{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">voet2Aan de ambtenaar die gedurende 35 jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld, wordt een gratificatie toegekend overeenkomstig één maand bruto bezoldiging minus de loonheffing bijzonder tarief, waarop de ambtenaar in de maand van zijn jubileum aanspraak heeft.Indien de ambtenaar voorafgaand aan de jubileumdatum 15 jaar onafgebroken in dienst van de gemeente Eindhoven is geweest, bedraagt de gratificatie anderhalf maal in plaats van één maal bruto bezoldiging minus de loonheffing bijzonder tarief. 2 Voor de berekening van de diensttijd van de ambtenaar worden de navolgende tijden in aanmerking genomen: de tijd, gedurende welke de ambtenaar beroepsmatig in overheidsdienst is geweest, daaronder begrepen de tijd, doorgebracht als herplaatst wachtgelder; de tijd, bij voortduring al dan niet in vaste dienst doorgebracht in een van de betrekkingen, genoemd in artikel B2 van de Algemene burgerlijke pensioenwet alsmede in een betrekking als in artikel B3 of U2 van evengenoemde wet; de tijd tot 30 juni 1993, bij voortduring al dan niet in vaste dienst doorgebracht bij de N.V. Nederlandsche Spoorwegen; de tijd, ter vervulling van de militaire dienstplicht of als vrijwilliger in militaire dienst doorgebracht; de tijd, als beroepsmilitair doorgebracht; de tijd, op non-activiteit doorgebracht in een overheidsbetrekking of in een semi-overheidsbetrekking, als bedoeld onder b en c van dit artikel; de tijd, waarover rechtsherstel is verleend in verband met een dienstbetrekking, bedoeld onder a, b of c van dit artikel; de tijd, gedurende welke staking of schorsing heeft plaatsgehad op grond van enig voor het overheidspersoneel geldende zuiveringsbesluit; de tijd, bij de dienst Ergonbedrijven doorgebracht als werknemer in de zin van de Wet Sociale Werkvoorziening voordat het ambtenaarschap in de zin van de Algemene burgerlijke pensioenwet bij de gemeente Eindhoven is verkregen mits die tijd ononderbroken en onmiddellijk voorafgaat aan dat ambtenaarschap en mits de Abp-directie daarmee vooraf heeft ingestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Diensttijd, gelijktijdig in meer dan één betrekking doorgebracht telt voor de vaststelling van de datum van het ambtsjubileum slechts één maal mee.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2007.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegelijk met het in werking treden van dit besluit vervalt de regeling gratificaties bij ambtsjubilea, zoals laatstelijk vastgesteld in december 1984.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze regeling kan worden aangehaald als Regeling gratificaties bij ambtsjubilea. voet1terug1 Een eenmalige uitkering na het bereiken van een diensttijd van tenminste 25 jaar of ten minste 40 jaar, is op grond van de belastingwetgeving vrijgesteld tot maximaal de bruto bezoldiging over één maand (artikel 11 lid 1 sub o Wet op de loonbelasting 1964) voet2terug2 De betaling op grond van dit lid geschiedt onder de Werkkostenregeling zoals bedoeld in artikel 31 lid 1 onder f van de Wet op de loonbelasting 1964.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:6</span><span class=\"lf-art-t\">Eindejaarsuitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1De ambtenaar heeft recht op een eindejaarsuitkering ten bedrage van 6,0% van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris op jaarbasis. De uitkering bedraagt bij een volledige betrekking minimaal € 1.750,--. Bij een deeltijd betrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2De eindejaarsuitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">3Bij indiensttreding na 1 januari van een kalenderjaar bouwt de ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een eindejaarsuitkering op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling van de eindejaarsuitkering plaats over het gedeelte van het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is geweest.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-7-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:7:1</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-7-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:7:2</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-7-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:7:3</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-7-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:7:4</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-7-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:7:5</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-7-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:7:6</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-7-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:7:7</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen) Document 3:8:1:8 Inconveniëntenregeling</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span><span class=\"lf-art-t\">Bepaling en waardering</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">Gezichtspunten</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">Compensatie</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">Verval/vermindering inconveniënten</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span><span class=\"lf-art-t\">Slotbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage bij de Inconveniëntenregeling De aan een functie verbonden inconveniënten worden bepaald aan de hand van de in artikel 2 vermelde gezichtspunten en in de bijlage opgenomen tabellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaststelling van de inconveniënten vindt plaats door het college, gehoord het advies van de functiewaarderingscommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De waardering van de inconveniënten geschiedt volgens onderstaande conversietabel:</p>\n<p class=\"lf-p\">Stap Score per enig gezichtspunt Totaal score gewogen Compensatie per maand Geld Tijd 0 0 t/m 5 0 t/m 23 - - 1 6 t/m 7 24 t/m 35 1 periodiek 1 dag 2 9 t/m 11 36 t/m 55 2 periodiek 2 dagen 3 14 t/m 17 56 t/m 83 3 periodiek 3 dagen 4 21 t/m 25 84 en hoger 4 periodiek 4 dagen De compensatie geschiedt in geld of in tijd ter bepaling door de directeur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het bepalen van de inconveniënten zijn de navolgende gezichtspunten van belang: de zwaarte van de arbeid, d.w.z. de mate waarin lichamelijke krachtuitoefening naar de gangbare opvatting als een bezwaar wordt gevoeld. Daarbij zijn van belang de zwaarte resp. de uit te oefenen kracht, alsmede de veelvuldigheid en de duur van deze belasting; inspannende houding en eenzijdige beweging, d.w.z. de mate, waarin een bepaalde houding naar gangbare opvatting als een bezwaar wordt gevoeld. Daarbij zijn van belang de mate, waarin de houding inspannend is, alsmede de veelvuldigheid en de duur van de inspannende houding; bezwarende oplettendheid, d.w.z. een – naar gangbare opvatting - meer dan normale oplettendheid, aandacht, concentratie of opmerkzaamheid. Daarbij zijn van belang de mate van de vereiste bezwarende oplettendheid, alsmede de mate waarin de vereiste bezwarende oplettendheid door binnen het werk gelegen factoren wordt bemoeilijkt; werksfeer, d.w.z. de bezwaren, welke naar de gangbare opvatting bestaan bij het werken in een onaangename sfeer, hetzij van fysieke dan wel van psychische aard. Daarbij zijn van belang de mate, waarin de werksfeer onaangenaam is, alsmede de veelvuldigheid en de duur. persoonlijk risico, d.w.z. het gevaar waaraan de functionaris naar de gangbare opvatting bloot staat voor het oplopen van lichamelijk letsel. Daarbij zijn van belang de ernst van de mogelijke ongevallen en ziekte, alsmede de kans dat een ongeval plaats vindt of een ziekte ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Compensatie van de inconveniënten in geld geschiedt in de vorm van een tijdelijke toelage. Deze toelage wordt per maand uitbetaald zolang de inconveniënten niet veranderen. De functieschaal is het uitgangspunt voor de berekening van de toelage. De toelage is gelijk aan: het verschil tussen het maximum van de functionele CAR – schaal en het daaraan voorafgaande reeksnummer dan wel het verschil tussen het maximum van de functionele CAR – schaal en de twee daaraan voorafgaande reeksnummers dan wel het verschil tussen het maximum van de functionele CAR – schaal en de drie daaraan voorafgaande reeksnummers Als bijlage II CAR van toepassing is, wordt de hoogte van de toelage berekend als ware bijlage IIA reeds van toepassing. voetterug1Compensatie van de inconveniënten in tijd geschiedt in de vorm van hele of halve dagen. Deze hele of halve dagen dienen per kwartaal te worden opgenomen zolang de inconveniënten niet veranderen 1. Een voostel tot compensatie in de vorm van hele of halve dagen geschiedt door degene die tot het verlenen van verlof bevoegd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het inconveniënt geheel of gedeeltelijk komt te vervallen, zal de compensatie ook geheel of gedeeltelijk komen te vervallen. De regeling verminderings- en aflopende toelage is hierop van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2007.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegelijk met het in werking treden van deze regeling vervalt onderdeel VIB van de Promotie- en Indelingsregels 1992.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze regeling kan worden aangehaald als Inconveniëntenregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zwaarte van de arbeid Inspannende houding en eenzijdige beweging Bezwarende oplettendheid Het aantal gelijktijdig optredende feiten, waarop de functionaris moet letten en/of het optreden van afleidende factoren bepalen de mate van de vereiste bezwarende oplettendheid. Ook de duur van de arbeidscyclus kan van invloed zijn. Een korte arbeidscyclus werkt slechts dan verzwarend, indien men niettegenstaande de eentonigheid bij elke handeling telkens weer moet opletten; indien de handelingen een automatisch karakter hebben, neemt echter de oplettendheid af. Afleidende factoren d.w.z. factoren, die buiten het werk liggen, dus op zichzelf geen aandacht behoeven doch wel de aandacht afleiden, verhogen de graad van vereiste bezwarende oplettendheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de vraag of de vereiste bezwarende oplettendheid door binnen het werk gelegen factoren wordt bemoeilijkt, is van belang in hoeverre de werkzaamheden die op een bepaald moment de aandacht vragen i.v.m. het weinig interessante of het eentonige karakter daarvan de aandacht bemoeilijken. Voorts in hoeverre er bij de uitoefening van de functie op een gegeven moment niet uit te schakelen en binnen het werk gelegen factoren optreden, die de vereiste aandacht of concentratie verstoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werksfeer Factoren van fysieke aard zijn zoal:</p>\n<p class=\"lf-p\">Stof lawaai nat Vuil trillingen vocht Rook donker warmte Damp weersomstandigheden koude Stank benauwde atmosfeer temperatuurwisselingen Onaangenaam aandoende materialen onaangename beschermings middelen Factoren van psychische aard zijn zoal:</p>\n<p class=\"lf-p\">Zenuwvermoeiende omstandigheden Deprimerende omstandigheden Tegen de borst stuitende omstandigheden Persoonlijke risico Het maakt verschil of er gevaar bestaat voor: gering letsel, zoals schaafwonden, snijwondjes of kneuzingen; ongevallen, die tijdelijk of gedeeltelijk ongeschikt voor de functie maken, zoals gekneusde hand of voet, verlies van vingers, letsel aan de ogen, veroorzaakt door vliegende stukjes materiaal, of voor ziekte, die niet blijvend ongeschikt voor de functie maakt; ongevallen of schade aan de gezondheid, die blijvend ongeschiktheid voor de functie maakt, zoals verlies van een arm of been, geheel of gedeeltelijk verlies van het gezichtsvermogen; ongevallen of ziekten die volledige arbeidsongeschiktheid of de dood tot gevolg hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter bepaling van de kans op ongevallen of ziekten verdienen de gebruikelijke veiligheidsvoorschriften en de ter plaatse genomen veiligheidsmaatregelen de aandacht. voet11 Deze dagen kunnen conform de regels van het cafetariamodel worden verkocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Document 3:9:1:8 Regeling verminderings- en aflopende toelage</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">Vermindering aanstellingsomvang</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">Aflopende toelage</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">Slotbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van deze regeling wordt onder toelage verstaan: de toelage onregelmatige dienst, als bedoeld in artikel 16 van de Bezoldigingsregeling; de vergoeding voor consignatiediensten, zoals bedoeld in de Consignatieregeling; de compensatie in geld van inconveniënten, als bedoeld in de Inconveniëntenregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er ontstaat een aanspraak op een uitkering wegens gedeeltelijke werkloosheid na afloop van een tijdelijke uitbreiding van de overeengekomen of vastgestelde arbeidstijd, indien voldaan is aan de navolgende voorwaarden: de uitbreiding van de werktijd heeft een aaneengesloten periode van 6 maanden of langer geduurd; de uitbreiding is niet gebaseerd op artikel 2:7a CAR; de uitbreiding heeft niet op verzoek van de ambtenaar of op grond van diens persoonlijk belang plaatsgevonden; de afloop van de uitbreiding is niet door toedoen van de ambtenaar veroorzaakt; de ambtenaar heeft geen recht op een uitkering krachtens de artikelen 16 tot en met 18 van de Werkloosheidswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer geen recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet bestaat op grond van het bepaalde in artikel 16 lid 1 onder b of artikel 19 van die wet of een recht op uitkering op grond van artikel 20 van die wet is beëindigd, ontstaat geen aanspraak op basis van deze regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitkering als bedoeld in het eerste lid bedraagt 15% van de bezoldiging over de urenuitbreiding, waarbij de eerste 6 maanden van de urenuitbreiding niet in aanmerking genomen worden. Deze bruto uitkering wordt na afloop van de urenuitbreiding uitbetaald in een bedrag ineens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ambtenaar, wiens bezoldiging ten gevolge van een niet voorzienbare beëindiging of vermindering van de toelage als bedoeld in artikel 1 een blijvende verlaging heeft ondergaan, wordt een aflopende toelage toegekend. Deze toelage wordt niet toegekend als de beëindiging of vermindering aan eigen schuld of toedoen te wijten is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de aflopende toelage geldt als berekeningsbasis het bedrag dat over de 12 maanden direct voorafgaande aan de vermindering of beëindiging gemiddeld per maand werd genoten, verminderd met het eventueel resterende bedrag per maand aan toelage toegekend onder dezelfde titel als waarvoor de aflopende toelage wordt berekend. Voor vaststelling van de berekeningsbasis worden de ontvangen toelagen herberekend met inachtneming van de algemene salarismaatregelen tot en met de datum van vermindering of beëindiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">De periode waarover recht bestaat op de aflopende toelage is ¼ gedeelte van de tijd gedurende welke de toelage als bedoeld in artikel 1 zonder wezenlijke onderbreking werd genoten, zonodig naar boven op hele maanden afgerond met een maximum van vijf jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de bepaling van de hoogte van de aflopende toelage wordt de uitkeringsperiode in 3 gelijke delen gesplitst, waarbij zonodig de eerste delen naar boven worden afgerond. De aflopende toelage bedraagt: gedurende het eerste gedeelte van de periode 75% van de berekeningsbasis; gedurende het tweede gedeelte van de periode 50% van de berekeningsbasis; gedurende het derde gedeelte van de periode 25% van de berekeningsbasis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in de leden 4 en 5 bedoelde toelagen worden verminderd met tijdens de uitkeringsperiode toegekende toelagen of verhogingen daarvan, indien deze toelagen of verhogingen onder dezelfde titel zijn toegekend als die waarvan de aflopende toelage is berekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2007.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegelijk met het in werking treden van dit besluit vervallen de regeling aflopende toelagen en de nadere regeling van 24 december 1991 met betrekking tot de verminderingstoelage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het criterium als genoemd in het eerste lid onder e van artikel 2 geldt niet ten aanzien van tijdelijke uitbreiding van de overeengekomen of vastgestelde arbeidstijd die ingegaan is voordat dit besluit in werking getreden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze regeling kan worden aangehaald als Regeling verminderings- en aflopende toelage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Document 3:10:1:8 Regeling functiebeschrijving en -waardering Eindhoven 2012</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">Methode van beschrijven en waarderen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">Functiehuis en functieprofiel</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging functieprofiel</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span><span class=\"lf-art-t\">Waardering functieprofielen bij wijziging of invoeren nieuw functieprofiel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6 Van toepassingverklaring functieprofiel</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span><span class=\"lf-art-t\">Hardheidsclausule</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8</span><span class=\"lf-art-t\">Evaluatiebepaling</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9</span><span class=\"lf-art-t\">Citeertitel en inwerkingtreding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze regeling wordt verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Vbalans+: het door de Human Capital Group ontwikkelde functiewaarderingssysteem (versie van 2002, nummer 1.40.11)1, functiereeks: een verzameling van functieprofielen met een bepaalde gezamenlijke eigenschap; functieprofiel: een op hoofdlijnen en vanuit de taakstelling en het resultaatgebied van de ambtelijke organisatie van de gemeente beschreven functie die voor een groep ambtenaren geldt; functie-inventarisatieformulier: door de gemeentesecretaris vastgesteld formulier, waarin het concrete samenstel van taken is opgenomen vanuit de taakstelling en het resultaatgebied van de ambtelijke organisatie van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beschrijven en waarderen van functies vindt plaats met gebruikmaking van VBalans+. voet2terugDe gemeente heeft een functiehuis, bestaande uit 9 functiereeksen en 51 functieprofielen. Uiterlijk 31 december van elk jaar wordt het functiehuis geëvalueerd en zo nodig gewijzigd.2 In een functieprofiel worden in globale termen opgenomen: de functienaam; de doelstelling en omgeving van de functie; de belangrijkste resultaatgebieden die aan de functie zijn verbonden. Onder resultaatgebieden worden verstaan de werkzaamheden die bijdragen tot de eindresultaten van de gemeentelijke taakuitvoering; de speelruimte die aan de functie verbonden is; de kennis en vaardigheden die benodigd zijn voor de functie; contacten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Sectorhoofd Personeel en Organisatie toetst of het functieprofiel voldoet aan VBalans+.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college stelt de functieprofielen vast na het bereiken van overeenstemming binnen het Georganiseerd Overleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien er sprake is van een blijvende, wezenlijke verandering in een van de in artikel 3, tweede lid, opgenomen bestanddelen van het functieprofiel, bereidt de gemeentesecretaris een voorstel tot wijziging van het functieprofiel voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij wijziging van een functieprofiel ingevolge artikel 4 of bij toevoeging van een nieuw functieprofiel geeft de gemeentesecretaris, na overleg terzake met de overige leden van de Directieraad, opdracht voor een onderzoek naar de waardering van de beschreven functieprofielen. Dit onderzoek wordt verricht door een functiewaarderingsdeskundige op basis van VBalans+.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het sectorhoofd vult het functie-inventarisatieformulier in, indien hij van oordeel is dat sprake is van een nieuw samenstel van taken of zich een structurele organieke wijziging voordoet in een bestaand samenstel van taken. De ambtenaar wiens taken het betreft kan een verzoek tot invulling van een functie-inventarisatieformulier bij zijn sectorhoofd indienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van functieonderhoud kan het sectorhoofd eens in de drie jaar verzoeken een samenstel van taken dat eerder is toebedeeld opnieuw te laten toebedelen aan één van de functieprofielen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeentesecretaris stelt na advies van een functiewaarderingsdeskundige de toebedeling van het samenstel van taken, zoals beschreven in het functie-inventarisatieformulier, aan het functieprofiel vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het sectorhoofd verklaart voor de ambtenaar een functieprofiel van toepassing, gelet op het door de ambtenaar uitgeoefende samenstel van taken en van toepassing zijnde functie-inventarisatieformulier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan deze regeling geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten, dan wel hiervan afwijken voor zover onverkorte toepassing, gelet op het doel van deze regeling, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.</p>\n<p class=\"lf-p\">De werking van de Regeling functiebeschrijving en -waardering Eindhoven 2012 wordt vierjaarlijks geëvalueerd, voor de eerste keer uiterlijk 31 december 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze regeling kan worden aangehaald als Regeling functiebeschrijving en -waardering Eindhoven 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de inwerkingtreding van deze regeling vervallen alle eerdere regelingen en/of bepalingen met de daarbij behorende uitvoeringsvoorschriften voor zover het betreft het waarderen en beschrijven van functies. voet11 V balans+ is een softwareprogramma; actualisering van software door technische verbeteringen (verbeterde versies) is gebruikelijk; zulke actualisering wordt onder deze begripsomschrijving begrepen; als actualisering zodanige wijziging teweeg brengt dat overeenstemming met het Georganiseerd Overleg (GO) aan de orde is, wordt cf. de hierover met het GO gemaakte afspraken gehandeld. voet22 Structuur en besturingssysteem van de ambtelijke organisatie worden vastgelegd in een organisatiereglement; het functiehuis past bij de gekozen structuur en het besturingssysteem.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Arbeidsduur en werktijden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:1</span><span class=\"lf-art-t\">Arbeidsduur en werktijden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1Het college kan in overleg de feitelijke arbeidsduur per week vaststellen op een andere omvang dan de formele arbeidsduur per week. De voor de ambtenaar geldende arbeidsduur per jaar mag hierdoor niet worden overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per week.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Bij de brandweer en de wat betreft de van toepassing zijnde dienstroosters daarmee vergelijkbare onderdelen, kunnen van het eerste en het tweede lid afwijkende afspraken worden overeengekomen, met dien verstande dat het bepaalde in de laatste volzin van het eerste lid van toepassing blijft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:2</span><span class=\"lf-art-t\">Arbeidsduur en werktijden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 In een nader door het college vast te stellen regeling worden algemene regels omtrent de werktijden vastgesteld. Voor zover ingevolge deze regeling wisselende werktijden gelden, wordt daarvoor een rooster opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Bij de regeling van de werktijd wordt in acht genomen: dat geen arbeid wordt verricht op zaterdagen en zondagen, tenzij afwijking van deze regel in het belang van de dienst noodzakelijk is; dat de werktijden ten minste één maand voor aanvang aan de ambtenaar bekend worden gemaakt; dat de werktijd behoorlijk door pauze wordt onderbroken; dat de werktijd van een ambtenaar niet uitsluitend wordt vastgesteld om het bepaalde in artikel 3:3 , derde lid te ontwijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Bij de brandweer, en de wat betreft de van toepassing zijnde dienstroosters daarmee vergelijkbare onderdelen, kan een van het tweede lid afwijkende regeling worden getroffen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-2-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Arbeidsduur en werktijden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Bij de regeling van de werktijd en haar toepassing wordt zoveel mogelijk gezorgd, dat de ambtenaar op zondag en de voor hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat hij in zijn zondagsrust zo weinig mogelijk wordt beperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Een afwijking van de regeling van de werktijd, bedoeld in artikel 4:2 , tweede lid, onder a, is voor wat betreft de zondag slechts mogelijk voor ten hoogste 26 zondagen per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, geldt mede voor het verrichten van arbeid op de nieuwjaarsdag, de tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen en de dag waarop de verjaardag van de koningin wordt gevierd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, geldt, hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, ook voor kerkelijke of nationale, landelijke, regionale of plaatselijk erkende feest- of gedenkdagen die door het college zijn aangewezen als dagen, waarop de openbare dienst van de gemeente is gesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Het bepaalde in dit artikel vindt voor hem die tot een kerkgenootschap behoort dat de wekelijkse rustdag op de sabbat of de zevende dag viert, overeenkomstige toepassing indien hij een daartoe strekkend verzoek heeft ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-2-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:2:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Arbeidsduur en werktijden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">5 mei is in lustrumjaren aangewezen als een gedenkdag, zoals bedoeld in het vierde lid van artikel 4:2:1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het belang van de dienst of wanneer bijzondere omstandigheden het noodzakelijk maken, kan de ambtenaar door het college worden verplicht tot overwerk, wachtdienst, nachtarbeid en arbeid op zaterdag, zondag, de dag van de viering van de verjaardag van de koningin en kerkelijke of nationale feest- of gedenkdagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Document 4:2:1:8 Werktijden en ADV-regeling</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span><span class=\"lf-art-t\">Arbeidsduur per jaar</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">Invulling arbeidsduur</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling werktijden</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">ADV-uren per jaar</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span><span class=\"lf-art-t\">Opname van ADV-dagen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span><span class=\"lf-art-t\">ADV en ziekte</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span><span class=\"lf-art-t\">Niet overschrijven van ADV</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8</span><span class=\"lf-art-t\">Slotbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De berekening van de in het tweede lid van artikel 1:1:1:1 CAR/EAR genoemde arbeidsduur van 1835 uren per jaar is als volgt: 365,25 dagen / 7 = 52,18 weken 52,18 * 5 = 260,9 werkdagen 260,9 * 7,2 = 1878,5 werkurenAftrek feestdagen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Kerst 2 dagen à 7,2 uur * 5/7 Koninginnedag 1 dag à 7,2 uur * 5/7 Nieuwjaar 1 dag à 7,2 uur * 5/7 Pasen 1 dag à 7,2 uur Pinksteren 1 dag à 7,2 uur Hemelvaart 1 dag à 7,2 uur 5 mei in lustrumjaren 1 dag à 7,2 uur * 5/7 * 1/5 totale aftrek = 43,2 vrije uren resterend = 1835,3 werkuren, afgerond 1835 werkuren De formele arbeidsduur voor deeltijders is de aanstellingsomvang/36 x 1835 uur per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De formele arbeidsduur voor medewerkers, die deelnemen aan de seniorenmaatregel is bedoeld in artikel 5:1 CAR bedraagt 80% van 1835 uur = 1468 uur per jaar. Deelnemers aan de in artikel 5:3 CAR opgenomen seniorenmaatregel hebben een formele arbeidsduur van 50% van 1835 = 918 uur per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in artikel 1 genoemde arbeidsduur per jaar wordt ingevuld door: arbeid te verrichten; verlof te genieten, zoals omschreven in hoofdstuk 6 CAR/EAR, gedurende de conform het tweede lid van artikel 3 vastgestelde formele arbeidsduur van de betreffende dag 1; ziekte gedurende de conform het tweede lid van artikel 3 vastgestelde formele arbeidsduur van de betreffende dag; dienstreizen, onder voorwaarden als in het tweede lid genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dienstreizen worden geacht aangevangen en beëindigd te zijn op het tijdstip waarop betrokkene doorgaans zijn arbeid aanvangt resp. beëindigt op de betreffende dag of het betreffende dagdeel, indien de dienstreis tenminste 50% van de reguliere arbeidsduur van betrokkene op die betreffende dag bedraagt. Indien hieruit onbillijkheden zouden voortvloeien, omdat de duur van de dienstreis aanmerkelijk groter is dan de reguliere arbeidsduur voor die dag, worden die extra uren als arbeidsduur aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bezoeken aan huisarts, specialist, therapeut etc. dienen zoveel als mogelijk buiten de overeengekomen werkdagen en werktijden te worden gepland. Voor zover dergelijke bezoeken vallen binnen werkdagen en werktijden, zal in onderling overleg met de direct leidinggevende, bepaald worden hoe met deze uren wordt omgegaan. voet2Vaststelling van de werktijden per sector 2 geschiedt door de directieraad in overleg met de ondernemingsraad en met in achtneming van: de in wetgeving 3, de CAR en bijbehorende regelingen en toelichting daarop opgenomen regels; het bedrijfsproces van het betreffende organisatieonderdeel; de onderlinge dienstverlening van organisatieonderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de werktijden van de sector worden de feitelijke en formele arbeidsduur per dag voor de ambtenaar en diens werkdagen door de leidinggevende in overleg met de ambtenaar vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in artikel 4:1 CAR en de Wet Aanpassing Arbeidsduur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met inachtneming van door de leidinggevende geformuleerde bedrijfsvoeringscriteria heeft de ambtenaar de mogelijkheid om een ander feitelijk aantal arbeidsuren per dag of op andere dagen te werken dan in het tweede lid bedoeld. Hierbij dient de Arbeidstijdenwet, artikel 4:1 CAR en de voor de ambtenaar geldende arbeidsduur per jaar te worden toegepast. De door de ambtenaar geïnitieerde afwijking van hetgeen conform het tweede lid is vastgesteld kan nimmer leiden tot toepassing van de toelage onregelmatige dienst, de verschuivingsvergoeding of de overwerkregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor rusttijden en pauzes geldt de standaardregeling uit de Arbeidstijdenwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ADV-opbouw per week wordt gevormd door de arbeidsduur per week minus de formele arbeidsduur per week maal het aantal werkbare weken per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ADV-opbouw mag maximaal 1/9 van de formele arbeidsduur per week bedragen. 2 ADV-opbouw geschiedt met toestemming van het sectorhoofd. voet4Gezien het aantal feestdagen per jaar wordt voor de bepaling van het aantal werkbare weken per jaar het aantal kalenderweken (52,2) verminderd met 1,2 tot 51. 4 Vrije opneembaarheid van ADV-dagen kan worden beperkt in de vorm van brug- of sluitingsdagen door het college met instemming van het Georganiseerd Overleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het overleg over de aan te wijzen brug- en sluitingsdagen dient in het voorafgaande kalenderjaar te zijn opgestart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is men ziek tijdens een ADV- of brugdag, dan wordt deze niet als ADV dag beschouwd en dus niet op het ADV saldo in mindering gebracht. voet5 Medewerkers die geen of te weinig ADV-dagen voor opname tijdens brug- of sluitingsdagen hebben leveren verlof in voor deze dagen. Een compensatie (in tijd) kan met het sectorhoofd worden overeengekomen. 5 Bij arbeidsongeschiktheid is geen sprake van opbouw van ADV. Dat geldt zolang betrokkene een gelijk aantal of minder uren per week werkzaam is dan het aantal uren van diens formele arbeidsduur per week.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien het in het eerste lid bepaalde zal bij ziekte korting plaats moeten vinden van het – aan het begin van het kalenderjaar bij wijze van voorschot toegekende – ADV-saldo. Per kalenderjaar wordt voor korting buiten beschouwing gelaten: het aantal werkdagen waarop betrokkene gemiddeld in twee kalenderweken werkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld 1: Een fulltimer met een werkrooster van 5x 8 uur per week had 40 ziektedagen (op werkdagen; weekenden en feestdagen niet meegerekend) Kortingsvrij: 10 dagen, dus te korten over 40 – 10 = 30 dagen De korting bedraagt 30 * 0,8 uur = 24 uur, zodat 204 – 24 = 180 uur resteert. Voorbeeld 2: Een deeltijder met een aanstellingsomvang van 22 uur werkt 24 uur (3 x 8 uur) en is 40 te werken dagen ziek geweest. Kortingsvrij: 2x 3 = 6 dagen, dus te korten 40- 6 = 34 dagen. De korting bedraagt 34 * 2/3 (aangezien er 2 uur adv-opbouw is per 3 dagen) = 22,67 = 23 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">ADV is bedoeld om in het jaar van ontstaan op te nemen. ADV of een deel daarvan wordt daarom niet overgeschreven naar een volgend kalenderjaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2007.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegelijk met het in werking treden van dit besluit vervallen de bijlage A bij de brief aan burgemeester en wethouders aan hoofden van dienst van 26 september 1996, 96K002861 over formalisering arbeidsduurverkorting etc. per 01-01-1997 (PZAVW/11.09); de regels voor de vormgeving van de arbeidsduurverkorting (ADV) tot 36 uur per week met ingang van 1-1-1997 (door b. en w. vastgesteld op 30 december 1996, gewijzigd bij besluit van 18 april 1997) (PZAVW/11.10) de circulaire van b. en w. aan de hoofden van dienst van 10 april 1997 (PZAVW/11.11) Deze regeling kan worden aangehaald als Werktijden- en ADV-regeling voet1terug1 Dit laat onverlet dat een deel van deze arbeidsduur onbezoldigd kan zijn. Bij het langdurend zorgverlof vindt bijv. voor 50% doorbetaling plaats. voet2terug2 Tenzij daarop een uitzondering is gemaakt, geldt voor elke sector als werktijd de periode tussen 7.30 en 18.30 uur. voet3terug3 M.n. de Arbeidstijdenwet, waarbij enkel de standaardregeling en niet de overlegregeling geldt, en de Wet Aanpassing Arbeidsduur. voet4terug4 Een medewerker met een aanstellingsomvang van 36 uur en een werkrooster van 5 x 8 uur bouwt aldus 51 * (40-36) = 204 uur adv per jaar op. voet5terug5 Met name betreft dit deeltijders, spaarders en medewerkers die in een ritme werken van 4 x 9 uur, voor zover er afgesproken werkdagen met brug- en sluitingsdagen samenvallen. In het verleden gold daarbij een toeslag van 20% voor deeltijders. Deze toeslag is evenwel vervallen i.v.m. de hen geboden keuzemogelijkheid om al dan niet ADV op te bouwen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-2-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:2:2</span><span class=\"lf-art-t\">Arbeidsduur en werktijden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien door de ambtenaar, bedoeld in artikel 3:3 , arbeid op zaterdag of zondag wordt verricht, wordt hem voor elke zaterdag of zondag waarop hij arbeid heeft verricht een werkdag ter vrije beschikking toegekend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:3</span><span class=\"lf-art-t\">Spaarmogelijkheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: opgebouwde verloftegoed: het voor 1 april 2006 opgebouwde verlof in het kader van de voormalige verlofspaarmogelijkheid; kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed: het omzetten van het opgebouwde verloftegoed in een geldbedrag. Per verlofuur wordt een bedrag uitgekeerd ten hoogte van het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het opgebouwde verloftegoed wordt op verzoek van de ambtenaar door het college verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten. De ambtenaar geniet het verlof zoveel als mogelijk in een aaneengesloten periode.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De ambtenaar kan verzoeken om kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed. Het college beslist of aan dit verzoek kan worden voldaan. Het verloftegoed kan enkel worden gekapitaliseerd wanneer de ambtenaar deelneemt aan de levensloopregeling en wanneer het gekapitaliseerde verloftegoed wordt gestort op zijn levenslooprekening. Bij de kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed gelden de randvoorwaarden zoals opgenomen in de wettelijke bepalingen omtrent de levensloopregeling. Wanneer in een bepaald jaar het opgebouwde verloftegoed niet volledig kan worden gekapitaliseerd kan de ambtenaar in een volgend jaar opnieuw een verzoek indienen tot kapitalisatie van het resterende opgebouwde verloftegoed. Het college beslist dan of aan dit verzoek kan worden voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 In geval van ontslag op grond van artikel 8:1 wordt het resterende opgebouwde verloftegoed zoveel mogelijk opgenomen gedurende de opzegtermijn. In overeenstemming met de ambtenaar kan hiervoor de maximale opzegtermijn zonodig worden verlengd. Indien het voor de ambtenaar, in verband met het aanvaarden van een andere betrekking, niet mogelijk is om de opzegtermijn te verlengen, wordt het niet opgenomen resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 In geval van ontslag op grond van artikel 8:3 , 8:6 , 8:7 , 8:8 of 8:11 wordt de ambtenaar in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan het ontslag het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen. Indien dit niet mogelijk is, wordt het niet opgenomen opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 In geval van ontslag op grond van artikel 8:5a of 8:13 is de ambtenaar verplicht het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen met ingang van de dag dat het voornemen tot ontslag aan de ambtenaar is meegedeeld. Het ontslag gaat in op de eerste dag na afloop van de opname van het opgebouwde verloftegoed 7 In geval van ontslag op grond van artikel 8:4 en 8:5 of 8:9 wordt het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald op grond van het tiende lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 In het geval van overlijden van de ambtenaar wordt aan de nabestaanden, met inachtneming van het bepaalde van artikel 8:16:2 , het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">9 In geval het ontslag als bedoeld in de voorgaande leden een gedeeltelijk ontslag betreft, worden tussen de ambtenaar en het college nadere afspraken gemaakt over de opname van het resterende opgebouwde verloftegoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">10 Indien het opgebouwde verloftegoed wordt uitbetaald, wordt dit uitbetaald naar het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">4a Uitwisselen van arbeidsvoorwaarden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4a</span><span class=\"lf-art-t\">1 Vakantie-uren uitwisselen tegen geld</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid - te verminderen in ruil voor een vergoeding als bedoeld in het vijfde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal vakantie-uren –na vermindering op grond van het eerste lid – minimaal 144 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als minimum.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal te verminderen vakantie-uren op grond van het eerste lid maximaal 72 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen ontvangt de ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid verminderd vakantie-uur een vergoeding overeenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij de aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4a</span><span class=\"lf-art-t\">2 Geld uitwisselen tegen vakantie-uren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2 , eerste lid - te vermeerderen tegen inlevering van een vergoeding als bedoeld in het vierde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal op grond van het eerste lid te vermeerderen vakantie-uren maximaal 72 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen, wordt op het salaris van de ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid meer verkregen vakantie-uur een vergoeding ingehouden overeenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4a</span><span class=\"lf-art-t\">3 Inhouding op bezoldiging, eindejaarsuitkering, vakantietoelage of urenvergoeding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het college kan op verzoek van de ambtenaar zijn bezoldiging als bedoeld in artikel 3:1 , zijn eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:6 , zijn vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 of zijn vergoeding als bedoeld in artikel 4a:1 , vijfde lid, verlagen voor door het college vastgestelde bestedingsmogelijkheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Bij regeling van het college kunnen voor de uitvoering van het bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften worden gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4a</span><span class=\"lf-art-t\">3:1:1 Betaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uit de uitwisseling van arbeidsvoorwaarden als bedoeld in dit hoofdstuk voortvloeiende geldsommen worden betaald op de in de betreffende bepalingen genoemde termijn(en) zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld nadat het daartoe bestemde en door de bevoegde ondertekende formulier bij de sector P&amp;O is ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Document 4a:3:1:8 Fietsenplan gemeente Eindhoven 2002 vn1terugAls werknemer van de gemeente Eindhoven bent u in de gelegenheid een nieuwe fiets aan te schaffen tegen (fiscaal) aantrekkelijke voorwaarden. De werkgever wil hiermee het gebruik van de fiets in het woon-werkverkeer stimuleren. In ruil voor het vergoeden van de fiets dient u dan af te zien van uw eindejaarsuitkering of uw vakantiegeld (uiteraard voor dat deel dat gelijk is aan de aanschafwaarde van de fiets, tot een maximum van € 749,00*). Als gevolg hiervan betaalt de fiscus dus mee aan uw nieuwe fiets!</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambtenaren (inclusief werknemers in de zin van artikel 2:5 CAR) van de gemeente Eindhoven met een aanstelling voor onbepaalde tijd dan wel een tijdelijke aanstelling van minimaal 1 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij die voor een periode van minimaal 1 jaar een fictieve dienstbetrekking (pseudo werknemers) met de gemeente onderhouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om gebruik te kunnen maken van het fietsenplan stelt de Belastingdienst de voorwaarde dat de fiets voor tenminste de helft van het aantal werkdagen wordt gebruikt voor het afleggen van (een deel van) het woon-werkverkeer. U dient hiervoor een verklaring af te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De werkgever mag een vergoeding geven van (1) maximaal € 749 (inclusief BTW) als u een fiets aanschaft. Het is ook mogelijk een fiets met een hogere waarde dan € 749,00 aan te schaffen, het bedrag boven € 749,00 mag door de werkgever echter niet vergoed worden. U mag ook een fiets met trapondersteuning aanschaffen. De fiets is bestemd voor de deelnemer(-ster) aan het fietsenplan, het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat het fietsenplan wordt gebruikt om kinderfietsen of meerdere fietsen tegelijk te verkrijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast kunnen (2) met een fiets samenhangende zaken tot een bedrag van maximaal € 82,00* (per kalenderjaar worden uitgeruild. Per 3 kalenderjaren kan maximaal €246,00 worden uitgeruild. Deze €246,00 wordt automatisch verrekend in 3 jaarlijkse termijnen van €82,00, zonder dat hier bonnen tegenover staan. Voorwaarde is dat het moet gaan om zaken die bij woon-werkverkeer op de fiets van pas komen zoals een extra slot, een onderhoudsbeurt, een reparatie, een fietstas, een bandenreparatiesetje, een CO2-pompje, batterijverlichting, een steun voor de aktetas, een regenpak, etc. Zaken die normaal ook zonder de fiets worden gebruikt (zoals een warme winterjas) kunnen niet belasting- en premievrij worden uitgeruild.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eveneens kunt u een fietsverzekering afsluiten, hiervoor geldt dat (3) \"een gangbare fietsverzekering\" onder de regeling van het fietsenplan mag vallen. Een gangbare verzekering kan een dekkingen ter zake van de fiets omvatten: verzekering tegen diefstal/verduistering; cascoverzekering; ongevallen-opzittendenverzekering; rechtsbijstandverzekering; alsmede eventuele poliskosten voor de genoemde dekkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een fiets die door u is aangekocht na 1 januari 2002, en die voldoet aan de voorwaarden zoals hierboven beschreven, kan met terugwerkende kracht ondergebracht worden in het fietsenplan van de gemeente Eindhoven. Hiervoor dient u eveneens de verklaring in te vullen en de originele rekening van de fiets te overleggen aan de sector P&amp;O.</p>\n<p class=\"lf-p\">U moet schriftelijk verklaren (in beginsel) gedurende de rest van het kalenderjaar en de daarop volgende twee kalenderjaren voor tenminste de helft van de dagen die u pleegt te reizen in het kader van het woon-werkverkeer, gebruik te maken van de fiets. Dit kan ook voor een gedeelte van het woon-werktraject zijn, bijvoorbeeld van en naar een opstapplaats voor openbaar vervoer of carpool. Tevens verklaart u de fiets niet binnen die periode te verkopen, verhuren, dan wel op andere wijze, al dan niet tegen betaling, af te staan aan anderen of met (pre)pensioen of FLO te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien achteraf blijkt dat de Belastingdienst het onvoldoende aannemelijk acht dat de fiets daadwerkelijk gebruikt wordt voor (een gedeelte van) het woon - werkverkeer worden de fiscale gevolgen daarvan (naheffingsaanslag en eventuele boete van de Belastingdienst) door de gemeente in rekening gebracht van de deelnemer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kan in een kalenderjaar en de twee daarop volgende kalenderjaren tezamen aan u slechts éénmaal een fiets voor woonwerkverkeer onbelast worden uitgeruild. Er kan per kalenderjaar maximaal €82,- en per 3 kalenderjaren in totaal voor € 246,- aan daarmee samenhangende zaken worden uitgeruild. Indien u bijvoorbeeld op 1 juli 2004 een fiets vergoed heeft gekregen, kunt u pas weer op 1 januari 2007 voor een vergoeding van een fiets in aanmerking komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De salarisadministratie kan de mutaties pas verwerken indien de fietsverklaring is ingevuld en ondertekend en de bijbehorende rekeningen zijn toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">U schaft een fiets en eventueel daarmee samenhangende accessoires, en eventueel een fietsverzekering aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">U vult digitaal via mijn personeelszaken onder cafetariamodel, onderdeel uitruil fiets in. Vermeld op de gespecificeerde rekening van de fietshandelaar en evt. verzekeringsmaatschappij uw naam en personeelsnummer en lever de rekeningen als bewijsstuk in bij de P&amp;O administratie, kamer 5.07 Stadskantoor (of via interne post). Uw verzoek voor deelname wordt verwerkt nadat de bewijsstukken bij P&amp;O zijn ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De sector P&amp;O controleert volledigheid en geeft deze door aan de salarisadministratie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Digitale aanvragen en rekeningen die voor 15 november door de salarisadministratie zijn ontvangen, worden verwerkt bij de salarismutaties van de maand december. Digitale aanvragen en rekeningen die na 15 november (maar voor 15 april) door de salarisadministratie zijn ontvangen, worden verwerkt bij de salarismutaties van de maand mei. In de maand van de vergoeding ziet u af van een deel van de bruto eindejaarsuitkering of vakantiegeld (het deel dat gelijk is aan de waarde van de fiets, eventuele accessoires en de fietsverzekering). In plaats daarvan ontvangt u de fietsvergoeding. voet1* normbedrag belastingdienst 2010 Document 4a:3:1:9 Uitruil vakbondscontributie Met ingang van 2006 is het mogelijk op basis van artikel 4a:3 CAR (een deel van) de eindejaarsuitkering of de vakantietoelage uit te ruilen tegen een vergoeding voor de verschuldigde vakbondscontributie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Medewerkers die lid zijn van een vakbond kunnen een deel van hun eindejaarsuitkering of vakantietoelage omruilen voor een onbelaste vergoeding voor de vakbondscontributie. De ontvangen vergoeding kan nooit hoger zijn dan de werkelijk betaalde vakbondscontributie. Het belastingvrij vergoeden van de vakbondscontributie zal mogelijk worden gemaakt, zolang de fiscale wetgeving deze mogelijkheid biedt. Wanneer de fiscale wetgeving op dit punt komt te vervallen, eindigt daarmee ook de aanspraak van medewerkers op een vergoeding voor de vakbondscontributie. De uitruil van de vakbondscontributie kan plaatsvinden met de eindejaarsuitkering dan wel de vakantietoelage van het desbetreffende jaar, mits de medewerker in dat jaar over voldoende fiscale ruimte beschikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een medewerker die lid is van de vakbond kan door deelname aan deze uitruil fiscaal voordeel behalen. Een brutolooncomponent, te weten de eindejaarsuitkering of de vakantietoelage, wordt netto uitbetaald. De werknemer bespaart op deze wijze loonheffingen (loonbelasting, volksverzekeringen en sociale zekerheidspremies) en pensioenpremies over het deel van het brutoloon dat wordt verminderd. Wel heeft de verlaging van de eindejaarsuitkering en/of de vakantietoelage gevolgen voor de hoogte van salarisafhankelijke uitkeringsrechten zoals de doorbetaling bij ziekte, WIA-uitkering, suppletie (hoofdstuk 11a CAR-UWO), WW-uitkering (wettelijk en bovenwettelijk), ZW-uitkering (voor vangnetgroepen), omdat de grondslag voor deze uitkeringen wordt verlaagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het structurele deel van de eindejaarsuitkering en de vakantietoelage behoren tot de grondslag voor de berekening van de pensioenuitkeringen. Het inzetten van deze uitkeringen voor een niet pensioengevende vergoeding voor de vakbondscontributie kan daarom gevolgen hebben voor de pensioenopbouw van de medewerker, omdat over een lager bedrag pensioen wordt opgebouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">DDe inzet van (een deel van) de eindejaarsuitkering of de vakantietoelage leidt tot een verlaging van de verschuldigde procentuele premie onder de Zvw. Deze uitkeringen behoren immers tot de heffingsgrondslag zoals opgenomen in de Zvw (fiscale loon).</p>\n<p class=\"lf-p\">De medewerker dient jaarlijks vóór 15 april of vóór 15 november van het desbetreffende jaar waarvoor gebruik gemaakt wordt van de uitruilmogelijkheid van de vakbondscontributie, een aanvraag bij de backoffice van de sector P&amp;O in te dienen om gebruik te kunnen maken van de ruilmogelijkheid. Hiervoor kan hij digitaal via mijn personeelszaken, onder cafetariamodel de aanvraag invullen. Bij zijn aanvraag levert de medewerker een kopie van het betalingsbewijs (bijvoorbeeld laatste bankafschrift) van de vakbondscontributie van het desbetreffende jaar in, als bewijs dat hij daadwerkelijk lid is van de vakbond. Het bewijsstuk kan hij inleveren bij de P&amp;O administratie, kamer 5.07 Stadskantoor (of via interne post). De werkgever zal de afspraak met de medewerker schriftelijk vastleggen en verwerken in zijn salarisadministratie. De werkgever keert de vergoeding één keer per jaar met de eindejaarsuitkering dan wel de vakantietoelage uit (indien de contributie maandelijks wordt betaald houdt dit in dat 12x de maandelijkse contributie wordt betaald). Mocht de medewerker in het jaar dat de vergoeding is ontvangen uit dienst gaan, wordt dat deel dat hij ten onrechte heeft ontvangen, alsnog belast.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Seniorenmaatregelen Vervallen hoofdstuk</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 5 is vervallen.</h3>\n<p class=\"lf-p\">5a FPU Gemeenten en nieuwe seniorenmaatregelen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1 FPU Gemeenten</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">1 Recht op uitkering</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">2 Berekingsgrondslag</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">3 Hoogte van de Aanvulling werkgever</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">4 Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vanaf 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">4a Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die in de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">4b Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vóór 1 januari 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">5 Einde van het recht op een Aanvulling werkgever</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">6 Pensioenopbouw</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">7 Lokaal beleid</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">8 Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">1 Recht op uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die: ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:11 en geen gebruik maakt of heeft gemaakt van een of meer van de in hoofdstuk 5 genoemde regelingen en geen betrekking heeft vervuld die door de gemeente is aangewezen als bezwarende functie en waarvoor afwijkende regels zijn gesteld, heeft in het kader van de FPU Gemeenten recht op een Aanvulling werkgever.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">2 Berekeningsgrondslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 In dit hoofdstuk wordt onder berekeningsgrondslag verstaan: de pensioengrondslag zoals die is vastgesteld in januari in het jaar voorafgaand aan het moment van gebruikmaking van de aanvulling van de werkgever, met dien verstande dat indien de ambtenaar direct voorafgaande aan het ontstaan van het recht op een Aanvulling werkgever meer dan een betrekking vervult, voor de vaststelling van de berekeningsgrondslag wordt uitgegaan van het inkomen uit de betrekking waaruit het recht op een Aanvulling werkgever ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de ambtenaar die een deeltijdbetrekking vervult, wordt als berekeningsgrondslag de in het eerste lid genoemde berekeningsgrondslag gehanteerd, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor zoals genoemd in artikel 1.2, tweede lid van het pensioenreglement, direct voorafgaande aan het ontstaan van het recht op een Aanvulling werkgever.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">3 Hoogte van de Aanvulling werkgever</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De Aanvulling werkgever bedraagt een percentage van de berekeningsgrondslag, dat eenmalig wordt vastgesteld op het moment dat hij voor het eerst gebruikmaakt van de FPU Gemeenten aan de hand van de leeftijd van de ambtenaar op 31 december 2005 en bedraagt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Leeftijd ambtenaar op 31 december 2005 Aanvulling werkgever als percentage van berekeningsgrondslag bij uittreden op spilleeftijd 56 6,9 57 8,0 58 9,4 59 11,3 60 14 61 of ouder 16 2 De hoogte van de aanvulling werkgever wordt actuarieel neutraal herrekend indien de ambtenaar uittreedt op een eerder of later moment dan de voor hem geldende spilleeftijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3De in het tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar geboren vóór of op 1 april 1947: 61 jaar en twee maanden; na 1 april 1947: 62 jaar en drie maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover dit leidt tot een vroegere spilleeftijd dan genoemd onder a, is de in het tweede lid genoemde spilleeftijd voor de ambtenaar die onder de FPU maatregel 42, 43, 44 FPU-jaren valt, het moment waarop hij het aantal dienstjaren van 42 jaar en twee maanden, respectievelijk 43 jaar en twee maanden, respectievelijk 44 jaar en twee maanden bereikt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">4 Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vanaf 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Voor medewerkers die vanaf 1 juli 2006 op of na de spilleeftijd gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 100% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid. Als de Aanvulling werkgever niet of niet volledig tot uitkering komt wordt dat gedeelte van de Aanvulling werkgever doorgeschoven naar het ouderdoms- en nabestaandenpensioen vanaf 65 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor werknemers die vanaf 1 juli 2006 vóór de spilleeftijd gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 90% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3de in het tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar geboren: vóór of op 1 april 1947: 61 jaar en twee maanden; na 1 april 1947: 62 jaar en drie maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover dit leidt tot een vroegere spilleeftijd dan genoemd onder a, is de in het tweede lid genoemde spilleeftijd voor de ambtenaar die onder de FPU maatregel 42, 43, 44 FPU-jaren valt, het moment waarop hij het aantal dienstjaren van 42 jaar en twee maanden, respectievelijk 43 jaar en twee maanden, respectievelijk 44 jaar en twee maanden bereikt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">4a Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die in de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Voor werknemers die vanaf 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 op of na de spilleeftijd van de FPU Gemeenten gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 100% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid. Als de Aanvulling werkgever niet of niet volledig tot uitkering komt wordt dat gedeelte van de Aanvulling werkgever doorgeschoven naar het ouderdoms- en nabestaandenpensioen vanaf 65 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor werknemers die vanaf 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 vóór de spilleeftijd van de FPU Gemeenten gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 90% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De in het eerste en tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar geboren: vóór of op 1 april 1947: 60 jaar na 1 april 1947: 61 jaar</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">4b Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vóór 1 januari 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Onder het totaalinkomen van de ambtenaar wordt verstaan de som van: de FPU-uitkering; de Aanvulling werkgever; en, in het geval dat een deeltijdbetrekking resteert na het ontslag op grond van artikel 8:11; de berekeningsgrondslag zoals genoemd in artikel 5a:2, eerste lid, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor die ontstaat op het moment dat ontslag is verleend op grond van artikel 8:11; de andere inkomsten uit of in verband met de resterende deeltijdbetrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De Aanvulling werkgever wordt slechts uitgekeerd voor zover het totaalinkomen van de ambtenaar niet meer bedraagt dan 90% van de berekeningsgrondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De beoordeling of het totaalinkomen boven 90% van de berekeningsgrondslag uitkomt, vindt plaats bij elk ontslag op grond van artikel 8:11.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Bij de in het eerste lid, onder a, bedoelde FPU-uitkering blijft buiten beschouwing dat gedeelte van de uitkering krachtens de FPU-regeling dat gebaseerd is op een individuele opbouw zoals geregeld in het pensioenreglement.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Indien de in het eerste lid, onder a, bedoelde FPU-uitkering is verminderd krachtens artikel 9 of 10 van het Reglement flexibel pensioen en uittreden (FPU) ter zake van basisuitkering en aanvullende uitkering, respectievelijk in verband met samenloop met inkomsten uit arbeid of bedrijf, of in verband met samenloop met uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid, wordt voor de toepassing van dit artikel uitgegaan van de onverminderde FPU-uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">5 Einde van het recht op een Aanvulling werkgever</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het recht op een Aanvulling werkgever eindigt bij een ontslag anders dan op grond van artikel 8:11 dan wel wanneer niet langer recht bestaat op een uitkering krachtens de FPU-regeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">6 Pensioenopbouw</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De werkgever betaalt aan de ambtenaar die gebruikmaakt van de FPU Gemeenten een vergoeding pensioenpremie die overeenkomt met de werkgeversbijdrage in de doorsneepremie die vereist is voor 20% pensioenopbouw gedurende de periode dat gebruik wordt gemaakt van de regeling. De in de eerste volzin genoemde pensioenopbouw heeft betrekking op dat deel van de dienstbetrekking waarvoor ontslag is verleend op grond van artikel 8:11.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">7 Lokaal beleid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan een nadere regeling treffen op grond waarvan het gebruik van de FPU Gemeenten kan worden beïnvloed. Deze nadere regeling laat de aanspraken van de ambtenaar op de FPU Gemeenten onverlet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">8 Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2 Pensioenopbouw bij afloop loopbaan</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">9 Pensioenopbouw bij afloop loopbaan</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">9 Pensioenopbouw bij afloop loopbaan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar op grond van artikel 3:1, zevende lid, bij dezelfde of een andere werkgever in de gemeentelijke sector, een andere functie met een gelijke formele arbeidsduur accepteert, blijft de pensioenopbouw gebaseerd op de oude inschaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Vakantie, vakantietoelage en (zwangerschaps- en bevallings)verlof</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:1</span><span class=\"lf-art-t\">Recht op vakantie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In elk kalenderjaar heeft de ambtenaar recht op vakantie met behoud van bezoldiging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2</span><span class=\"lf-art-t\">Duur vakantie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De duur van de vakantie van de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt ten minste 158,4 uren per kalenderjaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kan de ambtenaar verzoeken in het daaropvolgende kalenderjaar de arbeidsduur per jaar te mogen overschrijden met - bij een volledige betrekking - een maximum van 50,4 uren en deze uren om te zetten in vakantie als bedoeld in het eerste lid. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 36 uren per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het college wijst een verzoek als bedoeld in het vorige lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Vakantieopbouw</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De duur van het vakantieverlof bedraagt voor de ambtenaar die op 1 januari van het betreffende kalenderjaar een salaris geniet dat lager is dan het maximum van schaal 9 180,8 uur; vanaf dat maximum: 188 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afhankelijk van de leeftijd van de ambtenaar in het betreffende kalenderjaar wordt de in het eerste lid bepaalde duur verhoogd overeenkomstig de hierna volgende tabel:</p>\n<p class=\"lf-p\">Leeftijd(sklasse) verhoging (leeftijd op 1 januari) 15 tot en met 18 jaar 21,6 uur 19 jaar 14,4 uur 20 jaar 7,2 uur (in het kalenderjaar bereikte leeftijd) 30 tot en met 39 jaar 7,2 uur 40 tot en met 44 jaar 14,4 uur 45 tot en met 49 jaar 21,6 uur 50 jaar of ouder 28,8 uur Degenen die in 1998 55 jaar of ouder werden hebben aanspraak op een verhoging met 36 uur in plaats van 28,8 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">De duur van de vakantie van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week, wordt naar evenredigheid verminderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste lid bepaalde vakantieduur wordt aan het einde van het kalenderjaar vermeerderd met 14,4 uren ten aanzien van degene, bedoeld in artikel 3:3, indien - behoudens verlofopname of arbeidsongeschiktheid – wekelijks op onregelmatige uren wordt gewerkt en betrokkene voor het werken op die uren niet reeds over het merendeel der kalenderweken een toelage onregelmatige dienst verkrijgt. Indien de ambtenaar niet voldoet aan het criterium dat wekelijks op onregelmatige uren gewerkt wordt, maar wel tenminste gedurende 26 weken in het kalenderjaar op onregelmatige uren werk is verricht en over tenminste 26 weken geen toelage onregelmatige dienst is ontvangen, dan wordt de vakantieduur aan het eind van het kalenderjaar vermeerderd met 7,2 uur. Deze uren mogen naar het volgend kalenderjaar worden overgeschreven bovenop het aantal uren zoals bepaald in artikel 6:2:4:1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-2-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Vakantieopbouw</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld of wordt ontslagen heeft voor de periode van diens dienstverband in dat kalenderjaar recht op een evenredig deel van de hem op basis van artikel 6:2:1:1 toekomende vakantieverlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de ambtenaar die door oorzaken anders dan die bedoeld in het eerste lid, niet gedurende het volle kalenderjaar of zijn volle werktijd zijn betrekking vervult, wordt het vakantieverlof volgens artikel 6:2:1:1 naar evenredigheid verminderd behoudens het bepaalde in het derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen vermindering van vakantieverlof vindt plaats in geval van afwezigheid wegens zwangerschap en bevalling, wegens verblijf in militaire dienst anders dan voor een eerste oefening en wegens buitengewoon verlof verleend met toepassing van artikel 6:4:1 en 6:4:2.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-3-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:3:1</span><span class=\"lf-art-t\">Vakantieopname</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De vakantie, waarop de ambtenaar recht heeft ingevolge artikel 6:1, wordt verleend, tenzij de belangen van de dienst daartegen verzetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vakantie-aanspraak dient in de regel te worden opgenomen in het kalenderjaar waarin de aanspraak is ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover het dienstbelang dit noodzakelijk maakt kan met instemming van de ondernemingsraad voor het personeel van een dienst vakantieroosters worden vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing omtrent de tijdstippen waarop vakantie zal worden verleend, alsmede omtrent de tijdvakken waarin de vakantie eventueel zal worden gesplitst, berust bij het college. Bij die beslissing wordt, voor zover de belangen van de dienst dit toelaten, zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van de ambtenaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-4-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:4:1</span><span class=\"lf-art-t\">Vakantieopname</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Is aan de ambtenaar in enig kalenderjaar de vakantie niet of niet geheel verleend, dan wordt hem die nog niet genoten vakantie zoveel mogelijk in een volgend kalenderjaar verleend, met dien verstande dat het overschrijven van verlof is beperkt tot maximaal de helft van de aanspraak, zoals bedoeld in artikel 6:2:1:1, van dat volgende kalenderjaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan in afwijking van het eerste lid bepalen dat meer verlof wordt overgeschreven onder voorwaarde dat de ambtenaar en diens leidinggevende in afdoende mate inzichtelijk maken op welke wijze dit overgeschreven verlof en de verlofaanspraak van het volgende kalenderjaar opgenomen worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-4-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:4:2</span><span class=\"lf-art-t\">Vakantieopbouw en –opname, alsmede overschrijven verlof bij ziekte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan het eind van het kalenderjaar vindt een korting wegens gehele of gedeeltelijke afwezigheid wegens ziekte plaats, waarbij het eerste half jaar van die ziekte voor korting buiten beschouwing gelaten wordt. Een opnieuw ingetreden gehele of gedeeltelijke verhindering tot dienstverrichting wegens ziekte wordt als een voortzetting van de vorige verhindering beschouwd, tenzij die verhindering zich voordoet na volledige werkhervatting, gedurende dertig aaneensluitende kalenderdagen.Het eerste half jaar wordt verlengd met onderbrekingstijdvakken van volledige werkhervatting gedurende minder dan 30 kalenderdagen. Therapeutische plaatsing wordt niet als werkhervatting beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na het eerste half jaar ziekte wordt de op het hele kalenderjaar betrekking hebbende verlofaanspraak verminderd met de volledige verlofaanspraak, zoals voortvloeiend uit artikel 6:2:1:1, tot de datum van volledig herstel. Bij niet gehele afwezigheid wegens ziekte of therapeutische plaatsing wordt de vermindering als bij deeltijd berekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verlofaanspraak van de medewerker bestaat uit eventueel van het voorgaande kalenderjaar overgeschreven verlof vermeerderd met het op het hele kalenderjaar betrekking hebbende verlof minus de vermindering van het verlof op grond van het tweede lid. Van de aldus berekende verlofaanspraak wordt voor elke opgenomen verlofdag de formele arbeidsduur per dag in het kalenderjaar afgetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan op advies van de arbo-dienst bepalen dat opgenomen vakantie, zoals in het zesde en zevende lid bepaald, niet als vakantieverlof wordt aangemerkt, indien: de vakantie-uren door de aard van de arbeidsongeschiktheid als niet genoten beschouwd worden of de vakantie als bevorderend voor het genezingsproces aangemerkt wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wegens ziekte niet genoten vakantie-uren van de ambtenaar die tijdens zijn vakantie arbeidsongeschikt wordt, worden als niet verleend beschouwd indien: de ambtenaar zich op correcte wijze ziek meldt; en hij met behulp van een doktersverklaring aannemelijk kan maken dat hij, ware hem geen vakantie verleend, op die uren verhinderd zou zijn geweest zijn betrekking te vervullen. voet1 Indien de medewerker ondanks zijn ziekte in redelijkheid staat was van meer dan 144 uren verlof te genieten en het saldo van verlofaanspraak minus verlofopname, zoals bedoeld in het derde lid, negatief is, wordt dit saldo geacht 0 uren te bedragen. Indien voornoemd saldo positief is, wordt dit saldo in een volgend kalenderjaar verleend, met dien verstande dat het overschrijven van verlof is beperkt tot maximaal de helft van de aanspraak, zoals bedoeld in artikel 6:2:1:1, van dat volgende kalenderjaar. 1 Indien de medewerker vanwege zijn ziekte niet in redelijkheid in staat was van tenminste 144 uren verlof te genieten, dan blijft het verschil tussen 144 en de in dat kalenderjaar wel genoten verlofuren ter beschikking van de ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien uit toepassing van het zevende lid een lager aantal over te schrijven uren volgt dan uit de toepassing van het eerste lid van artikel 6:2:4:1, dan blijven de uit het eerste lid van artikel 6:2:4:1 resulterende uren ter beschikking van de ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar heeft de keuze de op basis van de leden zeven en acht ter beschikking blijvende verlofuren in het volgend kalenderjaar op te nemen of een spaarverloftegoed te vormen. Op het spaarverloftegoed is artikel 4:3 van toepassing als ware het tegoed voor 1 april 2006 opgebouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week, geldt in de leden zes en zeven in plaats van 144 uren een evenredig lager aantal. voet1terug1 Zie ook artikel 2 lid 5 Overwerkregeling: “Het voor overwerk toekomende verlof moet uiterlijk aan het eind van het kalenderjaar volgend op het moment van ontstaan van de verlofaanspraak worden opgenomen.”</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:5</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Verleende vakantie kan worden ingetrokken, wanneer dringende redenen van dienstbelang zulks noodzakelijk maken. Indien ten gevolge daarvan de ambtenaar op een bepaalde werkdag slechts gedeeltelijk vakantie genoot, worden de genoten vakantie-uren van die werkdag niet in aanmerking genomen bij de berekening van het aantal genoten vakantie-uren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien de ambtenaar ten gevolge van de intrekking van de vakantie geldelijke schade lijdt, wordt deze schade hem vergoed.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-6-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:6:1</span><span class=\"lf-art-t\">Uitbetaling niet genoten vakantiedagen na ontslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor vakantie-uren waarop de ambtenaar aanspraak heeft op grond van artikel 6:2:1:1, 6:2:2:1, 6:2:4:1 en het zevende lid van artikel 6:2:4:2, maar die met ingang van de dag van ontslag nog niet zijn verleend wordt een vergoeding gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze vergoeding is gelijk aan het uurloon van de ambtenaar voor elk niet verleend vakantie-uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te veel genoten verlof op de datum waarop de betrekking is geëindigd wordt verrekend. Voor zover mogelijk vindt verrekening plaats door compensatie met een positief urensaldo. Voor het overige vindt de verrekening indien mogelijk plaats door een inhouding op het nog uit te betalen salaris, de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering; het te verrekenen bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het tweede lid van dit artikel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:3</span><span class=\"lf-art-t\">Aanspraak vakantietoelage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar heeft aanspraak op een vakantietoelage voor elke maand waarover hij als zodanig bezoldiging heeft genoten. Indien een ambtenaar in de loop van een maand zijn betrekking gaat vervullen dan wel wordt ontslagen, ontvangt hij een evenredig deel van de vakantietoelage over die maand.</p>\n<p class=\"lf-p\">2De vakantietoelage bedraagt per kalendermaand 8% van de voor de ambtenaar in die maand geldende bezoldiging, met dien verstande dat aan de ambtenaar ten minste het bedrag wordt uitbetaald dat gelijk is aan de voor ambtenaren vastgestelde minimum vakantietoelage, welk bedrag bij het vervullen van een onvolledige betrekking naar evenredigheid wordt verminderd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-3-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:3:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Vakantietoelage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De vakantietoelage, als bedoeld in artikel 6:3, wordt in de maand mei van elk jaar uitbetaald over de periode van 12 maanden, beginnende met de maand juni van het voorafgaande kalenderjaar. In afwijking van het bepaalde in de vorige zin vindt uitbetaling ook plaats bij ontslag van de ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de toepassing van dit artikel wordt in acht genomen dat de tijd gedurende welke bij wijze van disciplinaire straf of uit hoofde van schorsing een gedeelte van de bezoldiging wordt ingehouden buiten beschouwing wordt gelaten, indien en voorzover dat bij de strafoplegging of schorsing is bepaald. Artikel 8:15:2, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de uitvoering van dit artikel kan het college nadere regels stellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4</span><span class=\"lf-art-t\">Buitengewoon verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op calamiteiten- en ander kort verzuimverlof of kraamverlof heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke andere gevallen aan de ambtenaar door het college buitengewoon verlof met behoud van de bezoldiging kan worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke gevallen het college buitengewoon verlof kan verlenen aan de ambtenaar die lid is van een op grond van artikel 12:1, derde lid, toegelaten organisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 In de situatie dat er tijdens de non-activiteit elders pensioen wordt opgebouwd, is het verhaal van de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis-en aanvullende uitkering gelijk aan de bijdrage die voor de ambtenaar is verschuldigd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:1</span><span class=\"lf-art-t\">Buitengewoon verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het college verleent aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging op de dag dat het huwelijk of geregistreerd partnerschap van de ambtenaar wordt voltrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De ambtenaar meldt tenminste twee weken tevoren aan het college wanneer het huwelijk of het registeren van het partnerschap zal plaatsvinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-1a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:1a</span><span class=\"lf-art-t\">Langdurend zorgverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op langdurend zorgverlof heeft over de uren dat hij dit verlof geniet aanspraak op doorbetaling van 50% van zijn bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien de ambtenaar gedurende het langdurend zorgverlof wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen vindt geen opschorting van het langdurend zorgverlof plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet en langer dan 7 kalenderdagen wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen heeft met ingang van de achtste kalenderdag aanspraak op zijn volledige bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De duur van de vakantie van de ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het langdurend zorgverlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen, wordt met ingang van de achtste kalenderdag de vermindering van de duur van de vakantie beëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet vindt plaats op basis van de bezoldiging genoemd in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen, vindt met ingang van de achtste kalenderdag de opbouw van de vakantietoelage weer plaats op basis van de volledige bezoldiging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:2</span><span class=\"lf-art-t\">Vakbondsverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1Voor de toepassing van dit artikel worden verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Centrales van overheidspersoneel: de Algemene Centrale van overheidspersoneel (ACOP); de Christelijke Centrale van overheids- en onderwijs Personeel (CCOOP); de Centrale van middelbare en hogere functionarissen bij overheid, onderwijs, bedrijven en instellingen (CMHF).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verenigingen van ambtenaren: de verenigingen van ambtenaren welke zijn aangesloten bij de onder a genoemde centrales van overheidspersoneel.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt door het college buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend aan de ambtenaar: voor het bijwonen van algemene vergaderingen van verenigingen van ambtenaren of, voor zover het algemene verenigingen betreft welke ook andere groepen van ambtenaren dan gemeentepersoneel organiseren, voor het bijwonen van algemene vergaderingen van een landelijke groep van gemeentepersoneel indien de ambtenaar lid van het hoofdbestuur, bestuurslid ener landelijke groep of afgevaardigde van een afdeling is, met dien verstande dat van elke afdeling voor iedere vijftig leden of gedeelte daarvan aan ten hoogste twee afgevaardigden tot een maximum van tien afgevaardigden, verlof wordt verleend; voor het bijwonen van hoofdbestuursvergaderingen indien hij lid is van het hoofdbestuur van bondsraad- of bestuursraadvergaderingen indien hij lid is van de bonds- of bestuursraad, en van groepsraadvergaderingen indien hij lid is van een landelijke groepsraad; voor het bijwonen van één algemene vergadering van de centrale organisatie waarbij de vereniging van de ambtenaar is aangesloten, indien hij als vertegenwoordiger van zijn vereniging aan die vergadering deelneemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt door het college aan de ambtenaar met een volledige betrekking buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend: om, indien hij daartoe door een centrale van overheidspersoneel als bedoeld in het eerste lid, onder a of door een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen, bestuurlijke en/of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen die centrale of die daarbij aangesloten vereniging, onderscheidenlijk binnen het gemeentelijk apparaat, welke ertoe strekken de doelstellingen van deze centrale van overheidspersoneel en/of de daarbij aangesloten vereniging te ondersteunen, alles tezamen voor ten hoogste 216 uren per kalenderjaar; voor het - op uitnodiging van een vereniging van ambtenaren - als cursist deelnemen aan een cursus welke door of ten behoeve van de leden van die vereniging van ambtenaren wordt gegeven, alles tezamen voor ten hoogste 43,2 uren per twee kalenderjaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Van het buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur wordt het aantal uren genoemd in het derde lid onder a en b, naar evenredigheid verminderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, kan voor de ambtenaar met een volledige betrekking niet meer bedragen dan ten hoogste 244,8 uren per kalenderjaar, echter met dien verstande dat ten hoogste 316,8 uren verlof kan worden verleend aan de ambtenaar die: lid is van het hoofdbestuur van een centrale van overheidspersoneel, genoemd in het eerste lid onder a, nr. 1 of 2 en/of van een vereniging van ambtenaren die rechtstreeks bij die centrale is aangesloten; lid is van het centrale bestuur van de centrale genoemd in het eerste lid onder a, nr. 3 en/of bestuurslid is van een sector of sectie van de centrale. Het buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur wordt het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, naar evenredigheid verminderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Verlof, bedoeld in de vorige leden, kan slechts worden verleend aan de ambtenaar die lid is van een vereniging van ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onder b.</p>\n<p class=\"lf-p\">7Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als lid van de commissie, bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend voor het bijwonen van de vergadering van die commissie, alsmede voor een voorvergadering per uitgeschreven commissievergadering. Hetgeen ten aanzien van de voorvergadering is bepaald, geldt eveneens voor de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als plaatsvervangend lid van de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">8Het college kan omtrent het bepaalde in dit artikel nadere regels stellen, waarbij het te verlenen verlof, bedoeld in het tweede, derde en vijfde lid, op een lager aantal uren kan worden gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:3</span><span class=\"lf-art-t\">Kortdurend zorgverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar met een volledige betrekking kan voor maximaal 72 uur per kalenderjaar aanspraak maken op kortdurend zorgverlof op grond van de Waz.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het maximum van 72 uur, als genoemd in het eerste lid, wordt voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele betrekkingsomvang van minder dan 36 uur per week naar evenredigheid verminderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het verlof komt voor de helft voor de rekening van de werkgever en voor de helft voor de rekening van de ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het college bepaalt in overleg met de ambtenaar nader de wijze waarop de verrekening van het verlof met hem plaatsvindt. Verrekening met de vakantie bedoeld in artikel 6:2 is mogelijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:4</span><span class=\"lf-art-t\">Non-activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Bij non-activiteit, bedoeld in artikel 125c, eerste lid, van de Ambtenarenwet bestaat geen recht op doorbetaling van de bezoldiging en vakantietoelage.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien de ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming of verkiezing, bedoeld in artikel 125c, tweede lid, Ambtenarenwet, aanspraak heeft op een vaste vergoeding - niet zijnde een onkostenvergoeding - wordt op zijn bezoldiging over de tijd dat hij het op grond van dat artikellid verleende verlof geniet een inhouding toegepast. Deze inhouding gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als vergoeding voor de met het verlof overeenkomende tijd niet te boven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het college kan ter uitvoering van de vorige leden nadere regels vaststellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-4-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:4:1</span><span class=\"lf-art-t\">Taakduren lidmaatschap publiekrechtelijke colleges</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de berekening die bij het toepassen van de in artikel 6:4:4, tweede lid, bedoelde inhouding gemaakt moet worden van hetgeen de ambtenaar geacht kan worden te ontvangen als vaste vergoeding wordt: uitgegaan van een taakduur van 11 uur per week voor een lid van de provinciale staten; voor een gedeputeerde, die ingevolge artikel 35a, derde lid, van de Provinciewet de functie van gedeputeerde in deeltijd uitoefent, uitgegaan van het aantal uren per week, afgerond op het dichtsbijzijnde gehele getal, dat overeenkomt met de tijdsbestedingsnorm welke ingevolge artikel 35a, vierde lid, van de Provinciewet door provinciale staten voor hem is vastgesteld; uitgegaan van een taakduur van:</p>\n<p class=\"lf-p\">7 uur per week voor een lid van de raad van een gemeente met ten hoogste 30.000 inwoners;</p>\n<p class=\"lf-p\">12 uur per week voor een lid van de raad van een gemeente met ten hoogste 100.000 inwoners;</p>\n<p class=\"lf-p\">24 uur per week voor een lid van de raad van een gemeente met meer dan 100.000 inwoners; uitgegaan van een taakduur van:</p>\n<p class=\"lf-p\">18 uur per week voor een wethouder in een gemeente tot 2.000 inwoners;</p>\n<p class=\"lf-p\">22 uur per week voor een wethouder in een gemeente tot 4.000 inwoners;</p>\n<p class=\"lf-p\">26 uur per week voor een wethouder in een gemeente tot 8.000 inwoners;</p>\n<p class=\"lf-p\">30 uur per week voor een wethouder in een gemeente tot 18.000 inwoners. voor een wethouder, die ingevolge artikel 36, tweede lid, van de Gemeentwet het wethouderschap in deeltijd uitoefent, uitgegaan van het aantal uren per week, afgerond op het dichtsbijzijnde gehele getal, dat overeenkomt met de tijdsbestedingsnorm welke ingevolge artikel 36, vierde lid, van de Gemeentewet door de raad voor hem is vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:5</span><span class=\"lf-art-t\">Overige redenen buitengewoon verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan aan een ambtenaar op diens verzoek, met behoud van het genot van de gehele of gedeeltelijke bezoldiging en al dan niet onder bepaalde nadere voorwaarden, verlof verlenen om andere redenen dan die welke zijn genoemd in artikel 6:4 tot en met artikel 6:4:4. Het verlof wordt verleend voor maximaal één jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Document 6:4:5:8 Nadere regeling bij artikel 6:4:5 CAR/EAR, eerste lid Ter verkrijging van uniformiteit worden verzoeken tot buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging getoetst aan de navolgende voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er moet een positief advies van de betrokken leidinggevende en – indien dit niet de leidinggevende is – van het sectorhoofd voorhanden zijn, waaruit blijkt dat de werkzaamheden doorgang kunnen vinden zonder dat er een belasting ontstaan voor de collega’s die als bezwarend kan worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er mogen geen nadelige financiële consequenties voor de gemeente zijn. Ten behoeve van eventuele noodzakelijke vervanging mogen niet meer kosten worden gemaakt dan ten bedrage van de vrijgekomen gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dienstbelang moet te allen tijde voorop staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Enkele met name genoemde situaties: acties van ambtenarenorganisaties (protestdemonstraties, stakingsacties en dergelijke) Ambtenaren en arbeidscontractanten – waaronder mede te verstaan leden van het GO en de (C)OR - dienen vakantieverlof of adv op te nemen of er dient hen buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging te worden verleend, hetgeen niet kan worden gerealiseerd indien de belangen van de dienst zich daartegen verzetten. Buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging is mogelijk voor medewerkers die een kaderfunctie in de desbetreffende vakorganisatie(s) bekleden. activiteiten voor politieke partijen Er wordt geen buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend omdat deze activiteiten zich niet verdragen met de ambtelijke taakopdracht. Buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging kan enkel plaatsvinden, indien betrokkene toestemming heeft voor het verrichten van bedoelde activiteiten in het kader van de regeling voor nevenwerkzaamheden. Uitzondering hierop vormen de werkzaamheden voor publiekrechtelijke colleges als bedoeld in artikel 6:4:4 CAR. zitting hebben op stembureaus Er wordt sinds enige jaren geen buitengewoon verlof meer toegekend; de desbetreffende personeelsleden zullen vakantieverlof of adv moeten opnemen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-5a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:5a</span><span class=\"lf-art-t\">Overige redenen buitengewoon verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het college kan aan de ambtenaar die benoemd is tot bezoldigd bestuurder van een vereniging van ambtenaren op diens verzoek onbetaald verlof verlenen voor de duur van de vervulling van de functie voor ten hoogste twee jaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten hoogste drie maanden is verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:6</span><span class=\"lf-art-t\">Buitengewoon verlof is geen vakantie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het buitengewoon verlof dat volledig doorbetaald wordt, wordt niet in mindering gebracht op de vakantie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5</span><span class=\"lf-art-t\">Ouderschapsverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op ouderschapsverlof, heeft, voor zover lokaal een regeling betaald ouderschapsverlof is of wordt vastgesteld, over de uren dat hij dit verlof geniet, maar ten hoogste over 13 maal de formele arbeidsduur per week, aanspraak op doorbetaling van een percentage van zijn bezoldiging minus het daaraan gekoppelde maximale uurbedrag van de fiscale tegemoetkoming van de Belastingdienst waarop de ambtenaar aanspraak kan maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het percentage bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de ambtenaar die wordt bezoldigd volgens: a schaal 1:</p>\n<p class=\"lf-p\">90%; b schaal 2:</p>\n<p class=\"lf-p\">85%; c schaal 3:</p>\n<p class=\"lf-p\">80%; d schaal 4:</p>\n<p class=\"lf-p\">70%; e schaal 5:</p>\n<p class=\"lf-p\">60%; f schaal 6 en hoger:</p>\n<p class=\"lf-p\">50%.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het is niet toegestaan dat de ambtenaar gedurende de uren dat het betaald ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid verricht. Het college kan hieromtrent nadere regels stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Op de ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op ouderschapsverlof is artikel 6:9 niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwaarden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar meldt het voornemen om ouderschapsverlof op te nemen tenminste drie maanden voor de door hem gewenste ingangsdatum door middel van het daarvoor vastgestelde aanvraagformulier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aantal uren verlof per week bedraagt ten hoogste de helft van de arbeidsduur per week en wordt in een aaneengesloten periode van ten hoogste één jaar opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het tweede lid kan de werknemer de werkgever verzoeken om: verlof voor een langere periode dan één jaar, of het verlof op te delen in ten hoogste zes perioden, waarbij iedere periode ten minste een maand bedraagt, of meer uren verlof per week dan de helft van de arbeidsduur per week, waarbij wekelijks één of meerdere uren verlof opgenomen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het ouderschapsverlof in delen opgenomen wordt, is het mogelijk één verzoek in te dienen betrekking hebbend op één of meerdere perioden van betaald ouderschapsverlof en één verzoek betrekking hebbend op één of meerdere perioden van onbetaald ouderschapsverlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die voor een kind al dan niet betaald ouderschapsverlof heeft genoten, heeft niet nogmaals voor datzelfde kind recht op al dan niet betaald ouderschapsverlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien er ten aanzien van hetzelfde kind twee ambtenaren bij de gemeente Eindhoven in aanmerking kunnen komen voor betaald ouderschapsverlof, dan bestaat voor hen de keuze uit een van de volgende twee mogelijkheden: één van beide heeft aanspraak op betaald ouderschapsverlof; beiden verdelen samen, naar evenredigheid van de betrekkingsomvang, de aanspraak op betaald ouderschapsverlof. De aanspraak (in verlofuren) is voor hen samen niet hoger dan de aanspraak van een fulltime medewerker.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-2-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5:2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Meerlingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij twee- of meerlingen bestaat slechts voor één kind aanspraak betaald ouderschapsverlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen uit artikel 6:5:1:1, 6:5:3, 6:5:4, 6:5:6:1 en 6:5:7:1 zijn van overeenkomstige toepassing indien er, voor het tweede en de meerdere kinderen van een twee- of meerling, gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid onbetaald ouderschapsverlof te genieten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5:3</span><span class=\"lf-art-t\">Ziekte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Indien de ambtenaar gedurende het ouderschapsverlof wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen vindt geen opschorting van het ouderschapsverlof plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De ambtenaar die ouderschapsverlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen heeft met ingang van de vijftiende kalenderdag aanspraak op zijn volledige bezoldiging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5:4</span><span class=\"lf-art-t\">Opbouw vakantie en vakantie-toelage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De duur van de vakantie van de ambtenaar die ouderschapsverlof geniet, wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het ouderschapsverlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 14 kalenderdagen, wordt met ingang van de vijftiende kalenderdag de vermindering van de duur van de vakantie beëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die ouderschapsverlof geniet vindt plaats op basis van de bezoldiging, die tijdens dit ouderschapsverlof wordt uitbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 14 kalenderdagen, vindt met ingang van de vijftiende kalenderdag de opbouw van de vakantietoelage weer plaats op basis van de volledige bezoldiging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-5-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5:5:1</span><span class=\"lf-art-t\">Terugbetaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die gedurende het ouderschapsverlof of binnen zes maanden nadat hij betaald ouderschapsverlof op grond van deze regeling heeft genoten ontslagen wordt op eigen verzoek dan wel als gevolg van eigen schuld of toedoen, is verplicht de bezoldiging, die hij op grond van artikel 6:5 heeft genoten, terug te betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen terugbetalingsverplichting ontstaat indien de betrokkene aanspraak heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, vanwege werkloosheid, die is ontstaan doordat de ambtenaar ontslag heeft gevraagd omdat hij de echtgenoot of geregistreerde partner volgt, die door geheel buiten hem liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet wijzigen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-6-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5:6:1</span><span class=\"lf-art-t\">Neveninkomsten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In strijd met artikel 6:5 lid 3 genoten inkomsten worden in mindering gebracht op de doorbetaling van de bezoldiging als bedoeld in de leden 1 en 2 van artikel 6:5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbende is verplicht bij de aanvraag van en gedurende het ouderschapsverlof opgaaf te doen van eventuele betaalde nevenwerkzaamheden tijdens de periode waarin ouderschapsverlof wordt genoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien reeds betaalde nevenwerkzaamheden worden verricht mogen deze niet worden uitgebreid of verplaatst naar tijd waarop ouderschapsverlof wordt genoten. Neveninkomsten dan wel een verhoging daarvan worden op de doorbetaling van bezoldiging in mindering gebracht, tenzij belanghebbende kan aantonen dat die inkomsten niet tijdens het ouderschapsverlof zijn of worden verworven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5a</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht ouderschapsverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op ouderschapsverlof, heeft, voor zover lokaal een regeling betaald ouderschapsverlof is of wordt vastgesteld, over de uren dat hij dit verlof geniet, maar ten hoogste over 13 maal de formele arbeidsduur per week, aanspraak op doorbetaling van zijn bezoldiging, berekend naar een percentage bepaald in het tweede en derde lid, indien: hij op 31 december 2005 één of meer kinderen heeft die jonger zijn dan acht jaar en waarvoor nog geen ouderschapsverlof is genoten, en hij op 31 december 2005 langer dan één jaar in dienst is van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De ambtenaar die wordt bezoldigd volgens schaal 4 of hoger van de bezoldigingsregeling heeft recht op doorbetaling van 75% van de bezoldiging over de arbeidsduur waarvoor het ouderschapsverlof geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De ambtenaar die wordt bezoldigd volgens de schalen 1, 2 of 3 van de bezoldigingsregeling heeft recht op doorbetaling van respectievelijk 90%, 85% of 80% van de bezoldiging over de arbeidsduur waarvoor het ouderschapsverlof geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het is niet toegestaan dat betrokkene gedurende de uren dat het betaald ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid verricht. Het college kan hieromtrent nadere regels stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Over de uren waarop de ambtenaar betaald ouderschapsverlof geniet wordt het bedrag van de bezoldiging, berekend op grond van het tweede en derde lid, verminderd met het daaraan gekoppelde maximale uurbedrag van de fiscale tegemoetkoming van de Belastingdienst waarop de ambtenaar aanspraak kan maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Op de ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op ouderschapsverlof is artikel 6:9 niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5a</span><span class=\"lf-art-t\">1:1 Overgangsrecht betaald ouderschapsverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op de ambtenaar die gebruik maakt van het overgangsrecht betaald ouderschapsverlof zijn de artikelen 6:5:1:1 tot en met 6:5:7:1 van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-7-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5:7:1</span><span class=\"lf-art-t\">Ouderschapsverlofregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor gevallen waarin deze regeling niet of niet naar billijkheid voorziet kan het college een bijzondere regeling treffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ouderschapsverlof dat toegekend is voor inwerkingtreding van de artikelen 6:5:1:1 tot en met 6:5:7:1 wordt geacht toegekend te zijn met inachtneming van de ouderschapsverlofregeling Eindhoven van 17 februari 1999.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:6</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:7</span><span class=\"lf-art-t\">Zwangerschaps- en bevallingsverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De vrouwelijke ambtenaar die op grond van de Waz zwangerschaps- en bevallingsverlof geniet, heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van haar volledige bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De Waz-uitkering van het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van het eerste lid recht heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De ambtenaar is, wanneer zij recht heeft op zwangerschaps- en bevallingsverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de uitbetaling van de Waz-uitkering door de gemeente bij en door het UWV.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de vrouwelijke ambtenaar de Waz-uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, danwel het recht op de Waz-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan haar schuld of toedoen te wijten is, wordt de Waz-uitkering op de bezoldiging in mindering gebracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:8</span><span class=\"lf-art-t\">Adoptie- en pleegzorgverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op adoptie- of pleegzorgverlof, heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn volledige bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De Waz-uitkering van het adoptie- of pleegzorgverlof wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van het eerste lid recht heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De ambtenaar is, wanneer hij recht heeft op adoptie- of pleegzorgverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de uitbetaling van de Waz-uitkering door de gemeente bij en door het UWV.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de ambtenaar de Waz-uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, danwel het recht op de Waz-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt de Waz-uitkering op de bezoldiging in mindering gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Het adoptie- en pleegzorgverlof schort de termijnen, bedoeld in artikel 7:3, niet op.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:9</span><span class=\"lf-art-t\">Onbetaald verlof onder meer t.b.v. de gemeentelijke levensloopregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar die langer dan een jaar in dienst is van de gemeente kan het college verzoeken hem onbetaald verlof te verlenen voor een periode van tenminste 1 maand en ten hoogste 18 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De ambtenaar geniet in een periode van vijf jaar maximaal 18 maanden onbetaald verlof. Per jaar heeft de ambtenaar recht op maximaal één periode van onbetaald verlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het college kan afwijken van de in het eerste en tweede lid gestelde voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het verzoek van de ambtenaar heeft betrekking op de volledige arbeidsduur of op een deel daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 De ambtenaar dient het verzoek tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum in. Het college stelt vast hoe het verzoek wordt ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Het college beslist zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee maanden na ontvangst van het verzoek. De ambtenaar ontvangt schriftelijk bericht van de beslissing van het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Indien de ambtenaar betaalde arbeid verricht over de uren dat hij onbetaald verlof geniet, kan het college het verlof intrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 Onverminderd het zevende lid kan het onbetaalde verlof niet tussentijds worden beëindigd tenzij het college en de ambtenaar hiermee instemmen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9 Het college kent een verzoek om onbetaald verlof dat betrekking heeft op een periode direct voorafgaand aan de pensionering toe, tenzij zwaarwegende dienstbelangen zich daartegen verzetten. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt het verlof verleend voor een periode van maximaal drie jaren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:10</span><span class=\"lf-art-t\">Aanspraken tijdens onbetaald verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De duur van de vakantie van de ambtenaar die onbetaald verlof geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het onbetaald verlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Gedurende de periode van verlof bestaat geen aanspraak op uitkeringen, tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en (kosten)vergoedingen. Bij deeltijd verlof wordt dit naar rato vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Gedurende de periode van het verlof bestaat aanspraak op de gehele vergoeding als bedoeld in artikel 7:24a.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten hoogste drie maanden is verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:11</span><span class=\"lf-art-t\">Samenloop met ziekte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het verlof van de ambtenaar die voor een deel van zijn betrekking onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, eindigt met ingang van de vijftiende kalenderdag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het college kan besluiten het verlof van de ambtenaar die volledig onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, in schrijnende gevallen te beëindigen. Dit kan niet wanneer er sprake is van verlof voorafgaand aan pensionering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:12</span><span class=\"lf-art-t\">Samenloop met zwangerschaps- en bevallingsverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het onbetaalde verlof eindigt op de eerste dag van het zwangerschaps- en bevallingsverlof.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-13-1-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:13:1:9</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen Document 6:14:2:9 Artikel 125c Ambtenarenwet Een ambtenaar, die een functie in publiekrechtelijke colleges, waarin hij is benoemd of verkozen, gezien de omvang van de daaruit voortvloeiende werkzaamheden, niet gelijktijdig kan vervullen met zijn ambt, wordt in verband daarmede tijdelijk ontheven van de waarneming van zijn ambt, tenzij het dienstbelang zich tegen ontheffing verzet. Betreffende het doorbetalen van bezoldiging kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor de door of vanwege het rijk aangestelde ambtenaren, dan wel door het bevoegde gezag der provincies, gemeenten en waterschappen voor de ambtenaren door of vanwege deze lichamen aangesteld, regels worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar in verband met een functie in publiekrechtelijke colleges, waarin hij is benoemd of verkozen, niet op grond van het eerste lid van de waarneming van zijn ambt is ontheven, wordt hem voor het bijwonen van vergaderingen en zittingen van deze colleges en voor het verrichten van daaruit voortvloeiende werkzaamheden ten behoeve van deze colleges, buitengewoon verlof verleend, tenzij het dienstbelang zich tegen verlofverlening verzet. Betreffende het doorbetalen van bezoldiging kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor de door of vanwege het rijk aangestelde ambtenaren, dan wel door het bevoegde gezag der provincies, gemeenten en waterschappen voor de ambtenaren door of vanwege deze lichamen aangesteld, regels worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ambtenaar wordt, tenzij het dienstbelang zich tegen verlofverlening verzet, buitengewoon verlof verleend voor aan te wijzen activiteiten van of voor vakorganisaties van overheidspersoneel overeenkomstig regels te stellen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor de door of vanwege het rijk aangestelde ambtenaren, dan wel door het bevoegde gezag der provinciën, gemeenten en waterschappen voor de ambtenaren door of vanwege deze lichamen aangesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">6a De gemeentelijke levensloopregeling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">1 Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: gemeentelijke levensloopregeling: een regeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964; instelling: een door de ambtenaar gekozen kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 19g, vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964; levenslooprekening: een bij de instelling door de ambtenaar geopende geblokkeerde rekening, waarop de inleg van de ambtenaar wordt gestort; levensloopverzekering: een bij de instelling door de ambtenaar afgesloten verzekering, waarop de inleg van de ambtenaar wordt gestort; levenslooptegoed: het tegoed op een levenslooprekening onderscheidenlijk het verzekerd kapitaal.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">2 Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">3 Verzoek tot deelname levensloopregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar die deel wil nemen aan de gemeentelijke levensloopregeling meldt dit bij het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de derde kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan de eisen zoals genoemd in artikel 6a:4.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">4 Voorwaarden deelname levensloopregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de instelling waarbij de levenslooprekening of de levensloopverzekering wordt aangehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een levenslooptegoed heeft opgebouwd bij een of meer gewezen inhoudingsplichtigen tenzij een andere werkgever bij wie de ambtenaar in dienstbetrekking staat geacht wordt inhoudingsplichtig te zijn ten aanzien van dit levenslooptegoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling aan het college informatie verstrekt over de omvang van het levenslooptegoed van de ambtenaar tenzij dit levenslooptegoed geacht wordt te zijn opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige bij wie de ambtenaar in dienstbetrekking staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij voldoet aan de voorwaarden die de Wet op de loonbelasting 1964 aan deelname stelt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">5 Inleg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de gemeentelijke levensloopregeling het gewenste bedrag van de inleg per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De ambtenaar kan eenmaal per jaar op een door het college aangewezen wijze en tijdstip de hoogte van de inleg wijzigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De inleg bestaat uit een of meerdere van de in artikel 6a:6 genoemde bronnen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">6 Bronnen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de gemeentelijke levensloopregeling bestaat uit een of meer van de volgende bronnen: het salaris; de vakantietoelage; de eindejaarsuitkering; de levensloopbijdrage als genoemd in artikel 6a:7; de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren als bedoeld in artikel 4a:1; het opgebouwde verloftegoed bedoeld in artikel 4:3, lid 3.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">7 Levensloopbijdrage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar die geboren is na 31 december 1949, met uitzondering van de ambtenaar die in 2005 55 jaar is geworden en die in deeltijd met FPU is gegaan, heeft recht op een levensloopbijdrage ten bedrage van 1,5% van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris op jaarbasis. De bijdrage bedraagt bij een volledige betrekking minimaal € 400. Bij een deeltijd betrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De levensloopbijdrage wordt tevens uitgekeerd aan ambtenaren die zijn geboren voor of op 31 december 1949 en die geen recht hebben op een uitkering zoals bedoeld in hoofdstuk 5a.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In afwijking van het eerste lid is de levensloopbijdrage 2,5% indien en voor zolang hoofdstuk 9a op de ambtenaar van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De levensloopbijdrage bedoeld in het tweede lid wordt gedurende maximaal 20 jaar verstrekt. Hierna ontvangt de ambtenaar de levensloopbijdrage bedoeld in het eerste lid. De levensloopbijdrage van 2,5% kan na 20 jaar voortgezet worden, indien artikel 9a:9, eerste lid, onderdeel b, van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De levensloopbijdrage wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Bij indiensttreding vanaf 1 augustus van een kalenderjaar bouwt de ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een levensloopbijdrage op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling van de levensloopbijdrage plaats over het gedeelte van het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 De levensloopbijdrage behoort tot het percentage, bedoeld in het eerste lid, tot het pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1, lid 1, sub g van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">7a Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">8 Beëindiging deelname levensloopregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het college beëindigt de deelname aan de levensloopregeling uiterlijk twee maanden na ontvangst van de kennisgeving hiertoe door de ambtenaar. Het college stelt vast hoe de kennisgeving moet plaatsvinden 2 Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling eindigt daarnaast: bij overlijden van de ambtenaar; bij ontslag van de ambtenaar; op de dag voorafgaand aan die waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">9 Opname levenslooptegoed</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken ten behoeve van de opname van onbetaald verlof op grond van de Wet Arbeid en Zorg en hoofdstuk 6 meldt de ambtenaar tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum het college dat hij wil beschikken over (een deel van zijn) levenslooptegoed. Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">10 Slotbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk is niet van toepassing op ambtenaren bedoeld in hoofdstuk 9 en 9b, met uitzondering van de ambtenaar op wie paragraaf 5 van hoofdstuk 9b van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">11 Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen) 7 Aanspraken bij ongeschiktheid wegens ziekte of gebrek</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1 Definities</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:1</span><span class=\"lf-art-t\">Definities</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:1</span><span class=\"lf-art-t\">Definities</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd; werkzaamheden in het kader van de reïntegratie: loonvormende arbeid, die specifiek gericht is op terugkeer in de eigen dan wel passende arbeid waarover afspraken zijn vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9, derde lid; scholing in het kader van de reïntegratie:scholing die gericht is op terugkeer in de eigen dan wel passende arbeid waarover afspraken zijn vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9, derde lid; arbeidsongeschiktheid in en door de dienst: arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken die in overwegende mate haar oorzaak vindt in: de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht of; in een dienstongeval verband houdende met de aard van de opgedragen werkzaamheden of de bijzondere omstandigheden waarin deze werkzaamheden moesten worden verricht; en die niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten; restverdiencapaciteit: het door UWV vast te stellen inkomen dat de ambtenaar met zijn vaardigheden en bekwaamheden, gelet op zijn beperkingen, nog kan verdienen; arbodienst:een dienst als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet; inactieve:de oud-ambtenaar met een WW-uitkering, aanvullende uitkering, nawettelijke uitkering, WAO-uitkering, WIA-uitkering of wachtgelduitkering, die direct voorafgaand aan de uitkering in dienst was van een gemeente; postactieve: de oud-ambtenaar met een uitkering functioneel leeftijdsontslag, FPU-uitkering, ouderdomspensioen van het ABP of ABP keuzepensioen, die direct voorafgaand aan deze uitkering of dit pensioen in dienst was van een gemeente of inactieve was;</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht genomen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2</span><span class=\"lf-art-t\">Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Arbo-dienst</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:2</span><span class=\"lf-art-t\">Bedrijfsgeneeskundige begeleiding</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:3</span><span class=\"lf-art-t\">Consulteren arts door ambtenaar</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:4</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:5</span><span class=\"lf-art-t\">Geneeskundig onderzoek</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:6</span><span class=\"lf-art-t\">Buitendienststelling</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:7</span><span class=\"lf-art-t\">Maatregelen of voorzieningen in belang herstel ambtenaar</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2</span><span class=\"lf-art-t\">Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Arbo-dienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente laat zich bijstaan door een arbodienst of gecertificeerd deskundige(n).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:2</span><span class=\"lf-art-t\">Bedrijfsgeneeskundige begeleiding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar heeft het recht op bedrijfsgeneeskundige begeleiding overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De bedrijfsgeneeskundige begeleiding van de ambtenaar geschiedt door een arbodienst of gecertificeerd deskundige(n), overeenkomstig door het college te stellen regels.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:3</span><span class=\"lf-art-t\">Consulteren arts door ambtenaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar heeft het recht een arts van de arbo-dienst rechtstreeks te consulteren ter zake van gezondheidsproblemen die naar zijn mening met zijn arbeidssituatie kunnen samenhangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:4</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:5</span><span class=\"lf-art-t\">Geneeskundig onderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het college is bevoegd de arbo-dienst opdracht te geven de ambtenaar aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen: indien naar het oordeel van het college redelijkerwijs aanleiding bestaat tot twijfel aan een goede gezondheidstoestand van de ambtenaar; indien de ambtenaar niet of niet langer volledig geschikt is gebleken voor het naar behoren vervullen van zijn betrekking, zulks ten einde na te gaan of hiervoor medische oorzaken zijn aan te wijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De ambtenaar is verplicht zich aan een onderzoek, bedoeld in het eerste lid, te onderwerpen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:6</span><span class=\"lf-art-t\">Buitendienststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Indien bij een onderzoek, bedoeld in artikel 7:2:4 of in artikel 7:2:5 blijkt van een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand van de ambtenaar, dat naar het oordeel van de arbo-dienst de belangen van de ambtenaar, die van de dienst of van bij de dienstuitoefening betrokken derden zich tegen voortzetting van zijn betrekking verzetten, wordt de ambtenaar door het college buiten dienst gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, vindt niet plaats indien, naar het oordeel van de arbo-dienst, de lichamelijke of geestelijke toestand van de ambtenaar het wenselijk maakt dat hij tijdelijk met andere werkzaamheden wordt belast, indien en voor zover deze voorhanden zijn. In dat geval is artikel 7:18:1 van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de toepassing van de overige artikelen van dit hoofdstuk gelijkgesteld met een verhindering wegens ziekte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:7</span><span class=\"lf-art-t\">Maatregelen of voorzieningen in belang herstel ambtenaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Indien daartoe naar het oordeel van de arbo-dienst aanleiding bestaat, verzoekt het college het UWV de ambtenaar in aanmerking te laten komen voor maatregelen of voorzieningen in het belang van het herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van het behoud, het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De ambtenaar wordt van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk in kennis gesteld.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3 Aanspraken tijdens ziekte</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:3</span><span class=\"lf-art-t\">Recht op bezoldiging</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:4</span><span class=\"lf-art-t\">Bezoldiging bij ziekte bij seniorenmaatregel en onbetaald/gedeeltelijk betaald verlof</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:5</span><span class=\"lf-art-t\">Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:6</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:7</span><span class=\"lf-art-t\">Vergoeding kosten geneeskundige verzorging bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:8</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-8-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:8:1</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling referte-tijdvak toelagen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-8-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:8:2</span><span class=\"lf-art-t\">Periodieke salarisverhoging</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-8-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:8:3</span><span class=\"lf-art-t\">Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en toepassing van artikel 2:7a</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:3</span><span class=\"lf-art-t\">Recht op bezoldiging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek vanaf de eerste dag van die ongeschiktheid gedurende de eerste zes maanden recht op doorbetaling van zijn volledige bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid gedurende de zevende tot en met de twaalfde maand recht op doorbetaling van 90% van zijn bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 12 maanden gedurende de dertiende tot en met de vierentwintigste maand recht op doorbetaling van 75% van zijn bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 24 maanden tot het einde van zijn dienstverband recht op doorbetaling van 70% van zijn bezoldiging 5 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder ziekte ook gebreken verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 De ambtenaar heeft recht op de doorbetaling van zijn volledige bezoldiging over de uren waarop hij: zijn arbeid verricht; passende arbeid verricht; werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie verricht; scholing volgt in het kader van zijn reïntegratie.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 De ambtenaar behoudt na afloop van de termijn van zes maanden recht op de doorbetaling van zijn volledige bezoldiging bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 De ambtenaar bedoeld in het derde en vierde lid, die ten minste 50% van zijn formele arbeidsduur zijn arbeid, passende arbeid, werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie verricht of scholing volgt in het kader van zijn reïntegratie, genoemd in het zesde lid van dit artikel, heeft recht op een extra percentage van 5% berekend over de bezoldiging waar hij recht op heeft ingevolge dit artikel. Hierbij geldt als maximum de bezoldiging bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">9De ambtenaar heeft ten minste recht op het wettelijk minimumloon, berekend naar rato van zijn formele arbeidsduur.</p>\n<p class=\"lf-p\">10 De periode waarover de ambtenaar voorafgaand aan de periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof, bedoeld in artikel 6:7, ziek is als gevolg van de zwangerschap, schort de periode, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, op.</p>\n<p class=\"lf-p\">11 Voor de toepassing van het eerste tot en met het vierde lid worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt genoten, bedoeld in artikel 6:7, tenzij in dat geval de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">12 De doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid, eindigt indien de ambtenaar definitief wordt herplaatst in een andere functie.</p>\n<p class=\"lf-p\">13 Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het recht op bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">14Het college zal rekening houden met individuele gevallen van terminale ziekte. In die gevallen zal de afweging worden gemaakt of ook na afloop van de termijn van zes maanden, bedoeld in het eerste lid, de volledige bezoldiging wordt doorbetaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:4</span><span class=\"lf-art-t\">Bezoldiging bij ziekte bij seniorenmaatregel en onbetaald/gedeeltelijk betaald verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar van wie de werktijd is teruggebracht ingevolge een seniorenmaatregel op grond van hoofdstuk 5, heeft recht op doorbetaling van de bezoldiging als bedoeld in artikel 7:3, met dien verstande dat de ambtenaar nooit een groter bedrag aan bezoldiging doorbetaald kan krijgen, dan dat hij doorbetaald zou hebben gekregen, indien hij niet ziek zou zijn geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die onbetaald dan wel gedeeltelijk betaald verlof geniet heeft recht op doorbetaling van de bezoldiging als bedoeld in artikel 7:3, met dien verstande dat de ambtenaar nooit een groter bedrag aan bezoldiging doorbetaald kan krijgen, dan dat hij doorbetaald zou hebben gekregen, indien hij niet ziek zou zijn geweest.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:5</span><span class=\"lf-art-t\">Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Aan de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WGA- of IVA-uitkering wordt, bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst, een aanvullende uitkering verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De aanvullende uitkering genoemd in het eerste lid is voor de ambtenaar met een WGA- of IVA uitkering, gelijk aan het bedrag dat nodig is om de aan de ambtenaar toegekende WGA- of IVA-uitkering, vermeerderd met een aan de ambtenaar toegekende bovenwettelijke aanvulling ingevolge het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, aan te vullen tot een bepaald percentage van de bezoldiging die de ambtenaar heeft genoten in het jaar voorafgaand aan zijn ontslag. Dit percentage is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:</p>\n<p class=\"lf-p\">80% of meer:</p>\n<p class=\"lf-p\">95% 65 tot 80% 68,875% 55 tot 65% 57% 45 tot 55% 47,5% 35 tot 45% 38% 3 De aanvullende uitkering eindigt: indien de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden of; met ingang van de dag waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De gewezen ambtenaar die recht heeft op een uitkering op grond van dit artikel, is verplicht om het college op de hoogte te stellen van wijzigingen in zijn arbeidsongeschiktheiduitkering of bovenwettelijke aanvulling ingevolge het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:6</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:7</span><span class=\"lf-art-t\">Vergoeding kosten geneeskundige verzorging bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst worden aan de ambtenaar vergoed de te zijner laste blijvende, naar het oordeel van het college noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het college kan omtrent het bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften geven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:8</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan nadere regels stellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-8-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:8:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling referte-tijdvak toelage onregelmatige dienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de vaststelling van de bezoldiging zoals bedoeld in dit hoofdstuk wordt voor de toelage onregelmatige dienst het bedrag verstaan, dat gemiddeld over de drie voorafgaande kalendermaanden is toegekend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-8-2-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:8:2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Periodieke salarisverhoging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende de periode van ongeschiktheid wegens ziekte of gebrek wordt door de ambtenaar, die op het maximum van de functionele schaal is ingedeeld, een jaar salarisanciënniteit toegekend, indien de ambtenaar voldoet aan het bepaalde in het tweede lid van artikel 6 van de Bezoldigingsregeling; in het daaraan voorafgaande kalenderjaar aan het bepaalde in het tweede lid van artikel 6 van de Bezoldigingsregeling heeft voldaan; in het daaraan voorafgaande kalenderjaar aan het bepaalde in het eerste en tweede lid van artikel 8 van de Bezoldigingsregeling heeft voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het voor het tweede achtereenvolgend jaar niet mogelijk is gebleken aan het bepaalde in het tweede lid van artikel 6 van de Bezoldigingsregeling te voldoen wordt geen jaar salarisanciënniteit toegekend, tenzij sprake is van ongeschiktheid wegens ziekte of gebrek in of door de dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende de periode van ongeschiktheid wegens ziekte of gebrek wordt het salaris van de ambtenaar die niet onder het eerste lid valt jaarlijks verhoogd op de wijze als in de betreffende schaal of CAR-schaal is aangegeven, indien de ambtenaar voldoet aan het bepaalde in het eerste of tweede lid van artikel 8 van de Bezoldigingsregeling of in het daaraan voorafgaande kalenderjaar aan het bepaalde in het eerste of tweede lid van artikel 8 van de Bezoldigingsregeling heeft voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het voor het tweede achtereenvolgend jaar niet mogelijk is gebleken aan het bepaalde in het eerste of tweede lid van artikel 8 van de Bezoldigingsregeling te voldoen wordt het salaris niet verhoogd, tenzij sprake is van ongeschiktheid wegens ziekte of gebrek in of door de dienst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:8:3</span><span class=\"lf-art-t\">Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en toepassing van artikel 2:7a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar wiens feitelijke arbeidsduur op grond van toepassing van hoofdstuk 5 is aangepast, kan alleen verplicht worden tot aanvaarding van een functie waarvan de arbeidsomvang overeenkomt met deze feitelijke arbeidsduur.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar wiens arbeidsduur is aangepast op grond van artikel 2:7a , kan voor de duur van de periode waarvoor toepassing van dit artikel is bepaald, worden verplicht tot aanvaarding van arbeid waarvan de arbeidsduur overeenkomt met deze tijdelijke uitgebreide arbeidsduur. Wanneer de periode waarvoor de toepassing van artikel 2:7a is verstreken, geldt de verplichting voor de ambtenaar ten aanzien van de aanvaarding van een nieuwe functie voor de formele arbeidsduur.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4 Verplichtingen en sancties</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:9</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen college</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:10</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking bij ziekte</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:11</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichting tot verlening van medewerking aan reïntegratie</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:12</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-13-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:13:1</span><span class=\"lf-art-t\">Geen aanspraak op doorbetaling bezoldiging</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-13-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:13:2</span><span class=\"lf-art-t\">Staken van doorbetaling van de bezoldiging</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-14\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:14</span><span class=\"lf-art-t\">Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen ambtenaar</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-15-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:15:1</span><span class=\"lf-art-t\">Bezoldiging uitbetalen aan anderen en nabetaling aan ambtenaar</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-16\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:16</span><span class=\"lf-art-t\">Herplaatsing in passende arbeid</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-17\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:17</span><span class=\"lf-art-t\">Terugkeer in betrekking na ziekte</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-18\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:18</span><span class=\"lf-art-t\">Inkomsten uit of in verband met arbeid</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-18-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:18:1</span><span class=\"lf-art-t\">Inkomsten andere betrekking in mindering brengen op bezoldiging</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:9</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen college</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het college is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te treffen en voorschriften te geven als redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar, die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte of gebrek verhinderd is zijn arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen arbeid of passende arbeid te verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en binnen de openbare dienst van de gemeente geen passende arbeid voorhanden is, bevordert het college de inschakeling van de ambtenaar in passende arbeid buiten de openbare dienst van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Uit hoofde van zijn verplichting, genoemd in het eerste en tweede lid, stelt het college in overeenstemming met de ambtenaar een plan van aanpak op als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA. Het plan van aanpak wordt met medewerking van de ambtenaar regelmatig geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het college stelt een protocol vast, waarin de regels zijn opgenomen met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begeleiding van ziekteverzuim, verplichtingen omtrent ziek- en herstelmeldingen daaronder begrepen, de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedures.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:10</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking bij ziekte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar verstrekt op verzoek van het college alle informatie die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:11</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichting tot verlening van medewerking aan reïntegratie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, is verplicht: gevolg te geven aan, door het college of een door hem aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan door het college of een door hem aangewezen deskundige getroffen maatregelen als bedoeld in artikel 7:9; zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:9, derde lid; zich te gedragen naar de regels die in het protocol, bedoeld in artikel 7:9, vierde lid, zijn opgenomen.</p></div>", "next": 239774}