten behoeft afdeling 3.4 van de Awb niet opnieuw te worden toegepast.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">79.</span>Wat de beroepen van [appellante sub 1] en anderen, [appellant sub 4] en [appellant sub 3] en anderen betreft, is dit een tussenuitspraak. In de einduitspraak zal worden geoordeeld over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.</div>\n<p class=\"lf-p\">Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:</p>\n<p class=\"lf-p\">I. verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep van [appellante sub 1A], [appellante sub 1B], [appellante sub 1C], [appellante sub 1D], Ecofuels B.V., [appellante sub 1E], [appellant sub 1F], [appellant sub 1G] en [appellant sub 1H] en [appellant sub 1I] ([appellante sub 1] en anderen) tegen het besluit van het dagelijks bestuur van het waterschap Limburg tot wijziging van de legger van Waterschap Limburg;</p>\n<p class=\"lf-p\">II. verklaart het beroep van [appellant sub 6] niet-ontvankelijk;</p>\n<p class=\"lf-p\">III. verklaart het beroep van [appellante sub 5] ongegrond;</p>\n<p class=\"lf-p\">IV. draagt de raad van de gemeente Bergen en het college van burgemeester en wethouders van Bergen naar aanleiding van de beroepen van [appellante sub 1A], [appellante sub 1B], [appellante sub 1C], [appellante sub 1D], Ecofuels B.V., [appellante sub 1E], [appellant sub 1F], [appellant sub 1G] en [appellant sub 1H] en [appellant sub 1I] ([appellante sub 1] en anderen), [appellant sub 3A], [appellant sub 3B], [appellant sub 3C] en [appellant sub 3D] en [appellant sub 3E] en [appellant sub 3F] ([appellant sub 3] en anderen) en [appellant sub 4] op om:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>binnen 20 weken na verzending van deze uitspraak, met inachtneming van hetgeen in 16.4, 48.4 en 77 is overwogen, de daar omschreven gebreken te herstellen en;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en eventuele gewijzigde besluiten zo spoedig mogelijk op de wettelijke voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. N.H. van den Biggelaar, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Schellingerhout, griffier. w.g. Knol voorzitter w.g. Schellingerhout griffier Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2024 826-980 Bijlage:</p>\n<p class=\"lf-p\">Awb:</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3:14, eerste lid: \"Het bestuursorgaan vult de ter inzage gelegde stukken aan met nieuwe relevante stukken en gegevens.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6:15, eerste lid: \"Indien het bezwaar- of beroepschrift wordt ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of bij een onbevoegde bestuursrechter, wordt het, onder vermelding van de datum van ontvangst, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6:22: \"Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 8:5, eerste lid: \"Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 1 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 8:51d: \"Indien de bestuursrechter in hoogste aanleg uitspraak doet, kan hij het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De artikelen 8:51a, eerste lid, tweede volzin, en tweede lid, 8:51b, tweede en derde lid, en 8:51c, aanhef en onderdelen b tot en met d, zijn van toepassing.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 8:75a, eerste lid: \"In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep. Indien aan dit vereiste niet is voldaan, wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Gaswet:</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 10, zevende lid, aanhef en onder a: \"Het zesde lid, onderdeel a, is niet van toepassing voor het aansluiten van een te bouwen bouwwerk, tenzij een college van burgemeester en wethouders het gebied waarin dit bouwwerk wordt gebouwd, hebben aangewezen als gebied waar aansluiting op het gastransportnet strikt noodzakelijk is om zwaarwegende redenen van algemeen belang, waaronder begrepen de maatschappelijke kosten en baten. Bij ministeriële regeling worden hiertoe nadere regels gesteld\"</p>\n<p class=\"lf-p\">SMB-richtlijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3, tweede lid: \"Onverminderd lid 3, wordt een milieubeoordeling gemaakt van alle plannen en programma's a. die voorbereid worden met betrekking tot landbouw, bosbouw, visserĳ, energie, industrie, vervoer, afvalstoffenbeheer, waterbeheer, telecommunicatie, toerisme en ruimtelĳke ordening of grondgebruik en die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor de in bĳlagen I en II bĳ Richtlĳn 85/337/EEG genoemde projecten, of […] Verdrag van Aarhus:</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6, vierde lid: \"Elke Partij voorziet in vroegtijdige inspraak, wanneer alle opties open zijn en doeltreffende inspraak kan plaatsvinden.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Wro:</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.30: \"1. Bij besluit van de gemeenteraad kunnen gevallen of categorieën van gevallen worden aangewezen waarin de verwezenlijking van een onderdeel van het gemeentelijk ruimtelijk beleid het wenselijk maakt dat: a. de voorbereiding en bekendmaking van nader aan te duiden, op aanvraag of ambtshalve te nemen besluiten worden gecoördineerd, of b. de voorbereiding en bekendmaking van een bestemmingsplan, een wijziging of uitwerking van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, wordt gecoördineerd met de voorbereiding en bekendmaking van besluiten als bedoeld onder a.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Bij de gecoördineerde voorbereiding en bekendmaking als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, wordt de procedure beschreven in de artikelen 3.31 en 3.32, respectievelijk die procedure in samenhang met hetzij, in geval van een bestemmingsplan, de procedure beschreven in artikel 3.8, hetzij, in geval van een omgevingsvergunning, de uitgebreide procedure beschreven in paragraaf 3.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht toegepast.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Voor zover onder de besluiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, mede een omgevingsvergunning is begrepen wordt bij de toepassing van de artikelen 2.1, eerste lid, onder c, 2.10 en 2.11 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in plaats van bestemmingsplan gelezen: bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, onder b.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.31, eerste lid: \"In door de gemeenteraad met toepassing van artikel 3.30 aangewezen gevallen bevorderen burgemeester en wethouders een gecoördineerde voorbereiding van de bij of krachtens dat artikel aangeduide besluiten. Burgemeester en wethouders kunnen andere bestuursorganen verzoeken de medewerking te verlenen, die voor het welslagen van de coördinatie nodig is. Met het oog hierop zendt een bestuursorgaan dat bevoegd is op een aanvraag voor een dergelijk besluit te beslissen hun onverwijld een afschrift van die aanvraag.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant:</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.4.4 : \"1. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg voorziet niet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor kantoren aan de bestaande voorraad kantoren alsmede aan de bestaande planvoorraad kantoren anders dan in overeenstemming met de thematische principes zoals beschreven in paragraaf 5.3 van het POL2014, de regionale visie Kantoren Noord-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord-Limburg, zoals verwoord in de bij deze paragraaf behorende bijlage 1. (…) 4. De toelichting bij het ruimtelijke plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg respectievelijk de regio Midden-Limburg respectievelijk de regio Zuid-Limburg bevat een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste lid respectievelijk het tweede lid respectievelijk het derde lid.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>De toelichting bij een ruimtelijk plan bevat een beschrijving van het proces van voorbereiding van het initiatief, de planvoorbereiding en indien aan de orde de verantwoording van de afstemming in (sub-)regionaal verband.\"</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.4.5:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg voorziet niet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen aan de bestaande voorraad bedrijventerreinen alsmede aan de bestaande planvoorraad bedrijventerreinen anders dan in overeenstemming met de thematische principes zoals beschreven in paragraaf 5.2 van het POL2014, de regionale visie Bedrijventerreinen Noord-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord-Limburg, zoals verwoord in de bij deze paragraaf behorende bijlage 1.\"</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.6.2: \"Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied dat deel uitmaakt van de Goudgroene natuurzone, maakt geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestemmingsplan \"Energielandgoed Wells Meer\", vastgesteld op 25 april 2022:</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.6: \"aan het energielandgoed verbonden bedrijven: bedrijven die verbonden zijn aan de duurzame energiesector en noodzakelijker- of logischerwijs op het energielandgoed gevestigd dienen te zijn\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.1.1, onder h:</p>\n<p class=\"lf-p\">De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor landschappelijke inpassing en instandhouding voor de locatie [locatie 1] overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 3 van deze regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.1.1: \"De voor 'Energielandgoed' aangewezen gronden zijn bestemd voor: (…) f. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - bedrijfsverzamelgebouw':</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>een bedrijfsverzamelgebouw uitsluitend ten behoeve van aan het energielandgoed verbonden bedrijven uit milieucategorie 1 en/of 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten die als bijlage 1 bij deze regels is gevoegd, met uitzondering van risicovolle inrichtingen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>ondergeschikte horeca; (…)\"</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.2.2: \"Voor het bouwen van windturbines gelden de volgende regels: (…) c. de ashoogte van een windturbine mag niet meer bedragen dan 165 m; d. de tiphoogte van een windturbine mag niet meer bedragen dan 250 m.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.2.4: \"Voor het bouwen van overige bouwwerken gelden de volgende regels: a. zonnepanelen: (…) 2. de bouwhoogte van zonnepanelen met constructie mag niet meer bedragen dan:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>1.60 m;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>2,5 m ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende bouwhoogte zonnepanelen';</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>10 m ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - innovatieve zone';\"</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.3.2: \"a. het geluidsniveau op geluidsgevoelige functies en objecten veroorzaakt door alle windturbines ter plaatse van de aanduiding 'windturbine' mag niet meer bedragen dan Lden = 47 dB en Lnight = 41 dB; b. de maximale slagschaduwduur op gevoelige functies en objecten veroorzaakt door alle windturbines ter plaatse van de aanduiding 'windturbine' mag niet meer bedragen dan 6 uur per jaar.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.3.3: \"Behoudens de met de aanleg samenhangende vervoersbewegingen mag het Energielandgoed jaarlijks door maximaal 15.000 voertuigen met een verbrandingsmotor behorende tot de categorie licht verkeer, 200 voertuigen behorende tot de categorie middelzwaar verkeer en 200 voertuigen behorende tot de categorie zwaar verkeer bezocht worden. Hierbij geldt dat een bus met een verbrandingsmotor gelijk gesteld wordt aan 3 motorvoertuigen behorende tot de categorie lichtverkeer.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.4.3: \"Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.1.1 onder f voor het vestigen van bedrijfsactiviteiten die niet voorkomen op de bij dit plan behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten, onder voorwaarde dat deze naar hun aard en invloed op de omgeving geacht kunnen worden te behoren tot de categorie die maximaal is toegestaan.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.4.4: \"Burgemeester en wethouders kunnen, na een periode van 5 jaar na inwerkingtreding van het bestemmingsplan, bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 5.3.3 onder de voorwaarden dat: a. de toename van het aantal voertuigen met een verbrandingsmotor behorende tot de categorie lichtverkeer niet meer bedraagt dan 15.000 per jaar (totaal maximaal 30.000 per jaar), waarbij een bus met een verbrandingsmotor gelijk gesteld wordt aan 3 motorvoertuigen behorende tot de categorie lichtverkeer; b. aangetoond is dat het agrarisch gebruik binnen de bestemming 'Energielandgoed' voldoende is beperkt om elke toename van de stikstofdepositie op voor stikstofgevoelige beschermde natuurwaarde in Natura 2000-gebied als gevolg van de toename van het aantal verkeersbewegingen uit te sluiten; c. de toename van het aantal verkeersbewegingen verkeerstechnisch aanvaardbaar is; d. de toename van het aantal verkeersbewegingen niet leidt tot een overschrijding van de luchtkwaliteitseisen op plaatsen waar representatieve blootstelling is; e. de toename van het aantal verkeersbewegingen niet leidt tot een toename van de geluidbelasting waardoor een aanvaardbaar akoestisch klimaat niet gewaarborgd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 15.2.1: \"Burgemeester en wethouders kunnen een inpassingsplan dat is opgenomen als bijlage bij deze regels wijzigen en daarmee een alternatieve landschappelijke inpassing toestaan, mits de gewijzigde inpassing in ruimtelijk opzicht en/of qua omvang minimaal gelijkwaardig is aan de inpassing zoals opgenomen in het inpassingsplan in de bijlage 3 bij deze regels.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 15.3: \"Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingzone - voorwaardelijke verplichting' voor zover niet vóór de aanleg van die bouwwerken uitvoering is gegeven aan de aanleg en instandhouding van de inrichtingsmaatregelen conform het in bijlage 6 opgenomen compensatieplan.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 15.4: \"Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van bouwwerken ter plaatse van de bestemming 'Energielandgoed' (artikel 5) voor zover niet voor elke vierkante meter verharde oppervlakte waarvan regenwater afstroomt 100 mm berging is gerealiseerd.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestemmingsplan \"Energielandgoed Wells Meer\", vastgesteld op 9 februari 2021:</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 15.2.1: \"Voor de locatie [locatie 1] is het gebruik overeenkomstig de bestemming uitsluitend toegestaan onder de voorwaarde dat sprake is van realisatie en instandhouding van een landschappelijke inpassing overeenkomstig het inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 3 bij deze regels.\"</p></div>", "next": 0}