{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">c. gebruik te maken van een waterstaatswerk of een daartoe behorende beschermingszone door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werkzaamheden te verrichten, werken te maken of te behouden, dan wel vaste substanties of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterbesluit Artikel 6.12 1. Het is verboden zonder daartoe strekkende vergunning van Onze Minister als bedoeld in artikel 6.5 van de wet gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of een bijbehorend kunstwerk in beheer bij het Rijk, niet zijnde de Noordzee, door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder: a. werken te maken of te behouden; b. vaste substanties of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsverordening Gelderland Hoofdstuk 1 Algemeen Artikel 1.1 In deze verordening worden de volgende gebieden aangewezen, waarvan de geometrische plaatsbepaling en de begrenzing zijn vastgelegd in een GML-bestand en verbeeld op de bij deze verordening behorende themakaarten: (…) Ganzenrustgebied rustgebied voor overwinterende ganzen (…) Stiltegebied gebied waarvoor regels gelden ter voorkoming of beperking van geluidhinder (…) Weidevogelgebied broedgebied voor weidevogels § 2.6.2 Compensatie natuur binnen Gelders natuurnetwerk Artikel 2.48 (compensatieplan bij fysieke natuurcompensatie) 1. De initiatiefnemer onderbouwt de wijze waarop fysieke natuurcompensatie plaatsvindt in een compensatieplan.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het compensatieplan geeft in ieder geval inzicht in: a. hoe verzekerd is dat de fysieke natuurcompensatie wordt uitgevoerd; b. hoe monitoring van en rapportage over de uitvoering van de fysieke natuurcompensatie plaatsvinden; c. hoe de natuur wordt ingericht en beheerd gedurende de ontwikkeltijd; d. de locatie waar de nadelige gevolgen voor de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang van het Gelders natuurnetwerk plaatsvinden; en e. de locatie waar gecompenseerd wordt. § 2.6.3 Instructieregel Weidevogelgebied Artikel 2.51a (bescherming Weidevogelgebied) Voor zover een bestemmingsplan betrekking heeft op een Weidevogelgebied laat het: a. in ieder geval een nieuwe windturbine of nieuw zonneveld niet toe; en b. een andere nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als deze geen nadelige gevolgen kunnen hebben voor de functie als broedgebied voor weidevogels. § 2.6.4 Instructieregel Ganzenrustgebied Artikel 2.51b (bescherming Ganzenrustgebied) Voor zover een bestemmingsplan betrekking heeft op een Ganzenrustgebied laat het een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als: a. uit onderzoek blijkt dat deze activiteit of ontwikkeling wordt uitgevoerd op een locatie waar de nadelige gevolgen voor de functie als rustgebied voor overwinterende ganzen zoveel mogelijk worden beperkt; en b. na uitvoering minimaal 500 hectare in het betreffende Ganzenrustgebied overblijft. § 2.6.5 Instructieregels bestemmingsplan Groene ontwikkelingszone Artikel 2.52 (beschermen Groene ontwikkelingszone) 1. Voor zover een bestemmingsplan van toepassing is op locaties binnen de Groene ontwikkelingszone, laat het een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat: a. de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen, genoemd in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt; en b. de samenhang niet verloren gaat. § 2.7.1 Instructieregels windturbines Artikel 2.63 (uitsluiting locaties voor windturbines) Een bestemmingsplan maakt het niet mogelijk een windturbine of windturbinepark op te richten voor gronden gelegen binnen het verbodsgebied windenergie.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.56 (aanwijzing stiltegebieden) 1. Provinciale Staten wijzen stiltegebieden aan waar regels gelden om geluidhinder te voorkomen of te beperken.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten kunnen de grens van een Stiltegebied nader bepalen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Gedeputeerde Staten markeren de toegang of de grens van stiltegebieden door borden te plaatsen, waarvan zij het model hebben vastgesteld.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.57 (toepassingsbereik) 1. In een Stiltegebied gelden de artikelen 3.58 en 3.59.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het eerste lid is niet van toepassing op: a. de agrarische bedrijfsvoering in gebieden als bedoeld in artikel 1.2, vijfde lid, van de Wet milieubeheer; b. handelingen als het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting of op het veranderen van de werking daarvan.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.58 (toestellen) Het is verboden een toestel te gebruiken dat het ervaren van de natuurlijke geluiden kan verstoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.59 (terreinrijden) Het is verboden zich met een motorvoertuig of bromfiets te bevinden buiten de openbare weg of buiten andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 8 Overgangs- en slotbepalingen Afdeling 8.1 Overgangsrecht hoofdstuk 2 Ruimte Artikel 8.1 (doorwerking instructieregel in bestemmingsplan) Een instructieregel in hoofdstuk 2 is van toepassing op een bestemmingsplan dat na de datum van inwerkingtreding van die regel wordt vastgesteld, tenzij het ontwerpbestemmingsplan voor de datum van inwerkingtreding van die regel ter inzage is gelegd en op dat ontwerp door Gedeputeerde Staten geen zienswijze is ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid is een instructieregel gesteld in de artikelen 2.15, 2.16, 2.17 en 2.34 van toepassing op een op de datum van inwerkingtreding van die instructieregel vigerend bestemmingsplan, voor zover dat bestemmingsplan met die instructieregel in strijd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregels grote rivieren Artikel 6. Niet-riviergebonden activiteiten stroomvoerend regime Voor niet-riviergebonden activiteiten in het gedeelte van het rivierbed waarop het stroomvoerend regime van toepassing is, wordt geen toestemming gegeven, tenzij, onverminderd het bepaalde in artikel 7, sprake is van: (…) c. verduurzaming van de energievoorziening van bestaande activiteiten in het rivierbed; of d. opwekking van zonne- of windenergie en de activiteit niet redelijkerwijs buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd.</p></div>", "next": 0}