{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">dat maximum bereikt, ingedeeld op het maximum van dezelfde schaal ingevolge bijlage IIa. De laatste volzin van het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4De ambtenaar, waarop bijlage II van toepassing is, en nog niet is ingedeeld in de voor hem geldende schaal 11a (= functieschaal) wordt bij het bereiken van het maximum van schaal 11a van bijlage IIa een toelage toegekend overeenkomstig het bepaalde in de laatste volzin van het tweede lid.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2 Salaris</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:3</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling salaris</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:4</span><span class=\"lf-art-t\">Salarisverhoging</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:5</span><span class=\"lf-art-t\">Verlaging salarisschaal</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:6</span><span class=\"lf-art-t\">Inpassing in hogere schaal</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:7</span><span class=\"lf-art-t\">Uitloopschaal</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:3</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling salaris</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1Het college stelt het salaris van een ambtenaar vast aan de hand van zijn functieschaal, op grond van zijn ervaring, geschiktheid en bekwaamheid. Het salaris wordt vastgesteld met aanduiding van een periodiek in de functieschaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Als een ambtenaar in een functie wordt geplaatst zonder dat hij al voldoet aan alle daarvoor geldende eisen ten aanzien van opleiding, ervaring en bekwaamheid, kan zijn salaris overeenkomstig de eerst lagere salarisschaal dan de functieschaal worden vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:4</span><span class=\"lf-art-t\">Salarisverhoging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1Aan een ambtenaar wordt een salarisverhoging naar de volgende periodiek toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden: de ambtenaar functioneert voldoende; de ambtenaar heeft het maximum van de functieschaal nog niet bereikt; er zijn twaalf maanden verstreken sinds zijn aanstelling , zijn laatste periodieke salarisverhoging of zijn promotie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Het college kan aan toekenning van een periodieke salarisverhoging aanvullende voorwaarden stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3Het college kan een ambtenaar een extra periodieke salarisverhoging toekennen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, kan het college voor de ambtenaar of voor groepen ambtenaren een vaste verhogingsdatum vaststellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:5</span><span class=\"lf-art-t\">Verlaging salarisschaal</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1Zonder voorafgaand ontslag kan voor de ambtenaar geen salarisschaal gaan gelden met een lager maximumsalaris, tenzij hiervoor in deze regeling, of andere wet- en regelgeving, een grond aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2In afwijking van het eerste lid kan een ambtenaar met zijn instemming worden herplaatst in een functie waaraan een lagere schaal is verbonden met een overeenkomstige aanpassing van het salaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">3In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar, door toepassing van artikel 7:16, tweede lid, herplaatst worden in een functie met een lager maximumsalaris, met een overeenkomstige aanpassing van het salaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">4In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar, door toepassing van hoofdstuk 10d, herplaatst worden in een functie met een lager maximumsalaris en een mogelijk overeenkomstige aanpassing van het salaris, voor zover geregeld in een sociaal plan of sociaal statuut.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:6</span><span class=\"lf-art-t\">Inpassing in hogere schaal</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die door promotie naar een hogere salarisschaal overgaat, heeft vanaf de dag dat de promotie ingaat recht op een hoger salaris.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-6-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:6:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Salaris bij indeling in een hogere</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">schaal Lid 1Wanneer de ambtenaar wordt ingedeeld in een salarisschaal met een hoger maximumsalaris wordt het salaris – onverminderd het bepaalde in artikel 3a:2:7:1 – vastgesteld op het naasthogere bedrag in de nieuwe schaal en wel zodanig, dat het salaris in de nieuwe salarisschaal te allen tijde uitgaat boven het salaris, dat de ambtenaar in de verlaten salarisschaal zou hebben genoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2Indien bijlage IIa van toepassing is, wordt – onverminderd het bepaalde in het eerste lid – in het geval dat het verschil tussen het nieuwe bedrag en het bedrag dat de ambtenaar onmiddellijk daaraan voorafgaand genoot minder bedraagt dan 75% van het verschil tussen enerzijds het bedrag, dat de ambtenaar aan salaris zou hebben ontvangen indien hij niet zou zijn overgegaan naar de nieuwe schaal, maar in de oude schaal een periodieke verhoging zou hebben gekregen en anderzijds het bedrag van zijn oude salaris, wordt het salaris in de nieuwe salarisschaal vastgesteld op het bedrag, dat volgt op het naasthogere bedrag, als bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3Het bepaalde in het tweede lid is eveneens van toepassing in het geval de ambtenaar het maximum van de voor hem geldende schaal heeft bereikt. In die situatie wordt het in het tweede lid bedoelde verschil van 75% genomen tussen het maximum bedrag van de oude schaal en het bedrag van de periodiek onmiddellijk daaraan voorafgaand.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:7</span><span class=\"lf-art-t\">Uitloopschaal</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Doorgroei in een uitloopschaal is mogelijk wanneer dit op 31 december 2015 in een lokale regeling was vastgelegd. De uitloopschaal is één schaal hoger dan de functieschaal. In de lokale regeling worden voorwaarden en regels gesteld die van toepassing zijn op de instroom in- en het doorlopen van de uitloopschaal.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3 Salaristoelagen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:8</span><span class=\"lf-art-t\">Functioneringstoelage</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:9</span><span class=\"lf-art-t\">Arbeidsmarkttoelage</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:10</span><span class=\"lf-art-t\">Waarnemingstoelage</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:11</span><span class=\"lf-art-t\">Toelage onregelmatige dienst</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:12</span><span class=\"lf-art-t\">Buitendagvenstertoelage</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-13\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:13</span><span class=\"lf-art-t\">Toelage beschikbaarheidsdienst</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-14\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:14</span><span class=\"lf-art-t\">Inconveniëntentoelage</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-15\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:15</span><span class=\"lf-art-t\">Garantietoelage</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-16\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:16</span><span class=\"lf-art-t\">Afbouwtoelage</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:8</span><span class=\"lf-art-t\">Functioneringstoelage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1Het college kan aan een ambtenaar die meerdere jaren zeer goed of uitstekend heeft gefunctioneerd en/of bijzondere prestaties heeft geleverd, en die het maximum van zijn functieschaal heeft bereikt, een functioneringstoelage toekennen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2De toelage wordt voor maximaal een jaar toegekend. Bij het voortduren van de gronden waarop de toelage is toegekend, kan deze opnieuw worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3De toelage bedraagt ten hoogste 10% van het salaris.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:9</span><span class=\"lf-art-t\">Arbeidsmarkttoelage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1Het college kan aan een ambtenaar een arbeidsmarkttoelage toekennen om hem in dienst te kunnen nemen of te behouden, als schaarste op de arbeidsmarkt daartoe aanleiding geeft en er in het betreffende vakgebied sprake is van een ernstig tekort aan personeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">2De toelage wordt toegekend voor een periode die van tevoren is vastgesteld, met een maximum van 3 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">3De toelage bedraagt ten hoogste 10% van het salaris.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:10</span><span class=\"lf-art-t\">Waarnemingstoelage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1Indien een ambtenaar wordt aangewezen om een functie waar te nemen met een hogere functieschaal, wordt hem voor de periode van waarneming een waarnemingstoelage toegekend. Deze bepaling geldt niet als de waarneming deel uitmaakt van de eigen functie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Bij volledige waarneming van de functie is het bedrag van de toelage gelijk aan het verschil tussen het salaris dat de ambtenaar geniet en het salaris dat hij zou genieten als hij bij de start van de waarneming in de hogere schaal zou zijn ingedeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3Bij gedeeltelijke waarneming wordt de toelage naar evenredigheid toegekend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:11</span><span class=\"lf-art-t\">Toelage onregelmatige dienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar die valt onder de bijzondere regeling voor de werktijden (artikel 4:3) heeft recht op een toelage die wordt uitgedrukt in een percentage van het uurloon gedurende de volgende tijdvakken van de week: maandag tot en met vrijdag tussen 06.00 en 08.00 uur en tussen 18.00 uur en 22.00 uur: 20% maandag tot en met vrijdag tussen 0.00 en 06.00 uur en tussen 22.00 en 24.00 uur: 40% zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur: 40% zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5 derde lid tussen 0.00 en 24.00 uur: 65% Het uurloon is voor de toepassing van dit artikel maximaal gelijk aan het uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van salarisschaal 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">2De ambtenaar heeft geen recht op een toelage, als hij in een week slechts op één aaneengesloten periode van ten hoogste 3 uur in een van de in lid 1 genoemde tijdvakken heeft gewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3Over de uren waarover een toelage onregelmatige dienst wordt uitbetaald, kan niet tegelijkertijd een overwerkvergoeding (artikel 3:18) worden uitbetaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:12</span><span class=\"lf-art-t\">Buitendagvenstertoelage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden en die door het college is aangewezen om te werken buiten het dagvenster (artikel 4:2, tweede lid), heeft recht op een buitendagvenstertoelage.</p>\n<p class=\"lf-p\">2De buitendagvenstertoelage bedraagt:</p>\n<p class=\"lf-p\">50% van het uurloon van de ambtenaar over de gewerkte uren buiten het dagvenster tussen maandag 00:00 uur en vrijdag 24:00 uur;</p>\n<p class=\"lf-p\">75% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt op zaterdag;</p>\n<p class=\"lf-p\">100% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt op zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5, derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11 of hoger heeft geen recht op een buitendagvenstertoelage.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:13</span><span class=\"lf-art-t\">Toelage beschikbaarheidsdienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1De ambtenaar die buiten de voor hem geldende werktijden beschikbaarheidsdienst heeft, ontvangt een toelage beschikbaarheidsdienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">2De toelage bedraagt 5% van het uurloon voor de uren op maandag tot en met vrijdag en 10% van het uurloon voor de uren op zaterdag, zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5 derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3Het uurloon is voor de toepassing van dit artikel maximaal gelijk aan het uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van salarisschaal 7.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-13-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:13:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Wachtdienst gladheidsbestrijding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Regeling wachtdienst gladheidsbestrijdingArtikel 1 BegripsbepalingenIn dit artikel wordt verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Medewerker gladheidsbestrijding:De in dienst van de gemeente Venlo zijnde ambtenaar die deelneemt aan de wachtdienst gladheidsbestrijding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Strooileider:De als toezichthouder dienst doende medewerker gladheidsbestrijding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wachtdienst:Het buiten normale werktijd bereikbaar en beschikbaar zijn van medewerkers gladheidsbestrijding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dienstdag:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij normale werkdagen:een periode aansluitend aan het eind van de werktijd en eindigend op de volgende werkdag bij aanvang van de werktijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de voorafgaande dag geen werkdag is gaat de dienst in om 0.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de volgende dag geen werkdag is eindigt de dienst om 24.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Buiten normale werkdagen (zater-, zon-, A.D.V.- en feest-dagen):een periode van 24 uur welke aanvangt om 0.00 uur en eindigt om 24.00 uur, een en ander in overleg met de dienstdoende strooileider.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing medewerkersAlle voor de wachtdienst gladheidsbestrijding in aanmerking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">komende medewerkers worden aangewezen door het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aangewezen medewerkers zijn verplicht deel te nemen aan de wachtdienst gladheidsbestrijding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bezwaren tegen deelneming aan de wachtdienst gladheidsbestrijding dienen schriftelijk en met reden omkleed bij het college te worden ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan, indien hiervoor gegronde redenen aanwezig zijn, de medewerker ontheffen van deelname aan de wachtdienst gladheidsbestrijding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">DienstroosterDe wachtdienst wordt gedurende de winterperiode bij</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">toerbeurt verricht volgens een door het college opgesteld rooster.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het op te stellen rooster loopt van 1 december tot half maart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien nodig kan het college, buiten de in lid 2 genoemde periode, personen conform deze regeling consigneren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten behoeve van het toezicht zal per periode 1 strooileider worden aangewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het volgens lid 1 op te stellen rooster wordt, voor zover mogelijk, zodanig ingedeeld dat de in de periode vallende erkende feestdagen zoveel mogelijk over alle medewerkers worden verdeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ruilen van diensten is alleen mogelijk na toestemming van de afdelingsleiding. Die zal alleen toestemming verlenen na overleg met de strooileider van de betreffende periode.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">Geldelijke vergoedingVergoeding vindt plaats overeenkomstig het gestelde in</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">artikel 3:13 van de AGV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betaling vindt plaats in de eerstvolgende maand na de maand waarin de wachtdienst is verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afdelingsleiding dient ervoor zorg te dragen dat aan het team p&amp;o, in de eerste week van de maand, volgend op de maand van consignatie, de benodigde gegevens voor betaling worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de wachtdienst vergoeding ontvangt de medewerker bij daadwerkelijk verrichten van werkzaamheden de gebruikelijke overwerkvergoeding, voor zover van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van afwezigheid van de volgens het rooster diensthebbende medewerker, zal door of namens het college een vervanger worden aangewezen. Deze medewerker ontvangt een vergoeding conform deze regeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span><span class=\"lf-art-t\">RusturenIndien een medewerker op werkdagen opgeroepen en/of ingezet</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wordt tussen 0.00 en 05.30 uur zal deze in de gelegenheid worden gesteld om de gederfde nachtrust te compenseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De normale dienst zal even zoveel later worden aangevangen als uren welke tussen 0.00 uur en 07.30 uur zijn gewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betreffende “rusturen” worden normaal doorbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet toegestaan deze “rusturen” op te sparen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gestelde in lid 3 is niet van toepassing indien op de betreffende dag geen werkzaamheden worden verricht (bv. bij A.D.V.-, zater- en zondagen).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span><span class=\"lf-art-t\">OverigeIndien men is ingeroosterd tijdens A.D.V.-dagen zullen deze</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">A.D.V.-dagen, in overleg met de afdelingsleiding op een ander tijdstip worden opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:14</span><span class=\"lf-art-t\">Inconveniëntentoelage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan aan een ambtenaar een inconveniëntentoelage toekennen, indien er sprake is van niet vermijdbare zware, onaangename of gevaarlijke arbeid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-14-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:14:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Regeling toekenning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">inconveniëntentoelage</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span><span class=\"lf-art-t\">Voor het verrichten van werkzaamheden onder extra bezwarende</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">omstandigheden kan de ambtenaar voor vergoeding in de vorm van een afzonderlijke toelage in aanmerking komen, indien die bezwarende omstandigheden bij de waardering van de in het geding zijnde buiten beschouwing zijn gebleven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met inachtneming van het gestelde in de bijlage, behorende bij deze regeling, geeft het college toepassing aan het bepaalde in het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">De in het eerste lid van artikel 1, bedoelde toelage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">bedraagt, als vermeld in onderstaande tabel:categorie, als vermeld in de bijlage toelage, afgeleid van het verschil tussen de salarisbedragen behorende bij periodiek 11 en 10 van schaal 3 van bijlage IIa, als genoemd in hoofdstuk 3a van de AGV; categorie A:de ½ van het verschil; categorie B:ter hoogte van het verschil; categorie C:1½ x van het verschil; categorie D:2 x het verschil.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de ambtenaar met een niet-volledige werktijd wordt de toelage, als bedoeld in het eerste lid, vastgesteld op een evenredig deel van die toelage bij een volledige werktijd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">De waardering voor extra bezwarende omstandigheden in de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">functies, als omschreven in de toelichting, wordt geacht voor de eerste maal te zijn vastgesteld met ingang van inwerkingtreding van deze regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Telkenmale per twee kalenderjaren vindt een herwaardering plaats, als bedoeld in het eerste lid, en wel voor de eerste maal per 1 januari 2003.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een tussentijdse (her)waardering heeft alleen dan plaats, indien het college dit noodzakelijk acht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">Voor gevallen, waarin dit artikel niet of onvoldoende voorziet treft</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">het college een bijzondere regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage bezoldigingsregeling INCO-SysteemKlik op het PDF icoon voor het INCO-Systeem</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:15</span><span class=\"lf-art-t\">Garantietoelage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan aan een ambtenaar die wordt geconfronteerd met een lager salaris en/of salaristoelagen, een garantietoelage toekennen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:16</span><span class=\"lf-art-t\">Afbouwtoelage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1De ambtenaar van wie buiten zijn toedoen de toelage onregelmatige dienst, de toelage beschikbaarheidsdienst, en/of de inconveniëntentoelage blijvend wordt verlaagd of beëindigd, heeft recht op een afbouwtoelage indien: hij de toelage(n) zonder onderbreking van meer dan twee maanden gedurende tenminste drie jaren heeft genoten én met de verlaging of beëindiging van de toelage(n) een bedrag is gemoeid van tenminste 3% van zijn salaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Het eerste lid is niet van toepassing: op ambtenaren op wie het FLO-overgangsrecht (hoofdstuk 9a, 9b, 9d of 9e) van toepassing is, of indien voor de ambtenaar voorzieningen zijn getroffen in een sociaal plan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3De looptijd van de afbouwtoelage is maximaal drie jaar. De afbouwtoelage bedraagt in het eerste jaar 75%, in het tweede jaar 50% en in het derde jaar 25% van het af te bouwen bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Indien de hoogte van de af te bouwen toelage(n) aan wisselingen onderhevig was, wordt de afbouwtoelage vastgesteld op het gemiddelde van de voorgaande 12 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Indien het salaris van de ambtenaar wordt verhoogd doordat hij een functie aanvaardt waaraan een hogere salarisschaal is verbonden, wordt de afbouwtoelage verrekend met de salarisverhoging.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4 Overige vergoedingen en uitkeringen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-17\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:17</span><span class=\"lf-art-t\">Vergoeding BHV, EHBO en interventieteam</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-18\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:18</span><span class=\"lf-art-t\">Overwerkvergoeding</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-19\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:19</span><span class=\"lf-art-t\">Ambtsjubileum</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-20\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:20</span><span class=\"lf-art-t\">Beloning uitstekend functioneren en/of</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">bijzondere prestaties</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-21\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:21</span><span class=\"lf-art-t\">Reis- en verblijfkostenvergoeding</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-22\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:22</span><span class=\"lf-art-t\">Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-23\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:23</span><span class=\"lf-art-t\">Overlijdensuitkering</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-24\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:24</span><span class=\"lf-art-t\">Uitkering bij overlijden als gevolg van een</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">ongeval in en door de dienst</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-25\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:25</span><span class=\"lf-art-t\">Recht op tegemoetkoming in de kosten van de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">zorgverzekering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-26\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:26</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte tegemoetkoming in de kosten van de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">zorgverzekering</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:17</span><span class=\"lf-art-t\">Vergoeding BHV, EHBO en interventieteam</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar die door het college is aangewezen om tevens werkzaam te zijn als bedrijfshulpverlener als bedoeld in artikel 15 van de Arbeidsomstandighedenwet, EHBO-er, of als lid van een anti-agressie- of interventieteam, ontvangt een vergoeding indien hij de taken in verband met bedrijfshulpverlening in voldoende omvang verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2De vergoeding bedraagt € 220,00 per jaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:18</span><span class=\"lf-art-t\">Overwerkvergoeding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar die overwerk verricht en valt onder de bijzondere regeling voor de werktijden (artikel 4:4), heeft recht op een overwerkvergoeding. Over de uren waarover een overwerkvergoeding wordt uitbetaald, kan niet tegelijk een toelage onregelmatige dienst (artikel 3:11) worden uitbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">2De overwerkvergoeding bestaat uit: verlof gelijk aan het aantal volle uren van het overwerk, het bedrag over het aantal volle uren overwerk ter hoogte van het volgende percentage van het uurloon van de ambtenaar:</p>\n<p class=\"lf-p\">100% voor overwerk op een zondag of feestdag (artikel 4:5) tussen 0.00 en 24.00 uur;</p>\n<p class=\"lf-p\">75% voor overwerk op een zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur;</p>\n<p class=\"lf-p\">75% voor overwerk op een maandag of de dag volgend op een feestdag tussen 0.00 en 6.00 uur;</p>\n<p class=\"lf-p\">50% voor overwerk op een dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 0.00 en 6.00 uur;</p>\n<p class=\"lf-p\">50% voor overwerk op een maandag, dinsdag, woensdag donderdag of vrijdag tussen 20.00 en 24.00 uur;</p>\n<p class=\"lf-p\">25% voor overwerk op maandag dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 6.00 en 20.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">3Het verlof, bedoeld in het vorige lid, wordt verleend op een zo vroeg mogelijk tijdstip. Op verzoek van de ambtenaar en voor zover de belangen van de dienst dit toelaten wordt het verlof verleend op een tijdstip dat de ambtenaar wenst.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming met het derde lid, dan bestaat de vergoeding uitsluitend uit een bedrag, dat bestaat uit het uurloon, vermeerderd met een percentage van het uurloon conform het tweede lid onder b.</p>\n<p class=\"lf-p\">5De ambtenaar op wie de bijzondere regeling voor de werktijden van toepassing is en die tijdens de beschikbaarheidsdienst wordt opgeroepen, ontvangt over de gewerkte tijd een overwerkvergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">6De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11 of hoger heeft geen recht op een overwerkvergoeding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-18-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:18:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Maaltijdvergoeding bij overwerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Regeling maaltijdvergoeding bij overwerkArtikel 1In deze regeling wordt verstaan onder medewerker:degene als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid onder a, van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Venlo.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">In het geval door de medewerker in opdracht werkzaamheden moeten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">worden verricht buiten de voor hem geldende werktijden en binnen de grenzen van de gemeente wordt geen vergoeding voor of maaltijden van gemeentewege verstrekt, tenzij het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">In afwijking van het bepaalde in artikel 2 wordt voor de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">gemaakte kosten van een maaltijd een vergoeding verleend, indien: de werkzaamheden niet zijn voorzien, en er voor het nuttigen van een maaltijd geen gelegenheid is om naar huis te gaan, en de werkzaamheden tenminste voortduren tot 21.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, bedraagt maximaal het bedrag van de dagcomponent, genoemd in artikel 9, eerste lid, van de Reisregeling personeel gemeente Venlo.Het bepaalde in artikel 10 (declaratie) van die regeling is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">Deze regeling is niet van toepassing, indien en voor zover een</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">andere regeling voor bijzondere situaties voorziet in een afzonderlijke voorziening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:19</span><span class=\"lf-art-t\">Ambtsjubileum</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Een ambtenaar ontvangt éénmalig een jubileumtoelage zodra hij 25, 40 en 50 jaar in overheidsdienst is. Onder overheidsdienst wordt verstaan de tijd die hij in dienst is geweest bij een bij het ABP aangesloten werkgever.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Bij 25 jaar overheidsdienst bedraagt de toelage de helft van het maandsalaris en de toegekende salaristoelage(n) over de maand van jubileren, tezamen vermeerderd met 8%. Bij 40 en 50 jaar overheidsdienst bedraagt de toelage het maandsalaris en de toegekende salaristoelage(n) over de maand van jubileren, tezamen vermeerderd met 8%.</p>\n<p class=\"lf-p\">3Een ambtenaar aan wie ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:3 of 8:4 CAR: en die binnen vijf jaar na de datum van ontslag, maar voor het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd recht zou hebben gehad op een jubileumtoelage, ontvangt een evenredig deel van de toelage. In dat geval wordt de laatste maand vóór de datum van ingang van het ontslag als de maatgevende maand aangemerkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:20</span><span class=\"lf-art-t\">Beloning uitstekend functioneren en/of</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">bijzondere prestaties Het college kan aan een ambtenaar of een groep ambtenaren eenmalig een geldbedrag toekennen voor uitstekend functioneren en/of geleverde bijzondere prestaties.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-20-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:20:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Niet-structurele bijzondere</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">beloningsvormen Richtlijnen niet-structurele bijzondere beloningsvormenBelanghebbende</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span><span class=\"lf-art-t\">Deze richtlijnen zijn van toepassing op alle medewerkers met een</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">dienstverband met de gemeente Venlo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijzondere prestatie</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">Buitengewone, op zichzelf staande eenmalige bijzondere prestaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">van de medewerker, die niet reeds op een andere wijze worden beloond, kunnen worden gehonoreerd middels een bijzondere beloning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beloningsvormen</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">Voor de toepassing van het bepaalde in artikel 2 kan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">een gratificatie worden toegekend ter hoogte van netto € 250,-, € 500,- of € 750,-;of een andere beloning worden toegekend in de vorm van: extra vakantie of beloningen in natura zoals een boekenbon, theaterbon, diner, etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toekenning van de in het eerste lid genoemde beloningsvormen vindt zo spoedig mogelijk plaats na de geleverde prestatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:21</span><span class=\"lf-art-t\">Reis- en verblijfkostenvergoeding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een ambtenaar heeft recht op vergoeding voor reis- en verblijfkosten voor reizen die hij heeft gemaakt in het belang van de dienst. Bij gebruik van het openbaar vervoer is de vergoeding op basis van het 2e klasse tarief.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-21-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:21:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Reis- en verblijfskosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Reisregeling personeel gemeente VenloParagraaf I BegripsbepalingenArtikel 1In deze regeling wordt verstaan onder: medewerker:degene, als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, sub a, van de AGV. plaats van tewerkstelling:het gebouw, gebouwencomplex of terrein, dat de medewerker voor de uitoefening van zijn functie is aangewezen; dienstreis:de noodzakelijke verplaatsing van een medewerker tot het verrichten van dienst buiten de plaats van tewerkstelling, alsmede het hiermee verband houdende verblijf buiten deze plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begin en einde van de dienstreis</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">Voor de vergoeding van reis- en verblijfkosten geldt dat de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">plaats van tewerkstelling het beginpunt en eindpunt is van de dienstreis.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan de woning van de medewerker of een andere plaats als beginpunt respectievelijk eindpunt van de dienstreis worden aangemerkt. In dat geval bedraagt de vergoeding nimmer meer dan bij toepassing van het bepaalde in het eerste lid.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf II Vergoeding wegens</h3>\n<p class=\"lf-p\">reiskostenOpenbaar vervoer</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">Wegens reiskosten per openbaar vervoer worden vergoed de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">kosten van het openbaar vervoer die in verband met de dienstreis blijkens overgelegde bewijsstukken zijn gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van de eigen auto</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">Om reden van doelmatigheid kan voor het incidenteel dan wel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">geregeld gebruik van de eigen auto voor dienstreizen door het college toestemming worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het gebruik van de eigen auto, bedoeld in het eerste lid, geldt een vergoeding van € 0,28 per kilometer.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding in enig kalenderjaar ingevolge het tweede lid (gebruik eigen auto voor dienstreizen) strekt mede tot vergoeding van reiskosten van het woon-werkverkeer die in dat loon-tijdvak belastingvrij vergoed had mogen worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span><span class=\"lf-art-t\">Voor dienstreizen over een afstand van meer dan 25 kilometer (enkele</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">reis), gerekend vanaf de plaats van tewerkstelling kan alleen dan gebruik worden gemaakt van de eigen auto indien zulks naar het oordeel van het college op gronden van doelmatigheid gewenst is.In de volgende gevallen wordt de dienstreis per eigen auto geacht doelmatiger te zijn dan gebruik van een openbaar middel van vervoer: de reis plaatsvindt in gezelschap van een of meer medewerkers, die dezelfde reis moeten en maken en daardoor de reis per auto goedkoper is dan per openbaar middel van vervoer; het reisdoel per openbaar middel van vervoer niet of zeer moeilijk bereikbaar is. de medewerker apparaten moet meenemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van de eigen bromfiets</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span><span class=\"lf-art-t\">Aan de medewerker, voor wie het dienstbelang vordert, dat</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">hij voor dienstreizen geregeld gebruik maakt van een bromfiets, kan door het college toestemming worden verleend tot het gebruik van zijn eigen bromfiets en wordt hem deswege een vergoeding toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als vergoeding, bedoeld in het eerste lid, geldt het bedrag per afgelegde kilometer, ingevolge artikel 2, van de Reisregeling binnenland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van het eigen rijwiel</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span><span class=\"lf-art-t\">Aan de medewerker, voor wie het dienstbelang vordert, dat</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">hij voor dienstreizen geregeld gebruik maakt van een rijwiel, kan door het college een vergoeding worden toegekend voor het gebruik van zijn eigen rijwiel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Al naar gelang de medewerker door het college wordt ingedeeld in één van onderstaande categorieën, wordt voor de vergoeding uitgegaan van het bedrag per kilometer, als genoemd in artikel 4 van de Reisregeling binnenland. categorie 1:bij een gebruik voor de dienst van gemiddeld minder dan 1800 km. per jaar, wordt voor de vergoeding 1500 kilometer in aanmerking genomen categorie 2:bij een gebruik voor de dienst van gemiddeld 1800 tot en met 3600 km. Per jaar, wordt voor de vergoeding 3000 kilometer in aanmerking genomen; categorie 3:bij een gebruik voor de dienst van gemiddeld meer dan 3600 km. per jaar, wordt voor de vergoeding 4000 kilometer in aanmerking genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij niet-vervulling van de functie onafgebroken langer dan twee maanden, wordt de op grond van lid 12 en 13 toegekende vergoeding voor de verdere duur daarvan stopgezet.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf III Vergoeding wegens</h3>\n<p class=\"lf-p\">verblijfVerblijfskosten</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8</span><span class=\"lf-art-t\">De in verband met een dienstreis noodzakelijk gemaakte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">kosten voor maaltijden en logies en voor kleine uitgaven overdag en ’s avonds worden vergoed overeenkomstig het bepaalde in artikel 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen aanspraak op vergoeding wegens verblijfkosten bestaat voor een dienstreis korter dan vier uur en voor een dienstreis binnen de gemeente Venlo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergoedingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9</span><span class=\"lf-art-t\">De vergoeding wegens verblijfkosten als bedoeld in artikel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">8, omvat voor ieder vol etmaal dat de dienstreis duurt een bedrag van € 3,98 voor kleine uitgaven overdag (dagcomponent) alsmede een bedrag van € 11,90 voor kleine uitgaven ’s avonds (avondcomponent) vermeerderd met: € 12,56 voor een lunch (lunchcomponent); € 19,00 voor een avondmaaltijd (dinercomponent); € 75,67 voor logies (logiescomponent); € 7,39 voor een ontbijt (ontbijtcomponent).</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanspraak op de onder het eerste lid onderdeel a, b, c en d bedoelde vergoedingen bestaat slechts indien voor het verkrijgen van de respectievelijke verstrekkingen kosten zijn gemaakt in een daarvoor bestemde gelegenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij aansluitende dienstreizen kan de avondcomponent als bedoeld in het eerste lid niet langer dan voor de eerste acht avonden worden toegekend. Voor ieder volgend etmaal dat binnen die dienstreizen valt, wordt het bedrag van de avondcomponent gehalveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een resterend gedeelte van een etmaal dan wel voor een incidentele dienstreis van kortere duur dan een etmaal worden de uit te keren bedragen voor verblijfkosten berekend overeenkomstig het eerste, het tweede en het derde lid, met dien verstande dat: de dagcomponent slechts wordt toegekend, indien mede wordt voldaan aan de voorwaarde dat ten minste 4 uren in het resterende gedeelte of in de dienstreis valt; de avondcomponent en de ontbijtcomponent slechts worden toegekend, indien mede wordt voldaan aan de voorwaarde dat een overnachting in het resterende gedeelte of in de dienstreis valt; de lunchcomponent respectievelijk de dinercomponent slechts worden toegekend, indien mede wordt voldaan aan de voorwaarde dat de tijd tussen 12.00 uur en 14.00 uur respectievelijk tussen 18.00 uur en 21.00 uur geheel in het resterende gedeelte of in de dienstreis valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoedingsbedragen ingevolge dit artikel worden telkenmale overeenkomstig het bepaalde in artikel 5 van de Reisregeling binnenland aangepast.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf IV Reisdeclaraties en</h3>\n<p class=\"lf-p\">hardheidsclausuleReisdeclaraties</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10</span><span class=\"lf-art-t\">Het declareren van de reis- en of verblijfkosten geschiedt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">op een door het college voorgeschreven wijze, onder overlegging van de vereiste bewijsstukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanspraak op een vergoeding vervalt, indien de medewerker de declaratie niet indient binnen drie maanden na de maand waarop de declaratie betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hardheidsclausule</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11</span><span class=\"lf-art-t\">In gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">voorziet, neemt het college een beslissing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:22</span><span class=\"lf-art-t\">Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan een ambtenaar een reiskostenvergoeding woon-werkverkeer toekennen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:23</span><span class=\"lf-art-t\">Overlijdensuitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het recht op salaris vermeerderd met de toegekende salaristoelagen eindigt de dag na het overlijden van de ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Na het overlijden van de ambtenaar ontvangt de achterblijvende partner – of bij het ontbreken daarvan diens minderjarige kinderen – een overlijdensuitkering, die bestaat uit: driemaal het laatst genoten salaris en de toegekende salaristoelage(n), tezamen vermeerderd met 8%.</p>\n<p class=\"lf-p\">3Zijn er geen nagelaten betrekkingen zoals genoemd in het voorgaande lid dan wordt de overlijdensuitkering uitgekeerd aan de meerderjarige kinderen, ouders, broers of zusters waarvoor de overledene kostwinner was.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:24</span><span class=\"lf-art-t\">Uitkering bij overlijden als gevolg van een</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">ongeval in en door de dienst 1Indien de ambtenaar overlijdt en zijn overlijden een rechtstreeks gevolg is van een ongeval in en door de dienst, dan wordt aan de achterblijvende partner een uitkering verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de overledene geen partner nalaat, wordt de uitkering verstrekt aan de minderjarige kinderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2De uitkering bedraagt één jaarsalaris en de toegekende salaristoelage(n), tezamen vermeerderd met 8%, berekend over de 12 kalendermaanden onmiddellijk voorafgaande aan de maand van overlijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3Indien het college een verzekering heeft afgesloten die tot uitkering komt als de ambtenaar overlijdt als gevolg van een ongeval in en door de dienst, bedraagt de uitkering in afwijking van het tweede lid het bedrag waarvoor het college zich heeft verzekerd, met een minimum ter grootte van de in het tweede lid genoemde uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Zijn er geen nagelaten betrekkingen zoals genoemd in het eerste lid dan wordt de overlijdensuitkering uitgekeerd aan de meerderjarige kinderen, ouders, broers of zusters waarvoor de overledene kostwinner was.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:25</span><span class=\"lf-art-t\">Recht op tegemoetkoming in de kosten van de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">zorgverzekering (niet van toepassing op ambtenaren in dienst van de gemeenten Amsterdam en Den Haag) 1 De ambtenaar heeft recht op een tegemoetkoming in zijn ziektekosten als hij één van de volgende aanvullende zorgverzekeringen heeft: Extra Zorg 3 of 4 bij IZA, Plus Collectief of Top Collectief bij CZ, Collectief Aanvullend 3 of 4 bij Menzis.</p>\n<p class=\"lf-p\">2De tegemoetkoming in de ziektekosten wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december uitbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">3Bij indiensttreding op of na 1 januari van een kalenderjaar heeft de ambtenaar naar evenredigheid recht op een tegemoetkoming in de ziektekosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:26</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte tegemoetkoming in de kosten van de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">zorgverzekering (niet van toepassing op ambtenaren in dienst van de gemeenten Amsterdam en Den Haag) 1 De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 168,= per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 296,= per jaar als het salaris van de ambtenaar lager is dan of gelijk is aan het bedrag dat hoort bij de hoogste periodiek van schaal 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">3De ambtenaar die gedurende het jaar in dienst treedt of ontslagen wordt ontvangt een tegemoetkoming in de ziektekosten naar rato van de tijd dat hij in dienst is geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">4De peildatum voor de vergelijking van het tweede lid is de maand december. Voor de ambtenaar die gedurende het jaar uit dienst treedt is de peildatum voor de vergelijking van het tweede lid de laatste maand dat de ambtenaar in dienst is geweest.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5 Individueel keuzebudget</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-27\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:27</span><span class=\"lf-art-t\">Algemeen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-28\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:28</span><span class=\"lf-art-t\">Opbouw IKB</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-29\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:29</span><span class=\"lf-art-t\">Doelen IKB</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-30\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:30</span><span class=\"lf-art-t\">Doelen IKB</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-31\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:31</span><span class=\"lf-art-t\">Waarde van een vakantie-uur</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-32\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:32</span><span class=\"lf-art-t\">Uitbetaling IKB bij einde dienstverband</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-33\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:33</span><span class=\"lf-art-t\">Wet- en regelgeving</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-34\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:34</span><span class=\"lf-art-t\">Vakantietoelage 2016</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-35\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:35</span><span class=\"lf-art-t\">Overige bepalingen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:27</span><span class=\"lf-art-t\">Algemeen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar heeft recht op een Individueel Keuzebudget, hierna te noemen: IKB.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Het college is beheerder van het IKB 3Het IKB is een maandelijks, in geld uitgedrukt budget dat de ambtenaar naar keuze kan gebruiken voor de doelen genoemd in artikel 3:29, op de wijze zoals vastgelegd is in deze paragraaf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:28</span><span class=\"lf-art-t\">Opbouw IKB</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het IKB wordt per maand opgebouwd en bestaat uit een deel waarover pensioen wordt opgebouwd en een deel waarover geen pensioen wordt opgebouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Het deel van het IKB waarover pensioen wordt opgebouwd bedraagt:</p>\n<p class=\"lf-p\">8% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende salaris vermeerderd met de salaristoelagen genoemd in paragraaf 3 van dit hoofdstuk, met dien verstande dat dit ten minste een bedrag is van € 146,65 bij een volledig dienstverband, en 6% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende salaris, met dien verstande dat dit ten minste een bedrag is van € 145,83 bij een volledig dienstverband, en 1,5% van het in de maand van opbouw geldende salaris, voor de ambtenaar die geboren is na 31 december 1949, met dien verstande dat dit ten minste een bedrag is van € 33,33 bij een volledig dienstverband.</p>\n<p class=\"lf-p\">3Het deel van het IKB waarover geen pensioen wordt opgebouwd bedraagt:</p>\n<p class=\"lf-p\">0,8% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende salaris, en indien en voor zolang hoofdstuk 9a van toepassing is op de ambtenaar, 1% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende salaris, met dien verstande dat dit voor maximaal 20 jaar geldt, tenzij artikel 9a:9 lid 1, onderdeel b van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Indien in een maand het salaris en de toegekende salaristoelage(n) gedeeltelijk zijn uitbetaald dan wordt het IKB in die maand berekend op basis van het uitbetaalde salaris en de uitbetaalde salaristoelage(n). Ontvangt de ambtenaar in een maand geen salaris dan wordt in die maand geen IKB opgebouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Indien in een maand het salaris en de toegekende salaristoelage(n) gedeeltelijk zijn uitbetaald op grond van artikel 7:3 lid 2 tot en met 4 dan wordt, in afwijking van lid 4 van dit artikel, het IKB in die maand berekend op basis van het volledige salaris en toegekende salaristoelage(n).</p>\n<p class=\"lf-p\">6Het college kan bronnen toevoegen aan het IKB. Een bron kan zijn een persoonlijk budget, voor zover dat in de gemeente bestaat en niet is opgenomen in de TOR zoals omschreven in paragraaf 7 van hoofdstuk 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">7Op de ambtenaar bedoeld in artikel 9b:1 is lid 2, onderdeel c van dit artikel niet van toepassing. De vorige volzin geldt niet voor de ambtenaar bedoeld in artikel 9b:50.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-28-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:28:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Lokale bronnen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Aan het individueel keuzebudget wordt in de maand januari een persoonlijk budget toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2Het persoonlijk budget bestaat uit een vast bedrag per kalenderjaar van € 102,10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3Het persoonlijk budget bestaat daarnaast uit een bedrag van € 100,80 voor de ambtenaar met een volledig dienstverband van 36 uur. Voor de ambtenaar met een deeltijd dienstverband wordt dit bedrag naar rato aangepast. Wijzigingen van het dienstverband gedurende het jaar betreffende urenuitbreiding of - vermindering leidt niet tot wijziging van het persoonlijk budget in dat jaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:29</span><span class=\"lf-art-t\">Doelen IKB</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1De ambtenaar kan het IKB gebruiken voor: het kopen van vakantie-uren, tot een maximum van vier maal de aanstellingsduur per week gedurende het kalenderjaar; extra inkomen door uitbetaling van het IKB tot een maximum van het tot aan de datum van uitbetaling opgebouwde IKB; het financieren van een opleiding, indien en voor zover deze niet door de gemeente wordt vergoed en de geldende fiscale regelgeving de besteding van het IKB aan dit doel belastingvrij mogelijk maakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Het college kan de bestedingsdoelen zoals omschreven in lid 1 aanvullen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-29-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:29:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Lokale doelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de doelen genoemd in artikel 3:29 kan de ambtenaar het 1KB ook gebruiken voor de volgende lokale doelen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Fiscale uitruil woon-werkverkeer; aanschaf van een fiets; storting in het ABP ExtraPensioen; betaling van vakbondscontributie; fitnessabonnement</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-29-1-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:29:1:2</span><span class=\"lf-art-t\">Fiscale uitruil woon-werkverkeer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De ambtenaar kan - indien hier fiscale ruimte toe is - maandelijks het 1KB aanwenden voor de fiscale uitruil woon-werkverkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2Hiertoe wordt de fiscale ruimte bepaald die maandelijks belastingvrij kan worden uitgeruild.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3De maximale onbelaste jaarlijkse vergoeding voor de reiskosten van woon-werkverkeer wordt berekend met de navolgende formule, die als basis dient voor de berekening van de fiscale ruimte:Reisafstand retour in kilometers x € 0, 19 x aantal reisdagen per kalenderjaar (214 x aantal werkdagen per week/ 5).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4De ambtenaar kan via de !KB-module aangeven gebruik te willen van de fiscale uitruil woonwerkverkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5In geval van verhuizing dient de ambtenaar dit direct digitaal in E-HRM te wijzigen en wordt dienovereenkomstig het uit te ruilen bedrag aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 6Bij een aanpassing van het aantal dagen waarop de ambtenaar werkt, wordt dienovereenkomstig het uit te ruilen bedrag aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 7In geval van afwezigheid of ziekte van de ambtenaar van meer dan zes weken wordt de uitruil stop gezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 8Indien de ambtenaar de maandelijkse uitruil wil stoppen dan dient hij dit in de IKB-module aan te geven. Het initiatief hiertoe rust uitdrukkelijk bij de ambtenaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-29-1-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:29:1:3</span><span class=\"lf-art-t\">Aanschaf van een fiets</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De medewerker kan zijn budget gebruiken voor de aanschaf van een fiets.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2De medewerker kan eenmaal in de 36 maanden de keuze maken om zijn of haar IKB-saldo te gebruiken voor de aanschaf van één fiets.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3Door deze keuze te maken, verklaart de medewerker de fiets voor meer dan de helft van het voor hem of haar van toepassing zijnde aantal werkdagen voor het woon-werkverkeer gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4De keuze van het type fiets is in die zin beperkt, dat de medewerker geen kinderfietsen of motorisch aangedreven fietsen mag kiezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Fietsen met elektrische trapondersteuning, ook wel e-bikes genoemd, zijn toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5Het maximale bedrag dat hiervoor kan worden aangewend is € 1.250,- bruto.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 6De medewerker kan de keuze alleen maken indien hij of zij voldoende 1KB heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 7De medewerker dient bij de keuze de factuur van de aanschaf van de fiets te overleggen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-29-1-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:29:1:4</span><span class=\"lf-art-t\">Storting in het ABP ExtraPensioen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De ambtenaar kan - indien hier fiscale pensioenruimte toe is - zijn of haar 1KB aanwenden om maandelijks een extra storting te doen in ABP ExtraPensioen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2Deze stortingen kunnen plaatsvinden totdat de fiscale pensioenruimte die de ambtenaar hiertoe heeft, is bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3De medewerker dient bij de keuze de aanmelding voor ABP ExtraPensoen en de fiscale ruimte bepaling van het ABP te overleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4Indien de ambtenaar de stortingen wil beëindigen dan dient hij dit in de IKB-module aan te geven. Het initiatief hiertoe rust uitdrukkelijk bij de ambtenaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-29-1-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:29:1:5</span><span class=\"lf-art-t\">Betaling van vakbondscontributie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Indien de ambtenaar lid is van een vakbond die de belangen van medewerkers in de gemeentelijke sector behartigt, kan hij één keer per jaar het 1KB aanwenden voor het doel vakbondscontri butie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2De medewerker dient bij de keuze de jaaropgave van de vakbond en het betalingsbewijs te overleggen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-29-1-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:29:1:6</span><span class=\"lf-art-t\">Fitnessabonnement</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De ambtenaar kan het 1KB gebruiken voor de aanschaf (van een deel) van een fitnessabonnement bij een sportschool.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2Het maximale bedrag dat hiervoor maandelijks kan worden aangewend is € 40,- bruto.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3De ambtenaar kan de keuze alleen maken indien hij voldoende 1KB heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4De ambtenaar dient bij de keuze een betalingsbewijs van het fitnessabonnement te overleggen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:30</span><span class=\"lf-art-t\">Doelen IKB</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar kan elke maand een keuze maken om zijn IKB te gebruiken voor een of meerdere van de in artikel 3:29 genoemde doelen. Hij heeft voor deze keuze geen toestemming nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Het college wijst in verband met de salarisverwerking voor elke maand een uiterste datum aan waarop de ambtenaar zijn keuze kenbaar moet maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3Als de ambtenaar geen keuze maakt, of bij zijn keuze slechts een deel van zijn IKB gebruikt, dan wordt het IKB over die maand, of het resterende deel daarvan, gereserveerd. De ambtenaar kan het gereserveerde IKB op een later moment in het lopende kalenderjaar besteden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Heeft de ambtenaar na de sluitingsdatum van de salarisverwerking in december nog een resterend IKB dan wordt dit bij de salarisbetaling van die maand uitbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Besteding van het IKB kan alleen voor zover het beschikbare budget toereikend is. De keuze voor een doel heeft uitsluitend betrekking op hetzelfde kalenderjaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Bedragen die uit het IKB zijn gebruikt, kunnen niet meer worden teruggestort in het IKB.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-30-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:30:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing uiterste datum</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar kan maandelijks tot uiterlijk de zevende dag van de maand zijn keuze om het 1KB te gebruiken voor één of meerder doelen kenbaar maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:31</span><span class=\"lf-art-t\">Waarde van een vakantie-uur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de ambtenaar kiest voor het kopen van vakantie-uren dan wordt het IKB per vakantie-uur verlaagd met het voor de ambtenaar geldende uurloon in de maand waarin hij de vakantie-uren koopt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:32</span><span class=\"lf-art-t\">Uitbetaling IKB bij einde dienstverband</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Bij beëindiging van het dienstverband wordt het resterende IKB bij de laatste salarisbetaling aan de ambtenaar uitbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Bij overlijden van de ambtenaar wordt in aanvulling op de overlijdensuitkering het resterende IKB uitbetaald aan de nagelaten betrekkingen zoals omschreven in artikel 3:23, lid 2 en 3.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:33</span><span class=\"lf-art-t\">Wet- en regelgeving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het gebruik van het IKB kan gevolgen hebben voor loonheffingen, pensioen en sociale verzekeringen. De ambtenaar wordt geacht deze gevolgen te kennen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Als blijkt dat een bedrag uit het IKB ten onrechte belastingvrij is uitgekeerd doordat de ambtenaar onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, verhaalt het college de verschuldigde loonheffing of eventuele boetes op de ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">3Als een netto voordeel voor de ambtenaar vervalt door wijzigingen van wet- en regelgeving dan wordt dat niet gecompenseerd door het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Alle transacties in het IKB moeten in overeenstemming zijn met geldende wet- en regelgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:34</span><span class=\"lf-art-t\">Vakantietoelage 2016</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De vakantietoelage die de ambtenaar heeft opgebouwd in de periode van juni 2016 tot en met december 2016 op grond van artikel 6:3 zoals dat gold op 31 december 2016 wordt uitbetaald bij de salarisbetaling van mei 2017. Dit bedrag maakt geen onderdeel uit van het IKB.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Indien de ambtenaar ontslag verleend wordt voor 1 mei 2017 dan wordt de opgebouwde vakantietoelage over 2016 uitbetaald bij de laatste salarisbetaling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:35</span><span class=\"lf-art-t\">Overige bepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de ambtenaar die werkzaam is in de kunsteducatie en op wie artikel 19b:10 van toepassing is, is artikel 3:28, lid 3, niet van toepassing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 6 Overige individuele keuzemogelijkheden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-36\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:36</span><span class=\"lf-art-t\">Verkoop van vakantie-uren</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:36</span><span class=\"lf-art-t\">Verkoop van vakantie-uren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar kan elk kalenderjaar een verzoek doen om ten hoogste 72 uren bovenwettelijk vakantieverlof te verkopen. Bij een deeltijd dienstverband wordt dit aantal naar rato vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Vakantie-uren die de ambtenaar heeft gekocht op grond van artikel 3:29 lid 1, sub a kunnen niet worden verkocht op grond van dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3Een verzoek als bedoeld in lid 1 wordt toegewezen, tenzij zwaarwegende bedrijfsof dienstbelangen zich daartegen verzetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Het college kan regels stellen over de aanvraagprocedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Het bepaalde in artikel 3:31 is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 7 Overgangsrecht</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-37\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:37</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht hoofdstuk 3</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:37</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht hoofdstuk 3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Garantietoelagen en afbouwtoelagen die uiterlijk op 31 december 2015 zijn ingegaan worden gecontinueerd onder de voorwaarden waaronder ze zijn toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lokale financiële arbeidsvoorwaarden Bruto blijft bruto, netto blijft netto. die op al het personeel binnen een gemeente worden toegepast op 31 december 2015 en die zijn opgenomen in de lokale bezoldigingsverordening of rechtspositieregeling, vervallen voor het personeel dat vanaf 1 januari 2016 in dienst komt. Voor het zittende personeel wordt deze omgezet in een vast bedrag: de toelage overgangsrecht H3 (jaarbedrag) deel 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor alle overige financiële arbeidsvoorwaarden die in de lokale bezoldigingsverordening of rechtspositieregeling zijn opgenomen (en dus bij de invoering van hoofdstuk 3 nog bestaan) en die per 1 januari 2016 vervallen of dan in hoogte wijzigen, wordt op basis van het refertejaar 2014 (roosters, overwerk, en alle andere relevante factoren) voor elke medewerker die het betreft bepaald: hoe hoog het bedrag is dat de medewerker aan toelagen zou ontvangen volgens de bij overgang geldende regels voor toelagen/vergoedingen hoe hoog het bedrag is dat de medewerker aan toelagen zou ontvangen volgens de nieuwe systematiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verschil vormt de toelage overgangsrecht H3 (jaarbedrag) deel 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deel 1 en deel 2 worden bij elkaar opgeteld. Dit is de toelage overgangsrecht H3. Dit bedrag stijgt niet mee met de loonontwikkelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn geen anticumulatiebepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze toelage overgangsrecht H3 is een vast jaarbedrag dat een keer per jaar wordt uitbetaald in de maand december.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toelage overgangsrecht H3 moet minimaal 120 euro op jaarbasis zijn. Indien deze toelage lager is, wordt deze afgekocht met een eenmalig bedrag ter waarde van 5 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een dienstverband in de loop van een kalenderjaar eindigt, dan wordt de toelage overgangsrecht H3 naar rato uitgekeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een dienstverband in omvang verkleind wordt, dan daalt de toelage overgangsrecht H3 naar rato.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergroten van de aanstellingsomvang ná 31-12-2015 heeft geen effect.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lokaal mogen aanvullende afspraken over afkoop, uitruil of betaling in termijnen gemaakt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is apart overgangsrecht voor personeel van gemeenten die op 31 december 2015 een lokale regeling hebben met bepalingen over de ambtsjubileumgratificatie die positief afwijken van het nieuwe artikel 3:19. Medewerkers die binnen vijf jaar van verval van de lokale regeling (dus uiterlijk 31 december 2020) recht zouden hebben op een ambtsjubileumgratificatie als de lokale regeling niet was vervallen, krijgen de ambtsjubileumgratificatie op basis van de lokale regeling die op 31 december 2015 verviel. Het gaat hierbij om de datum van het ambtsjubileum en de hoogte van de ambtsjubileumgratificatie. De gemeente legt dit recht vast bij de overgang naar het nieuwe hoofdstuk 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage overgangsrecht 1. Garantietoelagen en afbouwtoelagen die uiterlijk op 31 december 2015 zijn ingegaan worden gecontinueerd onder de voorwaarden waaronder ze zijn toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">1a Bestaande garantietoelage en afbouwtoelagenHiermee hebben LOGA-partijen bedoeld dat toelagen – ongeacht de benaming – die naast het salaris structureel onderdeel uitmaken van het vaste inkomen van de betreffende ambtenaar en van oorsprong bedoeld zijn om een terugval in salaris of emolumenten en toelagen – niet zijnde onkostenvergoedingen – op te vangen, niet vervallen bij invoering van het nieuwe hoofdstuk 3. De toelage is met andere woorden onderdeel van het salaris en mag daarom niet worden meegenomen in de toelage overgangsrecht H3 (hierna: TOR) zoals geregeld in dit overgangsrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze toelagen wordt gecontinueerd na invoering van hoofdstuk 3 per 1 januari 2016 en vinden vanaf dat moment hun grondslag in artikel 3:15. ‘Onder de voorwaarden waaronder ze zijn toegekend’ geeft aan dat de afspraken die golden bij toekenning (indexatie, duur, afbouw) ook na 1 januari 2016 van toepassing blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">1b. Tijdelijke toelage met schriftelijke overeengekomen einddatumEen tijdelijke toelage die niet langer kan worden gebaseerd op een rechtsgrond omdat hij niet voorkomt in hoofdstuk 3 of een toelage met een hogere grondslag en die niet te kwalificeren is als de garantietoelage zoals in punt 1a bedoeld, maar die zich ook niet leent om te worden opgenomen in de TOR, kan eveneens worden voortgezet volgens de condities zoals die golden op het moment dat de toelage werd vastgesteld. Voorwaarde is dat de toelage tijdelijk is en dat de einddatum of gebeurtenis tijdens welke de tijdelijke toelage wordt betaald schriftelijk is vastgelegd in een besluit.Een voorbeeld hiervan is een lager leidinggevende toelage zoals sommige gemeenten die kennen: in afwachting van een verwachte stap in de carrière wordt aan een medewerker die kan doorgroeien naar een managementfunctie een toelage gegeven voor maximaal 4 jaar. Deze toelage kent hoofdstuk 3 niet. Opname in de TOR zou er toe leiden dat deze evident als tijdelijk bedoelde toelage eeuwig in een TOR wordt vervat. Dus tijdelijke toelagen met een schriftelijk vastgelegde einddatum lopen gewoon door conform de afspraken en tot de vastgelegde einddatum.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het brandweerpersoneel bij de veiligheidsregio’s wordt uitgezonderd van het nieuwe beloningshoofdstuk met uitzondering van het IKB, tenzij in het overleg van de Brandweerkamer met de vakbonden anders wordt besloten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Lokale financiële arbeidsvoorwaardenBruto blijft bruto, netto blijft netto die op al het personeel binnen een gemeente worden toegepast op 31 december 2015 en die zijn opgenomen in de lokale bezoldigingsverordening of rechtspositieregeling, vervallen voor het personeel dat vanaf 1 januari 2016 in dienst komt. Voor het zittende personeel wordt deze omgezet in een vast bedrag: de toelage overgangsrecht H3 (jaarbedrag) deel 1.</div>\n<p class=\"lf-p\">Lokale arbeidsvoorwaarden vervallen voor zover ze niet terugkeren in hoofdstuk 3, conform de formulering in hoofdstuk 3.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Voor alle overige financiële arbeidsvoorwaarden1 die in de lokale bezoldigingsverordening of rechtspositieregeling zijn opgenomen (en dus bij de invoering van hoofdstuk 3 nog bestaan) en die per 1 januari 2016 vervallen of dan in hoogte wijzigen, wordt op basis van het refertejaar 2014 (roosters, overwerk, en alle andere relevante factoren) voor elke medewerker die het betreft bepaald: hoe hoog het bedrag is dat de medewerker aan toelagen zou ontvangen volgens de bij overgang geldende regels voor toelagen/vergoedingen hoe hoog het bedrag is dat de medewerker aan toelagen zou ontvangen volgens de nieuwe systematiek.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het verschil vormt de toelage overgangsrecht H3 (jaarbedrag) deel 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de onderdelen 3 en 4 is een berekeningsmethode vastgelegd die recht doet aan het uitgangspunt dat het nieuwe hoofdstuk 3 geen bezuinigingsmaatregel is. Medewerkers worden gecompenseerd voor een eventuele teruggang in beloning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behoudens de garantie bedoeld in artikel 1 van het overgangsrecht en de tijdelijke toelagen met een schriftelijk overeengekomen einddatum is daarom afgesproken om medewerkers die al in dienst waren voor 1 januari 2016 te compenseren met een TOR.</p>\n<p class=\"lf-p\">De TOR is in 2 delen geknipt, maar het gaat niet om twee verschillende soorten toelagen. De TOR 1 en de TOR 2 zijn feitelijk twee stappen die men in de tijd achter elkaar zet om te bepalen wat de TOR voor de medewerker is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De TOR 1 is een vast beloningselement dat iedereen in een gemeente ontvangt, bijvoorbeeld een extra eindejaarsuitkering of een PGB.</p>\n<p class=\"lf-p\">De TOR 2 is lastiger te bepalen, omdat deze voor iedereen verschillend zal zijn. Niet iedereen ontvangt elke toelage of toeslag of vergoeding die in de lokale bezoldigingsverordening is opgenomen. En niet iedereen werkt in eenzelfde dienst of rooster.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de TOR 2 te kunnen bepalen is afgesproken 2014 als refertejaar te gebruiken. De reden daarvoor is dat 2014 een recent afgesloten jaar is. Voor een heel jaar is duidelijk wat aan onregelmatige diensten, beschikbaarheidsdiensten en overwerk is gedeclareerd/ontvangen op basis van de in 2014 geldende (lokale) regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in 2014 gewerkte roosters worden fictief gekoppeld aan de toeslagen van het nieuwe hoofdstuk 3. Vervolgens wordt het eindbedrag vergeleken met het bedrag dat aan toeslagen is betaald in 2014. Is er een negatief verschil, dan wordt daarmee de TOR 2 gevuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen roostersAls de werkgever over 2014 geen rooster of werkpatroon kan reproduceren heeft de berekening aan de hand van een refertejaar geen zin. Daarom is in het LOGA afgesproken dat ook een andere rekenwijze kan worden toegepast die wordt gebaseerd op het werkpatroon/roosters voor 2016, uitgaande van het gegeven dat de roosters en werkpatronen niet wijzigen door invoering van hoofdstuk 3. Op basis van het rooster 2016 wordt voor bepaling van de TOR dit rooster berekend met de toelagepercentages uit 2014 en die in 2016. Het verschil bepaalt de hoogte van de TOR.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hierbij om ingeroosterd werk, hetzij beloond met de ORT hetzij met een overwerktoelage als de gemeente daarvoor kiest hetzij om ingeroosterde beschikbaarheidsdiensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">OverwerkHet LOGA heeft ook afgesproken dat gemeenten die bezig zijn om het overwerk terug te dringen, doordat bijvoorbeeld de nieuwe werktijdregeling wordt geïmplementeerd, de oude percentages van de oude regeling kunnen worden toegepast voor medewerkers die in dienst zijn op 31 december 2015. Voor nieuwe medewerkers gelden de percentages uit hoofdstuk 3. Als het slechts om een hele kleine groep medewerkers gaat die bovendien zeer weinig overwerkt, kan dit alternatief passend zijn. Weliswaar bestaan er dan twee systemen van overwerkpercentages naast elkaar, maar voorkomen wordt dat door opname van het oude overwerkpatroon, (zoals dat gold in refertejaar 2014), een TOR 2 ontstaat die niet nodig is.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Als 2014 geen representatief jaar is door langdurige ziekte (langer dan 2 maanden), langdurig onbetaald verlof, extreem veel overwerk of andere redenen wordt in onderling overleg een ander representatief refertetijdvak vastgesteld.</div>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling geeft ruimte om tot een andere referteperiode te komen als de bovengenoemde berekening tot een niet representatief beeld leidt. Als medewerkers bijvoorbeeld in 2014 extreem veel hebben overgewerkt, dan wordt de TOR in verhouding te hoog. Een uitzondering die alleen in een bepaalde periode gold, wordt dan met andere woorden de norm. Dat is niet de bedoeling van het overgangsrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De term ‘ander representatief refertetijdvak’ mag ruimer worden geïnterpreteerd dan strikt als kalendertijdvak. Het gaat erom een geschikte berekeningswijze vast te stellen mits die recht doet aan het uitgangspunt dat medewerkers er door invoering van hoofdstuk 3 niet op achteruitgaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met ‘onderling overleg’ wordt gedoeld op individueel overleg met de medewerker en in bijzondere gevallen op overleg in het GO. Dat laatste is het geval als het om patronen gaat en een groep van medewerkers in gelijke omstandigheden is betrokken. Datzelfde geldt als door bijvoorbeeld een reorganisatie of gewijzigde werktijdenregelingen het onmogelijk is om de roosters van 2014 te reproduceren.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Deel 1 en deel 2 worden bij elkaar opgeteld. Dit is de toelage overgangsrecht H3. Dit bedrag stijgt niet mee met de loonontwikkelingen.</div>\n<p class=\"lf-p\">De TOR 1 en de TOR 2 worden opgeteld. Als de TOR 1 leidt tot een positief verschil van Euro 300 per jaar, maar de TOR 2 –omdat bijvoorbeeld de toeslagen ORT van het nieuwe hoofdstuk 3 hoger zijn dan de vigerende lokale toeslagen- tot een negatief verschil van € 200 dan is de TOR: Euro 300 + (-Euro 200) = Euro 100-.</p>\n<p class=\"lf-p\">De TOR is een nominaal bedrag. De TOR telt mee in de pensioengrondslag maar is geen salaristoelage en geen grondslag voor eindejaarsuitkering, vakantietoelage of levensloopbijdrage.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>Er zijn geen anticumulatiebepalingen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Met deze afspraak wordt gedoeld op de situatie waardoor het inkomen van de medewerker na invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 stijgt, bijvoorbeeld door promotie of een nieuw rooster met een hogere ORT. De inkomensstijging wordt niet verrekend met de TOR van de medewerker.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>Deze toelage overgangsrecht H3 is een vast jaarbedrag dat een keer per jaar wordt uitbetaald in de maand december.</div>\n<p class=\"lf-p\">De hoofdregel is dat de TOR eenmaal per jaar in de maand december wordt uitbetaald. Voorstelbaar is dat niet een gewenste situatie is, bijvoorbeeld omdat de TOR een hoog bedrag is, en een maandelijkse uitbetaling, of een uitbetaling per kwartaal, beter past. Daarom is (zie hieronder punt 13) afgesproken dat lokaal andere afspraken kunnen worden gemaakt. Het LOGA heeft niet bepaald met wie deze afspraken worden gemaakt. Uitgangspunt is echter dat als het om groepen medewerkers gaat het GO gesprekspartner is. Betreft het een enkeling of een kleine groep dan kunnen deze afspraken ook individueel worden gemaakt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9.</span>De toelage overgangsrecht H3 moet minimaal 120 euro op jaarbasis zijn. Indien deze toelage lager is, wordt deze afgekocht met een eenmalig bedrag ter waarde van 5 jaar.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het bedrag van Euro 120 geldt bij een fulltime dienstverband. Bij deeltijd wordt het bedrag naar rato verlaagd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">10.</span>Als een dienstverband in de loop van een kalenderjaar eindigt, dan wordt de toelage overgangsrecht H3 naar rato uitgekeerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">11.</span>Als een dienstverband in omvang verkleind wordt, dan daalt de toelage overgangsrecht H3 naar rato.</div>\n<p class=\"lf-p\">Als de aanstelling in uren wordt teruggebracht, daalt de TOR naar rato. De TOR daalt niet als men ouderschapsverlof geniet of ziek is.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">12.</span>Vergroten van de aanstellingsomvang ná 31-12-2015 heeft geen effect.</div>\n<p class=\"lf-p\">De TOR volgt de duur en de omvang van de aanstelling in principe naar rato, behalve ingeval van vergroting van de aanstelling. Dan geldt de TOR niet wordt verhoogd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">13.</span>Lokaal mogen aanvullende afspraken over afkoop, uitruil of betaling in termijnen gemaakt worden.</div>\n<p class=\"lf-p\">Zie punt 8.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">14.</span>Er is apart overgangsrecht voor personeel van gemeenten die op 31 december 2015 een lokale regeling hebben met bepalingen over de ambtsjubileumgratificatie die positief afwijken van het nieuwe artikel 3:19. Medewerkers die binnen vijf jaar van verval van de lokale regeling (dus uiterlijk 31 december 2020) recht zouden hebben op een ambtsjubileumgratificatie als de lokale regeling niet was vervallen, krijgen de ambtsjubileumgratificatie op basis van de lokale regeling die op 31 december 2015 verviel. Het gaat hierbij om de datum van het ambtsjubileum en de hoogte van de ambtsjubileumgratificatie. De gemeente legt dit recht vast bij de overgang naar het nieuwe hoofdstuk 3.</div>\n<p class=\"lf-p\">De ambtsjubileumgratificatie kent een eigen overgangsbepaling. Het betreft de afspraak dat medewerkers die uiterlijk op 31 december 2020 recht hebben op een ambtsjubileumgratificatie op grond van de oude regeling van de gemeente, deze ambtsjubileumgratificatie ontvangen conform die oude regeling. Dat betekent ook dat de in die regeling vastgestelde criteria gelden voor de bepaling of het relevante aantal jaren is behaald.De gemeente moet dit recht vastleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe de gemeente dit doet is niet bepaald. Betreft het een kleine groep, dan kan het op individueel niveau. Makkelijker is op in een voetnoot bij het betreffende artikel in hoofdstuk 3 de oude regeling op te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Arbeidsduur en werktijden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:1</span><span class=\"lf-art-t\">Arbeidsduur en werktijden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college stelt lokaal een werktijdenregeling vast met inachtneming van hetgeen in dit hoofdstuk bepaald is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-1-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:1:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Werktijdenregeling</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1 algemene bepalingen Artikel 1 Begripsbepaling Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:</h3>\n<p class=\"lf-p\">Medewerker: De ambtenaar als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, sub a van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Venlo, alsmede uitzendkrachten, detacheringskrachten, stagiaires en personen die anderszins werkzaam zijn bij de werkgever.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedrijfstijden: De tijden waarin medewerkers op kantoor werkzaamheden kunnen verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Contacttijden: Tijdsblokken die de leidinggevende kan aanwijzen waarop de medewerker aanwezig, beschikbaar of bereikbaar moet zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Feitelijke arbeidsduur: Het aantal uren dat de medewerker in een bepaalde periode arbeid heeft verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Formele arbeidsduur: De volgens de aanstelling vastgestelde omvang van het aantal uren dat de medewerker in een bepaalde periode arbeid moet verrichten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassing Lid 1 De werktijdenregeling is van toepassing op alle medewerkers. De</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">regeling bestaat uit een standaard- en een bijzondere regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De standaardregeling geldt voor de medewerkers die zelf regelruimte hebben voor het bepalen van hun werktijden. Paragraaf 2 van deze regeling is uitsluitend van toepassing op deze medewerkers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 De bijzondere regeling is van toepassing op medewerkers waarvoor de individuele werktijden eenzijdig door de werkgever worden vastgesteld. Het college bepaalt welke functiegroep(en) onder de bijzondere regeling vallen. Deze functiegroep(en) en functies zijn opgenomen in Bijlage A van deze regeling. Paragraaf 3 van deze regeling is uitsluitend van toepassing op de medewerkers die deze functies uitoefenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">Formele arbeidsduur Lid 1De formele arbeidsduur bedraagt bij een voltijd dienstverband</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">gemiddeld 36 uur per week en 1806 uur per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Bij een deeltijd dienstverband is de formele arbeidsduur per week het aantal uren dat in de aanstelling is vermeld. De formele arbeidsduur per jaar wordt naar rato berekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 De feitelijke arbeidsduur kan afwijken van de formele arbeidsduur, met inachtneming van hoofdstuk 4 van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Venlo.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">Feitelijke arbeidsduur en compensatieverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De feitelijke arbeidsduur bedraagt bij een voltijd dienstverband gemiddeld 40 uur per week. Hierdoor bouwt de medewerker op jaarbasis 200,8 uur compensatieverlof op. Bij een deeltijd dienstverband wordt de feitelijke arbeidsduur (en het compensatieverlof) naar rato berekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2Het compensatieverlof wordt naar rato verminderd met de uren waarop de medewerker wegens ziekte is verhinderd om zijn dienstbetrekking te vervullen. Compensatieverlof dat is verbruikt, maar naderhand wegens ziekte niet toereikend blijkt te zijn, wordt aangevuld met:</p>\n<p class=\"lf-p\">Compensatie in werktijd, of Vakantieverlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Het compensatieverlof wordt opgenomen in hetzelfde jaar waarin het is opgebouwd. Niet opgenomen compensatieverlof vervalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 De 200,8 uren compensatieverlof worden toegevoegd aan het vakantieverlof, nadat maximaal 7 -in overeenstemming met de Ondernemingsraad- door het college vastgestelde collectieve sluitingsdagen (56 uur) hierop in mindering zijn gebracht. Dit zijn de brugdagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 De voorgaande leden zijn niet van toepassing op de medewerker waarmee afspraken zijn gemaakt over een werkpatroon waarbij geen compensatieverlof wordt opgebouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 6 De medewerker die verplicht moet werken op een brugdag, komt in aanmerking voor een vergoeding op grond van artikel 3:8 Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Venlo wanneer hij onder de standaardregeling valt. De medewerker waarop de bijzondere regeling van toepassing is, komt in aanmerking voor de overwerkvergoeding ingevolge artikel 3:2 Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Venlo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 7 De medewerker die een of meerdere brugdagen onvoldoende kan compenseren doordat hij geen of te weinig compensatieverlof opbouwt, dan wel het compensatieverlof reeds heeft verbruikt, dient het tekort aan feitelijke arbeidsduur aan te vullen door middel van één van de navolgende mogelijkheden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Inlevering van salaris, of Compensatie in werktijd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">Werktijden Lid 1 De werktijd bedraagt per dag maximaal 11 uren. De arbeidsduur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">bedraagt ten hoogste 50 uren per week.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De medewerker die tussen de 5,5 uur en 10 uur per dag werkt, dient ten minste een half uur pauze te nemen. De pauzetijd kan ineens of in 2 delen worden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3Wanneer een medewerker meer dan 10 uur per dag werkt, heeft hij ten minste recht op 45 minuten pauze. De pauzetijd moet minimaal in 2 delen worden opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwezigheid Lid 1 De bedrijfstijd is op maandag tot en met vrijdag tussen 7.00 uur en</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">19.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2De leidinggevende stelt de contacttijden in samenspraak met zijn medewerkers vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span><span class=\"lf-art-t\">DoktersbezoekLid 1 Doktersbezoek, tandartsbezoek, ziekenhuisbezoek, e.d. dienen buiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">werktijden plaats te vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Wanneer het niet mogelijk is om een bezoek als bedoeld in het eerste lid buiten de werktijden plaats te laten vinden, treden leidinggevende en medewerker in overleg om tot een passende oplossing te komen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2 De standaardregeling Artikel 7 Dagvenster Medewerkers kunnen werkzaamheden verrichten binnen het dagvenster</h3>\n<p class=\"lf-p\">van maandag tot en met vrijdag tussen 7.00 uur en 22.00 uur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8</span><span class=\"lf-art-t\">Bezetting en werkafspraken Lid 1 De leidinggevende is verantwoordelijk voor de bezetting van de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">afdeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Eenmaal per jaar worden basisafspraken gemaakt tussen de leidinggevende en de medewerker over de werktijden, verlof en werkplanning binnen het dagvenster. Deze afspraken worden schriftelijk vastgelegd en opgenomen in het jaarplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Uitgangspunt bij het maken van de basisafspraken over werktijden is een efficiënte en effectieve bedrijfsvoering, een goede procesgang van de werkzaamheden op de afdeling, bereikbaarheid voor interne en externe klanten en een optimale samenwerking op en tussen de afdelingen, waarbij rekening wordt gehouden met de balans tussen werk en privé van de medewerker.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Bijstelling van de afspraken kan in overleg plaatsvinden. Jaarlijks worden de basisafspraken over werktijden, verlof en werkplanning tenminste twee maal geëvalueerd. Deze evaluatie vindt in ieder geval plaats tijdens het jaarlijkse voortgangsgesprek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 Wanneer de medewerker binnen het dagvenster werkzaamheden moet verrichten buiten de afgesproken werktijden, wordt de gewerkte tijd op een ander moment gecompenseerd. De leidinggevende en de medewerker maken samen afspraken om de tijd op korte termijn te compenseren. Deze uren kunnen niet opgespaard worden of worden omgezet in vakantie-uren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9</span><span class=\"lf-art-t\">Plaats- en tijdonafhankelijk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">werken Lid 1 De medewerker maakt op eigen initiatief met de leidinggevende afspraken over de plaats waar hij zijn werkzaamheden verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De medewerker is verplicht er zelf zorg voor te dragen dat de werkplek die hij buiten kantoor inneemt voldoet en blijft voldoen aan de eisen die worden gesteld in de Arbeidsomstandighedenwet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10</span><span class=\"lf-art-t\">Buitendagvenstervergoeding Lid 1 Indien de medewerker buiten het dagvenster in opdracht van zijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">leidinggevende werkzaamheden moet verrichten, komt hij in aanmerking voor de buitendagvenstervergoeding zoals beschreven in artikel 3:8 Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Venlo. Deze vergoeding bedraagt per gewerkt uur een percentage van het uurloon. De gewerkte uren buiten het dagvenster worden tevens in tijd gecompenseerd. De medewerker maakt hierover afspraken met zijn leidinggevende. Deze uren kunnen niet worden opgespaard of worden omgezet in vakantie-uren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De medewerker die een functie bekleedt waaraan een functieschaal 11 of hoger verbonden is heeft conform artikel 3:8 van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Venlo geen recht op een buitendagvenstervergoeding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11</span><span class=\"lf-art-t\">Beschikbaarheidsdiensten Lid 1De medewerker die aangewezen is voor het verrichten van</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">beschikbaarheidsdiensten heeft recht op de standaardvergoeding zoals opgenomen in artikel 3a:3:3:1 van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Venlo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Indien de medewerker opgeroepen wordt tijdens zijn beschikbaarheidsdienst en werkzaamheden verricht buiten het dagvenster, komt hij in aanmerking voor de buitendagvenstervergoeding zoals beschreven in artikel 3:8 van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Venlo. Deze vergoeding bedraagt per gewerkt uur een percentage van het uurloon. De gewerkte uren buiten het dagvenster worden tevens in tijd gecompenseerd. De medewerker maakt hierover afspraken met zijn leidinggevende. Deze uren kunnen niet worden opgespaard of worden omgezet in vakantie-uren.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3 De bijzondere regeling Artikel 12 Bijzondere regeling Lid 1 De bijzondere regeling is van toepassing op de in bijlage A</h3>\n<p class=\"lf-p\">opgenomen functiegroep(en) en functies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De leidinggevende stelt voor deze groep eenzijdig de individuele werktijden vast conform artikel 4:4 van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Venlo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 De werktijd van de in bijlage A genoemde medewerkers van de Afdeling Openbare en Gebouwde Omgeving is van 7.30 uur tot 16.00 uur. De pauze bedraagt een half uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Het college kan besluiten om de in de bijlage A genoemde functies/functiegroep(en) wijzigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 Medewerkers in de bijzondere regeling kunnen conform de bepalingen in de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Venlo aanspraak maken op de overwerkvergoeding (artikel 3:2 AGV), toelage onregelmatige dienst (artikel 3:3) en beschikbaarheidsvergoeding (artikel 3:3A AGV).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-13\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13</span><span class=\"lf-art-t\">Tropenrooster In geval van bijzondere hoge binnen/buiten temperatuur in relatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">tot de werkomstandigheden kan het afdelingshoofd besluiten tot instelling van een tropenrooster. De werktijden in dat rooster zijn van 07.00 tot 13.00 uur. Het hierdoor ontstane negatieve werktijdensaldo dient voor het einde van het betreffende kalenderjaar te zijn vereffend. Deelname aan het tropenrooster geschiedt op vrijwillige basis in overleg met het afdelingshoofd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage AKlik hier voor het overzicht van functiegroep(en) en functies behorende bij bijzondere regeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-1-1-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:1:1:2</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing dienstvrije dagen of onderdelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">daarvan Regeling aanwijzing dienstvrije dagen of onderdelen daarvanDe aangewezen dagen of onderdelen daarvan, als bedoeld in artikel 4:5 van de AGV zijn als volgt: de vrijdag onmiddellijk voor de carnaval vanaf 15.00 uur; de carnavalsmaandag en de carnavalsdinsdag;</p>\n<p class=\"lf-p\">Goede Vrijdag; de vijfde mei;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het equivalent aan tijdscompensatie voor het bepaalde onder a. bedraagt 2,50 uur.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1 Standaardregeling voor de werktijden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:2</span><span class=\"lf-art-t\">Standaardregeling voor de werktijden</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:2</span><span class=\"lf-art-t\">Arbeidsduur en werktijden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1De ambtenaar verricht zijn werkzaamheden op tijden binnen het dagvenster.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Het dagvenster loopt van maandag tot en met vrijdag tussen 7:00 en 22:00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">3De ambtenaar en het college maken voorafgaand aan elk kalenderjaar afspraken over de werktijden, het verlof en de planning van de werkzaamheden van de ambtenaar, voor het komende jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Ten aanzien van de afspraken over werktijden geldt als uitgangspunt dat hierover overeenstemming bereikt wordt tussen de ambtenaar en het college; de werktijden binnen de normen van de arbeidstijdenwet blijven; de werktijd per dag ten hoogste 11 uren bedraagt en per week 50 uren, tenzij op verzoek van de ambtenaar daarvan wordt afgeweken.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Als gevolg van gewijzigde omstandigheden kunnen de afspraken over de werktijden aangepast worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">6De ambtenaar en het college overleggen tweemaal per jaar over de werktijden in relatie tot de planning van de werkzaamheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">7Blijkt tijdens dit periodieke gesprek over de werktijden dat het ongewijzigd voortzetten van de planning van de werkzaamheden leidt tot overschrijding van de arbeidsduur per jaar, dan worden de afspraken in overleg aangepast. Indien de ambtenaar en het college het erover eens zijn dat overschrijding van de arbeidsduur per jaar onvermijdelijk is dan wordt in overleg de omvang van de overschrijding vastgesteld, uitgedrukt in uren. De ambtenaar ontvangt voor elk te veel gewerkt uur een vergoeding ter hoogte van het uurloon of een uur vakantieverlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">8De ambtenaar verricht arbeid op werktijden buiten het dagvenster wanneer dat op grond van dienstbelang noodzakelijk is. Voor de uren die de ambtenaar buiten het dagvenster werkt geldt een buitendagvenstertoelage als bedoeld in artikel 3:12.</p>\n<p class=\"lf-p\">9Ten aanzien van het verrichten van arbeid buiten het dagvenster vanwege dienstbelang is het bepaalde in artikel 4:5 van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">10Wanneer de ambtenaar en het college er niet in slagen om de werktijden in overeenstemming vast te stellen, dan stelt het college wanneer het dienstbelang dit vergt eenzijdig de werktijden vast met afweging van alle betrokken belangen. In die situatie geldt ten aanzien van de werktijden van de ambtenaar de bijzondere regeling als bedoeld in paragraaf 2 van dit hoofdstuk.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">11.</span>Het college kan de ambtenaar om redenen van dienstbelang incidenteel verzoeken om werkzaamheden te verrichten op werktijden die afwijken van de afspraken die hierover gemaakt zijn op grond van het derde lid. Wanneer de ambtenaar en het college hierover geen overeenstemming bereiken dan heeft de ambtenaar recht op een vergoeding voor de gewerkte uren ter hoogte van de buitendagvenstertoelage, zoals omschreven in artikel 3:12. Artikel 3:12, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.</div>\n<p class=\"lf-p\">12Het college en de OR evalueren jaarlijks de regels en afspraken over de werktijden in de organisatie. De OR heeft de bevoegdheid om verbetervoorstellen in te dienen, waarvan het college alleen gemotiveerd kan afwijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">13Als op 31 december 2013 op grond van een lokale regeling een ruimer dagvenster geldt dan het dagvenster genoemd in het tweede lid, dan blijft vanaf 1 januari 2014 dit ruimere dagvenster gelden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-2-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-2-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:2:2</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2 Bijzondere regeling voor de werktijden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:3</span><span class=\"lf-art-t\">Werkingssfeer</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:4</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling werktijden</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:5</span><span class=\"lf-art-t\">Werken op zon- en feestdagen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:6</span><span class=\"lf-art-t\">Werken op zon- en feestdagen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:7</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:3</span><span class=\"lf-art-t\">Werkingssfeer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar van wie de werktijd eenzijdig wordt vastgesteld door het college.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-3-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:3:1</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-3-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:3:2</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-3-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:3:3</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:4</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling werktijden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het college stelt de werktijden van de ambtenaar vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">2De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per week.</p>\n<p class=\"lf-p\">3Wanneer voor de ambtenaar wisselende werktijden gelden dan legt het college deze vast in een rooster.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Bij de vaststelling van de werktijden worden de volgende regels in acht genomen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De werktijden worden ten minste één maand voor aanvang bekend gemaakt aan de ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De werktijd van de ambtenaar wordt niet uitsluitend vastgesteld op een wijze waardoor een aanspraak op een ORT wordt ontweken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:5</span><span class=\"lf-art-t\">Werken op zon- en feestdagen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar verricht geen werkzaamheden op zaterdag en zondag, tenzij het dienstbelang dit noodzakelijk maakt. Een afwijking hiervan is slechts mogelijk voor ten hoogste 26 zondagen per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Bij de vaststelling van de werktijden van de ambtenaar wordt zoveel mogelijk gezorgd, dat de ambtenaar op zondag en de voor hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat hij in zijn zondagsrust zo weinig mogelijk wordt beperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, geldt mede voor het verrichten van arbeid op de nieuwjaarsdag, de tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen en de dag waarop de verjaardag van de koning wordt gevierd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, geldt, hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, ook voor kerkelijke of nationale, landelijke, regionale of plaatselijk erkende feest- of gedenkdagen die door het college zijn aangewezen als dagen, waarop de openbare dienst van de gemeente is gesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Het bepaalde in dit artikel vindt voor hem die tot een kerkgenootschap behoort dat de wekelijkse rustdag op de sabbat of de zevende dag viert, overeenkomstige toepassing indien hij een daartoe strekkend verzoek heeft ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:6</span><span class=\"lf-art-t\">Werken op zon- en feestdagen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien door de ambtenaar, bedoeld in artikel 3:11, arbeid op zaterdag of zondag wordt verricht, wordt hem voor elke zaterdag of zondag waarop hij arbeid heeft verricht een werkdag ter vrije beschikking toegekend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:7</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan ter uitvoering van de artikelen 4:1 tot en met 4:6 nadere regels stellen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3 Werktijden brandweerpersoneel in</h3>\n<p class=\"lf-p\">dienstroosters</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:8</span><span class=\"lf-art-t\">Werktijden brandweerpersoneel in</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">dienstroosters</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:8</span><span class=\"lf-art-t\">Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De artikelen 4:1 tot en met 4:7 zijn niet van toepassing op de ambtenaar die bij de brandweer werkzaam is in een dienstrooster.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Het college stelt voor de ambtenaren genoemd in het eerste lid van dit artikel een werktijdenregeling vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">3Bij het vaststellen van het dienstrooster draagt het college er zorg voor dat de arbeidsduur per jaar niet wordt overschreden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige</h3>\n<p class=\"lf-p\">verlofspaarmogelijkheid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:9</span><span class=\"lf-art-t\">Opgebouwde verloftegoed uit voormalige</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">verlofspaarmogelijkheid</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:9</span><span class=\"lf-art-t\">Opgebouwde verloftegoed uit voormalige</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">verlofspaarmogelijkheid 1Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: opgebouwde verloftegoed: het voor 1 april 2006 opgebouwde verlof in het kader van de voormalige verlofspaarmogelijkheid; kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed: het omzetten van het opgebouwde verloftegoed in een geldbedrag. Per verlofuur wordt een bedrag uitgekeerd ten hoogte van het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar 2Het opgebouwde verloftegoed wordt op verzoek van de ambtenaar door het college verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten. De ambtenaar geniet het verlof zoveel als mogelijk in een aaneengesloten periode.</p>\n<p class=\"lf-p\">3De ambtenaar kan verzoeken om kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed.Het college beslist of aan dit verzoek kan worden voldaan. Het verloftegoed kan enkel worden gekapitaliseerd wanneer de ambtenaar deelneemt aan de levensloopregeling en wanneer het gekapitaliseerde verloftegoed wordt gestort op zijn levenslooprekening. Bij de kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed gelden de randvoorwaarden zoals opgenomen in de wettelijke bepalingen omtrent de levensloopregeling. Wanneer in een bepaald jaar het opgebouwde verloftegoed niet volledig kan worden gekapitaliseerd kan de ambtenaar in een volgend jaar opnieuw een verzoek indienen tot kapitalisatie van het resterende opgebouwde verloftegoed. Het college beslist dan of aan dit verzoek kan worden voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4In geval van ontslag op grond van artikel 8:1 wordt het resterende opgebouwde verloftegoed zoveel mogelijk opgenomen gedurende de opzegtermijn. In overeenstemming met de ambtenaar kan hiervoor de maximale opzegtermijn zonodig worden verlengd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het voor de ambtenaar, in verband met het aanvaarden van een ander dienstverband, niet mogelijk is om de opzegtermijn te verlengen, wordt het niet opgenomen resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">5In geval van ontslag op grond van artikel 8:3, 8:6, 8:7, 8:8 of 8:10 wordt de ambtenaar in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan het ontslag het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen. Indien dit niet mogelijk is, wordt het niet opgenomen opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">6In geval van ontslag op grond van artikel 8:5a of 8:13 is de ambtenaar verplicht het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen met ingang van de dag dat het voornemen tot ontslag aan de ambtenaar is meegedeeld. Het ontslag gaat in op de eerste dag na afloop van de opname van het opgebouwde verloftegoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">7In geval van ontslag op grond van artikel 8:4 en 8:5 of 8:9 wordt het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald op grond van het tiende lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">8In het geval van overlijden van de ambtenaar wordt aan de nabestaanden, met inachtneming van het bepaalde van artikel 8:16:2, het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">9In geval het ontslag als bedoeld in de voorgaande leden een gedeeltelijk ontslag betreft, worden tussen de ambtenaar en het college nadere afspraken gemaakt over de opname van het resterende opgebouwde verloftegoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">10Indien het opgebouwde verloftegoed wordt uitbetaald, wordt dit uitbetaald naar het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Seniorenmaatregelen Vervallen hoofdstuk</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 5 is vervallen.</h3>\n<p class=\"lf-p\">5a FPU Gemeenten en nieuwe seniorenmaatregelen Vervallen hoofdstuk</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 5a is vervallen.</h3>\n<p class=\"lf-p\">6 Vakantie en verlof</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:1</span><span class=\"lf-art-t\">Recht op vakantie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In elk kalenderjaar heeft de ambtenaar recht op vakantie met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Vakantieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De vakantie, waarop de ambtenaar recht heeft ingevolge artikel 6:1, wordt verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 6:2:4, eerste lid, dan wel toepassing wordt gegeven aan artikel 6:2:6.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De vakantie wordt verleend door het college.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2</span><span class=\"lf-art-t\">Duur vakantie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1De vakantie van de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt ten minste 144 uur per kalenderjaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kan de ambtenaar verzoeken in het daaropvolgende kalenderjaar de arbeidsduur per jaar te mogen overschrijden met - bij een volledige betrekking - een maximum van 50,4 uren en deze uren om te zetten in vakantie als bedoeld in het eerste lid. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.</p>\n<p class=\"lf-p\">3Het college wijst een verzoek als bedoeld in het vorige lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:2 geeft het college algemene regels met betrekking tot de duur van de vakantie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De duur van de vakantie van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week, wordt naar evenredigheid verminderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Bij de in het eerste lid bedoelde algemene regels wordt ten aanzien van de ambtenaren of bepaalde groepen van ambtenaren voorzien in een vermeerdering van de vakantie op grond van volbrachte diensttijd of bereikte leeftijd, dan wel van beide, waarbij het bepaalde in het tweede lid van overeenkomstige toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4De aan de ambtenaar volgens de in het eerste lid bedoelde algemene regels toekomende vakantie wordt vermeerderd met 14,4 uren ten aanzien van degene, bedoeld in de artikelen 3:11 en 3:13, indien regelmatig en in belangrijke mate op onregelmatige uren wordt gewerkt, respectievelijk indien de in artikel 3:13 genoemde verplichting regelmatig en in belangrijke mate op de ambtenaar rust.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 In gevallen waarin dit artikel niet voorziet, stelt het college bijzondere regels vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Vakantie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">VakantieregelingArtikel 1 BelanghebbendeDeze regeling is van toepassing op de ambtenaar in de zin van de AGV en op de werknemer in dienst op grond van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">VakantieduurDe duur van de jaarlijkse vakantie van de belanghebbende, bedoeld in artikel 1, wordt bepaald aan de hand van onderstaande tabel, die is afgestemd op de indeling in de salarisschalen volgens hoofdstuk 3a van de AGV: in de salarisschalen 1 t/m 9: 158,4 uren; in de salarisschalen 10 en hoger: 165,6 uren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De duur van de vakantie van een belanghebbende bedoeld in het eerste lid, met een formele arbeidsduur van minder dan 36 uren per week, wordt naar evenredigheid verminderd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">Splitsing van vakantieOnverminderd het bepaalde in artikel 6:2:2, eerste lid van</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">de AGV, wordt de vakantie zodanig opgenomen dat de vakantie hele of halve werkdagen omvat.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in het vierde lid kunnen vakantie-uren gesplitst worden opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">Verhoging vakantie door</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">leeftijdDe duur van de vakantie, als bedoeld in artikel 2, wordt verhoogd met:</p>\n<p class=\"lf-p\">7,2 uur te beginnen met het kalenderjaar waarin de belanghebbende, bedoeld in artikel 1, de leeftijd van 35 jaar bereikt;</p>\n<p class=\"lf-p\">14,4 uur te beginnen met het kalenderjaar waarin de belanghebbende, bedoeld in artikel 1, de leeftijd van 40 jaar bereikt;</p>\n<p class=\"lf-p\">21,6 uur te beginnen met het kalenderjaar waarin de belanghebbende, bedoeld in artikel 1, de leeftijd van 45 jaar bereikt;</p>\n<p class=\"lf-p\">28,8 uur te beginnen met het kalenderjaar waarin de belanghebbende, bedoeld in artikel 1, de leeftijd van 50 jaar bereikt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span><span class=\"lf-art-t\">Vermeerdering vakantie beneden 21</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">jaarDe duur van de vakantie, als bedoeld in artikel 2, wordt vermeerderd met:</p>\n<p class=\"lf-p\">21,6 uur, tot en met het kalenderjaar waarin de belanghebbende, bedoeld in artikel 1, de 18-jarige leeftijd bereikt;</p>\n<p class=\"lf-p\">14,4 uur, in het kalenderjaar waarin de belanghebbende, bedoeld in artikel 1, de 19-jarige leeftijd bereikt;</p>\n<p class=\"lf-p\">7,2 uur, in het kalenderjaar waarin de belanghebbende, bedoeld in artikel 1, de 20-jarige leeftijd bereikt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span><span class=\"lf-art-t\">OvergangsbepalingDe belanghebbende, bedoeld in artikel 1, die met ingang van</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">inwerkingtreding van deze regeling in dienst is getreden en daaraan voorafgaand onafgebroken vanaf 31 december 1996 in dienst is geweest voor een van de opgeheven gemeenten Venlo, Tegelen en Belfeld (Wet van 13 september 2000 tot samenvoeging van de gemeenten Venlo, Tegelen en Belfeld) heeft in afwijking van het bepaalde in artikel 4 aanspraak op de hierna vermelde verhoging van de vakantieduur:</p>\n<p class=\"lf-p\">14,4 uur, te beginnen met het kalenderjaar waarin de leeftijd van 35 jaar wordt bereikt of 15 jaar in overheidsdienst is doorgebracht;</p>\n<p class=\"lf-p\">28,8 uur, te beginnen met het kalenderjaar waarin de leeftijd van 45 jaar wordt bereikt of 25 jaar in overheidsdienst is doorgebracht;</p>\n<p class=\"lf-p\">43,2 uur, te beginnen met het kalenderjaar waarin de leeftijd van 55 jaar wordt bereikt of 35 jaar in overheidsdienst is doorgebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de vaststelling van de overheidsdienst, bedoeld in het eerste lid, wordt in aanmerking genomen de overheidsdienst, als bedoeld in artikel 3:5:1:1 van de AGV.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:2</span><span class=\"lf-art-t\">Aaneengesloten periode</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De vakantie kan worden opgesplitst, maar wordt als regel voor ten minste 2/3 deel, doch in elk geval voor ten minste tien werkdagen, aaneensluitend verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De vakantie wordt desverlangd zoveel mogelijk, in het bijzonder voor wat betreft de aaneengesloten periode, bedoeld in het eerste lid, verleend in het tijdvak van 1 mei tot 1 oktober. De ambtenaar wordt in de gelegenheid gesteld vakantie op te nemen op officiële feestdagen, samenhangend met geloof en/of culturele achtergrond anders dan de feestdagen genoemd in artikel 4:5 lid 3, bij het huwelijk of geregistreerd partnerschap van bloed- en aanverwanten in eerste en tweede graad en bij verhuizing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De beslissing omtrent de tijdstippen waarop de vakantie zal worden verleend, alsmede die omtrent de tijdvakken waarin de vakantie eventueel zal worden gesplitst, berust bij het bestuursorgaan dat de vakantie verleent. Bij die beslissing wordt, voor zover de belangen van de dienst en die van de andere ambtenaren die toelaten, zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van de ambtenaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vakantieopbouw tijdens ziekte, arbeidsongeschiktheid en andere redenen van afwezigheid 1De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld of wordt ontslagen heeft recht op een duur van de vakantie naar rato van de tijd dat hij zijn functie vervult.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Voor de ambtenaar die door oorzaken anders dan die bedoeld in het eerste lid , niet gedurende het volle kalenderjaar zijn functie vervult, wordt de duur van de vakantie naar evenredigheid verminderd behoudens het bepaalde in het derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3Onverminderd het bepaalde in artikel 6:1:1, eerste lid, wordt een vermindering, bedoeld in het tweede lid, niet toegepast: gedurende afwezigheid wegens zwangerschap en bevalling; gedurende afwezigheid wegens ziekte.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Indien aan de ambtenaar op zijn verzoek vakantie wordt verleend op werkdagen, waarop hij wegens ziekte geheel of gedeeltelijk zijn arbeid niet kan verrichten, wordt het aantal vakantie-uren van de ambtenaar verminderd met het aantal uren dat hij op die dag zou werken als hij niet ziek zou zijn geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Voor vakantie-uren waarop de ambtenaar aanspraak heeft, maar die met ingang van de dag van ontslag nog niet zijn verleend wordt een vergoeding gegeven. Deze vergoeding is gelijk aan het uurloon van de ambtenaar voor elk niet verleend vakantie-uur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:4</span><span class=\"lf-art-t\">Niet genoten vakantie wegens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">dienstbelang 1 Is aan de ambtenaar om redenen van dienstbelang in enig kalenderjaar de vakantie niet of niet geheel verleend, dan wordt hem die nog niet genoten vakantie zoveel mogelijk in het eerstvolgende, doch uiterlijk voor het einde van het tweede volgende kalenderjaar verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien het belang van de dienst het onvermijdelijk maakt, dat de vakantie of het aaneengesloten gedeelte daarvan wordt genoten buiten het in artikel 6:2:2, tweede lid, genoemde tijdvak, kan door het college de duur van de vakantie of het aaneengesloten deel daarvan met 1/3 worden verlengd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:5</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Verleende vakantie kan worden ingetrokken, wanneer dringende redenen van dienstbelang zulks noodzakelijk maken. Indien ten gevolge daarvan de ambtenaar op een bepaalde werkdag slechts gedeeltelijk vakantie genoot, worden de genoten vakantie-uren van die werkdag niet in aanmerking genomen bij de berekening van het aantal genoten vakantie-uren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien de ambtenaar ten gevolge van de intrekking van de vakantie geldelijke schade lijdt, wordt deze schade hem vergoed.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-5-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:5:1</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in artikel 6:1:1, eerste lid, en onverminderd het bepaalde in de artikelen 6:2:4, eerste lid, en 6:2:6:1 wordt de in enig kalenderjaar niet verleende vakantie overgeschreven naar het volgend kalenderjaar tot een maximum van 80 uren. Bij een deeltijdbetrekking wordt evengenoemd maximum bepaald naar evenredigheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:6</span><span class=\"lf-art-t\">Niet verleende vakantie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Indien in enig kalenderjaar de vakantie geheel of gedeeltelijk niet is verleend: op verzoek van de ambtenaar; als gevolg van afwezigheid wegens ziekte die niet aan de schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten; of als gevolg van verblijf in militaire dienst anders dan voor eerste oefening, wordt de niet genoten vakantie in een volgend kalenderjaar verleend, tenzij het belang van de dienst of de belangen van de andere ambtenaren zich daartegen verzetten. Een verzoek als bedoeld onder a kan achterwege blijven, indien de niet genoten vakantie minder is dan een nader door het college te bepalen aantal uren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2De wegens ziekte tijdens een vakantie niet genoten vakantie-uren worden als niet verleend beschouwd, indien de ambtenaar aannemelijk kan maken dat hij, ware hem geen vakantie verleend, op die uren verhinderd zou zijn geweest zijn functie te vervullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt met dien verstande, dat de ambtenaar in enig kalenderjaar nimmer meer vakantie-uren kan opnemen dan anderhalf maal het hem bij of krachtens artikel 6:2 lid 1 toekomende aantal uren tenzij op een desbetreffend verzoek van de ambtenaar uitdrukkelijk anders is beslist.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-6-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:6:1</span><span class=\"lf-art-t\">Niet verlenen vakantie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 6:2:6 lid 1, laatste volzin, kan een verzoek als bedoeld onder a van voornoemd artikel achterwege blijven, indien de niet genoten vakantie niet meer is dan het aantal uren genoemd in artikel 6:2:5:1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:7</span><span class=\"lf-art-t\">Derving voordelen uit dienstverband</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ambtenaar die tijdens zijn vakantie bepaalde voordelen welke aan zijn dienstverband zijn verbonden derft, kan deswege een vergoeding worden toegekend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-8-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:8:1</span><span class=\"lf-art-t\">Vergoeding in geld</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1De aan de ambtenaar toekomende vermeerdering van de vakantie krachtens het bepaalde in artikel 6:2:1, derde lid kan op diens verzoek worden vergoed in geld met een maximum van 21,6 uur. De vergoeding is gelijk aan het uurloon van de ambtenaar bij aanvang van het kalenderjaar, waarop de vergoeding van de vakantie-uren betrekking heeft, voor elk daarvoor in aanmerking komend vakantie-uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2De in het eerste lid bedoeld verzoek dient te worden gedaan aan het college voor 1 oktober voorafgaande aan het kalenderjaar waarop de vergoeding van de vakantie-uren betrekking heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2a</span><span class=\"lf-art-t\">Vervaltermijn wettelijk verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1Indien in een kalenderjaar het wettelijk verlof geheel of gedeeltelijk niet is opgenomen, vervalt dit verlof 12 maanden na het einde van dat kalenderjaar, tenzij de ambtenaar tot aan dat tijdstip om medische redenen redelijkerwijs niet in staat is geweest om dit vakantieverlof op te nemen, of dit vanwege dienstbelang niet mogelijk is geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Een ambtenaar kan een verzoek indienen om zijn wettelijk verlof gedeeltelijk in te zetten voor een langere verlofperiode. Het college kan daarbij de in lid 1 genoemde termijn verlengen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2b</span><span class=\"lf-art-t\">Verjaringstermijn bovenwettelijk verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien in een kalenderjaar het bovenwettelijk verlof geheel of gedeeltelijk niet is opgenomen, verjaart dit verlof 60 maanden na het einde van dat kalenderjaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:3</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-3-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:3:1</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4</span><span class=\"lf-art-t\">Buitengewoon verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op calamiteiten- en ander kort verzuimverlof of kraamverlof heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).</p>\n<p class=\"lf-p\">2In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke andere gevallen aan de ambtenaar door het college buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) kan worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke gevallen het college buitengewoon verlof kan verlenen aan de ambtenaar die lid is van een op grond van artikel 12:1, derde lid, toegelaten organisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">4In de situatie dat er tijdens de non-activiteit elders pensioen wordt opgebouwd, is het verhaal van premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan de bijdrage die voor de ambtenaar is verschuldigd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:1</span><span class=\"lf-art-t\">Buitengewoon verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1Het college verleent aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) op de dag dat het huwelijk of geregistreerd partnerschap van de ambtenaar wordt voltrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De ambtenaar meldt tenminste twee weken tevoren aan het college wanneer het huwelijk of het registeren van het partnerschap zal plaatsvinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Buitengewoon verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college verleent aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging gedurende één werkdag, indien deze samenvalt met de dag waarop de ambtenaar zijn 25-jarig ambtsjubileum viert.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-1a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:1a</span><span class=\"lf-art-t\">Langdurend zorgverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op langdurend zorgverlof, heeft over de uren dat hij dit verlof geniet aanspraak op doorbetaling van 50% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).</p>\n<p class=\"lf-p\">2Indien de ambtenaar gedurende het langdurend zorgverlof wegens ziekte niet in staat is zijn functie te vervullen vindt geen opschorting van het langdurend zorgverlof plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">3De ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet en langer dan 7 kalenderdagen wegens ziekte niet in staat is zijn functie te vervullen heeft met ingang van de achtste kalenderdag aanspraak op zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).</p>\n<p class=\"lf-p\">4De duur van de vakantie van de ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het langdurend zorgverlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn functie te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen, wordt met ingang van de achtste kalenderdag de vermindering van de duur van de vakantie beëindigd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:2</span><span class=\"lf-art-t\">Vakbondsverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1Voor de toepassing van dit artikel worden verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Centrales van overheidspersoneel: de Algemene Centrale van overheidspersoneel (ACOP); de Christelijke Centrale van overheids- en onderwijs Personeel (CCOOP); de Centrale van middelbare en hogere functionarissen bij overheid, onderwijs, bedrijven en instellingen (CMHF).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verenigingen van ambtenaren: de verenigingen van ambtenaren welke zijn aangesloten bij de onder a genoemde centrales van overheidspersoneel.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt door het college buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) verleend aan de ambtenaar: voor het bijwonen van algemene vergaderingen van verenigingen van ambtenaren of, voor zover het algemene verenigingen betreft welke ook andere groepen van ambtenaren dan gemeentepersoneel organiseren, voor het bijwonen van algemene vergaderingen van een landelijke groep van gemeentepersoneel indien de ambtenaar lid van het hoofdbestuur, bestuurslid ener landelijke groep of afgevaardigde van een afdeling is, met dien verstande dat van elke afdeling voor iedere vijftig leden of gedeelte daarvan aan ten hoogste twee afgevaardigden tot een maximum van tien afgevaardigden, verlof wordt verleend; voor het bijwonen van hoofdbestuursvergaderingen indien hij lid is van het hoofdbestuur van bondsraad- of bestuursraadvergaderingen indien hij lid is van de bonds- of bestuursraad, en van groepsraadvergaderingen indien hij lid is van een landelijke groepsraad; voor het bijwonen van één algemene vergadering van de centrale organisatie waarbij de vereniging van de ambtenaar is aangesloten, indien hij als vertegenwoordiger van zijn vereniging aan die vergadering deelneemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt door het college aan de ambtenaar met een volledige betrekking buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) verleend: om, indien hij daartoe door een centrale van overheidspersoneel als bedoeld in het eerste lid, onder a of door een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen. om bestuurlijke en/of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen die centrale of die daarbij aangesloten vereniging, onderscheidenlijk binnen het gemeentelijk apparaat, welke ertoe strekken de doelstellingen van deze centrale van overheidspersoneel en/of de daarbij aangesloten vereniging te ondersteunen, het geheel voor ten hoogste 216 uren per kalenderjaar; als vakbondsconsulent, voor ten hoogste 50 uur per jaar voor een organisatie met minder dan 400 medewerkers en ten hoogste 100 voor een organisatie met meer dan 400 medewerkers; als arbeidsvoorwaardenadviseur voor ten hoogste 50 uur per jaar voor een organisatie met minder dan 400 medewerkers en ten hoogste 100 uur voor een organisatie met meer dan 400 medewerkers met dien verstande dat per vakcentrale per organisatie verlof wordt toegekend aan maximaal een arbeidsvoorwaardenadviseur voor het - op uitnodiging van een vereniging van ambtenaren - als cursist deelnemen aan een cursus welke door of ten behoeve van de leden van die vereniging van ambtenaren wordt gegeven, alles te samen voor ten hoogste 43,2 uren per twee kalenderjaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Van het buitengewoon verlof met behoud van beloning van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur wordt het aantal uren genoemd in het derde lid onder de a en b, naar evenredigheid verminderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, kan voor de ambtenaar met een volledige betrekking niet meer bedragen dan ten hoogste 244,8 uren per kalenderjaar, echter met dien verstande dat ten hoogste 316,8 uren verlof kan worden verleend aan de ambtenaar die: lid is van het hoofdbestuur van een centrale van overheidspersoneel, genoemd in het eerste lid onder a, nr. 1 of 2 en/of van een vereniging van ambtenaren die rechtstreeks bij die centrale is aangesloten. lid is van het centrale bestuur van de centrale genoemd in het eerste lid onder a, nr. 3 en/of bestuurslid is van een sector of sectie van de centrale.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het buitengewoon verlof met behoud van beloning van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur wordt het aantal uren genoemd in het derde lid onder a en b, naar evenredigheid verminderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Verlof, bedoeld in de vorige leden, kan slechts worden verleend aan de ambtenaar die lid is van een vereniging van ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onder b.</p>\n<p class=\"lf-p\">7Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als lid van de commissie, bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) verleend voor het bijwonen van de vergadering van die commissie, alsmede voor een voorvergadering per uitgeschreven commissievergadering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetgeen ten aanzien van de voorvergadering is bepaald, geldt eveneens voor de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als plaatsvervangend lid van de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">8Het college kan omtrent het bepaalde in dit artikel nadere regels stellen, waarbij het te verlenen verlof, bedoeld in het tweede, derde en vijfde lid, op een lager aantal uren kan worden gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-2a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:2a</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:3</span><span class=\"lf-art-t\">Kortdurend zorgverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar met een volledige betrekking kan voor maximaal 72 uur per kalenderjaar aanspraak maken op kortdurend zorgverlof op grond van de Waz.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het maximum van 72 uur, als genoemd in het eerste lid, wordt voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele betrekkingsomvang van minder dan 36 uur per week naar evenredigheid verminderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het verlof komt voor de helft voor de rekening van de werkgever en voor de helft voor de rekening van de ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het college bepaalt in overleg met de ambtenaar nader de wijze waarop de verrekening van het verlof met hem plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verrekening met de vakantie bedoeld in artikel 6:2 is mogelijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:4</span><span class=\"lf-art-t\">Non-activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1Bij non-activiteit, bedoeld in artikel 125c, eerste lid, van de Ambtenarenwet bestaat geen recht op doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) en vakantietoelage.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Indien de ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming of verkiezing, bedoeld in artikel 125c, tweede lid, Ambtenarenwet 1929, aanspraak heeft op een vaste vergoeding - niet zijnde een onkostenvergoeding - wordt op zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n) over de tijd dat hij het op grond van dat artikellid verleende verlof geniet een inhouding toegepast. Deze inhouding gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als vergoeding voor de met het verlof overeenkomende tijd niet te boven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het college kan ter uitvoering van de vorige leden nadere regels vaststellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-4-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:4:1</span><span class=\"lf-art-t\">Buitengewoon verlof voor ambtenaren die een</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">functie in een publiekrechtelijk college bekleden Regeling buitengewoon verlof voor ambtenaren die een functie in een publiekrechtelijk college bekleden</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span><span class=\"lf-art-t\">In verband met het bepaalde in artikel 6:4:5, tweede lid van de AGV</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">worden ter bepaling van de hoogte van de raadsvergoeding c.q. wethouderswedde per uur de volgende normen in acht genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor raadsleden: in gemeenten tot 30.000 inwoners: aan het raadslidmaatschap te besteden tijdsduur:</p>\n<p class=\"lf-p\">7 uur per week; in gemeenten van 30.000 tot 100.000 inwoners: aan het raadslidmaatschap te besteden tijdsduur:</p>\n<p class=\"lf-p\">12 uur per week; in gemeenten van meer dan 100.000 inwoners: aan het raadslidmaatschap te besteden tijdsduur:</p>\n<p class=\"lf-p\">24 uur per week.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wethouders:</p>\n<p class=\"lf-p\">In gemeenten tot 2000 Inwoners: aan het wethouderschap te besteden tijdsduur: 16 uur per week;</p>\n<p class=\"lf-p\">In gemeenten tot 4000 Inwoners: aan het wethouderschap te besteden tijdsduur: 20 uur per week; in gemeenten tot 8000 inwoners: aan het wethouderschap te besteden tijdsduur: 24 uur per week; in gemeenten tot 14.000 inwoners: aan het wethouderschap te besteden tijdsduur: 28 uur per week; in gemeenten tot 18.000 inwoners: aan het wethouderschap te besteden tijdsduur: 32 uur per week;</p>\n<p class=\"lf-p\">In een gemeente met 18.000 of meer inwoners wordt het wethouderschap als regel als een volledige dagtaak beschouwd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">Met betrekking tot het lidmaatschap van Provinciale Staten zal voor</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">de berekening van de inhouding de taakduur van geval tot geval worden geschat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">Indien de vergoeding per uur als lid van het publiekrechtelijk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">college meer bedraagt dan het uurloon als ambtenaar, wordt in geval van verlof tijdens diensttijd het uurloon als ambtenaar ingehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de vergoeding per uur als lid van het publiekrechtelijk college minder bedraagt dan het uurloon als ambtenaar, wordt in geval van verlof tijdens diensttijd een inhouding toegepast ter hoogte van de eerstgenoemde vergoeding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:5</span><span class=\"lf-art-t\">Overige redenen buitengewoon verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan aan een ambtenaar op diens verzoek, met behoud van het genot van zijn gehele of gedeeltelijke salaris en de toegekende salaristoelage(n) en al dan niet onder bepaalde nadere voorwaarden, verlof verlenen om andere redenen dan die welke zijn genoemd in artikel 6:4 tot en met artikel 6:4:4. Het verlof wordt verleend voor maximaal één jaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-5-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:5:2</span><span class=\"lf-art-t\">Buitengewoon verlof voor begeleiding van</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">zieken/ invaliden/ bejaarden in georganiseerd verband Regeling buitengewoon verlof voor begeleiding van zieken/ invaliden/ bejaarden bij reizen in georganiseerd verbandArtikel 1In deze regeling wordt verstaan onder medewerker, degene als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onder a van de AGV.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">De medewerker, die in georganiseerd verband (mede) zorg draagt voor</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">begeleiding van zieken/ invaliden/ bejaarden bij georganiseerde reizen kan hiervoor buitengewoon verlof worden verleend met behoud van bezoldiging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">Het verlof, bedoeld in artikel 2 bedraagt per kalenderjaar de helft</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">van het aantal benodigde werkdagen met een maximum van drie werkdagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-5a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:5a</span><span class=\"lf-art-t\">Overige redenen buitengewoon verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het college kan aan de ambtenaar die benoemd is tot bezoldigd bestuurder van een vereniging van ambtenaren op diens verzoek onbetaald verlof verlenen voor de duur van de vervulling van de functie voor ten hoogste twee jaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de pensioenpremies en premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten hoogste drie maanden is verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:6</span><span class=\"lf-art-t\">Buitengewoon verlof is geen vakantie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het buitengewoon verlof dat volledig doorbetaald wordt, wordt niet in mindering gebracht op de vakantie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5</span><span class=\"lf-art-t\">Ouderschapsverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op ouderschapsverlof, heeft, voor zover lokaal een regeling betaald ouderschapsverlof is of wordt vastgesteld, over de uren dat hij dit verlof geniet, maar ten hoogste over 13 maal de formele arbeidsduur per week, aanspraak op doorbetaling van een percentage van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).</p>\n<p class=\"lf-p\">2Het percentage bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de ambtenaar die wordt gesalarieerd volgens: schaal 1:</p>\n<p class=\"lf-p\">90%; schaal 2:</p>\n<p class=\"lf-p\">85%; schaal 3:</p>\n<p class=\"lf-p\">80%; schaal 4:</p>\n<p class=\"lf-p\">70%; schaal 5:</p>\n<p class=\"lf-p\">60%; schaal 6 en hoger:</p>\n<p class=\"lf-p\">50%.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het is niet toegestaan dat de ambtenaar gedurende de uren dat het betaald ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid verricht. Het college kan hieromtrent nadere regels stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Op de ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op ouderschapsverlof is artikel 6:9 niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">5De ambtenaar kan op grond van onvoorziene omstandigheden een verzoek indienen om toegekend ouderschapsverlof niet op te nemen. Tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet, stemt het college hiermee in. Instemming heeft tot gevolg dat het resterende ouderschapsverlof wordt opgeschort.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5:1</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5:2</span><span class=\"lf-art-t\">Meerlingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Bij twee- of meerlingen bestaat slechts voor één kind aanspraak op betaald ouderschapsverlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De bepalingen uit artikel 6:5:1, 6:5:3, 6:5:4 en 6:5:7 zijn van overeenkomstige toepassing indien er, voor het tweede en de meerdere kinderen van een twee- of meerling, gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid onbetaald ouderschapsverlof te genieten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5:3</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5:4</span><span class=\"lf-art-t\">Opbouw vakantie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De duur van de vakantie van een ambtenaar die ouderschapsverlof geniet, wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het ouderschapsverlof.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5:5</span><span class=\"lf-art-t\">Terugbetaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen zes maanden daarna ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:1, eerste lid, of artikel 8:13, is verplicht het salaris en de toegekende salaristoelage(n), die hij op grond van artikel 6:5 heeft genoten, terug te betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Geen terugbetalingsverplichting ontstaat indien het ontslag als bedoeld in artikel 8:1, eerste lid: het gevolg is van het aanvaarden van een dienstverband bij een andere gemeente; en evenmin indien de betrokkene aanspraak heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, vanwege werkloosheid, die is ontstaan doordat de ambtenaar ontslag heeft gevraagd omdat hij de echtgenoot of geregistreerde partner volgt, die door geheel buiten hem liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet wijzigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen drie maanden daarna op eigen verzoek een functie aanvaardt voor minder uren dan hij direct voorafgaande aan het ouderschapsverlof vervulde, is verplicht het salaris en de toegekende salaristoelagen, die hij op grond van artikel 6:5 heeft genoten over de uren waarmee zijn aanstelling wordt verminderd, terug te betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De ambtenaar die van het betaald ouderschapsverlof gebruik maakt, dient zich tevoren schriftelijk akkoord te verklaren met het in het eerste en derde lid bepaalde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5:6</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5:7</span><span class=\"lf-art-t\">Betaald ouderschapsverlof: aanvullende</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">bepaling Voor gevallen waarin deze regeling niet of niet naar billijkheid voorziet, kan het college een bijzondere regeling treffen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5a</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5a</span><span class=\"lf-art-t\">1 Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:6</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:7</span><span class=\"lf-art-t\">Zwangerschaps- en bevallingsverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De vrouwelijke ambtenaar die op grond van de Wazo zwangerschaps- en bevallingsverlof geniet, heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van haar volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De Waz-uitkering van het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van het eerste lid recht heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De ambtenaar is, wanneer zij recht heeft op zwangerschaps- en bevallingsverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de uitbetaling van de Waz-uitkering door de gemeente bij en door het UWV.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de vrouwelijke ambtenaar de Wazo-uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, danwel het recht op de Wazo-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan haar schuld of toedoen te wijten is, wordt de Wazo-uitkering op het salaris en de toegekende salaristoelagen in mindering gebracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:8</span><span class=\"lf-art-t\">Adoptie- en pleegzorgverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op adoptie- of pleegzorgverlof, heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De Waz-uitkering van het adoptie- of pleegzorgverlof wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van het eerste lid recht heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De ambtenaar is, wanneer hij recht heeft op adoptie- of pleegzorgverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de uitbetaling van de Waz-uitkering door de gemeente bij en door het UWV.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de ambtenaar de Wazo-uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, danwel het recht op de Wazo-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt de Wazo-uitkering op het salaris en de toegekende salaristoelagen in mindering gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Het adoptie- en pleegzorgverlof schort de termijnen, bedoeld in artikel 7:3, niet op.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:9</span><span class=\"lf-art-t\">Onbetaald verlof onder meer t.b.v. de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">gemeentelijke levensloopregeling 1 De ambtenaar die langer dan een jaar in dienst is van de gemeente kan het college verzoeken hem onbetaald verlof te verlenen voor een periode van tenminste 1 maand en ten hoogste 18 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De ambtenaar geniet in een periode van vijf jaar maximaal 18 maanden onbetaald verlof. Per jaar heeft de ambtenaar recht op maximaal één periode van onbetaald verlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het college kan afwijken van de in het eerste en tweede lid gestelde voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het verzoek van de ambtenaar heeft betrekking op de volledige arbeidsduur of op een deel daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 De ambtenaar dient het verzoek tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum in. Het college stelt vast hoe het verzoek wordt ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Het college beslist zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee maanden na ontvangst van het verzoek. De ambtenaar ontvangt schriftelijk bericht van de beslissing van het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Indien de ambtenaar betaalde arbeid verricht over de uren dat hij onbetaald verlof geniet, kan het college het verlof intrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 Onverminderd het zevende lid kan het onbetaalde verlof niet tussentijds worden beëindigd tenzij het college en de ambtenaar hiermee instemmen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9 Het college kent een verzoek om onbetaald verlof dat betrekking heeft op een periode direct voorafgaand aan de pensionering toe, tenzij zwaarwegende dienstbelangen zich daartegen verzetten. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt het verlof verleend voor een periode van maximaal drie jaren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:10</span><span class=\"lf-art-t\">Aanspraken tijdens onbetaald verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De duur van de vakantie van de ambtenaar die onbetaald verlof geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het onbetaald verlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Gedurende de periode van verlof bestaat geen aanspraak op uitkeringen, tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en (kosten)vergoedingen. Bij deeltijd verlof wordt dit naar rato vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Gedurende de periode van het verlof bestaat aanspraak op de gehele vergoeding als bedoeld in artikel 7:24a.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de pensioenpremies en premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten hoogste drie maanden is verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:11</span><span class=\"lf-art-t\">Samenloop met ziekte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het verlof van de ambtenaar die voor een deel van zijn betrekking onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, eindigt met ingang van de vijftiende kalenderdag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het college kan besluiten het verlof van de ambtenaar die volledig onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, in schrijnende gevallen te beëindigen. Dit kan niet wanneer er sprake is van verlof voorafgaand aan pensionering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:12</span><span class=\"lf-art-t\">Samenloop met zwangerschaps- en</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">bevallingsverlof Het onbetaalde verlof eindigt op de eerste dag van het zwangerschaps- en bevallingsverlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">6a De gemeentelijke levensloopregeling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">1 Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: gemeentelijke levensloopregeling: een regeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964; instelling: een door de ambtenaar gekozen kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 19g, vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964; levenslooprekening: een bij de instelling door de ambtenaar geopende geblokkeerde rekening, waarop de inleg van de ambtenaar wordt gestort; levensloopverzekering: een bij de instelling door de ambtenaar afgesloten verzekering, waarop de inleg van de ambtenaar wordt gestort; levenslooptegoed: het tegoed op een levenslooprekening onderscheidenlijk het verzekerd kapitaal.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">2 Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">3 Verzoek tot deelname levensloopregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar die deel wil nemen aan de gemeentelijke levensloopregeling meldt dit bij het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de derde kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan de eisen zoals genoemd in artikel 6a:4.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">4 Voorwaarden deelname levensloopregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de instelling waarbij de levenslooprekening of de levensloopverzekering wordt aangehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een levenslooptegoed heeft opgebouwd bij een of meer gewezen inhoudingsplichtigen tenzij een andere werkgever bij wie de ambtenaar in dienst is geacht wordt inhoudingsplichtig te zijn ten aanzien van dit levenslooptegoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">3De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling aan het college informatie verstrekt over de omvang van het levenslooptegoed van de ambtenaar tenzij dit levenslooptegoed geacht wordt te zijn opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige bij wie de ambtenaar in dienst is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij voldoet aan de voorwaarden die de Wet op de loonbelasting 1964 aan deelname stelt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">5 Inleg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de gemeentelijke levensloopregeling het gewenste bedrag van de inleg per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De ambtenaar kan eenmaal per jaar op een door het college aangewezen wijze en tijdstip de hoogte van de inleg wijzigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De inleg bestaat uit een of meerdere van de in artikel 6a:6 genoemde bronnen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">6 Bronnen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de gemeentelijke levensloopregeling bestaat uit een of meer van de volgende bronnen: het salaris; het IKB indien het college de levensloopregeling op grond van artikel 3:29 lid 2 heeft aangewezen als bestedingsdoel van het IKB; de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren, bedoeld in artikel 3:36; het opgebouwde verloftegoed, bedoeld in artikel 4:9 lid 3.</p></div>", "next": 239976}