{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">NFP bestelt de fiets direct zodra zij het NFP Fietsformulier van de werkgever heeft ontvangen. Op www.nfpfietsplan.nl/orderstatus kan een werknemer de status van zijn bestelling nagaan. De werknemer wordt - zodra de fiets bij de rijwielhandelaar is aangekomen en rijklaar is gemaakt - door hem geïnformeerd, waarna hij de fiets kan ophalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de regel wordt de fiets binnen een week na bestelling door de betreffende rijwielhandelaar aan de werknemer uitgeleverd. Dit is mogelijk doordat de fiets in de meeste gevallen uit eigen voorraad van de rijwielhandelaar wordt geleverd. Het kan ook voorkomen dat de fiets nog bij de fabrikant moet worden besteld. Afhankelijk van de levertijden van de fabrikant, wordt de fiets in dat geval ongeveer twee tot zes weken nadat het NFP Fietsformulier bij NFP is binnengekomen bij de rijwielhandelaar geleverd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij aflevering van de fiets ontvangt de werknemer een exemplaar van het NFP Afleverdocument en het garantiebewijs van de rijwielhandelaar. Op het NFP Afleverdocument worden de unieke nummers van de fiets vermeld (frame-, slot- en sleutelnummer). Dit document is verbonden aan het fietsformulier en is tevens het voorlopige bewijs van verzekering. Bewaar de documenten dus goed!</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien voor de fiets een fiscaal vrijstellingsbedrag geldt van maximaal € 749 dient de werknemer de eventuele meerprijs netto te betalen als eigen bijdrage, zodat ook de bijtelling voor een duurdere fiets nihil blijft. In het Nationale Fietsplan van Gemeente Amstelveen rekent de werknemer de fietsprijs boven het maximum van € 749 direct met de rijwielhandelaar af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadat de werknemer de fiets heeft afgehaald en voor ontvangst heeft getekend op het NFP Afleverdocument, ontvangt de werkgever van NFP een factuur betreffende het totale fietspakket. Vervolgens wordt het fietspakket met de werknemer uitgeruild door middel van de in de ‘aanvulling op de overeenkomst van aanstelling’ overeengekomen aanpassing van de arbeidsvoorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de verplichte verzekering ontvangt de werknemer enkele weken na aflevering van de fiets de verzekeringspolis en bijbehorende voorwaarden van de verzekeringsmaatschappij. De eventueel bestelde Nationale Fietsbonnen worden ook naar het thuisadres van de werknemer verzonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ongeveer 2 maanden na aflevering van de fiets kan de werknemer gratis een eerste servicebeurt laten uitvoeren door de rijwielhandelaar die de fiets heeft geleverd. Het NFP Afleverdocument is de tegoedbon voor deze servicebeurt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4a</span><span class=\"lf-art-t\">3:0:7a Uitruilen van het fietspakket</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De werkgever schaft het fietspakket aan na inlevering en goedkeuring van de formulieren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit fietspakket wordt vervolgens onmiddellijk na aanschaf, bij de levering door de rijwielhandelaar, in eigendom overgedragen aan de werknemer.</p>\n<p class=\"lf-p\">In ruil hiervoor stemt de werknemer in met het afzien van (een deel van) één of meerdere brutoloonbestanddelen, conform de afspraken in de Aanvulling op de Overeenkomst van Aanstelling. In het Nationale Fietsplan van Gemeente Amstelveen zijn (combinaties van) de volgende ‘bronnen’ inzetbaar:</p>\n<p class=\"lf-p\">Geldbronnen Tijdbronnen brutoloon (1 tot 12 maanden) vakantie-uren vakantiegeld eindejaarsuitkering levensloopbijdrage gratificatie Het ruilen van een bedrag aan brutoloonbestanddelen tegen het fiscaalvrije fietspakket levert de werknemer het gewenste belastingvoordeel dat varieert tussen 33,5% en 52%.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover de aanschaf van de fiets niet meer bedraagt dan € 749 incl. BTW worden de brutoloonbestanddelen, onder lid 3 genoemd, aangepast tot een gelijke waarde als de fietsprijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van een duurdere fiets geldt een maximale bruto-netto ruil tot 5. € 749. De meerprijs wordt in dat geval rechtstreeks door de werknemer aan de rijwielhandelaar betaald. Deze eigen bijdrage wordt weggestreept tegen de waarde van de verstrekte fiets boven € 749, wat de bijtelling nihil maakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast is het mogelijk de brutoloonbestanddelen, onder lid 3 genoemd, aan te passen met de kosten van Nationale Fietsbonnen tot een bedrag van maximaal € 246 èn de kosten van de premie van een driejarige fietsverzekering. Gezamenlijk met de fietsprijs tot € 749 vormt dit het fiscaalvrije deel van het fietspakket.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4a</span><span class=\"lf-art-t\">3:0:8a Gevolgen verlaging bruto salaris</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het bruto salaris is het totaal van alle vaste loonbestanddelen in geld, wat ten minste bestaat uit het bruto maandloon en het vakantiegeld. Verlaging van het bruto salaris kan van invloed zijn op de hoogte van een WIA- of WW-uitkering evenals op het inkomen in het kader van inkomensafhankelijke toeslagen als de zorgtoeslag, huurtoeslag en tegemoetkoming studiekosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verlaging van het bruto salaris ook door in de opbouw van loongerelateerde voorzieningen als het pensioen, eindejaarsuitkering, levensloopbijdrage en het vakantiegeld en de grondslag waarover een diensttijdvrijstelling en toeslagen voor overwerk en onregelmatigheid worden berekend. Een tijdelijke verlaging van het bruto salaris bij deelname aan het Nationale Fietsplan wordt dan ook zodanig vastgelegd in de aanvulling op de overeenkomst van aanstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De werknemer verklaart in deze aanvulling op de overeenkomst van aanstelling op de hoogte te zijn van de gevolgen die kunnen optreden als gevolg van verlaging van het bruto salaris. Het bruto salaris na verlaging mag in ieder geval niet lager zijn dan in de Wet Minimumloon en minimum vakantiegeld is bepaald. Tevens mag de regeling niet in strijd zijn met anderszins dwingendrechtelijke bepalingen zoals de wettelijk vastgelegde vakantiedagen (op grond van artikel 7:634,, eerste lid, Burgerlijk Wetboek) en dient de CAO ruimte te bieden om de wijzigingen in de overeenkomst van aanstel-ling mogelijk te maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4a</span><span class=\"lf-art-t\">3:0:9a Vergoeding woon/werkverkeer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Kom je met de auto of het OV naar je werk en is de enkele reisafstand meer dan 10 kilometer, dan kom je aanmerking voor een vergoeding. De voorwaarden en de hoogte kun je lezen op intranet, externe links onder lokaal, arbeidsvoorwaarden (artikel 18 en 50:0:0:6). Voor medewerkers die dichter bij het werk wonen is er de fietsregeling (zie RAP 4a:3:0:1), De fiscale regelgeving biedt fiets-, auto- en OV gebruikers de mogelijkheid om, onder aftrek van de vergoeding die wordt ontvangen van de gemeente, de kilometers die men daadwerkelijk heeft afgelegd, á € 0,19 per kilometer in het cafetariamodel onder te brengen. Ook de 25% die men zelf betaald als men met het openbaar vervoer reist kunnen hier worden ingebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Je kan 0.19 ct per kilometer vise versa inzetten gedurende 214 dagen, tot een maximum van 75 kilometer enkele reis (de formule die de belastingdienst hanteert) maal het aantal dagen in de week waarop je werkt gedeeld door 5. Hierop wordt de vergoeding die je al van de gemeente krijgt in mindering gebracht. Als je deelneemt aan de fietsregeling genoemd onder RAP 4a:3:0:1 wordt hier niets op in mindering gebracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4a</span><span class=\"lf-art-t\">3:0:10a Voortijdige beëindiging fietsgebruik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de werknemer binnen een periode van drie kalenderjaren na verstrekking van het fietspakket uit dienst treedt, het fietspakket geheel of ten dele aan derden verkoopt, verpandt of anderszins in zekerheid geeft of stopt met fietsen, dient de werknemer dit direct te melden aan de werkgever.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werknemer is in het geval dat de ruil, zoals genoemd onder betaling van het fietspakket in artikel 4a:3:0:7a, bij voortijdige beëindiging nog niet geheel heeft plaatsgevonden, een bedrag wegens privé-gebruik verschuldigd ter grootte van het restantbedrag. De eventueel resterende termijnen in het kader van deze regeling worden alsdan verrekend met het nettoloon van de werknemer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eventueel ontvangen fietsbonnen voor de resterende kalenderjaren (maximaal 2) worden bij voortijdige beëindiging als loon aangemerkt en zullen daarom door de werkgever tot het loon van de werknemer moeten worden gerekend. De waarde van deze fietsbonnen wordt bruto gemaakt via een éénmalige bijtelling, waarbij de verschuldigde loonheffingen bij de eerstvolgende salarisbetaling aan de werknemer worden doorberekend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4a</span><span class=\"lf-art-t\">3:0:11a Aansprakelijkheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De werkgever is niet aansprakelijk voor schade die ontstaat door verlies, diefstal of beschadiging van de fiets, voor enige schade die het gevolg is van het gebruik van de fiets of voor eventuele andere gevolgen die deelname aan deze regeling voor de werknemer met zich meebrengt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle noodzakelijke reparaties aan de fiets, die niet onder de garantie- en/of verzekeringsbepalingen vallen, zijn voor rekening van de werknemer. Hiervoor kunnen uiteraard wel de fiscaalvrije Nationale Fietsbonnen worden ingezet. De eerste service-beurt komt voor rekening van NFP en is voor de werknemer dus gratis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer na verstrekking blijkt dat de werknemer geen of onvoldoende gebruik maakt van de fiets voor woon-werkverkeer of anderszins de bepalingen uit dit fietsplan niet nakomt en wanneer als gevolg daarvan de Belastingdienst een naheffing oplegt, zal de werknemer een schadeloosstelling aan de werkgever betalen voor de alsdan nageheven en nagevorderde bedragen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4a</span><span class=\"lf-art-t\">3:0:12a Looptijd van deze fietsregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze regeling is uitdrukkelijk verbonden aan de fiscale en premierechtelijke wet- en regelgeving op de datum van inwerkingtreding van de regeling: 1 januari 2009.Bij wijziging of opheffing van het fiscale of premierechtelijke regime zal de geldigheid van deze regeling opnieuw worden beoordeeld en al dan niet, eventueel in gewijzigde vorm, worden voortgezet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4a</span><span class=\"lf-art-t\">3:0:13a Hardheidsclausule en slotbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De werkgever beslist in gevallen waarin deze regeling niet voorziet of kennelijk onredelijk uitwerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regeling kan worden aangehaald als het “Nationale Fietsplan Gemeente Amstelveen”.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4a</span><span class=\"lf-art-t\">3:1:1 Begripsomschrijving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Medewerker:De ambtenaar in de zin van de arbeidsvoorwaardenregeling Amstelveen (ARA), voor zover deze een vaste aanstelling heeft dan wel tijdelijk is aangesteld;De medewerker met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan op grond van artikel 2:5 lid 1 van de arbeidsvoorwaarden regeling Amstelveen (ARA) voor tenminste één jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvraag:Een aanvraag tot uitwisseling van bronnen voor doelen op een daartoe door de werkgever vastgesteld aanvraagformulier “Cafetariamodel”; bronnen en doelen:Medewerkers kunnen bepaalde arbeidsvoorwaarden (bronnen) kiezen uit een pakket opgesteld door de werkgever, die ingezet worden als ruilmiddel voor in dat pakket opgenomen faciliteiten op het terrein van arbeidsvoorwaarden (doelen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bronnen:Bepaalde arbeidsvoorwaarden die ingeruild worden voor andere arbeidsvoorwaarden, oftewel doelen.De bronnen zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bezoldiging (o.m.bruto salaris) Eindejaaruitkering Vakantietoelage Vakantie-uren (72 uur) Meer uren (50,4) Overwerkuren Levensloopbijdrage Eenmalige beloningen Doelen:Arbeidsvoorwaarden die de medewerker voor de bronnen terugkrijgt. De doelen zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Spaarloon Levensloop Extra pensioen Vergoeding kosten woon- werkverkeer Vakliteratuur Internet Vakbondscontributie Studiekosten Bedrijfsfitness Fiets Stoelmassage</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4a</span><span class=\"lf-art-t\">3:1:2 Deelname aan de regeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Via een daartoe bestemd formulier kan de medewerker een aanvraag indienen voor deelname aan de cafetariaregeling. In het aanvraagformulier vermeldt de medewerker voor het ruiljaar welke bronnen voor welke doelen worden ingezet en tot welk bedrag (geldbronnen) dit dient te geschieden, waarbij tevens wordt aangegeven of een eventuele inhouding gebeurt:</p>\n<p class=\"lf-p\">1 april : in verband met inzet vakantiegeld 1 november : in verband met inzet eindejaaruitkering 1 november : kopen/verkopen verlof meer werken voor verlof inzet bruto loon alle momenten van uitbebetaling in verband met inzet eenmalige beloningen (zoals gratificaties, bonussen en overwerkuren) De medewerker kan jaarlijks -zoals is aangegeven in lid 1- een aanvraag indienen voor deelname aan het cafetariamodel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het volledig ingevulde en ondertekende formulier dient jaarlijks –zoals in lid 1 is aangegeven- ingediend te zijn bij de Salarisadministratie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4a</span><span class=\"lf-art-t\">3:1:3 Toetsing aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De werkgever willigt een verzoek in, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is in ieder geval sprake van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelangen indien toekenning van de aanvraag leidt tot ernstige problemen: van financiële of organisatorische aard; wegens het niet voorhanden zijn van voldoende werk; voor de bedrijfsvoering bij de herbezetting van de vrijgekomen uren; op het gebied van veiligheid; van roostertechnische aard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassing van deze regeling dient te passen binnen de (fiscale) wet- en regelgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">De werkgever bepaalt of een aanvraag in overeenstemming is met de gestelde voorwaarden zoals opgenomen in het vorige lid en in artikel 4, lid 1 van deze regeling. De medewerker is verplicht alle door werkgever gewenste informatie of (bewijs)stukken te verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na ondertekening door de werkgever heeft het formulier het karakter van een overeenkomst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4a</span><span class=\"lf-art-t\">3:1:4 Gevolgen van de keuze</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien aan de belastingvrije uitbetaling van een doel door de belastingdienst bijzondere voorwaarden worden verbonden, is de medewerker gehouden aan deze voorwaarden te voldoen en dit desgewenst aan te tonen. Een eventuele naheffing als gevolg van het niet voldoen aan deze voorwaarden, komt voor rekening van de medewerker.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verlaging van het brutosalaris als gevolg van de inzet als bron kan gevolgen hebben voor de:</p>\n<p class=\"lf-p\">Pensioengrondslag (boven de 30% uitkomt van de oorspronkelijke bezoldiging) Het bruto salaris sociale verzekeringen (WIA-, WW- en ZW-uitkering) De grondslag voor inkomensafhankelijke voorzieningen zoals o.a. huurtoeslag, zorgtoeslag, kinderopvang, alleenstaande oudertoeslag En andere loon gerelateerde uitkeringen zoals vakantietoeslag, eindejaarsuitkering, levensloopbijdrage Salaris tijdens ziekte (korting) Deze gevolgen zijn voor rekening van de medewerker.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4a</span><span class=\"lf-art-t\">3:1:5 Kopen en verkopen vakantie-uren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De medewerker kan vakantie-uren en salaris als bron en als doel inzetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het ruilen van vakantie-uren tegen salaris en omgekeerd moet voldaan worden aan de artikelen 4a:1 en 4a:2 van de CAR.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het inzetten van salaris als bron is mogelijk, voorzover het salaris niet lager wordt dan het maandbedrag van het minimumloon dat krachtens de artikelen 7, 8 en 14 van de Wet minimumloon en Minimumvakantietoeslag geldt voor werknemers van dezelfde leeftijd als de medewerker.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4a</span><span class=\"lf-art-t\">3:1:6 Einde van het recht op deelname</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het recht op deelname aan de cafetariamodel eindigt bij beëindiging van de dienstbetrekking van de medeweker.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eindigt de dienstbetrekking voordat het bedrag als bedoeld in deze regeling is verrekend, dan wordt het alsdan resterende bedrag (zonder fiscaal voordeel) als een bedrag ineens ingehouden op het netto maandloon.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4a</span><span class=\"lf-art-t\">3:1:7 Onrechtmatig gebruik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de medewerker onjuiste gegevens verstrekt en/of onrechtmatig gebruik maakt van deze regeling, worden de totale kosten die de werkgever maakt met terugwerkende kracht op de medewerker verhaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4a</span><span class=\"lf-art-t\">3:1:8 Inwerkingtreding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze regeling kan worden aangehaald als ‘Regeling cafetariamodel en treedt in werking 1 januari 2009.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Seniorenmaatregelen Artikel 5:1 56-jarenregeling Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft geen recht op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen. (Zie ook: artikel 5:6 lid 2) 1De seniorenarbeidsduur van de ambtenaar van 56 jaar en ouder, die een ononderbroken diensttijd heeft van ten minste tien jaren die direct voorafgaat aan de ingangsdatum van de vermindering van de seniorenarbeidsduur, waarbij een onderbreking van twee maanden of minder niet als een onderbreking wordt aangemerkt; en geen betrekking vervult waarvan voor de vervulling een leeftijdsgrens is bepaald wordt, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet, op zijn verzoek met een vijfde deel teruggebracht met behoud van de formele arbeidsduur onder doorbetaling van 90% van de bezoldiging. Er dient minimaal een arbeidsduur van 7,2 uur per week te resteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Onder diensttijd als bedoeld in het vorige lid wordt verstaan de diensttijd als omschreven in artikel 2, tweede lid, onder de punten a tot en met c, van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">3Bij de vaststelling van de feitelijke arbeidsduur per week wordt uitgegaan van de met een vijfde teruggebrachte seniorenarbeidsduur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:2</span><span class=\"lf-art-t\">Pré-vut</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft geen recht op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen. (Zie ook: artikel 5:6 lid 2) 1 De werknemer in de zin van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering heeft recht op een uitkering krachtens het bepaalde in artikel 18, eerste lid, onderdeel a, van dat reglement, met ingang van de dag waarop hij de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt. De uitkering wordt betaald met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de dag waarop het recht op de uitkering ontstaat. De pré-vut-uitkering wordt beëindigd met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de werknemer de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt. Voor de duur van de periode van de pré-vut blijven de bepalingen van het reglement vrijwillig vervroegde uittreding van kracht zoals die regeling laatstelijk luidde voor 1 april 1997.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De uitkering, bedoeld in het eerste lid, bedraagt 75% van het inkomen zoals omschreven in artikel 1, onderdeel v, van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering, met dien verstande dat het uitkeringspercentage voor de ambtenaar, die wordt bezoldigd volgens de salarisschalen 1 en 2, 80% van evenbedoeld inkomen bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op de ambtenaar wiens verzoek, bedoeld in artikel 5:1, eerste lid, is ingewilligd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5:3 60-jarigenregeling Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft geen recht op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen. (Zie ook: artikel 5:6 lid 2) 1 Met inachtneming van het gestelde in het tweede lid, wordt de seniorenarbeidsduur van de ambtenaar van 60 jaar en ouder, die: een aanstelling heeft van tenminste 14,4 uur per week, en; een ononderbroken diensttijd heeft van tenminste tien jaren die direct voorafgaat aan de ingangsdatum van de vermindering van de seniorenarbeidsduur, waarbij een onderbreking van twee maanden of minder niet als een onderbreking wordt aangemerkt; op verzoek van de ambtenaar dan wel op verzoek van het college, met de helft teruggebracht met behoud van de formele arbeidsduur en onder doorbetaling van 95% van de bezoldiging. De bezoldiging wordt voor 95% doorbetaald tot de eerste dag van de maand volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt; van de ambtenaar die bij het bereiken van de leeftijd van 61 jaar geen gebruikmaakt van de FPU-regeling om uit te treden, wordt, met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt, de bezoldiging voor 50% doorbetaald; van de ambtenaar die op of na het bereiken van de leeftijd van 61 jaar gebruikmaakt van de FPU-regeling om gedeeltelijk uit te treden tot een maximum van 50% van de oorspronkelijke formele arbeidsduur, blijft de omvang van de verminderde seniorenarbeidsduur gehandhaafd op 50%.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bezoldiging wordt voor 50% van de bezoldiging zoals die voor hem gold voordat hij gebruik ging maken van de FPU, doorbetaald; van de ambtenaar die op of na het bereiken van de leeftijd van 61 jaar gebruikmaakt van de FPU-regeling om gedeeltelijk uit te treden voor meer dan 50% van de oorspronkelijke formele arbeidsduur, worden de formele arbeidsduur, de seniorenarbeidsduur en de bezoldiging zoals die voor hem golden voordat hij gebruik ging maken van de FPU, met eenzelfde percentage aangepast. Het verzoek van de ambtenaar kan slechts worden geweigerd indien naar het oordeel van het college sprake is van een organisatorisch belang. De ambtenaar heeft te allen tijde het recht op grond van hem moverende redenen het verzoek van het college te weigeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Ten aanzien van de ambtenaar waarvan de seniorenarbeidsduur reeds met een vijfde is teruggebracht ingevolge het bepaalde in artikel 5:1, eerste lid, is het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor \"95%\" gelezen dient te worden: 82,5%. De seniorenarbeidsduur van de ambtenaar, die reeds met een vijfde deel is teruggebracht op grond van het bepaalde in artikel 5:1, eerste lid, wordt tot de helft teruggebracht, uitgaande van de omvang van de aanstelling, zoals die gold op de dag voorafgaand aan de ingangsdatum van de vermindering van de seniorenarbeidsduur ingevolge artikel 5:1;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de ambtenaar, waarvan de seniorenarbeidsduur voor 1 april 1996 is teruggebracht ingevolge het bepaalde in artikel 5:1, eerste lid, geldt dat deze ambtenaar tot 1 mei 1996 kan verzoeken om in aanmerking te komen voor de 60-jarigenregeling. Indien het verzoek tot vermindering van de seniorenarbeidsduur is ingewilligd, wordt de doorbetaling van de bezoldiging met ingang van 1 mei 1996 teruggebracht tot 90%. Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor \"95%\" gelezen dient te worden: 82,5%.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Onder diensttijd als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan de diensttijd als omschreven in artikel 5:1, tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Bij de vaststelling van de feitelijke arbeidsduur per week wordt uitgegaan van de met de helft teruggebrachte seniorenarbeidsduur per week.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Wanneer de betrokkene inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de WAJONG of WAZ, of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag waarop de seniorenarbeidsduur met de helft is teruggebracht dan wel schriftelijk is medegedeeld dat het verzoek tot het terugbrengen van de seniorenarbeidsduur, bedoeld in het eerste of tweede lid, is ingewilligd, worden die inkomsten in mindering gebracht op de door te betalen bezoldiging over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben met dien verstande dat het percentage van de door te betalen bezoldiging na vermindering nooit minder bedraagt dan 50. Onder inkomsten bedoeld in de vorige volzin, wordt niet begrepen een uitkering op grond van de FPU-regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurend vakantie, verlof of non-activiteit onmiddellijk voor afgaande aan de vermindering van de seniorenarbeidsduur.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Wanneer de betrokkene op of na de dag, bedoeld in het vijfde lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf, ter hand genomen voor evenbedoelde dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het vijfde lid van overeenkomstige toepassing. De hier bedoelde vermindering vindt echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen of indien de betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met de vermindering van de werktijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf op of na de dag waarop de seniorenarbeidsduur is verminderd of schriftelijk is medegedeeld dat het verzoek tot terugbrengen van de seniorenarbeidsduur, bedoeld in het eerste of tweede lid, is ingewilligd, terstond mededeling aan het college of aan een door het college aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet hij, voor zover mogelijk, opgave van de inkomsten die hij uit die arbeid of dat bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke of blijvende wijzigingen in alle evengenoemde bedragen geeft hij tijdig op voor het verschijnen van de eerstvolgende bezoldigingstermijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">9 Indien de in het vijfde tot en met zevende lid bedoelde bedragen niet vooraf door de betrokkene zijn op te geven, doet hij voor het verschijnen van elke bezoldigingstermijn opgave van hetgeen hij sedert het ter hand nemen van de arbeid of het bedrijf dan wel sedert de vorige opgave heeft verkregen. Brengt de aard van de arbeid of het bedrijf, ter beoordeling van het college, mede dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, welke echter niet langer dan een jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt het bedrag van de vermindering voorlopig vastgesteld onder voorbehoud van verrekening aan het einde van evenbedoelde termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">10 Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van een opgave als bedoeld in het achtste lid worden afgeweken.</p>\n<p class=\"lf-p\">11 Het in het zevende en achtste lid bepaalde vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in het vijfde en zesde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">12 Door het aanvaarden van de vermindering van de seniorenarbeidsduur wordt de betrokkene geacht er in toe te stemmen, dat zij die naar het oordeel van het college daarvoor in aanmerking komen alle voor de uitvoering van dit artikel noodzakelijke inlichtingen geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">13 Indien de betrokkene één of meerdere verplichtingen als bedoeld in het zevende en achtste lid niet nakomt, kan het college de doorbetaling van de bezoldiging tijdelijk of definitief op een lager percentage stellen, met dien verstande dat het aldus vastgestelde percentage nooit minder dan 50 kan bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">14 Het verzoek voor het terugbrengen van de seniorenarbeidsduur moet minimaal drie maanden voor aanvang van de vermindering worden ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-3-0-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:3:0:1</span><span class=\"lf-art-t\">Arbeidstijdverkorting voor werknemers van 60 jaar en ouder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar van 60 jaar en ouder wordt toegestaan de middagpauze met een half uur te verlengen dan wel de werktijd 's middags een half uur eerder te beëindigen onder de volgende voorwaarden: tarieftoeslagen en dergelijke worden berekend alsof verlof is verleend met behoud van bezoldiging; geen vergoeding wordt toegekend aan de ambtenaar, aan wie in incidentele gevallen niet kan worden toegestaan een half uur per dag korter te werken, omdat het dienstbelang dit niet gedoogt; niet toegestaan is \"vrije uren op te sparen\" tot een halve dag vrij per week of anderszins; de arbeidstijdverkorting geldt niet voor ambtenaren met een gedeeltelijke dagtaak (zogenaamde parttime betrekkingen); de onderhavige verkorting mag niet cumuleren in gevallen, waarin de betrokken ambtenaar op advies van de bedrijfsarts reeds korter werkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In verband met het gestelde in lid 1 dient er naar gestreefd te worden, dat aan het doel van deze arbeidstijdverkorting - het tegemoetkomen aan de verminderde belastbaarheid van de oudere werknemer - wordt voldaan en dat in het kader van die doelstelling in beginsel aan personeelsleden van 60 jaar en ouder geen overwerk wordt opgedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In enkele gevallen, bij voorbeeld bij ploegendiensten, kan het voorkomen dat het niet altijd mogelijk is een passende oplossing te vinden. In deze uitzonderingsgevallen is het toegestaan dat, met instemming van het afdelingshoofd, desgevraagd compensatie in vrije tijd wordt gegeven, indien is komen vast te staan dat de dienstuitvoering om organisatorische redenen een arbeidstijdverkorting met een half uur per dag absoluut niet toelaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:4</span><span class=\"lf-art-t\">Ingangsdatum seniorenmaatregelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft geen recht op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen. (Zie ook: artikel 5:6 lid 2) Indien de ambtenaar gebruik maakt van de mogelijkheid de seniorenarbeidsduur te verminderen ingevolge het bepaalde in artikel 5:1, eerste lid, of 5:3, eerste of tweede lid, heeft de ambtenaar vanaf de dag dat de leeftijd is bereikt, zoals vermeld in de voorgaande artikelen, aanspraak op vermindering van de seniorenarbeidsduur. Op de eerste dag van de maand volgend op de dag waarop tenminste de vereiste leeftijdwordt bereikt, wordt de seniorenarbeidsduur teruggebracht en wordt de bezoldiging gedeeltelijk uitbetaald, op grond van het bepaalde in artikel 5:1 en 5:3.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:5</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft geen recht op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen. (Zie ook: artikel 5:6 lid 2) De ambtenaar waarvan het verzoek als bedoeld in artikel 5:1 is gehonoreerd en waarvan de ingangsdatum van de vermindering van de seniorenarbeidsduur ligt voor 1 april 1996, behoudt voor de duur van de periode van deze vermindering van seniorenarbeidsduur, de volledig voor hem geldende bezoldiging, behoudens ingeval artikel 5:3, tweede lid, onderdeel b, van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:6</span><span class=\"lf-art-t\">Slotbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Een ambtenaar die gebruik maakt of heeft gemaakt van de regeling zoals opgenomen in hoofdstuk 5a, kan niet deelnemen aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft geen recht op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5a FPU Gemeenten en nieuwe seniorenmaatregelen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">1 Recht op uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die: ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:11 en geen gebruik maakt of heeft gemaakt van een of meer van de in hoofdstuk 5 genoemde regelingen en geen betrekking heeft vervuld die door de gemeente is aangewezen als bezwarende functie en waarvoor afwijkende regels zijn gesteld, heeft in het kader van de FPU Gemeenten recht op een Aanvulling werkgever.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">2 Berekeningsgrondslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 In dit hoofdstuk wordt onder berekeningsgrondslag verstaan: de pensioengrondslag zoals die is vastgesteld in januari in het jaar voorafgaand aan het moment van gebruikmaking van de aanvulling van de werkgever, met dien verstande dat indien de ambtenaar direct voorafgaande aan het ontstaan van het recht op een Aanvulling werkgever meer dan een betrekking vervult, voor de vaststelling van de berekeningsgrondslag wordt uitgegaan van het inkomen uit de betrekking waaruit het recht op een Aanvulling werkgever ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de ambtenaar die een deeltijdbetrekking vervult, wordt als berekeningsgrondslag de in het eerste lid genoemde berekeningsgrondslag gehanteerd, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor zoals genoemd in artikel 1.2, tweede lid van het pensioenreglement, direct voorafgaande aan het ontstaan van het recht op een Aanvulling werkgever.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">3 Hoogte van de Aanvulling werkgever</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De Aanvulling werkgever bedraagt een percentage van de berekeningsgrondslag, dat eenmalig wordt vastgesteld op het moment dat hij voor het eerst gebruikmaakt van de FPU Gemeenten aan de hand van de leeftijd van de ambtenaar op 31 december 2005 en bedraagt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Leeftijd ambtenaar op 31 december 2005 Aanvulling werkgever als percentage van berekeningsgrondslag bij uittreden op spilleeftijd 56 6,9 57 8,0 58 9,4 59 11,3 60 14 61 of ouder 16 2 De hoogte van de aanvulling werkgever wordt actuarieel neutraal herrekend indien de ambtenaar uittreedt op een eerder of later moment dan de voor hem geldende spilleeftijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3De in het tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar geboren vóór of op 1 april 1947: 61 jaar en twee maanden; na 1 april 1947: 62 jaar en drie maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover dit leidt tot een vroegere spilleeftijd dan genoemd onder a, is de in het tweede lid genoemde spilleeftijd voor de ambtenaar die onder de FPU maatregel 42, 43, 44 FPU-jaren valt, het moment waarop hij het aantal dienstjaren van 42 jaar en twee maanden, respectievelijk 43 jaar en twee maanden, respectievelijk 44 jaar en twee maanden bereikt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">4 Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vanaf 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Voor medewerkers die vanaf 1 juli 2006 op of na de spilleeftijd gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 100% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid. Als de Aanvulling werkgever niet of niet volledig tot uitkering komt wordt dat gedeelte van de Aanvulling werkgever doorgeschoven naar het ouderdoms- en nabestaandenpensioen vanaf 65 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor werknemers die vanaf 1 juli 2006 vóór de spilleeftijd gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 90% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3de in het tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar geboren: vóór of op 1 april 1947: 61 jaar en twee maanden; na 1 april 1947: 62 jaar en drie maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover dit leidt tot een vroegere spilleeftijd dan genoemd onder a, is de in het tweede lid genoemde spilleeftijd voor de ambtenaar die onder de FPU maatregel 42, 43, 44 FPU-jaren valt, het moment waarop hij het aantal dienstjaren van 42 jaar en twee maanden, respectievelijk 43 jaar en twee maanden, respectievelijk 44 jaar en twee maanden bereikt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">4a Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die in de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Voor werknemers die vanaf 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 op of na de spilleeftijd van de FPU Gemeenten gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 100% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid. Als de Aanvulling werkgever niet of niet volledig tot uitkering komt wordt dat gedeelte van de Aanvulling werkgever doorgeschoven naar het ouderdoms- en nabestaandenpensioen vanaf 65 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor werknemers die vanaf 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 vóór de spilleeftijd van de FPU Gemeenten gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 90% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De in het eerste en tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar geboren: vóór of op 1 april 1947: 60 jaar na 1 april 1947: 61 jaar</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">4b Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vóór 1 januari 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Onder het totaalinkomen van de ambtenaar wordt verstaan de som van: de FPU-uitkering; de Aanvulling werkgever; en, in het geval dat een deeltijdbetrekking resteert na het ontslag op grond van artikel 8:11; de berekeningsgrondslag zoals genoemd in artikel 5a:2, eerste lid, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor die ontstaat op het moment dat ontslag is verleend op grond van artikel 8:11; de andere inkomsten uit of in verband met de resterende deeltijdbetrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De Aanvulling werkgever wordt slechts uitgekeerd voor zover het totaalinkomen van de ambtenaar niet meer bedraagt dan 90% van de berekeningsgrondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De beoordeling of het totaalinkomen boven 90% van de berekeningsgrondslag uitkomt, vindt plaats bij elk ontslag op grond van artikel 8:11.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Bij de in het eerste lid, onder a, bedoelde FPU-uitkering blijft buiten beschouwing dat gedeelte van de uitkering krachtens de FPU-regeling dat gebaseerd is op een individuele opbouw zoals geregeld in het pensioenreglement.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Indien de in het eerste lid, onder a, bedoelde FPU-uitkering is verminderd krachtens artikel 9 of 10 van het Reglement flexibel pensioen en uittreden (FPU) ter zake van basisuitkering en aanvullende uitkering, respectievelijk in verband met samenloop met inkomsten uit arbeid of bedrijf, of in verband met samenloop met uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid, wordt voor de toepassing van dit artikel uitgegaan van de onverminderde FPU-uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">5 Einde van het recht op een Aanvulling werkgever</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het recht op een Aanvulling werkgever eindigt bij een ontslag anders dan op grond van artikel 8:11 dan wel wanneer niet langer recht bestaat op een uitkering krachtens de FPU-regeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">6 Pensioenopbouw</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De werkgever betaalt aan de ambtenaar die gebruikmaakt van de FPU Gemeenten een vergoeding pensioenpremie die overeenkomt met de werkgeversbijdrage in de doorsneepremie die vereist is voor 20% pensioenopbouw gedurende de periode dat gebruik wordt gemaakt van de regeling. De in de eerste volzin genoemde pensioenopbouw heeft betrekking op dat deel van de dienstbetrekking waarvoor ontslag is verleend op grond van artikel 8:11.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">7 Lokaal beleid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan een nadere regeling treffen op grond waarvan het gebruik van de FPU Gemeenten kan worden beïnvloed. Deze nadere regeling laat de aanspraken van de ambtenaar op de FPU Gemeenten onverlet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">8 Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">9 Pensioenopbouw bij afloop loopbaan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar op grond van artikel 3:1, zevende lid, bij dezelfde of een andere werkgever in de gemeentelijke sector, een andere functie met een gelijke formele arbeidsduur accepteert, blijft de pensioenopbouw gebaseerd op de oude inschaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Vakantie, vakantietoelage en (zwangerschaps- en bevallings)verlof</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:1</span><span class=\"lf-art-t\">Recht op vakantie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In elk kalenderjaar heeft de ambtenaar recht op vakantie met behoud van bezoldiging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Vakantieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De vakantie, waarop de ambtenaar recht heeft ingevolge artikel 6:1, wordt verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 6:2:4, eerste lid, dan wel toepassing wordt gegeven aan artikel 6:2:6.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De vakantie wordt verleend door het college.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2</span><span class=\"lf-art-t\">Duur vakantie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De duur van de vakantie van de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt ten minste 158,4 uren per kalenderjaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kan de ambtenaar verzoeken in het daaropvolgende kalenderjaar de arbeidsduur per jaar te mogen overschrijden met - bij een volledige betrekking - een maximum van 50,4 uren en deze uren om te zetten in vakantie als bedoeld in het eerste lid. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 36 uren per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het college wijst een verzoek als bedoeld in het vorige lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:2 geeft het college algemene regels met betrekking tot de duur van de vakantie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De duur van de vakantie van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week, wordt naar evenredigheid verminderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Bij de in het eerste lid bedoelde algemene regels wordt ten aanzien van de ambtenaren of bepaalde groepen van ambtenaren voorzien in een vermeerdering van de vakantie op grond van volbrachte diensttijd of bereikte leeftijd, dan wel van beide, waarbij het bepaalde in het tweede lid van overeenkomstige toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De aan de ambtenaar volgens de in het eerste lid bedoelde algemene regels toekomende vakantie wordt vermeerderd met 14,4 uren ten aanzien van degene, bedoeld in de artikelen 3:3 en 3:3:1, indien regelmatig en in belangrijke mate op onregelmatige uren wordt gewerkt, respectievelijk indien de in artikel 3:3:1 genoemde verplichting regelmatig en in belangrijke mate op de ambtenaar rust.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 In gevallen waarin dit artikel niet voorziet, stelt het college bijzondere regels vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 In afwijking van het gestelde in artikel 6:2 wordt, met ingang van de dag waarop de seniorenarbeidsduur van de ambtenaar op grond van artikel 5:1 of 5:3 wordt teruggebracht, de duur van de vakantie naar evenredigheid verminderd en vervalt het recht op vermeerdering van vakantie als bedoeld in het derde lid van dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Het recht op vermeerdering van de vakantie als bedoeld in het derde lid van dit artikel vervalt met ingang van de dag waarop de ambtenaar gebruikmaakt van de FPU Gemeenten als omschreven in hoofdstuk 5a.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De duur van het vakantieverlof van een ambtenaar, die op gemiddeld 36 uur per week zijn betrekking vervult (voor deeltijders naar rato), bedraagt: voor de ambtenaren, ingedeeld in een van de schalen 1 tot en met 9, opgenomen in bijlage I of IIa, 165,6 werkuren per kalenderjaar en voor de ambtenaren, ingedeeld in een van de schalen 10 tot en met 16, opgenomen in bijlage II of IIa, 172,8 werkuren per kalenderjaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in lid 1 genoemde aantal dagen wordt verhoogd: met 14,4 uur (7,2 uur als compensatie voor de goede vrijdag en 7,2 uur ter compensatie van het vervallen van het december verlof) respectievelijk 7,2, 14,4, 21,6, 28,8 of 36 uur als een ambtenaar een diensttijd van respectievelijk 15, 25, 30, 35 of 40 jaar dan wel de leeftijd van respectievelijk 35, 45, 50, 55 of 60 jaar bereikt. voor de ambtenaar over het kalenderjaar waarin hij 18 jaar of jonger is, met 21,6 uur gedurende het kalenderjaar dat hij 19 jaar is, met 14,4 uur; gedurende het kalenderjaar dat hij 20 jaar is, met 7,2 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">In gevallen waarin dit artikel niet voorziet stellen burgemeester en wethouders bijzonder regels vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:2</span><span class=\"lf-art-t\">Aaneengesloten periode</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De vakantie kan worden opgesplitst, maar wordt als regel voor ten minste 2/3 deel, doch in elk geval voor ten minste tien werkdagen, aaneensluitend verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De vakantie wordt desverlangd zoveel mogelijk, in het bijzonder voor wat betreft de aaneengesloten periode, bedoeld in het eerste lid, verleend in het tijdvak van 1 mei tot 1 oktober. De ambtenaar wordt in de gelegenheid gesteld vakantie op te nemen op officiële feestdagen, samenhangend met geloof en/of culturele achtergrond anders dan de feestdagen genoemd in artikel 4:2:1 derde lid, bij het huwelijk of geregistreerd partnerschap van bloed- en aanverwanten in eerste en tweede graad en bij verhuizing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De beslissing omtrent de tijdstippen waarop de vakantie zal worden verleend, alsmede die omtrent de tijdvakken waarin de vakantie eventueel zal worden gesplitst, berust bij het bestuursorgaan dat de vakantie verleent. Bij die beslissing wordt, voor zover de belangen van de dienst en die van de andere ambtenaren die toelaten, zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van de ambtenaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:3</span><span class=\"lf-art-t\">Vakantieopbouw tijdens ziekte, arbeidsongeschiktheid en andere redenen van afwezigheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld of wordt ontslagen heeft recht op een duur van de vakantie naar rato van de tijd dat hij zijn betrekking vervult.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Voor de ambtenaar die door oorzaken anders dan die bedoeld in het eerste lid, niet gedurende het volle kalenderjaar zijn betrekking vervult, wordt de duur van de vakantie, zo mogelijk van het lopende en overigens van een volgend kalenderjaar, naar evenredigheid verminderd, behoudens het bepaalde in het derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Onverminderd het bepaalde in artikel 6:1:1, eerste lid, wordt een vermindering, bedoeld in het tweede lid, niet toegepast: gedurende de laatste 6 maanden van de periode van afwezigheid, wegens zwangerschap en bevalling of niet aan schuld of nalatigheid te wijten ziekte van de ambtenaar, voorafgaand aan het herstel of het ontslag van de ambtenaar; in geval van verblijf in militaire dienst, anders dan voor eerste oefening; indien en voor zolang de ambtenaar voor ten hoogste 55% van de voor hem vastgestelde werktijd wegens niet aan zijn schuld of nalatigheid te wijten ziekte verhinderd is zijn betrekking te vervullen. Deze verhindering wordt voor het bepalen van de in dit lid onder a bedoelde periode van zes maanden buiten beschouwing gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een opnieuw ingetreden verhindering tot het vervullen van de betrekking wegens ziekte wordt voor het bepalen van de in dit lid onder a bedoelde periode van zes maanden als een voortzetting van de vorige verhindering beschouwd, tenzij die verhindering zich voordoet nadat tenminste vier weken zijn verstreken sedert de ambtenaar zijn betrekking volledig heeft hervat.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Indien aan de ambtenaar op zijn verzoek vakantie wordt verleend op werkdagen, waarop hij wegens ziekte slechts gedurende een gedeelte daarvan zijn arbeid kan verrichten, wordt het aantal vakantie-uren van de ambtenaar verminderd met het aantal uren waarmee het aantal vakantie-uren verminderd zou worden ingeval de ambtenaar niet gedeeltelijk wegens ziekte verhinderd zou zijn geweest, tenzij het bevoegde bestuursorgaan dat de vakantie verleent in naar zijn oordeel daarvoor in aanmerking komende gevallen anders beslist.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Voor vakantie-uren waarop de ambtenaar aanspraak heeft, maar die met ingang van de dag van ontslag nog niet zijn verleend wordt een vergoeding gegeven. Deze vergoeding is gelijk aan het uurloon van de ambtenaar voor elk niet verleend vakantie-uur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:4</span><span class=\"lf-art-t\">Niet genoten vakantie wegens dienstbelang</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Is aan de ambtenaar om redenen van dienstbelang in enig kalenderjaar de vakantie niet of niet geheel verleend, dan wordt hem die nog niet genoten vakantie zoveel mogelijk in het eerstvolgende, doch uiterlijk voor het einde van het tweede volgende kalenderjaar verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien het belang van de dienst het onvermijdelijk maakt, dat de vakantie of het aaneengesloten gedeelte daarvan wordt genoten buiten het in artikel 6:2:2, tweede lid, genoemde tijdvak, kan door het college de duur van de vakantie of het aaneengesloten deel daarvan met 1/3 worden verlengd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:5</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Verleende vakantie kan worden ingetrokken, wanneer dringende redenen van dienstbelang zulks noodzakelijk maken. Indien ten gevolge daarvan de ambtenaar op een bepaalde werkdag slechts gedeeltelijk vakantie genoot, worden de genoten vakantie-uren van die werkdag niet in aanmerking genomen bij de berekening van het aantal genoten vakantie-uren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien de ambtenaar ten gevolge van de intrekking van de vakantie geldelijke schade lijdt, wordt deze schade hem vergoed.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:6</span><span class=\"lf-art-t\">Niet verleende vakantie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Indien in enig kalenderjaar de vakantie geheel of gedeeltelijk niet is verleend: op verzoek van de ambtenaar; als gevolg van afwezigheid wegens ziekte die niet aan de schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten; of als gevolg van verblijf in militaire dienst anders dan voor eerste oefening, wordt de niet genoten vakantie in een volgend kalenderjaar verleend, tenzij het belang van de dienst of de belangen van de andere ambtenaren zich daartegen verzetten. Een verzoek als bedoeld onder a kan achterwege blijven, indien de niet genoten vakantie minder is dan een nader door het college te bepalen aantal uren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De wegens ziekte tijdens een vakantie niet genoten vakantie-uren worden als niet verleend beschouwd, indien de ambtenaar aannemelijk kan maken dat hij, ware hem geen vakantie verleend, op die uren verhinderd zou zijn geweest zijn betrekking te vervullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt met dien verstande, dat de ambtenaar in enig kalenderjaar nimmer meer vakantie-uren kan opnemen dan anderhalf maal het hem bij of krachtens artikel 6:2:1 toekomende aantal uren tenzij op een desbetreffend verzoek van de ambtenaar uitdrukkelijk anders is beslist.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-6-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:6:1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van artikel 6:2:6, lid 1, onder c heeft het college bepaald dat dit de helft van het aantal uren is waarop de ambtenaar in enig kalenderjaar aanspraak maakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:3</span><span class=\"lf-art-t\">Aanspraak vakantietoelage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar heeft aanspraak op een vakantietoelage voor elke maand waarover hij als zodanig bezoldiging heeft genoten. Indien een ambtenaar in de loop van een maand zijn betrekking gaat vervullen dan wel wordt ontslagen, ontvangt hij een evenredig deel van de vakantietoelage over die maand.</p>\n<p class=\"lf-p\">2De vakantietoelage bedraagt per kalendermaand 8% van de voor de ambtenaar in die maand geldende bezoldiging, met dien verstande dat aan de ambtenaar ten minste het bedrag wordt uitbetaald dat gelijk is aan de voor ambtenaren vastgestelde minimum vakantietoelage, welk bedrag bij het vervullen van een onvolledige betrekking naar evenredigheid wordt verminderd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-3-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:3:1</span><span class=\"lf-art-t\">Uitbetaling vakantietoelage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De vakantietoelage, bedoeld in artikel 6:3, wordt eenmaal per kalenderjaar uitbetaald over de periode van 12 maanden, beginnende met de maand juni van het voorafgaande kalenderjaar. In afwijking van het bepaalde in de vorige zin vindt uitbetaling ook plaats bij ontslag van de ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Artikel 6:3, alsmede het eerste lid van dit artikel zijn niet van toepassing op de ambtenaar, die in werkelijke dienst is of te werk is gesteld in de zin van artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst;</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ambtenaar die ingevolge wettelijke verplichting anders dan voor herhalingsoefeningen als militair in werkelijke dienst is, of te werk is gesteld in de zin van artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst en die vervangende dienst gedurende negen maanden heeft vervuld, wordt een bedrag uitgekeerd, dat gelijk is aan het verschil tussen het bedrag, dat hij als vakantie-uitkering uit hoofde van zijn militaire dienst of tewerkstelling in de zin van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst ontvangt en het bedrag aan vakantietoelage - mits dit hoger is - dat hij zou hebben ontvangen indien de voorgaande leden op hem van toepassing zouden zijn en de toelage zou zijn berekend op basis van de volle aan zijn betrekking verbonden bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Bij de toepassing van dit artikel wordt in acht genomen dat de tijd gedurende welke bij wijze van disciplinaire straf of uit hoofde van schorsing een gedeelte van de bezoldiging wordt ingehouden buiten beschouwing wordt gelaten, indien en voorzover dat bij de strafoplegging of schorsing is bepaald. Artikel 8:15:2, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Met betrekking tot de uitvoering van dit artikel kan het college nadere regels stellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4</span><span class=\"lf-art-t\">Buitengewoon verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar die op grond van de recht heeft op calamiteiten- en ander kort verzuimverlof of kraamverlof heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke andere gevallen aan de ambtenaar door het college buitengewoon verlof met behoud van de bezoldiging kan worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke gevallen het college buitengewoon verlof kan verlenen aan de ambtenaar die lid is van een op grond van artikel 12:1, derde lid, toegelaten organisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 In de situatie dat er tijdens de non-activiteit elders pensioen wordt opgebouwd, is het verhaal van de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis-en aanvullende uitkering gelijk aan de bijdrage die voor de ambtenaar is verschuldigd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:1</span><span class=\"lf-art-t\">Buitengewoon verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het college verleent aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging op de dag dat het huwelijk of geregistreerd partnerschap van de ambtenaar wordt voltrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De ambtenaar meldt tenminste twee weken tevoren aan het college wanneer het huwelijk of het registeren van het partnerschap zal plaatsvinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Buitengewoon verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt aan de ambtenaar door burgemeester en wethouders verlof met behoud van het genot van de bezoldiging verleend: voor de uitoefening van kiesrecht, voor zoveel dit niet in vrije tijd kan geschieden of verzetting van dienst niet mogelijk is; voor het voldoen aan een wettelijke verplichting, tenzij deze is ontstaan door schuld of nalatigheid van de ambtenaar en voor zoveel zulks niet in vrije tijd kan geschieden of verzetting van dienst niet mogelijk is: voor het deelnemen aan examens welke voor de betrekking die de ambtenaar vervult van belang moeten worden geacht; voor gehuwden of voor hen die een eigen huishouding hebben bij verhuizing zoveel verlof als nodig is om eenmaal per jaar de vrije beschikking te hebben over een aaneengesloten periode van twee dagen: gedurende één werkdag, indien deze samenvalt met de dag van zijn ondertrouw en bij zijn huwelijk zoveel verlof dat de ambtenaar over een aaneengesloten periode van vier dagen de vrije beschikking heeft: gedurende één werkdag, indien deze samenvalt met de dag van het huwelijk van bloed en aanverwanten van de eerste en de tweede graad, wanneer dit huwelijk wordt gesloten in de woonplaats van de ambtenaar; indien dit huwelijk wordt gesloten buiten de woonplaats van de ambtenaar, zoveel verlof als nodig is om over een aaneengesloten periode van ten hoogste twee dagen de vrije beschikking te hebben; bij ernstige ziekte van echtgeno(o)t(e), ouders, pleegouders, stiefouders, schoonouders, kinderen, pleegkinderen, stief en aanbehuwde kinderen; bij overlijden van echtgeno(o)t(e), ouders, pleegouders, stiefouders, schoonouders, kinderen, pleegkinderen, stief en aanbehuwde kinderen: vier werkdagen; van bloed en aanverwanten in de tweede graad: twee werkdagen tenzij de ambtenaar is belast met de regeling der begrafenis of (en) nalatenschap, in welk geval verlof voor ten hoogste vier werkdagen wordt verleend. Bij overlijden van overige bloed en aanverwanten tot de vierde graad ingesloten en van de echtgeno(o)t(e) van schoonzuster of zwager voor ten hoogste één werkdag, tenzij de ambtenaar is belast met de regeling van de begrafenis of (en) nalatenschap, in welk geval verlof voor ten hoogste vier werkdagen wordt verleend; bij bevalling van de echtgenote zoveel verlof als nodig is om over een aaneengesloten periode van twee dagen de vrije beschikking te hebben; gedurende een werkdag indien deze samenvalt met de dag waarop de ambtenaar zijn 12½,25, 40 of 50 jarig ambts of huwelijksjubileum viert dan wel waarop zijn ouders, pleegouders, stief of schoonouders hun 12½, 25, 40, 50 of 60 jarig huwelijksjubileum vieren;</p>\n<p class=\"lf-p\">gedurende een werkdag indien deze samenvalt met de dag van de kerkelijke bevestiging of Eerste Heilige Communie van de ambtenaar, zijn echtgeno(o)t(e), kinderen, pleegkinderen, stief en aanbehuwde kinderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behoudens in dringende gevallen moet verlof ten minste 24 uren tevoren worden aangevraagd bij het bestuursorgaan dat bevoegd is dat verlof te verlenen. Indien de ambtenaar die niet vooraf een aanvraag daartoe heeft gedaan ten genoegen van bedoelde autoriteit aantoont dat hij daartoe geen gelegenheid heeft gehad en dat er voor zijn afwezigheid gegronde redenen bestonden, wordt deze geacht verlof met behoud van bezoldiging te hebben genoten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-1-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:1:2</span><span class=\"lf-art-t\">Regeling brugdagen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regeling brugdagen is ingegaan op 1 januari 1999 en luidt als volgt: de dag na Hemelvaartsdag geldt structureel als een brugdag op 50/50 -basis (de helft van de werktijd van de ambtenaar op die dag komt als verlof voor rekening van de gemeente, de andere helft voor eigen rekening van de ambtenaar); buiten de dag na Hemelvaartsdag worden geen brugdagen meer aangewezen; medewerkers in de buitendienst die op de dag na Hemelvaartsdag moeten werken, krijgen de op deze gewerkte uren voor 50% bijgeschreven op de verlofkaart; opname van verlof geschiedt op basis van de werkuren volgens de Persoonlijke Standaard Werktijd voor de betreffende dag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-1a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:1a</span><span class=\"lf-art-t\">Langdurend zorgverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar die op grond van de recht heeft op langdurend zorgverlof heeft over de uren dat hij dit verlof geniet aanspraak op doorbetaling van 50% van zijn bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien de ambtenaar gedurende het langdurend zorgverlof wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen vindt geen opschorting van het langdurend zorgverlof plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet en langer dan 7 kalenderdagen wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen heeft met ingang van de achtste kalenderdag aanspraak op zijn volledige bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De duur van de vakantie van de ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het langdurend zorgverlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen, wordt met ingang van de achtste kalenderdag de vermindering van de duur van de vakantie beëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet vindt plaats op basis van de bezoldiging genoemd in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen, vindt met ingang van de achtste kalenderdag de opbouw van de vakantietoelage weer plaats op basis van de volledige bezoldiging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:2</span><span class=\"lf-art-t\">Vakbondsverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1Voor de toepassing van dit artikel worden verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Centrales van overheidspersoneel: de Algemene Centrale van overheidspersoneel (ACOP); de Christelijke Centrale van overheids- en onderwijs Personeel (CCOOP); de Centrale van middelbare en hogere functionarissen bij overheid, onderwijs, bedrijven en instellingen (CMHF).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verenigingen van ambtenaren: de verenigingen van ambtenaren welke zijn aangesloten bij de onder a genoemde centrales van overheidspersoneel.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt door het college buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend aan de ambtenaar: voor het bijwonen van algemene vergaderingen van verenigingen van ambtenaren of, voor zover het algemene verenigingen betreft welke ook andere groepen van ambtenaren dan gemeentepersoneel organiseren, voor het bijwonen van algemene vergaderingen van een landelijke groep van gemeentepersoneel indien de ambtenaar lid van het hoofdbestuur, bestuurslid ener landelijke groep of afgevaardigde van een afdeling is, met dien verstande dat van elke afdeling voor iedere vijftig leden of gedeelte daarvan aan ten hoogste twee afgevaardigden tot een maximum van tien afgevaardigden, verlof wordt verleend; voor het bijwonen van hoofdbestuursvergaderingen indien hij lid is van het hoofdbestuur van bondsraad- of bestuursraadvergaderingen indien hij lid is van de bonds- of bestuursraad, en van groepsraadvergaderingen indien hij lid is van een landelijke groepsraad; voor het bijwonen van één algemene vergadering van de centrale organisatie waarbij de vereniging van de ambtenaar is aangesloten, indien hij als vertegenwoordiger van zijn vereniging aan die vergadering deelneemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt door het college aan de ambtenaar met een volledige betrekking buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend: om, indien hij daartoe door een centrale van overheidspersoneel als bedoeld in het eerste lid, onder a of door een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen, bestuurlijke en/of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen die centrale of die daarbij aangesloten vereniging, onderscheidenlijk binnen het gemeentelijk apparaat, welke ertoe strekken de doelstellingen van deze centrale van overheidspersoneel en/of de daarbij aangesloten vereniging te ondersteunen, alles tezamen voor ten hoogste 216 uren per kalenderjaar; voor het - op uitnodiging van een vereniging van ambtenaren - als cursist deelnemen aan een cursus welke door of ten behoeve van de leden van die vereniging van ambtenaren wordt gegeven, alles tezamen voor ten hoogste 43,2 uren per twee kalenderjaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Van het buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur of waarvoor de seniorenarbeidsduur op grond van artikel 5:1 of 5:3 is verminderd, wordt het aantal uren genoemd in het derde lid onder a en b, naar evenredigheid verminderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, kan voor de ambtenaar met een volledige betrekking niet meer bedragen dan ten hoogste 244,8 uren per kalenderjaar, echter met dien verstande dat ten hoogste 316,8 uren verlof kan worden verleend aan de ambtenaar die: lid is van het hoofdbestuur van een centrale van overheidspersoneel, genoemd in het eerste lid onder a, nr. 1 of 2 en/of van een vereniging van ambtenaren die rechtstreeks bij die centrale is aangesloten; lid is van het centrale bestuur van de centrale genoemd in het eerste lid onder a, nr. 3 en/of bestuurslid is van een sector of sectie van de centrale. Het buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur of waarvoor de seniorenarbeidsduur op grond van artikel 5:1 of 5:3 is verminderd, wordt het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, naar evenredigheid verminderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Verlof, bedoeld in de vorige leden, kan slechts worden verleend aan de ambtenaar die lid is van een vereniging van ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onder b.</p>\n<p class=\"lf-p\">7Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als lid van de commissie, bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend voor het bijwonen van de vergadering van die commissie, alsmede voor een voorvergadering per uitgeschreven commissievergadering. Hetgeen ten aanzien van de voorvergadering is bepaald, geldt eveneens voor de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als plaatsvervangend lid van de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">8Het college kan omtrent het bepaalde in dit artikel nadere regels stellen, waarbij het te verlenen verlof, bedoeld in het tweede, derde en vijfde lid, op een lager aantal uren kan worden gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-2a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:2a</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:3</span><span class=\"lf-art-t\">Kortdurend zorgverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar met een volledige betrekking kan voor maximaal 72 uur per kalenderjaar aanspraak maken op kortdurend zorgverlof op grond van de .</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het maximum van 72 uur, als genoemd in het eerste lid, wordt voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele betrekkingsomvang van minder dan 36 uur per week naar evenredigheid verminderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het verlof komt voor de helft voor de rekening van de werkgever en voor de helft voor de rekening van de ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het college bepaalt in overleg met de ambtenaar nader de wijze waarop de verrekening van het verlof met hem plaatsvindt. Verrekening met de vakantie bedoeld in artikel 6:2 is mogelijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:4</span><span class=\"lf-art-t\">Non-activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Bij non-activiteit, bedoeld in artikel 125c, eerste lid, van de Ambtenarenwet bestaat geen recht op doorbetaling van de bezoldiging en vakantietoelage.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien de ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming of verkiezing, bedoeld in artikel 125c, tweede lid, Ambtenarenwet, aanspraak heeft op een vaste vergoeding - niet zijnde een onkostenvergoeding - wordt op zijn bezoldiging over de tijd dat hij het op grond van dat artikellid verleende verlof geniet een inhouding toegepast. Deze inhouding gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als vergoeding voor de met het verlof overeenkomende tijd niet te boven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het college kan ter uitvoering van de vorige leden nadere regels vaststellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-4-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:4:1</span><span class=\"lf-art-t\">Non-activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 6:4:4 kan onder meer buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging worden verleend voor jeugd- en jongerenwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Krachtens de uitvoeringsregeling wordt dergelijk verlof verleend op \"50/50 basis\". Dit betekent dat de ambtenaar ook zelf een aantal vakantieverlofdagen moet opnemen. Het aantal dagen dat maximaal als buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging kan worden verleend is 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder het verlof als bedoeld in artikel 6:4:4 kunnen verder vallen: buitengewoon verlof voor ontwikkelingshulp; buitengewoon verlof ten behoeve van adoptie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit verlof wordt verleend naar de normen van de Wet arbeid en zorg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:5</span><span class=\"lf-art-t\">Overige redenen buitengewoon verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan aan een ambtenaar op diens verzoek, met behoud van het genot van de gehele of gedeeltelijke bezoldiging en al dan niet onder bepaalde nadere voorwaarden, verlof verlenen om andere redenen dan die welke zijn genoemd in artikel 6:4 tot en met artikel 6:4:4. Het verlof wordt verleend voor maximaal één jaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-5-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:5:1</span><span class=\"lf-art-t\">De inhouding, bedoeld in het tweede lid van artikel 6:4:4, bedraagt:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">voor de ambtenaar die is verkozen tot raadslid zoveel 30-sten, 50-sten, of 100sten van de raadsvergoeding, niet zijnde onkostenvergoeding, als het verzuimde aantal uren per maand; voor de ambtenaar die is benoemd tot wethouder zoveel 30-sten van de wethouderswedde als het aantal verzuimde dagen per maand.</p>\n<p class=\"lf-p\">De breuk waarbij de teller 30 bedraagt, wordt gehanteerd bij gemeenten tot 30.000 inwoners. De breuk waarbij de teller 50 bedraagt, wordt gehanteerd bij gemeenten met 30.001 tot 100.000 inwoners. De breuk waarbij de teller 100 bedraagt, wordt gehanteerd bij gemeenten met meer dan 100.000 inwoners.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-5a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:5a</span><span class=\"lf-art-t\">Overige redenen buitengewoon verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het college kan aan de ambtenaar die benoemd is tot bezoldigd bestuurder van een vereniging van ambtenaren op diens verzoek onbetaald verlof verlenen voor de duur van de vervulling van de functie voor ten hoogste twee jaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten hoogste drie maanden is verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:6</span><span class=\"lf-art-t\">Buitengewoon verlof is geen vakantie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het buitengewoon verlof dat volledig doorbetaald wordt, wordt niet in mindering gebracht op de vakantie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5</span><span class=\"lf-art-t\">Ouderschapsverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar die op grond van de recht heeft op ouderschapsverlof, heeft, voor zover lokaal een regeling betaald ouderschapsverlof is of wordt vastgesteld, over de uren dat hij dit verlof geniet, maar ten hoogste over 13 maal de formele arbeidsduur per week, aanspraak op doorbetaling van een percentage van zijn bezoldiging minus het daaraan gekoppelde maximale uurbedrag van de fiscale tegemoetkoming van de Belastingdienst waarop de ambtenaar aanspraak kan maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het percentage bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de ambtenaar die wordt bezoldigd volgens: a schaal 1:</p>\n<p class=\"lf-p\">90%; b schaal 2:</p>\n<p class=\"lf-p\">85%; c schaal 3:</p>\n<p class=\"lf-p\">80%; d schaal 4:</p>\n<p class=\"lf-p\">70%; e schaal 5:</p>\n<p class=\"lf-p\">60%; f schaal 6 en hoger:</p>\n<p class=\"lf-p\">50%.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het is niet toegestaan dat de ambtenaar gedurende de uren dat het betaald ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid verricht. Het college kan hieromtrent nadere regels stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Op de ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op ouderschapsverlof is artikel 6:9 niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5:1</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwaarden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar meldt het voornemen om ouderschapsverlof op te nemen ten minste drie maanden voor de door hem gewenste ingangsdatum door middel van het daarvoor vastgestelde aanvraagformulier.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5:2</span><span class=\"lf-art-t\">Meerlingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Bij twee- of meerlingen bestaat slechts voor één kind aanspraak op betaald ouderschapsverlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De bepalingen uit artikel 6:5:1, 6:5:3, 6:5:4 en 6:5:7 zijn van overeenkomstige toepassing indien er, voor het tweede en de meerdere kinderen van een twee- of meerling, gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid onbetaald ouderschapsverlof te genieten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5:3</span><span class=\"lf-art-t\">Ziekte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Indien de ambtenaar gedurende het ouderschapsverlof wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen vindt geen opschorting van het ouderschapsverlof plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De ambtenaar die ouderschapsverlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen heeft met ingang van de vijftiende kalenderdag aanspraak op zijn volledige bezoldiging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5:4</span><span class=\"lf-art-t\">Opbouw vakantie en vakantie-toelage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De duur van de vakantie van de ambtenaar die ouderschapsverlof geniet, wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het ouderschapsverlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 14 kalenderdagen, wordt met ingang van de vijftiende kalenderdag de vermindering van de duur van de vakantie beëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die ouderschapsverlof geniet vindt plaats op basis van de bezoldiging, die tijdens dit ouderschapsverlof wordt uitbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 14 kalenderdagen, vindt met ingang van de vijftiende kalenderdag de opbouw van de vakantietoelage weer plaats op basis van de volledige bezoldiging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5:5</span><span class=\"lf-art-t\">Terugbetaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen zes maanden daarna ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:1, eerste lid, of artikel 8:13, is verplicht de bezoldiging, die hij op grond van artikel 6:5 heeft genoten, terug te betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Geen terugbetalingsverplichting ontstaat indien het ontslag als bedoeld in artikel 8:1, eerste lid: het gevolg is van het aanvaarden van een betrekking bij een andere gemeente; en evenmin indien de betrokkene aanspraak heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, vanwege werkloosheid, die is ontstaan doordat de ambtenaar ontslag heeft gevraagd omdat hij de echtgenoot of geregistreerde partner volgt, die door geheel buiten hem liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet wijzigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen drie maanden daarna op eigen verzoek een betrekking aanvaardt voor minder uren dan hij direct voorafgaande aan het ouderschapsverlof vervulde, is verplicht de bezoldiging, die hij op grond van artikel 6:5 heeft genoten over de uren waarmee zijn aanstelling wordt verminderd, terug te betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De ambtenaar die van het betaald ouderschapsverlof gebruik maakt, dient zich tevoren schriftelijk akkoord te verklaren met het in het eerste en derde lid bepaalde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5:6</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5:7</span><span class=\"lf-art-t\">Betaald ouderschapsverlof: aanvullende bepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor gevallen waarin deze regeling niet of niet naar billijkheid voorziet, kan het college een bijzondere regeling treffen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5a</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht ouderschapsverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar die op grond van de recht heeft op ouderschapsverlof, heeft, voor zover lokaal een regeling betaald ouderschapsverlof is of wordt vastgesteld, over de uren dat hij dit verlof geniet, maar ten hoogste over 13 maal de formele arbeidsduur per week, aanspraak op doorbetaling van zijn bezoldiging, berekend naar een percentage bepaald in het tweede en derde lid, indien: hij op 31 december 2005 één of meer kinderen heeft die jonger zijn dan acht jaar en waarvoor nog geen ouderschapsverlof is genoten, en hij op 31 december 2005 langer dan één jaar in dienst is van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De ambtenaar die wordt bezoldigd volgens schaal 4 of hoger van de bezoldigingsregeling heeft recht op doorbetaling van 75% van de bezoldiging over de arbeidsduur waarvoor het ouderschapsverlof geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De ambtenaar die wordt bezoldigd volgens de schalen 1, 2 of 3 van de bezoldigingsregeling heeft recht op doorbetaling van respectievelijk 90%, 85% of 80% van de bezoldiging over de arbeidsduur waarvoor het ouderschapsverlof geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het is niet toegestaan dat betrokkene gedurende de uren dat het betaald ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid verricht. Het college kan hieromtrent nadere regels stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Over de uren waarop de ambtenaar betaald ouderschapsverlof geniet wordt het bedrag van de bezoldiging, berekend op grond van het tweede en derde lid, verminderd met het daaraan gekoppelde maximale uurbedrag van de fiscale tegemoetkoming van de Belastingdienst waarop de ambtenaar aanspraak kan maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Op de ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op ouderschapsverlof is artikel 6:9 niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5a</span><span class=\"lf-art-t\">1 Overgangsrecht betaald ouderschapsverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op de ambtenaar die gebruikmaakt van het overgangsrecht betaald ouderschapsverlof zijn de artikelen 6:5:1 tot en met 6:5:7 van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:6</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:7</span><span class=\"lf-art-t\">Zwangerschaps- en bevallingsverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De vrouwelijke ambtenaar die op grond van de zwangerschaps- en bevallingsverlof geniet, heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van haar volledige bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De -uitkering van het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van het eerste lid recht heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De ambtenaar is, wanneer zij recht heeft op zwangerschaps- en bevallingsverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de uitbetaling van de -uitkering door de gemeente bij en door het UWV.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de vrouwelijke ambtenaar de -uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, danwel het recht op de -uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan haar schuld of toedoen te wijten is, wordt de -uitkering op de bezoldiging in mindering gebracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:8</span><span class=\"lf-art-t\">Adoptie- en pleegzorgverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar die op grond van de recht heeft op adoptie- of pleegzorgverlof, heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn volledige bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De -uitkering van het adoptie- of pleegzorgverlof wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van het eerste lid recht heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De ambtenaar is, wanneer hij recht heeft op adoptie- of pleegzorgverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de uitbetaling van de -uitkering door de gemeente bij en door het UWV.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de ambtenaar de -uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, danwel het recht op de -uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt de -uitkering op de bezoldiging in mindering gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Het adoptie- en pleegzorgverlof schort de termijnen, bedoeld in artikel 7:3, niet op.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:9</span><span class=\"lf-art-t\">Onbetaald verlof onder meer t.b.v. de gemeentelijke levensloopregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar die langer dan een jaar in dienst is van de gemeente kan het college verzoeken hem onbetaald verlof te verlenen voor een periode van tenminste 1 maand en ten hoogste 18 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De ambtenaar geniet in een periode van vijf jaar maximaal 18 maanden onbetaald verlof. Per jaar heeft de ambtenaar recht op maximaal één periode van onbetaald verlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het college kan afwijken van de in het eerste en tweede lid gestelde voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het verzoek van de ambtenaar heeft betrekking op de volledige arbeidsduur of op een deel daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 De ambtenaar dient het verzoek tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum in. Het college stelt vast hoe het verzoek wordt ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Het college beslist zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee maanden na ontvangst van het verzoek. De ambtenaar ontvangt schriftelijk bericht van de beslissing van het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Indien de ambtenaar betaalde arbeid verricht over de uren dat hij onbetaald verlof geniet, kan het college het verlof intrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 Onverminderd het zevende lid kan het onbetaalde verlof niet tussentijds worden beëindigd tenzij het college en de ambtenaar hiermee instemmen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9 Het college kent een verzoek om onbetaald verlof dat betrekking heeft op een periode direct voorafgaand aan de pensionering toe, tenzij zwaarwegende dienstbelangen zich daartegen verzetten. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt het verlof verleend voor een periode van maximaal drie jaren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:10</span><span class=\"lf-art-t\">Aanspraken tijdens onbetaald verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De duur van de vakantie van de ambtenaar die onbetaald verlof geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het onbetaald verlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Gedurende de periode van verlof bestaat geen aanspraak op uitkeringen, tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en (kosten)vergoedingen. Bij deeltijd verlof wordt dit naar rato vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Gedurende de periode van het verlof bestaat aanspraak op de gehele vergoeding als bedoeld in artikel 7:24a.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten hoogste drie maanden is verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:11</span><span class=\"lf-art-t\">Samenloop met ziekte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het verlof van de ambtenaar die voor een deel van zijn betrekking onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, eindigt met ingang van de vijftiende kalenderdag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het college kan besluiten het verlof van de ambtenaar die volledig onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, in schrijnende gevallen te beëindigen. Dit kan niet wanneer er sprake is van verlof voorafgaand aan pensionering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:12</span><span class=\"lf-art-t\">Samenloop met zwangerschaps- en bevallingsverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het onbetaalde verlof eindigt op de eerste dag van het zwangerschaps- en bevallingsverlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">6a De gemeentelijke levensloopregeling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">1 Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: gemeentelijke levensloopregeling: een regeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964; instelling: een door de ambtenaar gekozen kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 19g, vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964; levenslooprekening: een bij de instelling door de ambtenaar geopende geblokkeerde rekening, waarop de inleg van de ambtenaar wordt gestort; levensloopverzekering: een bij de instelling door de ambtenaar afgesloten verzekering, waarop de inleg van de ambtenaar wordt gestort; levenslooptegoed: het tegoed op een levenslooprekening onderscheidenlijk het verzekerd kapitaal.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">2 Doel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen van dit hoofdstuk hebben ten doel het treffen van een voorziening in geld uitsluitend ten behoeve van de financiering van een periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof door de ambtenaar. De gespaarde voorziening blijft qua omvang binnen de grenzen van artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">3 Verzoek tot deelname levensloopregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar die deel wil nemen aan de gemeentelijke levensloopregeling meldt dit bij het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de derde kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan de eisen zoals genoemd in artikel 6a:4.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">4 Voorwaarden deelname levensloopregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de instelling waarbij de levenslooprekening of de levensloopverzekering wordt aangehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een levenslooptegoed heeft opgebouwd bij een of meer gewezen inhoudingsplichtigen tenzij een andere werkgever bij wie de ambtenaar in dienstbetrekking staat geacht wordt inhoudingsplichtig te zijn ten aanzien van dit levenslooptegoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling aan het college informatie verstrekt over de omvang van het levenslooptegoed van de ambtenaar tenzij dit levenslooptegoed geacht wordt te zijn opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige bij wie de ambtenaar in dienstbetrekking staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij gedurende zijn deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling niet deelneemt aan een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 Wet op de loonbelasting 1964.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">5 Inleg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de gemeentelijke levensloopregeling het gewenste bedrag van de inleg per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De ambtenaar kan eenmaal per jaar op een door het college aangewezen wijze en tijdstip de hoogte van de inleg wijzigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De inleg bestaat uit een of meerdere van de in artikel 6a:6 genoemde bronnen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">6 Bronnen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de gemeentelijke levensloopregeling bestaat uit een of meer van de volgende bronnen: het salaris; de vakantietoelage; de eindejaarsuitkering; de levensloopbijdrage als genoemd in artikel 6a:7; de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren als bedoeld in artikel 4a:1; het opgebouwde verloftegoed bedoeld in artikel 4:3, lid 3.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">7 Levensloopbijdrage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar die geboren is na 31 december 1949, met uitzondering van de ambtenaar die in 2005 55 jaar is geworden en die in deeltijd met FPU is gegaan, heeft recht op een levensloopbijdrage ten bedrage van 1,5% van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris op jaarbasis. De bijdrage bedraagt bij een volledige betrekking minimaal € 400. Bij een deeltijd betrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De levensloopbijdrage wordt tevens uitgekeerd aan ambtenaren die zijn geboren voor of op 31 december 1949 en die geen recht hebben op een uitkering zoals bedoeld in hoofdstuk 5a.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In afwijking van het eerste lid is de levensloopbijdrage 2,5% indien en voor zolang hoofdstuk 9a op de ambtenaar van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De levensloopbijdrage bedoeld in het tweede lid wordt gedurende maximaal 20 jaar verstrekt. Hierna ontvangt de ambtenaar de levensloopbijdrage bedoeld in het eerste lid. De levensloopbijdrage van 2,5% kan na 20 jaar voortgezet worden, indien artikel 9a:9, eerste lid, onderdeel b, van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De levensloopbijdrage wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Bij indiensttreding vanaf 1 augustus van een kalenderjaar bouwt de ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een levensloopbijdrage op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling van de levensloopbijdrage plaats over het gedeelte van het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 De levensloopbijdrage behoort tot het percentage, bedoeld in het eerste lid, tot het pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1, lid 1, sub g van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">7a Uitbetaling levensloopbijdrage 2008</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De levensloopbijdrage, bedoeld in artikel 6a:7, wordt voor het kalenderjaar 2008 als gevolg van de wijziging van het uitbetalingsmoment van juli naar december berekend over de maanden augustus 2007 tot en met december 2008. De bijdrage bedraagt bij een volledige betrekking minimaal € 567. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">8 Beëindiging deelname levensloopregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het college beëindigt de deelname aan de levensloopregeling uiterlijk twee maanden na ontvangst van de kennisgeving hiertoe door de ambtenaar. Het college stelt vast hoe de kennisgeving moet plaatsvinden 2 Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling eindigt daarnaast: bij overlijden van de ambtenaar; bij ontslag van de ambtenaar; op de laatste dag van de maand voorafgaand aan de maand waarin de ambtenaar 65 jaar wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">9 Opname levenslooptegoed</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Over het levenslooptegoed wordt uitsluitend beschikt: ten behoeve van de uitbetaling van een uitkering tijdens een periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof op grond van de Wet arbeid en zorg en hoofdstuk 6; ten behoeve van het omzetten van het levenslooptegoed in een aanspraak ingevolge artikel 16.6. van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, voor zover de fiscale grenzen in de Wet op de loonbelasting 1964 niet worden overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken meldt de ambtenaar tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum het college dat hij wil beschikken over (een deel van zijn) levenslooptegoed. Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het levenslooptegoed mag geheel of gedeeltelijk worden afgekocht in geval van beëindiging van het dienstverband.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Met inachtneming van het derde lid, wordt het levenslooptegoed niet afgekocht, vervreemd, prijsgegeven dan wel formeel of feitelijk als voorwerp van zekerheid gesteld anders dan ten behoeve van de in artikel 61k Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 bedoelde verpanding ten behoeve van de belastingdienst bij buitenlandse aanbieders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">10 Slotbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk is niet van toepassing op ambtenaren bedoeld in hoofdstuk 9 en 9b, met uitzondering van de ambtenaar op wie paragraaf 5 van hoofdstuk 9b van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">11 Tijdelijke regeling ambtenaren die werkzaam zijn in een betrekking bij het gemeentelijk stadsvervoer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die werkzaam is in een betrekking bij het gemeentelijk stadsvervoer, waarvoor door het college krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op , leeftijdsgrenzen zijn bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Aanspraken bij ongeschiktheid wegens ziekte of gebrek</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:1</span><span class=\"lf-art-t\">Definities</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd; werkzaamheden in het kader van de reïntegratie: loonvormende arbeid, die specifiek gericht is op terugkeer in de eigen dan wel passende arbeid waarover afspraken zijn vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9, derde lid; scholing in het kader van de reïntegratie:scholing die gericht is op terugkeer in de eigen dan wel passende arbeid waarover afspraken zijn vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9, derde lid; arbeidsongeschiktheid in en door de dienst: arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken die in overwegende mate haar oorzaak vindt in: de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht of; in een dienstongeval verband houdende met de aard van de opgedragen werkzaamheden of de bijzondere omstandigheden waarin deze werkzaamheden moesten worden verricht; en die niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten; restverdiencapaciteit: het door UWV vast te stellen inkomen dat de ambtenaar met zijn vaardigheden en bekwaamheden, gelet op zijn beperkingen, nog kan verdienen; arbodienst:een dienst als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet; inactieve:de oud-ambtenaar met een WW-uitkering, aanvullende uitkering, nawettelijke uitkering, WAO-uitkering, WIA-uitkering of wachtgelduitkering, die direct voorafgaand aan de uitkering in dienst was van een gemeente; postactieve: de oud-ambtenaar met een uitkering functioneel leeftijdsontslag, FPU-uitkering, ouderdomspensioen van het ABP of ABP keuzepensioen, die direct voorafgaand aan deze uitkering of dit pensioen in dienst was van een gemeente of inactieve was; geselecteerde zorgverzekeraar: Als geselecteerde zorgverzekeraar is door het LOGA voor de periode 1 januari 2006 tot en met 31 december 2008 aangewezen IZA Zorgverzekeraar NV.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2</span><span class=\"lf-art-t\">Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Arbo-dienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente laat zich bijstaan door een arbo-dienst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Medewerker: De ambtenaar in de zin van artikel 1:1 lid 1 sub a van de CAR.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ziekteverzuimbegeleiding: De leidinggevende is casemanager en is verantwoordelijk voor het onderhouden van contact met de zieke medewerker, het nemen van maatregelen die het herstel kunnen bespoedigen en het bevorderen van reintegratie tijdens en na herstel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste ziektedag: Eerste dag tijdens de ziekte, waarop de medewerker recht heeft op bezoldiging (=werkdag). Hiertoe behoort ook een verlofdag (vakantiedag of compensatiedag). Dagen tijdens het weekend of een vaste vrije dag voor een deeltijder tellen niet mee.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leidinggevende: De leidinggevende adviseert, coördineert en controleert de uitvoering van de ziekteverzuimbegeleiding en treedt op als casemanager.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-1-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:1:2</span><span class=\"lf-art-t\">Ziekmelding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De medewerker meldt zich op de eerste ziektedag ziek bij de leidinggevende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij afwezigheid van de direct leidinggevende wordt de aanvraag ziekteverlof doorgegeven aan diens vervanger of de leidinggevende belt dezelfde dag terug naar de medewerker.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de medewerker niet op zijn woonadres verblijft, geeft hij het verpleegadres door aan de leidinggevende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na het contact met de medewerker registreert leidinggevende het verzuimmeldingsgesprek in PIMS.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ziekmelding van medewerkers die recht hebben op een Ziektewetuitkering wordt door de ziekteverzuimadministratie op 1e ziektedag doorgegeven aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-1-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:1:3</span><span class=\"lf-art-t\">Ziekmelding tijdens vakantie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de medewerker tijdens zijn vakantie ziek wordt, dient de ziekmelding zo spoedig mogelijk te gebeuren. Is het niet mogelijk dit bij aanvang van de ziekte te doen, dan dient de medewerker achteraf aan te tonen dat hij ziek was.</p>\n<p class=\"lf-p\">De medewerker dient, door middel van het overleggen van een doktersverklaring of rekening van verleende medische zorg, aannemelijk te maken dat hij, als hem geen vakantie was verleend, op die uren verhinderd zou zijn geweest zijn betrekking te vervullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de situaties bedoeld in voorgaande leden geldt dat indien de ziekte een vakantie niet in de weg staat en de ambtenaar, ondanks de ziekte, in staat is (geweest) van de vakantie te genieten, de leidinggevende na overleg met de medewerker kan besluiten verlofdagen in te houden voor (een deel van) de vakantieperiode.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-1-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:1:4</span><span class=\"lf-art-t\">Herstelmelding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De medewerker meldt zich op de eerste werkdag van (gedeeltelijk) herstel bij de direct leidinggevende.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leidinggevende registreert in PIMS dezelfde dag de herstelmelding. De herstelmelding van medewerkers die recht hebben op een Ziektewetuitkering wordt door de ziekteverzuimadministratie dezelfde dag na de herstelmelding doorgegeven aan het UWV.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leidinggevende is verantwoordelijk voor begeleiding van de (gedeeltelijk) herstelde medewerker bij terugkeer in de functie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-1-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:1:5</span><span class=\"lf-art-t\">Ziekteverzuimbegeleiding eerste ziektedagen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vanaf de eerste ziektedag legt de leidinggevende alle feitelijke gegevens, documenten, (gespreks)verslagen en correspondentie met betrekking tot een ziektegeval vast in een verzuimdossier (PIMS).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het einde van de tweede week formuleert de leidinggevende de vraagstelling aan de arbeidsdeskundige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Namens de leidinggevende ontvangt de medewerker hierna uiterlijk in het begin van de vijfde week een oproep voor een gesprek met de bedrijfsarts.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-1-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:1:6</span><span class=\"lf-art-t\">Ziekteverzuimbegeleiding bij blijvend langdurig ziekteverzuim: probleemanalyse en plan van aanpak</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien wordt ingeschat dat volledige of gedeeltelijke werkhervatting langer dan 6 weken op zich zal laten wachten, stelt de bedrijfsarts uiterlijk voor de 6e ziekteweek een probleemanalyse op.</p>\n<p class=\"lf-p\">De probleemanalyse en een eventuele re-integratieadvies (arbeidsdeskundige/bedrijfsarts) wordt zo concreet mogelijk beschreven welke interventie(s) uitgevoerd moet(en) worden om een snelle werkhervatting te realiseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van de Wet verbetering poortwachter zal direct-leidinggevende optreden als casemanager. De leidinggevende adviseert, coördineert en controleert de handhaving van de Wet verbetering poortwachter en de voortgang van de gewenste acties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiterlijk voor de 8e ziekteweek moet de leidinggevende samen met de zieke medewerker een plan van aanpak maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de leidinggevende en de medewerker het na onderling overleg eens zijn over het definitieve plan van aanpak wordt het plan in uiterlijk de 8e ziekteweek retour gezonden aan de verzuimbegeleiding in PIMS. Het plan van aanpak wordt door de leidinggevende en de medewerker ondertekend. De leidinggevende zorgt ervoor dat de medewerker een kopie van het plan van aanpak krijgt en het originele document gaat in het persoonsdossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leidinggevende en de zieke medewerker voeren samen het plan van aanpak uit en werken aan de re-integratie van de zieke medewerker. Zij zijn er beiden verantwoordelijk voor de re-integratie tot een succes te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het uitgangspunt is terugkeer in de eigen functie van de medewerker, indien nodig met aanpassing van het werk of de werkplek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als in overleg met de leidinggevende/arbeidsdeskundige/ bedrijfsarts of andere adviseurs blijkt, dat de re-integratie in de eigen functie niet succesvol zal (kunnen) zijn, moet onderzocht worden of herplaatsing in een andere passende functie binnen of buiten de organisatie mogelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-1-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:1:7</span><span class=\"lf-art-t\">Melden ziek-en herstelmelding UWV</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uiterlijk in de 42e ziekteweek geeft de zieteverzuimadministratie de ziekmelding door aan het UWV.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-1-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:1:8</span><span class=\"lf-art-t\">Evaluatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De leidinggevende evalueert regelmatig, in ieder geval, met de medewerker hoe het gaat, of de afspraken in het plan worden nagekomen en of het plan nog past bij de situatie van de werknemer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een goede begeleiding is tussentijdse evaluatie door de arbeidsdeskundige/bedrijfsarts van de arbo-dienst, de leidinggevende en de medewerker noodzakelijk. De medewerker zal dan ook zo vaak als nodig is voor een goede begeleiding, maar in ieder geval eens per zes weken, de voortgang met de arbeidsdeskundige/bedrijfsarts van de arbo-dienst bespreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens deze evaluatiemomenten wordt telkens vastgesteld in hoeverre de gemaakte afspraken, zoals vastgelegd in het plan van aanpak, zijn nagekomen. Tevens zal besproken worden of het verwachte herstel daadwerkelijk is gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien daartoe aanleiding is, zal het oorspronkelijke plan van aanpak worden bijgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Arbo-dienst/bedrijfsarts/re-integratiedienst verstuurt na ieder contactmoment de werkgever en de medewerker schriftelijk bericht over de voortgang. In het voortgangverslag wordt vermeld welke activiteit is uitgevoerd en wat dit voor gevolgen heeft voor de werkhervatting. Tevens wordt aangegeven welke werkzaamheden de medewerker, in plaats van reguliere taken, eventueel zou kunnen uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor afloop van het eerste ziektejaar evalueren de medewerker en leidinggevende de stappen die in het eerste jaar zijn gezet om de re-integratie te bevorderen. Er wordt vastgesteld of het verstandig is om het plan van aanpak bij te stellen. De evaluatie wordt onderdeel van het re-integratieverslag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-1-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:1:9</span><span class=\"lf-art-t\">WIA-aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De medewerker die langdurig ziek is, stuurt tussen week 87 en week 91 samen met de WIA-aanvraag een re-integratieverslag naar het UWV toe .</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit re-integratieverslag maakt de medewerker samen met zijn leidinggevende. Hierin leggen de leidinggevende en de medewerker verantwoording af over wat zij tijdens de eerste twee ziektejaren hebben gedaan om terugkeer naar het werk bespoedigen. De medewerker moet in dit verslag ook zijn visie geven op het achterliggende re-integratietraject en de inspanningen van de werkgever en de arbo-arts draagt zorg voor het medische gedeelte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De personeelsadviseur ziet toe op het juist indienen van de WIA-aanvraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-1-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:1:10</span><span class=\"lf-art-t\">Toetsing UWV</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan de hand van het re-integratieverslag beoordeelt UWV of de werkgever en de medewerker voldoende re-integratie-inspanningen hebben geleverd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien UWV van oordeel is, dat de werkgever niet heeft voldaan aan de wettelijke re-integratieverplichtingen, kan UWV bepalen dat de werkgever de bezoldiging van de medewerker door moet betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien UWV van oordeel is, dat de medewerker onvoldoende medewerking aan zijn re-integratie heeft verleend, kan UWV weigeren de WIA-uitkering uit te betalen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-1-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:1:11</span><span class=\"lf-art-t\">Sancties medewerker</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de werkgever van oordeel is, dat de medewerker onvoldoende medewerking aan zijn re-integratie heeft verleend, kan de werkgever een sanctie op grond van artikel 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 van de CAR/UWO opleggen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-1-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:1:12</span><span class=\"lf-art-t\">Doorbetaling bezoldiging tijdens ziekte/arbeidsongeschiktheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De voorwaarden voor het berekenen van de bezoldiging (referte-tijdvak) ingeval de medewerker een (overgangs) toelage onregelmatige dienst ontvangt, zijn opgenomen in artikel 7:3 van de CAR.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-1-13\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:1:13</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag wegens arbeidsongeschiktheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De medewerker mag na 2 jaar ziekte worden ontslagen op grond van artikel 8:4 lid 3 van de CAR.</p>\n<p class=\"lf-p\">De medewerker mag na 3 jaar ziekte ontslagen worden op grond van artikel 8:5, lid 2.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-1-14\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:1:14</span><span class=\"lf-art-t\">Vakantie tijdens ziekte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een werknemer die arbeidsongeschikt is op vakantie wil gaan, vraagt hij/zij vooraf toestemming aan de leidinggevende.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leidinggevende neemt contact op met de bedrijfsarts/arbeidsdeskundige en vraagt advies ten aanzien van eventuele medische bezwaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiteindelijk beslist de leidinggevende over het wel of niet op vakantie kunnen gaan van de medewerker.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de medewerker die gedeeltelijk arbeidsongeschikt vakantie wordt verleend wordt een aantal verlofuren afgeboekt dat overeenkomt met het aantal uren dat zou worden afgeboekt als de medewerker niet arbeidsongeschikt zou zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de medewerker die volledig arbeidsongeschikt is vakantie wordt verleend dan worden geen verlofuren afgeschreven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-1-15\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:1:15</span><span class=\"lf-art-t\">Second Opinion</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De werkgever of de zieke medewerker kan bij het UWV om advies vragen, indien tussen de leidinggevende en de medewerker een verschil van inzicht bestaat over: de mate van arbeidsongeschiktheid; de vraag of sprake is van passende arbeid binnen de organisatie; of de werkgever voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is de werkgever of de medewerker het niet eens met het advies van de bedrijfsarts/arbeidsdeskundige, dan kan de werkgever of de medewerker een second opinion van UWV vragen. Het oordeel van UWV is niet bindend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-1-16\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:1:16</span><span class=\"lf-art-t\">Onvoorziene gevallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid voorziet, kan er een bijzondere voorziening getroffen worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-1-17\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:1:17</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking oude regeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verordening “aanspraken bij arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebrek” zoals deze is vastgesteld op 24 juni 2003 wordt ingetrokken. Dit betekend dat 7:2:1:1 t/m 7:2:1:9 komen te vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-1-18\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:1:18</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze regeling kan worden aangehaald als “Regeling ziekteverzuimbegeleiding”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze regeling treedt met ingang van 1 april 2007 in werking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:2</span><span class=\"lf-art-t\">Bedrijfsgeneeskundige begeleiding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar heeft het recht op bedrijfsgeneeskundige begeleiding overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De bedrijfsgeneeskundige begeleiding van de ambtenaar geschiedt door een arbo-dienst, overeenkomstig door het college te stellen regels.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:3</span><span class=\"lf-art-t\">Consulteren arts door ambtenaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar heeft het recht een arts van de arbo-dienst rechtstreeks te consulteren ter zake van gezondheidsproblemen die naar zijn mening met zijn arbeidssituatie kunnen samenhangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:4</span><span class=\"lf-art-t\">Periodiek geneeskundig onderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die in verband met de uitoefening van zijn werkzaamheden aan bijzonder gevaar voor zijn gezondheid blootstaat, dan wel voor een goede vervulling van zijn betrekking aan bijzondere gezondheidseisen moet voldoen, is verplicht zich aan een periodiek geneeskundig onderzoek te onderwerpen, indien zulks naar het oordeel van het college, na overleg met de arbo-dienst, noodzakelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:5</span><span class=\"lf-art-t\">Geneeskundig onderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het college is bevoegd de arbo-dienst opdracht te geven de ambtenaar aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen: indien naar het oordeel van het college redelijkerwijs aanleiding bestaat tot twijfel aan een goede gezondheidstoestand van de ambtenaar; indien de ambtenaar niet of niet langer volledig geschikt is gebleken voor het naar behoren vervullen van zijn betrekking, zulks ten einde na te gaan of hiervoor medische oorzaken zijn aan te wijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De ambtenaar is verplicht zich aan een onderzoek, bedoeld in het eerste lid, te onderwerpen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:6</span><span class=\"lf-art-t\">Buitendienststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Indien bij een onderzoek, bedoeld in artikel 7:2:4 of in artikel 7:2:5 blijkt van een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand van de ambtenaar, dat naar het oordeel van de arbo-dienst de belangen van de ambtenaar, die van de dienst of van bij de dienstuitoefening betrokken derden zich tegen voortzetting van zijn betrekking verzetten, wordt de ambtenaar door het college buiten dienst gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, vindt niet plaats indien, naar het oordeel van de arbo-dienst, de lichamelijke of geestelijke toestand van de ambtenaar het wenselijk maakt dat hij tijdelijk met andere werkzaamheden wordt belast, indien en voor zover deze voorhanden zijn. In dat geval is artikel 7:18:1 van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de toepassing van de overige artikelen van dit hoofdstuk gelijkgesteld met een verhindering wegens ziekte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:7</span><span class=\"lf-art-t\">Maatregelen of voorzieningen in belang herstel ambtenaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Indien daartoe naar het oordeel van de arbo-dienst aanleiding bestaat, verzoekt het college het UWV de ambtenaar in aanmerking te laten komen voor maatregelen of voorzieningen in het belang van het herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van het behoud, het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De ambtenaar wordt van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk in kennis gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:3</span><span class=\"lf-art-t\">Recht op bezoldiging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek vanaf de eerste dag van die ongeschiktheid gedurende de eerste zes maanden recht op doorbetaling van zijn volledige bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid gedurende de zevende tot en met de twaalfde maand recht op doorbetaling van 90% van zijn bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 12 maanden gedurende de dertiende tot en met de vierentwintigste maand recht op doorbetaling van 75% van zijn bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 24 maanden tot het einde van zijn dienstverband recht op doorbetaling van 70% van zijn bezoldiging 5 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder ziekte ook gebreken verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 De ambtenaar heeft recht op de doorbetaling van zijn volledige bezoldiging over de uren waarop hij: zijn arbeid verricht; passende arbeid verricht; werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie verricht; scholing volgt in het kader van zijn reïntegratie.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 De ambtenaar behoudt na afloop van de termijn van zes maanden recht op de doorbetaling van zijn volledige bezoldiging bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 De ambtenaar bedoeld in het derde en vierde lid, die ten minste 50% van zijn formele arbeidsduur zijn arbeid, passende arbeid, werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie verricht of scholing volgt in het kader van zijn reïntegratie, genoemd in het zesde lid van dit artikel, heeft recht op een extra percentage van 5% berekend over de bezoldiging waar hij recht op heeft ingevolge dit artikel. Hierbij geldt als maximum de bezoldiging bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">9De ambtenaar heeft ten minste recht op het wettelijk minimumloon, berekend naar rato van zijn formele arbeidsduur.</p>\n<p class=\"lf-p\">10 De periode waarover de ambtenaar voorafgaand aan de periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof, bedoeld in artikel 6:7, ziek is als gevolg van de zwangerschap, schort de periode, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, op.</p>\n<p class=\"lf-p\">11 Voor de toepassing van het eerste tot en met het vierde lid worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt genoten, bedoeld in artikel 6:7, tenzij in dat geval de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">12 De doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid, eindigt indien de ambtenaar definitief wordt herplaatst in een andere functie.</p>\n<p class=\"lf-p\">13 Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het recht op bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">14Het college zal rekening houden met individuele gevallen van terminale ziekte. In die gevallen zal de afweging worden gemaakt of ook na afloop van de termijn van zes maanden, bedoeld in het eerste lid, de volledige bezoldiging wordt doorbetaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:4</span><span class=\"lf-art-t\">Bezoldiging bij ziekte bij seniorenmaatregel en onbetaald/gedeeltelijk betaald verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar van wie de werktijd is teruggebracht ingevolge een seniorenmaatregel op grond van hoofdstuk 5, heeft recht op doorbetaling van de bezoldiging als bedoeld in artikel 7:3, met dien verstande dat de ambtenaar nooit een groter bedrag aan bezoldiging doorbetaald kan krijgen, dan dat hij doorbetaald zou hebben gekregen, indien hij niet ziek zou zijn geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De ambtenaar die onbetaald dan wel gedeeltelijk betaald verlof geniet heeft recht op doorbetaling van de bezoldiging als bedoeld in artikel 7:3, met dien verstande dat de ambtenaar nooit een groter bedrag aan bezoldiging doorbetaald kan krijgen, dan dat hij doorbetaald zou hebben gekregen, indien hij niet ziek zou zijn geweest.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:5</span><span class=\"lf-art-t\">Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Aan de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WGA- of IVA-uitkering wordt, bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst, een aanvullende uitkering verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De aanvullende uitkering genoemd in het eerste lid is voor de ambtenaar met een WGA- of IVA uitkering, gelijk aan het bedrag dat nodig is om de aan de ambtenaar toegekende WGA- of IVA-uitkering, vermeerderd met een aan de ambtenaar toegekende bovenwettelijke aanvulling ingevolge het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, aan te vullen tot een bepaald percentage van de bezoldiging die de ambtenaar heeft genoten in het jaar voorafgaand aan zijn ontslag. Dit percentage is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:</p>\n<p class=\"lf-p\">80% of meer:</p>\n<p class=\"lf-p\">95% 65 tot 80% 68,875% 55 tot 65% 57% 45 tot 55% 47,5% 35 tot 45% 38% 3 De aanvullende uitkering eindigt: indien de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden of; met ingang van de eerste dag van de maand waarin de ambtenaar 65 jaar wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De gewezen ambtenaar die recht heeft op een uitkering op grond van dit artikel, is verplicht om het college op de hoogte te stellen van wijzigingen in zijn arbeidsongeschiktheiduitkering of bovenwettelijke aanvulling ingevolge het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:6</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:7</span><span class=\"lf-art-t\">Vergoeding kosten geneeskundige verzorging bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst worden aan de ambtenaar vergoed de te zijner laste blijvende, naar het oordeel van het college noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het college kan omtrent het bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften geven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:8</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan nadere regels stellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-8-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:8:1</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling referte-tijdvak toelagen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het referte-tijdvak dat in acht wordt genomen voor de vaststelling van de gemiddelde hoogte van de toelage onregelmatige dienst, de overgangstoelage onregelmatige dienst, alsmede de prestatiebeloning, ten behoeve van de vaststelling van het bedrag van de bezoldiging zoals bedoeld in dit hoofdstuk, dient in een lokale regeling nader te worden uitgewerkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-8-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:8:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling referte-tijdvak toelagen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van het bepaalde in de voorafgaande artikelen van dit hoofdstuk worden de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling, de overgangstoelage onregelmatige dienst, alsmede de prestatiebeloning slechts geacht te behoren tot de bezoldiging tot een bedrag dat overeenkomt met hetgeen in de drie kalendermaanden of in de dertien kalenderweken, voorafgaande aan de datum waarop de verhindering tot het vervullen van de betrekking is ontstaan, gemiddeld per maand of per week is toegekend aan die vergoeding of die beloning, al naar gelang de bezoldiging van de ambtenaar per maand of per week wordt uitbetaald. Voor zover de ambtenaar op evenbedoelde datum minder dan drie kalendermaanden of dertien kalenderweken zijn betrekking heeft vervuld, wordt gerekend met het bedrag dat hem gemiddeld per maand of per week is toegekend over het tijdvak waarin hij voor het ontstaan van de verhindering in dienst is geweest.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-8-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:8:2</span><span class=\"lf-art-t\">Periodieke salarisverhoging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het onderwerp periodieke salarisverhogingen tijdens ziekte dient in een lokale regeling nader te worden uitgewerkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-8-2-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:8:2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Periodieke salarisverhoging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een verhindering wegens ziekte als bedoeld in artikel 7:8:2 zal niet van invloed zijn op het tijdstip van toekenning van periodieke salarisverhogingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-8-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:8:3</span><span class=\"lf-art-t\">Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en toepassing van artikel 2:7a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar wiens feitelijke arbeidsduur op grond van toepassing van hoofdstuk 5 is aangepast, kan alleen verplicht worden tot aanvaarding van een functie waarvan de arbeidsomvang overeenkomt met deze feitelijke arbeidsduur.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De ambtenaar wiens arbeidsduur is aangepast op grond van artikel 2:7a , kan voor de duur van de periode waarvoor toepassing van dit artikel is bepaald, worden verplicht tot aanvaarding van arbeid waarvan de arbeidsduur overeenkomt met deze tijdelijke uitgebreide arbeidsduur. Wanneer de periode waarvoor de toepassing van artikel 2:7a is verstreken, geldt de verplichting voor de ambtenaar ten aanzien van de aanvaarding van een nieuwe functie voor de formele arbeidsduur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:9</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen college</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het college is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te treffen en voorschriften te geven als redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar, die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte of gebrek verhinderd is zijn arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen arbeid of passende arbeid te verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en binnen de openbare dienst van de gemeente geen passende arbeid voorhanden is, bevordert het college de inschakeling van de ambtenaar in passende arbeid buiten de openbare dienst van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Uit hoofde van zijn verplichting, genoemd in het eerste en tweede lid, stelt het college in overeenstemming met de ambtenaar een plan van aanpak op als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA. Het plan van aanpak wordt met medewerking van de ambtenaar regelmatig geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het college stelt een protocol vast, waarin de regels zijn opgenomen met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begeleiding van ziekteverzuim, verplichtingen omtrent ziek- en herstelmeldingen daaronder begrepen, de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedures.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:10</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking bij ziekte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar verstrekt op verzoek van het college alle informatie die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:11</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichting tot verlening van medewerking aan reïntegratie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, is verplicht: gevolg te geven aan, door het college of een door hem aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan door het college of een door hem aangewezen deskundige getroffen maatregelen als bedoeld in artikel 7:9; zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:9, derde lid; zich te gedragen naar de regels die in het protocol, bedoeld in artikel 7:9, vierde lid, zijn opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn betrekking te vervullen, in staat is passende arbeid als bedoeld in artikel 7:1 te verrichten en hij door het college of een andere werkgever daartoe in de gelegenheid wordt gesteld, is hij verplicht die arbeid te verrichten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:12</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1De ambtenaar is verplicht zich te onderwerpen aan een door of vanwege de arbo-dienst in te stellen medisch onderzoek ter beantwoording van de vragen: of er sprake is van verhindering tot het vervullen van zijn betrekking wegens ziekte; in welke mate er sprake is van verhindering als bedoeld onder a; of de ambtenaar de verhindering tot het vervullen van zijn betrekking opzettelijk heeft veroorzaakt; of de ambtenaar ten onrechte nalaat zich onder geneeskundige behandeling te stellen of te blijven stellen, dan wel zich niet houdt aan de voorschriften hem door de behandelende geneeskundige gegeven, met dien verstande dat te dezen voorschriften tot het verlenen van medewerking aan een ingreep van heelkundige aard zijn uitgezonderd; of de ambtenaar zich zodanig gedraagt, dat zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd; of verdere maatregelen of voorzieningen nodig zijn in het belang van het herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van het behoud, het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid; wanneer en in welke mate de vervulling van de betrekking kan worden hervat.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de redenen van medisch onderzoek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-13-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:13:1</span><span class=\"lf-art-t\">Geen aanspraak op doorbetaling bezoldiging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen aanspraak op doorbetaling bezoldiging als bedoeld in artikel 7:3 bestaat: indien blijkens het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 7:12, sprake is van een omstandigheid waarbij de ambtenaar opzettelijk de verhindering tot het vervullen van zijn betrekking heeft veroorzaakt, tenzij de ambtenaar daarvan op grond van zijn geestelijk toestand geen verwijt kan worden gemaakt; indien de verhindering wegens ziekte zich voordoet binnen een half jaar na de in artikel 2:3, eerste lid, bedoelde geneeskundige keuring en alsdan blijkt dat de ambtenaar hierbij onjuiste informatie omtrent zijn gezondheidstoestand heeft verstrekt of gegevens heeft verzwegen, ten gevolge waarvan de verklaring dat tegen de vervulling van zijn betrekking uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan, ten onrechte is afgegeven, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-13-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:13:2</span><span class=\"lf-art-t\">Staken van doorbetaling van de bezoldiging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in artikel 7:3, wordt gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar: weigert de in artikel 7:12 neergelegde verplichting tot het verlenen van medewerking aan een door of vanwege de arbo-dienst in te stellen medische onderzoek na te komen; blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek ten onrechte heeft nagelaten zich onder geneeskundige behandeling te stellen of te blijven stellen; blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek de voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt, met uitzondering van voorschriften om mee te werken aan een ingreep van heelkundige aard; zich blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd; er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig onderzoek door een door de arbo-dienst aangewezen arts niet kan plaatshebben; tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, tenzij dit door de arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht en het college daartoe toestemming heeft verleend; weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid, die hij heeft in verband met het verrichten van door de arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of derden; zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de arbo-dienst bepaalde tijdstip en in de door deze dienst bepaalde mate, indien zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door de arbo-dienst als geldig erkende reden heeft opgegeven; weigert om – op verzoek van het college – informatie te verstrekken die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De doorbetaling van de bezoldiging vindt wel plaats indien de ambtenaar op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd in het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-14\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:14</span><span class=\"lf-art-t\">Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen ambtenaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar die zich niet houdt aan zijn verplichtingen, bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder c, wordt disciplinair gestraft wegens plichtsverzuim.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in artikel 7:3, wordt gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar: weigert mee te werken aan, door het college of een door hem aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen, als bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder a, die erop gericht zijn om de betrokkene in staat te stellen de eigen passende arbeid te verrichten; weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder b. weigert aangeboden passende arbeid te verrichten, waartoe hij op grond van artikel 7:11, tweede lid, verplicht is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De doorbetaling van de bezoldiging, als genoemd in het tweede lid, vindt wel plaats indien de ambtenaar op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd in het tweede lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-15-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:15:1</span><span class=\"lf-art-t\">Bezoldiging uitbetalen aan anderen en nabetaling aan ambtenaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het college kan, indien daarvoor naar zijn oordeel bijzondere omstandigheden aanleiding geven, bepalen, dat de op grond van de artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 niet uitbetaalde bezoldiging, geheel of ten dele aan anderen dan de ambtenaar zal worden uitbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor zover het college van zijn in het eerste lid bedoelde bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt, wordt de ingevolge de artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 niet uitbetaalde bezoldiging alsnog aan de ambtenaar uitbetaald wanneer de ambtenaar op grond van de second opinion die hij conform artikel 30, eerste lid, onderdeel e, f en g, van de wet SUWI, heeft aangevraagd inzake het oordeel over de ongeschiktheid tot werken in het gelijk gesteld wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-16\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:16</span><span class=\"lf-art-t\">Herplaatsing in passende arbeid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, wordt de ambtenaar opgedragen: door plaatsing in een andere betrekking voor tijdelijke duur, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling; door plaatsing in een andere betrekking bij wijze van proef, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling; bij een andere werkgever, door een tijdelijke detachering, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Na 24 maanden van ziekte wordt passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, aan de ambtenaar opgedragen door definitieve herplaatsing. Deze definitieve herplaatsing vindt plaats door wijziging van de aanstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die ziek is geworden op of na 1 juli 2007 en die minder dan 35% arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de periode van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de ambtenaar met de passende arbeid zijn volledige restverdiencapaciteit benut.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die ziek is geworden op of na 1 juli 2007 en die 35% of meer, maar minder dan 80% arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de periode van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de ambtenaar met de passende arbeid 50% van zijn restverdiencapaciteit of meer benut.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Voor de toepassing van het eerste tot en met vierde lid wordt onder een andere betrekking mede verstaan het verrichten van dezelfde werkzaamheden onder andere voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12 maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de betrekking tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in aanmerking genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 De termijn van 24 maanden wordt verlengd: met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de WIA en</p></div>", "next": 239660}