{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.38, wordt alleen verleend als de nodige maatregelen worden getroffen om ongevallen met een buisleiding met gevaarlijke stoffen te voorkomen en de eventuele gevolgen van ongevallen voor de omgeving te beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de toepassing van het eerste lid wordt in ieder geval rekening gehouden met de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door de buisleiding voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een brandaandachtsgebied, een explosieaandachtsgebied en een gifwolkaandachtsgebied, voor zover dat gebied niet is gelegen binnen een risicogebied externe veiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de beoordeling, bedoeld in het tweede lid zijn de artikelen 5.12 en 5.13 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het beoordelen van de aanvraag om de omgevingsvergunning wordt rekening gehouden met het advies van de veiligheidsregio.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-340\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.40</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 3.38 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een beschrijving van de voorgenomen wijziging; en b. de resultaten van de berekeningen van:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de afstand vanaf de buisleiding tot waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar is; en 2. de afstand voor het brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het berekenen van het brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied is artikel 4.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub ii van de Omgevingsregeling van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-341\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.41</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningvoorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het in artikel 2.221, derde lid, bedoelde belang kunnen aan de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.38, voorschriften worden verbonden tot het beschermen van de fysieke leefomgeving van de buisleiding.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  3.2.9</h3>\n<p class=\"lf-p\">Wijzigen gebruik van ambachtelijke bedrijven</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-342\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.42</span><span class=\"lf-art-t\">Geografisch werkingsgebied, toepassingsbereik en oogmerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'vergunningplicht bij wijziging ambachtelijk bedrijf'.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar een TAM-omgevingsplan geldt, is deze subparagraaf van overeenkomstige toepassing, voor zover in dat TAM-omgevingsplan een locatie is aangeduid met de aanduiding 'ambachtelijk bedrijf'.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het wijzigen van een legaal bestaand gebruik als ambachtelijk bedrijf naar een ander gebruik, uitsluitend voor zover het met de wijziging beoogde gebruik niet in strijd is met artikel 2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf heeft het doel een divers functieaanbod te garanderen en ambachtelijke bedrijven te behouden in centrumgebieden waar de druk op de leefbaarheid groot is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-343\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.43</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht wijziging ambachtelijk bedrijf naar ander gebruik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning het bestaand gebruik te wijzigen van een ambachtelijk bedrijf naar ander gebruik.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-344\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.44</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. de beoogd ander gebruik niet in strijd is met artikel 2.3; en b. het beoogd ander gebruik bijdraagt aan een divers en lokaal aanbod aan voorzieningen, passend bij het karakter van het gebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-345\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.45</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.43 wordt in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een beschrijving van het bestaande gebruik; b. een beschrijving van het voorgenomen gebruik; c. een onderbouwing in welke mate het voorgenomen gebruik bijdraagt aan het aanbod aan voorzieningen als bedoeld in artikel 3.44, onder b.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  3.2.10</h3>\n<p class=\"lf-p\">Beperkingen voor beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied plaatsgebonden risico</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-346\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.46</span><span class=\"lf-art-t\">Geografisch werkingsgebied en oogmerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico'.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar een TAM-omgevingsplan geldt, is deze subparagraaf van overeenkomstige toepassing, voor zover in dat TAM-omgevingsplan een locatie is aangeduid met de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico'.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze paragraaf zijn gesteld om kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare gebouwen te beschermen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-347\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.47</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod gebruik kwetsbaar gebouw</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden om een gebouw te gebruiken als een kwetsbaar gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod geldt niet voor kwetsbare gebouwen die functionele binding hebben met de activiteit waarvoor de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico' is opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-348\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.48</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht wijziging naar beperkt kwetsbaar gebouw</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: a. het wijzigen van het gebruik van een gebouw of een deel van een gebouw dat geen kwetsbaar, beperkt kwetsbaar of zeer kwetsbaar gebouw is naar een gebruik als beperkt kwetsbaar gebouw; b. het wijzigen van het gebruik van een beperkt kwetsbaar gebouw naar een andere beperkt kwetsbare gebruiksfunctie waardoor het aantal aanwezige personen toeneemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor een beperkt kwetsbaar gebouw dat functionele binding heeft met de activiteit waarvoor de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico' is opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-349\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.49</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.48, eerste lid, wordt alleen verleend als: a. de wijziging naar een beperkt kwetsbaar gebouw niet in strijd is met artikel 2.3; b. zwaarwegende economische of maatschappelijke redenen dit rechtvaardigen; c. alle redelijke maatregelen om de gevolgen van een ramp te bestrijden zijn getroffen; en d. er zijn voldoende mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen in geval van een ramp bij de activiteit met het beperkingengebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het beoordelen van de aanvraag om de omgevingsvergunning wordt rekening gehouden met het advies van de veiligheidsregio.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het eerste lid geldt dat de omgevingsvergunning niet wordt verleend indien het beperkt kwetsbare gebouw geheel of gedeeltelijk staat ter plaatse van de aanduiding 'plaatsgebonden risico 10-5 windturbine'.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-350\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.50</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningvoorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.48, eerste lid, kunnen voorschriften worden verbonden ter bescherming van beperkt kwetsbare gebouwen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-351\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.51</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.48, eerste lid, voor het toelaten van een beperkt kwetsbaar gebouw worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de zwaarwegende economische of maatschappelijke redenen voor de realisatie van het beperkt kwetsbare gebouw of het gebruik van de gronden; b. alle redelijke maatregelen die worden getroffen om de gevolgen van een ramp te bestrijden; en c. gegevens over de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen in geval van een ramp bij de activiteit met het beperkingengebied.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  3.2.11</h3>\n<p class=\"lf-p\">Beperkingen voor zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties in een beperkingengebied vuurwerk [gereserveerd]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  3.2.12</h3>\n<p class=\"lf-p\">Beperkingen voor zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties in een beperkingengebied ontplofbare stoffen [gereserveerd]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  3.2.13</h3>\n<p class=\"lf-p\">Ondergeschikte horeca-activiteiten [gereserveerd]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  3.2.14</h3>\n<p class=\"lf-p\">Hospitaverhuur en inwoning</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-352\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.52</span><span class=\"lf-art-t\">Hospitaverhuur en inwoning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover in het tijdelijk deel van het omgevingsplan gebruik van een woning door meer dan één huishouden niet is toegestaan, is omzetting van zelfstandige naar onzelfstandige woonruimte wel toegestaan, indien het een omzetting betreft die in de Huisvestigingsverordening is vrijgesteld van de vergunningplicht als bedoeld in artikel 21 lid 1 onder c van de Huisvestingswet.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  3.2.15</h3>\n<p class=\"lf-p\">Slaapplaatsen hotels</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-353\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.53</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het realiseren van nieuwe slaapplaatsen in een hotel en op locaties waar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning een hotel is toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is niet van toepassing op het verplaatsen van bestaande slaapplaatsen in een hotel waarbij het aantal slaapplaatsen niet toeneemt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-354\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.54</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht voor het realiseren van nieuwe slaapplaatsen in hotels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning nieuwe slaapplaatsen in een hotel te realiseren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-355\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.55</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling hotelontwikkelingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod, bedoeld in artikel 3.54, is niet van toepassing op het realiseren van nieuwe slaapplaatsen op de volgende locaties, voor zover het daarbij aangegeven aantal slaapplaatsen niet wordt overschreden: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Papaverweg 9: 64 slaapplaatsen; b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jan Pieter Heijestraat 66: 220 slaapplaatsen; c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klaprozenweg 57-59: 388 slaapplaatsen; d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Akersluis 8a: 106 slaapplaatsen; e.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meer en Vaart 300 (project Stadscentrum Osdorpplein): 400 slaapplaatsen; f.</p>\n<p class=\"lf-p\">Centrale Groothandelsmarkt 186 (project Foodcenter Amsterdam): 90 slaapplaatsen; g.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nina Simoneplein (project Eleven Square): 760 slaapplaatsen; h.</p>\n<p class=\"lf-p\">Science Park 904 (project Amsterdam Science Park, kavel 15): 400 slaapplaatsen; i.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grasweg 46: 320 slaapplaatsen; j.</p>\n<p class=\"lf-p\">Johan Huizingalaan 704 t/m 708 (even) en 801 t/m 1413 (oneven) (project B@Home, Schinkelkwartier): 60 slaapplaatsen; k.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asterdwarsweg 1: 386 slaapplaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De slaapplaatsen, bedoeld in het eerste lid, worden aangemerkt als bestaande slaapplaatsen, nadat deze zijn gerealiseerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-356\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.56</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.54, wordt alleen verleend als: a. de exploitatie van een of meer hotels geheel en blijvend wordt beëindigd, waarbij het aantal nieuwe slaapplaatsen in het hotel waarvoor de omgevingsvergunning is aangevraagd niet groter is dan het aantal bestaande slaapplaatsen in het hotel of de hotels waarvan de exploitatie wordt beëindigd; en b. de toeristische druk niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.54, wordt in elk geval het voorschrift verbonden: a. waarmee het maximum aantal nieuwe slaapplaatsen wordt vastgelegd, gelijk aan het aantal nieuwe slaapplaatsen waarvoor de omgevingsvergunning wordt verleend; en b. dat het gebruik van de nieuwe slaapplaatsen alleen is toegestaan, indien de exploitatie van het hotel met de bestaande slaapplaatsen geheel en blijvend wordt beëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.54, worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-357\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.57</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.54, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het aantal bestaande slaapplaatsen in het hotel waarvan de exploitatie wordt beëindigd; b. een plattegrond op schaal met de kamers en bestaande slaapplaatsen van het hotel waarvan de exploitatie wordt beëindigd; c. een verzoek van de aanvrager om een wijziging van het omgevingsplan waarmee het gebruik van een hotel onmogelijk wordt gemaakt, of een verzoek van de aanvrager om de omgevingsvergunning die het gebruik van een hotel mogelijk maakt, in te trekken; d. bewijs dat de aanvrager als zakelijk gerechtigde bevoegd is om de exploitatie te beëindigen en om het verzoek bedoeld onder c te doen; e. het aantal nieuwe slaapplaatsen in het hotel waarvoor de omgevingsvergunning is aangevraagd; f. een plattegrond op schaal met de kamers en nieuwe slaapplaatsen in het hotel waarvoor de omgevingsvergunning is aangevraagd; g. een beschrijving van het hotelconcept waarvan de nieuwe slaapplaatsen onderdeel zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-358\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.58</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking voor locaties waar op grond van het tijdelijk deel omgevingsplan een hotel is toegestaan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ter plaatse van de aanduiding 'hotel niet toegestaan' is, in afwijking van het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan, geen hotel toegestaan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  3.2.16</h3>\n<p class=\"lf-p\">Laden en lossen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-359\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.59</span><span class=\"lf-art-t\">Laden en lossen op eigen terrein</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ter plaatse van de aanduiding 'laden en lossen uitsluitend op eigen terrein toegestaan' is laden en lossen uitsluitend op eigen terrein toegestaan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  3.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">INRICHTINGSPLANNEN</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-360\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.60</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling gaat over de inrichting van terreinen waarvoor op grond van de bepalingen in deze afdeling een inrichtingsplan van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling is aanvullend op regels over de inrichting van terreinen die elders in dit omgevingsplan zijn gesteld.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  4</h3>\n<p class=\"lf-p\">ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  4.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">ALGEMEEN</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-41\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk is van toepassing op het verrichten van: a. een omgevingsplanactiviteit bouwwerken; b. een omgevingsplanactiviteit slopen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Meet en rekenregels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' zijn de meet- en rekenbepalingen zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing op de ruimtelijke regels over bouwwerken in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van het tweede lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het bepalen van de bruto-vloeroppervlakte is NEN 2580 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als in een regel een norm is gegeven die geldt ter plaatse van een aanduiding geldt de betreffende norm per afzonderlijk aanduidingsvlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het bepalen van het geluid op een gevel zijn de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-43\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over het eerste lid, waarmee kan worden afgeweken van het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-44\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overgangsrecht met betrekking tot gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of het omgevingsplan nog geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-45\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht met betrekking tot rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4.13, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  4.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">OMGEVINGSPLANACTIVITEIT BOUWWERKEN</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.2.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-46\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.6</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4.2 is van toepassing op het verrichten van een omgevingsplanactiviteit bouwwerken.</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.2.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Vergunningplicht voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-47\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.7</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit bouwwerken te verrichten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-48\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.8</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene beoordelingsregel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels over het verlenen van de omgevingsvergunning die in paragraaf 4.2.4 zijn gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-49\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.9</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene aanvraagvereisten omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto-vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 5. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; en f. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.2.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bouwwerken waarvoor de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet geldt, ruimtelijke regels over bouwwerken onverkort van toepassing</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-410\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.10</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf worden bouwwerken aangewezen waarop de vergunningplicht, bedoeld in artikel 4.7, niet van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op bouwwerken waarop de vergunningplicht, bedoeld in artikel 4.7, niet van toepassing is, zijn artikel 2.3 en artikel 5.6 onverkort van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-411\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.11</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene afbakeningseisen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de toepassing van deze paragraaf neemt het aantal woningen niet toe ten opzichte van het maximum aantal dat in het omgevingsplan is bepaald of, wanneer het maximum aantal woningen niet in het omgevingsplan is bepaald, passen de woningen voor wat betreft situering en omvang binnen het omgevingsplan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-412\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uitzondering op de vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken, ruimtelijke regels over bouwwerken onverkort van toepassing 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod, bedoeld in artikel 4.7, geldt niet voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken als die activiteit betrekking heeft op: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>op de grond staand;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>gelegen in achtererfgebied;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>niet hoger dan 5 m;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en 6. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; b. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>op de grond staand;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>niet hoger dan 5 m; en 3. de oppervlakte niet meer dan 70 m2; c. een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>regels over het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken als bedoeld in artikel 4.24 zijn, gelet op artikel 4.26, niet van toepassing;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>voorzien van een plat dak;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en 6. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak; d. een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>niet hoger dan 4 m; en 2. alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; e. een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien; f. een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>op een erf of perceel waarop al een hoofdgebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en 3. achter de lijn die langs de voorkant van dat hoofdgebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied; g. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>een silo; of 2. een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m; h. een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of i. een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>geen uitbreiding van het bouwvolume;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>geen toename van de bouwhoogte; en 4. geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen; j. een tuinhuis, kas of berging ter plaatse van de aanduiding ‘gebruiksdoel: volkstuinpark’.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid laat onverlet dat bij een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die betrekking heeft op een bouwwerk, bedoeld in het eerste lid, wordt voldaan aan artikel 5.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder de lijn, bedoeld in het eerste lid, onder f, onder 3o, wordt verstaan de lijn die loopt langs de voorkant van dat hoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-413\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.13</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vanwege cultureel erfgoed geldende beperking op artikel 4.12, vergunningplicht artikel 4.7 van toepassing 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 4.12, eerste lid, niet van toepassing, met uitzondering van het bepaalde onder i, voor zover het betreft inpandige aanpassingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 4.12, eerste lid, niet van toepassing, met uitzondering van het bepaalde in de aanhef en onder d tot en met i, van dat artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de aanduiding 'rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht' of 'gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht' is gegeven, is artikel 4.12, eerste lid, alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' is artikel 4.12, eerste lid, aanhef en onder a en b, niet van toepassing als in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan voor de locatie waarop de omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt verricht, regels zijn gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vierde lid is niet van toepassing als het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-414\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij strijd met ruimtelijke regels over bouwwerken geldt artikel 4.12 niet, vergunningplicht artikel 4.7 van toepassing Artikel 4.12 is uitsluitend van toepassing voor zover een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in overeenstemming is met artikel 5.6.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.2.4</h3>\n<p class=\"lf-p\">Beoordelingsregels, vergunningvoorschriften en aanvraagvereisten Subparagraaf 4.2.4.1 Algemeen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-415\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.15</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 4.2.4.2 Beoordeling ruimtelijke regels over bouwwerken, afwijkmogelijkheden Subsubparagraaf 4.2.4.2.1 Toets aan ruimtelijke regels over bouwwerken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-416\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.16</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregel met betrekking tot ruimtelijke regels over bouwwerken, anti-dubbeltelbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet in strijd is met artikel 2.3 en artikel 5.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt niet geweigerd op grond van het eerste lid, voor zover de omgevingsplanactiviteit bouwwerken passend is binnen: a. een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit om af te wijken van ruimtelijke regels over bouwwerken of het gebruik van bouwwerken; of b. een onder oud recht verleende omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht om af te wijken van ruimtelijke regels over bouwwerken of het gebruik van bouwwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' wordt een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet geweigerd op grond van het eerste lid, als: a. in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels; en b. het bevoegd gezag, gelet op artikel 22.281, van oordeel is dat de vergunning met toepassing van de onder a bedoelde regels kan worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van de voorgaande leden wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft voor de dag van ontvangst van de aanvraag: a. een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; b. een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of c. een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-417\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.17</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Specifieke beoordelingsregels bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing beschermd dorps- of stadsgezicht 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 4.16 wordt een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met een in voorbereiding zijnde wijziging van het omgevingsplan respectievelijk een in voorbereiding zijnde wijziging van het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-418\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.18</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 4.16, eerste lid, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsubparagraaf 4.2.4.2.2 Algemene mogelijkheid om bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken af te wijken van ruimtelijke regels over bouwwerken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-419\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.19</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemene mogelijkheid om bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken af te wijken van de ruimtelijke regels over bouwwerken Als een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in strijd is met de ruimtelijke regels over bouwwerken, bedoeld in artikel 5.6, en een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken om die reden zou moeten worden geweigerd, kan die omgevingsvergunning in afwijking van artikel 4.16, eerste lid, toch worden verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op: a. een bouwwerk, bedoeld in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, voor zover dat vanwege artikel 2.30 van het Besluit bouwwerken leefomgeving niet vergunningvrij is toegestaan; b. een bouwwerk, bedoeld in artikel 4.12, voor zover daarop vanwege artikel 4.14 of artikel 4.13 de vergunningplicht, bedoeld in artikel 4.7, van toepassing is; c. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>voor zover gelegen binnen de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:</div>\n<p class=\"lf-p\">I. niet hoger dan 5 meter;</p>\n<p class=\"lf-p\">II. de oppervlakte niet meer dan 500 m2; en 2. voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">I. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf, II. de oppervlakte niet meer dan 150 m2; d. een bouwwerk ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2.29, onder p, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, dat niet voldoet aan de in dat artikel genoemde eisen, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>niet hoger dan 6 m; en 2. oppervlakte niet meer dan 50 m²; e. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>niet hoger dan 10 m; en 2. de oppervlakte niet meer dan 50 m²; f. een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m; g. een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998; h. een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat ziet op het vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen; i. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, zoals gedenktekens, plastieken, straatmeubilair, vrijstaande muren, keermuren, trapconstructies, bebouwing ten behoeve van al dan niet ondergrondse afvalopslag, geluidwerende voorzieningen, steigers, duikers en andere waterstaatkundige werken, voor zover die niet reeds op grond van artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn toegestaan; j. een bouwwerk waarbij het bouwvlak wordt overschreden, voor zover die in het belang zijn van een ruimtelijke en/of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken, wegen en anderszins, of die noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein, mits de overschrijding van het bouwvlak niet meer bedraagt dan 1 meter; k. een bouwwerk waarbij de in de regels toegestane maximale bouwhoogte met niet meer dan 1 meter wordt overschreden; l. een bordes, erker of galerij, waarbij het bouwvlak wordt overschreden, mits de overschrijding van het bouwvlak niet meer dan 3 meter bedraagt; m. een dakkapel, dakterras, luifel, buitentrap, pothuis, balkon, liftopbouw, schoorsteen, ventilatiekanaal, airco-unit, luchtbehandelingsinstallatie, glazenwassersinstallatie, brandtrap, hijs- inrichting, bouwwerk dat samenhangt met installaties binnen een gebouw, of soortgelijke bouwdelen aan of op een gebouw; n. een dakopbouw.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-420\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.20</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels van toepassing op artikel 4.19</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan artikel 4.19 wordt alleen toepassing gegeven als: a. de activiteit niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat; b. de activiteit niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de vrije doorgang van het verkeer; c. door de activiteit de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de locatie en de omgeving daarvan niet onevenredig wordt aangetast; d. het belang van het behoud van cultureel erfgoed zich daartegen niet verzet; e. de activiteit, voor zover het gaat om een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, niet plaatsvindt op een locatie als bedoeld in artikel 5.11; f. de activiteit, voor zover die leidt tot een overschrijding van de maximum bouwhoogtes zoals die zijn bepaald in het Luchthavenindelingbesluit Schiphol, in overeenstemming is met:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>een door de verantwoordelijke minister afgegeven verklaring van geen bezwaar bij overschrijding van de toegestane bouwhoogte zoals bepaald in artikel 2.2.2 van dat besluit; of;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>een door de Inspectie Leefomgeving en Transport afgegeven advies bij overschrijding van de toegestane bouwhoogte zoals bepaald in artikel 2.2.2a van dat besluit; g. de activiteit, voor zover die leidt tot een overschrijding van de maximum bouwhoogtes zoals die is bepaald in artikel 4.109, onder f, van de Omgevingsverordening Noord-Holland 2022, in overeenstemming is met door gedeputeerde staten afgegeven verklaring van geen bezwaar; en h. het gebruik van het te bouwen bouwwerk in overeenstemming is met artikel 2.3.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan artikel 4.19, aanhef en onder c, wordt geen toepassing gegeven als sprake is van strijd met een instructieregel, gesteld in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, of in de provinciale omgevingsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de toepassing van artikel 4.19, wordt rekening gehouden met het belang van het voorkomen van hittestress, het behoud van groen en het rainproof maken van Amsterdam.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-421\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.21</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij toepassing van artikel 4.19 kunnen aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken met het oog op de bescherming van de in artikel 4.20 bedoelde belangen voorschriften worden verbonden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-422\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.22</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken dat slechts vergund kan worden met toepassing van artikel 4.19, worden die gegevens verstrekt die naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig zijn om de beoordeling, bedoeld in artikel 4.20, te kunnen doen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-423\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.23</span><span class=\"lf-art-t\">Overige beoordelingsregels onverkort van toepassing, uitzonderingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij toepassing van artikel 4.19 zijn de overige in paragraaf 4.2.4 opgenomen beoordelingsregels onverkort van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover toepassing wordt gegeven aan artikel 4.19 en de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken heeft uitsluitend betrekking op een bouwwerk bedoeld in artikel 4.19, onder a of b, blijven in afwijking van het eerste lid de beoordelingsregels genoemd in de subparagrafen 4.2.4.3 tot en met 4.2.4.7 buiten toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 4.2.4.3 Uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-424\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.24</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregel met betrekking tot het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doen aan een goede omgevingskwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid wordt beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover nog geen beleidsregels als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet zijn vastgesteld, wordt de vraag of sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-425\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.25</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningvoorschriften met betrekking tot het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen met betrekking tot het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het in artikel 4.24, eerste lid, genoemde belang.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-426\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.26</span><span class=\"lf-art-t\">Gebieden en bouwwerken waarvoor geen regels over het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken gelden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover in de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.24 , derde lid, of in de welstandsnota, bedoeld in artikel 4.24, vierde lid, gebieden of categorieën van bouwwerken zijn aangewezen waarvoor geen regels over het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken gelden dan wel geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn, dan wordt het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop dit van toepassing is geacht geen onaanvaardbare afbreuk te doen aan een goede omgevingskwaliteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-427\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.27</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagvereisten in verband met beoordeling van het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt voor de toetsing aan de regels over het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, beoordeeld volgens de criteria, bedoeld in artikel 4.24, tenzij artikel 4.26 van toepassing is: a. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; b. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; c. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en d. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 4.2.4.4 Bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-428\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.28</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf is alleen van toepassing voor zover de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder sanerende of andere beschermende maatregel wordt in subparagraaf 4.2.4.4 verstaan: a. sanering als bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving of de regels in paragraaf 9.4.2; b. sanering waarop artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet van toepassing is en waarmee een vergelijkbaar saneringsresultaat wordt bereikt als bij toepassing van onderdeel a; of c. andere beschermende maatregel zoals uitgewerkt in de beleidsregel ‘Andere beschermende maatregelen bij bouwen bodemgevoelig gebouw’.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-429\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.29</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels met betrekking tot bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt voor zover de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, alleen verleend als: a. de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>niet wordt overschreden; of 2. wordt overschreden en het aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregel overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt getroffen; en b. het bevoegd gezag van oordeel is dat:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>er geen verontreiniging van de bodem is die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw; of 2. er een verontreiniging van de bodem is anders dan bedoeld in onderdeel a, aanhef en onder 2, die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw, maar aannemelijk is dat met een of meer maatregelen de bodem of het gebouw geschikt kan worden gemaakt voor het beoogde gebruiksdoel.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het overschrijden van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem is sprake als: a. voor tenminste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. bij de aanwezigheid van PFAS in meer dan 25 m3 bodemvolume een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:</p>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">59 µg/kg ds bij PFOS;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">59 µg/kg ds bij overige PFAS.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem bij 25m3 of minder bodemvolume als asbest aanwezig is en de gemeten concentratie hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem als lood aanwezig is en: a. de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie meer dan 370 mg/kg ds is ongeacht het bodemvolume; en b. het gaat om een tuin of andere buitenruimte bij een woning, kinderdagverblijf of school.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-430\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.30</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vergunningvoorschriften met betrekking tot een bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: uitvoering sanering Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie waarop artikel 4.29, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 2, van toepassing is, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat voordat het bodemgevoelige gebouw, of een gedeelte daarvan, in gebruik wordt genomen: a. een sanerende of andere beschermende maatregel is genomen; en b. het bevoegd gezag ten minste een week voor het in gebruik nemen wordt geïnformeerd over de manier waarop de sanerende of andere beschermende maatregel is genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-431\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.31</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vergunningvoorschrift met betrekking tot een bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: bodem of gebouw alsnog geschikt maken 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie waarop artikel 4.29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 2, van toepassing is, kan in ieder geval het voorschrift worden verbonden dat: a. voldoende ventilatievoorzieningen in het gebouw worden aangebracht; b. een dampdichte laag wordt aangebracht; c. een afdeklaag wordt aangebracht; of d. de grond wordt ontgraven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie een voorschrift als bedoeld in het eerste lid wordt verbonden, wordt ook het voorschrift verbonden dat ten minste een week voordat het bodemgevoelige gebouw of een gedeelte daarvan in gebruik wordt genomen het bevoegd gezag wordt geïnformeerd over de manier waarop de maatregelen zijn genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-432\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.32</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagvereisten in verband met beoordeling bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de resultaten van onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. als de waarde toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 4.29, tweede tot en met vierde lid, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen; en c. als sprake is van overschrijding van de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving: een onderbouwing dat de overschrijding niet leidt tot een risico voor de gezondheid bij het gebruik van de bodemgevoelige locatie; d. als een andere beschermende maatregel, bedoeld in artikel 4.28, eerste lid, aanhef en onder c, wordt getroffen: een toetsing volgens het toetsingsmodel Risicotoolbox bodem, waarmee wordt aangetoond dat geen sprake is van overschrijding van het maximaal toelaatbaar humaan risico.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het eerste lid, onder a, wordt bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouw-of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat in de bodem, het resultaat van een onderzoek verstrekt dat is verricht overeenkomstig NEN 5897 voor zover sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het eerste lid, onder a, wordt ter plaatse van de aanduiding 'uitgebreid bodemonderzoek bouwen bodemgevoelig gebouw' een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b Besluit activiteiten leefomgeving uitgevoerd, ongeacht de resultaten van het vooronderzoek als bedoeld in artikel 5.7a Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid is niet van toepassing op een tijdelijk bouwwerk indien uit het vooronderzoek blijkt dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een verkennend onderzoek als bedoeld in het derde lid niet rechtvaardigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De resultaten van een bodemonderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 4.2.4.5 Parkeernormering voor auto’s en normering voor fietsstalling Subsubparagraaf 4.2.4.5.1 Parkeernormering auto's</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-433\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.33</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregel met betrekking tot het aantal parkeerplaatsen voor auto's</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als het aantal parkeerplaatsen voor auto’s dat op eigen terrein wordt gerealiseerd, gelet op het beoogd gebruik, bedoeld in artikel 4.9, onder b, en de omvang daarvan, in overeenstemming is met de parkeernormen, bedoeld in artikel 3.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' wordt, in afwijking van het eerste lid, een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken alleen verleend als het aantal parkeerplaatsen voor auto’s dat op eigen terrein wordt gerealiseerd, gelet op het beoogd gebruik, bedoeld in artikel 4.9, onder b, en de omvang daarvan, in overeenstemming is met de in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan opgenomen regels over parkeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover een TAM-omgevingsplan regels bevat over het over het aantal parkeerplaatsen voor auto’s waaraan voldaan moet worden, wordt, in afwijking van het eerste lid, een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken alleen verleend als het aantal parkeerplaatsen voor auto’s dat op eigen terrein wordt gerealiseerd, gelet op het beoogd gebruik, bedoeld in artikel 4.9, onder b, en de omvang daarvan, in overeenstemming is met die afwijkende regels.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-434\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.34</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Mogelijkheid om met een vergunningvoorschrift af te wijken van de van toepassing zijnde parkeernormen 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen voorschriften worden verbonden waarmee kan worden afgeweken van artikel 4.33 indien naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. op andere wijze in voldoende mate in parkeergelegenheid wordt voorzien; b. sprake is van een legaal bestaand gebouw of van legaal bestaande gebouwde parkeervoorzieningen en het voldoen aan de parkeernorm op overwegende bezwaren stuit; of c. het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, tot welke bijzondere omstandigheden in elk geval worden gerekend:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>een te verwachten meer dan gemiddeld aantal gehandicapte gebruikers of bezoekers van het gebouw;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>een te verwachten meer of minder dan gemiddeld aantal klanten of bezoekers.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen de voorschriften verbonden worden die nodig zijn om het behoud van een passend aantal parkeerplaatsen te waarborgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-435\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.35</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagvereisten in verband met beoordeling normering autoparkeerplaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden gegevens en bescheiden verstrekt over de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een verzoek dat betrekking heeft op het aan de vergunning verbinden van voorschriften als bedoeld in artikel 4.34, eerste lid, bevat de aanvraag tevens een motivering van specifiek dat verzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsubparagraaf 4.2.4.5.2 Normering fietsstalling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-436\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.36</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregel met betrekking tot het aantal stallingsplaatsen voor fietsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als het aantal stallingsplaatsen voor fietsen dat op eigen terrein wordt gerealiseerd, gelet op het beoogd gebruik, bedoeld in artikel 4.9, onder b, en de omvang daarvan, in overeenstemming is met de normen, bedoeld in artikel 3.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' wordt, in afwijking van het eerste lid, een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken alleen verleend als het aantal stallingsplaatsen voor fietsen dat op eigen terrein wordt gerealiseerd, gelet op het beoogd gebruik, bedoeld in artikel 4.9, onder b, en de omvang daarvan, in overeenstemming is met de in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan opgenomen regels stallingsplaatsen voor fietsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover een TAM-omgevingsplan regels bevat over het over het aantal stallingsplaatsen voor fietsen waaraan voldaan moet worden, wordt, in afwijking van het eerste lid, een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken alleen verleend als het aantal stallingsplaatsen voor fietsen dat op eigen terrein wordt gerealiseerd, gelet op het beoogd gebruik, bedoeld in artikel 4.9, onder b, en de omvang daarvan, in overeenstemming is met die afwijkende regels.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-437\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.37</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Mogelijkheid om met een vergunningvoorschrift af te wijken van de van toepassing zijnde normen voor fietsstalling 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen voorschriften worden verbonden waarmee kan worden afgeweken van artikel 4.36 indien naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. op andere wijze in voldoende mate in stallingsgelegenheid wordt voorzien; b. het redelijkerwijs onmogelijk is voldoende stallingsplaatsen op eigen terrein te realiseren; of c. de impact van de stallingsbehoefte op de openbare ruimte klein is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen de voorschriften verbonden worden die nodig zijn om het behoud van een minimum aantal fietsstallingsplaatsen te waarborgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-438\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.38</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagvereisten in verband met beoordeling normering fietsstalling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden gegevens en bescheiden verstrekt over de inrichting van fietsstalling op het eigen terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een verzoek dat betrekking heeft op het aan de vergunning verbinden van voorschriften als bedoeld in artikel 4.34, eerste lid, of artikel 4.37, eerste lid, bevat de aanvraag tevens een motivering van specifiek dat verzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 4.2.4.6 Windhinder en windgevaar</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-439\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.39</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregel windhinder en windgevaar bij hoogbouw (30 meter of hoger)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bouwwerk van 30 meter of hoger wordt alleen verleend als het bouwwerk niet leidt tot onaanvaardbare windhinder of windgevaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of bij een voorgenomen bouwwerk van 30 meter of hoger sprake is van een onaanvaardbare windhinder of windgevaar wordt beoordeeld aan de hand van onderzoek waaruit blijkt in welke mate windhinder of windgevaar als gevolg van de beoogde bebouwing zal optreden. Op dit onderzoek is NEN 8100 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het in het tweede lid bedoelde onderzoek wordt in elk geval betrokken: a. de bebouwing die op het moment van de aanvraag in de directe omgeving van de beoogde bebouwing aanwezig is; en b. in de directe omgeving van de beoogde bebouwing te realiseren toekomstige bebouwing, waarvoor op het moment van de aanvraag reeds een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken is aangevraagd of verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er in de directe omgeving van het nieuw te bouwen bouwwerk ontwikkelingen zijn te verwachten waarvoor weliswaar nog geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken is aangevraagd, maar waarvan dit op korte termijn is te verwachten, kan het bevoegd gezag een maatwerkvoorschrift stellen dat ook die ontwikkelingen worden betrokken in het onderzoek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-440\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.40</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregel windhinder of windgevaar bij laagbouw (lager dan 30 meter)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bouwwerk lager dan 30 meter wordt geweigerd als er bij het bevoegd gezag een redelijk vermoeden bestaat dat de voorgenomen bebouwing zal leiden tot onaanvaardbare windhinder of windgevaar, waarbij het bevoegd gezag zich baseert op: a. de kenmerken en omstandigheden van het concrete geval, in het bijzonder de omvang van de voorgenomen bebouwing en de omgeving ter plaatse; en b. eerdere windhinderonderzoeken op of in de nabijheid van de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft, of de feitelijk bekende windhindersituatie ter plaatse.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een redelijk vermoeden bestaat dat de voorgenomen bebouwing zal leiden tot onaanvaardbare windhinder of windgevaar, dan wordt dit aan de aanvrager meegedeeld, waarbij deze in de gelegenheid wordt gesteld binnen een daarbij te stellen redelijke termijn onderzoek te overleggen waaruit blijkt in welke mate windhinder of windgevaar als gevolg van de bebouwing zal optreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, is artikel 4.39, tweede tot en met het vierde lid, van overeenkomstige toepassing, zij het dat een maatwerkvoorschrift, bedoeld in artikel 4.39, vierde lid, direct bij de mededeling, bedoeld in het tweede lid, wordt gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-441\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.41</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningvoorschriften met betrekking tot windhinder en windgevaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van onaanvaardbare windhinder of windgevaar. Deze voorschriften kunnen betrekking hebben op: a. het nemen van windhinder beperkende maatregel in, op, aan of bij de bebouwing; en b. de vormgeving van bovengrondse bebouwing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-442\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.42</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagvereisten in verband met beoordeling windhinder en windgevaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bouwwerk waarvoor een beoordeling op windhinder moet plaatsvinden worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: de onderzoeken, bedoeld in artikel 4.39 en artikel 4.40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 4.2.4.7 Geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-443\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.43</span><span class=\"lf-art-t\">Geografisch werkingsgebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'nadere afweging geluid bij bouwplan noodzakelijk'.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar een TAM-omgevingsplan geldt, is deze subparagraaf van overeenkomstige toepassing, voor zover in dat TAM-omgevingsplan een locatie is aangeduid met de aanduiding 'nadere afweging geluid bij bouwplan noodzakelijk'.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-444\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.44</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf is alleen van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een geluidgevoelig gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van deze subparagraaf wordt onder geluid uitsluitend verstaan het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de toepassing van deze subparagraaf blijft een beoordeling van het geluid van de geluidbronsoort Industrieterreinen buiten toepassing voor zover het gaat om geluid van industrieterreinen waarvoor nog geen geluidproductieplafonds als bedoeld in artikel 2.11a of 2.12a van de Omgevingswet zijn vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-445\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.45</span><span class=\"lf-art-t\">Meet- en rekenbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op het bepalen van het geluid op een gevel zijn de meet- en rekenvoorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet, van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-446\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.46</span><span class=\"lf-art-t\">Waar waarden gelden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De waarden voor het geluid gelden: a. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel; b. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen; c. in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen vandat woonschip of die woonwagen; en d. als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in de geluidgevoelige ruimte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-447\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.47</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken geluidgevoelig gebouw</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als het geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw, met het oog op de bescherming van de gezondheid, aanvaardbaar is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-448\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.48</span><span class=\"lf-art-t\">Geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar wanneer wordt voldaan aan de standaardwaarde</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw is aanvaardbaar als het geluid op het geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 4.48:</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 4.48: Standaardwaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort Geluidbronsoort Standaardwaarde Provinciale wegen en rijkswegen 50 Lden Gemeentewegen en waterschapswegen 53 Lden Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen 55 Lden Industrieterreinen 50 Lden 40 Lnight 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.78t, tweede tot en met vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. gelden de waarden in Lnight niet; en b. wordt in tabel 4.48 gelezen voor «Lden»: »Lde».</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de avondperiode en de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. gelden de waarden in Lnight niet; en b. wordt in tabel 4.48 gelezen voor «Lden»: «Lday».</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-449\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.49</span><span class=\"lf-art-t\">Overschrijding van de standaardwaarde</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 4.48 bedoelde standaardwaarde, kan het geluid aanvaardbaar zijn als: a. geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen; b. de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en c. het geluid op het geluidgevoelige gebouw niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 4.49.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 4.49: Grenswaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort Geluidbronsoort Grenswaarde Provinciale wegen en rijkswegen 60 Lden Gemeentewegen en waterschapswegen 70 Lden Lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen 65 Lden Industrieterreinen 55 Lden 45 Lnight 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in het eerste lid worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de aanvraag betrekking heeft op een gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen gelet op het tweede lid niet doelmatig of bezwaarlijk zijn, is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als elke afzonderlijke woning beschikt over een geluidluwe gevel waarop ten hoogste de standaardwaarde, bedoeld in artikel 4.48, is berekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de aanvraag betrekking heeft op een gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan, en geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarden te voldoen gelet op het tweede lid niet doelmatig of bezwaarlijk zijn, en niet elke afzonderlijke woning beschikt over een geluidluwe gevel waarop ten hoogste de standaardwaarde, bedoeld in artikel 4.48, is berekend, kan sprake zijn van een aanvaardbare geluidbelasting als: a. elke afzonderlijke woning beschikt over een bijna-geluidluwe gevel; en b. zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.78u, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. gelden de waarden in Lnight niet; en b. wordt in tabel 4.49 gelezen voor «Lden»: »Lde».</p>\n<p class=\"lf-p\">7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b of d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan het gebruik in de avondperiode en de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. gelden de waarden in Lnight niet; en b. wordt in tabel 4.49 gelezen voor «Lden»: «Lday».</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-450\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.50</span><span class=\"lf-art-t\">Overschrijding grenswaarde bij zeehavengebonden activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is alleen van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'mogelijke toepassing overschrijding grenswaarde geluid bij zeehavengebonden activiteiten'.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer het geluid op een geluidgevoelig gebouw in het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein waarop zeehavengebonden activiteiten noodzakelijkerwijs in de openlucht worden verricht, hoger is dan de in artikel 4.49, eerste lid, onder c, bedoelde grenswaardwaarde, kan het geluid aanvaardbaar zijn als: a. deze waarde niet meer dan 5 dB hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in artikel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. het geluid op het gebouw in belangrijke mate wordt bepaald door die zeehavengebonden activiteiten; en c. het gebouw wordt toegelaten:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>in het kader van een herstructurering of planmatige verdichting van een voorafgaand aan de wijziging van het omgevingsplan bestaand gebied met overwegend gebouwen met een woonfunctie;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>aansluitend op een op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan bestaand aaneengesloten gebied met overwegend gebouwen met een woonfunctie en als alleen sprake is van een beperkte uitbreiding van dat gebied; of 3. in een gebied dat wordt getransformeerd.</div>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4.49, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-451\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.51</span><span class=\"lf-art-t\">Overschrijding grenswaarde; niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer het geluid op een geluidgevoelig gebouw hoger is dan de in artikel 4.49, eerste lid, onder c, bedoelde grenswaarde, kan de geluidbelasting aanvaardbaar zijn als aan de gevel van het geluidgevoelige gebouw waarop de grenswaarde wordt overschreden, bouwkundige maatregelen kunnen worden getroffen die: a. bestaan uit een uitwendige scheidingsconstructie die geen te openen delen bevat anders dan als onderdeel van een gemeenschappelijke doorgang; of b. borgen dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie die direct grenzen aan een verblijfsgebied niet hoger is dan de grenswaarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de toepassing van het eerste lid wordt aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in elk geval het voorschrift verbonden dat de in het eerste lid bedoelde gevel een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4.49, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-452\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.52</span><span class=\"lf-art-t\">Overschrijding grenswaarde – maatregelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 4.50 en 4.51 worden alleen toegepast als: a. geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.49, eerste lid, onder c, te voldoen; en b. de overschrijding van de grenswaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in het eerste lid worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-453\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.53</span><span class=\"lf-art-t\">Belang van een geluidluwe gevel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de toepassing van artikel 4.49 wordt het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de toepassing van de artikelen 4.50 en 4.51 wordt rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-454\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.54</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de toepassing van de artikelen 4.49, 4.50 en 4.51 wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het bepalen van het gecumuleerde geluid wordt in ieder geval betrokken: a. voor een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg ofindustrieterrein: het geluid door die geluidbronsoort; b. voor een geluidgevoelig gebouw binnen de 48 Lden geluidcontour of, voor zover de gelden de geluidcontouren in Kosteneenheden zijn uitgedrukt, binnen de 20 Kosteneenheden geluidcontour van een luchthaven waarvoor op grond van de Wet luchtvaart een luchthavenindelingbesluit, een luchthavenbesluit of een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven is vereist: het geluiddoor luchtvaart; c. voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een windturbine of een windpark op een industrieterrein hoger is dan 43 Lden: het geluid door die windturbine of dat windpark; en d. voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een civiele buitenschietbaan, een militaire buitenschietbaan of een militair springterrein op een industrieterrein hoger is dan 50 BS, dan: het geluid door die buitenschietbaan of dat springterrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het bepalen van het gecumuleerde geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-455\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.55</span><span class=\"lf-art-t\">Bepalen van gezamenlijk geluid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de toepassing van de artikelen 4.49, 4.50 en 4.51 wordt het gezamenlijk geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen bepaald en in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken vastgelegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-456\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.56</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningvoorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen een onaanvaardbare mate van geluid op het geluidgevoelig gebouw.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-457\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.57</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagvereisten in verband met beoordeling geluidgevoelige gebouwen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied, wordt een rapport verstrekt: a. waaruit de mate van geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw blijkt; en b. waarin, indien nodig in verband met een overschrijding van de standaardwaarde, inzicht wordt gegeven in de maatregelen die worden genomen met het oog op de bescherming van de gezondheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 4.2.4.8 Grondwatereffecten bij ondergrondse gebouwen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-458\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.58</span><span class=\"lf-art-t\">Geografisch werkingsgebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel vervallen'.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar een TAM-omgevingsplan geldt, en het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan daarbij is komen te vervallen, is deze subparagraaf van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-459\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.59</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik en oogmerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf is van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor zover de activiteit betrekking heeft op het bouwen van een ondergronds gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op het voorkomen van onaanvaardbare grondwatereffecten op de omgeving als gevolg van het bouwen en in stand houden van een ondergronds gebouw.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-460\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.60</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen, specifiek van toepassing op deze subparagraaf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de toepassing van deze subparagraaf wordt onder peil verstaan: a. voor gebouwen direct grenzend aan de weg: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang; b. voor gebouwen waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang tot het perceel waar het gebouw zich op bevindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de toepassing van deze subparagraaf wordt onder deklaag verstaan: de bovenste bodemlaag die in de laatste ca. 10.000 jaar is ontstaan en die tevens de ophooglaag bevat die door de mens is aangebracht voor bijvoorbeeld woningbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de toepassing van deze subparagraaf wordt onder geohydrologisch rapport verstaan: het resultaat van een geohydrologisch onderzoek neergelegd in een rapport met daarin de eigenschappen en kenmerken van het grondwatersysteem op een bepaalde locatie. In het geohydrologisch rapport worden in ieder geval in beeld gebracht: a. de bodemopbouw; b. de doorlatendheid (k-waarde) van de bodem; c. de grondwaterfluctuatie; d. de grondwaterstroming; e. de gevolgen voor het grondwatersysteem door de voorgenomen activiteit; f. de mitigerende maatregelen om grondwaterneutraal te kunnen bouwen; en g. voor de ondergrondse bouwwerken in de gebieden zoals aangewezen in de aanvraagvereisten: een geotechnisch onderdeel in het geohydrologisch onderzoek, waarin het risico op opbarsten en/of de deklaag zijn onderzocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de toepassing van deze subparagraaf wordt onder grondwaterneutraal bouwen verstaan: het bouwen van een ondergronds gebouw waarbij de stand en stroming van het grondwater buiten het perceel waarop het ondergronds gebouwis geprojecteerd niet of nauwelijks veranderen, waar mogelijk zal verbeteren, en geen negatieve grondwatereffecten optreden. Tot negatieve effecten worden in ieder geval gerekend risico's op opbarsten van de deklaag, welvorming, grondwateroverlast en grondwateronderlast.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de toepassing van deze subparagraaf wordt onder ontwateringsdiepte verstaan: de maaiveldhoogte in meters ten opzichte van NAP minus de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) in meters ten opzichte van NAP.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-461\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.61</span><span class=\"lf-art-t\">Meet- en rekenregels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) wordt berekend: a. bij een meetfrequentie van twee keer per maand over het gemiddelde van de drie hoogste grondwaterstanden in een hydrologisch jaar (1 april tot en met 31 maart) waarbij deze jaargemiddelden weer over een periode van 8 jaar worden gemiddeld; b. door middel van hoogfrequente metingen (minimaal 1 meting per dag) waarbij de 93,75ste percentiel wordt berekend over minimaal 3 (kalender)jaren; of c. door middel van laagfrequente metingen (minimaal vijf keer per jaar) waarbij het gemiddelde van de twee hoogste metingen per 2 (kalender)jaren over 10 jaar wordt gemiddeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) wordt berekend: a. bij een meetfrequentie van twee keer per maand over het gemiddelde van de drie laagste grondwaterstanden in een hydrologisch jaar (1 april tot en met 31 maart) waarbij deze jaargemiddelden weer over een periode van 8 jaar worden gemiddeld; b. door middel van hoogfrequente metingen (minimaal 1 meting per dag) waarbij de 6,25ste percentiel wordt berekend over minimaal 3 (kalender)jaren; of c. door middel van laagfrequente metingen (minimaal vijf keer per jaar) waarbij het gemiddelde van de twee laagste metingen per 2 (kalender)jaren over 10 jaar wordt gemiddeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-462\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.62</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregel met betrekking tot grondwatereffecten bij ondergrondse gebouwen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een ondergronds gebouw, alleen verleend, als de activiteit niet leidt tot onaanvaardbare grondwatereffecten op de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van onaanvaardbare grondwatereffecten op de omgeving is sprake als: a. de gemiddelde grondwaterstroming (debiet) op de grenzen van het perceel waarop het ondergronds gebouw is geprojecteerd met meer dan 5% verandert door de aanleg van het ondergronds gebouw; b. op de grenzen van het perceel waarop het ondergronds gebouw is geprojecteerd de gemiddelde grondwaterstand meer dan 0,05 m verandert of de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) meer dan 0,02 m stijgt of de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) meer dan 0,02 m daalt; c. risico’s op opbarsten van de deklaag of welvorming zich voordoen; of d. er een deklaag resteert van minder dan 1,5 m dikte vanwege de risico’s op opbarsten en welvorming.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid, onder a en b, is niet van toepassing indien de ontwateringsdiepte op de grenzen van het perceel waarop het ondergronds gebouw is geprojecteerd kleiner is dan 0,90 m en vergroting van de ontwateringsdiepte door een lagere gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) mogelijk is, mits op de grenzen van het perceel waarop het ondergronds gebouw is geprojecteerd voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. het debiet mag niet meer dan 5% afnemen en niet meer dan 100% toenemen; b. de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) mag niet meer dan 0,02 meter dalen; en c. de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) daalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of een ondergronds gebouw leidt tot onaanvaardbare grondwatereffecten op de omgeving wordt beoordeeld: a. voor ondergrondse gebouwen met een totale bruto-vloeroppervlakte van maximaal 300 m2 en een maximale bouwdiepte van 4 meter: aan de hand van de Beleidsregel Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam; b. voor ondergrondse gebouwen met een totale bruto-vloeroppervlakte van meer dan 300 m2 of een bouwdiepte van meer dan 4 meter: op basis van een geohydrologisch onderzoek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-463\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.63</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningvoorschriften met betrekking tot grondwatereffecten bij ondergrondse gebouwen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van onaanvaardbare grondwatereffecten op de omgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-464\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.64</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagvereisten met betrekking bouwwerken, bedoeld in artikel 4.62, vierde lid, onder a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij om aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken ten behoeve van een bouwwerk, bedoeld in artikel 4.62, vierde lid, onder a, worden op een detailtekening op schaal de volgende gegevens verstrekt: a. peil aan straatzijde in m NAP; b. maaiveldniveau achterzijde in m NAP; c. gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) en gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) op de grenzen van het perceel in m NAP; d. onderkant bestaand ophoogzand in m NAP; e. diepte ondergronds gebouw (niveau onderkant vloer) in m NAP; f. diepte ondergronds gebouw (onder peil) in m; g. oppervlak ondergronds gebouw in m2; h. dwarsdoorsnedes ondergronds gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo nodig worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken ten behoeve van een bouwwerk, bedoeld in artikel 4.62, vierde lid, onder a, tevens de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een detailtekening op schaal, met daarop aangegeven:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>dikte grondverbetering (minimaal 0,20 m) in m;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>geometrie grondverbetering;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>doorlatendheid grondverbetering onder vloer of naast ondergronds gebouw in m/dag;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>geometrie en uitvoeringswijze (reparerend) getrokken damwanden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>geometrie gaten in damwanden: diameter, aantal, hart op hart-afstand, aanlegdiepte bovenkant gat in m NAP, cumulatief oppervlak;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>geometrie vulling cannelures: doorlatendheid, niveau boven- en onderkant in m NAP, aantal cannelures dat gevuld wordt;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>geometrie verticale grondverbetering kolommen: doorlatendheid, niveau boven- en onderkant in m NAP, lengte x breedte x hoogte;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>geometrie intreevoorzieningen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9.</span>geometrie buizen/bypass: diameter, aantal, cumulatief oppervlak;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">10.</span>buizen/bypass: locatie en specificatie van inspectie-/onderhoudsputten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">11.</span>breedte tussen ondergrondse gebouwen in m;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">12.</span>locatie hulpmiddelen die achterblijven (werkvloer, plinten, damwanden, etc.); b. een onderhoudsplan, tenzij de maatregel onderhoudsvrij is. Het onderhoudsplan beschrijft welke onderhoudsvoorzieningen worden aangelegd, hoe en wanneer het onderhoud plaatsvindt en indien van toepassing het functioneren van de maatregel in de tijd.</div>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid wordt ter plaatse van de aanduiding 'aanvraagvereiste kelder (standstill)' bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken ten behoeve van een bouwwerk, bedoeld in artikel 4.62, vierde lid, onder a, ongeacht de omvang van het ondergronds gebouw, een geohydrologisch onderzoek verstrekt. Artikel 4.65 is op dat geohydrologisch onderzoek van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken ten behoeve van een bouwwerk, bedoeld in artikel 4.62, vierde lid, onder a, worden ter plaatse van de aanduiding 'aanvraagvereiste kelder (opbarstbeheersmaatregelen)' tevens de volgende (geotechnische) gegevens en bescheiden verstrekt: a. een detailtekening op schaal, met daarop aangegeven:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>afmetingen en ontgravingsniveau van de bouwput;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>wijze van ontgraving: in een damwandkuip, in bekisting of in open ontgraving;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>grondwaterstand- en stijghoogtewaarnemingen in de betreffende zandlagen, inclusief het eerste watervoerende pakket (pleistocene zandlaag);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>bodemopbouw tot in het eerste watervoerende pakket (pleistocene zandlaag);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>diepe mechanische boringen en/of sonderingen op het perceel van het ondergronds gebouw;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>bepaling van het volumiek gewicht per bodemlaag; b. evenwichtsberekeningen, uitgevoerd volgens de rekenmethodiek in paragraaf 10.2 (bezwijken door opdrijven) uit NEN 9997-1+C2:2017, “Geotechnisch ontwerp van constructies - Deel 1: Algemene regels” (Eurocode 7 [EC7-NL]), inclusief een veiligheidsfactor voor de rekenwaarde van de neerwaartse gronddruk van 0,9 (NEN9997-1+C2:2017 Tabel A.15 - Partiële factoren op belastingen); c. een beschrijving en berekening van beheersmaatregelen (spanningsbemaling, aanpassing ontgraving etc.).</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-465\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.65</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagvereisten met betrekking bouwwerken, bedoeld in artikel 4.62, vierde lid, onder b</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij om aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken ten behoeve van een bouwwerk, bedoeld in artikel 4.62, vierde lid, onder b, wordt een geohydrologisch onderzoek verstrekt waarin de grondwatereffecten van het ondergronds gebouw op de omgeving naar het oordeel van het college in voldoende mate zijn vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het in het eerste lid bedoelde geohydrologisch onderzoek worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. tekening(en) en dwarsdoorsnedes op schaal met huidige en toekomstige bouwwerken (bovengronds en ondergronds); b. een beschrijving en tekening dimensies huidige en toekomstige bouwwerken, bovengronds en ondergronds (lengte en breedte in m, oppervlak in m2, diepte in m NAP en diepte in m ten opzichte van peil); c. peil aan straatzijde (zie begrip peil) in m NAP; d. onderkant bestaand ophoogzand in m NAP; e. ligging huidige en toekomstige perceelsgrenzen; f. een beschrijving van de lokale bodemopbouw; g. boorbeschrijvingen en/of sonderingen op en rond het te bebouwen perceel; h. gehanteerde grondwaterstandgegevens en hieruit afgeleide GLG, Gemiddelde Grondwaterstand en GHG-waarden en gradiënten; i. gehanteerde stijghoogtes in het eerste watervoerend pakket; j. een beschrijving van gebruik van damwanden tijdens en na de bouw; k. bij de berekeningen gehanteerde bodemparameters en randvoorwaarden (doorlatendheid van de bodem, grondwateraanvulling uit neerslag, oppervlaktewaterpeilen, vaste grondwaterstanden en stijghoogtes); l. berekende hoeveelheid grondwater die gemiddeld in de huidige situatie in de zandige ophooglaag onder het perceel doorstroomt; m. berekende hoeveelheid grondwater die gemiddeld in de toekomstige situatie (met ondergronds bouwwerk) in de zandige ophooglaag onder het perceel doorstroomt; n. mate van afwijking van grondwaterstroom (debiet) in de toekomstige situatie op eigen perceel van de huidige grondwaterstroom; o. een beschrijving van de mitigerende maatregelen en berekening van het effect van deze maatregelen op de GLG, Gemiddelde Grondwaterstand en GHG op de grenzen van het perceel bij:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>het huidige klimaat;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>het klimaat van 2050 (KNMI klimaatscenario Wh2050); p. een tekening en dwarsdoorsnedes van de mitigerende maatregel; q. een onderhoudsplan, tenzij de maatregel onderhoudsvrij is. Het onderhoudsplan beschrijft welke onderhoudsvoorzieningen worden aangelegd, hoe en wanneer het onderhoud plaatsvindt en indien van toepassing het functioneren van de maatregel in de tijd.</div>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij om aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken ten behoeve van een bouwwerk, bedoeld in artikel 4.62, vierde lid, onder b, worden zo nodig in een geohydrologisch onderzoek tevens de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. maaiveldniveau achterzijde in m NAP; b. aanwezigheid van polderriolen; c. dikte, geometrie en doorlatendheid van de grondverbetering onder vloer of naast ondergronds gebouw; d. geometrie gaten in damwanden: diameter, aantal, hart op hart-afstand, aanlegdiepte bovenkant gat in m NAP, cumulatief oppervlak; e. geometrie vulling cannelures: doorlatendheid, niveau boven- en onderkant in m NAP, aantal cannelures dat gevuld wordt; f. geometrie verticale grondverbetering kolommen: doorlatendheid, niveau boven- en onderkant in m NAP, lengte x breedte x hoogte; g. geometrie intreevoorzieningen; h. geometrie buizen/bypass: diameter, aantal, cumulatief oppervlak; i. buizen/bypass: locatie en specificatie van inspectie-/onderhoudsputten; j. breedte tussen ondergrondse gebouwen; k. locatie hulpmiddelen die achterblijven (werkvloer, plinten, damwanden, en dergelijke).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geotechnisch onderdeel van het in het eerste lid bedoelde geohydrologisch onderzoek worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. afmetingen en ontgravingsniveau van de bouwput; b. wijze van ontgraving: in een damwandkuip, in bekisting of in open ontgraving; c. stijghoogtewaarnemingen in de betreffende zandlagen, inclusief het eerste watervoerende pakket (pleistocene zandlaag); d. bodemopbouw tot in het eerste watervoerende pakket (pleistocene zandlaag); e. diepe mechanische boringen en/of sonderingen op het perceel van het ondergronds gebouw; f. bepaling van het volumiek gewicht per bodemlaag; g. evenwichtsberekeningen, uitgevoerd volgens de rekenmethodiek in paragraaf 10.2 (bezwijken door opdrijven) uit NEN 9997-1+C2:2017, “Geotechnisch ontwerp van constructies - Deel 1: Algemene regels” (Eurocode 7 [EC7-NL]), inclusief een veiligheidsfactor voor de rekenwaarde van de neerwaartse gronddruk van 0,9 (NEN9997-1+C2:2017 Tabel A.15 - Partiële factoren op belastingen); h. beschrijving en berekening van beheersmaatregelen (spanningsbemaling, aanpassing ontgraving etc.); i. uitvoeringswijze bij (reparerend) trekken van damwanden; j. beschrijving met lokale boringen/sonderingen die aantoont dat minimaal 1,5 m deklaag resteert onder de vloer van het ondergronds gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 4.2.4.9 Beperkt kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied plaatsgebonden risico</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-466\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.66</span><span class=\"lf-art-t\">Geografisch werkingsgebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf geldt ter plaatse van de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico'.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar een TAM-omgevingsplan geldt, is deze subparagraaf van overeenkomstige toepassing, voor zover in dat TAM-omgevingsplan een locatie is aangeduid met de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico'.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-467\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.67</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf is alleen van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor zover: a. de aanvraag betrekking heeft op een beperkt kwetsbaar gebouw ter plaatse van de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico'; en b. het beperkt kwetsbaar gebouw geen functionele binding heeft met de activiteit waarvoor de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico' is opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-468\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.68</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beoordelingsregels met betrekking tot beperkt kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied plaatsgebonden risico 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als: a. zwaarwegende economische of maatschappelijke redenen dit rechtvaardigen; b. alle redelijke maatregelen om de gevolgen van een ramp te bestrijden zijn getroffen; en c. er voldoende mogelijkheden zijn voor personen om zich in veiligheid te brengen in geval van een ramp bij de activiteit met het beperkingengebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het beoordelen van de aanvraag om de vergunning wordt rekening gehouden met het advies van de veiligheidsregio.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning wordt in elk geval geweigerd als het beperkt kwetsbare gebouw geheel of gedeeltelijk staat ter plaatse van de aanduiding 'plaatsgebonden risico 10-5 windturbine'.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-469\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.69</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vergunningvoorschriften met betrekking tot beperkt kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied plaatsgebonden risico Aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen voorschriften worden verbonden ter bescherming van beperkt kwetsbare gebouwen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-470\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.70</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanvraagvereisten in verband met de beoordeling van beperkt kwetsbare gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico' Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die betrekking heeft op een beperkt kwetsbaar gebouw ter plaatse van de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico' worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de zwaarwegende gewichtige economische of maatschappelijke redenen voor de realisatie van het beperkt kwetsbare gebouw of het gebruik van de gronden; b. alle redelijke maatregelen die worden getroffen om de gevolgen van een ramp te bestrijden; en c. de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen in geval van een ramp Subparagraaf 4.2.4.10 Zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied vuurwerk [gereserveerd]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-471\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.71</span><span class=\"lf-art-t\">Gereserveerd</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-472\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.72</span><span class=\"lf-art-t\">Gereserveerd</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-473\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.73</span><span class=\"lf-art-t\">Gereserveerd</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-474\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.74</span><span class=\"lf-art-t\">Gereserveerd</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-475\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.75</span><span class=\"lf-art-t\">Gereserveerd</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-476\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.76</span><span class=\"lf-art-t\">Gereserveerd</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 4.2.4.11 Zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied ontplofbare stoffen [gereserveerd]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-477\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.77</span><span class=\"lf-art-t\">Gereserveerd</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-478\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.78</span><span class=\"lf-art-t\">Gereserveerd</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-479\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.79</span><span class=\"lf-art-t\">Gereserveerd</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-480\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.80</span><span class=\"lf-art-t\">Gereserveerd</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-481\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.81</span><span class=\"lf-art-t\">Gereserveerd</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-482\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.82</span><span class=\"lf-art-t\">Gereserveerd</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 4.2.4.12 Bouwen ter plaatse van de aanduiding 'belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen'</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-483\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.83</span><span class=\"lf-art-t\">Geografisch werkingsgebied en oogmerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf is van toepassing ter plaatse van de gronden met de aanduiding 'belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen'.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar een TAM-omgevingsplan geldt, is deze subparagraaf van overeenkomstige toepassing, voor zover in dat TAM-omgevingsplan een locatie is aangeduid met de aanduiding 'belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen'.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de veiligheid, integriteit en de werking van een buisleiding met gevaarlijke stoffen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-484\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.84</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregel, vergunningvoorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de veiligheid van de in artikel 4.83, tweede lid bedoelde buisleiding niet wordt geschaad.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij de beheerder van de in het tweede lid bedoelde buisleiding over de vraag of door de voorgenomen omgevingsplanactiviteit bouwwerken de veiligheid van de buisleiding wordt geschaad en welke voorschriften indien nodig kunnen worden gesteld ter voorkoming daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op de waarborging van de veiligheid van de in het tweede lid bedoelde buisleiding kunnen aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voorschriften worden verbonden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-485\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.85</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als deze subparagraaf van toepassing is, worden bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aard, omvang en effecten van het bouwwerk; b. de specifieke locatie waar het bouwwerk wordt gerealiseerd; c. de functie of het beoogd gebruik van het bouwwerk; d. de afmetingen van het werk of de omvang van de werkzaamheid; e. de te gebruiken materialen; f. in hoeverre sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; g. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het uitvoeren van het bouwwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 4.2.4.13 Veranderen van een bestaand bouwwerk ter plaatse van de aanduiding 'beeldbepalend pand met sloopvergunningplicht'</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-486\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.86</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik, geografisch werkingsgebied en oogmerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf is van toepassing op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die bestaat uit het veranderen van een bestaand bouwwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf geldt ter plaatse van de gronden met de aanduiding 'beeldbepalend pand met sloopvergunningplicht'.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van beeldbepalende panden vanwege hun bouwhistorische, cultuurhistorische, architectuurhistorische en stedenbouwkundige waarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf is alleen van toepassing voor zover de verandering van het bestaande bouwwerk betrekking heeft op delen van de gevel en het dak die zijn gericht naar openbaar toegankelijk gebied, waaronder in deze subparagraaf mede worden begrepen wegen en paden bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-487\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.87</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beoordelingsregel cultuurhistorisch belang bij het veranderen van een bestaand bouwwerk ter plaatse van de aanduiding 'beeldbepalend pand met sloopvergunningplicht' De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de verandering van het bouwwerk niet leidt tot een onevenredige aantasting van de bouwhistorische, cultuurhistorische, architectuurhistorische en/of stedenbouwkundige waarden van het te veranderen pand.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-488\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.88</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningvoorschriften met betrekking tot het veranderen van een beeldbepalend pand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het beschermen van het in artikel 4.86, derde lid, genoemde belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 4.2.4.14 Toets aan overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-489\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.89</span><span class=\"lf-art-t\">Toets aan overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet in strijd is met: a. paragraaf 4.4.2; en b. paragraaf 22.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 4.2.4.15 Overige vergunningvoorschriften en aanvraagvereisten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-490\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.90</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningvoorschriften met betrekking tot de situering van vluchtwegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen tevens voorschriften worden verbonden met betrekking tot de situering van vluchtwegen, voor zover uitvoering ervan redelijkerwijze mogelijk is en dit blijkens een advies van de Veiligheidsregio nodig is ter vergroting van de zelfredzaamheid van gebruikers van de bouwwerken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-491\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.91</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagvereisten in verband met beoordeling hemelwaterberging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bouwwerk waarop paragraaf 4.4.2 van toepassing is, dan wordt een rapport verstrekt met informatie waaruit blijkt dat aan dat onderdeel wordt voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het rapport bevat in ieder geval de volgende informatie: a. een overzichtstekening en een profieltekening met maatvoering en hoogtes op schaal, welke aangeeft wat de verschillende dakoppervlakken en locatie van de te treffen maatregelen zijn; b. een systeembeschrijving, in de vorm van tekst of een schematische weergave, welke aangeeft hoe de verschillende dakoppervlakken worden verbonden met de maatregelen voor hemelwaterverwerking; en c. een totaalberekening welke aantoont hoe de hemelwaterbergingseis wordt behaald door op te geven welke oplossing wordt toegepast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-492\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.92</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling: vergunningvoorschriften over archeologische monumentenzorg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' geldt dat als dat in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is bepaald, aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften kunnen worden verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die van invloed is op een archeologisch monument kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften worden verbonden, die inhouden een plicht tot: a. het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden; b. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; c. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; en d. het verrichten van een opgraving of een archeologische begeleiding op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-493\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.93</span><span class=\"lf-art-t\">Overige gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden de overige gegevens en bescheiden verstrekt die naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig zijn voor toetsing aan dit omgevingsplan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  4.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">OMGEVINGSPLANACTIVITEIT SLOPEN</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.3.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit slopen ter plaatse van beschermd stads- of dorpsgezicht</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-494\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.94</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik en oogmerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.3.1 is van toepassing op het verrichten van een omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht.</h3>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.3.1 geldt ter plaatse van de gronden met de aanduiding 'rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht' of 'gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht'.</h3>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behoud, de bescherming en het herstel van stads- en dorpsgezichten die van algemeen belang zijn vanwege hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang van de samenstellende onroerende zaken of hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is ook van toepassing op het slechts gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk dat plaatsvindt in het kader van het veranderen van een bestaand bouwwerk. Deze paragraaf is daarop, onverminderd afdeling 4.2, onverkort van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing onverminderd sloopvergunningplichten, opgenomen in een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is ook van toepassing op gronden die met toepassing van hoofdstuk 5 van de Erfgoedverordening Amsterdam als gemeentelijk stads- of dorpsgezicht zijn aangewezen, zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de aanduiding 'gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht' is gegeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-495\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.95</span><span class=\"lf-art-t\">Uitgestelde toepassing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf wordttoegepast met ingang van de dag dat artikel 21 van de Erfgoedverordening Amsterdam vervalt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-496\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.96</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht te verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover de activiteit betrekking heeft op het gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk, geldt het in het eerste lid bedoelde verbod uitsluitend voor zover het afbreken betrekking heeft op delen van de gevel en de dakvorm die zijn gericht naar openbaar toegankelijk gebied, waaronder mede worden begrepen wegen en paden bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-497\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.97</span><span class=\"lf-art-t\">Uitzonderingen op de vergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod, bedoeld in artikel 4.96, geldt niet als de omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht was toegestaan voor het van kracht worden van deze paragraaf en reeds in uitvoering is op het tijdstip van het van kracht worden van deze paragraaf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-498\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.98</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in artikel 4.96 bedoelde omgevingsvergunning wordt alleen geweigerd als, gelet op de beeldbepalende waarde van het bouwwerk of de onderdelen daarvan, de omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht leidt tot een onevenredige aantasting van het belang, genoemd in artikel 4.94, derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van een onevenredige aantasting van het in artikel 4.94, het derde lid, genoemde belang kan in elk geval sprake zijn als naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk is dat op de plaats van het af te breken bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-499\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.99</span><span class=\"lf-art-t\">Advies gemeentelijke Commissie Omgevingskwaliteit Amsterdam</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeentelijke Commissie Omgevingskwaliteit Amsterdam, bedoeld in 17.9 van de Omgevingswet, wordt in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de advisering van de gemeentelijke Commissie Omgevingskwaliteit Amsterdam is de Verordening op de Commissie Omgevingskwaliteit Amsterdam (2023) onverkort van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4100\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.100</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht worden, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de cultuurhistorische waarde van het te slopen bouwwerk of onderdelen daarvan aan de hand van een bouwhistorische opname; b. gegevens waaruit blijkt dat het aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4101\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.101</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningvoorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het beschermen van het in artikel 4.94, het derde lid, genoemde belang.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.3.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit slopen van een beeldbepalend pand met sloopvergunningplicht</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4102\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.102</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik en oogmerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.3.2 is van toepassing op het verrichten van een omgevingsplanactiviteit slopen van een beeldbepalend pand met sloopvergunningplicht.</h3>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.3.2 geldt ter plaatse van de gronden met de aanduiding 'beeldbepalend pand met sloopvergunningplicht'.</h3>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regels in paragraaf 4.3.2 zijn gesteld met het oog op de bescherming van beeldbepalende panden vanwege hun bouwhistorische, cultuurhistorische, architectuurhistorische en stedenbouwkundige waarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 4.3.2 is niet van toepassing op het gedeeltelijk afbreken van een beeldbepalend pand met sloopvergunningplicht voor zover dat plaatsvindt in het kader van het veranderen van een bestaand bouwwerk. Daarop is afdeling 4.2 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.3.2 is van toepassing onverminderd sloopvergunningplichten, opgenomen in een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4103\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.103</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit slopen van een beeldbepalend pand met sloopvergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit slopen van een beeldbepalend pand met sloopvergunningplicht te verrichten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4104\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.104</span><span class=\"lf-art-t\">Uitzonderingen op de vergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod, bedoeld in artikel 4.103, eerste lid, geldt niet als de omgevingsplanactiviteit slopen van een beeldbepalend pand met sloopvergunningplicht was toegestaan voor het van kracht worden van deze paragraaf en reeds in uitvoering is op het tijdstip van het van kracht worden van deze paragraaf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4105\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.105</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De in artikel 4.103, eerste lid, bedoelde omgevingsvergunning wordt alleen geweigerd als de omgevingsplanactiviteit slopen van een beeldbepalend pand met sloopvergunningplicht leidt tot een onevenredige aantasting van het belang, genoemd in artikel 4.102, derde lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4106\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.106</span><span class=\"lf-art-t\">Advies gemeentelijke Commissie Omgevingskwaliteit Amsterdam</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeentelijke Commissie Omgevingskwaliteit Amsterdam, bedoeld in 17.9 van de Omgevingswet, wordt in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit slopen van een beeldbepalend pand met sloopvergunningplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de advisering van de gemeentelijke Commissie Omgevingskwaliteit Amsterdam is de Verordening op de Commissie Omgevingskwaliteit Amsterdam (2023) onverkort van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4107\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.107</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit slopen van een beeldbepalend pand met sloopvergunningplicht worden gegevens verstrekt waaruit blijkt dat het aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4108\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.108</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningvoorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit slopen van een beeldbepalend pand met sloopvergunningplicht worden de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het beschermen van het in artikel 4.102, derde lid, genoemde belang.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.3.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit slopen geluidwerende eerstelijnsbebouwing [gereserveerd]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4109\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.109</span><span class=\"lf-art-t\">Gereserveerd</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4110\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.110</span><span class=\"lf-art-t\">Gereserveerd</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  4.4</h3>\n<p class=\"lf-p\">OVERIGE REGELS OVER BOUWWERKEN EN ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.4.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Repressief toezicht op het uiterlijk van bouwwerken met het oog op een goede omgevingskwaliteit</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.111</span><span class=\"lf-art-t\">Repressief toezicht op het uiterlijk van bouwwerken met het oog op een goede omgevingskwaliteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met een goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om: a. een aangewezen gebied of bouwwerk als bedoeld in artikel 4.26; b. een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Totdat beleidsregels als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet zijn vastgesteld, geldt overeenkomstig artikel 4.114 Invoeringswet Omgevingswet de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel gold tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet, als de beleidsregels, bedoeld in het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4112\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.112</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerkvoorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over artikel 4.111.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.4.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Hemelwaterafvoer bij bouwwerken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4113\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.113</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en in stand houden van een gebouw, ongeacht of daarvoor de vergunningplicht geldt, bedoeld in artikel 4.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op: a. nieuwe gebouwen; b. bestaande gebouwen indien na 11 mei 2021:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>een ingrijpende renovatie als bedoeld in het artikel 5.20, vijfde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving is uitgevoerd of wordt uitgevoerd mits de bruto vloeroppervlakte van het gebouw 1.000 m2 of meer is;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>aan het gebouw één of meer bouwlagen, een kelder of een souterrain is toegevoegd of wordt toegevoegd;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>aan het gebouw een dakopbouw is of wordt toegevoegd, dan wel een bestaande dakopbouw is of wordt vergroot, als het oppervlak van de toegevoegde of toe te voegen dakopbouw:</div>\n<p class=\"lf-p\">I. meer dan 50% van het bebouwd oppervlak van het hoofdgebouw beslaat of gaat beslaan; of II. groter is of groter wordt dan 100m2; of 4. het bebouwde oppervlak is uitgebreid of wordt uitgebreid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het tweede lid is deze paragraaf niet van toepassing op gebouwen waarvoor: a. voor 11 mei 2021 een omgevingsvergunning voor bouwen is aangevraagd; of b. voor 22 juni 2021 selectieprocedures voor gronduitgifte zijn gestart of overeenkomsten zijn aangegaan waaruit de intentie tot (her)ontwikkeling van een gebouw blijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de toepassing het tweede lid, onderdeel b, onder 2 wordt onder het toevoegen van een kelder of souterrain mede verstaan het vergroten van een bestaande kelder of souterrain mits: a. de uitbreiding van de kelder of het souterrain meer dan 50% van het totaal bebouwd oppervlak van het hoofdgebouw zoals van bovenaf gezien beslaat; of b. de uitbreiding van de kelder of het souterrain een minimum omvang van 100 m2 oppervlakte heeft; of c. de bestaande kelder of souterrain wordt verdiept waardoor deze in gebruik genomen kan worden ten behoeve van een gebruiksfunctie of nevengebruiksfunctie als bedoeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4114\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.114</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de toepassing van paragraaf 4.4.2 wordt onder centraal besturingssysteem verstaan: een systeem dat op basis van actuele neerslagvoorspellingen, de vulling van de hemelwaterberging en de condities van het stedelijk watersysteem, de lediging van de hemelwaterberging regelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de toepassing van paragraaf 4.4.2 wordt onder groen dak verstaan: een doelbewust hoofdzakelijk met planten begroeid dak.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de toepassing van paragraaf 4.4.2 wordt onder hergebruiksysteem verstaan: een systeem waarmee het opgevangen hemelwater wordt hergebruikt voor andere dan drinkwater toepassingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de toepassing van paragraaf 4.4.2 wordt onder verhard oppervlak verstaan: oppervlak voorzien van verhardingen (o.a. daken, wegen, verharde terreinen, etc.), zodanig dat hemelwater van dit oppervlak niet in de bodem kan infiltreren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4115\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.115</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod op lozen zonder waterberging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden om vanaf een gebouw hemelwater in het openbaar riool of op de openbare ruimte, anders dan het oppervlaktewater, te lozen, tenzij een hemelwaterberging is aangebracht en in stand wordt gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover een bestaand gebouw als bedoeld in artikel 4.113, tweede lid, onder b, onderdeel 1 of 2, niet bestand is tegen het aanbrengen van een hemelwaterberging op dat gebouw en er rond dat bestaande gebouw geen of onvoldoende oppervlak aanwezig is om in hemelwaterberging te voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod, bedoeld in het eerste lid geldt niet voor tijdelijke gebouwen, met een instandhoudingstermijn van maximaal 10 jaar, mits: a. geen toename ontstaat van het al aanwezige verhard oppervlak; of b. het tijdelijke gebouw niet bestand is tegen het aanbrengen van een hemelwaterberging op dat gebouw en rond het tijdelijke gebouw geen of onvoldoende oppervlak aanwezig is om in hemelwaterberging te voorzien; of c. er sprake is van een bouwkeet of een ander gebouw als bedoeld in artikel 2.29, aanhef en onder q, van het Besluit bouwwerken leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4116\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.116</span><span class=\"lf-art-t\">Vereisten hemelwaterberging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een hemelwaterberging als bedoeld in artikel 4.115: a. heeft ten minste een capaciteit van 60 liter per m2 bebouwd oppervlak; b. loost maximaal 1 liter per m2 bebouwd oppervlak per uur op een openbaar riool; en c. is na 60 uur leeg.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een hemelwaterberging met hergebruiksysteem: a. heeft ten minste een capaciteit van 90 liter per m2 bebouwd oppervlak; b. is na 60 uur voor ten minste 33% leeg; en c. leegt het restant op basis van het gebruik van het hergebruiksysteem.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een waterberging met een centraal besturingssysteem geldt alleen het vereiste uit het eerste lid, onder a.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing op een gebouw dat zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kan worden gebouwd mits het is voorzien van een groen dak met een minimale waterbergingscapaciteit van 30 liter per m2.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van uitbreiding van het bebouwd oppervlak van een bestaand gebouw als bedoeld in artikel 4.113, eerste lid onder b, onderdeel 3, wordt bij de toepassing van dit artikel onder bebouwd oppervlak het bebouwd oppervlak van de uitbreiding verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het geborgen hemelwater wordt in de ondergrond geïnfiltreerd. Als dat niet of maar deels mogelijk is, kan in het openbare riool worden geloosd.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hemelwater dat na toepassing van het eerste, tweede of derde lid niet kan worden geborgen, kan worden geloosd in het openbare riool of op de openbare ruimte.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  4.5</h3>\n<p class=\"lf-p\">REGELS MET BETREKKING TOT DE BOUWACTIVITEIT (TECHNISCH) BESLUIT BOUWWERKEN LEEFOMGEVING</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4117\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.117</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanwijzing brandvoorschriftengebied als bedoeld in artikel 5.14, eerste en tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter plaatse van de aanduiding 'brandvoorschriftengebied' geldt dat de gronden zijn aangewezen als brandvoorschriftengebied als bedoeld in artikel 5.14, eerste en tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag aangewezen als brandvoorschriftengebied’ is of zijn de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen van een bouwwerk aangewezen als brandvoorschriftengebied als bedoeld in artikel 5.14, eerste lid en tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4118\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.118</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanwijzing explosievoorschriftengebied als bedoeld in artikel 5.14, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter plaatse van de aanduiding 'explosievoorschriftengebied' zijn de gronden aangewezen als explosievoorschriftengebied als bedoeld in artikel 5.14, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag aangewezen als explosievoorschriftengebied’ is of zijn de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen van een bouwwerk aangewezen als explosievoorschriftengebied als bedoeld in artikel 5.14, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4119\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.119</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing waarde gezamenlijk geluid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ter plaatse van de aanduiding 'waarde gezamenlijk geluid' is het gezamenlijke geluid de daar bepaalde waarde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4120\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.120</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanwijzing niet-geluidgevoelige gevel als bedoeld in artikel 4.103b, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gebouw ter plaatse van de aanduiding 'geluidgevoelig gebouw met niet-geluidgevoelige gevel' is een geluidgevoelig gebouw met niet-geluidgevoelige gevel.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gevel ter plaatse van de aanduiding 'niet-geluidgevoelige gevel’ is een niet-geluidgevoelige gevel, bedoeld in artikel 4.103b, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag met niet-geluidgevoelige gevel' geldt dat het eerste lid alleen van toepassing is op de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover met artikel 4.121 een gevel is aangewezen als een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen, geldt de gevel als een niet-geluidgevoelige gevel, bedoeld in artikel 4.103b, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4121\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.121</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing niet-geluidgevoelige gevels met bouwkundige maatregelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gevel ter plaatse van de aanduiding 'niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen' is een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen, bedoeld in artikel 4.103b, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover subparagraaf 4.2.4.7 van toepassing is, is als niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen als bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving tevens aangewezen een gevel waarover met toepassing van artikel 4.51, tweede lid, in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken het voorschrift is verbonden dat het een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag met niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen' geldt dat het eerste lid alleen van toepassing is op de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  5</h3>\n<p class=\"lf-p\">RUIMTELIJKE REGELS OVER BOUWWERKEN</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">ALGEMEEN</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk is van toepassing op bouwwerken en op het bouwen en in stand houden van bouwwerken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking geografisch toepassingsbereik (overgangsbepaling)</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5.5 tot en met afdeling 5.8 zijn uitsluitend van toepassing ter plaatse van de aanduiding ruimtelijke regels tijdelijk deel vervallen.</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Meet- en rekenregels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de volgende meet- en rekenbepalingen gehanteerd: a. de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>afstanden loodrecht;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en 3. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven; b. voor de toepassing van onderdeel a wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is; c. de bruto-vloeroppervlakte van een bouwwerk: met toepassing van NEN 2580; d. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; e. de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil of, wanneer dat in de regels is bepaald, vanaf N.A.P., tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde. f. voor het bepalen van de bouwhoogte van een bouwwerk geldt voor gebouwen dat bij het bepalen van de bouwhoogte niet worden betrokken een dakkapel, dakterras, buitentrap, liftopbouw, schoorsteen, ventilatiekanaal, airco-unit, luchtbehandelingsinstallatie, glazenwassersinstallatie, brandtrap, hijsinrichting, bouwwerk dat samenhangt met installaties binnen een gebouw, of soortgelijke bouwdelen aan of op een gebouw; g. de verticale bouwdiepte van een gebouw: vanaf het peil tot aan de onderzijde van de onderste bouwlaag; h. als in een regel een norm is gegeven die geldt ter plaatse van een aanduiding, dan geldt de betreffende norm per afzonderlijk aanduidingsvlak; i. de ashoogte van een windturbine: vanaf het peil tot aan het hart van de rotor-as van de windturbine; j. de tiphoogte van een windturbine: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van de wiek van de windturbine.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-54\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Voorrangsbepaling met betrekking tot meet- en rekenbepalingen tijdelijk deel omgevingsplan</span></h4></div>", "next": 239687}