{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Gegevens van of over een sollicitant worden zonder de toestemming van de sollicitant niet ter beschikking gesteld, noch ter inzage gegeven aan personen of instellingen, die niet zijn betrokken bij de selectie voor de functie waarnaar hij of zij solliciteert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een psychologisch- of assessmentonderzoek wordt slechts ingesteld als daaraan voor een verantwoorde beoordeling van de geschiktheid van de sollicitant behoefte bestaat. Voor psychologisch- of assessmentonderzoek worden uitsluitend kandidaten voorgedragen, die in beginsel geschikt bevonden zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de sollicitant na kennisneming van het advies niet instemt met het doorgeven van het advies, bericht de psycholoog aan de gemeente Venlo uitsluitend dat op die grond geen advies zal worden uitgebracht. In geval van nabespreking met de psycholoog dient de sollicitant uiterlijk binnen een week na het onderzoek uitsluitsel te geven aan de psycholoog ter zake het vrijgeven van het advies. Het niet beschikbaar stellen van het advies betekent automatisch dat de sollicitant zijn sollicitatie intrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De contacten met de psycholoog lopen in eerste instantie via de managementadviseur p&amp;o.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elk psychologisch advies, waaronder assessment, over sollicitanten wordt onmiddellijk na het nemen van de beslissing omtrent het al dan niet benoemen of in dienst nemen vernietigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een medisch onderzoek in verband met de aanstelling of arbeidsovereenkomst is ingevolge de Wet op de medische keuringen slechts dan toegestaan als aan de vervulling van de functie bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding van reis- en verblijfkosten die de sollicitant maakt wanneer hij/zij op uitnodiging deelneemt aan de selectieprocedure, geschiedt op voet van de Reisregeling Personeel Venlo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een beslissing, die leidt tot afwijzing van een (in- of externe) sollicitant, wordt binnen een week aan betrokkene ter kennis gebracht. De afwijzing wordt zo goed mogelijk schriftelijk of mondeling gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afspraken met betrekking tot werkzaamheden en arbeidsvoorwaarden worden schriftelijk vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien drie maanden na sluiting van de sollicitatietermijn nog geen beslissing is genomen, wordt de sollicitant geïnformeerd over de stand van zaken en het verdere verloop van de selectieprocedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doelgroepenbeleid Zowel de maatschappelijke ontwikkelingen als de hiermee samenhangende wetgeving hebben er toe geleid dat de arbeidsorganisaties maatregelen hebben genomen ten behoeve van specifieke groepen op de arbeidsmarkt. Het gaat dan om groepen die moeilijk in het arbeidsproces worden opgenomen of die een grote achterstand hebben zodra de concurrentie met reguliere markt in het geding is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Concreet betreft het – overigens om verschillende redenen – de positie van de vrouw in zijn algemeenheid en de herintredende vrouw in het bijzonder in relatie tot gelijke kansen en posities, alsook de groepen gehandicapten en allochtonen c.q. minderheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het moge duidelijk zijn dat de haalbaarheid van het doelgroepenbeleid op langere termijn moet worden gezien. De opvatting dat de personele bezetting in een organisatie een afspiegeling behoort te zijn van onze maatschappij is algemeen aanvaard. De vraag is echter of de individuele organisatie hier ook op een redelijke termijn aan kan voldoen. Te meer daar hier enkele factoren, zoals kwaliteit en beschikbaarheid op de markt en vacante posities, een bepalende invloed doen gelden. De eisen met betrekking tot de continuïteit en het economisch verantwoord handelen worden nadrukkelijk gesteld en vervolgens centraal geplaatst. Dit betekent natuurlijk dat er wel mogelijkheden zijn maar dat de afweging van velerlei belangen geen eenzijdige prioriteit toestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente Venlo is van oordeel dat tegen deze achtergrond ook het beleid geformuleerd en uitgevoerd moet worden, waarbij ervan wordt uitgegaan dat de doelstelling duidelijk is maar het tempo en de termijn in goed overleg bepaald moeten worden. In het kader van de personeelsvoorziening moet eigenlijk gelijktijdig aan verschillende aspecten worden voldaan, omdat kennelijk in de praktijk vanuit deze invalshoek wordt getoetst. Desalniettemin zal in de praktijk een zekere fasering onvermijdelijk zijn. Items als het aanbod op de arbeidsmarkt en de eis van verantwoorde kwaliteit behoeven in dit verband geen nadere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een andere kwestie vormt de concrete taakstelling. Met andere woorden, welke resultaten dienen op welke termijn te worden gehaald. Mede ten behoeve van de gewenste objectiviteit en de evaluatie van het beleid, wordt dan ook uitgegaan van landelijk vastgestelde (aanbevolen) streefcijfers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alhoewel een vergaande differentiatie naar organisatieonderdeel, functiegroepen en niveaus mogelijk is wordt vooralsnog een integrale taakstelling (voor de totale organisatie) gehanteerd, echter met dien verstande dat het streefcijfer wel per dienst rechtstreeks wordt doorvertaald gezien de bestaande discrepantie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van het te voeren beleid krachtens de Wet stimulering arbeidsdeelname minderheden (Wet Samen) wordt een zelfde aanpak voorgestaan, m.a.w. een streefcijfer voor de gehele organisatie dat tevens van toepassing is op de afzonderlijke diensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is bewust voor gekozen om dit specifieke beleid met betrekking tot doelgroepen als een integraal onderdeel van het personeelsbeleid te beschouwen en dus ook zoveel mogelijk in de reguliere structuur op te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als uitgangspunten van beleid voor de komende jaren worden geformuleerd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de organisatie als geheel wordt het streefcijfer voor vrouwen op 45% vastgesteld. Het streefcijfer voor de doelgroep minderheden/gehandicapten wordt vastgesteld op 6%.</p>\n<p class=\"lf-p\">In advertenties zal worden opgenomen dat aan de specifieke groepen als bedoeld ad. 1, op de arbeidsmarkt bij gelijkwaardige geschiktheid voorrang wordt gegeven. Bovendien zal bij externe werving extra aandacht besteed worden aan de inzet van specifieke media voor de bedoelde doelgroepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het oproepen van externe kandidaten zullen, indien mogelijk, minimaal 1/3 vrouwen zijn betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zal extra aandacht besteed worden aan bestaande flankerende arbeidsvoorwaarden als de mogelijkheid om in deeltijd te werken, het aanbieden van kinderopvang, ouderschapsverlof etc..</p>\n<p class=\"lf-p\">Interne werving kan gepaard gaan met persoonlijke benadering van vrouwen en in combinatie met loopbaanbegeleidings- en ontwikkelingstrajecten, mede op basis van de functioneringsgesprekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veranderingen in de organisatiecultuur stimuleren. In dat verband dienen financiële middelen beschikbaar te worden gesteld (opleidingsplan).</p>\n<p class=\"lf-p\">Primair zullen de inspanningen gericht zijn op de beleids- en leidinggevende functies in de organisatie, door hier meer aandacht voor te vragen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-4-2-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:4:2:2</span><span class=\"lf-art-t\">Beleidsregels werving en selectie directeuren en afdelingshoofden in het directiemodel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op het moment dat er een vacature ontstaat wordt bekeken of het bestaande profiel moet worden aangevuld of dat er andere accenten moeten worden gelegd. Eventuele aanpassingen van het profiel worden voorgelegd aan de OR en vastgesteld door het college van B&amp;W.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het werving- en selectieproces wordt opgestart en er wordt een planning gemaakt voor het proces. De selectiecommissie en de selectieadviescommissie worden samengesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor directeuren bestaat de selectiecommissie uit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wethouder P&amp;O (voorzitter);</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen directeur;</p>\n<p class=\"lf-p\">Collega-directeur;</p>\n<p class=\"lf-p\">Adviseur Concernstaf;</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdelingshoofd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Vertegenwoordiger Ondernemingsraad;</p>\n<p class=\"lf-p\">Teamleider P&amp;O Bedrijfsvoering (tevens procesbegeleider).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor afdelingshoofden wordt een selectiecommissie gevormd voor m.n. het generieke profiel. Deze bestaat uit Algemeen directeur (voorzitter);</p>\n<p class=\"lf-p\">Wethouder P&amp;O;</p>\n<p class=\"lf-p\">Directeur;</p>\n<p class=\"lf-p\">Collega-afdelingshoofd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Vertegenwoordiger Ondernemingsraad;</p>\n<p class=\"lf-p\">Teamleider P&amp;O (tevens procesbegeleider).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor directeuren bestaat de adviescommissie uit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wethouder, niet zijnde wethouder P&amp;O (voorzitter);</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdelingshoofd Bedrijfsvoering;</p>\n<p class=\"lf-p\">Drie afdelingshoofden van de betreffende taakvelden, bij voorkeur uit verschillende afdelingen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Vertegenwoordiger Ondernemingsraad;</p>\n<p class=\"lf-p\">Managementadviseur Bedrijfsvoering (processturing).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor afdelingshoofden wordt een adviescommissie gevormd voor m.n. het specifieke deel van het profiel. Hierin hebben zitting:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wethouder (voorzitter);</p>\n<p class=\"lf-p\">Collega-afdelingshoofd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Twee medewerkers van de betreffende taakvelden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Vertegenwoordiger Ondernemingsraad;</p>\n<p class=\"lf-p\">Managementadviseur Bedrijfsvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De commissie wordt gevraagd voorafgaand aan de selectie bijeen te komen. Doel is om het profiel en de rolverdeling uit te wisselen. Eveneens kan inhoudelijk het gesprek worden voorbereid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De selectiecommissie kan zelf medewerkers uitnodigen binnen de vastgestelde termijn te solliciteren. Zij maakt daarbij gebruik van de lijst mobiliteitskandidaten en de lijst loopbaankandidaten die door de afdeling Bedrijfsvoering worden aangereikt. De in beginsel benoembare kandidaten worden actief benaderd. Ook kunnen anderen (collega’s) de selectiecommissie wijzen op mogelijke interne kandidaten. In geval van benoeming van één van deze kandidaten, wordt de vacature niet meer opengesteld voor andere interne of externe kandidaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de actieve benadering niet tot benoeming leidt, wordt de vacature achtereenvolgens of gelijktijdig in- en extern opengesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opstellen van de advertentietekst en selectie van media in-/ extern gebeurt in overleg met de algemeen directeur.De vacature wordt gepubliceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De selectiecommissie bepaalt welke kandidaten opgeroepen worden. Uitzonderingen gelden alleen, wanneer een kandidaat duidelijk niet aan de gestelde eisen voldoet. In dit geval wordt dit betrokkenen expliciet medegedeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De selectiecommissie directeuren draagt verantwoordelijkheid voor het selecteren van kandidaten op basis van het generieke profiel:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verantwoordelijkheidsgebieden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwaliteiten (kennis en ervaring en competenties);</p>\n<p class=\"lf-p\">Matchen kandidaat met het directieteam.</p>\n<p class=\"lf-p\">De selectiecommissie betrekt in haar overwegingen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Advies van selectieadviescommissie;</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapport performance assessment; (Eventueel) referenties.</p>\n<p class=\"lf-p\">De selectiecommissie afdelingshoofden draagt verantwoordelijkheid voor het selecteren van kandidaten op basis van het generieke profiel:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verantwoordelijkheidsgebieden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwaliteiten (kennis en ervaring en competenties).</p>\n<p class=\"lf-p\">De selectiecommissie betrekt in haar overwegingen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Advies van selectieadviescommissie;</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapport performance assessment; (Eventueel) referenties.</p>\n<p class=\"lf-p\">De adviescommissie directeurendraagt verantwoordelijkheid voor het geven van een advies middels de voorzitter van de commissie aan de selectiecommissie over het specifieke profielgedeelte:</p>\n<p class=\"lf-p\">Inhoudelijke expertise in het taakveld Matchen kandidaat met het afdelingsmanagement.</p>\n<p class=\"lf-p\">De adviescommissie afdelingshoofden draagt verantwoordelijkheid voor het geven van een advies middels de voorzitter van de commissie aan de selectiecommissie over het specifieke profielgedeelte:</p>\n<p class=\"lf-p\">Inhoudelijke expertise in het beleidsveld Matchen kandidaat met de afdeling:</p>\n<p class=\"lf-p\">Leidinggevende kwaliteiten in termen van binden en boeien; het gericht zijn op het motiveren van medewerkers, optimale inzetbaarheid van medewerkers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Persoonlijk leiderschap om goed de belangen te kunnen managen tussen opdrachtgevers en opdrachtnemers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Draagvlak creëren voor veranderingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het advies wordt geen unanimiteit nagestreefd. Bij verschillen van opvatting dienen deze juist (anoniem) aan de selectiecommissie te worden voorgelegd als ze betrekking hebben op relevante aspecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Ondernemingsraad brengt afzonderlijk advies uit aan de algemeen directeur (de bestuurder).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kandidaten gaan naar een performance assessment. De kandidaten dienen dit niet op te vatten als een ‘conceptbenoeming’. Dit wordt hen ook verteld. Het assessmentbureau ontvangt een instructie met specifieke vraagpunten.Een assessment vervangt niet de mening van de selectiecommissie. Het kan twijfels wegnemen of versterken of een voorlopige opvatting van de commissie bevestigen. De selectiecommissie kan te allen tijde afwijken van de uitslag van het assessment. De uitslag van het assessment en de beslissing van de selectiecommissie worden aan de kandidaten meegedeeld door de voorzitter en een vertegenwoordiger van de afdeling Bedrijfsvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benoeming van directeuren en afdelingshoofden gebeurt door het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze procedure is niet van toepassing op de griffier. De gemeenteraad benoemt de griffier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van dit artikel zijn de volgende kaders van toepassing:</p>\n<p class=\"lf-p\">Vastgestelde formatie;</p>\n<p class=\"lf-p\">Vastgestelde profielen voor directeuren en afdelingshoofden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Mandaatbesluit P&amp;O-beheertaken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Venlo, beleidsregels werving en selectie en beleidsregels vacaturebeleid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:5</span><span class=\"lf-art-t\">Arbeidsovereenkomst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Door het college kan met een persoon slechts een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht worden aangegaan voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in tweevoud opgemaakt en door beide partijen ondertekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3Artikel 125h van de Ambtenarenwet is van overeenkomstige toepassing op de persoon met wie een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is gesloten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-5-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:5:1</span><span class=\"lf-art-t\">Arbeidsovereenkomst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2:5 zijn de artikelen 2:1 tot en met 2:4:2 van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-5-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:5:2</span><span class=\"lf-art-t\">Minimum-urengarantie bij oproepkrachten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De overeenkomst kent een minimum-urengarantie. Per oproep wordt een minimum van 2 uur gegarandeerd en op maandbasis wordt uitbetaling van minimaal 15 uur gegarandeerd. De middeling van gewerkte uren vindt per kwartaal plaats indien in de maanden van het betreffende kwartaal meer of minder uren wordt gewerkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-5-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:5:3</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoud oproepovereenkomst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De overeenkomst dient de volgende afspraken te bevatten: de werkgever verbindt zich, indien zich werkzaamheden voordoen die een beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen, het verrichten van deze werkzaamheden aan de oproepkracht aan te bieden; de oproepkracht verbindt zich in beginsel de werkzaamheden - na daartoe opgeroepen te zijn - te verrichten; een oproep door de werkgever dient ten minste 24 uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de oproepkracht kenbaar gemaakt te worden. Daarbij dient de werkgever de omvang van de werkzaamheden zo nauwkeurig mogelijk aan te geven; de werkgever verbindt zich in de overeenkomst de tijden te vermelden, waarbinnen de werkzaamheden kunnen worden verricht; een oproep kan door de werkgever worden afgezegd en door de oproepkracht worden geweigerd, indien de afzegging respectievelijk de weigering uiterlijk twaalf uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de wederpartij kenbaar wordt gemaakt. Indien afzegging plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, is de werkgever gehouden loon te betalen als ware de werkzaamheden feitelijk vervuld. Indien weigering plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, maakt de oproepkracht zich schuldig aan plichtsverzuim; indien gedurende een omschreven periode de oproepkracht niet heeft gewerkt, terwijl de werkgever de oproepkracht ten minste een omschreven aantal malen daartoe heeft opgeroepen, en de oproepkracht alsdan niet verhinderd was werkzaam te zijn wegens ziekte, kan genoemde omstandigheid gelden als grond voor ontslag van de oproepkracht op grond van artikel 8:13.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-5-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:5:4</span><span class=\"lf-art-t\">Bezoldiging en betaling bij ziekte van de oproepkracht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De gemeente verbindt zich de bezoldiging van de oproepkracht te baseren op de minimum afspraken zoals geformuleerd in artikel 2:5:2 .</p>\n<p class=\"lf-p\">2De bezoldiging die de oproepkracht geniet, daaronder begrepen de vakantietoelage, wordt uitgedrukt in een bezoldiging per uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Ingeval de oproepkracht aanspraak maakt op een uitkering ingevolge hoofdstuk 7, wordt als berekeningsbasis voor de uitkering uitgegaan van het inkomen dat gemiddeld is genoten gedurende het kalenderkwartaal, voorafgaand aan het tijdstip waarop de ziekte is ontstaan. Ingeval het arbeidspatroon in bedoeld kalenderkwartaal in belangrijke mate afwijkt van het arbeidspatroon in een voorafgaand kwartaal, wordt uitgegaan van het inkomen dat is genoten gedurende een kalenderkwartaal dat een getrouw beeld geeft van het gemiddelde arbeidspatroon van de oproepkracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:6</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Op aanstellingen of arbeidsovereenkomsten die op 1 juli 2001 voldoen aan de voorwaarden van artikel 2:4 , wordt artikel 2:4 pas van toepassing indien een volgende aanstelling of arbeidsovereenkomst wordt aangegaan na een tussenpoos van niet meer dan drie maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Op een tijdelijke aanstelling of arbeidsovereenkomst die voor 1 juli 2001 is verleend en die na 1 juli 2001 doorloopt, blijven tot het einde van deze aanstelling of arbeidsovereenkomst de bepalingen van toepassing, zoals deze luidden voor 1 juli 2001.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Arbeidsovereenkomsten die zijn aangegaan op grond van de bepalingen van artikel 2:5 , eerste lid, onder a, b of c, en artikel 2:5:2 , onder b, juncto artikel 2:5 , eerste lid, onder e, zoals deze luidden voor 1 juli 2001, worden per 1 juli 2001 omgezet in een aanstelling. Van deze omzetting ontvangt betrokkene kosteloos bericht. Het aanstellingsbesluit voldoet aan de voorwaarden van artikel 2:4:1 .</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Arbeidsovereenkomsten voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter, die zijn aangegaan voor 1 mei 1994, vallen onder de werking van hoofdstuk 2, zoals dat per 1 juli 2001 luidt, met uitzondering van artikel 2:5:2 .</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:7</span><span class=\"lf-art-t\">Aanpassing arbeidsduur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht de formele arbeidsduur per week te verminderen, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht om de formele arbeidsduur per week uit te breiden tot het aantal uren van een volledige betrekking, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het college kan afwijken van het gestelde in het tweede lid ten aanzien van personen die werkzaam zijn in het kader van het Besluit in- en doorstroombanen, indien dit zou leiden tot een verlies van subsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-7a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:7a</span><span class=\"lf-art-t\">Aanpassing arbeidsduur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Op verzoek van het college kan de arbeidsduur van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van 36 uur per week, worden verruimd naar maximaal 40 uur per week.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Bij een verruiming van de arbeidsduur geldt dat: de verruiming van de arbeidsduur plaatsvindt gedurende een vooraf te bepalen periode; het salaris evenredig wordt verhoogd; de vakantieduur evenredig wordt verhoogd; de pensioenopbouw evenredig wordt verhoogd; de minimum vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 , tweede lid, sub a, evenredig wordt verhoogd; de minimale eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:6 , eerste lid, evenredig wordt verhoogd; instemming van de ambtenaar is vereist; artikel 4a:2 in de bepaalde periode niet van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Wanneer het eerste lid van dit artikel wordt toegepast, meldt het college dit vooraf aan de OR.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Het college rapporteert jaarlijks in het sociaal jaarverslag over het gebruik van de uitbreidingsmogelijkheid van de arbeidsduur naar maximaal 40 uur. Deze rapportage wordt ter bespreking voorgelegd aan de OR.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Salaris en vergoedingsregelingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:1</span><span class=\"lf-art-t\">Bezoldiging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Met inachtneming van artikel 1:2:1 wordt aan de ambtenaar binnen het kader van een lokaal vast te stellen bezoldigingsregeling een bezoldiging toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2In deze bezoldigingsregeling worden de volgende begrippen gebruikt: schaal: de in het kader van de bezoldigingsregeling, bedoeld in het eerste lid, voor een betrekking of voor een aantal betrekkingen tezamen ter bepaling van het salaris geldende opklimmende reeks van bedragen, daaronder mede begrepen de bedragen welke gelden ter verhoging van het salaris als gevolg van diensttijduitloop; salaris: het bedrag van de schaal hetwelk aan de ambtenaar is toegekend of, indien voor de betrekking een vast bedrag geldt, dit bedrag; bezoldiging: het salaris, vermeerderd met het bedrag van de aan de ambtenaar toegekende emolumenten en toelagen - niet zijnde onkostenvergoedingen - als omschreven in de in het eerste lid bedoelde regeling, alsmede het bedrag van de functioneringstoelage en de waarnemingstoelage.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Van de bezoldigingsregeling, bedoeld in het eerste lid, maken deel uit bijlage IIen IIa van de CAR.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage II omvat de indeling van de schalen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en is van toepassing op die ambtenaar die ook op 31 maart 1996 reeds een salaris genoot op grond van deze bijlage, tenzij op grond van het gestelde onder b, tweede gedachtenstreepje, bijlage IIa op hem van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage IIa omvat de indeling en de opbouw van de schalen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en is van toepassing op: de ambtenaar die op of na 1 april 1996 een betrekking aanvaardt in de zin van de CAR, zonder direct daaraan voorafgaand een betrekking in de zin van de CAR te hebben vervuld en de ambtenaar die op of na 1 april 1996 een nieuwe betrekking in de zin van de CAR aanvaardt, direct voorafgegaan door een andere betrekking in de zin van de CAR, waarbij aan die nieuwe betrekking een beter salarisperspectief is verbonden. Hierbij wordt een betrekking mede als nieuw aangemerkt ingeval een bestaande aanstelling of arbeidsovereenkomst wordt gewijzigd, als gevolg van een wijziging in de uit te voeren taken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Met inachtneming van het bepaalde in het derde lid en het vijfde lid worden in de bezoldigingsregeling nadere regels gesteld inzake de wijze waarop de inschaling plaatsvindt ingevolge bijlage IIa van de ambtenaren ten aanzien van wie het salaris op 31 maart 1996 is vastgesteld op grond van bijlage II .</p>\n<p class=\"lf-p\">5Van de nadere regels, bedoeld in het vorige lid, maken deel uit de afspraken: dat de ambtenaar met een salaris ingevolge bijlage II , die voor 1 april 1997 reeds het maximum heeft bereikt van de schaal en die binnen die betrekking geen perspectief heeft op een hogere schaal eerst per 1 april 1997 een salaris gaat ontvangen op basis van het maximum van dezelfde schaal ingevolge bijlage IIa ; en dat de ambtenaar met een salaris ingevolge bijlage II die op of na 1 april 1997 het maximum bereikt van de schaal en binnen zijn betrekking geen perspectief heeft op een hogere schaal op de datum van het bereiken van het maximum van de schaal een salaris gaat ontvangen op basis van het maximum van dezelfde schaal ingevolge bijlage IIa .</p>\n<p class=\"lf-p\">6Het salaris wordt berekend, gebaseerd op de formele arbeidsduur per week, en uitgekeerd per maand.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Met instemming van de ambtenaar kan een ambtenaar van 55 jaar of ouder in het kader van seniorenbeleid aangesteld worden in een functie waaraan een lagere schaal is verbonden met een dienovereenkomstige aanpassing van het salaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 Na de toepassing van artikel 7:16 , tweede lid, kan de ambtenaar worden herplaatst in de eigen of een passende functie waaraan een lagere schaal is verbonden met dienovereenkomstige aanpassing van het salaris.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Bezoldiging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De bezoldiging, bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, wordt bepaald met inachtneming van de aard van de betrekking en de wijze waarop de ambtenaar deze vervult. Mede kunnen in aanmerking worden genomen bekwaamheid en geschiktheid van de ambtenaar, voor zover in het belang van de dienst gebleken ter zake van werkzaamheden niet tot zijn eigenlijke betrekking behorende. Voorts kunnen in aanmerking worden genomen leeftijd en dienstjaren van de ambtenaar alsook andere omstandigheden, voor zover deze naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan, gelet op het dienstbelang en gelet op verhoudingen binnen de dienst, van betekenis zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Voor zover daarin niet reeds is voorzien door de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde regeling kan het college nadere regelen stellen met betrekking tot het in het eerste lid bepaalde.</p>\n<p class=\"lf-p\">3Voor zover in de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde regeling niet anders is bepaald, geschiedt de uitbetaling van de bezoldiging per maand. Omtrent de wijze waarop de uitbetaling geschiedt, kan het college nadere regels stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Over de tijd gedurende welke de ambtenaar in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn betrekking te vervullen, wordt hem zijn bezoldiging niet uitgekeerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-1-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:1:2</span><span class=\"lf-art-t\">Waarnemingstoelage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1De ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt, ontvangt, indien voor die betrekking een hogere schaal geldt dan voor zijn betrekking, over de tijd van deze waarneming een vergoeding overeenkomstig het bepaalde in het volgende lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2De vergoeding, bedoeld in het vorige lid, bedraagt 8% van het eigen salaris gedurende de periode van de waarneming. De vergoeding tezamen met de bezoldiging bedraagt gedurende de waarneming niet meer dan de ambtenaar zou hebben ontvangen indien hij was ingeschaald in de bij de waargenomen betrekking behorende schaal, hoogste periodiek. Voor de ambtenaar wiens salaris hoger is dan het maximum van een bij besluit van het college voor de toepassing van deze bepaling aangewezen schaal, bestaat eerst aanspraak op deze vergoeding, indien de waarneming in een aaneengesloten tijdvak van zes weken ten minste twintig volle werkdagen heeft geduurd, in welk geval hem de vergoeding over de dagen waarop hij reeds waargenomen heeft alsnog wordt uitbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">3De ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt waarvoor andere werktijden zijn vastgesteld dan voor zijn betrekking gelden, ontvangt - zulks onverminderd het bepaalde in het eerste lid - in zoverre op de waar te nemen betrekking het bepaalde in artikel 3:3 van toepassing is een vergoeding overeenkomstig de in dat artikel bedoelde regels. Op de eerste twee dagen en op de eerste zaterdag en zondag van de waarneming ontvangt hij evenwel voor de uren welke liggen buiten de voor zijn betrekking geldende werktijd ten minste een bedrag gelijk aan de vergoeding als bedoeld in artikel 3:2:1 . Wordt achtereenvolgens en zonder onderbreking meer dan een betrekking als hier bedoeld waargenomen, dan geldt dit als een geval van waarneming.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Geen vergoeding ingevolge het eerste en derde lid wordt genoten door de ambtenaar voor wie krachtens zijn aanstelling een bijzondere regeling geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Het college is bevoegd om in andere gevallen van waarneming een naar het oordeel van het college, gelet op de aard en de omvang van de ingevolge de waarneming verrichte werkzaamheden, alsmede op de duur en de wijze van de waarneming, billijke vergoeding toe te kennen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:2</span><span class=\"lf-art-t\">Overwerkvergoeding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar heeft recht op een vergoeding voor overwerk. In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald in welke gevallen een uitzondering geldt wat betreft de mogelijkheid aanspraak te maken op een vergoeding, bedoeld in de eerste volzin.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-2-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:2:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Overwerkvergoeding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding, bedoeld in artikel 3:2, bestaat uit verlof gelijk aan het aantal volle uren van het overwerk, alsmede uit het bedrag dat voor die uren wordt berekend overeenkomstig het in het vijfde lid bepaalde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verlof bedoeld in het vorige lid wordt verleend op een zo vroeg mogelijk tijdstip, gelegen zo mogelijk binnen twee weken, doch uiterlijk binnen zes weken na de week waarin het overwerk is verricht. Op verzoek van de ambtenaar en voor zover de belangen van de dienst en de belangen van de andere ambtenaren dit toelaten wordt het verlof verleend - zo nodig in afwijking van het bepaalde in de eerste volzin - op een tijdstip dat de ambtenaar wenst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor 1 oktober kunnen verlofuren die het gevolg zijn van de vergoeding van overwerk dat zal worden verricht in het daarop volgend kalenderjaar, worden omgezet in vakantie, als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid. Het aantal verlofuren uit de vorige volzin en het aantal vakantie-uren, als bedoeld in artikel 6:2, tweede lid, tezamen mag maximaal 50,4 uur bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming met het in het tweede lid bepaalde, dan bestaat de in artikel 3:2 bedoelde vergoeding uitsluitend uit een bedrag. Dit bedrag wordt berekend overeenkomstig het bepaalde in het vijfde lid, met dien verstande, dat de in dat lid genoemde percentages worden vermeerderd met 100.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt voor elk van de in aanmerking komende uren berekend naar een percentage van het uurloon van de ambtenaar.Dit percentage bedraagt:</p>\n<p class=\"lf-p\">100 voor overwerk op een zondag tussen 0 en 24 uur;</p>\n<p class=\"lf-p\">75 voor overwerk op een zaterdag tussen 0 en 24 uur;</p>\n<p class=\"lf-p\">75 voor overwerk op een maandag tussen 0 en 6 uur;</p>\n<p class=\"lf-p\">50 voor overwerk op een dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 0 en 6 uur;</p>\n<p class=\"lf-p\">50 voor overwerk op een maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 20 en 24 uur;</p>\n<p class=\"lf-p\">25 voor overwerk op een maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 6 en 20 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor overwerk op een dag, als bedoeld in artikel 4:2:1, derde en vierde lid, en op de dag volgende op de dag tussen 0 en 6 uur, geldt het percentage ingevolge het voorgaande, onderscheidenlijk voor een zondag en voor een maandag tussen 0 en 6 uur, bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is voor de ambtenaar volgens rooster in plaats van een zondag, een feestdag, als bedoeld in artikel 4:2:1, derde lid, een zaterdag of een dag bedoeld in artikel 4:2:1, vierde lid, een andere vrije dag aangewezen dan wordt overwerk op die dag beschouwd als overwerk op overeenkomstige uren verricht op onderscheidenlijk een zondag, een feestdag, bedoeld in artikel 4:2:1, derde lid, een zaterdag of een dag, bedoeld in artikel 4:2:1, vierde lid.Het college is echter bevoegd om, indien zulks naar het oordeel van het college wenselijk is, een regeling vast te stellen waarbij in afwijking van het hier bepaalde voor overwerk op vorenbedoelde vrije dag, ongeacht of deze is aangewezen in de plaats van een zondag of een feestdag, bedoeld in artikel 4:2:1, derde lid, een zaterdag of een dag, bedoeld in artikel 4:2:1, vierde lid, een gelijke vergoeding wordt vastgesteld van 80%.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college bepaalt welke ambtenaren – gelet op de aard en het niveau van hun betrekking - geen aanspraak hebben op vergoeding voor overwerk. Het college is bevoegd aan de ambtenaar die op grond van het bovenstaande geen aanspraak heeft op vergoeding voor overwerk in bijzondere gevallen een door het college te bepalen vergoeding toe te kennen, indien en naarmate dit naar het oordeel van het college, gelet op de aard of omvang van het overwerk en de onvermijdelijkheid daarvan, redelijk is te achten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college is bevoegd om voor werkzaamheden welke door ambtenaren met een verschillende bezoldiging en eventueel een verschillende betrekking te samen en gelijktijdig als overwerk moeten worden verricht, een naar het oordeel van het college billijke voor deze ambtenaren gelijke vergoeding vast te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is niet van toepassing op overwerk dat voortvloeit uit een van de in artikel 15:1:11 bedoelde verplichtingen. Het college regelt afzonderlijk de vergoeding voor zodanig overwerk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-2-1-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:2:1:2</span><span class=\"lf-art-t\">Overwerkvergoeding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om voor overwerkvergoeding als bedoeld in artikel 3:2:1:1 van de AGV, in aanmerking te komen moet de ambtenaar voor de aanvang van het overwerk een uitdrukkelijke opdracht tot het verrichten daarvan hebben ontvangen van zijn afdelingshoofd of namens deze van zijn direct leidinggevende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen aanspraak op vergoeding heeft de ambtenaar wiens functieniveau is vastgesteld op schaal 11 of hoger.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-2-1-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:2:1:3</span><span class=\"lf-art-t\">Maaltijdvergoeding bij overwerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze regeling wordt verstaan onder medewerker:degene als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid onder a, van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Venlo.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval door de medewerker in opdracht werkzaamheden moeten worden verricht buiten de voor hem geldende werktijden en binnen de grenzen van de gemeente wordt geen vergoeding voor of maaltijden van gemeentewege verstrekt, tenzij het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in artikel 2 wordt voor de gemaakte kosten van een maaltijd een vergoeding verleend, indien: de werkzaamheden niet zijn voorzien, en er voor het nuttigen van een maaltijd geen gelegenheid is om naar huis te gaan, en de werkzaamheden tenminste voortduren tot 21.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, bedraagt maximaal het bedrag van de dagcomponent, genoemd in artikel 9, eerste lid, van de Reisregeling personeel gemeente Venlo.Het bepaalde in artikel 10 (declaratie) van die regeling is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze regeling is niet van toepassing, indien en voor zover een andere regeling voor bijzondere situaties voorziet in een afzonderlijke voorziening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-2-1-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:2:1:4</span><span class=\"lf-art-t\">Vergoeding bij rampen/ calamiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van dit artikel dient onder “medewerker” te worden verstaan degene bedoeld in artikel 15:1g van de AGV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien consignatie van de medewerker noodzakelijk is, geldt het bepaalde in (of krachtens) artikel 3a:3:3:1 van de AGV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval sprake is van overwerk, als bedoeld in artikel 15:1g, tweede lid onder b van de AGV, is met betrekking tot de vergoeding van het overwerk het bepaalde in artikel 3:2:1:1, vierde en vijfde lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat: als uurloon wordt gehanteerd het maximum bedrag van schaal 8, volgens bijlage IIa, bedoeld in artikel 3a:1:1:1 van de AGV; het gestelde met betrekking tot de “twee uur per week” in artikel 3:2:1:1, vijfde lid, onder a, eerste volzin, niet van toepassing is; de hiervoor bedoelde vergoeding geschiedt in geld, behoudens onredelijke en persoonlijke omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gewerkte uren tussen 24.00 uur en het begin van de voor de medewerker geldende werktijd (gederfde slaapuren) worden vanaf het begin van de werktijd gecompenseerd met verlof met behoud van bezoldiging, met dien verstande, dat die verlofuren niet in mindering worden gebracht op de uren, die ingevolge deze regeling in aanmerking komen vergoeding. Voor de toepassing van het eerste lid wordt voor de medewerker, waarop de variabele werktijdregeling van toepassing is, uitgegaan van een begin werktijd van 08.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de medewerker, bedoeld in artikel 3, wiens werkzaamheden aldaar bedoeld feitelijk overeenkomen met taakbestanddelen uit de eigen functie, wordt de vergoeding, bedoeld in voornoemd lid, afgeleid van zijn uurloon, met dien verstande, dat bedoeld uurloon, tenminste wordt afgeleid van het salarisbedrag bedoeld in artikel 3 onder a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor overwerk, bedoeld in de vorige artikelen, dat wordt verricht op een zogenaamde brugdag in het kader van de arbeidsduurverkorting, gelden de percentages, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:3</span><span class=\"lf-art-t\">Toelage onregelmatige dienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1De ambtenaar heeft recht op een vergoeding over de werktijd vastgesteld op: maandag tot en met vrijdag tussen 00.00 en 08.00 uur en tussen 18.00 uur en 24.00 uur; zaterdag tussen 00.00 en 24.00 uur; zondag tussen 00.00 en 24.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">2In afwijking van het bepaalde in het eerste lid heeft de ambtenaar geen recht op vergoeding, indien in een week slechts op één aaneengesloten periode van ten hoogste 3 uur, op de in dat lid onder a of b genoemde tijdstippen, werktijd is vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3In afwijking van het bepaalde in het tweede lid behoudt de ambtenaar zijn recht op vergoeding over de op zaterdag vastgestelde werktijd, indien voor hem reeds vóór 1 januari 1997 in de regel werktijd op zaterdag werd vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald in welke gevallen, anders dan in de voorgaande leden, een uitzondering geldt voor de mogelijkheid om aanspraak te maken op een vergoeding, als bedoeld in het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-3-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:3:1</span><span class=\"lf-art-t\">Beschikbaarheidsdiensten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college stelt voor de ambtenaar aan wie de verplichting, bedoeld in artikel 15:1:10 , tweede lid, onder c, is opgelegd, regelen ter vergoeding daarvan. Geen vergoeding wordt toegekend, indien uitdrukkelijk is bepaald, dat bij de vaststelling van de bezoldiging met vorenbedoelde verplichting is rekening gehouden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-3-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:3:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Toelage onregelmatige dienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3:3 lid 2 is niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:4</span><span class=\"lf-art-t\">Verschuivingsvergoeding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan bepalen dat bij verschuiving van de feitelijke arbeidsduur per week of bij verschuiving van de vastgestelde werktijden, anders dan op verzoek van de ambtenaar, aanspraak op een vergoeding ontstaat. In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald wanneer recht ontstaat op een verschuivingsvergoeding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-4-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:4:1</span><span class=\"lf-art-t\">Verschuivingsvergoeding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3:4 heeft de ambtenaar recht op een vergoeding, indien binnen 72 uur voor aanvang van de oorspronkelijk vastgestelde: feitelijke arbeidsduur per week, deze arbeidsduur wordt verschoven; werktijd, deze werktijd wordt verschoven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in geval een verschuiving van de oorspronkelijk vastgestelde arbeidsduur per week en/of de oorspronkelijk vastgestelde werktijd plaatsvindt zonder dat het dienstbelang dit vereist, gedurende de periode gelegen tussen een maand en 72 uur voor aanvang van de betreffende week dan wel de werktijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3De hoogte van deze vergoeding bedraagt voor elk verschoven uur 25% van het uurloon.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:5</span><span class=\"lf-art-t\">Ambtsjubileumgratificatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar heeft recht op een ambtsjubileumgratificatie. In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald: in welke gevallen een uitzondering geldt wat betreft de mogelijkheid aanspraak te maken op een gratificatie, bedoeld in de aanhef; op welke wijze het bedrag aan gratificatie wordt berekend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-5-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:5:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Ambtsjubileumgratificatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar, die gedurende 12½ jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld, wordt een gratificatie toegekend, overeenkomende met de helft van de bezoldiging en van de vakantietoelage waarop de ambtenaar in de maand van zijn ambtsjubileum aanspraak heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar, die gedurende 25 jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld, wordt een gratificatie toegekend, overeenkomende met de gehele bezoldiging, vermeerderd met de vakantietoelage waarop de ambtenaar in de maand van zijn jubileum aanspraak heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar, die gedurende 40 respectievelijk 50 jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld, wordt een gratificatie toegekend, overeenkomende met de gehele bezoldiging, vermeerderd met de vakantietoelage, waarop de ambtenaar in de maand van zijn jubileum aanspraak heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gratificatie wordt naar boven afgerond op een veelvoud van vijf euro.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de ambtenaar, die in het genot is van een herplaatsingstoelage, als bedoeld in artikel 9.2 van het pensioenreglement, wordt een gratificatie ingevolge het bepaalde in dit artikel berekend over de bezoldiging en de vakantietoelage vermeerderd met de herplaatsingstoelage, waarop de ambtenaar in de maand van zijn jubileum aanspraak heeft. Het gedeelte van de gratificatie, dat geacht kan worden betrekking te hebben op het bedrag van de herplaatsingstoelage, wordt de ambtenaar netto uitgekeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gedeeltelijk ontslag wordt de ambtsjubileumgratificatie berekend naar rato van het aantal uren waarvoor ontslag wordt verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-5-1-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:5:1:2</span><span class=\"lf-art-t\">Diensttijd in verband met ambtsjubileum</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">in een burgerlijke dienstbetrekking bij de Nederlandse overheid, waaronder te dezen mede worden begrepen de N.V. Nederlandse Spoorwegen tot 1 januari 1994, de v.m. N.V. “Artillerie-Inrichtingen” en de N.V. Staatsmijnen; in een betrekking (vóór 1 januari 1966), als bedoeld in artikel 4, eerste lid van de Pensioenwet 1922 (Stb. 1922, 240), een betrekking, als bedoeld in artikel B 2 van de Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb. 1966, 6) in een betrekking als bedoeld in artikel U 1 van die wet; in burgerlijke dienst bij de overheid in de landen Suriname, (tot 25 november 1975) en de Nederlandse Antillen, bij de voormalige gouvernementen van Suriname, Curaçao en Nieuw-Guinea en (tot 27 december 1949) bij de voormalige Indische Pensioenfondsen; in dienst bij het niet-openbaar onderwijs in de onder c. genoemde landen en voormalige overzeese rijksdelen, voor zover zulks de belanghebbende onder de werkingssfeer van een overheidspensioenregeling bracht of zou hebben gebracht, indien hij in vaste dienst was geweest; tot en met 31 december 1954 in dienst van de Republiek Indonesië, voor zover die tijd door de Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië wordt bestreken; in Nederlandse militaire of daarmede voor de toepassing van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Venlo gelijkgestelde dienst, waaronder begrepen dienst bij het voormalig K.N.I.L. en de troepen in Suriname (tot 25 november 1975) en de Nederlandse Antillen en Aruba; als volontair met een volledige dagtaak; de tijd, waarover rechtsherstel is verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als diensttijd in de zin van deze regeling wordt, in afwijking van het vorenstaande, niet aangemerkt diensttijd, welke niet in actieve dienst is doorgebracht wegens het bekleden van een politiek ambt.Voorts komt als dienst niet in aanmerking tijd, welke is doorgebracht buiten het genot van inkomsten uit de dienstbetrekking, behoudens –onverminderd het bepaalde in de vorige volzin – voor zoveel het tijd betreft, gedurende welke betrokkene buitengewoon verlof heeft genoten mede dan wel overwegend in het algemeen belang (artikel 6:4:4 van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Venlo). Evenmin wordt als diensttijd aangemerkt fictieve diensttijd, onverminderd het in het eerste lid 1 onder 1 h bepaalde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Diensttijd, gelijktijdig in meer dan één betrekking doorgebracht, telt voor de vaststelling van de datum van het ambtsjubileum slechts eenmaal mede. Evenmin vindt dubbeltelling plaats van diensttijd, doorgebracht binnen de keerkringen of in andere bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gebieden als bedoeld in artikel B 4 van de Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb. 1966, 6).</p>\n<p class=\"lf-p\">De diensttijd behoeft niet aaneengesloten te zijn. De perioden van onderbreking worden uiteraard niet als diensttijd aangemerkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:6</span><span class=\"lf-art-t\">Eindejaarsuitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1De ambtenaar heeft recht op een eindejaarsuitkering ten bedrage van 6,0% van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris op jaarbasis. De uitkering bedraagt bij een volledige betrekking minimaal € 1.750,--. Bij een deeltijd betrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2De eindejaarsuitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">3Bij indiensttreding na 1 januari van een kalenderjaar bouwt de ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een eindejaarsuitkering op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling van de eindejaarsuitkering plaats over het gedeelte van het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is geweest.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-7-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:7:1</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-7-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:7:2</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-7-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:7:3</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-7-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:7:4</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-7-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:7:5</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-7-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:7:6</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-7-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:7:7</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-8-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:8:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Afscheidsgratificatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar, die ter zake van een ontslag op grond van artikel 8:3 aanspraak kan maken op een uitkering ingevolge artikel 9:1, wordt een afscheidsgratificatie toegekend, overeenkomende met het bedrag van de gratificatie, als bedoeld in artikel 3:5:1:1, welke hem zou zijn toegekend bij het voortduren van het dienstverband tot vijf jaren na de ontslagdatum.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-8-1-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:8:1:2</span><span class=\"lf-art-t\">Afscheidsgratificatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ambtenaar, die wordt ontslagen: op grond van artikel 8:3; op grond van artikel 8:4, voor zover hij niet is herplaatst in een dienstverhouding als bedoeld in hoofdstuk 9 van het pensioenreglement; op grond van artikel 8:9; op grond van artikel 8:10 of 8:11 indien en voor zover het een volledig ontslag betreft, en die indien het ontslag niet had plaatsgevonden het voor een gratificatie, als bedoeld in artikel 3:5:1:1, vereiste aantal overheidsjaren binnen vijf jaren na de ontslagdatum had kunnen vervullen, wordt een proportionele afscheidsgratificatie toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De proportionele afscheidsgratificatie wordt berekend door het bedrag, waarop recht zou hebben bestaan, indien het vereiste aantal overheidsjaren zou zijn vervuld, te vermenigvuldigen met een breuk. Daarvan wordt de teller gevormd door het feitelijk geheel of gedeeltelijk vervulde aantal overheidsjaren, waarbij naar boven wordt afgerond op hele maanden; de noemer is het aantal overheidsjaren, dat vervuld had moeten zijn om voor de betreffende gratificatie, als bedoeld in artikel 3:5:1:1, in aanmerking te kunnen komen.De proportionele afscheidsgratificatie wordt naar boven afgerond op een veelvoud van vijf euro.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gedeeltelijk ontslag wordt de proportionele afscheidsgratificatie berekend naar rato van het aantal uren waarvoor ontslag wordt verleend</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-8-1-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:8:1:3</span><span class=\"lf-art-t\">Afscheidsgratificatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar, die, al dan niet op eigen verzoek ontslag wordt verleend, komt, onverminderd het bepaalde in de artikelen 3:8:1:1 en 3:8:1:2, in aanmerking voor een afscheidsgratificatie, indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: het dienstverband bij de gemeente Venlo heeft ten minste 10 jaar geduurd; het ontslag is verleend op grond van: artikel 8:2; artikel 8:3; artikel 8:4; artikel 8:5, voor zover hij niet is herplaatst in een dienstverhouding als bedoeld in hoofdstuk 9 van het pensioenreglement; artikel 8:9; artikel 8:10; artikel 8:11.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste lid bedoelde afscheidsgratificatie bestaat uit een eenmalige netto-uitkering ter grootte van € 445,00 Norm 1 april 2012Norm 1 januari 2012: € 440,-). Deze uitkering wordt telkenmale aangepast aan de algemene verhoging van de salarisbedragen, bedoeld in Bijlage I, waarbij een afronding naar boven plaatsvindt op een veelvoud van vijf euro.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afscheidsgratificatie wordt onmiddellijk voor de ingangsdatum van het ontslag aan de ambtenaar uitgekeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3a Bezoldigingsregeling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">1:1:1 Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: ambtenaar:degene op wie het bepaalde in artikel 3:1 van toepassing is; salaris:het salaris, als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid onder b; uurloon:het uurloon, als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid onder o; salarisschaal:de schaal, als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid onder a, opgenomen in bijlage II of IIa ; maximumsalaris:het hoogste bedrag van een salarisschaal, exclusief de bedragen, die gelden als diensttijduitloop, voor zover de salarisschaal dat aangeeft; bezoldiging:de bezoldiging, als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid onder c; toelage:alle toelagen, waarop ingevolge of krachtens deze regeling aanspraak bestaat; functie:het geheel van werkzaamheden, als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid onder b, overeenkomstig hetgeen door burgemeester en wethouders is bepaald; functieschaal:de salarisschaal, als bedoeld in het tweede lid van artikel 3a:2:5:1; volledige betrekking:de volledige betrekking, als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid onder k.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">2:1:1 Recht op salaris</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het recht op salaris vangt aan met de dag, waarop de aanstelling van de ambtenaar ingaat. Indien in het aanstellingsbesluit geen datum van ingang is vermeld, vangt het recht op salaris aan met de dag, waarop de ambtenaar feitelijk in dienst is getreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het recht op salaris eindigt, in geval van ontslag, met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">2:2:1 Gebroken tijdvakken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer het salaris of een toelage moet worden berekend over een gedeelte van een maand, wordt het bedrag per dag vastgesteld door het maandbedrag te delen door het aantal kalenderdagen van die maand.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">2:3:1 Onvolledige betrekking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het salaris van de ambtenaar met een onvolledige betrekking wordt vastgesteld op een evenredig deel van het salaris dat voor hem zou gelden bij een volledige betrekking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">2:4:1 Salarisbedragen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De salarissen van de ambtenaren, wier salaris niet bij of krachtens de wet is geregeld, worden vastgesteld op de bedragen volgens de salarisschalen zoals opgenomen in bijlage II en IIa, bedoeld in artikel 3a:1:1:1, onder d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wijzigingen in de bijlagen II en IIa worden door het college aangebracht overeenkomstig de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling van de sector Gemeenten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">2:5:1 Indeling in salarisschaal</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De toepassing van bijlage II en IIa vindt plaats overeenkomstig hetgeen is bepaald in artikel 3:1, derde tot en met vijfde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De salarisschaal, welke voor de ambtenaar geldt, wordt, tenzij zijn wijze van functioneren zich nog daartegen verzet, door het college bepaald met inachtneming van het niveau van de functie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het niveau van de functie wordt door het college bepaald overeenkomstig de resultaten van een functiewaarderingsonderzoek. Het college stelt nadere regels met betrekking tot de uitvoering van een functiewaarderingsonderzoek en de daarbij te hanteren methode.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan bij het aanvaarden van passende of gangbare arbeid, dan wel bij wijze van disciplinaire straf, als bedoeld in hoofdstuk 16, kan zonder voorafgaand ontslag van een ambtenaar geen salarisschaal gaan gelden met een lager maximumsalaris dan dat van de reeds voor hem geldende schaal.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">2:5:2 Functiewaardering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze regeling wordt verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">College:het college van burgemeester en wethouders;</p>\n<p class=\"lf-p\">Medewerker:degene op wie artikel 3:1, lid 1 van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Venlo van toepassing is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdelingsmanager:de medewerker die is aangewezen als hoofd van een afdeling;</p>\n<p class=\"lf-p\">Directieteam:meer hoofdige directie bestaande uit algemeen directeur / gemeentesecretaris en twee directeuren, overeenkomstig organisatieverordening gemeente Venlo;</p>\n<p class=\"lf-p\">Organisatie:het geheel van vastgestelde doelstellingen, taken, organisatiestructuur en formatie;</p>\n<p class=\"lf-p\">Functiehouder:degene die de generieke of specifieke organieke functie vervult;</p>\n<p class=\"lf-p\">Organieke functie:een taak of een groep van taken, zoals die door het college is vastgesteld om door de medewerker te worden vervuld;</p>\n<p class=\"lf-p\">Specifieke functie:unieke organieke functie ingedeeld in de functiefamilie;</p>\n<p class=\"lf-p\">Functiefamilie:een groep van functies die qua soort werkzaamheden aan elkaar gelijk zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Generieke functie:eenduidige beschrijving van organieke functie die qua karakter van de werkzaamheden en functiezwaarte gelijkwaardig zijn, waardoor een clustering van functies over de gehele breedte van de organisatie wordt bereikt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Takenmatrices:overzicht van taken en producten binnen het geheel van elke functiefamilie;</p>\n<p class=\"lf-p\">Format functiebeschrijving:standaardindeling voor de opbouw van de generieke of specifieke functie opgenomen in bijlage 1;</p>\n<p class=\"lf-p\">Commissie typering generieke en specifieke functies:de commissie als bedoeld in artikel 4;</p>\n<p class=\"lf-p\">Functiewaarderingssysteemde in bijlage 2 opgenomen ;</p>\n<p class=\"lf-p\">Waardering:het op methodische wijze naar zwaarte rangordenen van de generieke en specifieke organieke functies;</p>\n<p class=\"lf-p\">Functiedeskundige:door het college aan te wijzen persoon of instantie, deskundig in functiewaardering;</p>\n<p class=\"lf-p\">Functiewaarderingscommissie:de commissie als bedoeld in artikel 5;</p>\n<p class=\"lf-p\">Conversietabel:de tabel die een koppeling legt tussen de resultaten van de waardering en de salarisschalen, bedoeld in artikel 3a:1:1:1, letter d. van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Venlo;</p>\n<p class=\"lf-p\">Functieniveau:de aan de generieke en specifieke toegekende salarisschaal als resultaat van functiewaardering;</p>\n<p class=\"lf-p\">Competenties:overeenkomstig de in bijlage 3 opgenomen , bestaande uit veertien te onderscheiden competenties en vijf niveaus per competentie;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bezwarencommissie:de commissie bedoeld in artikel 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de waardering van alle bij de gemeente voorkomende generieke en specifieke functies zal de waarde worden vastgesteld volgens de functiewaarderingsmethode Vbalans+.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in het vorige lid geldt niet voor functies van medewerkers waarop hoofdstuk 21a van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Venlo van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Generieke functiebeschrijvingen worden opgesteld of gewijzigd: voor alle bestaande organieke functies; voor nieuwe organieke functies; op voorstel van de afdelingsmanager, mits naar het oordeel van het directieteam sprake is van een belangrijke blijvende verandering in de organisatie en/of taken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is een commissie, ingesteld door het college, belast met de coördinatie van het proces beschrijving functies en het opstellen van ontwerp generieke of specifieke functies volgens het daarvoor geldende format functiebeschrijvingen. De commissie bewaakt integraliteit en uniformiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De commissie, bedoeld in het vorige lid, is als volgt samengesteld: lid van het directieteam, voorzitter; afdelingshoofd, aangewezen door de afdelingshoofden; lid ondernemingsraad, aangewezen door de Ondernemingsraad; functiedeskundige; ambtelijk secretaris, managementadviseur, team personeel en organisatie, afdeling Bedrijfsvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ontwerp generieke of specifieke functie wordt door de commissie aan de functiehouder bekend gemaakt. De functiehouder heeft gelegenheid zijn eventuele op- of aanmerkingen schriftelijk kenbaar te maken bij de commissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover de functiehouder op- of aanmerkingen heeft gemaakt, neemt de commissie daarover in voorlopige zin een met redenen omkleed besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met inachtneming van het besluit, bedoeld in het vierde lid, stelt het directieteam het ontwerp generieke of specifieke functie voorlopig vast. De functiehouder wordt van het voorlopig vastgestelde besluit schriftelijk in kennis gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het directieteam legt de voorlopig vastgestelde generieke of specifieke functie en, voor zover aan de orde, een wijziging van de takenmatrices om advies voor aan de Ondernemingsraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na beoordeling van het advies van de Ondernemingsraad stelt het college door tussenkomst van het directieteam de generieke of specifieke functie vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is een functiewaarderingscommissie, ingesteld door het college, bestaande uit: functiedeskundige, tevens voorzitter van de commissie, aangewezen door het college; een lid, aangewezen door de commissie voor Georganiseerd Overleg; een lid, aangewezen door de Ondernemingsraad; ambtelijk secretaris, managementadviseur, team Personeel en Organisatie, afdeling Bedrijfsvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De functiewaarderingscommissie heeft als taak het college met toepassing van de Vbalans+ methode te adviseren over de waardering van de in artikel 4 bedoelde generieke en specifieke functies. De functiedeskundige stelt ten behoeve van de functiewaarderingscommissie ontwerpfunctiewaarderingsrapporten op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het advies, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgelegd in een verslag onder bijvoeging van de waarderingsrapporten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De functiewaarderingscommissie kan in het belang van haar advisering informatie inwinnen bij de commissie, bedoeld in artikel 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De functiewaarderingscommissie legt haar advies door tussenkomst van het directieteam voor aan het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college stelt de waardering van de generieke of specifieke functie vast, rekening houdend met het advies als bedoeld in artikel 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van de waardering stelt het college met toepassing van de conversietabel, bedoeld in artikel 7, het functieniveau vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">De functiedeskundige adviseert het college door tussenkomst van het directieteam over de conversietabel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college stelt de conversietabel vast na overleg en met instemming van de commissie voor Georganiseerd Overleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de vaststelling van het functieniveau als bedoeld in artikel 6, is van toepassing de op 24 juni 2003 door het college vastgestelde conversietabel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De door het college ingevolge de artikelen 4 en 6 genomen besluiten worden gelijktijdig aan functiehouder schriftelijk bekend gemaakt onder bijvoeging van een exemplaar van de generieke (en takenmatrices) of specifieke functie en waarderingsrapport.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college legt bezwaren tegen besluiten als bedoeld in de artikelen 4 en 6 ter advisering voor aan een bezwarenadviescommissie, ingesteld op grond van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Competentiebibliotheek VBalans+ Kenmerkscores VBalans+</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">2:5:3 Conversietabel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Schaal Punten V-Balans 1 - 2 - 3 14 – 18 4 19 – 27 5 28 – 30 6 31 – 33 7 34 – 37 8 38 – 41 9 42 – 44 10 45 – 46 10a 47 – 48 11 49 – 50 11a 51 – 52 12 53 – 55 13 56 – 58 14 59 – 61 15 62 – 64 16 65 – 67 17 68 – 69 18 70</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">2:6:1 Periodieke verhoging van het salaris</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het salaris van de ambtenaar wordt binnen de voor hem geldende salarisschaal periodiek verhoogd tot het naasthogere bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De periodieke verhogingen worden toegekend aan de ambtenaar die het maximumsalaris van de voor hem geldende salarisschaal nog niet heeft bereikt, voor de eerste maal met ingang van de eerste dag van de maand waarin zijn aanstelling een jaar is verstreken en nadien telkens na een jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het salaris wordt wanneer het maximumsalaris is bereikt en de salarisschaal dat aangeeft, verhoogd op de wijze zoals daarbij is vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van het bepaalde in het tweede of derde lid telt niet mede: de tijd, doorgebracht met verlof buiten genot van bezoldiging voor niet langer dan één jaar, indien zulks met toepassing van artikel 6:4:4 nadrukkelijk is bepaald; de tijd, doorgebracht met verlof buiten genot van bezoldiging, voor zover deze een tijdvak van een jaar te boven gaat; de tijd, gedurende welke de ambtenaar in de uitoefening van zijn functie is geschorst: bij wijze van disciplinaire straf; op grond van het feit, dat tegen hem een strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf is ingesteld, of hem door het daartoe bevoegde gezag het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag te kennen is gegeven, of hem van de oplegging van deze straf mededeling is gedaan, dan wel dat hij in verzekering is gesteld of zich in voorlopige hechtenis bevindt; in het belang van de dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan beslissen, dat het bepaalde in het vierde lid, onder b en c, sub 3, geen toepassing vindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien vaststaat, dat een schorsing als bedoeld in het vierde lid, onder c, sub 2, niet door het ten uitvoer leggen van een straf is gevolgd noch zal worden gevolgd, telt de tijd van deze schorsing alsnog mee voor de toepassing van het bepaalde in het tweede of derde lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">2:7:1 Extra verhoging van het salaris</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ambtenaar, die het maximumsalaris van de voor hem geldende salarisschaal nog niet heeft bereikt, kan een extra verhoging van het salaris tot een in de salarisschaal genoemd bedrag, niet uitgaande boven het maximumsalaris, worden toegekend op grond van zeer goede of uitstekende vervulling van de functie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij toepassing van het bepaalde in het eerste lid blijft het tijdstip waarop ingevolge artikel 3a:2:6:1 een salarisverhoging wordt toegekend, onverlet; tenzij anders wordt bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">2:8:1 Geen periodieke verhoging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien een ambtenaar onvoldoende functioneert, blijkend uit een beoordeling, tot stand gekomen overeenkomstig de regelen bedoeld in artikel 15:1:15, kan worden bepaald, dat voor hem de in artikel 3a:2:6:1, bedoelde salarisverhoging achterwege wordt gelaten tot een nader te bepalen tijdstip.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassing van het bepaalde in het eerste lid mag niet leiden tot vermindering van het reeds toegekende salaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien na toepassing van het bepaalde in het eerste lid daartoe termen aanwezig zijn, kan het college bepalen, dat de daaruit voor de ambtenaar voortvloeiende nadelen, hetzij met terugwerkende kracht, hetzij voor de toekomst, geheel of gedeeltelijk ongedaan worden gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">2:9:1 Salaris bij indeling in een hogere schaal</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de ambtenaar wordt ingedeeld in een salarisschaal met een hoger maximumsalaris wordt het salaris – onverminderd het bepaalde in artikel 3a:2:7:1 – vastgesteld op het naasthogere bedrag in de nieuwe schaal en wel zodanig, dat het salaris in de nieuwe salarisschaal te allen tijde uitgaat boven het salaris, dat de ambtenaar in de verlaten salarisschaal zou hebben genoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien bijlage IIa van toepassing is, wordt – onverminderd het bepaalde in het eerste lid – in het geval dat het verschil tussen het nieuwe bedrag en het bedrag dat de ambtenaar onmiddellijk daaraan voorafgaand genoot minder bedraagt dan 75% van het verschil tussen enerzijds het bedrag, dat de ambtenaar aan salaris zou hebben ontvangen indien hij niet zou zijn overgegaan naar de nieuwe schaal, maar in de oude schaal een periodieke verhoging zou hebben gekregen en anderzijds het bedrag van zijn oude salaris, wordt het salaris in de nieuwe salarisschaal vastgesteld op het bedrag, dat volgt op het naasthogere bedrag, als bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in het tweede lid is eveneens van toepassing in het geval de ambtenaar het maximum van de voor hem geldende schaal heeft bereikt. In die situatie wordt het in het tweede lid bedoelde verschil van 75% genomen tussen het maximum bedrag van de oude schaal en het bedrag van de periodiek onmiddellijk daaraan voorafgaand.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">3:1:1 Waarnemingstoelage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een waarnemingstoelage wordt toegekend overeenkomstig hetgeen is geregeld in artikel 3:1:2.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">3:2:1 Toelage onregelmatige dienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ambtenaar voor wie een salarisschaal geldt met een lager maximumsalaris dan dat van salarisschaal 11 en voor wie de werktijden zijn vastgesteld als bedoeld in artikel 3:3, wordt een toelage toegekend, De toelage, als bedoeld in het eerste lid, bedraagt per gewerkt uur een percentage van het voor de ambtenaar geldende salaris per uur en wel:</p>\n<p class=\"lf-p\">20% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 06.00 en 08.00 uur en tussen 18.00 en 22.00 uur;</p>\n<p class=\"lf-p\">40% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 00.00 en 06.00 uur en tussen 22.00 en 24.00 uur;</p>\n<p class=\"lf-p\">45% voor de uren op zaterdag tussen 00.00 en 22.00 uur;</p>\n<p class=\"lf-p\">70% voor de uren op zaterdag tussen 22.00 en 24.00 uur, uren op zondag en op de dagen genoemd onderscheidenlijk bedoeld in het derde respectievelijk het vierde lid van artikel 4:2:1; met dien verstande dat genoemde percentages worden berekend over ten hoogste het uurloon, dat is afgeleid van het salaris, behorende bij het maximumsalaris van salarisschaal 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de in het tweede lid onder a genoemde morgen- en avonduren wordt de toelage slechts toegekend, indien de arbeid is aangevangen voor 07.00 uur, respectievelijk is beëindigd na 19.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">In bijzondere gevallen kan door het college een regeling worden getroffen die het bepaalde in de vorige leden aanvult of daarvan afwijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op de ambtenaren van de beroepsbrandweer, ingedeeld in de consignatiedienst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">3:2:2 Compensatie werkzaamheden tijdens nachtelijke uren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval van een (nachtelijke) dienst van 8 uur op een of meerdere dagen van maandag tot en met vrijdag, behoeft de (dag)dienst direct daaraan voorafgaand en de (dag)dienst direct daarop volgend niet verricht te worden (slaap- en rusttijden).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de uren “nachtelijke” dienst ontvangt de betreffende medewerker, bedoeld in artikel 1, een vergoeding voor onregelmatige dienst, die als volgt wordt berekend:</p>\n<p class=\"lf-p\">20% van het voor de medewerker geldende salaris per uur voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 06.00 en 08.00 uur en tussen 18.00 en 22.00 uur;</p>\n<p class=\"lf-p\">40% van het voor de medewerker geldende salaris per uur voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 00.00 en 06.00 uur en tussen 22.00 en 24.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een (dag)dienst op zaterdag, op zondag en op feestdagen, genoemd in artikel 4:2:1, derde lid van de AGV, geldt in afwijking van het bepaalde in artikel 2, het bepaalde artikel 3:2:1:1, van de AGV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in artikel 6:2:1, vierde lid van de AGV (vermeerdering vakantie) is niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">3:3:1 Toelage bereikbaarheids- en Beschikbaarheidsdiensten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar, die de verplichting is opgelegd, als bedoeld in artikel 15:1:10, tweede lid onder c, wordt een toelage toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toelage bedraagt:op een van de dagen van maandag tot en met vrijdag: € 16,59;Norm 1 april 2012Norm 1 januari 2012: € 16,43 op een zaterdag of zondag en op de dagen genoemd onderscheidenlijk bedoeld in het derde respectievelijk het vierde lid van artikel 4:2:1:€ 33,18Norm 1 januari 2012: € 32,86.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bedragen in het tweede lid worden door het college bij verhoging van de bedragen, als opgenomen in de salarisschalen, bedoeld in artikel 3a:1:1:1, onder d, overeenkomstig verhoogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In bijzondere gevallen kan het college een regeling treffen welke van het bepaalde in het tweede lid afwijkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">3:3:2 Vergoeding extra gebonden bereikbaarheids- en beschikbaarheidsdiensten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De toelage, als bedoeld in artikel 3a:3:3:1, tweede lid van de AGV wordt vermeerderd met 25%, ingeval naar het oordeel van het college sprake is van een strenge gebondenheid.Van een strenge gebondenheid is in elk geval sprake indien de ambtenaar gebonden is aan de woning, dan wel kazernering elders plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toelage, als bedoeld in artikel 3a:3:3:1, tweede lid van de AGV wordt vermeerderd met 25% in het geval sprake is van de omstandigheid bedoeld in het eerste lid en de ambtenaar gedurende zijn bereikbaarheids- en beschikbaarheidsdienst zijn eigen auto ter beschikking van de dienst dient te houden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">3:3:3 Wachtdienst gladheidsbestrijding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel wordt verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Medewerker gladheidsbestrijding:De in dienst van de gemeente Venlo zijnde ambtenaar die deelneemt aan de wachtdienst gladheidsbestrijding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Strooileider:De als toezichthouder dienst doende medewerker gladheidsbestrijding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wachtdienst:Het buiten normale werktijd bereikbaar en beschikbaar zijn van medewerkers gladheidsbestrijding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dienstdag:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij normale werkdagen:een periode aansluitend aan het eind van de werktijd en eindigend op de volgende werkdag bij aanvang van de werktijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de voorafgaande dag geen werkdag is gaat de dienst in om 0.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de volgende dag geen werkdag is eindigt de dienst om 24.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Buiten normale werkdagen (zater-, zon-, A.D.V.- en feest-dagen):een periode van 24 uur welke aanvangt om 0.00 uur en eindigt om 24.00 uur, een en ander in overleg met de dienstdoende strooileider.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle voor de wachtdienst gladheidsbestrijding in aanmerking komende medewerkers worden aangewezen door het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aangewezen medewerkers zijn verplicht deel te nemen aan de wachtdienst gladheidsbestrijding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bezwaren tegen deelneming aan de wachtdienst gladheidsbestrijding dienen schriftelijk en met reden omkleed bij het college te worden ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan, indien hiervoor gegronde redenen aanwezig zijn, de medewerker ontheffen van deelname aan de wachtdienst gladheidsbestrijding.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wachtdienst wordt gedurende de winterperiode bij toerbeurt verricht volgens een door het college opgesteld rooster.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het op te stellen rooster loopt van 1 december tot half maart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien nodig kan het college, buiten de in lid 2 genoemde periode, personen conform deze regeling consigneren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten behoeve van het toezicht zal per periode 1 strooileider worden aangewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het volgens lid 1 op te stellen rooster wordt, voor zover mogelijk, zodanig ingedeeld dat de in de periode vallende erkende feestdagen zoveel mogelijk over alle medewerkers worden verdeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ruilen van diensten is alleen mogelijk na toestemming van de afdelingsleiding. Die zal alleen toestemming verlenen na overleg met de strooileider van de betreffende periode.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergoeding vindt plaats overeenkomstig het gestelde in artikel 3a:3:3:1 van de AGV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betaling vindt plaats in de eerstvolgende maand na de maand waarin de wachtdienst is verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afdelingsleiding dient ervoor zorg te dragen dat aan het team p&amp;o, in de eerste week van de maand, volgend op de maand van consignatie, de benodigde gegevens voor betaling worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de wachtdienst vergoeding ontvangt de medewerker bij daadwerkelijk verrichten van werkzaamheden de gebruikelijke overwerkvergoeding, voor zover van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van afwezigheid van de volgens het rooster diensthebbende medewerker, zal door of namens het college een vervanger worden aangewezen. Deze medewerker ontvangt een vergoeding conform deze regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een medewerker op werkdagen opgeroepen en/of ingezet wordt tussen 0.00 en 05.30 uur zal deze in de gelegenheid worden gesteld om de gederfde nachtrust te compenseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De normale dienst zal even zoveel later worden aangevangen als uren welke tussen 0.00 uur en 07.30 uur zijn gewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betreffende “rusturen” worden normaal doorbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet toegestaan deze “rusturen” op te sparen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gestelde in lid 3 is niet van toepassing indien op de betreffende dag geen werkzaamheden worden verricht (bv. bij A.D.V.-, zater- en zondagen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien men is ingeroosterd tijdens A.D.V.-dagen zullen deze A.D.V.-dagen, in overleg met de afdelingsleiding op een ander tijdstip worden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien geen sprake is van consignatie wordt een opkomstpremie van 4 x het uurloon toegekend indien men wordt ingezet voor gladheidsbestrijding buiten de normale werktijd. Op werkdagen geldt dit alleen bij opkomst tussen 20.00 uur en 05.30 uur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">3:4:1 Toelage extra bezwarende werkomstandigheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ambtenaar, die daarvoor in aanmerking komt, wordt een toelage extra bezwarende werkomstandigheden toegekend, overeenkomstig een door het college nader vast te stellen regeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">3:4:2 Vergoeding werkzaamheden onder extra bezwarende omstandigheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor het verrichten van werkzaamheden onder extra bezwarende omstandigheden kan de ambtenaar voor vergoeding in de vorm van een afzonderlijke toelage in aanmerking komen, indien die bezwarende omstandigheden bij de waardering van de in het geding zijnde buiten beschouwing zijn gebleven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met inachtneming van het gestelde in de bijlage, behorende bij deze regeling, geeft het college toepassing aan het bepaalde in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste lid van artikel 1, bedoelde toelage bedraagt, als vermeld in onderstaande tabel:categorie, als vermeld in de bijlage toelage, afgeleid van het verschil tussen de salarisbedragen behorende bij periodiek 11 en 10 van schaal 3 van bijlage IIa, als genoemd in hoofdstuk 3a van de AGV; categorie A:de ½ van het verschil; categorie B:ter hoogte van het verschil; categorie C:1½ x van het verschil; categorie D:2 x het verschil.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de ambtenaar met een niet-volledige werktijd wordt de toelage, als bedoeld in het eerste lid, vastgesteld op een evenredig deel van die toelage bij een volledige werktijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De waardering voor extra bezwarende omstandigheden in de functies, als omschreven in de toelichting, wordt geacht voor de eerste maal te zijn vastgesteld met ingang van inwerkingtreding van deze regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Telkenmale per twee kalenderjaren vindt een herwaardering plaats, als bedoeld in het eerste lid, en wel voor de eerste maal per 1 januari 2003.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een tussentijdse (her)waardering heeft alleen dan plaats, indien het college dit noodzakelijk acht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor gevallen, waarin dit artikel niet of onvoldoende voorziet treft het college een bijzondere regeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">3:5:1 Toelage duikploeg (beroepsbrandweer)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een toelage als duiker, dan wel als duikploegleider, wordt toegekend overeenkomstig hetgeen is geregeld in artikel 18a:8:1:1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">3:6:1 Toelage onregelmatige dienst/bijzondere brandweertoelage (beroepsbrandweer)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een toelage onregelmatige dienst en een bijzondere brandweertoelage, alsmede een garantietoelage, worden toegekend aan het personeel van de beroepsbrandweer overeenkomstig hetgeen is geregeld in artikel 18a:6:1:1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">3:7:1 Chauffeurstoelage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar, die als regel de functie van chauffeur vervult, ontvangt een toelage van € 19,06 per half jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar, die als regel als bestuurder van een tractor, wals of dienstauto optreedt, ontvangt een toelage van € 6,81 per half jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij verhindering tot het vervullen van de functie wegens ziekte worden de in het eerste lid genoemde toelage niet genoten. Het voorgaande leidt uitzondering indien de ziekte verband houdt met een aan de ambtenaar in zijn functie overkomen dienstongeval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing voor de ambtenaar van de beroepsbrandweer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">3:8:1 E.H.B.O.-toelage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar van de beroepsbrandweer en verder elke ambtenaar, die door het college nadrukkelijk wordt aangewezen voor het behalen en behouden van een geldig E.H.B.O.-diploma, ontvangt, indien hij op 1 april van enig jaar in het bezit is van een geldig diploma, een toelage van € 10,19Norm 1 april 2012Norm 1 januari 2012: € 10,09 per maand. Het bepaalde in het derde lid van artikel 3a:3:3:1 is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">3:9:1 Bedrijfshulpverleningstoelage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die door het college is aangewezen als bedrijfshulpverlener, als bedoeld in artikel 22 van de Arbeidsomstandighedenwet en die naast zijn normale werkzaamheden de bedrijfshulpverleningstaken naar behoren heeft uitgevoerd, ontvangt een toelage.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toelage wordt bepaald volgens de Bedrijfshulpverleningsregeling Binnenlandse Zaken, laatstelijk vastgesteld d.d. 21 november 1997/nr. PZ 97/U 651 en bedraagt ten minste € 158,82 per jaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">3:10:1 Afbouwtoelage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ambtenaar wiens bezoldiging als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van een toelage, als bedoeld in de artikelen 3a:3:2:1, 3a:3:3:1, 3a:3:4:1 en 3a:3:5:1 een blijvende verlaging ondergaat, welke tenminste 3% bedraagt van het salaris, wordt een aflopende toelage toegekend, mits hij de toelage, direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan, gedurende ten minste 2 jaar zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in het eerste lid ontvangt de ambtenaar met ingang van de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt een vaste toelage, mits hij op dat moment gedurende ten minste 5 jaar zonder wezenlijke onderbreking een toelage, als bedoeld in het eerste lid heeft genoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toelage bedoeld in het tweede lid wordt vastgesteld op het bedrag dat de ambtenaar over de twaalf kalendermaanden voorafgaande aan de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt gemiddeld per maand aan toelage als bedoeld in het eerste lid heeft genoten. Het derde lid van artikel 3a:3:3:1 is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt onder wezenlijke onderbreking verstaan een onderbreking van langer dan twee maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de ambtenaar, die een vaste toelage, als bedoeld in het tweede lid, is toegekend, komt een toelage, als bedoeld in de artikelen 3a:3:2:1, 3a:3:3:1, 3a:3:4:1 of 3a:3:5:1, al dan niet vermeerderd met de toelage, bedoeld in het eerste lid, niet tot uitbetaling. Het voorgaande lijdt uitzondering in het geval de vaste toelage minder bedraagt dan de aanspraak ingevolge genoemde artikelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college stelt voor de uitvoering van het bepaalde in het eerste lid nadere regels vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">3:10:2 Toekennen van een afbouwtoelage bij het beëindigen/ verminderen van diverse toelagen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">salaris:het bedrag van de schaal het welk aan de ambtenaar is toegekend, indien voor de betrekking een vast bedrag geldt, dit bedrag; aflopende toelage:de aflopende toelage, bedoeld in artikel 3a:3:10:1, eerste lid van de AGV; vaste toelage:de vaste toelage, bedoeld in 3a:3:10:1, eerste lid van de AGV; ambtenaar:degene die aanspraak heeft op de aflopende dan wel de vaste toelage; uitkeringsperiode:de periode, waarover de aflopende, respectievelijk de vaste toelage zich uitstrekt; berekeningsbasis:het bedrag, dat de basis vormt voor de berekening van de aflopende respectievelijk vaste toelage.</p>\n<p class=\"lf-p\">De berekeningsbasis van de toelage is het bedrag dat de ambtenaar over de twaalf kalendermaanden, voorafgaande aan de datum waarop de in artikel 3a:3:10:1, eerste lid van de AGV bedoelde blijvende verlaging van zijn bezoldiging intreedt, gemiddeld per maand aan een toelage, als bedoeld in eerder genoemd artikel heeft genoten, verminderd met het bedrag dat hij daarna in totaal per maand gaat genieten aan evenbedoelde toelage en aan verhogingen van het salaris, anders dan die wegens algemene salarisverhogingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitkeringsperiode voor de toelage is gelijk aan het naar boven op een maand afgeronde één vierde gedeelte van de tijd, gedurende welke de ambtenaar, direct voorafgaande aan het tijdstip van de in artikel 3a:3:10:1, eerste lid van de AGV bedoelde blijvende verlaging van de bezoldiging, zonder wezenlijke onderbreking aan toelage heeft genoten. Aan de uitkeringsperiode voor de toelage is een maximum verbonden van drie jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de toelage wordt bepaald door de uitkeringsperiode voor de toelage in drie gelijke delen te splitsen, waarbij te beginnen met het eerste deel, afronding naar boven plaatsvindt op een hele maand, met dien verstande, dat hierdoor de ingevolge artikel 3 vastgestelde totale duur van de uitkeringsperiode van de toelage niet mag worden overschreden.Gedurende deze drie deelperioden bedraagt de toelage achtereenvolgens 75%, 50% en 25% van de voor de desbetreffende maand(en) van toepassing zijnde berekeningsbasis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de in artikel 3a:3:10:1, eerste lid van de AGV bedoelde blijvende inkomstenvermindering intreedt op de eerste dag van een maand, vangt de toelage op die datum aan. Treedt deze vermindering in op een andere dag van de maand, dan gaat de toelage in op de eerste dag van de erop volgende maand. In het laatste geval wordt aan de ambtenaar over maand waarin de inkomstenvermindering intreedt, een aanvulling verleend op het door hem over die maand genoten bedrag aan toelage tot het gemiddelde maandbedrag dat hij hieraan over de twaalf maanden, voorafgaande aan vorenbedoelde inkomstenvermindering, heeft genoten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">4:1:1 Telefoonkostenvergoeding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ambtenaar kunnen de kosten van de eerste privé-telefoonaansluiting volledig worden vergoed indien die aansluiting naar het oordeel van het college om redenen van dienstbelang noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met inachtneming van het bepaalde in het eerste lid kan de ambtenaar voor het voeren van dienstgesprekken met gebruikmaking van de privé-telefoonaansluiting een vergoeding worden toegekend van € 4,54 per maand.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval de ambtenaar kan aantonen, dat de kosten voor het voeren van dienstgesprekken, als bedoeld in het tweede lid, in enig kalenderjaar hoger waren dan de vergoeding genoemd in het tweede lid over een dergelijk kalenderjaar, worden ook deze meerdere kosten vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">De naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte extra apparatuur wordt volledig vergoed.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">4:2:1 Vergoeding commissiewerkzaamheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar, die is aangewezen een van gemeentewege ingestelde commissie in de haar opgedragen taak bij te staan of als secretaris aan zodanige commissie is toegevoegd, ontvangt voor het bijwonen van een vergadering van die commissie, welke na 18.00 uur wordt beëindigd, een vergoeding ingevolge het bepaalde in artikel 3:2:1:1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">5:1:1 Uitkering om bijzondere redenen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college is bevoegd, indien daartoe om bijzondere redenen gronden aanwezig zijn, vergoedingen, schadeloosstellingen, gratificaties en andere geldelijke uitkeringen te verlenen, tenzij de gronden voor het verlenen van deze uitkeringen tot toepassing van de bij of krachtens een verordening vastgestelde voorschriften behoren te leiden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">6:1:1 Overgangsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar van de beroepsbrandweer, die op 31 december 1994, als ambtenaar van de opgeheven gemeente Venlo (Wet van 13 september 2000 tot samenvoeging van de gemeenten Venlo, Tegelen en Belfeld, Stb. 2000, 348) in het genot was van een toelage van 5% van het salaris voor het ambulancevervoer, blijft die toelage behouden tot 1 januari 1996.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar van de beroepsbrandweer, die op 31 december 1994 vijf jaar of langer de toelage heeft genoten, genoemd in het eerste lid, heeft met ingang van 1 januari 1996 aanspraak op een garantietoelage overeenkomstig het bepaalde in het derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">1% van het salaris indien de toelage gedurende 5 tot 10 jaar ontvangen is;</p>\n<p class=\"lf-p\">2% van het salaris indien de toelage gedurende 10 tot 15 jaar ontvangen is;</p>\n<p class=\"lf-p\">3% van het salaris indien de toelage gedurende 15 tot 20 jaar ontvangen is;</p>\n<p class=\"lf-p\">4% van het salaris indien de toelage gedurende 20 jaar of langer ontvangen is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar, genoemd in het eerste lid, heeft met ingang van 1 januari 1996 aanspraak op een afbouwtoelage gedurende vier jaar, waarbij de toelage telkens per jaar met 20% wordt verminderd, met dien verstande dat de toelage in het eerste jaar wordt bepaald op 80% en niet verder wordt verminderd dan het percentage van de garantietoelage bedoeld in het derde lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">6:2:1 Overgangsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij wijze van garantietoelage ontvangt de ambtenaar, die als ambtenaar van de opgeheven gemeente Venlo (Wet van 13 september 2000 tot samenvoeging van de gemeenten Venlo, Tegelen en Belfeld, Stb. 2000, 348) was belast met het ophalen van huisvuil, maandelijks een bedrag, gelijk aan 1/24 gedeelte van de genoten toelage over de periode 1 juli 1971 tot 1 juli 1973.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in artikel 3a:3:3:1, derde lid is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">6:3:1 Overgangsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar, die op 31 december 2000 in dienst was van een van de opgeheven gemeenten Venlo, Tegelen of Belfeld (Wet van 13 september 2000 tot samenvoeging van de gemeenten Venlo, Tegelen en Belfeld, Stb. 2000, 348) en was ingedeeld in een van de schalen volgens de conversietabel, als opgenomen in het arbeidsvoorwaardenakkoord sector gemeenten 1995 – 1997, wordt voor zover nodig, per 1 januari 2001 ingedeeld in de voor hem van toepassing zijnde schaal volgens evengenoemde conversietabel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in het tweede lid van artikel 3a:2:4:1 is van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid genoemde conversietabel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">6:4:1 Overgangsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in de leden twee tot en met vier is uitsluitend van toepassing op de ambtenaar, die in dienst was van de opgeheven gemeente Venlo (Wet van 13 september 2000 tot samenvoeging van de gemeenten Venlo, Tegelen en Belfeld, Stb. 2000, 348).</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar, waarop bijlage II van toepassing is, en die voor 1 april 1996 het maximum van de voor hem geldende schaal 11a (= functieschaal) heeft bereikt, wordt per 1 april 1996 ingedeeld op het maximum van dezelfde schaal ingevolge bijlage IIa. Het verschil in salaris tussen het maximum van schaal 11a van bijlage II en het maximum van schaal11a van bijlage IIa wordt de ambtenaar bij wijze van garantie als toelage toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar, ingedeeld in de voor hem geldende schaal 11a (= functieschaal) van bijlage II, die op of na 1 april 1996 het maximum bereikt van die schaal wordt per 1 april 1996 of zoveel later hij dat maximum bereikt, ingedeeld op het maximum van dezelfde schaal ingevolge bijlage IIa. De laatste volzin van het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar, waarop bijlage II van toepassing is, en nog niet is ingedeeld in de voor hem geldende schaal 11a (= functieschaal) wordt bij het bereiken van het maximum van schaal 11a van bijlage IIa een toelage toegekend overeenkomstig het bepaalde in de laatste volzin van het tweede lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">7:1:1 Slotbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor gevallen, waarin bepalingen van dit hoofdstuk niet of niet naar billijkheid voorzien, treft het college een bijzondere regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Arbeidsduur en werktijden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:1</span><span class=\"lf-art-t\">Arbeidsduur en werktijden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1Het college kan in overleg de feitelijke arbeidsduur per week vaststellen op een andere omvang dan de formele arbeidsduur per week. De voor de ambtenaar geldende arbeidsduur per jaar mag hierdoor niet worden overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per week.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Bij de brandweer en de wat betreft de van toepassing zijnde dienstroosters daarmee vergelijkbare onderdelen, kunnen van het eerste en het tweede lid afwijkende afspraken worden overeengekomen, met dien verstande dat het bepaalde in de laatste volzin van het eerste lid van toepassing blijft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:2</span><span class=\"lf-art-t\">Arbeidsduur en werktijden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 In een nader door het college vast te stellen regeling worden algemene regels omtrent de werktijden vastgesteld. Voor zover ingevolge deze regeling wisselende werktijden gelden, wordt daarvoor een rooster opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Bij de regeling van de werktijd wordt in acht genomen: dat geen arbeid wordt verricht op zaterdagen en zondagen, tenzij afwijking van deze regel in het belang van de dienst noodzakelijk is; dat de werktijden ten minste één maand voor aanvang aan de ambtenaar bekend worden gemaakt; dat de werktijd behoorlijk door pauze wordt onderbroken; dat de werktijd van een ambtenaar niet uitsluitend wordt vastgesteld om het bepaalde in artikel 3:3 , derde lid te ontwijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Bij de brandweer, en de wat betreft de van toepassing zijnde dienstroosters daarmee vergelijkbare onderdelen, kan een van het tweede lid afwijkende regeling worden getroffen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-2-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Arbeidsduur en werktijden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Bij de regeling van de werktijd en haar toepassing wordt zoveel mogelijk gezorgd, dat de ambtenaar op zondag en de voor hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat hij in zijn zondagsrust zo weinig mogelijk wordt beperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Een afwijking van de regeling van de werktijd, bedoeld in artikel 4:2 , tweede lid, onder a, is voor wat betreft de zondag slechts mogelijk voor ten hoogste 26 zondagen per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, geldt mede voor het verrichten van arbeid op de nieuwjaarsdag, de tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen en de dag waarop de verjaardag van de koningin wordt gevierd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, geldt, hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, ook voor kerkelijke of nationale, landelijke, regionale of plaatselijk erkende feest- of gedenkdagen die door het college zijn aangewezen als dagen, waarop de openbare dienst van de gemeente is gesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Het bepaalde in dit artikel vindt voor hem die tot een kerkgenootschap behoort dat de wekelijkse rustdag op de sabbat of de zevende dag viert, overeenkomstige toepassing indien hij een daartoe strekkend verzoek heeft ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-2-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:2:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Arbeidsduur, werktijden en arbeidsduurverkorting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze regeling verstaat onder medewerker: degene, die ambtenaar is in de zin van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Venlo; degene, met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is gesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De arbeidsduur per jaar, bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onder j bedraagt 1806 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">De feitelijke arbeidsduur per week van maandag tot en met vrijdag bedraagt 40 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op een werkdag, bedoeld in het tweede lid, bedraagt de arbeidsduur 8 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in de voorgaande leden geldt voor een medewerker met een volledige betrekking. Voor de medewerker met een deeltijdbetrekking geldt het vorenstaande naar evenredigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De medewerker met een volledige betrekking kan het afdelingshoofd verzoeken de voor hem geldende formele arbeidsduur van gemiddeld 36 uur per week in te roosteren met een vast werkpatroon over de werkdagen maandag tot en met vrijdag, bestaande uit vier dagen van 9 uur of vijf dagen van 8 uur in de ene week en vier dagen van 8 uur in de volgende week of variaties daarop.</p>\n<p class=\"lf-p\">De feitelijke arbeidsduur per week van maandag tot en met vrijdag bedraagt gemiddeld 36 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op een werkdag, bedoeld in het tweede lid, bedraagt de arbeidsduur maximaal 9 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door het afdelingshoofd wordt alleen dan aan de medewerker toestemming verleend zijn werktijden in te roosteren, als bedoeld in het eerste lid, indien een voldoende bezetting, een on-gestoorde voortgang van het werk en de kwaliteit van de dienstverlening aan de burger, gewaarborgd zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De medewerker kan eenmaal per jaar, vóór 1 november, een verzoek als bedoeld in het eerste lid indienen, waarbij de periode voor aanpassing en inroostering minimaal een jaar geldt. Een eenmaal gemaakte keuze kan tussentijds niet gewijzigd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is niet van toepassing op de medewerker waarvoor volgens rooster of anderszins vaste werktijden gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover door het college niet anders is bepaald, geldt voor de medewerker een variabele werktijdenregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tijden, waarop de medewerker op de voor hem geldende werkdagen aanwezig moet zijn, belopen van 09.00 tot 12.00 uur en van 14.00 tot 16.00 uur (bloktijden).</p>\n<p class=\"lf-p\">De vroegst mogelijke begintijd is om 07.30 uur en de laatst mogelijke eindtijd is 18.00 uur. De glijtijden liggen met inachtneming van het bepaalde in het eerste lid en artikel 6 tussen:</p>\n<p class=\"lf-p\">07.30 en 09.00 uur;</p>\n<p class=\"lf-p\">12.00 en 14.00 uur;</p>\n<p class=\"lf-p\">16.00 en 18.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">De feitelijke werktijd per werkdag van de medewerker met een volledige betrekking en een arbeidsduur als bedoeld in artikel 2, bedraagt minimaal 7½ en maximaal 8½ uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">De feitelijke werktijd per werkdag van de medewerker met een volledige betrekking en een arbeidsduur als bedoeld in artikel 3, bedraagt minimaal 7½ en maximaal 9½ uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">De middagpauze bedraagt minimaal een half uur en kan naar verkiezing tussen 12.00 en 14.00 uur worden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van situaties, zoals doktersbezoek, dienstreis, cursus, etc., dient voor de bepaling van de werktijd in die gevallen te worden uitgegaan van de fictieve aanvangstijden: 08.00 en 13.30 uur en de fictieve eindtijden 12.15 en 17.15 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overschrijving van saldi is mogelijk tot ten hoogste 4 uur positief en 2 uur negatief. Bij het einde van elke kalendermaand is een negatief saldo niet toegestaan; een positief saldo mag niet worden overgeschreven naar de volgende kalendermaand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover nodig, worden de werktijden en de bloktijden van de medewerker met een deeltijdbetrekking in afwijking van het bepaalde in de regeling vastgesteld door het afdelingshoofd of de direct leidinggevende.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van bijzondere hoge binnen/buiten temperatuur in relatie met de huisvesting kan het afdelingshoofd in overleg met de gemeentesecretaris besluiten tot instelling van een tropenrooster. De werktijden in dat rooster zijn van 07.00 tot 13.00 uur. Het hierdoor ontstane negatieve werktijdensaldo dient voor het einde van het betreffende kalenderjaar te zijn vereffend.Deelname aan het tropenrooster geschiedt op vrijwillige basis in overleg met het afdelingshoofd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de medewerker op wie het bepaalde in artikel 2 van toepassing is, bedraagt de ADV op jaarbasis 200,8 uur (25,1 dagen van 8 uur).</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens verhindering de betrekking te vervullen wegens ziekte vindt geen opbouw van ADV plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ADV, bedoeld in artikel 11, wordt per kalenderjaar als volgt ingevuld:</p>\n<p class=\"lf-p\">56 uur (7 dagen) worden in overeenstemming met de Ondernemingsraad vastgelegd als zogenaamde brugdagen (collectieve sluitingsdagen);</p>\n<p class=\"lf-p\">144 uur (18 dagen) worden toegevoegd aan de vakantie van de medewerker; de regels met betrekking tot de vakantie zijn hierop onverkort van toepassing;</p>\n<p class=\"lf-p\">De medewerker die op een brugdag, als bedoeld in artikel 12, sub a, reeds vrij is van dienstverrichting ingevolge of krachtens aanspraken uit de AGV, heeft geen recht op compensatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval de medewerker op een brugdag wordt verplicht tot dienstverrichting is er sprake van overwerk, als bedoeld in artikel 3:2 van de AGV Het bepaalde in deze paragraaf geldt voor de deeltijder met inachtneming van het bepaalde in artikel 1:5 van de AGV naar evenredigheid van de omvang van zijn deeltijdbetrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">De deeltijder, die met de toepassing van het bepaalde in artikel 13 de voor hem geldende brugdagen in onvoldoende mate kan compenseren, dient dit tekort aan te vullen door middel van een van de navolgende mogelijkheden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Inlevering van salaris, of Compensatie in werktijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De medewerker op wie het bepaalde in artikel 3 van toepassing is en die op een of meer van de jaarlijks vastgelegde brugdagen is ingeroosterd, dient het tekort aan feitelijke arbeidsduur aan te vullen door middel van een van de navolgende mogelijkheden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Inlevering van salaris, of Compensatie in werktijd</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-2-1-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:2:1:2</span><span class=\"lf-art-t\">Werktijden buitendienstpersoneel Openbare Werken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze regeling is van toepassing op medewerkers, werkzaam bij de door het afdelingshoofd nader te bepalen teams van de afdeling Openbare Werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De werktijd is van 07.30 tot 16.00 uur. De pauze beloopt een half uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover voor afdelingen andere werktijden, respectievelijk werkroosters noodzakelijk zijn, worden die nader vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassing van het bepaalde in het tweede lid geschiedt niet dan na overleg met de Ondernemingsraad.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-2-1-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:2:1:3</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing dienstvrije dagen of onderdelen daarvan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aangewezen dagen of onderdelen daarvan, als bedoeld in artikel 4:2:1 van de AGV zijn als volgt: de vrijdag onmiddellijk voor de carnaval vanaf 15.00 uur; de carnavalsmaandag en de carnavalsdinsdag;</p>\n<p class=\"lf-p\">Goede Vrijdag; de vijfde mei;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het equivalent aan tijdscompensatie voor het bepaalde onder a. bedraagt 2,50 uur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-2-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:2:2</span><span class=\"lf-art-t\">Arbeidsduur en werktijden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien door de ambtenaar, bedoeld in artikel 3:3 , arbeid op zaterdag of zondag wordt verricht, wordt hem voor elke zaterdag of zondag waarop hij arbeid heeft verricht een werkdag ter vrije beschikking toegekend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:3</span><span class=\"lf-art-t\">Spaarmogelijkheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: opgebouwde verloftegoed: het voor 1 april 2006 opgebouwde verlof in het kader van de voormalige verlofspaarmogelijkheid; kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed: het omzetten van het opgebouwde verloftegoed in een geldbedrag. Per verlofuur wordt een bedrag uitgekeerd ten hoogte van het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het opgebouwde verloftegoed wordt op verzoek van de ambtenaar door het college verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten. De ambtenaar geniet het verlof zoveel als mogelijk in een aaneengesloten periode.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De ambtenaar kan verzoeken om kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed. Het college beslist of aan dit verzoek kan worden voldaan. Het verloftegoed kan enkel worden gekapitaliseerd wanneer de ambtenaar deelneemt aan de levensloopregeling en wanneer het gekapitaliseerde verloftegoed wordt gestort op zijn levenslooprekening. Bij de kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed gelden de randvoorwaarden zoals opgenomen in de wettelijke bepalingen omtrent de levensloopregeling. Wanneer in een bepaald jaar het opgebouwde verloftegoed niet volledig kan worden gekapitaliseerd kan de ambtenaar in een volgend jaar opnieuw een verzoek indienen tot kapitalisatie van het resterende opgebouwde verloftegoed. Het college beslist dan of aan dit verzoek kan worden voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 In geval van ontslag op grond van artikel 8:1 wordt het resterende opgebouwde verloftegoed zoveel mogelijk opgenomen gedurende de opzegtermijn. In overeenstemming met de ambtenaar kan hiervoor de maximale opzegtermijn zonodig worden verlengd. Indien het voor de ambtenaar, in verband met het aanvaarden van een andere betrekking, niet mogelijk is om de opzegtermijn te verlengen, wordt het niet opgenomen resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 In geval van ontslag op grond van artikel 8:3 , 8:6 , 8:7 , 8:8 , 8:10 of 8:11 wordt de ambtenaar in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan het ontslag het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen. Indien dit niet mogelijk is, wordt het niet opgenomen opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 In geval van ontslag op grond van artikel 8:5a of 8:13 is de ambtenaar verplicht het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen met ingang van de dag dat het voornemen tot ontslag aan de ambtenaar is meegedeeld. Het ontslag gaat in op de eerste dag na afloop van de opname van het opgebouwde verloftegoed 7 In geval van ontslag op grond van artikel 8:4 en 8:5 of 8:9 wordt het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald op grond van het tiende lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 In het geval van overlijden van de ambtenaar wordt aan de nabestaanden, met inachtneming van het bepaalde van artikel 8:16:2 , het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">9 In geval het ontslag als bedoeld in de voorgaande leden een gedeeltelijk ontslag betreft, worden tussen de ambtenaar en het college nadere afspraken gemaakt over de opname van het resterende opgebouwde verloftegoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">10 Indien het opgebouwde verloftegoed wordt uitbetaald, wordt dit uitbetaald naar het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-3-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:3:1</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-3-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:3:2</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-3-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:3:3</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen) 4a Uitwisselen van arbeidsvoorwaarden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4a</span><span class=\"lf-art-t\">1 Vakantie-uren uitwisselen tegen geld</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid - te verminderen in ruil voor een vergoeding als bedoeld in het vijfde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal vakantie-uren –na vermindering op grond van het eerste lid – minimaal 144 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week en voor de ambtenaar die gebruikmaakt van de seniorenregeling bedoeld in artikel 5:1 of 5:3, geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als minimum.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal te verminderen vakantie-uren op grond van het eerste lid maximaal 72 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week en voor de ambtenaar die gebruikmaakt van de seniorenregeling bedoeld in artikel 5:1 of 5:3, geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen ontvangt de ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid verminderd vakantie-uur een vergoeding overeenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij de aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4a</span><span class=\"lf-art-t\">2 Geld uitwisselen tegen vakantie-uren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2 , eerste lid - te vermeerderen tegen inlevering van een vergoeding als bedoeld in het vierde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal op grond van het eerste lid te vermeerderen vakantie-uren maximaal 72 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week en voor de ambtenaar die gebruikmaakt van de seniorenregeling bedoeld in artikel 5:1 of 5:3, geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen, wordt op het salaris van de ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid meer verkregen vakantie-uur een vergoeding ingehouden overeenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4a</span><span class=\"lf-art-t\">3 Inhouding op bezoldiging, eindejaarsuitkering, vakantietoelage of urenvergoeding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het college kan op verzoek van de ambtenaar zijn bezoldiging als bedoeld in artikel 3:1 , zijn eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:6 , zijn vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 of zijn vergoeding als bedoeld in artikel 4a:1 , vijfde lid, verlagen voor door het college vastgestelde bestedingsmogelijkheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Bij regeling van het college kunnen voor de uitvoering van het bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften worden gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4a</span><span class=\"lf-art-t\">3:1:1 Cafetariamodel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Keuze in arbeidsvoorwaarden Voor je ligt de regeling” Cafetariamodel, keuze in arbeidsvoorwaarden bij de gemeente Venlo”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sinds 1 april 1999 is het binnen de gemeentelijke rechtspositieregeling mogelijk om individuele keuzes binnen het arbeidsvoorwaardenpakket te maken. De keuzemogelijkheden in de CAR/UWO hebben vooralsnog betrekking op het ruilen van tijd tegen geld en het ruilen van geld tegen tijd. Echter, tot die tijd kunnen gemeenten het basismodel zelf uitbreiden met meer keuzemogelijkheden (artikel 4a:3 van de CAR). Hiertoe zal de gemeente zelf een (aanvullende) regeling moeten treffen, hetgeen de gemeente Venlo in november 2003 heeft gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij inwerkingtreding van het cafetariamodel in 2003 kende het model de volgende keuzen (bestedingsdoelen):</p>\n<p class=\"lf-p\">Personal computer, ook wel de PC privé regeling;</p>\n<p class=\"lf-p\">Fiets;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijverzekering pensioen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Spaarloon;</p>\n<p class=\"lf-p\">Koop en/of verkoop van vakantie-uren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verlofsparen en Sparen en/of uitbetalen van het persoonlijk budget.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 27 augustus 2004 is door het kabinet de mogelijkheid voor de PC privé regeling afgeschaft. Dit had als gevolg dat de PC privé regeling uit het cafetariamodel geschrapt moest worden. Aangezien het bij het uitruilen van arbeidsvoorwaarden om toekomstige loonbestanddelen gaat is dit met terugwerkende kracht tot 1 januari 2004 gewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In verband met een wijziging van de fiscale regeling per 1 januari 2004 kan voor alle zakelijk kilometers, die de medewerker aflegt een onbelaste vergoeding worden gegeven van 0,18 euro per kilometer. Hiertoe is bij wijzigingsdatum van 1 januari 2004 een tegemoetkoming in de kosten woon-werkverkeer als bestedingsdoel opgenomen in het cafetariamodel. Op grond van fiscale wijzigingen is de hoogte van de onbelaste vergoeding inmiddels 0,19 euro per kilometer. Dit bedrag wordt dan ook bij de huidige wijzigingsdatum gewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast het afschaffen van de PC privé regeling is ook het verlofsparen afgeschaft met ingang van 1 januari 2006. De verlofspaarregeling is opgegaan in de levensloopregeling. De bestaande verlofspaarregeling bleek teveel nadelen te hebben. Zo bood niet elke werkgever een verlofspaarregeling aan en kon het tegoed op de verlofspaarregeling niet altijd worden meegenomen naar een volgende werkgever. Om die reden is ook de tijdspaarmogelijkheid in de nieuwe levensloopregeling afgeschaft. Het verlofsparen wordt zowel als bron als bestedingsdoel met ingang van de huidige wijzigingsdatum verwijderd uit de regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conform het CAO akkoord van 2004-2005 heeft het LOGA gemeenten geadviseerd de vakbondscontributie aan te merken als bestedingsdoel, waardoor medewerkers, die dat wensen, hiervan gebruik kunnen maken. Bij wijzigingsdatum van 1 januari 2006 is de vakbondscontributie dan ook als bestedingsdoel opgenomen in het cafetariamodel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de fiets heeft de belastingdienst met ingang van 1 januari 2007 de bijtelling van 68 euro afgeschaft. Dit betekent dat je als werkgever zijnde een fiets ter waarde van 749 euro volledig onbelast mag vergoeden of verstrekken. Ook de waarde van de met de fiets samenhangende zaken is met ingang van 1 januari 2007 gewijzigd. Was dit voorheen een bedrag van 250 euro waarbij de vergoeding onderbouwd moest worden en waarbij de gegevens over drie kalenderjaren van belang was. Nu is dit maximaal 82 euro per kalenderjaar, 246 euro gedurende drie kalenderjaren, zonder nadere bewijsplicht.Deze wijzingen zullen met terugwerkende kracht tot 1 januari 2007 in deze versie worden doorgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenvattend betekent dit dat er na de inwerkingtreding van 1 november 2003 het nodige is gewijzigd, toegevoegd of zelfs verwijderd. En nog zijn we er niet. Bij de laatste wijzigingsdatum van 1 januari 2006 hebben wij aangegeven dat de aantrekkelijkheid van een cafetariamodel valt of staat bij de fiscaal vriendelijkheid ervan. Al naar gelang de behoefte en de fiscale mogelijkheden zullen wij het uitbreiden van de keuzemogelijkheden onderzoeken. Bedrijfsfitness is een van deze behoeftes, welke wij (opnieuw) nader hebben onderzocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorwaarden waaronder de werkgever de medewerkers belastingvrij kan laten fitnessen zijn als volgt: het moet gaan om conditie- of krachttraining. Andere sporten, zoals tennis of zaalvoetbal komen niet voor belastingvrije verstrekking in aanmerking, ondanks positief advies van arbeidsdeskundigen; de deelneming aan de fitness moet voor nagenoeg alle medewerkers ( = 90%) van een bepaalde arbeidsplaats openstaan; de fitness vindt plaats op de werkplek of op een vaste door de werkgever aangewezen locatie die geldt voor alle werknemers of voor alle medewerkers met dezelfde arbeidsplaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot 1 januari 2007 gold ook de voorwaarde dat de fitness moest plaatsvinden gedurende de werktijd. Deze voorwaarde bleek in de praktijk voor werkgevers een drempel te zijn om belastingvrij fitness te introduceren. Hiervoor in de plaats is de voorwaarde over de locatie gekomen (zie punt 3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder stelt de fiscus dat wanneer een bedrijf meer dan een vestiging (= arbeidsplaats) heeft, de laatstgenoemde mogelijkheden per vestiging gelden. Dit betekent dat wij als gemeente zijnde per arbeidsplaats een fitnesscentrum mogen aanwijzen of een overeenkomst kunnen sluiten met één fitnessbedrijf op grond waarvan de medewerkers kunnen fitnessen in elke vestiging van dat fitnessbedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij hebben gekozen voor een tweetal fitnessbedrijven, te weten: Bedrijfsfitness Limburg en Controlfit. Beiden fitnessbedrijven hebben een samenwerkingsverband afgesloten met meerdere fitnesscentra, in totaal ca. 50 verschillende fitnesscentra.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten voor deelname aan bedrijfsfitness verschilt van 37,50 euro per maand voor een all-in abonnement (onbeperkt fitness en groepsles) tot 29,59 euro per maand voor 1x per week sporten. De abonnementskosten mogen vervolgens worden uitgeruild, waarbij het fiscaal voordeel afhankelijk is van het individuele loonbelastingtarief.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deelname aan het cafetariamodel staat open voor alle medewerkers waarop de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Venlo van toepassing is, alsmede voor de vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle afspraken met betrekking tot het cafetariamodel worden schriftelijk vastgelegd door middel van de daarvoor bestemde formulieren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De waarde van een vakantie-uur wordt bepaald aan de hand van het salaris op 1 januari of eventuele latere datum van indiensttreding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussentijdse beëindiging van het dienstverband betekent niet, dat een gedeelte van het persoonlijk budget terugbetaald moet worden. Uitdiensttreding houdt wel in, dat nog openstaande bedragen, die niet meer bruto verrekend kunnen worden, ingehouden worden op het nettosalaris. Als het nettosalaris niet voldoende is, wordt een rekening gestuurd voor het restant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen enig kalenderjaar is er de mogelijkheid een wijziging aan te brengen binnen de geselecteerde bron(nen) en doel(en), uiteraard wel met inachtneming van de eventuele consequenties van verrekening en/of terugbetaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deelname aan het cafetariamodel is niet mogelijk middels verrekening met het nettosalaris, met andere woorden hiervoor wordt dus geen renteloze lening verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien je wilt deelnemen aan het cafetariamodel, dan moet er natuurlijk wat ingevuld worden. Bij elke keuze (zie hoofdstuk 4) is aangegeven om welke formulieren het gaat. Met uitzondering van de formulieren “Bijverzekering pensioen” en “Aanmelding voor de spaarloonregeling” kun je alle formulieren opvragen via p-info, zo nodig zijn de formulieren ook verkrijgbaar via de Servicedesk Bedrijfsvoering.Mocht je behoefte hebben aan extra hulp bij het maken van je keuze, dan is dat natuurlijk mogelijk. Je kunt daarvoor terecht bij de Servicedesk Bedrijfsvoering. Indien je meer wilt weten over wat bijvoorbeeld de consequenties zijn voor je nettosalaris, wat je netto in handen krijgt als je vakantie-uren verkoopt of hoe het bijverzekeren voor je pensioen in zijn werk gaat dan kun je daarvoor een afspraak maken met een van de medewerkers van de Servicedesk Bedrijfsvoering.Bij de laatste wijzigingsdatum hebben wij vermeld, met de komst van het nieuwe personeelsinformatiesysteem, ook te kunnen beschikken over een extra mogelijkheid welke ondersteuning biedt bij het toepassen van ons cafetariamodel (SalaCarte van Centric). Ondersteuning in die zin dat het direct inzicht geeft in de consequenties van je keuze voor bijvoorbeeld salaris, vakantiegeld en/of eindejaarsuitkering.Helaas is deze optionele module nog niet uitgeleverd. Wellicht dat wij hierover bij de volgende wijzigingen wel over kunnen beschikken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het cafetariamodel hebben wij het over het uitwisselen van arbeidsvoorwaarden. Zo kun je vakantie-uren ruilen tegen geld of geld ruilen tegen vakantie-uren. Dit zijn ook wel de bronnen en doelen binnen het cafetariamodel. Met de bronnen bedoelen wij de middelen waarmee je kunt betalen of liever gezegd, hetgeen je inzet. Met doelen bedoelen wij hetgeen je ervoor terugkrijgt. In ons cafetariamodel zijn op dit moment 8 verschillende doelen opgenomen, welke in hoofdstuk 4 nader worden toegelicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door belaste beloningsbestanddelen te ruilen voor andere belastingvrije of beperkt belaste beloningsbestanddelen is natuurlijk financieel voordelig. Alleen wanneer een medewerker geen behoefte heeft aan deelname middels een fiscaal vriendelijke keuzemogelijkheid, dan kan hij zijn persoonlijk budget laten uitbetalen. Maar dat betekent wel, dat hierover op de normale manier belasting betaald moet worden; er is dan geen sprake meer van fiscaal vriendelijk ruilen in de zin van ons cafetariamodel. Toch hebben we ook die mogelijkheid voor de volledigheid als doel in ons cafetariamodel opgenomen. het persoonlijk budget; vakantie-uren; bruto loonbestanddelen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het persoonlijk budget is samengesteld uit twee bedragen: iedere medewerker krijgt € 102,10 en daarboven nog eens € 2,80 per uur naar rato van de omvang (formele uren) van het dienstverband per 1 januari of eventuele latere datum van indiensttreding. Wijziging van het percentage dienstverband gedurende het jaar heeft geen invloed meer op het persoonlijk budget.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het persoonlijk budget geldt per kalenderjaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een wisselend aantal uren geldt het gemiddeld aantal uren van het voorgaande kalenderjaar voor het bedrag per uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het persoonlijk budget (of een gedeelte ervan), dat wordt ingezet voor een fiscaal vriendelijk doel wordt zo mogelijk nog verrekend in de maand, waarin het formulier is ingeleverd. In het (de) daarop volgende kalenderja(a)r(en) wordt het persoonlijk budget, voor zover dit wordt ingezet, verrekend in de maand januari.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het persoonlijk budget kan besteed worden aan een of meerdere doelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het persoonlijk budget kan ook worden opgespaard, maar niet langer dan over een periode van drie opeenvolgende kalender-jaren. Is het dan nog niet besteed aan een doel, dan wordt het uitbetaald, uiteraard met inhouding van belasting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wil je het persoonlijk budget niet sparen en ook niet inzetten voor een doel, dan kun je aangeven, dat het uitbetaald moeten worden, natuurlijk ook weer met inhouding van belasting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij uitdiensttreding wordt het persoonlijk budget, dat gespaard is of nog niet besteed is, uitbetaald (met inhouding van belasting).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij uitdiensttreding hoeft het persoonlijk budget, dat reeds ingezet is of uitbetaald is over het betreffende kalenderjaar niet te worden terugbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kunnen maximaal 72 (na aftrek van het wettelijk minimum) normale vakantie-uren en bovendien nog ten hoogste 21,6 uren leeftijdsvakantie gebruikt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De maximaal 21,6 uren leeftijdsvakantie (of minder) kunnen alleen maar gebruikt worden om te verkopen, dus uitbetaald worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De 72 normale vakantie-uren (of minder) kunnen ingezet worden voor een of meerdere van de acht doelen. Voor deeltijders gelden die 72 uur naar evenredigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De waarde van je vakantie-uur wordt bepaald aan de hand van het bruto-maandsalaris in de maand januari of eventuele latere datum van indiensttreding.</p>\n<p class=\"lf-p\">VoorbeeldMaandsalaris van Piet in jan. 2003 is € 2.424; één vakantie-uur heeft de waarde van € 15,54 (€ 2.424 : 156). Zet hij de 72 uur volledig in, dan kan hij voor € 1.118,88 “kopen”. (Voor deeltijders geldt dit naar evenredigheid. Bij een deeltijd dienstverband van 50% kan dan ten hoogste 36 uur worden ingezet. In dit voorbeeld betekent dit een waarde van € 559,44.).</p>\n<p class=\"lf-p\">De vakantie-uren, die worden ingezet, moeten natuurlijk van de vakantiekaart worden afgeschreven. De Servicedesk Bedrijfsvoering muteert dit rechtstreeks in de desbetreffende verlofmaand.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende loonbestanddelen zijn hiervoor aangewezen: het bruto salaris, de bruto vakantietoelage en de bruto eindejaarsuitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bruto salaris kan tijdelijk worden verlaagd. Het bedrag van de verlaging wordt dan gebruikt voor de “betaling” (verrekening) van een fiscaal vriendelijk doel. Belastingtechnisch betekent dit, dat de medewerker afstand doet van een deel van het bruto salaris waarvoor de werkgever een belastingvrije vergoeding verstrekt. Deze belastingvrije vergoeding wordt gebruikt voor de aflossing van de renteloze lening. Overigens is aan de inzet van bruto salaris wel de beperking verbonden, dat het salaris niet mag zakken beneden het wettelijk minimumloon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetzelfde geldt voor de inzet van bruto vakantietoelage en de bruto eindejaarsuitkering. Hierbij moet er rekening gehouden worden met het feit dat reeds opgebouwde delen van de vakantietoelage of van de eindejaarsuitkering niet meer kunnen worden ingezet, immers deze zijn al verdiend. Met andere woorden je kunt alleen toekomstige, nog niet opgebouwde delen van de vakantietoelage of van de eindejaarsuitkering inzetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verlaging van je brutoloon heeft als voordeel, dat je minder loonbelasting en minder premies sociale verzekeringen betaalt (IZA-premie blijft gelijk). Verlaging van de bezoldiging heeft geen invloed op de grondslagen voor oudersdoms-, nabestaanden- invaliditeits-pensioen en FPU, mits voldaan wordt aan de voorwaarden van het besluit van 8 september 2008, CPP2008/1727M. In dat besluit is vastgelegd dat de verlaging van het pensioengevend loon achterwege blijft voor zover is voldaan de volgende voorwaarden: er is sprake van een schriftelijk vastgelegde regeling waaraan de deelname openstaat voor ten minste driekwart van de medewerkers. het betreft een regeling waarbij de verlaging van het fiscale loon tijdelijk is, dus niet structureel. De medewerker moet ten minste één keer per jaar de keuze hebben om de samenstelling van zijn beloning te wijzigen. het betreft een ruil van loon tegen uitsluitend een of meer van de volgende beloningsbestanddelen: vrije vergoedingen op grond van een ruil die voldoet aan de voorwaarden gesteld in het besluit van 7 december 2005, nr. CPP2005/2518M; verminderingen van de arbeidstijd tot een maximum van 10% van de overeengekomen arbeidsduur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast de volgende voorwaarde: het verschil tussen het oorspronkelijke pensioengevende loon en het verlaagde pensioengevende loon zoals dat eigenlijk zou moeten worden vastgesteld, mag niet meer bedragen dan 30% van het oorspronkelijke pensioengevende loon. Met andere woorden: je mag niet meer dan 30% van je totale bezoldiging inzetten voor het cafetariamodel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verlaging van het brutosalaris kan negatieve gevolgen hebben voor de hoogte van salarisafhankelijke uitkeringsgerechtigden, zoals de: eindejaarsuitkering; vakantietoelage; loondoorbetaling bij ziekte;</p>\n<p class=\"lf-p\">WIA-uitkering;</p>\n<p class=\"lf-p\">Suppletie;</p>\n<p class=\"lf-p\">WW-uitkering;</p>\n<p class=\"lf-p\">ZW-uitkering en Overwerkvergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voordat je kiest voor verlaging van je brutosalaris als bron voor een bestedingsdoel is het verstandig eerst goed te laten doorrekenen wat daarvan de gevolgen zijn. Je kunt daarvoor terecht bij de Servicedesk Bedrijfsvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenslotte kan verlaging van het brutosalaris consequenties hebben voor inkomensafhankelijke toeslagen, zoals huurtoeslag, zorgtoeslag en de rijksbijdrage voor kinderopvang. Deze toeslagen worden door de belastingdienst toegekend op basis van je belastingaangifte. Aangezien wij geen inzicht hebben in eventuele andere inkomstenbronnen, kunnen wij je over deze consequenties niet adviseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn acht doelen (keuzemogelijkheden), die in hoofdstuk 4 ieder voor zich worden toegelicht: tegemoetkoming woon-werkverkeer; fiets; bijverzekeren pensioen; spaarloon; koop en/of verkoop van vakantie-uren; sparen en/of uitbetalen persoonlijk budget; vakbondscontributie en bedrijfsfitness.</p>\n<p class=\"lf-p\">Keuze (doel) Inzet (bron) Uitbetalen Sparen Bruto salaris Bruto vakantie-toelage Bruto Eindejaars-uitkering Vakantieverlof Persoonlijk budget Normale vak. uren max. 72 uur Leeftijds-vak. uren max. 21,6 uur 1.Tegemoetkoming woon-werkverkeer * * * * -- * -- -- 2. Fiets 1 maal per 3 jaarMaximaal € 749,00 en met de fiets samenhangende zaken ter waarde van maximaal € 82,00 per jaar en een fietsverzekering. * * * * -- * -- -- 3. Premie bijverzekering pensioen * * * * -- * -- -- 4. spaarloonMaximaal € 613,00 per jaar. * * * * -- * -- -- 5. VakantieverlofKoop:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>maximaal 72 uren per jaar. * * * -- -- * -- -- Verkoop:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>normale vakantie-uren maximaal 72 uren per jaar.Bij de verkoop van vakantie-uren geldt dat het maximum van 72 uren per jaar na aftrek van het wettelijk minimum (144 uren) is. -- -- -- -- -- -- * --</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>leeftijdsvakantie-uren maximaal 21,6 uren per jaar. -- -- -- -- -- -- * -- 6. Persoonlijk budget per jaar -- -- -- -- -- -- * * 7. Vakbondscontributie * * * * 8. Bedrijfsfitness * * * * -- * -- -- Als medewerker bepaal je zelf welke keuze(n) je maakt en tegen welke inzet. Combinaties zijn mogelijk. Wel moet je goed opletten bij de inzet en/of verkoop van vakantie-uren: je kunt leeftijdsvakantie-uren (max. 21,6) uitsluitend laten uitbetalen en niet inzetten voor een fiets, etc. Heb je vakantie-uren laten uitbetalen van je normale vakantieverlof (max. 72 uur), dan kun je die niet meer inzetten om bijv. een fiets te kopen en voor het omgekeerde geldt hetzelfde, met andere woorden de vakantie-uren die je hebt ingezet voor de koop van een fiets, kun je daarna niet nog eens laten uitbetalen.In hoofdstuk 4 zijn alle mogelijkheden verder toegelicht en voorzien van voorbeelden.</div>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk gaan we verder in op de keuzen, die gemaakt kunnen worden. Voor elke keuze wordt de volgende indeling aangehouden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat?Wat houdt de keuze in? Hoe ziet de regeling eruit en welke voorwaarden zijn eraan verbonden?</p>\n<p class=\"lf-p\">Waarmee?Waarmee kun je inzetten, met andere woorden welke bronnen kun je gebruiken?</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe?Hoe gaat dat in zijn werk en welke formulieren moet je hebben voor jouw keuze?</p>\n<p class=\"lf-p\">In verband met een wijziging van de fiscale regels per 1 januari 2004 kan voor alle zakelijke kilometers, die de werknemer aflegt een onbelaste vergoeding worden gegeven van € 0,19 per kilometer. Dit geldt ook voor de woon-werkkilometers, die ook als zakelijke kilometers worden beschouwd. Het maakt daarbij niet uit met welk vervoermiddel dit gebeurt: auto, trein, fiets en zelfs wanneer te voet wordt gegaan.Door de Belastingdienst is eind 2004 definitief goedgekeuring gegeven om de fiscaal netto toegestane vergoeding voor de woon-werkkilometers te verruilen met arbeidsvoorwaardelijke bestanddelen, zoals die ook in ons cafetariamodel zijn opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanaf 2005 kunnen alle drie de bronnen worden omgezet voor een onbelaste woon-werk-vergoeding.Van belang is natuurlijk de fiscale ruimte, die je hebt voor het woon-werkverkeer.Met andere woorden wat is de maximale netto-vergoeding, die fiscaal is toegestaan in jouw persoonlijke woon-werksituatie.Hiervoor ga je als volgt te werk:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aantal kilometers (retour) volgens ANWB (staat op internet) ............X Aantal reisdagen kalenderjaarBij een vijfdaagse werkweek vul hier 214 in (praktische regeling volgens de fiscus). Werk je op minder dag 5 dagen per week dan geldt dit naar evenredigheid:4 dagen: 1713 dagen: 1282 dagen: 861 dag: 43.................-----------------------------------------------------------------= Aantal woon-werkkilometers kalenderjaar................X € 0,19----------------------------------------------------------------= Maximale netto-vergoeding (fiscale ruimte) kalenderjaar................---------------------------------------------------------------- Wanneer je de maximale netto-vergoeding hebt berekend, bepaal je wat je ervoor wilt inzetten:het persoonlijk budget, het vakantieverlof en/ofde brutoloonbestanddelen(bruto salaris, bruto vakantietoelage en/of bruto eindejaarsuitkering).</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het formulier “Tegemoetkoming woon-werkverkeer”, vul je in wat je ervoor wilt inzetten en de waarde ervan. Wil je bijvoorbeeld (ook) gebruik maken van je bruto salaris, je bruto vakantietoelage en/of je bruto eindejaarsuitkering, dan moet je daarnaast ook het formulier “Aanpassing arbeidsvoorwaarden” invullen.</p></div>", "next": 239592}