{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke boete op wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de verzekerde van de verplichting, bedoeld in de artikelen 31, eerste lid, of 49, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan ziekengeld is ontvangen, van ten hoogste 150 procent van het benadelingsbedrag, met overeenkomstige toepassing van het eerste lid, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van het begaan van de overtreding een eerdere bestuurlijke boete of strafrechtelijke sanctie is opgelegd wegens een eerdere overtreding, bestaande uit eenzelfde gedraging, die onherroepelijk is geworden.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Onder eenzelfde gedraging als bedoeld in het vijfde lid wordt verstaan het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in de artikelen 31, eerste lid, of 49 van deze wet, 12 van de Toeslagenwet, 25 van de Werkloosheidswet, 12, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, 80 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, of 27, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering, ziekengeld of toeslag is verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 In afwijking van het vijfde lid is het in dat lid genoemde tijdvak van vijf jaar tien jaar indien wegens de eerdere overtreding, bedoeld in het vijfde lid, de verzekerde is gestraft met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">9 Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">10 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.</p>\n<p class=\"lf-p\">11 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij de bestuurlijke boete is opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">12 In afwijking van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger beroep het bedrag waarop de bestuurlijke boete is vastgesteld ook ten nadele van de verzekerde wijzigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">13 Er wordt geen bestuurlijke boete opgelegd indien voor dezelfde gedraging een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 27a van de Werkloosheidswet wordt opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">14 Indien ten aanzien van een overtreding waarvoor een bestuurlijke boete is opgelegd geen sprake is geweest van opzet of grove schuld, en voorts is gebleken dat binnen een jaar nadat de bestuurlijke boete is opgelegd niet nogmaals een overtreding wegens eenzelfde gedraging als bedoeld in het zesde lid is begaan, is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bevoegd op verzoek van degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd, de bestuurlijke boete geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden bij medewerking aan een schuldregeling. Artikel 34, eerste, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">15 Het besluit tot kwijtschelding, bedoeld in het veertiende lid, wordt ingetrokken of ten nadele van degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd herzien indien binnen vijf jaar na het besluit tot kwijtschelding wederom een overtreding is begaan wegens eenzelfde gedraging als bedoeld in het zesde lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-45b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 45b</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-45c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 45c</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-45d\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 45d</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-45e\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 45e</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-45f\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 45f</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-45g\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 45g</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verrekent de bestuurlijke boete en een eerdere bestuurlijke boete wegens eenzelfde gedraging als bedoeld in artikel 45a, vijfde lid, met een uitkering op grond van deze wet, de Werkloosheidswet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, de Wet arbeid en zorg of een toeslag op grond van de Toeslagenwet, die degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd ontvangt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Onverminderd het eerste lid kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de bestuurlijke boete verrekenen met een vordering die degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd op hem heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De Sociale verzekeringsbank onderscheidenlijk de gemeente betaalt het bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is, op zijn verzoek aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen indien degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet, de Paticipatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De in artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gebruik maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan de persoon aan wie de boete is opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Zolang de verzekerde zijn verplichting, bedoeld in artikel 45a, negende lid, niet of niet behoorlijk nakomt: a. is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in afwijking van artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bevoegd tot verrekening van de bestuurlijke boete voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn; b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij de invordering van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-45h\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 45h</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-45i\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 45i</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de verzekerde de uitkering van ziekengeld op grond van deze wet tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk heeft geweigerd dan wel hem een bestuurlijke boete heeft opgelegd, stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het reïntegratiebedrijf dat ten behoeve van die verzekerde werkzaamheden gericht op vergroting van de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid of op inschakeling in de arbeid verricht, van die beschikking in kennis voorzover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de werkzaamheden door het reïntegratiebedrijf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-45j\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 45j</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien voor het vaststellen van het recht op ziekengeld op grond van deze wet, in het kader van een ziekmelding voor de toekenning van ziekengeld op grond van deze wet, naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een medisch onderzoek nodig is en de betrokkene niet meewerkt aan dat onderzoek, blijven eventuele uit deze wet voortvloeiende aanspraken op ziekengeld op grond van deze wet buiten beschouwing, voor zolang het recht op ziekengeld niet kan worden vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-46\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 46</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Degene die binnen vier weken na het einde van zijn verzekering ongeschikt tot werken wordt, heeft tegenover het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aanspraak op ziekengeld alsof hij verzekerd was gebleven. Indien de verzekering berust op een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 ontstaat de in de eerste zin bedoelde aanspraak op ziekengeld eerst na het eindigen van die dienstbetrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de vaststelling van het bedrag van het ziekengeld wordt de ongeschiktheid tot werken geacht te zijn ingetreden in de kalenderweek, waarin de verzekering is geëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De in het eerste lid bedoelde aanspraak komt niet toe aan: a. degene die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt, of in verband met artikel 6, eerste lid, onderdeel a of b niet verzekerd is; b. degene, die ingevolge de wetgeving van een andere Mogendheid aanspraak heeft op uitkering bij ziekte; en c. degene die recht heeft op een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen of op een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De in het eerste lid bedoelde aanspraak komt mede toe, voor zover het betreft de toepassing van artikel 29a, aan de vrouw, wier bevalling waarschijnlijk is, onderscheidenlijk wier bevalling plaatsvindt binnen een tijdsverloop van tien weken na het einde van haar verplichte verzekering.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Voor de toepassing van dit artikel is ongeschikt tot werken degene, die ongeschikt is tot het verrichten van de arbeid, waarmede hij in zijn onderhoud placht te voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 In afwijking van het vijfde lid wordt, voor degene die uitsluitend verzekerd is geweest op grond van artikel 8, onderdeel a, indien artikel 19aa, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van toepassing is geweest, als ongeschikt tot werken aangemerkt de ongeschiktheid, bedoeld in artikel 19aa, eerste lid, aanhef en onderdeel b.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-47\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 47</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-47a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 47a</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen betaalt geen voorschot indien onzekerheid bestaat over het recht op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of het recht op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen schort de betaling van ziekengeld op of schorst de betaling, indien het van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat: a. het recht op ziekengeld niet of niet meer bestaat; b. recht op een lagere ziekengelduitkering bestaat; c. de verzekerde of zijn wettelijk vertegenwoordiger een verplichting als bedoeld in artikel 30, 31, 45 of 49 niet of niet behoorlijk is nagekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Indien een reïntegratiebedrijf aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft gemeld dat het gegronde vermoeden bestaat dat een persoon aan wie ziekengeld is toegekend, onvoldoende medewerking verleent aan de op hem betrekking hebbende werkzaamheden van het reïntegratiebedrijf, neemt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een besluit omtrent de gehele of gedeeltelijke opschorting of schorsing van de betaling van het ziekengeld aan die persoon voor de duur van ten hoogste acht weken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt het reïntegratiebedrijf in kennis van een besluit tot opschorting of schorsing als bedoeld in het derde lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-48\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 48</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover betreft het in ontvangst nemen van een uitkering ingevolge deze wet en het verlenen van kwijting voor de betaling daarvan, wordt een minderjarige met een meerderjarige gelijkgesteld. Indien de wettelijke vertegenwoordiger zich tegen de betaling aan de minderjarige schriftelijk verzet bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geschiedt de uitbetaling aan de wettelijke vertegenwoordiger.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-49\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 49</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verzekerde is verplicht aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van een door hem aangevraagde of aan hem toegekende ziekengelduitkering. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-50\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 50</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het ziekengeld is: a. onvervreemdbaar; b. niet vatbaar voor verpanding of belening.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Volmacht tot ontvangst van het ziekengeld, onder welke vorm of benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Elk beding, strijdig met enige bepaling van dit artikel, is nietig.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 51</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Rijk is niet aansprakelijk voor het doen van uitkeringen of de verstrekking van bijdragen als bedoeld in artikel 59.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 52</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de vaststelling van de schadevergoeding, waarop de verzekerde naar burgerlijk recht aanspraak kan maken ter zake van zijn ongeschiktheid tot werken wegens ziekte, houdt de rechter rekening met de aanspraken, die hij krachtens deze wet heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 52a</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft voor de krachtens deze wet gemaakte kosten verhaal op degene, die in verband met het veroorzaken van ongeschiktheid tot werken jegens de verzekerde naar burgerlijk recht tot schadevergoeding is verplicht, doch ten hoogste tot het bedrag, waarvoor deze bij het ontbreken van de aanspraken krachtens deze wet naar burgerlijk recht aansprakelijk zou zijn, verminderd met een bedrag, gelijk aan dat van de schadevergoeding tot betaling waarvan de aansprakelijke persoon jegens de verzekerde naar burgerlijk recht is gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De eigenrisicodrager treedt voor de toepassing van het eerste lid in de plaats van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De in het eerste lid bedoelde aansprakelijke is eveneens verplicht tot vergoeding van de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de eigenrisicodrager gemaakte redelijke kosten ter nakoming van de verplichtingen tot inschakeling in de arbeid van de verzekerde, die op het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de eigenrisicodrager rusten op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen alsmede de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en de daarop berustende bepalingen. De aansprakelijke kan hetzelfde verweer voeren dat hem jegens de verzekerde ten dienste zou hebben gestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De werkgever en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekken elkaar op verzoek informatie, die noodzakelijk is voor de uitoefening van het regresrecht. Bij deze informatieverstrekking worden persoonsgegevens, waaronder het burgerservicenummer, verwerkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 52b</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in het vorige artikel geldt ten aanzien van de naar burgerlijk recht tot schadevergoeding verplichte werkgever van de verzekerde, onderscheidenlijk ten aanzien van de naar burgerlijk recht tot schadevergoeding verplichte verzekerde, die in dienstbetrekking staat tot dezelfde werkgever als de verzekerde jegens wie naar burgerlijk recht verplichting tot schadevergoeding bestaat, slechts indien de ongeschiktheid tot werken is te wijten aan opzet of bewuste roekeloosheid van die werkgever onderscheidenlijk verzekerde.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de toepassing van het vorige lid wordt mede als werkgever beschouwd de inlener, bedoeld in artikel 34 van de Invorderingswet 1990.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 52c</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het ziekengeld wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld, indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat aan een beschikking geen behoefte bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het ziekengeld wordt beëindigd zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld indien sprake is van een spontane werkhervatting. Indien de belanghebbende binnen een redelijke termijn om een beschikking verzoekt, dan wordt deze zo spoedig mogelijk alsnog verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen betaalt het ziekengeld, bedoeld in het eerste lid, binnen zes weken na indiening van de aanvraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52d\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 52d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 29b, eerste lid, onderdeel b, tweede, negende en tiende lid, zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van artikel V, onderdeel A, van de Invoeringswet Participatiewet blijft van toepassing op de werknemer, wiens dienstbetrekking is aangevangen voor de dag van inwerkingtreding van artikel V, onderdeel A, van die wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk IIA Reïntegratie-instrumenten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52e\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 52e</span><span class=\"lf-art-t\">Proefplaatsing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de eigenrisicodrager kunnen, in het kader van de bevordering van de inschakeling in de arbeid, toestemming verlenen aan de persoon aan wie ziekengeld is toegekend, om op een proefplaats bij een werkgever gedurende maximaal zes maanden onbeloonde werkzaamheden te verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Tijdens het verrichten van werkzaamheden op een proefplaats wordt het ziekengeld niet ingetrokken of herzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De onbeloonde werkzaamheden op een proefplaats zijn: a. werkzaamheden, waartoe de persoon, bedoeld in het eerste lid, met zijn krachten en bekwaamheden in staat is; b. werkzaamheden, waarbij de werkgever, bij wie de proefplaatsing geschiedt, een aansprakelijkheidsverzekering ten behoeve van de persoon, bedoeld in het eerste lid, heeft afgesloten; c. werkzaamheden, die de persoon, bedoeld in het eerste lid, niet reeds eerder onbeloond op een proefplaats bij die werkgever of diens rechtsvoorganger heeft verricht; en d. werkzaamheden waarbij er, naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, een reëel uitzicht is op een op de onbeloonde werkzaamheden aansluitende dienstbetrekking van dezelfde of grotere omvang voor ten minste 6 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Indien de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, wegens ziekte worden onderbroken, wordt de periode van onderbreking, voor de toepassing van dat lid buiten beschouwing gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 In afwijking van artikel 30, eerste lid, onderdeel b, is de persoon die onbeloonde werkzaamheden op een proefplaats als bedoeld in het eerste of tweede lid verricht, voor de duur van de proefplaatsing niet verplicht passende arbeid te verkrijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van dit artikel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52f\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 52f</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels m.b.t. aanvraag proefplaatsing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de aanvraag van toestemming als bedoeld in artikel 52e.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  III</h3>\n<p class=\"lf-p\">Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 53</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de uitvoering van deze wet wordt voorzien door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-54\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 54</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt een ziekengeldreglement vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het ziekengeldreglement mag geen bepalingen bevatten, welke strijdig zijn met deze wet en de daarop berustende bepalingen of met de statuten van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het ziekengeldreglement mag geen bepalingen bevatten inzake hogere, langere of andere uitkeringen dan deze wet vaststelt dan wel bepaalt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-55\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 55</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De werknemer is verzekerd bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de toepassing van deze wet gelden aaneensluitende verzekeringen bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als één verzekering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-56\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 56</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-57\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 57</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-58\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 58</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-59\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 59</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald, dat in bij die maatregel aan te wijzen gevallen aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de bevoegdheid wordt verleend, te bepalen, dat aan een of meer bij hem verzekerde groepen van werknemers, met inachtneming van bij die maatregel te stellen regels, behalve het in deze wet geregelde ziekengeld andere uitkeringen worden gedaan of bijdragen worden verstrekt voor een of meer sociale fondsen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-60\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 60</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De uitkeringen op grond van deze wet komen ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds, het Uitvoeringsfonds voor de overheid, het Arbeidsongeschiktheidsfonds en de Werkhervattingskas, genoemd in de artikelen 93, 106, 112 en 113a van de Wet financiering sociale verzekeringen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 61</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 60 komen de uitkeringen op grond van deze wet ten aanzien van overheidswerknemers en degenen die op grond van artikel 7, artikel 8 of artikel 8a werknemer zijn wegens het ontvangen van een uitkering uit hoofde van een dienstbetrekking als overheidswerknemer, ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid, bedoeld in artikel 106 van de Wet financiering sociale verzekeringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In afwijking van het eerste lid en artikel 60 komen de uitgaven en de kosten verbonden aan de verstrekking van uitkeringen en aan de reïntegratie van personen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdelen i en j, alsmede de op grond van enige wet over deze uitkeringen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verschuldigde premies die niet op deze uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, ten laste van het Rijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-62\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 62</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekt, volgens nadere bij ministeriële regeling vast te stellen regels, uit de door dit instituut gevoerde administratie aan een daartoe door Onze Minister aangewezen onder hem ressorterende ambtenaar, gegevens omtrent het ziekteverzuim van werknemers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk IIIA Eigenrisicodragen door de werkgever</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-63\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 63</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-63a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 63a</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De eigenrisicodrager verricht met betrekking tot de personen, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking stonden, de werkzaamheden ter zake van de voorbereiding van besluiten op grond van deze wet inzake uitkeringen, met uitzondering van besluiten op grond van artikel 45a en besluiten op grond van bezwaar of beroep. De eigenrisicodrager begeleidt de personen, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking stonden, bij gebleken ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte als zou hij in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot de eigenrisicodrager staan, met toepassing van artikel 26, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen dan wel artikel 71b, derde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Bij de uitvoering van het eerste lid treedt de eigenrisicodrager voor de toepassing van de artikelen 28, eerste lid, 29g, tweede lid, 30, derde lid, 37, eerste lid, en 39, eerste en tweede lid, in de plaats van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De eerste zin blijft buiten toepassing voorzover noodzakelijk voor het verrichten van werkzaamheden op grond van het vierde of vijfde lid door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De eigenrisicodrager betaalt het door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen toegekende ziekengeld namens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de personen, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking stonden. Indien de eigenrisicodrager het ziekengeld niet betaalt, wordt dit betaald door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verhaalt het ziekengeld, alsmede de op grond van enige wet over deze uitkering verschuldigde premies die niet op deze uitkering in mindering kunnen worden gebracht en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, op de eigenrisicodrager.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Op verzoek van een eigenrisicodrager verricht het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de werkzaamheden als bedoeld in de eerste zin van het eerste lid, of onderdelen hiervan. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen brengt de kosten daarvan, alsmede de kosten die voortvloeien uit het derde lid, in rekening bij de eigenrisicodrager.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Indien de eigenrisicodrager werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet, niet voldoende of niet juist verricht, verricht het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen die werkzaamheden. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen brengt de kosten daarvan, alsmede de kosten die voortvloeien uit het derde lid, in rekening bij de eigenrisicodrager.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 In afwijking van het eerste en vierde lid verricht het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de werkzaamheden in verband met de uitvoering van de artikelen 19aa en 19ab.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan de in het derde, vierde en vijfde lid bedoelde bedragen invorderen bij dwangbevel.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vergoedt aan de eigenrisicodrager op aanvraag de schade die deze lijdt door toepassing van artikel 30b, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">9 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-63b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 63b</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De eigenrisicodrager draagt het risico, bedoeld in artikel 40, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet financiering sociale verzekeringen, voorzover de eerste dag van ongeschiktheid tot werken is gelegen op of na de dag waarop de werkgever eigenrisicodrager is geworden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien het zelf dragen van het risico eindigt of wordt beëindigd blijft de werkgever ten aanzien van een persoon het risico, bedoeld in artikel 40, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet financiering sociale verzekeringen, dragen, voorzover de eerste dag van ongeschiktheid tot werken is gelegen voor het einde van het eigenrisicodragen. Indien de werkgever in staat van faillissement is verklaard, of indien ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel indien hij ophoudt werkgever te zijn, betaalt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het ziekengeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 In geval van overgang van een onderneming in de zin van artikel 662 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede in geval van een dergelijke overgang bij faillissement, waarbij de werkgever die de onderneming overdraagt eigenrisicodrager is, gaat het risico van de betaling van ziekengeld dat is of wordt toegekend aan de werknemer die op de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken in dienstbetrekking stond tot de werkgever die de onderneming heeft overgedragen alsmede aan degene die op grond van artikel 46 van deze wet aanspraak op ziekengeld heeft en laatstelijk voor het einde van de verzekering tot voornoemde werkgever in dienstbetrekking stond, over op de werkgever die de onderneming verkrijgt, ook indien deze geen eigenrisicodrager is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Indien slechts een deel van een onderneming als bedoeld in het derde lid overgaat, blijft het in dat lid bedoelde risico berusten bij de werkgever die een deel van de onderneming overdraagt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-63c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 63c</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De eigenrisicodrager laat zich ter zake van de begeleiding bij gebleken ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte van de personen, bedoeld in artikel 63a, eerste lid, tweede zin, bijstaan door een bedrijfsarts of arbodienst. Hetgeen bij of krachtens de artikelen 14, tweede, vierde tot en met elfde, en vijftiende lid, 14a, 16, eerste lid, tweede lid, onderdeel b, vierde lid, onderdeel b, en tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet is bepaald met betrekking tot de bedrijfsarts of arbodienst is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor «werkgever» wordt gelezen «de eigenrisicodrager» en voor «werknemer» «de persoon, bedoeld in artikel 63a, eerste lid, tweede zin, van de Ziektewet» en dat de verplichting tot schriftelijke vastlegging door of vanwege een overeenkomst, bedoeld in artikel 14, vierde en vijfde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, slechts betrekking heeft op de taak, bedoeld in de eerste zin.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Met het toezicht op de naleving en met de uitoefening van specifieke handhavingsbevoegdheden ten aanzien van het eerste lid is belast de toezichthouder, bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet, respectievelijk de aangewezen toezichthouder of ambtenaar, bedoeld in de artikelen 27, 28a, 28b, 30 en 34 van de Arbeidsomstandighedenwet. Bij de uitoefening van het toezicht op en de handhaving van het eerste lid, beschikken de toezichthouder en de aangewezen toezichthouder of ambtenaar over dezelfde bevoegdheden als waarover zij, ten aanzien van de artikelen, genoemd in het eerste lid, tweede zin, beschikken in het kader van de Arbeidsomstandighedenwet, met dien verstande dat in artikel 24 en de genoemde artikelen van de Arbeidsomstandighedenwet voor «werkgever» wordt gelezen «de eigenrisicodrager» en voor «werknemer» «de persoon, bedoeld in artikel 63a, eerste lid, tweede zin, van de Ziektewet».</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het niet naleven van het eerste lid, eerste zin, en van de in het eerste lid, tweede zin, van overeenkomstige toepassing verklaarde artikelen 14, tweede lid, onder a tot en met f, vierde en vijfde lid, en 14a, tweede en derde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet wordt als overtreding aangemerkt. Het niet naleven van het van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 16, tiende lid, en van de krachtens de in het eerste lid, tweede zin, genoemde artikelen vastgestelde voorschriften voor zover het niet naleven van die voorschriften op grond van het genoemde artikel 16, tiende lid, als overtreding is aangemerkt, wordt als overtreding aangemerkt. De artikelen 34 tot en met 43 van de Arbeidsomstandighedenwet zijn van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De werkgever legt bij de aanvraag, bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel a, van de Wet financiering sociale verzekeringen, een afschrift over van de schriftelijke vastlegging, bedoeld in het eerste lid, tweede zin.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Indien de eigenrisicodrager zich met betrekking tot de begeleiding, bedoeld in het eerste lid, niet meer laat bijstaan door een bedrijfsarts of een arbodienst meldt hij dat zo spoedig mogelijk aan de inspecteur, bedoeld in artikel 1 van de Wet financiering sociale verzekeringen, en aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste € 455 indien de eigenrisicodrager deze verplichting niet is nagekomen. De artikelen 45a, derde, vierde en vijfde lid, 45c, en 45g, vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 De toestemming, bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel a, van de Wet financiering sociale verzekeringen kan, onverminderd het tiende lid van dat artikel, door de inspecteur, bedoeld in artikel 1 van de Wet financiering sociale verzekeringen, zonder aanvraag van de eigenrisicodrager met onmiddellijke ingang bij voor bezwaar vatbare beschikking worden beëindigd, indien de eigenrisicodrager zich met betrekking tot de begeleiding, bedoeld in het eerste lid, niet meer laat bijstaan door een bedrijfsarts of een arbodienst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-63d\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 63d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de ongeschiktheid tot werken geacht niet te zijn onderbroken, indien de tijdvakken van ongeschiktheid tot werken elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk IIIb Verhaal ziekengeld aan AOW-gerechtigde werknemer</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-63e\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 63e</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verhaalt op de werkgever, bedoeld in artikel 9, 10 of 12, het ziekengeld, alsmede de overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 35, vermeerderd met de verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, dat door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is betaald aan de verzekerde ten aanzien van wie de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken is gelegen op of na de dag dat de verzekerde de leeftijd, bedoeld in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet heeft bereikt, met uitzondering van het ziekengeld, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen e, f en g.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien de werkgever, bedoeld in het eerste lid, de onderneming overdraagt in de zin van artikel 662 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede in geval van een dergelijke overgang bij faillissement, verhaalt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de in het eerste lid bedoelde bedragen op de werkgever die de onderneming verkrijgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Indien slechts een deel van een onderneming als bedoeld in het tweede lid overgaat, blijft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de in het eerste lid bedoelde bedragen verhalen op de werkgever die een deel van de onderneming overdraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan de in het eerste lid bedoelde bedragen invorderen bij dwangbevel.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de kosten ter zake van de voorbereiding en het nemen van besluiten op grond van deze wet ten aanzien van de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, en de kosten die voortvloeien uit het eerste, tweede en derde lid, in rekening worden gebracht bij de werkgever, genoemd in deze leden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-63f\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 63f</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een beschikking tot verhaal van ziekengeld als bedoeld in artikel 63e wordt niet meer gegeven indien meer dan vijf jaren sedert het einde van het kalenderjaar zijn verstreken, waarin zij is betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Ziekengeld dat niet is ingevorderd binnen tien jaren na het geven van de beschikking tot verhaal, wordt niet meer ingevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De rechtsvordering tot terugbetaling van een onverschuldigd betaald bedrag in verband met verhaal van ziekengeld verjaart door verloop van vijf jaren sedert het einde van het kalenderjaar waarin de beschikking tot verhaal is gegeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-63g\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 63g</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De vordering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wegens verhaal als bedoeld in artikel 63e, eerste lid, is bevoorrecht op alle goederen van de werkgever en gaat boven alle andere voorrechten met uitzondering van die van de artikelen 287 en 288 onder a, alsmede dat van artikel 284 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  IV</h3>\n<p class=\"lf-p\">De vrijwillige verzekering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-64\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 64</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is verplicht overeenkomstig het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde tot de vrijwillige verzekering toe te laten, mits hij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt en hier te lande woont: a. degene, wiens verplichte verzekering is geëindigd en te wiens aanzien op grond van gebleken omstandigheden redelijkerwijze valt aan te nemen, dat onderbreking van die verplichte verzekering van korte duur zal zijn, dan wel dat het zijn bedoeling is bij geboden gelegenheid opnieuw een dienstbetrekking aan te gaan; b. degene, die, terwijl hij hier te lande woonde, in het buitenland verplicht verzekerd was tegen geldelijke gevolgen van ziekte, mits:</p>\n<p class=\"lf-p\">1°. hij niet meer in het buitenland verzekerd is, omdat hij niet langer werkzaamheden verricht in het buitenland;</p>\n<p class=\"lf-p\">2°. op grond van gebleken omstandigheden redelijkerwijze valt aan te nemen, dat het zijn bedoeling is bij geboden gelegenheid opnieuw een dienstbetrekking aan te gaan; c. degene, wiens verplichte verzekering is geëindigd en die als zelfstandige als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, werkzaamheden verricht of gaat verrichten, of als echtgenoot van die zelfstandige meewerkt of gaat meewerken in diens onderneming, indien gedurende één jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het einde van zijn verplichte verzekering, onafgebroken, al dan niet in Nederland, bij of krachtens een wettelijke regeling een voorziening tegen geldelijke gevolgen van ziekte op hem van toepassing is geweest; d. degene wiens dienstbetrekking ertoe strekt, dat slechts een gedeelte van een normale werkweek arbeid wordt verricht - niet uitsluitend als gevolg van een voor betrokkene geldende werktijdregeling, krachtens welke een normale werkweek van gemiddeld minder dan zes dagen van toepassing is - en die uit hoofde van die dienstbetrekking verplicht verzekerd is, indien gedurende de drie jaren, onmiddellijk voorafgaande aan de dag van aanvang van zijn vrijwillige verzekering, onafgebroken, al dan niet hier te lande, ingevolge het bepaalde bij of krachtens een wettelijke regeling een voorziening tegen geldelijke gevolgen van ziekte op hem van toepassing is geweest; e. degene, wiens arbeidsverhouding op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel c, niet als dienstbetrekking wordt beschouwd; f. degene wiens recht op een uitkering krachtens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is beëindigd; g. degene, aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering is toegekend, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%; h. degene, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%; i. degene, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, is ingetrokken; j. degene, die op grond van artikel 7 als werknemer wordt beschouwd en tevens als zelfstandige een bedrijf of beroep uitoefent of gaat uitoefenen of als echtgenoot van die zelfstandige in dat bedrijf of beroep meewerkt of gaat meewerken, indien gedurende de drie jaren, onmiddellijk voorafgaand aan de dag van aanvang van zijn vrijwillige verzekering, onafgebroken, al dan niet in Nederland, bij of krachtens een wettelijke regeling een voorziening tegen geldelijke gevolgen van ziekte op hem van toepassing is geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De in het eerste lid bedoelde verplichting bestaat eveneens ten aanzien van de persoon die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt, die op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 3, tweede, vierde en vijfde lid, niet als werknemer wordt beschouwd, en a. wiens verplichte verzekering is geëindigd en die buiten Nederland woont, aldaar direct aansluitend op de beëindiging van de verplichte verzekering een dienstbetrekking vervult voor de duur van maximaal vijf jaar en wiens werkgever binnen Nederland woont of gevestigd is; b. die Nederlander is en die is uitgezonden om werkzaamheden te verrichten voor door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken aan te wijzen organisaties voor ontwikkelingssamenwerking; c. die Nederlander is en die is uitgezonden om, in of buiten Nederland, werkzaamheden te verrichten voor een volkenrechtelijke organisatie, waarvan Nederland lid is dan wel waarvan de werkzaamheden door Nederland worden ondersteund; d. die in Nederland woont, en buiten Nederland een dienstbetrekking vervult; of e. die Nederlander is en buiten Nederland werkzaamheden verricht die worden bekostigd door het Rijk en die tevens in opdracht van het Rijk worden verricht in het kader van een wettelijke taakomschrijving of ter uitvoering van een internationaal verdrag dan wel een daarmee gelijk te stellen overeenkomst of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Aan het vervullen van een dienstbetrekking, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, dient een aaneengesloten periode van verplichte verzekering van tenminste één jaar te zijn voorafgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Met de Nederlander, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, c en e, wordt gelijkgesteld de persoon, die onderdaan is van één van de lidstaten van de Europese Gemeenschap of onderdaan is van een Staat, waarmee Nederland een verdrag inzake sociale zekerheid heeft gesloten, mits hij voor hij werd uitgezonden in Nederland woonde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-65\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 65</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De in artikel 64, eerste lid, onderdeel c respectievelijk d, genoemde termijn van één jaar respectievelijk van drie jaren wordt geacht niet te zijn onderbroken: a. indien de betrokkene gedurende niet meer dan zestig dagen niet verzekerd is geweest; b. gedurende de wachttijd als bedoeld in artikel 23 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen dan wel de artikelen 19, 37, 38, 39a en 39c van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; c. gedurende het tijdvak, waarover een uitkering krachtens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is genoten dan wel waarover een arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering is genoten, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De in artikel 64, eerste lid, onderdeel c respectievelijk d, genoemde voorwaarde van een verzekeringsduur van één jaar respectievelijk van drie jaren wordt geacht te zijn vervuld, indien de betrokkene in het genot is van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen dan wel een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-66\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 66</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering wordt ingediend bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: a. door de in artikel 64, eerste lid, onderdelen a, b en c, bedoelde personen binnen dertien weken na het einde van hun verplichte verzekering; b. door de in artikel 64, eerste lid, onderdeel f, bedoelde personen binnen dertien weken na dagtekening van de beschikking waarbij het recht op een uitkering werd beëindigd; c. door de in artikel 64, eerste lid, onderdelen g, h en i, bedoelde personen binnen dertien weken na de dagtekening van de beschikking, waarbij de arbeidsongeschiktheidsuitkering onderscheidenlijk werd toegekend, herzien of ingetrokken. d. door de in artikel 64, eerste lid, onderdeel j, bedoelde persoon: binnen dertien weken na de dag, waarop zijn werkzaamheden als zelfstandige of zijn werkzaamheden als echtgenoot van de zelfstandige in diens bedrijfs- of beroepsuitoefening, een aanvang hebben genomen; e. door de in artikel 64, tweede lid, onderdeel a, bedoelde persoon: binnen dertien weken na de dag, waarop de verplichte verzekering is geëindigd; f. door de in artikel 64, tweede lid, onderdelen b, c en e bedoelde persoon: binnen dertien weken na de dag van zijn vertrek naar het buitenland dan wel, indien de in artikel 64, tweede lid, onderdeel c, bedoelde werkzaamheden worden verricht in Nederland, binnen dertien weken na de dag waarop die werkzaamheden een aanvang hebben genomen; g. door de in artikel 64, tweede lid, onderdeel d, bedoelde persoon: binnen dertien weken na de dag, waarop zijn werkzaamheden buiten Nederland een aanvang hebben genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde personen worden geacht een verzoek om toelating binnen dertien weken na de dagtekening van de beschikking te hebben gedaan, indien dit verzoek geschiedt binnen vier weken na de dag, waarop zij redelijkerwijze hebben kunnen kennis nemen van die beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd te verklaren dat een verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering, ingediend na de daartoe op grond van deze wet of de daarop berustende bepalingen gestelde termijn, geacht wordt tijdig te zijn ingekomen, indien de persoon die het verzoek heeft gedaan, redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De vrijwillige verzekering vangt aan: a. voor de in artikel 64, eerste lid, onderdelen a, b en c, en tweede lid, onderdeel a, bedoelde persoon: op de dag na die, waarop de verplichte verzekering is geëindigd; b. voor de in artikel 64, eerste lid, onderdelen d, e en j, bedoelde persoon: op de dag van ontvangst van zijn verzoek om toelating; c. voor de in artikel 64, eerste lid, onderdeel f, bedoelde persoon: op de dag met ingang waarvan het recht op een uitkering krachtens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is beëindigd; d. voor de in artikel 64, eerste lid, onderdelen g, h en i, bedoelde persoon: op de dag met ingang waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt toegekend, herzien of ingetrokken; e. voor de in artikel 64, tweede lid, onderdelen b, c en e bedoelde persoon: op de dag van zijn vertrek naar het buitenland dan wel, indien de in artikel 64, tweede lid, onderdeel c, bedoelde werkzaamheden worden verricht in Nederland, op de dag waarop die werkzaamheden een aanvang hebben genomen; f. voor de in artikel 64, tweede lid, onderdeel d, bedoelde persoon: op de dag, waarop zijn werkzaamheden buiten Nederland een aanvang hebben genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-67\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 67</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-67a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 67a</span><span class=\"lf-art-t\">Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen beëindigt de vrijwillige verzekering:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">a. op verzoek van de vrijwillig verzekerde met ingang van een door hem te bepalen datum; b. met ingang van de dag, waarop de termijn van vijf jaar, bedoeld in artikel 64, tweede lid, onderdeel a, is verstreken; c. met ingang van de dag, waarop de werkzaamheden bedoeld in artikel 64, tweede lid, worden beëindigd en de vrijwillige verzekerde niet langer geacht kan worden inkomsten te verkrijgen wegens eindiging van die werkzaamheden dan wel inkomsten te derven in geval van ziekte d. met ingang van de dag, waarop de vrijwillig verzekerde verplicht verzekerd wordt ingevolge deze wet; e. indien de verschuldigde premie over een periode van twee volle kalendermaanden niet, niet volledig of niet tijdig wordt betaald; of f. indien niet langer wordt voldaan aan andere vereisten voor toelating tot de vrijwillige verzekering, bedoeld in artikel 64, tweede lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-68\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 68</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De persoon, die om toelating tot de vrijwillige verzekering verzoekt, bedoeld in artikel 64, eerste en tweede lid, bepaalt bij de aanvang van de vrijwillige verzekering de hoogte van het dagloon, met dien verstande dat: a. dit niet meer kan bedragen dan het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekering bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag, eventueel verhoogd of verlaagd op grond van artikel 18 van die wet; b. dit niet meer kan bedragen dan het loon of het inkomen dat hij in geval van ziekte naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen derft; en c. dit, ingeval naast de vrijwillige verzekering een vrijwillige verzekering als bedoeld in hoofdstuk III van de Werkloosheidswet is afgesloten, gelijk is aan het dagloon dat ten grondslag ligt aan de vrijwillige werkloosheidsverzekering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De uitkering op grond van de vrijwillige verzekering wordt berekend naar het in het eerste lid bedoelde dagloon.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-69\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 69</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De vrijwillig verzekerde heeft recht op ziekengeld, indien hij wegens ziekte, zwangerschap of bevalling ongeschikt is tot het verrichten van hem passende arbeid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De vrouwelijke verzekerde heeft geen recht op ziekengeld gedurende de periode dat zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg of een uitkering op grond van artikel 3:8 van die wet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-70\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 70</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het ziekengeld van de vrijwillig verzekerde die bij ongeschiktheid tot werken wegens ziekte geen aanspraak kan maken op betaling van loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of bezoldiging als bedoeld in artikel 76a, eerste lid, wordt uitgekeerd vanaf de derde dag van de ongeschiktheid tot werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het ziekengeld bedraagt 70% van het dagloon van de verzekerde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 71</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt nadere regels met betrekking tot de vrijwillige verzekering. Deze regels bevatten in ieder geval bepalingen met betrekking tot: a. de toelating tot de vrijwillige verzekering; b. het einde van de vrijwillige verzekering; en c. het dagloon, bedoeld in artikel 68, eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-72\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 72</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk zijn, met inachtneming van de wijzigingen, welke de aard van het onderwerp vordert, de overige bepalingen van deze wet en de ter uitvoering van die bepalingen genomen besluiten, voor zoveel nodig, van overeenkomstige toepassing, voor zover daarvan in het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde niet is afgeweken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde afdeling Bepalingen in verband met de Algemene wet bestuursrecht en het beroep in cassatie</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 1</span><span class=\"lf-art-t\">Algemeen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-72a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 72a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht is de werkgever geen belanghebbende bij een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen over het verzekerd zijn op grond van deze wet als bedoeld in artikel 72c, eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-72b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 72b</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-72c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 72c</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag tot het geven van een beschikking over het verzekerd zijn op grond van deze wet kan door de werknemer uitsluitend bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen worden ingediend. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen geeft de beschikking binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Een beschikking die uitsluitend betrekking heeft op het al dan niet bestaan of voortbestaan van de ongeschiktheid tot werken, waarvoor geen beoordeling als bedoeld in artikel 19ab, eerste lid, nodig is, wordt gegeven binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag, de aangifte van de ongeschiktheid of van de ziekmelding aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, bedoeld in de artikelen 29a, vierde lid, 38, tweede lid, 38a, tweede en derde lid, 38aa, eerste lid, en 38ab, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Indien een beschikking als bedoeld in het eerste of tweede lid niet binnen de toepasselijke termijn kan worden gegeven, wordt dit schriftelijk aan de aanvrager medegedeeld onder vermelding van een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-72d\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 72d</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-73\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 73</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de behandeling van bezwaarschriften tegen besluiten, waaraan een medische beoordeling ten grondslag ligt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-73a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 73a</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien bezwaar wordt gemaakt tegen een beschikking waaraan een verzekeringsgeneeskundige of arbeidskundige beoordeling als bedoeld in artikel 19ab, eerste lid, ten grondslag ligt, beslist het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, in afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, binnen zeventien weken of, indien het advies vraagt aan een deskundige die niet onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam is, binnen eenentwintig weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien in verband met het geven van een beslissing op bezwaar een in het buitenland wonende persoon is opgeroepen en om die reden de beslissing op bezwaar niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn gegeven kan worden, wordt de beslissing, in afwijking van artikel 7:10, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, verdaagd met ten hoogste zes maanden en wordt de aanvrager van deze verdaging schriftelijk in kennis gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-73b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 73b</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het bezwaar of beroep van een werkgever tegen de in artikel 63a, derde lid, bedoelde betaling dan wel tegen het verhaal, bedoeld in artikel 63e, eerste lid, dan wel tegen de opslag of korting, bedoeld in artikel 38, derde of vierde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen kan niet zijn gegrond op de grief, dat een uitkering op grond van deze wet ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-74\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 74</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen binnen dertien weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 2</span><span class=\"lf-art-t\">Medische besluiten</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-75\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 75</span><span class=\"lf-art-t\">Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">a. medische beschikking: een beschikking waaraan een beoordeling van medische gegevens ten grondslag ligt; b. werknemer: de persoon op wiens medische gegevens de beoordeling betrekking heeft; c. werkgever: de belanghebbende bij een medische beschikking, die niet de werknemer is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-75a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 75a</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-75b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 75b</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De inzage in, dan wel kennisname of toezending van stukken die medische gegevens bevatten, is voorbehouden aan de bedrijfsarts of de arbodienst van de eigenrisicodrager dan wel aan een gemachtigde van de eigenrisicodrager of van de werkgever die advocaat of arts is dan wel daarvoor van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bijzondere toestemming heeft gekregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De gemachtigde, bedoeld in het eerste lid, treedt in de plaats van de eigenrisicodrager of van de werkgever bij de voorbereiding van een medische beschikking voorzover betrekking hebbend op medische gegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De arbodienst of de bedrijfsarts dan wel de gemachtigde, bedoeld in het eerste lid, treedt in de plaats van de eigenrisicodrager bij: a. het opstellen van een bezwaar- of beroepschrift; en b. de behandeling van een bezwaar; voorzover betrekking hebbend op medische gegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Artikel 7:4, tweede, vierde en zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op stukken of inlichtingen die medische gegevens bevatten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-75c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 75c</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vermeldt de motivering van een medische beschikking, voorzover betrekking hebbend op medische gegevens, in een aparte bijlage.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De bijlage wordt behalve aan de werknemer uitsluitend verstrekt aan de bedrijfsarts of de arbodienst van de eigenrisicodrager dan wel aan de gemachtigde van de eigenrisicodrager of van de werkgever, bedoeld in artikel 75b.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een rapport of een advies van een arts of een psycholoog, waarnaar bij de motivering van een medische beschikking wordt verwezen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-75d\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 75d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de bekendmaking van een medische beschikking wordt gewezen op de artikelen 75b, 75c en 75e.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-75e\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 75e</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gronden van het bezwaar of beroep, bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht, worden in een aparte bijlage vermeld voorzover ze betrekking hebben op medische gegevens.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-75f\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 75f</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is toegepast, vindt in afwijking van artikel 8:62, eerste lid, van die wet het onderzoek ter zitting, voorzover betrekking hebbend op medische gegevens, met gesloten deuren plaats, tenzij de bestuursrechter ambtshalve of op verzoek van een van de partijen bepaalt dat het onderzoek openbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In de uitnodiging, bedoeld in artikel 8:56 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt mededeling gedaan van het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-75g\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 75g</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 75f is van overeenkomstige toepassing bij de behandeling van het hoger beroep en bij de behandeling van een verzoek om een voorlopige voorziening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3</span><span class=\"lf-art-t\">Geschillen van geneeskundige aard</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-75j\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 75j</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op geschillen van geneeskundige aard over het al dan niet bestaan of voortbestaan van ongeschiktheid tot werken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-75k\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 75k</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift in een geschil als bedoeld in artikel 75j twee weken, tenzij het geschil betrekking heeft op een beoordeling als bedoeld in artikel 19ab.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-75l\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 75l</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 7:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kunnen belanghebbenden in een geschil als bedoeld in artikel 75j nog tijdens het horen nadere stukken indienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In afwijking van artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, en met inachtneming van de overige artikelen van deze paragraaf, worden in een geschil als bedoeld in artikel 75j het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken: a. voorafgaand aan het horen aan belanghebbenden gezonden, dan wel b. ten minste twee dagen voorafgaand aan de hoorzitting voor belanghebbenden ter inzage gelegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 4</span><span class=\"lf-art-t\">Beroep in cassatie</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-75m\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 75m</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van de artikelen 1, derde tot en met zevende lid, 2 tot en met 12 en 14, eerste lid, en de daarop berustende bepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen de uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van een gerechtshof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde afdeling Aanspraak op bezoldiging en reïntegratieverplichtingen overheidspersoneel</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-76\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 76</span><span class=\"lf-art-t\">Deze afdeling is van toepassing op personen die:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">a. anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst in dienst zijn van staat, provincie, gemeente, waterschap of enig ander publiekrechtelijk lichaam; en b. op grond van de Kaderwet dienstplicht de militaire dienst vervullen dan wel die op grond van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst zijn verplicht tot het verrichten van vervangende dienst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-76a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 76a</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij verhindering wegens ongeschiktheid als gevolg van ziekte, zwangerschap of bevalling om de dienst te verrichten of het ambt te vervullen bestaat ten aanzien van de werkgever jegens wie de persoon, bedoeld in artikel 76, krachtens publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van arbeid, gedurende een tijdvak van 104 weken aanspraak op 70% van de bezoldiging, bedoeld in de toepasselijke rechtspositieregeling, dan wel van hetgeen daarmee overeenkomt, voorzover deze bezoldiging niet meer bedraagt dan hetgeen overeenkomt met het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen. De aanspraak bedraagt de eerste 52 weken echter minimaal het bedrag van het minimumloon dat voor betrokkene zou gelden indien de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag op hem van toepassing zou zijn. De eerste twee volzinnen zijn van overeenkomstige toepassing voorzover in verband met ziekte, zwangerschap of bevalling ook na ontslag aanspraak bestaat op betaling van bezoldiging of van hetgeen daarmee overeenkomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Is bezoldiging of hetgeen daarmee overeenkomt, op een andere wijze dan naar tijdruimte vastgesteld, dan is deze afdeling van toepassing, met dien verstande dat als bezoldiging wordt beschouwd de gemiddelde bezoldiging die betrokkene, wanneer hij niet verhinderd was geweest, gedurende die tijd had kunnen verdienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Van het eerste lid kan bij algemeen verbindend voorschrift ten nadele van betrokkene slechts in zoverre worden afgeweken dat betrokkene voor de eerste twee dagen van het in het eerste lid bedoelde tijdvak van 104 weken onderscheidenlijk het in het achtste lid, eerste volzin, bedoelde tijdvak van zes weken geen aanspraak heeft op bezoldiging of hetgeen daarmee overeenkomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 In afwijking van het eerste lid heeft de vrouwelijke werknemer de in dat lid bedoelde aanspraak niet gedurende de periode dat zij zwangerschaps- of bevallingsverlof geniet overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Voor de toepassing van het eerste en derde lid worden perioden waarin betrokkene wegens ongeschiktheid ten gevolge van ziekte, zwangerschap of bevalling verhinderd is om zijn dienst te verrichten of zijn ambt te vervullen, samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Het tijdvak van 104 weken, bedoeld in het eerste lid, wordt verlengd: a. met de duur van de vertraging indien de aanvraag, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen later wordt gedaan dan in of op grond van dat artikel is voorgeschreven. b. met de duur van de verlenging van het tijdvak waarin recht bestaat op loon of bezoldiging op grond van artikel 24, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen dan wel met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 19, zevende lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; en c. met de duur van het tijdvak dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen dan wel artikel 71a, negende lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Het eerste lid is niet van toepassing op zakgeldgenietenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 In afwijking van het eerste lid bestaat de in dat lid bedoelde aanspraak gedurende een tijdvak van zes weken voor de persoon, bedoeld in artikel 76, die de in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet bedoelde leeftijd heeft bereikt. Indien de ongeschiktheid als gevolg van ziekte een aanvang heeft genomen voor de datum waarop de werknemer de in de vorige volzin bedoelde leeftijd heeft bereikt, geldt vanaf die datum het in die volzin genoemde tijdvak, voor zover het totale tijdvak waarin aanspraak bestaat op bezoldiging, bedoeld in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, dan wel van hetgeen daarmee overeenkomt niet meer bedraagt dan 104 weken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-76b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 76b</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij algemeen verbindend voorschrift kan worden bepaald dat de aanspraak, bedoeld in artikel 76a, eerste lid, niet bestaat indien: a. de ziekte is voorgewend, althans zodanig overdreven is voorgesteld, dat reden voor verhindering niet kan worden aangenomen; b. de ziekte door opzet van de betrokkene is veroorzaakt, tenzij hem daarvan op grond van zijn psychische toestand geen verwijt kan worden gemaakt; c. de verhindering het gevolg is van een ziekte of gebrek waarover betrokkene bij het aangaan van de arbeidsverhouding opzettelijk valse inlichtingen aan de werkgever jegens wie de persoon, bedoeld in artikel 76, krachtens publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van arbeid, heeft verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Bij algemeen verbindend voorschrift kan worden bepaald dat de aanspraak, bedoeld in artikel 76a, eerste lid, vervalt wanneer en voor zolang betrokkene: a. weigert zich te onderwerpen aan een onderzoek vanwege de bedrijfsgeneeskundige of een daarmee gelijk te stellen geneeskundige of, na voor zulk een onderzoek te zijn opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt; b. weigert de volledige medewerking te verlenen aan een geneeskundig onderzoek, een observatie of een maatregel in het belang van het behoud, het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid, tenzij de maatregel een ingreep van heelkundige aard mocht zijn; c. zonder voldoende gronden nalaat zich onder behandeling van een geneeskundige te stellen of blijven stellen, dan wel zich niet houdt aan de voorschriften hem door de behandelende geneeskundige gegeven, met dien verstande dat te dezen voorschriften tot het verlenen van medewerking aan een ingreep van heelkundige aard zijn uitgezonderd; d. zich zodanig gedraagt dat zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd; e. tijdens de verhindering dienst te verrichten, voor zichzelf of derden arbeid verricht tenzij dit door de bedrijfsgeneeskundige of een daarmee gelijk te stellen geneeskundige in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht; f. in gebreke blijft op het door de bedrijfsgeneeskundige of een daarmee gelijk te stellen geneeskundige bepaalde tijdstip en in de door deze bepaalde mate zijn dienst te hervatten, tenzij hij daarvoor een inmiddels opgekomen, door deze als geldig erkende reden heeft opgegeven; g. weigert passende arbeid te verrichten welke door het bevoegd gezag wordt opgedragen en waartoe hij door de bedrijfsgeneeskundige of een daarmee gelijk te stellen geneeskundige in staat wordt geacht; h. zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan door de werkgever, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, of een door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen die erop gericht zijn de betrokkene in staat te stellen passende arbeid te verrichten; i. zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en artikel 71a, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Bij algemeen verbindend voorschrift kan worden bepaald dat de aanspraak, bedoeld in artikel 76a, eerste lid, geheel of ten dele vervallen kan worden verklaard indien betrokkene de voor hem terzake van afwezigheid tijdens ziekte gestelde voorschriften overtreedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Algemeen verbindende voorschriften waarin geen speciale regeling is getroffen voor de aanspraken bij ziekte op bezoldiging of hetgeen daarmee overeenkomt gelden voor de toepassing van 76a, derde lid, als voorschriften waarbij van artikel 76a, eerste lid, wordt afgeweken.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Het tweede lid, onderdeel i, is niet van toepassing indien de betrokkene de in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet bedoelde leeftijd heeft bereikt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-76c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 76c</span><span class=\"lf-art-t\">De aanspraak, bedoeld in artikel 76a, eerste lid, wordt verminderd met:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">a. het bedrag van de vergoeding of uitkering welke betrokkene ontvangt krachtens een wettelijk voorgeschreven verzekering; b. het bedrag van bezoldiging of het loon, door betrokkene in of buiten dienstbetrekking genoten voor werkzaamheden die hij heeft verricht gedurende de tijd dat hij zijn dienst had kunnen verrichten of zijn ambt had kunnen vervullen, zo hij daartoe wegens ziekte niet verhinderd was geweest.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-76d\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 76d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien betrokkene voor de aanvang van zijn dienstbetrekking of ambtsvervulling een overeenkomst had gesloten tot verzekering van de geldelijke gevolgen van verhindering tot werken wegens ziekte, mag hij die overeenkomst voorzover hij daaraan rechten kan ontlenen die gelijkwaardig zijn aan die welke voor hem uit deze afdeling voortvloeien, voor het vervolg, echter niet eerder dan met ingang van de aanvang van de dienstbetrekking of ambtvervulling opzeggen. De door betrokkene vooruitbetaalde premie wordt door de verzekeraar naar gelang van het opgezegde gedeelte van de overeenkomst terugbetaald, onder aftrek van ten hoogste 25% van het terug te betalen bedrag voor administratiekosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-76e\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 76e</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De werkgever jegens wie de persoon, bedoeld in artikel 76, krachtens publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van arbeid, bevordert ten aanzien van de werknemer, die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, de inschakeling in de arbeid in zijn bedrijf. Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en in het bedrijf van de werkgever, bedoeld in de eerste volzin, geen andere passende arbeid voorhanden is, bevordert die werkgever, gedurende het tijdvak waarin de werknemer jegens hem recht op loon heeft op grond van deze afdeling, artikel 71a, negende lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de inschakeling van de werknemer in voor hem passende arbeid in het bedrijf van een andere werkgever, tenzij de werknemer de in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet bedoelde leeftijd heeft bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Uit hoofde van de uitoefening van zijn taak, bedoeld in het eerste lid, is de werkgever, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, verplicht zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is, opdat de werknemer, die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen of andere passende arbeid te verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Uit hoofde van de uitoefening van zijn taak, bedoeld in het eerste lid, stelt de werkgever, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, in overeenstemming met de werknemer een plan van aanpak op als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en artikel 25, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, tenzij de werknemer de in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet bedoelde leeftijd heeft bereikt. Het plan van aanpak wordt met medewerking van de werknemer regelmatig geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Onder passende arbeid als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt verstaan alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 De werkgever, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, en degene, door wie de werkgever zich op grond van artikel 14 van de Arbeidsomstandighedenwet laat bijstaan, verstrekken een re-integratiebedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, gegevens voor zover deze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de door de werkgever, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, aan dit bedrijf opgedragen werkzaamheden, alsmede het burgerservicenummer van de persoon wiens inschakeling in de arbeid door dat re-integratiebedrijf wordt bevorderd. Het re-integratiebedrijf verwerkt deze gegevens slechts voor zover dat noodzakelijk is voor deze werkzaamheden en gebruikt slechts met dat doel dat burgerservicenummer bij die verwerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, en de personen, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking stonden, gedurende de periode dat de eigenrisicodrager aan die personen ziekengeld moet betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde afdeling Straf-, overgangs- en slotbepalingen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  I</h3>\n<p class=\"lf-p\">Strafbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-77\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 77</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hij, die niet voldoet aan een der verplichtingen, omschreven in artikel 13 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-78\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 78</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-79\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 79</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-80\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 80</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-81\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 81</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 82</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-83\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 83</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-84\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 84</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  II</h3>\n<p class=\"lf-p\">Overgangs- en slotbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-85\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 85</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De termijnen van het ziekengeld, welke niet zijn ingevorderd binnen twee jaren na de dag der betaalbaarstelling, worden niet meer uitbetaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-86\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 86</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-86a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 86a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de verzekerde wiens eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte is gelegen voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel IX, onderdelen A en B, van de Wet wijziging WW-stelsel, blijven de artikelen 29, tweede lid, onderdeel d, en 36, eerste lid, van toepassing zoals deze luidden op of voor dat tijdstip, en blijft artikel 29, twaalfde lid, buiten toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-86b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 86b</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 19a, derde lid, 19b, tweede lid, 33, eerste lid, 44 en 47a, tweede lid, onderdeel c, zoals die luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving, blijven van toepassing op de persoon wiens eerste werkdag waarop door hem wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt, is gelegen voor of op die dag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-86c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 86c</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-86d\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 86d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 38a en 38b, zoals die luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel VIII, onderdelen L en M, van de Wet harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving, blijven van toepassing met betrekking tot een werknemer wiens eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte was gelegen voor of op die dag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-86e\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 86e</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 29e is niet van toepassing indien de ziekmelding, bedoeld in artikel 38a, tweede en derde lid, of artikel 38b, derde lid, is gedaan voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel XXXIII, onderdeel B, van de Verzamelwet SZW 2022.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-87\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 87</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 29, zevende lid, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van artikel XXXIII, onderdeel C, onder 1, van de Verzamelwet SZW 2019, blijft van toepassing op ZW-uitkeringen waar reeds inkomen uit of in verband met opleiding of scholing op de uitkering in mindering wordt gebracht, voor zover het inkomen meer bedraagt dan de vergoeding, bedoeld in artikel 1 van de Regeling vrijlating vergoedingen scholing Werkloosheidswet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-87a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 87a</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat in afwijking van artikel 29, eerste lid, ziekengeld wordt uitgekeerd aan verzekerden die in dienstbetrekking staan tot bij of krachtens die maatregel te bepalen werkgevers.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Artikel 88 is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De werkgever kan een verzekeringsovereenkomst met betrekking tot zijn verplichting tot doorbetaling van loon als bedoeld in 629, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of bezoldiging als bedoeld in artikel 76a, eerste lid opzeggen met ingang van de dag dat de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, te zijnen aanzien in werking treedt, of, indien de opzegging later geschiedt, met ingang van de dag waarop deze de verzekeraar bereikt. In het geval dat de premie is vooruitbetaald wordt deze door de verzekeraar naar evenredigheid aan de werkgever terugbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Een krachtens het eerste lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-87b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 87b</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-87c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 87c</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 19a is niet van toepassing op de persoon op wie dat artikel als gevolg van de opzegging van een verdrag, de beëindiging van de voorlopige toepassing van een verdrag dan wel de beëindiging van een daarmee gelijk te stellen situatie van toepassing zou worden, zolang deze persoon blijft wonen in hetzelfde land als waar hij op de dag voor buitenwerkingtreding als gevolg van die opzegging respectievelijk op de dag voor de beëindiging woonde en blijft voldoen aan de overige voorwaarden voor het recht op ziekengeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-88\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 88</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een overeenkomst met betrekking tot de verzekering van geldelijke gevolgen van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte, gesloten door degene, die verplicht verzekerd wordt, vervalt met ingang van de dag, waarop de verzekeraar van de verzekerde mededeling van het verplicht verzekerd worden ontvangt, voor zover aan de overeenkomst rechten kunnen worden ontleend, gelijkwaardig aan die, welke uit de in deze wet geregelde verplichte verzekering voortvloeien. Bereikt deze mededeling de verzekeraar vóór de dag, waarop de betrokkene verplicht verzekerd wordt, dan vervalt de overeenkomst met ingang van die dag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De premie, welke degene, wiens verzekering krachtens het bepaalde in het eerste lid geheel of gedeeltelijk is vervallen, heeft vooruitbetaald, wordt door de verzekeraar al naar gelang van het vervallen gedeelte der overeenkomst terugbetaald, onder aftrek van ten hoogste 25 procent van het terug te betalen bedrag voor administratiekosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-89\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 89</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in deze wet gestelde termijnen van uitkering van geldelijke schadeloosstelling alsmede op de termijnen, gesteld in de artikelen 6, tweede lid, onderdelen a en c, 29, vijfde lid, 35 en 46, eerste en vierde lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-90\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 90</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als werknemer in de zin van artikel 29b, eerste lid, wordt, naast de werknemers bedoeld in dat lid, eveneens aangemerkt de persoon die voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 1.4, onderdeel G, van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen arbeidsgehandicapte was op grond van artikel 2 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de dag waarop dat artikel vervalt op grond van artikel 2.10 van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, voor de duur van: a. zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering en vijf jaar na die periode voor de arbeidsgehandicapte, bedoeld in dat artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten; b. de toekenning van de voorziening en vijf jaar na die periode voor de arbeidsgehandicapte, bedoeld in dat artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten; c. de indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking op grond van de Wet sociale werkvoorziening voor de arbeidsgehandicapte, bedoeld in dat artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten; d. vijf jaar na de beëindiging van zijn dienstbetrekking op grond van de Wet sociale werkvoorziening voor de arbeidsgehandicapte, bedoeld in dat artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten; e. vijf jaar na de herindicatiebeschikking op grond van de Wet sociale werkvoorziening voor de arbeidsgehandicapte, bedoeld in dat artikel 2, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten; f. vijf jaar na beëindiging van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering of de eindiging van de voorziening, bedoeld in dat artikel 2, eerste lid, onderdeel b van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten voor de arbeidsgehandicapte, bedoeld in het tweede lid van dat artikel; g. vijf jaar na de dag waarop, in verband met ziekte of gebrek een belemmering bij het verkrijgen of verrichten van arbeid is ontstaan voor de arbeidsgehandicapte, bedoeld in dat artikel 2, derde of vierde lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, geldt geen duurbeperking voor de persoon die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 1.4, onderdeel G, van de Wet Invoering en financiering Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen arbeidsgehandicapte was op grond van zijn recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-91\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 91</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 29b, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van artikel 1.4, onderdeel G, van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, blijft van toepassing op de werknemer die op of voor die dag recht had op ziekengeld op grond van dat artikel. Het ziekengeld, bedoeld in de eerste volzin, wordt niet betaald na de periode waarover de werknemer op grond van artikel 29b, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van artikel 1.4, onderdeel G, van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, recht had.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-91a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 91a</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht no risk polis i.v.m. gewijzigd loonsanctiesysteem</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-92\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 92</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen recht op ziekengeld heeft de persoon die belanghebbende is als bedoeld in artikel 1 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-93\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 93</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 19, vijfde lid, 29, zesde lid, 30, vijfde en zesde lid, en 38ab zijn niet van toepassing met betrekking tot het recht op ziekengeld van personen die voor de dag van de inwerkingtreding van de Wet van 12 december 2007, houdende regels tot bevordering van de activering van personen die aanspraak maken op een uitkering op grond van de Ziektewet (Stb. 2007, 553) recht hadden op ziekengeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Ten aanzien van personen die voor de inwerkingtreding van de Wet van 12 december 2007, houdende regels tot bevordering van de activering van personen die aanspraak maken op een uitkering op grond van de Ziektewet (Stb. 2007, 553) recht hadden op ziekengeld zijn met betrekking tot dat recht de artikelen 29a, zesde lid, 38a, 45, eerste lid, en 72c, tweede lid, zoals deze luidden op de dag voor de inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde wet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-94\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 94</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In gedingen aangevangen voor het van toepassing worden van artikel 52a, derde lid, bepaalt de rechter op verzoek van een van de partijen of ambtshalve een termijn waarbinnen partijen de gelegenheid wordt geboden hun stellingen en conclusies voor zover nodig aan te passen aan artikel 52a, derde lid. Stelt de rechter partijen tot een zodanige aanpassing in de gelegenheid, dan staat tegen die beslissing geen rechtsmiddel open; wijst de rechter een daartoe strekkend verzoek af, dan staat een rechtsmiddel daartegen slechts gelijktijdig met de einduitspraak open.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-95\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 95</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-96\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 96</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-97\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 97</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van verzekerden die aanspraak maken op ziekengeld op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel e, f of g, wier eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van hun arbeid wegens ziekte is gelegen voor de dag van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel C, onder 2, van de Wet wijziging verrekening inkomsten met ziekengeld en de werkgevers van die verzekerden is artikel 38, vierde lid, zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van artikel II, onderdeel C, onder 2, van de Wet wijziging verrekening inkomsten met ziekengeld, van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-98\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 98</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-99\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 99</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-100\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 100</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 19aa is niet van toepassing op de verzekerde wiens eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid is gelegen voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B, van de Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters. De artikelen 19a, derde lid, onderdeel b, 19b, tweede lid, en 19c, tweede lid, zoals deze artikelen luidden op de dag voor inwerkingtreding van die wet blijven van toepassing op de verzekerde, bedoeld in de eerste zin.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Op de verzekerde, wiens eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid is gelegen voor de dag van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel E, van de Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters is artikel 29g niet van toepassing en blijft artikel 30, eerste lid, zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel F, van die wet, van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-101\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 101</span><span class=\"lf-art-t\">Artikel 19aa is niet van toepassing op de verzekerde die:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">a. verzekerd is op grond van artikel 16 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; of b. recht heeft op toekenning of heropening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de artikelen 19a, 20, 43a onderscheidenlijk 47, 47a of 47b van die wet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-102\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 102</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 15 en 16 en de daarop berustende bepalingen en artikel 29, zevende lid, zoals deze luidden voor 1 juli 2015 blijven van toepassing met betrekking tot de werknemer wiens eerste dag van werkloosheid op grond van de Werkloosheidswet is gelegen voor die inwerkingtreding mits het recht op ziekengeld, bedoeld in artikel 29, tweede lid, is ontstaan voor de omzetting, bedoeld in artikel 130z, tweede lid, of 130aa, eerste lid, van de Werkloosheidswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Artikel 29h is niet van toepassing met betrekking tot de werknemer wiens eerste dag van werkloosheid op grond van de Werkloosheidswet is gelegen voor 1 juli 2015, mits het recht op ziekengeld, bedoeld in artikel 29, tweede lid, is ontstaan voor de omzetting, bedoeld in artikel 130z, tweede lid, of 130aa, eerste lid, van de Werkloosheidswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Dit artikel vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-103\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 103</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 30, vijfde en zesde lid, en de daarop berustende bepalingen zoals deze luidden op de dag voor de datum waarop artikel XXVIII, onderdeel B, van de Wet werk en zekerheid inwerking is getreden, blijven van toepassing op een recht op uitkering waarvan de eerste ziektedag is gelegen voor de dag van inwerkingtreding.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Dit artikel vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-104\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 104</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het in de artikelen 29, vijfde lid, en 76a, derde en achtste lid, genoemde tijdvak van 6 weken, geldt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip een tijdvak van dertien weken voor de werknemer die de in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet bedoelde leeftijd heeft bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien de ongeschiktheid wegens ziekte een aanvang heeft genomen voor de datum waarop de werknemer de in het eerste lid bedoelde leeftijd heeft bereikt, geldt vanaf die datum voor de toepassing van artikel 76a, derde en achtste lid, de in het eerste lid genoemde tijdvak, voor zover het totale tijdvak niet meer bedraagt dan 104 weken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Indien de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte een aanvang heeft genomen voor het op grond van het eerste lid vast te stellen tijdstip blijft het in het eerste lid genoemde tijdvak van dertien weken gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, wordt niet eerder vastgesteld, dan nadat: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onze Minister een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de Wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd (Kamerstukken 34 073) in de praktijk gedurende de eerste twee jaren na inwerkingtreding van die wet, aan de beide kamers der Staten-Generaal heeft gezonden; en b. acht weken zijn verstreken nadat het voornemen tot het vaststellen van dat tijdstip is meegedeeld aan de beide kamers der Staten-Generaal.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-105\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 105</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het in artikel 76a, eerste lid, genoemde tijdvak van 104 weken blijft gedurende zes maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel III, onderdeel F, van de Wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd van toepassing op de werknemer: a. die op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding ten minste de in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet bedoelde leeftijd heeft, dan wel binnen zes maanden na dat tijdstip deze leeftijd bereikt, en b. die voor het tijdstip van inwerkingtreding en tevens, al dan niet na een onderbreking gedurende minder dan vier weken, na dat tijdstip verhinderd is om de dienst te verrichten of het ambt te vervullen wegens ongeschiktheid als gevolg van ziekte.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Na afloop van de in het eerste lid genoemde termijn van zes maanden, geldt het in artikel 104 genoemde tijdvak van dertien weken voor zover het totale tijdvak waarin aanspraak bestaat op bezoldiging, bedoeld in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, dan wel van hetgeen daarmee overeenkomt niet meer bedraagt dan 104 weken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-106\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 106</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 63e is niet van toepassing voor zover de eerste dag van ongeschiktheid tot werken is gelegen voor de datum van inwerkingtreding van artikel III, onderdeel D, van de Wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-107\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 107</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4, eerste lid, onderdeel e, zoals dat luidde op de dag voor de datum van inwerkingtreding van artikel XXXII, onderdeel Da, van de Verzamelwet SZW 2018, blijft van toepassing op een recht op uitkering op grond van deze wet of op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet arbeid en zorg dat is ontstaan voor de inwerkingtreding van artikel XXXII, onderdeel Da, van de Verzamelwet SZW 2018.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-108\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 108</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze wet wordt aangehaald als: Ziektewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gegeven op het Loo den 5den Juni 1913 WILHELMINA.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, A. S. TALMA. den negenden Juni 1913.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Minister van Justitie ad interim, HEEMSKERK.</p></div>", "next": 0}