{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">werken en werkzaamheden, waarmee is of mag worden begonnen ten tijde van het onherroepelijk worden van het plan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4140\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.140</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere aanvraagvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de wettelijk geldende aanvraagvereisten bevat een aanvraag omgevingsvergunning voor een activiteit, zoals genoemd in artikel 4.131, een advies van de leidingbeheerder voor de aangevraagde activiteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4141\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.141</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels omgevingsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning voor een activiteit zoals genoemd in artikel 4.137 wordt uitsluitend verleend indien het belang van de brandstofleiding door het uitvoeren van de activiteit niet onevenredig wordt geschaad. Alvorens een omgevingsvergunning te verlenen wordt hierover advies ingewonnen bij de beheerder van de gasleiding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4142\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.142</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden activiteiten binnen belemmeringengebied brandstofleiding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen - brandstofleiding zijn verboden: a. kwetsbare gebouwen, tenzij die een functionele binding hebben met de brandstofleiding; en b. zeer kwetsbare gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 4.2.15.3 Belemmeringengebied watertransportleiding - omgevingsvergunningplicht</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4143\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.143</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is toegestaan de ondergrondse watertransportleiding te gebruiken in het belemmeringengebied buisleiding - watertransportleiding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4144\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.144</span><span class=\"lf-art-t\">Doelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van in de grond aanwezige drinkwatertransportleiding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4145\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.145</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing omgevingsvergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het belemmeringengebied buisleiding - watertransportleiding de volgende activiteiten te verrichten: a. het aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; b. het uitvoeren van graafwerkzaamheden anders dan normaal spit- en ploegwerk; c. het indrijven van voorwerpen in de grond; d. het verlagen van bodem en afgraven, ophogen en egaliseren van gronden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunningplicht in het eerste geldt niet voor het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamheden: a. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud; b. werken en werkzaamheden, waarmee is of mag worden begonnen ten tijde van het onherroepelijk worden van het plan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4146\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.146</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere aanvraagvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de wettelijk geldende aanvraagvereisten bevat een aanvraag omgevingsvergunning voor een activiteit, zoals genoemd in artikel 4.145, eerste lid, een advies van de leidingbeheerder voor de aangevraagde activiteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4147\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.147</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordeling omgevingsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning voor een activiteit zoals genoemd in artikel 4.145, eerste lid wordt uitsluitend verleend indien het belang van de drinkwatertransportleiding door het uitvoeren van de activiteit niet onevenredig wordt geschaad.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.2.16</h3>\n<p class=\"lf-p\">Beperkingengebieden Subparagraaf 4.2.16.1 Beperkingengebied waterkering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4148\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.148</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf gaat over het verrichten van activiteiten in het beperkingengebied waterkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4149\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.149</span><span class=\"lf-art-t\">Doelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van de waterkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4150\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.150</span><span class=\"lf-art-t\">Absoluut verbod</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het beperkingengebied waterkering is het verboden om gebouwen te bouwen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4151\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.151</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing omgevingsvergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning een ander bouwwerk te bouwen binnen het beperkingengebied waterkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4152\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.152</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregel omgevingsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als positief advies is verkregen door de beheerder van de waterkering omtrent de belangen van de waterkering en het watersysteem.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4153\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.153</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een ander bouwwerk in het beperkingengebied waterkering worden in ieder geval de volgende documenten en gegevens verstrekt: a. het positieve advies van de beheerder van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 4.2.16.2 Beperkingengebied beschermingszone waterkering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4154\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.154</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf gaat over het verrichten van activiteiten in het beperkingengebied beschermingszone waterkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4155\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.155</span><span class=\"lf-art-t\">Doelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze subparagraaf zijn gesteld voor het beheer en onderhoud van de waterkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4156\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.156</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de specifieke zorgplicht als bedoeld in artikel 4.4 wordt in het beperkingengebied beschermingszone waterkering rekening gehouden met het beheer en onderhoud van de waterkering.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.2.17</h3>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten in water</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4157\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.157</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf gaat over het verrichten van activiteiten binnen de locatie water.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4158\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.158</span><span class=\"lf-art-t\">Doelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. de waterberging; b. het watersysteem; c. het realiseren, in stand houden en gebruiken van ondersteunende kunstwerken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4159\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.159</span><span class=\"lf-art-t\">Absoluut verbod</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de locatie water is het verboden om de volgende activiteiten te verrichten: a. het dempen van oppervlaktewater; en b. het verlagen of afgraven van de bodem.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4160\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.160</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing omgevingsvergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning binnen de locatie water de volgende activiteiten te verrichten: a. het bouwen van een brug; b. het plaatsen van een beschoeiing, (aanleg)steigers, en daarmee vergelijkbare werken en bouwwerken en overige naar aard en omvang ondergeschikte werken en bouwwerken; c. het aanleggen en verwijderen van ondersteunende kunstwerken, zoals bedoeld in de waterschapsverordening Delfland; en d. het aantasten van natte ecologische zones.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de genoemde activiteiten in het eerste lid worden de bepalingen zoals elders in dit omgevingsplan gesteld, voor zover die op de desbetreffende activiteiten van toepassing zijn, in acht genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4161\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.161</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. de activiteit in overeenstemming is met de doelen zoals genoemd in artikel 4.158; b. de activiteit het bouwen van een steiger of een andere aanlegplaats plaatsvindt in het verlengde van De Harnasch, De Loete en De Voorde én als deze grenst aan de locatie wonen; c. de activiteit in overeenstemming is met de waterschapsverordening Delfland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4162\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.162</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de specifieke zorgplicht als bedoeld in artikel 4.4 wordt op en nabij water rekening gehouden met het watersysteem, het beheer en onderhoud van watergangen en oevers, waarbij Delfland als waterbeheerder betrokken is.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  4.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedsgerichte activiteiten met gebruiksruimte</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.3.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4163\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.163</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van activiteiten met gebruiksruimte als bedoeld in artikel 3.39.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4164\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.164</span><span class=\"lf-art-t\">Doelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; en c. het beschermen van het milieu, waaronder:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>het beschermen tegen milieuverontreiniging;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>een doelmatig beheer van afvalstoffen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>het voorkomen of beperken van geluidhinder, trillinghinder, lichthinder en geurhinder;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>het beperken van de kans op en het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid van de Omgevingswet;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; en 9. het vervullen van maatschappelijke functies doorwatersystemen.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze afdeling zijn ook gesteld met het oog op: a. het beperken van verkeer van en naar activiteiten met gebruiksruimte; b. het gebruik van bouwwerken; c. het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten; d. de duurzame ruimtelijke en economische ontwikkeling van gebieden; en e. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze afdeling zijn niet gesteld met het oog op: a. de natuurbescherming; b. het bevorderen van de biodiversiteit; c. het beheer van natuurgebieden; d. het beschermen van stedenbouwkundige en landschappelijke waarden; en e. het beschermen van cultuurhistorische waarden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4165\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.165</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.4, houdt voor activiteiten met gebruiksruimte in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De specifieke zorgplicht houdt voor het gebruik van bouwwerken in dat: a. degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, verplicht is alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren; b. degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, verplicht is alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren, waarbij onder overlast en hinder in elk geval wordt verstaan:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en 3. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.</div>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste en tweede lid gelden niet voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De specifieke zorgplicht houdt ook in dat: a. de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; b. beslag op gebruiksruimte buiten de locatie waar de activiteit wordt verricht, onder meer door zichtbare stofverspreiding, zo veel mogelijk wordt voorkomen of beperkt; c. buitenverlichting op de locatie van de activiteit is beperkt tot het noodzakelijke voor het verrichten van de nodige werkzaamheden op die locatie, de bewaking of de beveiliging; d. verlichting zodanig is opgesteld en ingericht en de lampen zodanig zijn afgeschermd, dat hinderlijke lichtstraling voor de omgeving zo veel mogelijk wordt voorkomen of beperkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4166\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.166</span><span class=\"lf-art-t\">Samenhangende activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt voor de regels over geluid, geur en trillingen als één activiteit beschouwd: a. activiteiten als bedoeld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. als het gaat om andere activiteiten dan bedoeld onder a, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of 2. elkaar functioneel ondersteunen.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.3.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Horeca-activiteiten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4167\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.167</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf gaat over het verrichten van horeca-activiteiten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4168\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.168</span><span class=\"lf-art-t\">Doelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van duurzame economische ontwikkeling van gebieden; b. het beschermen van de ruimte voor bedrijfsactiviteiten; en c. het stimuleren van de levendigheid van de openbare ruimte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4169\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.169</span><span class=\"lf-art-t\">Locaties voor horeca-activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden horeca-activiteiten uitsluitend verricht binnen de locatie horeca.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden binnen horeca de volgend horeca-activiteiten alleen verricht binnen de daarbij aangegeven locaties en worden de aangegeven locaties alleen de daarbij aangegeven horeca-activiteiten verricht: a. het exploiteren van een restaurant/snackbar binnen de locatie restaurant/snackbar.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.3.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Maatschappelijke activiteiten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4170\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.170</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf gaat over het verrichten van een maatschappelijke activiteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4171\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.171</span><span class=\"lf-art-t\">Doelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het bieden van ruimte aan een maatschappelijke activiteit; en b. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4172\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.172</span><span class=\"lf-art-t\">Locaties voor een maatschappelijke activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden maatschappelijke activiteiten uitsluitend verricht binnen de locatie maatschappelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden binnen maatschappelijk de volgende maatschappelijke activiteiten alleen verricht binnen de daarbij aangegeven locaties en worden de aangegeven locaties alleen de daarbij aangegeven maatschappelijke activiteiten verricht: a. onderwijsactiviteiten, kinderopvang en buitenschoolse opvang binnen de locatie onderwijs. b. maatschappelijke activiteit zoals bedoeld in bijlage I bij dit omgevingsplan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.3.4</h3>\n<p class=\"lf-p\">Woonactiviteiten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4173\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.173</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf gaat over woonactiviteiten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4174\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.174</span><span class=\"lf-art-t\">Doelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; c. het beschermen van het milieu; d. het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden; e. het bereiken en in stand houden van voldoende woonruimte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4175\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.175</span><span class=\"lf-art-t\">Locaties voor woonactiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden woonactiviteiten activiteiten uitsluitend verricht binnen de locatie wonen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.3.5</h3>\n<p class=\"lf-p\">Aanleggen of wijzigen van een weg of spoorweg</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4176\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.176</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen of wijzigen van een weg of spoorweg, tenzij: a. aan de aanleg of wijziging een besluit tot vaststelling van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit ten grondslag ligt; of b. het een rijksweg, provinciale weg of bij omgevingsverordening aangewezen lokale spoorweg betreft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4177\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.177</span><span class=\"lf-art-t\">Doelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het bereiken van een adequaat verkeer- en vervoerniveau; en b. een aanvaardbaar geluidniveau.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4178\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.178</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing omgevingsvergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gemeenteweg te wijzigen, als: a. één of twee rijstroken met meer dan 2 m worden verplaatst; b. rijstroken met meer dan 1 m worden verhoogd of verlaagd; c. het aantal rijstroken wordt vergroot, anders dan door middel van voorsorteerstroken en in- en uitvoegstroken; d. het wegdek wordt vervangen door een minder stil wegdek; of e. geluidbeperkende maatregelen bestaande uit werken of bouwwerken langs de weg worden verwijderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gemeenteweg toe te voegen als de geluidbelasting op een geluidgevoelig gebouw hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 5.78t bij artikel 5.78t Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4179\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.179</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere aanvraagvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het toevoegen van een gemeenteweg worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand waarop de weg is aangegeven; b. een akoestisch rapport, waaruit blijkt hoe hoog de geluidbelasting op omliggende geluidgevoelige gebouwen is, inclusief de gecumuleerde geluidbelasting en de gezamenlijke geluidbelasting; en c. een rapport, waarin inzicht wordt gegeven in de haalbaarheid van bron- en overdrachtsmaatregelen ter beperking van geluid op geluidgevoelige activiteiten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4180\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.180</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels omgevingsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsvergunning voor het wijzigen van een gemeenteweg wordt alleen verleend als het geluid op geluidgevoelige activiteiten niet hoger is dan de hoogste van de volgende twee waarden: a. de standaardwaarde, bedoeld in tabel 3.32 Besluit kwaliteit leefomgeving, daarbij rekening houdend met cumulatie met andere geluidbronnen; of b. het geluid op die geluidgevoelige gebouwen voorafgaand aan de aanvraag van de omgevingsvergunning, daarbij rekening houdend met cumulatie met andere geluidbronnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsvergunning voor het toevoegen van een gemeenteweg wordt alleen verleend als: a. er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen; b. de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; c. het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 5.78u bij artikel 5.78u Besluit kwaliteit leefomgeving; en d. het cumulatieve geluidniveau aanvaardbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De geluidbeperkende maatregelen, bedoelde in het tweede lid, onder a en b, worden in aanmerking genomen als deze naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders: a. financieel doelmatig zijn; en b. daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als vergunningvoorschrift legt het college van burgemeester en wethouders het gezamenlijke toegestane geluid vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4181\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.181</span><span class=\"lf-art-t\">Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning een weg of spoorweg aan te leggen of te wijzigen als op grond van een omgevingsplan of bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit een geluidgevoelig gebouw is toegelaten binnen het aandachtsgebied van die weg of spoorweg.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing op een weg als: a. deze is gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; b. een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt; c. de snelheid wordt verlaagd; d. een wegdeklaag wordt vervangen door een wegdeklaag met dezelfde of een grotere geluidsreducerende werking; e. de snelheid wordt verhoogd tot ten hoogste de maximumsnelheid, zoals die gold voor een tijdelijke snelheidsverlaging die als maatregel is opgenomen in een programma als bedoeld in artikel 5.12 van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van de Omgevingswet; of f. het wijzigen, gerekend zonder het treffen van maatregelen, leidt tot:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>niet meer dan 50 dB op de gevel van een geluidgevoelig gebouw;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>als een hogere waarde is vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder, de Experimentenwet Stad en Milieu, de Interimwet stad-en-milieubenadering of de Spoedwet wegverbreding: niet meer dan 2 dB meer geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw dan die hogere waarde of, als de heersende waarde lager is, de heersende waarde; of 3. als de weg en het geluidgevoelige gebouw op 1 januari 2007 waren toegelaten, niet eerder een hogere waarde is vastgesteld dan 48 dB en de heersende waarde hoger is dan 48 dB: niet meer dan 2 dB meer dan de heersende waarde.</div>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing op een spoorweg als: a. de intensiteit, de verkeerssnelheid of een combinatie van beide wordt gewijzigd waardoor het geluid onafgerond niet meer dan 1,0 dB toeneemt ten opzichte van het geluid gedurende de drie jaren voorafgaand aan de wijziging; b. spoorstaven horizontaal worden verplaatst over een afstand van minder dan 2 m; c. spoorstaven verticaal worden verplaatst over een afstand van minder dan 1 m; d. de baanconstructie wordt vervangen door een baanconstructie die niet meer geluid emitteert dan de te vervangen constructie; of e. het wijzigen, gerekend zonder het treffen van maatregelen, leidt tot:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>niet meer dan 3 dB meer geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw dan de heersende waarde; en 2. niet meer dan 63 dB op de gevel van een geluidgevoelig gebouw.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4182\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.182</span><span class=\"lf-art-t\">Aandachtsgebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aandachtsgebied van een weg, met inbegrip van een spoorweg die is verweven of gebundeld met delen van die weg, bedoeld in artikel 4.181, eerste lid, strekt zich aan weerszijden van de as van de weg uit tot de volgende afstand, gemeten vanaf de buitenste rijstrook of spoorstaaf: a. binnen een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde bebouwde kom, tenzij het een autoweg of autosnelweg betreft:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken of een of twee sporen: 200 m; en 2. voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken of drie of meer sporen: 350 m; en b. buiten die bebouwde kom of voor een autoweg of autosnelweg:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken of een of twee sporen: 250 m;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken of drie of meer sporen: 400 m; en 3. voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 m.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aandachtsgebied van een spoorweg die niet is verweven of gebundeld met delen van een weg, bedoeld in artikel 4.181, eerste lid, strekt zich aan weerszijden van de as van de spoorweg uit tot de volgende afstand, gemeten vanaf de buitenste spoorstaaf: a. voor een spoorweg in een tunnel: 25 m; en b. voor een andere spoorweg: 100 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als zich langs een weg of spoorweg een aandachtsgebied bevindt dat bestaat uit delen met een onderling verschillende breedte, geldt voor de aansluiting van de verschillende delen dat het breedste deel over een afstand gelijk aan een derde van de breedte van dat deel, gemeten vanaf het punt van versmalling van de breedte, nog langs de as van de weg of spoorweg doorloopt en met een loodlijn aansluit op het smalste aandachtsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de uiteinden van een weg of spoorweg loopt het aandachtsgebied door over een afstand gelijk aan de breedte van dat gebied ter hoogte van dat uiteinde. Het aandachtsgebied loopt door langs een lijn die is gelegen in het verlengde van de as van de weg of spoorweg en behoudt de breedte die het had ter hoogte van het uiteinde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4183\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.183</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 4.181, eerste lid, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een akoestisch onderzoek naar:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging of aanleg van de weg of spoorweg ondervinden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied in de toekomst door de weg of spoorweg zouden ondervinden zonder de invloed van maatregelen die de geluidsbelasting beperken;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>het geluid door andere wegen of niet te wijzigen delen van de weg, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de wijziging van een weg zal leiden tot een toename van meer dan 2 dB van het geluid op geluidgevoelige gebouwen door die wegen of delen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>de doeltreffendheid van de in aanmerking komende verkeersmaatregelen en andere maatregelen om te voorkomen dat het in de toekomst door de weg optredende geluid op de gebouwen, bedoeld onder 1, de standaardwaarde, zijnde 53 Lden voor een weg en 55 Lden voor een spoorweg, te boven zou gaan of om te voorkomen dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen toeneemt ten opzichte van het geluid onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging; b. een beschrijving van de voorgenomen maatregelen, bedoeld onder a, onder 4; en c. een beschrijving van te treffen geluidwerende maatregelen aan gevels van gebouwen waarvoor het toekomstige geluid hoger wordt dan de standaardwaarde en toeneemt ten opzichte van de situatie voor de wijziging of aanleg, voor zover nodig om te voldoen aan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.53 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4184\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.184</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.181, eerste lid, wordt alleen verleend als de activiteit er niet toe leidt dat de grenswaarde 70 Lden wordt overschreden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4185\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.185</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.181, eerste lid, worden voorschriften verbonden die ertoe strekken dat: a. maatregelen als bedoeld in artikel 4.183, onder a, onder 4, worden getroffen, als deze doelmatig zijn; en b. maatregelen als bedoeld in artikel 4.183, onder c, worden getroffen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.3.6</h3>\n<p class=\"lf-p\">Kwetsbare gebouwen en locaties toevoegen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4186\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.186</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf gaat over het toevoegen van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een brandaandachtsgebied als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4187\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.187</span><span class=\"lf-art-t\">Doelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het bereiken van een aanvaardbaar veiligheidsniveau van personen; en b. het beperken van schade bij een ongeval bij een risicovolle activiteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4188\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.188</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verbod beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen: brandaandachtsgebied Het is verboden beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toe te voegen binnen een brandaandachtsgebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4189\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.189</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing omgevingsvergunningplicht: brandvoorschriftengebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning een beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toe te voegen binnen een brandvoorschriftengebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid zijn beperkt kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen het brandaandachtsgebied niet aangewezen als brandvoorschriftengebied als bedoeld in artikel 5.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het brandvoorschriftengebied geldende aanvullende bouweisen, bedoeld in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4190\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.190</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere aanvraagvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanvraag om de omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een berekening van het groepsrisico; en b. een verantwoording van het groepsrisico, waarbij ten minste wordt ingegaan op maatregelen die worden getroffen of die zijn overwogen ter bescherming van personen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4191\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.191</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels omgevingsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. het groepsrisico niet meer dan 0,75x de oriëntatiewaarde is; en b. maatregelen zijn getroffen ter bescherming van personen in de gebouwen en op de locaties.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.3.7</h3>\n<p class=\"lf-p\">Parkeerbehoefte veranderen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4192\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.192</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf gaat over het toevoegen of veranderen van een gebouw of terrein met parkeerbehoefte of het veranderen van het gebruik van dat gebouw of terrein.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4193\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.193</span><span class=\"lf-art-t\">Doelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het realiseren van voldoende parkeergelegenheid; b. het beperken van hinder; c. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat; en d. het bereikbaar en toegankelijk maken van gebieden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4194\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.194</span><span class=\"lf-art-t\">Activiteiten met parkeerbehoefte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een gebouw met een parkeerbehoefte is een gebouw of een gedeelte van een gebouw waarin een of meerdere van de volgende activiteiten met gebruiksruimte worden of kunnen worden verricht: a. agrarische activiteiten; b. bedrijfsactiviteiten; c. cultuur- en ontspanningsactiviteiten; d. detailhandelsactiviteiten; e. dienstverleningsactiviteiten; f. horeca-activiteiten; g. kantooractiviteiten; h. maatschappelijke activiteiten; i. recreatie-activiteiten; j. sportactiviteiten; en k. woonactiviteiten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4195\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.195</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing omgevingsvergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gebouw of terrein met parkeerbehoefte toe te voegen of te veranderen, of het gebruik van dat gebouw of terrein te veranderen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4196\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.196</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels omgevingsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid overeenkomstig de Nota Parkeernormen 2021, de rechtsopvolger daarvan, of een vastgesteld ruimtelijk kader waar een afwijkende parkeernorm is vastgelegd; b. op basis van het advies van een gemeentelijke verkeerskundige blijkt dat er op andere wijze wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid; en c. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4197\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.197</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een tekeningen met daarop bestaande en nieuw aan te leggen parkeerplaatsen en de daarbij behorende afmetingen; en b. een parkeerbalans en toelichting hierop.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4198\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.198</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene regel instandhouden parkeervoorzieningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een parkeergelegenheid die is aangebracht om aan deze paragraaf te voldoen, wordt in stand gehouden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  5</h3>\n<p class=\"lf-p\">Milieubelastende activiteiten</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk is van toepassing binnen de locatie woonwijk Tolhek op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk is niet van toepassing op: a. woonactiviteit; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>dat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of 3. waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening; f. het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en g. bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.</div>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid zijn de paragrafen 5.3, 5.4 en 5.5 van toepassing op het toelaten van activiteiten anders dan het woonactiviteit en doorgaand verkeer, die geluid, trillingen of geur veroorzaken en op het toelaten van te beschermen gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in paragraaf 5.6.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Voorrangsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tenzij elders in dit omgevingsplan anders bepaald, zijn de regels in dit hoofdstuk niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijk wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Doelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in hoofdstuk 5 zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; en c. het beschermen van het milieu, waaronder:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; en 3. een doelmatig beheer van afvalstoffen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-54\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Normadressaat</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan hoofdstuk 5 wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-55\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 5.3, is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voorzover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid, voor zover het ziet op het tweede lid, en het tweede lid, zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-56\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.6</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerkvoorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 5.5, 5.10 en 5.11 en de paragrafen 5.2 tot en met 5.16.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 5.10 en 5.11 en de paragrafen 5.2 tot en met 5.16.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-57\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-58\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.8</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 5.7 wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-59\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.9</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-510\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.10</span><span class=\"lf-art-t\">Informeren over een ongewoon voorval</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college van burgemeester en wethouders wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij woonactiviteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-511\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.11</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij woonactiviteit.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Zwerfafval</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-512\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.12</span><span class=\"lf-art-t\">Afval: zwerfvuil</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Geluid</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.3.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-513\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.13</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 5.3 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid is deze afdeling niet van toepassing op geluid door een activiteit: a. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; b. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; c. op een niet-geluidgevoelige gevel;</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling is alleen van toepassing op het geluid door activiteiten bij detailhandelsactiviteit als: a. een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een gezamenlijk vermogen van meer dan 1,5 kW, met uitzondering van elektromotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder; of b. een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 130 kW.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-514\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.14</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik: eerbiedigende werking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 5.13, tweede lid onder b, is deze afdeling ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een bestaand geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van dit omgevingsplan voor de duur van niet meer dan tien jaar of in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 5.13, tweede lid onder b, is deze afdeling niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als: a. de activiteit al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en op een locatie is toegelaten op grond van:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of 2. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en b. het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of 2. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.</div>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 5.13 is paragraaf 5.3 niet van toepassing op het geluid door bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 110 kV.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-515\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.15</span><span class=\"lf-art-t\">Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 5.1 worden voor de toepassing van afdeling 5.3 als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: a. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of b. elkaar functioneel ondersteunen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-516\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.16</span><span class=\"lf-art-t\">Geluid: waar waarden gelden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De waarden voor het geluid door een activiteit gelden: a. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel; b. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen; c. in afwijking van onder a. en b., als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en d. als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in een geluidgevoelige ruimte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-517\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.17</span><span class=\"lf-art-t\">Geluid: functionele binding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-518\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.18</span><span class=\"lf-art-t\">Geluid: onderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht: a. als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen; b. als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt; c. bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden; d. bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken; e. bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren; f. bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m; g. als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, het equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:</div>\n<p class=\"lf-p\">I.</p>\n<p class=\"lf-p\">70 dB(A), als die ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; of II.</p>\n<p class=\"lf-p\">80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder I; of 2. in de buitenlucht of op een open terrein muziek ten gehore zal worden gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gemiddelde aantal transportbewegingen is een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het rapport van een geluidonderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of wordt voldaan aan: a. de waarden, bedoeld in de paragraaf 5.3.2 of b. de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden, bedoeld onder a., worden overschreden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-519\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.19</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in artikel 5.18, verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.3.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Geluid door activiteiten, anders dan specifieke activiteiten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-520\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.20</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door activiteiten op of in een geluidgevoelig gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid waarvoor bij maatwerkvoorschrift of maatwerkregel is bepaald dat het niet representatief is voor een activiteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-521\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.21</span><span class=\"lf-art-t\">Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 5.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 5.3.1 Standaardwaarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw 07.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen 70 dB(A) 70 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden 65 dB(A) 65 dB(A) 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit, in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 5.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 5.3.2 Grenswaarde toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimte binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen 07.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen 55 dB(A) 55 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden 45 dB(A) 45 (dB(A) 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het geluid van een nieuw geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied mag niet hoger zijn dan de standaardwaarden bedoeld in tabel 5.3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 5.3.3 Standaardwaarde geluidgevoelige gebouwen Geluidbronsoort Standaardwaarde Provinciale wegen Rijkswegen 50 Lden Gemeentewegen 53 Lden Lokale spoorwegen Hoofdspoorwegen 55 Lden Industrieterreinen 50 Lden 40 Lnight 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste en het tweede lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op het laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-522\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.22</span><span class=\"lf-art-t\">Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 5.21, eerste, derde en vierde lid, het geluid door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 5.3.4. Hierbij moet voldaan worden aan de grenswaarden voor de binnenniveaus voor de avond als bedoeld in artikel 5.21, tweede lid, tabel 5.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 5.3.4 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden.</p>\n<p class=\"lf-p\">07.00 – 21.00 uur 21.00 - 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 40 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 60 dB(A) 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 21.00 uur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-523\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.23</span><span class=\"lf-art-t\">Geluid: buiten beschouwing laten van geluidbronnen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in artikel 5.21 en artikel 5.22, blijft buiten beschouwing: a. het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval; b. het geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden; c. het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire terreinen; d. het ten gehore brengen van muziek wegens het oefenen door militaire muziekkorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uur per week op militaire terreinen; e. het ten gehore brengen van onversterkte muziek, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het bepalen van het maximale geluidniveau (LAmax), bedoeld in artikel 5.21 en artikel 5.22, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van: a. het komen en gaan van bezoekers bij een activiteit waarvan horeca-, sport- of recreatieactiviteiten de kern vormen; of b. het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan; c. onversterkt stemgeluid, tenzij het muziekgeluid is of daarmee is vermengd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De maximale geluidniveaus (LAmax), bedoeld in artikel 5.21 artikel 5.22, zijn tussen 23.00 en 7.00 uur niet van toepassing op aandrijfgeluid van motorvoertuigen bij het laden en lossen als: a. voor die activiteit het in die periode geldende maximale geluidniveau (LAmax) niet te bereiken is door het treffen van maatregelen; en b. het niveau van het aandrijfgeluid op een afstand van 7,5 m van het motorvoertuig niet hoger is dan 65dB(A).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-524\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.24</span><span class=\"lf-art-t\">Geluid: festiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De waarden, bedoeld in artikel 5.21 en artikel 5.23, zijn voor zover de naleving van deze normen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met de viering van: a. festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; en b. andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een festiviteit die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op één dag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-525\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.25</span><span class=\"lf-art-t\">Geluid: meet- en rekenbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) of het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in deze paragraaf, zijn de artikelen 6.6 en 6.7 van de Omgevingsregeling van toepassing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.4</h3>\n<p class=\"lf-p\">Trillingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-526\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.26</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling is van toepassing op: a. een locatie van een activiteit, anders dan het woonactiviteit, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; of b. een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit, anders dan het woonactiviteit, die op een locatie is toegelaten op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid is deze afdeling niet van toepassing op: a. een trillinggevoelige ruimte in een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk is gelegen op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; b. een trillinggevoelig gebouw dat op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar, met uitzondering van artikel 5.27; c. activiteiten die in de hoofdzaak in de openbare ruimte worden verricht en evenementen die niet plaatsvinden op een locatie voor evenementen, met uitzondering van artikel 5.27 tot en met artikel 5.30; en d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-527\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.27</span><span class=\"lf-art-t\">Trillingen: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 5.1 wordt voor de toepassing van deze afdeling als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: a. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of b. elkaar functioneel ondersteunen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-528\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.28</span><span class=\"lf-art-t\">Trillingen: functionele binding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De waarden voor trillingen zijn niet van toepassing op trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-529\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.29</span><span class=\"lf-art-t\">Trillingen: waarden voor trillingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen of het beperken van trillinghinder zijn de continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarde A1 trillingssterkte Vmax, bedoeld in tabel 5.4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als niet voldaan wordt aan de waarde, bedoeld in het eerste lid, is de waarde van continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarden onder A2 trillingssterkte Vmax en A3 trillingssterkte Vper, bedoeld in tabel 5.4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 5.4.1 Waarde voor continue trillingen in trillinggevoelige ruimten Soort waarden 07.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur A1 onderste norm voor trillingssterkte Vmax 0,1 0,1 A2 bovenste norm voor trillingssterkte Vmax 0,4 0,2 A3 norm voor trillingssterkte Vper 0,05 0,05 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van tweede lid moet met het oog op het voorkomen of het beperken van trillinghinder zijn de herhaald voorkomende trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarde A1 trillingssterkte Vmax, bedoeld in tabel 5.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 5.4.2 Soort waarden 07.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur A1 onderste norm voor trillingssterkte Vmax 0,2 0,2 A2 bovenste norm voor trillingssterkte Vmax 0,8 0,4 A3 norm voor trillingssterkte Vper 0,1 0,1 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De waarden zoals bedoeld in tabel 5.4.1 en 5.4.2 gelden niet voor trillingen in trillinggevoelige ruimten van ‘trillinggevoelig gebouwen met een functionele binding of voormalige functionele binding’ met die activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op een locatie waar dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit het bouwen van een trillinggevoelig gebouw toelaat, zijn de normen pas van toepassing als het gebouw is gerealiseerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-530\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.30</span><span class=\"lf-art-t\">Trillingen: meet- en rekenbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op het bepalen van de trillingen, bedoeld in deze afdeling, is artikel 6.11 van de Omgevingsregeling van toepassing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.5</h3>\n<p class=\"lf-p\">Geur</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.5.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-531\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.31</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op de geur door een activiteit als bedoeld in artikel 5.1 op een geurgevoelig gebouw.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-532\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.32</span><span class=\"lf-art-t\">Voorkomen of beperken van geurhinder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien bij een activiteit emissies naar de lucht plaatsvinden, wordt daarbij geurhinder bij geurgevoelige gebouwen voorkomen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is wordt de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau beperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegd gezag kan, indien het redelijk vermoeden bestaat dat er sprake is van geurhinder, verzoekendat een rapport van een geuronderzoek wordt overgelegd. Een geuronderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig de NTA 9065. Het rapport bevat ook een onderzoek naar de beschikbaarheid van technische voorzieningen en gedragsregels om geurhinder te beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het bepalen van een aanvaardbaar niveau van geurhinder kan onder meer rekening worden gehouden met de volgende aspecten: a. de bestaande toetsingskaders, waaronder lokaal geurbeleid; b. de geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige gebouwen; c. de aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt bij de betreffende activiteit; d. de historie van de betreffende activiteit en het klachtenpatroon met betrekking geurhinder; e. de bestaande en verwachte geurhinder van de betreffende activiteit, en f. de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegdheid om maatwerkvoorschrift te stellen houdt in ieder geval in dat het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift: a. geuremissiewaarden kan vaststellen; b. kan bepalen dat bepaalde geurbelastingen ter plaatse van geurgevoelige gebouwen niet worden overschreden, of c. kan bepalen dat technische voorzieningen worden aangebracht of gedragsregels in acht worden genomen om de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.6</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bodembeheer</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.6.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Nazorg na saneren van de bodem</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-533\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.33</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van nazorg als saneren van de bodem heeft plaatsgevonden op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, dit omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-534\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.34</span><span class=\"lf-art-t\">Nazorg na afloop van saneren van de bodem</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie treft de noodzakelijke maatregelen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van een afdeklaag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor tijdelijke beschermingsmaatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen maar blootstelling aan de verontreiniging voorkomen in verband met een toevalsvondst als bedoeld in artikel 19.9a van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een afdeklaag zoals genoemd in het eerste lid, dient met een minimale dikte van 1 m aangebracht te worden en als zodanig in stand te worden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien bij een activiteit een toevalsvondst, als bedoeld in artikel 19.9a Omgevingswet, wordt gedaan moet de eigenaar in opdracht van het bevoegd gezag maatregelen nemen. Afhankelijk van de aard van de vondst kunnen de volgende maatregelen gelden: a. ventilatie bij uitdamping; of b. het plaatsen van een hek om het braakliggend terrein.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.6.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Kleinschalig graven boven de interventiewaarde bodemkwaliteit</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-535\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.35</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het graven in de bodem waarbij het bodemvolume waarin wordt gegraven kleiner dan of gelijk is aan 25 m3 en sprake is van: a. locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is verleend als bedoeld in artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is; of b. locaties of gebieden waar de bodem diffuus is verontreinigd tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit zoals dat blijkt uit:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder b, van de Omgevingswet; of 2. een bodemkwaliteitskaart vastgesteld op grond van artikel 25c, derde lid van het Besluit bodemkwaliteit.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>locaties of gebieden waarvoor na de invoering van de Omgevingswet middels bodemonderzoek is vastgesteld dat er sprake is van een verontreiniging boven de interventiewaarde.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Graven in de bodem als bedoeld in het eerste lid omvat ook: a. het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie; b. het tijdelijk opslaan van grond; en c. het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de waterbodem.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-536\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.36</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 5.35, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; b. de verwachte datum van het begin van de activiteit; c. de verwachte duur ervan; en d. de beschikbare bodemkwaliteitsgegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing: a. als het alleen gaat om het tijdelijk uitnemen van grond zonder tijdelijke opslag; en b. op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-537\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.37</span><span class=\"lf-art-t\">Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt grond die bij het graven is vrijgekomen niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-538\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.38</span><span class=\"lf-art-t\">Bodem en afval: milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt de activiteit milieukundig begeleid volgens BRL SIKB 6000 als het graven plaatsvindt op een locatie waar grond boven de interventiewaarde wordt ontgraven inclusief een locatie waar een afdeklaag is aangebracht als saneringsaanpak en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.6.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten op een locatie met een historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-539\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.39</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op een activiteit op een locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-540\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.40</span><span class=\"lf-art-t\">Bodem: mitigerende maatregelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 5.39, verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.7</h3>\n<p class=\"lf-p\">Afvalwaterbeheer</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.7.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Lozen van grondwater bij sanering of ontwatering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-541\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.41</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van: a. een bodemsanering of grondwatersanering; b. een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering; en c. ontwatering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-542\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.42</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 5.41, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit; c. de beschikbare (bodem)kwaliteitsgegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering, als: a. het lozen niet langer dan 48 uur duurt; of b. het lozen plaatsvindt bij woonactiviteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste en tweede lid worden de gegevens en bescheiden ten minste vijf werkdagen voor het begin van het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering verstrekt, als het lozen langer duurt dan 48 uur maar niet langer dan 8 weken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-543\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.43</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen van grondwater bij saneringen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het lozen van dat grondwater op of in de bodem zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in bijlage XIX bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, gemeten in een steekmonster.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het lozen van dat grondwater in een schoonwaterriool zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 5.7.1, gemeten in een steekmonster.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat grondwater wordt niet geloosd in een vuilwaterriool.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 5.7.1 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarden in µg/l of mg/l Naftaleen 0,2 µg/l PAK’s 1 µg/l BTEX 50 µg/l Vluchtige organohalogeen-verbindingen uitgedrukt als chloor 20 µg/l Aromatische organohalogeen-verbindingen 20 µg/l Minerale olie 500 µg/ Cadmium 4 µg/l Kwik 1 µg/l Koper 11 µg/l Nikkel 41 µg/l Lood 53 µg/l Zink 120 µg/ Chroom 24 µg/l Onopgeloste stoffen 50 mg/l</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-544\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.44</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen van grondwater bij ontwatering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater bij ontwatering, dat niet afkomstig is van een bodemsanering, een grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een bodemsanering of grondwatersanering en dat geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is, worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het lozen van dat grondwater in een schoonwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 50 mg/l en voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het lozen van dat grondwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het lozen van dat grondwater in een vuilwaterriool duurt niet langer dan 8 weken en de geloosde hoeveelheid is ten hoogste 5 m3/u.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering bij woonactiviteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-545\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.45</span><span class=\"lf-art-t\">Meet- en rekenbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680; b. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993; c. voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden; d. voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2; e. voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; f. voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; g. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872; h. voor chloride: NEN-EN-ISO 15682; i. voor cyaniden totaal: NEN-EN-ISO 14403-1 en NEN-EN-ISO 14403-2; j. voor ammonium, nitraat, totaal-fosfaat en sulfaat: NEN-ISO 15923-1; k. voor fluoride: NEN 6589 of NEN 6578; l. voor endosulfan, α-HCH, y-HCH (lindaan), DDT (incl. DDD en DDE), aldrin, dieldrin, endrin, hexachloorbutadieen en hexachloorbenzeen: NEN-EN 16693; m. voor dichloorpropeen: NEN-EN-ISO 15680; n. voor mecoprop: NEN-EN-ISO 15913; o. voor trichloorfenolen, tetrachloorfenol, dichloorfenolen en pentachloorfenol: NEN-EN 12673; p. voor anthraceen, fenanthreen, chryseen, fluorantheen, benzo(a)anthraceen, benzo(k)fluorantheen, benzo(a)pyreen, benzo(ghi)peryleen en indeno(l23cd)pyreen: NEN-EN-ISO 17993; q. voor trihalomethanen (THM): ISO 11423-1; r. voor adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (AOX): NEN-EN-ISO 9562; s. voor de zuurgraad (pH): NEN-EN-ISO 10523; en t. voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.7.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-546\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.46</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat: a. niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening; b. geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en c. geen afvalwater van een kas, als bedoeld in paragraaf 4.78 van het Besluit activiteiten leefomgeving, is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-547\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.47</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste zes maanden voor de voorgenomen aanleg van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing van afvloeiend hemelwater; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit. c. de beschikbare kwaliteitsgegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste zes maanden voor het veranderen van het lozen door een reconstructie of ingrijpende wijziging van die wegen of daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-548\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.48</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen van afvloeiend hemelwater</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvloeiend hemelwater worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool met uitzondering van asbest(verdachte) afdekmaterialen (als dakbedekking).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afvloeiend hemelwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen op of in de bodem, in een schoonwaterriool of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid is niet van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat: a. afkomstig is van woonactiviteit; of b. al plaatsvond voordat het Activiteitenbesluit milieubeheer of het Besluit lozen buiten inrichtingen op de lozing van toepassing werd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen in een schoonwaterriool geloosd als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het lozen vanuit een pompkelder van een tunnel of een verdiept weggedeelte is, als dat redelijkerwijs mogelijk is, een voorziening aanwezig om, in afwijking van het vierde lid, het meest vervuilde hemelwater in een vuilwaterriool te lozen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.7.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Lozen van huishoudelijk afvalwater</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-549\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.49</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-550\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.50</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 5.52, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd; b. de wijze van behandeling van het afvalwater; en c. de verwachte datum van het begin van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-551\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.51</span><span class=\"lf-art-t\">Geen voedselvermaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Huishoudelijk afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen in een huishouden en daarmee samenhangende activiteiten, dat afvalstoffen bevat die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-552\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.52</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen van huishoudelijk afvalwater</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt huishoudelijk afvalwater alleen op of in de bodem geloosd als het lozen plaatsvindt buiten een bebouwde kom of binnen een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2.000 inwonerequivalenten, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">40 m bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten; b.</p>\n<p class=\"lf-p\">100 m bij meer dan 10 maar minder dan 25 inwonerequivalenten; c.</p>\n<p class=\"lf-p\">600 m bij 25 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 50 inwonerequivalenten; d.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.500 m bij 50 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 100 inwonerequivalenten; en e.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.000 m bij 100 of meer inwonerequivalenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt; en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem dat voor 1 juli 1990 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het tweede lid kan huishoudelijk afvalwater in de bodem worden geloosd vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-553\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.53</span><span class=\"lf-art-t\">Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op of in de bodem, geleid via een zuiveringsvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 5.7.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 5.7.2 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarden in mg/l Representatief etmaalmonster Steekmonster Biochemisch zuurstofverbruik 30 mg/l 60 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 150 mg/l 300 mg/l Onopgeloste stoffen 30 mg/l 60 mg/l 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat kan het, in afwijking van het tweede lid, voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een septictank: a. met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of b. die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-554\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.54</span><span class=\"lf-art-t\">Meet- en rekenbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2; en b. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.7.4</h3>\n<p class=\"lf-p\">Lozen van koelwater</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-555\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.55</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van koelwater dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-556\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.56</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 5.55, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de maximale warmtevracht; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-557\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.57</span><span class=\"lf-art-t\">Koelwater</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan koelwater worden geloosd in schoonwaterriool.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Koelwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen in een schoonwaterriool of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het te lozen koelwater worden geen chemicaliën toegevoegd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.7.5</h3>\n<p class=\"lf-p\">Lozen bij onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-558\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.58</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-559\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.59</span><span class=\"lf-art-t\">Periodiek reinigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken niet in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater of op of in de bodem geloosd, tenzij het gaat om afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.7.6</h3>\n<p class=\"lf-p\">Lozen bij opslaan en overslaan van goederen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-560\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.60</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het opslaan en overslaan van goederen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-561\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.61</span><span class=\"lf-art-t\">Inerte goederen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van deze paragraafworden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn: a. bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c.</p>\n<p class=\"lf-p\">A-hout en ongeshredderd B-hout; d. snoeihout; e. banden van voertuigen; f. autowrakken bij een autodemontagebedrijf waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt en wrakken van tweewielige motorvoertuigen bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt; g. straatmeubilair; h. tuinmeubilair; i. aluminium, ijzer en roestvrij staal; j. kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen; k. kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels; l. papier en karton; m. textiel en tapijt; en n. vlakglas.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-562\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.62</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 5.60, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de opgeslagen goederen; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van woonactiviteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-563\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.63</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen bij opslaan van inerte goederen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen, worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat afvalwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd, als het lozen op of in de bodem, op een oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het lozen van dat afvalwater in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de opgeslagen inerte goederen worden bevochtigd, wordt afvalwater dat met opgeslagen goederen in contact is geweest, zoveel mogelijk voor dit bevochtigen gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van woonactiviteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-564\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.64</span><span class=\"lf-art-t\">Meet- en rekenbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-565\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.65</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uitzondering voorgeschreven lozingsroute bij opslaan van lekkende, uitlogende en vermestende goederen Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van artikel 4.1058, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in dat artikel, geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.7.7</h3>\n<p class=\"lf-p\">Lozen vanuit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-566\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.66</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig uit: a. een openbaar ontwateringsstelsel of een openbaar hemelwaterstelsel; en b. een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-567\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.67</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelsel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan het afvalwater afkomstig uit een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar ontwateringsstelsel worden geloosd op of in de bodem, als dat stelsel voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen en maatregelen als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1° en 2°, van de Omgevingswet, en dat stelsel volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-568\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.68</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan huishoudelijk afvalwater afkomstig uit een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet, worden geloosd op of in de bodem, als dat systeem voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die systemen en volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.7.8</h3>\n<p class=\"lf-p\">Lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-569\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.69</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het schoonmaken en in gebruik nemen van middelen voor het opslaan, transporteren en distribueren van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-570\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.70</span><span class=\"lf-art-t\">Schoonmaken drinkwaterleidingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater, worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat afvalwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen op of in de bodem, op een oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het lozen op of in de bodem ontstaat geen wateroverlast.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het water dat wordt gebruikt voor het schoonmaken en dat wordt geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool worden geen chemicaliën toegevoegd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.7.9</h3>\n<p class=\"lf-p\">Lozen bij calamiteitenoefeningen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-571\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.71</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid geldt niet voor het lozen van afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken, bedoeld in artikel 3.259 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-572\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.72</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 5.71, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de activiteit; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-573\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.73</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen bij calamiteitenoefeningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.7.10</h3>\n<p class=\"lf-p\">Lozen bij maken van betonmortel</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-574\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.74</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-575\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.75</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 5.74 worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de lozingsroute; b. de aard en omvang van de lozing; en c. de verwachte datum van het begin van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-576\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.76</span><span class=\"lf-art-t\">Water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 4.140, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan te lozen afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, ook worden geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het lozen van dat afvalwater in een schoonwaterriool zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 5.7.3, gemeten in een steekmonster.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 5.7.3 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarden in mg/l Onopgeloste stoffen 100 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 200 mg/l 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-577\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.77</span><span class=\"lf-art-t\">Meet- en rekenbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; en b. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.8</h3>\n<p class=\"lf-p\">Uitwassen van beton</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-578\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.78</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling is van toepassing op het uitwassen van beton, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-579\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.79</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 5.78 worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-580\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.80</span><span class=\"lf-art-t\">Water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 4.158, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan te lozen afvalwater afkomstig van het uitwassen van beton ook worden geloosd in een vuilwaterriool.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het lozen van dat afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-581\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.81</span><span class=\"lf-art-t\">Meet- en rekenbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.9</h3>\n<p class=\"lf-p\">Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-582\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.82</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dezeafdeling is van toepassing op het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling is niet van toepassing op: a. digitaal afdrukken; en b. ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal bij woonactiviteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-583\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.83</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 5.82 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de grenzen van het terrein;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de ligging en de indeling van de gebouwen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>het gebruik van de te onderscheiden ruimten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>de ligging van de bedrijfsriolering; en 5. de plaats van de lozingspunten; c. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en d. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-584\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.84</span><span class=\"lf-art-t\">Water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er worden in goede staat verkerende afkwetsrollen gebruikt en er wordt een doelmatige zilverterugwininstallatie toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het tweede lid hoeft geen zilverterugwininstallatie te worden toegepast als per jaar minder dan 700 liter aan gebruiksklare fixeer wordt gebruikt en er gedragsvoorschriften zijn opgesteld en worden nageleefd gericht op het beperken van de emissie van zilver.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het afvalwater is de emissiegrenswaarde voor zilver 4 milligram per liter, gemeten in een steekmonster.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-585\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.85</span><span class=\"lf-art-t\">Meet- en rekenbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het analyseren van zilver is NEN 6966, NEN-EN-ISO 17294-2, NEN-EN-ISO 11885 of NEN 6965 van toepassing, waarbij onopgeloste stoffen worden meegenomen in de analyse en elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.10</h3>\n<p class=\"lf-p\">Wassen van motorvoertuigen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-586\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.86</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling is van toepassing op het uitwendig wassen van motorvoertuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling is niet van toepassing: a. als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat; en b. op wassen van motorvoertuigen bij woonactiviteit tenzij hier sprake is van een apart regenwaterriool.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-587\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.87</span><span class=\"lf-art-t\">Bodem</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met oliën, vetten en koelvloeistof wordt gewassen boven een vloeistofdichte bodemvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motorvoertuigen kunnen ook worden gewassen op een mobiele wasinstallatie die zodanig is uitgevoerd dat vloeistoffen niet in de bodem kunnen geraken, als die mobiele wasinstallatie niet langer dan zes maanden aaneengesloten op eenzelfde locatie is geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing, als per week ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-588\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.88</span><span class=\"lf-art-t\">Water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het wassen van motorvoertuigen worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het lozen op of in de bodem is toegestaan, als per week ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat afvalwater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider: a. volgens NEN-EN 858-1 of NEN-EN 858-1/A1 en NEN-EN 858-2; of b. die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-589\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.89</span><span class=\"lf-art-t\">Meet- en rekenbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.11</h3>\n<p class=\"lf-p\">Voedselbereiding</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.11.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Niet-industriële voedselbereiding</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-590\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.90</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen met: a. keukenapparatuur; b. grootkeukenapparatuur; c. een of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; of d. een of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kW.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is niet van toepassing als een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat, met uitzondering van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-591\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.91</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 5.90 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de grenzen van het terrein;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de ligging en de indeling van de gebouwen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>het gebruik van de te onderscheiden ruimten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>de ligging van de bedrijfsriolering; en 5. de plaats van de lozingspunten; c. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en d. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die woonactiviteit of werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-592\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.92</span><span class=\"lf-art-t\">Water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als niet in een vuilwaterriool kan worden geloosd, kan het afvalwater op de bodem worden geloosd, als het afvalwater gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater wordt geloosd en de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afvalwater dat afvalstoffen bevat, die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door: a. een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2; of b. een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-593\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.93</span><span class=\"lf-art-t\">Geur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder worden afgezogen dampen en gassen die naar de buitenlucht worden geëmitteerd: a. ten minste 2 m boven de hoogste daklijn van de binnen 25 m van de uitmonding gelegen bebouwing afgevoerd; of b. geleid door een ontgeuringsinstallatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dampen die vrijkomen bij het bereiden van voedingsmiddelen met grootkeukenapparatuur door frituren, bakken in olie of vet of grillen, anders dan met houtskool, worden afgezogen en geleid door een vetvangend filter.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing: a. op het bereiden van voedingsmiddelen met keukenapparatuur; en b. als het mogelijke effect van de geuremissie van de uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een gezoneerd industrieterrein, op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein met minder dan één geurgevoelig gebouw per hectare.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het eerste lid niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit: a. een vergunning is verleend die voor die datum onherroepelijk is; of b. voorschriften golden op grond van een van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.11.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Voedingsmiddelenindustrie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-594\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.94</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.129, eerste lid, 3.130 of 3.131 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-595\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.95</span><span class=\"lf-art-t\">Geur: beginnen of uitbreiden activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beginnen of uitbreiden in capaciteit van een activiteit als bedoeld in artikel 5.94 is alleen toegestaan als nieuwe geurhinder op een geurgevoelig gebouw wordt voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is ook van toepassing op het wijzigen van de activiteit, als die wijziging leidt tot een grotere of andere geurbelasting ter plaatse van een geurgevoelig gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegd gezag kan in afwijking van het eerste lid bij maatwerkvoorschrift een bepaalde mate van nieuwe geurhinder ter plaatse van geurgevoelige objecten toestaan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. Bij het stellen van het maatwerkvoorschrift is artikel 5.32 van overeenkomstige toepassing. In maatwerkschrift kunnen voorschriften worden opgenomen om een aanvaardbaar geurklimaat te borgen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.11.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of, uitsnijden van vlees, vis of organen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-596\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.96</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op: a. het slachten van ten hoogste 10.000 kilogram levend gewicht aan dieren per week en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten; b. het uitsnijden van vlees van karkassen of karkasdelen; c. het uitsnijden van vis; of d. het uitsnijden en pekelen van organen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is niet van toepassing als een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-597\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.97</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 5.96 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de grenzen van het terrein;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de ligging en de indeling van de gebouwen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>het gebruik van de te onderscheiden ruimten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>de ligging van de bedrijfsriolering;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>de plaats van de lozingspunten; en 6. de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt, geproduceerd of uitgestoten; c. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en d. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-598\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.98</span><span class=\"lf-art-t\">Water: lozingsroute en zuivering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater vindt het slachten van dieren en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten inpandig plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te lozen afvalwater kan worden geloosd in een vuilwaterriool, als dat afvalwater afkomstig is van: a. het bewerken van dierlijke bijproducten; of b. het reinigen en desinfecteren van ruimtes waar een activiteit als bedoeld in artikel 5.96 is uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het afvalwater wordt niet geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door: a. een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2; b. een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd; of c. een flocculatieafscheider die is geplaatst voor 1 januari 2013 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan in die normen vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het afvalwater wordt niet door een biologische zuivering geleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van woonactiviteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-599\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.99</span><span class=\"lf-art-t\">Geur: voorkomen of beperken geurhinder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder: a. wordt bij het slachten van dieren ten minste de vaste dierlijke mest die vrijkomt bij het slachten in afgesloten, lekvrije tonnen of bakken opgeslagen; en b. worden dampen en gassen van het broeien of koken van dierlijke bijproducten afgezogen, als deze op de buitenlucht worden geëmitteerd:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>ten minste 2 m boven de hoogste daklijn van de binnen 25 m van de uitmonding gelegen gebouwen afgevoerd; of 2. geleid door een doelmatige ontgeuringsinstallatie.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het eerste lid, onder b, niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit: a. een vergunning is verleend die voor die datum onherroepelijk is; of b. voorschriften golden op grond van een van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5100\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.100</span><span class=\"lf-art-t\">Bodem: bodembeschermende voorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het pekelen van dierlijke bijproducten en organen plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5101\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.101</span><span class=\"lf-art-t\">Bodem: eindonderzoek bodem</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen wordt een eindonderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bodemonderzoek gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt, geproduceerd of uitgestoten op het gedeelte van de locatie waar het pekelen van dierlijke bijproducten of organen is verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5102\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.102</span><span class=\"lf-art-t\">Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het rapport van het eindonderzoek bodem bevat: a. de naam en het adres van degene die het onderzoek heeft verricht; b. de wijze waarop het onderzoek is verricht; c. de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigde stoffen en de herkomst daarvan; d. informatie over het huidige en eerdere gebruik van het terrein; e. bestaande informatie over bodemmetingen en grondwatermetingen die de toestand van de bodem en het grondwater weergeven op het tijdstip van opstelling van het rapport, of anders nieuwe bodemmetingen en grondwatermetingen voor het constateren van eventuele verontreiniging van de bodem door de bodemverontreinigende stoffen die bij de activiteit zijn gebruikt, zijn geproduceerd of zijn vrijgekomen; en f. als de kwaliteit van de bodem wordt hersteld: de wijze waarop en de mate waarin dit gebeurt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5103\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.103</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ten hoogste zes maanden na het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen wordt een rapport van het eindonderzoek bodem verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5104\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.104</span><span class=\"lf-art-t\">Bodem: herstel van de bodemkwaliteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het eindonderzoek bodem de bodemkwaliteit hersteld tot: a. de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740 dat is opgesteld voor het begin van de het pekelen van dierlijke bijproducten of organen; b. de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 47, onder a, of 57, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of c. de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5105\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.105</span><span class=\"lf-art-t\">Informeren: herstelwerkzaamheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college van burgemeester en wethouders wordt ten minste vijf dagen voor het begin van de herstelwerkzaamheden geïnformeerd over de begindatum.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college van burgemeester en wethouders wordt ten hoogste vijf dagen na beëindiging van de herstelwerkzaamheden geïnformeerd over de einddatum.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5106\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.106</span><span class=\"lf-art-t\">Water: opruimen gemorste en gelekte stoffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater worden bij het pekelen van dierlijke bijproducten en organen de gemorste of gelekte stoffen zoveel mogelijk zonder verder toevoegen van water opgeruimd en afgevoerd als afvalstof en wordt zoveel mogelijk voorkomen dat deze stoffen in het afvalwater terecht kunnen komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van woonactiviteit.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.12</h3>\n<p class=\"lf-p\">In werking hebben van een acculader</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5107\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.107</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling is van toepassing op het met een acculader laden van een natte accu die vloeibare bodembedreigende stoffen bevat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5108\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.108</span><span class=\"lf-art-t\">Bodem: bodembeschermende voorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het laden van een accu plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.13</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5109\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.109</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling is van toepassing op het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage met meer dan 20 parkeerplaatsen die voorzien is van mechanische ventilatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5110\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.110</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het begin van het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage met meer dan 30 parkeerplaatsen worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de grenzen van het terrein;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de ligging en de indeling van de gebouwen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>het gebruik van de te onderscheiden ruimten; en 4. de ligging van de bedrijfsriolering; c. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en d. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.111</span><span class=\"lf-art-t\">Lucht en geur: afvoeren emissies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het beschermen van de kwaliteit van de lucht en het voorkomen of beperken van geurhinder: a. worden de aanzuigopeningen voor de ventilatie van de parkeergarage in een verkeersluwe omgeving, of, als dat niet mogelijk is, op ten minste 5 m boven het straatniveau en buiten de beïnvloeding van de uitblaasopeningen aangebracht; b. wordt de uit de parkeergarage afgezogen lucht verticaal uitgeblazen op ten minste 5 m boven het straatniveau of, als binnen 25 m van de uitblaasopening een gebouw is gelegen met een hoogste daklijn die meer dan vijf meter boven het straatniveau is gelegen, ten minste één meter boven de hoogste daklijn van dat gebouw; en c. bedraagt de snelheid van de uitgeblazen lucht, gemeten bij de rand van de uitblaasopening, ten minste tien meter per seconde.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het eerste lid niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit: a. een vergunning is verleend die voor die datum onherroepelijk is; of b. voorschriften golden op grond van een van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.14</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5112\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.112</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling is van toepassing op het bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht waarbij terreinverlichting wordt toegepast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5113\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.113</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 5.112 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de grenzen van het terrein;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de ligging en de indeling van de gebouwen; c. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en d. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5114\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.114</span><span class=\"lf-art-t\">Licht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het beperken van lichthinder is de verlichting die hoort bij een gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht uitgeschakeld: a. tussen 23.00 uur en 07.00 uur; en b. als er geen sport wordt beoefend en geen onderhoud plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met: a. de viering van festiviteiten die bij of krachtens een gemeentelijke verordening zijn aangewezen in de gebieden in de gemeente waarvoor de verordening geldt; b. de viering van andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens een gemeentelijke verordening aan te wijzen dagen of dagdelen niet meer mag bedragen dan twaalf per kalenderjaar; of c. door het college van burgemeester en wethouders aangewezen activiteiten, anders dan festiviteiten als bedoeld onder b, waarbij het aantal aan te wijzen dagen of dagdelen gebaseerd op dit artikel samen niet meer bedraagt dan twaalf dagen per kalenderjaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een festiviteit of activiteit als bedoeld in het tweede lid die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt hierbij beschouwd als plaatshebbende op één dag.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.15</h3>\n<p class=\"lf-p\">Dieren</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.15.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Opslaan van vaste mest</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5115\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.115</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van vaste mest met een totaal volume van ten minste 3 m3 en ten hoogste 600 m3.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is niet van toepassing: a. op het opslaan van vaste mest, korter dan twee weken op één plek; en b. als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.90, 3.200, 3.208, 3.211, 3.215 of 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5116\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.116</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 5.115 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de grenzen van het terrein;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de ligging en de indeling van de gebouwen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>het gebruik van de te onderscheiden ruimten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>de ligging van de bedrijfsriolering;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en 7. op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen; c. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en d. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5117\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.117</span><span class=\"lf-art-t\">Bodem: opslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt vaste mest, met uitzondering van gedroogde pluimveemest, opgeslagen: a. op een aaneengesloten bodemvoorziening, waarbij de vloeistoffen die vrijkomen worden opgevangen; of b. op een voldoende dikke absorberende laag als de opslag niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedroogde pluimveemest wordt opgeslagen: a. in een gebouw met een aaneengesloten bodemvoorziening waar de pluimveemest wordt beschermd tegen weersinvloeden en waar voldoende ventilatie is om condensvorming te voorkomen; b. in een afgedekte container als de pluimveemest ten minste elke twee weken wordt afgevoerd; of c. op een voldoende dikke absorberende laag als de opslag niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5118\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.118</span><span class=\"lf-art-t\">Water: lozingsroute</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kunnen vrijkomende vloeistoffen afkomstig van het opslaan van vaste mest gelijkmatig worden verspreid over onverharde bodem.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vrijkomende vloeistoffen worden niet geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5119\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.119</span><span class=\"lf-art-t\">Geur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder wordt vaste mest opgeslagen: a. in een afgesloten voorziening voor een periode van ten hoogste twee weken; of b. op ten minste 50 m afstand vanaf de begrenzing van de opslag van vaste mest tot een geurgevoelig object;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing op het opslaan van vaste mest afkomstig van landbouwhuisdieren of van paarden en pony’s die worden gehouden voor het berijden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.15.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5120\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.120</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het fokken, houden of trainen van meer dan 25 vogels of meer dan 5 zoogdieren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5121\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.121</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 5.120 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de grenzen van het terrein;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de ligging en de indeling van de gebouwen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>het gebruik van de te onderscheiden ruimten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>de ligging van de bedrijfsriolering; en 5. de plaats van de lozingspunten; c. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; d. per dierenverblijf voor het houden van landbouwhuisdieren:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>gegevens over het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie dat ten hoogste zal worden gehouden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>een beschrijving van het huisvestingssysteem en van de aanvullende techniek; en 3. een beschrijving van het ventilatiesysteem; e. per dierenverblijf waar landbouwhuisdieren met geuremissiefactor worden gehouden:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>een plattegrondtekening op schaal met de ligging van de dierenverblijven, de emissiepunten en een overzicht van ventilatoren met diameter; en 2. een doorsnedetekening per dierenverblijf met de goothoogte, de nokhoogte en de hoogte van het emissiepunt; en f. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5122\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.122</span><span class=\"lf-art-t\">Bodem: bodembeschermende voorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p></div>", "next": 239775}