{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Indien een functionaris regelmatig in contact komt met agressieve burgers/cliënten, geldt score 3 voor dit gezichtspunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">SN H O O F D G R O E P I II III IV V VI 12 4 en 56 t/m 8 34 9 en meer 4 t/m 67 t/m 9 56 10 t/m 1213 en meer 4 t/m 67 t/m 9 78 10 t/m 1112 t/m 14 4 t/m 67 t/m 9 910 15 en meer 10 t/m 1112 t/m 14 4 t/m 9 1112 15 t/m 1718 en 20 10 t/m 1213 t/m 15 1314 16 t/m 1819 en 20 4 t/m 1213 t/m 15 1516 16 en 1718 1718 1920 SN HOOFDGROEP I II III IV V VI 1 4 en 5 2 6 t/m 8 3 9 en meer 4 t/m 6 4 7 t/m 9 5 10 t/m 12 4 t/m 6 6 13 en meer 7 t/m 9 7 10 t/m 11 4 t/m 6 8 12 t/m 14 7 t/m 9 9 15 en meer 10 t/m 11 10 12 en 14 4 t/m 7 10A 15 en 16 8 t/m 10 11 17 en 18 11 t/m 13 12 19 t/m 20 14 t/m 16 13 17 en 18 4 t/m 12 14 19 en 20 13 t/m 15 15 16 en 17 16 18 17 19 18 20 SN HOOFDGROEP SN I II III I II III IV V VI 1 4 en 5 2 6 t/m 8 3 9 en meer 4 t/m 6 4 7 t/m 9 5 10 t/m 12 4 t/m 6 6 13 en meer 7 t/m 9 7 10 t/m 11 4 t/m 5 8 12 t/m 14 6 t/m 8 9 15 en meer 9 en 10 10 11 en 12 4 t/m 7 10A 13 en 14 8 en 9 11 15 en 16 10 t/m 12 11A 17 en 18 13 en 14 12 19 en 20 15 en 16 13 17 en 18 4 t/m 12 14 19 en 20 13 t/m 15 15 16 en 17 16 18 17 19 18 20 Vorenstaande voorbeeld-conversietabellen leiden tot evenwichtige bezoldigingsverhoudingen in een aantal organisaties waar functiewaardering met dit systeem is ingevoerd. Een conversietabel is echter maatwerk en dient te worden afgestemd op het gewenste beloningsbeleid van de betreffen-de organisatie. Het is raadzaam contact op te nemen met de systeemhouder Capgemini alvorens de conversietabel vast te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadere informatie over het ODRP-functiewaarderingssysteem (OFS)® 2004 en toepassing is verkrijgbaar bij:</p>\n<p class=\"lf-p\">Capgemini Nederland B.V.</p>\n<p class=\"lf-p\">Practice Employee Transformation Postbus 2575 3500 GN Utrecht telefoon: 030 – 689 5411 telefax: 030 – 689 5555 Bij correspondentie s.v.p. het licentienummer vermelden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span><span class=\"lf-art-t\">Duiktoelage brandweerpersoneel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan de medewerker van de brandweer, die ofwel in dagdienst of in 24uursdienst is aangesteld en die feitelijk duikwerkzaamheden in opdracht van of namens het bestuur van het bestuur van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant uitoefent, wordt een toelage toegekend krachtens de Duikregeling Brandweer Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arikel 2 Instructievergoeding brandweerpersoneel Aan de medewerker van de brandweer, die in 24-uursdienst is aangesteld, en aan officieren wordt voor het geven van instructielessen een vergoeding toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van het niveau van de doelgroep, waarbij onderscheid wordt gemaakt in groepen van asp. brandwacht tót en met het niveau van de rang hoofdbrandwacht en groepen vanaf het niveau onderbrandmeester en hoger.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de instructievergoeding wordt bepaald conform de hiervoor landelijk vastgestelde normen van het Landelijk Overleg Brandweer Opleidingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">Toelage Repressieve Dagdienst Brandweer (m.i.v. 1 januari 2006)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar, op wie de verplichting rust zich binnen en buiten de voor hem geldende werktijden ter beschikking te houden ten behoeve van de Repressieve Dagdienst Brandweer, heeft maandelijks aanspraak op een bruto toelage. De hoogte van deze toelage wordt door het college vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die recht heeft op een toelage Repressieve Dagdienst Brandweer ontvangt tevens een onregelmatigheidstoelage van 0,55% van zijn salaris tot het maximumbedrag van schaal 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die recht heeft op een toelage Repressieve Dagdienst Brandweer én daarnaast vrijwilliger is bij de Vrijwillige Brandweer Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant ontvangt een onregelmatigheidstoelage van 0,35% van zijn salaris tot het maximumbedrag van schaal 6.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">Alarmopkomstvergoeding beroepsbrandweer in de 24-uursdienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar van de beroepsbrandweer in de 24-uursdienst die niet verplicht is op te komen buiten werktijd, maar die wel gehoor geeft aan een oproep heeft onder voorwaarden recht op een opkomstvergoeding ter grootte van een jaarvergoeding vrijwilligers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarde voor de toekenning van de vergoeding is dat de beroepsbrandweerman in de 24-uursdienst in de 12 maanden voorafgaand aan de maand december aan minimaal 40% van de oproepen gehoor heeft gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opkomstvergoeding wordt in de maand december uitbetaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze regeling kan worden aangehaald als “Regeling vergoedingen brandweerpersoneel Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant” en treedt in werking op 1 januari 2010.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span><span class=\"lf-art-t\">Overwerk bijzondere categorieën</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De deeltijder ontvangt voor de uren, gewerkt boven zijn deeltijduren, een overwerkvergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen vergoeding in geld vindt plaats aan ambtenaren, die zijn ingedeeld in een salarisschaal hoger dan schaal 11, tenzij met voorafgaande machtiging van het college. Aan hen kan door het college overwerk worden opgedragen, voorzover dit een totaal van 200 uren per werkproject niet overschrijdt. Het college is bevoegd aan de ambtenaar die op grond van bovenstaande geen aanspraak heeft op vergoeding voor overwerk in bijzondere gevallen een door hen te bepalen vergoeding toe te kennen, indien en naarmate dit naar hun oordeel gelet op de aard en de omvang van het overwerk en de onvermijdelijkheid daarvan, redelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar ingedeeld in de 24-uurs dienst van de beroepsbrandweer heeft alleen dan recht op een vergoeding overeenkomstig het bepaalde in dit artikel wanneer hij buiten de voor hem bij rooster vastgestelde 24-uurs diensten in dienst wordt geroepen voor het verrichten van werkzaamheden. Deze vergoeding wordt voor opkomst bij alarmering voor tenminste 1 uur berekend. Bij overschrijding van het eerste uur wordt ieder volgend uur wordt als volledig uur berekend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">Vergoeding maaltijd bij overwerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de dagelijkse werktijd van de ambtenaar op de dag waarop overwerk moet worden verricht, met tenminste twee overwerkuren wordt verlengd, heeft de ambtenaar recht op een vergoeding van de kosten, die hij heeft moeten maken voor het nuttigen van een warme maaltijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze vergoeding bedraagt maximaal het bedrag dat jaarlijks door het bestuur wordt vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de medewerker kiest voor het nuttigen van de warme maaltijd thuis, voorzover het dienstbelang zulks toelaat, worden de reiskosten voor woon-werkverkeer v.v. vergoed volgens door het college vastgestelde richtlijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als maximumvergoeding voor de reiskosten geldt het bedrag van de maaltijdvergoeding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2a</span><span class=\"lf-art-t\">Verstrekking en inhouding maaltijden gedurende de 24-uursdienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die een 24-uurs dienst draait, heeft gedurende deze dienst recht op de verstrekking van een warme maaltijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten voor de genoten warme maaltijd, als bedoeld in lid 1 worden voor 50% door de werkgever vergoed, de andere 50% wordt op het salaris van de werknemer ingehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de bepaling van de kosten voor de verstrekking van de warme maaltijd gelden de normbedragen zoals vastgesteld door de belastingdienst in tabel 8: “maaltijden in bedrijfskantines” (http://www.belastingdienst.nl/zakelijk/loonheffingen/overig2010/overig2010-23.html).</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die een 24-uurs dienst draait, en die afziet van de verstrekking van een warme maaltijd, heeft recht op een tegemoetkoming in de kosten van een maaltijd ter grootte van 50% van het normbedrag als vernoemd in lid 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verstrekking en inhouding zoals vernoemd in deze regeling wordt na afloop van iedere maand administratief verwerkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">Toelage onregelmatige dienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Behoudens het bepaalde in artikel 3:3 RAVMWB, wordt aan de ambtenaren ingedeeld in een schaal met een lager maximumsalaris dan dat van schaal 11 van bijlage II of IIA van de CAR die arbeid verrichten op andere tijdstippen dan op de dagen maandag tot en met vrijdag tussen 08.00 uur en 18.00 uur deswege een toelage verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste lid bedoelde toelage bedraagt per gewerkt uur op de dagen: maandag tot en met vrijdag tussen 06.00 uur en 08.00 uur en tussen 18.00 uur en 22.00 uur: 20%; zaterdag tussen 06.00 uur en 22.00 uur: 40%; maandag tot en met zaterdag tussen 0.00 uur en 06.00 uur en tussen 22.00 uur en 24.00 uur: 45%; zondag en daarmee ingevolge artikel 4:2:1 RAVMWB derde lid gelijkgestelde dagen: 65%; van de bezoldiging per uur, welke wordt gesteld op 1/156 deel van de bezoldiging per maand, met dien verstande, dat genoemde percentages ten hoogste worden berekend over een bedrag per uur, gelijk aan 1/156 deel van het maximumsalaris per maand van schaal 6 van bijlage II van deze regeling.In geval van toepassing van artikel 5 eerste lid Regeling beloningsbeleid worden ingeval van niet volledige werktijd de noemers van bovenstaande breuken in evenredigheid met de verlaging van het salaris verminderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de in het vorige lid onder a genoemde morgen- en avonduren wordt de toelage niet toegekend indien de arbeid niet is aangevangen vóór 07.00 uur onderscheidenlijk niet is geëindigd na 19.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">In bijzondere gevallen kan een regeling worden getroffen, welke het bepaalde in de vorige leden aanvult of daarvan afwijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien sprake is van werkzaamheden, die met een aanzienlijke frequentie plaatsvinden in de avonduren, dan vindt naast compensatie in vrije tijd op een ander tijdstip, uitbetaling van een toelage in geld plaats overeenkomstig het bepaalde in de voorgaande leden, ongeacht de salarisschaal waarin betrokkenen zijn ingedeeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">Toelage onregelmatige dienst beroepsbrandweerpersoneel in 24-uurs dienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor het daadwerkelijk verrichten van werkzaamheden op het gebied van de brandbestrijding, hulpverlening, bewaking en oefening en andere met de brandweerdienst betrekking hebbende werkzaamheden buiten de normale dagdiensturen op maandag tot en met vrijdag van 08.00 uur tot 18.00 uur wordt aan de ambtenaren ingedeeld in de 24-uurs dienst een toelage toegekend. Het bedrag van deze toelage is een percentage van het bruto salaris van de ambtenaar doch ten hoogste van het maximum van schaal 6. Ter uitvoering van deze bepaling kan het college nadere voorschriften vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de berekening van het percentage van deze toelage wordt uitgegaan van een \"gewogen gemiddelde\". Dit gemiddelde bedraagt per 1 januari 2010 18,94%.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span><span class=\"lf-art-t\">Toelage consignatiedienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar, aan wie de verplichting is opgelegd, bedoeld in artikel 15:1:10 RAVMWB tweede lid sub c en die volgens een daarvoor vastgesteld rooster consignatiedienst verricht, en daarbij strikt aan huis of werkadres is gebonden, ontvangt daarvoor een toelage. Deze toelage bedraagt: voor elk uur, dat deze dienst wordt verricht van maandag tot en met zaterdag : 10%; voor elk uur, dat deze dienst wordt verricht op zon- en feestdagen - als bedoeld in artikel 4:2:1 RAVMWB derde lid - : 16%; van het voor de betrokken ambtenaar geldende salaris per uur, berekend naar 1/156 van het voor hem geldende maandsalaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar, die volgens een daarvoor vastgesteld rooster consignatiedienst verricht en daarbij niet strikt aan huis of werkadres is gebonden, doch (telefonisch) bereikbaar moet zijn, ontvangt daarvoor een toelage ter grootte van de helft van de percentages als genoemd in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorzover het dienstbelang zich daartegen niet verzet, kan desgevraagd de toelage in verlof worden verleend. Het verlof wordt berekend naar de in het eerste lid sub a en b vermelde percentages van het aantal uren, waarop consignatiedienst is verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen toelage wordt toegekend, indien uitdrukkelijk is bepaald, dat bij de vaststelling van de bezoldiging met vorenbedoelde verplichting is rekening gehouden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span><span class=\"lf-art-t\">Afbouw genoten toelagen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbende is hij, die 2 of meer achtereenvolgende jaren zonder wezenlijke onderbreking een van de volgende toelagen heeft genoten: toelage onregelmatige dienst, toelage consignatiedienst en de duiktoelage brandweerpersoneel. Onder wezenlijke onderbreking dient te worden verstaan een periode van langer dan 2 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eveneens belanghebbende is hij, die de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt en bedoelde toelage of toelage 10 jaar of langer zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij verval of vermindering van de onder het eerste lid sub a genoemde toelagen heeft de belanghebbende in geval dat de vermindering tenminste 3% van de som van het salaris en de toelage bedraagt, recht op doorbetaling van deze toelage volgens het bepaalde in het derde en vierde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het verval of de vermindering van de toelage is te wijten aan eigen schuld of toedoen, heeft de belanghebbende geen recht op de in dit lid sub a bedoelde doorbetaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer het vervallen of de vermindering van de toelage plaatsvindt in de eerste helft van de maand, wordt over die maand het volle bedrag van de toelage uitbetaald. Vervalt of wordt de toelage verminderd in de tweede helft van de maand, dan wordt de volledige toelage nog uitbetaald over de volgende maand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na afloop van de in het derde lid bedoelde tijd wordt de toelage doorbetaald als volgt: 1e jaar - 75% van de inkomstenderving; 2e jaar - 50% van de inkomstenderving; 3e jaar - 25% van de inkomstenderving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de volgens de voorgaande leden berekende bedragen wordt in mindering gebracht 25% van individuele salarisverhogingen, met dien verstande, dat indien de belanghebbende wederom een toelage als in het eerste lid bedoeld, gaat genieten of een hogere toelage dan voorheen, herberekening daarvan plaatsvindt of de doorbetaling komt te vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als vermindering of verval van de toelage plaatsvindt, terwijl de belanghebbende de leeftijd van 55 jaar reeds heeft bereikt en de toelage gedurende 10 jaar zonder wezenlijke ondebreking heeft genoten, blijft de toelage gegarandeerd tot het einde van het dienstverband of het bereiken van de 65- jarige leeftijd. Indien een belanghebbende, die de in het vierde lid bedoelde doorbetaling geniet, de 55-jarige leeftijd bereikt, vindt van dat tijdstip af geen verdere vermindering van het afbouwpercentage plaats. De doorbetaling blijft op het op die leeftijd bereikte niveau gehandhaafd tot het einde van het dienstverband, doch uiterlijk tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span><span class=\"lf-art-t\">Vergoeding E.H.B.O.-taak</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar, die in het bezit van een geldig eenheidsdiploma door het college is aangewezen om in voorkomende gevallen eerste hulp bij ongelukken te verlenen, geniet een door het college vast te stellen vergoeding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8</span><span class=\"lf-art-t\">Vergoeding Bedrijfshulpverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar, die door het college is aangewezen om in voorkomende gevallen aan bedrijfshulpverleningsoefeningen deel te nemen of in het kader van de bedrijfshulpverlening op te treden, geniet een door het college vast te stellen vergoeding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9</span><span class=\"lf-art-t\">Vergoeding dienstwoning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar aan wie het college de verplichting oplegt te wonen in een dienstwoning en die dientengevolge buitengewone werkzaamheden moet verrichten, ontvangt daarvoor een door hen te bepalen vergoeding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10</span><span class=\"lf-art-t\">Vergoeding sneeuwruimen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar, die daadwerkelijk deelneemt aan sneeuwruimen, ontvangt gedurende de tijd, dat hij die werkzaamheden verricht, een door het college vast te stellen vergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de vergoeding, bedoeld in het eerste lid komen eveneens in aanmerking de door het college aangewezen (groepen van) ambtenaren gedurende de tijd dat zij onder moeilijke omstandigheden bij of als gevolg van sneeuwval hun werkzaamheden verrichten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11</span><span class=\"lf-art-t\">Inconveniëntentoelage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12</span><span class=\"lf-art-t\">Vergoeding telefoon- en communicatiekosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien het naar het oordeel van het college noodzakelijk is dat een ambtenaar, voor de uitoefening van de functie, permanent telefonisch bereikbaar is, kunnen zij hiervoor een voorziening treffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze voorziening kan bestaan uit: het ter beschikking stellen van een mobiele telefoon of een vaste tweede telefoon bij de werknemer thuis, waarbij in beide gevallen uitsluitend de zakelijke kosten door de werkgever worden gedragen; een vergoeding van de kosten van zakelijke gesprekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Privé-gebruik van de tweede telefoon is niet toegestaan In bijzondere – door het diensthoofd te bepalen - gevallen kunnen voor vergoeding in aanmerking komen: de eenmalige aanschafkosten voor een internet-inbelvoorziening (breedband). Vergoeding 100%; de maandelijkse abonnementskosten volgens het laagste tarief, tegen een vergoeding van 50%, rekening houdend met de actuele fiscale regels.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze regeling kan worden aangehaald als “Regeling Vergoedingen Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant” en treedt in werking op 1 januari 2010.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:8</span><span class=\"lf-art-t\">Buitendagvenstervergoeding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden en die door het college aangewezen is om arbeid te verrichten buiten het dagvenster als bedoeld in artikel 4:2, tweede lid, heeft recht op een buitendagvenstervergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">2De buitendagvenstervergoeding bedraagt:</p>\n<p class=\"lf-p\">50% van het uurloon van de ambtenaar over de gewerkte uren buiten het dagvenster tussen maandag 00:00 uur en vrijdag 24:00 uur;</p>\n<p class=\"lf-p\">75% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt op zaterdag;</p>\n<p class=\"lf-p\">100% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt op zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5, derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3De ambtenaar die een functie bekleedt waaraan een functieschaal 11 of hoger verbonden is heeft geen recht op een buitendagvenstervergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Arbeidsduur en werktijden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-1-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:1:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Werktijden beroepsbrandweerpersoneel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaren ingedeeld in de 24-uurs dienst bij de beroepsbrandweer verrichten hun arbeid in continudienst van 24 uur volgens een jaarlijks tevoren op te stellen rooster. Hierbij wordt rekening gehouden met een gemiddeld aantal diensturen per week van ten hoogste anderhalf maal het aantal werkuren genoemd in artikel 1:1:0:1 van deze regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de regeling van de dienst- en werktijden wordt in acht genomen dat de arbeid op zaterdag (naast het oefenen van 08.00 uur tot 12.00 uur) en zondag, alsmede op alle in of krachtens artikel 4:2:1 lid 3 daarmee gelijk te stellen dagen en op andere dagen tussen 18.00 uur en 08.00 uur beperkt blijft tot werkzaamheden noodzakelijk ter uitvoering van de repressieve taak van de brandweer alsmede tot die werkzaamheden welke naar het oordeel van de commandant noodzakelijk zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:1</span><span class=\"lf-art-t\">Arbeidsduur en werktijden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college stelt lokaal een werktijdenregeling vast met inachtneming van hetgeen in dit hoofdstuk bepaald is.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1 Standaardregeling voor de werktijden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:2</span><span class=\"lf-art-t\">Standaardregeling voor de werktijden</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:2</span><span class=\"lf-art-t\">Arbeidsduur en werktijden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1De ambtenaar verricht zijn werkzaamheden op tijden binnen het dagvenster.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Het dagvenster loopt van maandag tot en met vrijdag tussen 7:00 en 22:00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">3De ambtenaar en het college maken voorafgaand aan elk kalenderjaar afspraken over de werktijden, het verlof en de planning van de werkzaamheden van de ambtenaar, voor het komende jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Ten aanzien van de afspraken over werktijden geldt als uitgangspunt dat hierover overeenstemming bereikt wordt tussen de ambtenaar en het college; de werktijden binnen de normen van de arbeidstijdenwet blijven; de werktijd per dag ten hoogste 11 uren bedraagt en per week 50 uren, tenzij op verzoek van de ambtenaar daarvan wordt afgeweken.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Als gevolg van gewijzigde omstandigheden kunnen de afspraken over de werktijden aangepast worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">6De ambtenaar en het college overleggen tweemaal per jaar over de werktijden in relatie tot de planning van de werkzaamheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">7Blijkt tijdens dit periodieke gesprek over de werktijden dat het ongewijzigd voortzetten van de planning van de werkzaamheden leidt tot overschrijding van de arbeidsduur per jaar, dan worden de afspraken in overleg aangepast. Indien de ambtenaar en het college het erover eens zijn dat overschrijding van de arbeidsduur per jaar onvermijdelijk is dan wordt in overleg de omvang van de overschrijding vastgesteld, uitgedrukt in uren. De ambtenaar ontvangt voor elk teveel gewerkt uur een vergoeding ter hoogte van het uurloon of een uur vakantieverlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">8de ambtenaar verricht arbeid op werktijden buiten het dagvenster wanneer dat op grond van dienstbelang noodzakelijk is.. Voor de uren die de ambtenaar buiten het dagvenster werkt geldt een buitendagvenstervergoeding als bedoeld in artikel 3:8.</p>\n<p class=\"lf-p\">9Ten aanzien van het verrichten van arbeid buiten het dagvenster vanwege dienstbelang is het bepaalde in artikel 4:5 van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">10Wanneer de ambtenaar en het college er niet in slagen om de werktijden in overeenstemming vast te stellen, dan stelt het college wanneer het dienstbelang dit vergt eenzijdig de werktijden vast met afweging van alle betrokken belangen. In die situatie geldt ten aanzien van de werktijden van de ambtenaar de bijzondere regeling als bedoeld in paragraaf 2 van dit hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">11Het college kan de ambtenaar om redenen van dienstbelang incidenteel verzoeken om werkzaamheden te verrichten op werktijden die afwijken van de afspraken die hierover gemaakt zijn op grond van het derde lid. Wanneer de ambtenaar en het college hierover geen overeenstemming bereiken dan heeft de ambtenaar recht op een vergoeding voor de gewerkte uren ter hoogte van de buitendagvenstervergoeding, zoals omschreven in artikel 3:8, tweede lid, eerste aandachtstreepje. Artikel 3:8, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">12Het college en de OR evalueren jaarlijks de regels en afspraken over de werktijden in de organisatie. De OR heeft de bevoegdheid om verbetervoorstellen in te dienen, waarvan het college alleen gemotiveerd kan afwijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">13Als op 31 december 2013 op grond van een lokale regeling een ruimer dagvenster geldt dan het dagvenster genoemd in het tweede lid, dan blijft vanaf 1 januari 2014 dit ruimere dagvenster gelden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2 Bijzondere regeling voor de werktijden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:3</span><span class=\"lf-art-t\">Werkingssfeer</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:4</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling werktijden</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:5</span><span class=\"lf-art-t\">Werken op zon- en feestdagen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:6</span><span class=\"lf-art-t\">Werken op zon- en feestdagen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:7</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:3</span><span class=\"lf-art-t\">Werkingssfeer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar van wie de werktijd eenzijdig wordt vastgesteld door het college.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:4</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling werktijden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het college stelt de werktijden van de ambtenaar vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">2De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per week.</p>\n<p class=\"lf-p\">3Wanneer voor de ambtenaar wisselende werktijden gelden dan legt het college deze vast in een rooster.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Bij de vaststelling van de werktijden worden de volgende regels in acht genomen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De werktijden worden ten minste één maand voor aanvang bekend gemaakt aan de ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De werktijd van de ambtenaar wordt niet uitsluitend vastgesteld op een wijze waardoor een aanspraak op een ORT wordt ontweken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:5</span><span class=\"lf-art-t\">Werken op zon- en feestdagen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar verricht geen werkzaamheden op zaterdag en zondag, tenzij het dienstbelang dit noodzakelijk maakt. Een afwijking hiervan is slechts mogelijk voor ten hoogste 26 zondagen per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Bij de vaststelling van de werktijden van de ambtenaar wordt zoveel mogelijk gezorgd, dat de ambtenaar op zondag en de voor hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat hij in zijn zondagsrust zo weinig mogelijk wordt beperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, geldt mede voor het verrichten van arbeid op de nieuwjaarsdag, de tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen en de dag waarop de verjaardag van de koning wordt gevierd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, geldt, hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, ook voor kerkelijke of nationale, landelijke, regionale of plaatselijk erkende feest- of gedenkdagen die door het college zijn aangewezen als dagen, waarop de openbare dienst van de gemeente is gesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Het bepaalde in dit artikel vindt voor hem die tot een kerkgenootschap behoort dat de wekelijkse rustdag op de sabbat of de zevende dag viert, overeenkomstige toepassing indien hij een daartoe strekkend verzoek heeft ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:6</span><span class=\"lf-art-t\">Werken op zon- en feestdagen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien door de ambtenaar, bedoeld in artikel 3:3, arbeid op zaterdag of zondag wordt verricht, wordt hem voor elke zaterdag of zondag waarop hij arbeid heeft verricht een werkdag ter vrije beschikking toegekend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:7</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan ter uitvoering van de artikelen 4:1 tot en met 4:6 nadere regels stellen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3 Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:8</span><span class=\"lf-art-t\">Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:8</span><span class=\"lf-art-t\">Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De artikelen 4:1 tot en met 4:7 zijn niet van toepassing op de ambtenaar die bij de brandweer werkzaam is in een dienstrooster.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Het college stelt voor de ambtenaren genoemd in het eerste lid van dit artikel een werktijdenregeling vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">3Bij het vaststellen van het dienstrooster draagt het college er zorg voor dat de arbeidsduur per jaar niet wordt overschreden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige verlofspaarmogelijkheid</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:9</span><span class=\"lf-art-t\">Opgebouwde verloftegoed uit voormalige verlofspaarmogelijkheid</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:9</span><span class=\"lf-art-t\">Opgebouwde verloftegoed uit voormalige verlofspaarmogelijkheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: opgebouwde verloftegoed: het voor 1 april 2006 opgebouwde verlof in het kader van de voormalige verlofspaarmogelijkheid; kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed: het omzetten van het opgebouwde verloftegoed in een geldbedrag. Per verlofuur wordt een bedrag uitgekeerd ten hoogte van het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar 2Het opgebouwde verloftegoed wordt op verzoek van de ambtenaar door het college verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten. De ambtenaar geniet het verlof zoveel als mogelijk in een aaneengesloten periode.</p>\n<p class=\"lf-p\">3De ambtenaar kan verzoeken om kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed. Het college beslist of aan dit verzoek kan worden voldaan. Het verloftegoed kan enkel worden gekapitaliseerd wanneer de ambtenaar deelneemt aan de levensloopregeling en waneer het gekapitaliseerde verloftegoed wordt gestort op zijn levenslooprekening. Bij de kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed gelden de randvoorwaarden zoals opgenomen in de wettelijke bepalingen omtrent de levensloopregeling. Wanneer in een bepaald jaar het opgebouwde verloftegoed niet volledig kan worden gekapitaliseerd kan de ambtenaar in een volgend jaar opnieuw een verzoek indienen tot kapitalisatie van het resterende opgebouwde verloftegoed. Het college beslist dan of aan dit verzoek kan worden voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4In geval van ontslag op grond van artikel 8:1 wordt het resterende opgebouwde verloftegoed zoveel mogelijk opgenomen gedurende de opzegtermijn. In overeenstemming met de ambtenaar kan hiervoor de maximale opzegtermijn zonodig worden verlengd. Indien het voor de ambtenaar, in verband met het aanvaarden van een andere betrekking, niet mogelijk is om de opzegtermijn te verlengen, wordt het niet opgenomen resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">5In geval van ontslag op grond van artikel 8:3, 8:6, 8:7, 8:8, 8:10 of 8:11 wordt de ambtenaar in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan het ontslag het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen. Indien dit niet mogelijk is, wordt het niet opgenomen opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">6In geval van ontslag op grond van artikel 8:5a of 8:13 is de ambtenaar verplicht het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen met ingang van de dag dat het voornemen tot ontslag aan de ambtenaar is meegedeeld. Het ontslag gaat in op de eerste dag na afloop van de opname van het opgebouwde verloftegoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">7In geval van ontslag op grond van artikel 8:4 en 8:5 of 8:9 wordt het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald op grond van het tiende lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">8In het geval van overlijden van de ambtenaar wordt aan de nabestaanden, met inachtneming van het bepaalde van artikel 8:16:2, het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">9In geval het ontslag als bedoeld in de voorgaande leden een gedeeltelijk ontslag betreft, worden tussen de ambtenaar en het college nadere afspraken gemaakt over de opname van het resterende opgebouwde verloftegoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">10Indien het opgebouwde verloftegoed wordt uitbetaald, wordt dit uitbetaald naar het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-2-2-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:2:2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Variabele werktijden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel wordt verstaan onder: personeelslid: ieder, die in vaste dienst, in tijdelijke dienst of op arbeidsovereenkomst werkzaam is bij de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant; variabele werktijd: de werktijd, waarbij het personeelslid of groep van personeelsleden in meer of mindere mate zelf de begin- en eindtijd van zijn werkdag kan bepalen; zwevende werktijd : de werktijd, die per personeelslid of groep van personeelsleden per maand, per kwartaal of per half jaar wordt vastgesteld; per periode zijn de werktijden constant; flexibele werktijd: de werktijd, waarbij het personeelslid, onder bepaalde voorwaarden, zelf kan bepalen hoe laat hij/zij zijn/haar werktijd begint en beëindigt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor arbeidscontractanten met een contractueel verminderde werktijd is een keuze van een flexibele werktijd niet mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt gewerkt volgens het systeem van flexibele werktijden tenzij het college heeft vastgesteld dat voor bepaalde groepen van personeelsleden een ander systeem wordt gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een zwevende werktijd, welke voor een bepaalde periode wordt vastgesteld, zijn de keuzemogelijkheden:</p>\n<p class=\"lf-p\">8.00 - 12.00 en 12.45 - 16.45 uur 8.00 - 12.00 en 13.00 - 17.00 uur 8.00 - 12.00 en 13.15 - 17.15 uur 8.00 - 12.30 en 13.15 - 16.45 uur 8.00 - 12.30 en 13.15 - 17.15 uur 8.00 - 12.30 en 13.30 - 17.30 uur 8.00 - 12.30 en 13.45 - 17.45 uur Het bepalen van een flexibele werktijd geschiedt met inachtneming van het volgende: ochtendglijtijd : tussen 7.30 en 9.00 uur; stamtijden : van 9.00 - 12.00 en van 14.00 - 16.00 uur. Tijdens de stamuren dient ieder personeelslid aanwezig te zijn, behalve bij geoorloofde afwezigheid, zoals bij ziekte, verlof, studieverlof, dienstreis en dergelijke; lunchpauze : tussen 12.00 en 14.00 uur, minimaal 30 minuten; avondglijtijd : tussen 16.00 en 18.00 uur; fictieve tijd : als veronderstelde normale werktijd bij afwezigheidssituatie geldt: van 8.00 tot 12.00 uur en van 13.00 tot 17.00 uur; maximale werktijd : 9 uur per dag en één dag per week 10 uur per dag; maximale saldo : aan het einde van iedere week mag maximaal een urenoverschot of -tekort van 10 aanwezig zijn (= 120 eenheden). Dit saldo vormt het beginsaldo van de volgende werkweek. Indien een positief saldo aan het eind van de week hoger is dan het toegestane saldo, wordt het saldo teruggebracht op 120 eenheden. Overschrijdt een negatief saldo aan het einde van de week de 120 eenheden, dan worden op het saldo, voorzover nodig, hele uren ten laste van het verloftegoed van betrokkene in mindering gebracht; verrekening urensaldo : een positief saldo mag niet met de stamtijden worden verrekend. In beperkte mate mag een positief saldo wordenomgezet in verlof. Dit kan maximaal 4 maal 3,6 uur per jaar belopen, met dien verstande, dat niet meer dan 7,2 uur ineens wordt opgenomen, niet behorende tot het normale verlof. overwerk : overwerk, dat slechts door het college kan worden opgedragen, gaat eerst in nadat het voor betrokkene vastgelegde aantal uren per dag is gewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de registratie van de werktijden kan aan de medewerker de verplichting worden opgelegd om te klokken. Geklokt wordt uitsluitend: de aanvang van de werktijd; het begin en einde van de lunchpauze; het einde van de werktijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De normale voorschriften ten aanzien van melding van afwezigheid door dienstreis, verlof, ziekte, bezoek aan medici en dergelijke zijn van kracht. Afwezigheidsuren, waarbij het personeelslid invloed heeft op het vaststellen van het tijdstip, dienen bij voorkeur buiten de werktijd te worden gekozen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het diensthoofd is verantwoordelijk voor de juiste toepassing van deze regeling. In bijzondere gevallen kan het college, voorzover het dienstbelang zulks vordert, bepalen dat personeelsleden buiten de gestelde stamtijden aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4a Uitwisselen van arbeidsvoorwaarden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4a</span><span class=\"lf-art-t\">1 Vakantie-uren uitwisselen tegen geld</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid - te verminderen in ruil voor een vergoeding als bedoeld in het vijfde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal vakantie-uren –na vermindering op grond van het eerste lid – minimaal 144 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als minimum.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal te verminderen vakantie-uren op grond van het eerste lid maximaal 72 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen ontvangt de ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid verminderd vakantie-uur een vergoeding overeenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij de aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4a</span><span class=\"lf-art-t\">2 Geld uitwisselen tegen vakantie-uren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2 , eerste lid - te vermeerderen tegen inlevering van een vergoeding als bedoeld in het vierde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal op grond van het eerste lid te vermeerderen vakantie-uren maximaal 72 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen, wordt op het salaris van de ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid meer verkregen vakantie-uur een vergoeding ingehouden overeenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4a</span><span class=\"lf-art-t\">3 Inhouding op bezoldiging, eindejaarsuitkering, vakantietoelage of urenvergoeding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het college kan op verzoek van de ambtenaar zijn bezoldiging als bedoeld in artikel 3:1 , zijn eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:6 , zijn vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 of zijn vergoeding als bedoeld in artikel 4a:1 , vijfde lid, verlagen voor door het college vastgestelde bestedingsmogelijkheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Bij regeling van het college kunnen voor de uitvoering van het bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften worden gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span><span class=\"lf-art-t\">Bronnen Keuzemodel Arbeidsvoorwaarden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar heeft jaarlijks recht op een persoonsgebonden budget. De omvang van het budget wordt jaarlijks door het college vastgesteld en geldt voor ambtenaren die een formele arbeidsduur van 36 uur of meer hebben en het gehele jaar in dienst zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per 1 april 2012 bedraagt het bedrag van het persoonsgebonden budget € 666,--.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het persoonsgebonden budget wordt aangepast aan de gemiddelde percentuele salarisontwikkelingen zoals deze uit de CAO-onderhandelingen betreffende de CAR-UWO voortvloeien.</p>\n<p class=\"lf-p\">In situaties van financiële krapte kan in het Georganiseerd Overleg besloten worden voornoemde percentuele stijging van het persoonsgebonden budget voor één of meerdere jaren niet toe te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambtenaren met een deeltijdbetrekking hebben recht op een persoonsgebonden budget naar rato van de betrekkingsomvang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambtenaren die niet het volledige kalenderjaar in dienstverband werkzaam zijn, ontvangen een persoonsgebonden budget naar rato van het aantal volle kalendermaanden dat het dienstverband geduurd heeft in het betreffende kalenderjaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het budget wordt eenmaal per kalenderjaar in december uitbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar kan afzien van de bezoldiging zoals aangegeven in artikel 4a:3 lid 1 RAVMWB en van het persoonsgebonden budget zoals bedoeld in lid 1 tot en met 3 van dit artikel, in ruil voor de bestedingsdoelen zoals genoemd in artikel 2 van deze regeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">Keuzemogelijkheden keuzemodel arbeidsvoorwaarden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Extra verlofuren, op te nemen in hetzelfde kalenderjaar, zoals geregeld in artikel 4a:2 RAVMWB;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vergoeding van de kosten van een fiets ten behoeve van het woon-werkverkeer, conform de door het college vastgestelde Fietsregeling Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vergoeding voor de premie ABP Extra Pensioen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Deelname aan het Loyalis IP Aanvullingsplan (louter door inhouding premie op salaris, niet in combinatie met het persoonsgebonden budget);</p>\n<p class=\"lf-p\">Deelname aan de spaarloonregeling en conform de door het College vastgestelde Spaarloonregeling Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vergoeding voor vakbondscontributie;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vergoeding voor de kosten van woon-werkverkeer,conform de door het college vastgestelde regeling uitwisseling arbeidsvoorwaarden voor vergoeding woon-werkverkeer Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant;</p>\n<p class=\"lf-p\">Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling. Naast de in artikel 6a:6 RAVMWB genoemde ‘inkomstenbronnen’ kan het persoonsgebonden budget voor deze regeling worden ingezet;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vergoeding voor bedrijfsfitness (m.i.v. 2008);</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vergoeding voor fietsaccessoires.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vergoeding voor opleidingsdoeleinden. De studie of opleiding is gericht op het vervullen van een beroep in de toekomst of op het op peil houden van vakkennis.</p>\n<p class=\"lf-p\">De totale omvang van de vergoeding of de waarde van de verlofuren, die de ambtenaar kiest op grond van het eerste lid, is gelijk aan de totale omvang van het deel van arbeidsvoorwaarden waar de ambtenaar op grond van artikel 1, vijfde lid van deze regeling van afziet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar, die wil afzien van zijn persoonsgebonden budget zoals bedoeld in artikel 1, vijfde lid van deze regeling, dient hiertoe vóór 1 november voorafgaand aan het betreffende kalenderjaar een verzoek in. De ambtenaar die na 1 januari in dienst treedt, dient binnen twee maanden na indiensttreding een dergelijk verzoek in. Het verzoek van de ambtenaar wordt door de leidinggevende getoetst op de deelnamevoorwaarden die bij een aantal keuzemogelijkheden horen. Deze deelnamevoorwaarden zijn met name genoemd in de fietsregeling Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant, alsmede de in lid 6 genoemde uitvoeringsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na goedkeuring door de leidinggevende wordt de gemaakte keuze bevestigd in een schriftelijke tijdelijke aanpassing op de aanstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan nadere regels opstellen voor de uitvoering van het keuzemodel arbeidsvoorwaarden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze regeling kan worden aangehaald als “Regeling Keuzemodel Arbeidsvoorwaarden Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant” en treedt in werking op 1 januari 2010.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Seniorenmaatregelen Vervallen hoofdstuk</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 5 is vervallen.</h3>\n<p class=\"lf-p\">5a FPU Gemeenten en nieuwe seniorenmaatregelen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1 FPU Gemeenten</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">1 Recht op uitkering</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">2 Berekingsgrondslag</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">3 Hoogte van de Aanvulling werkgever</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">4 Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vanaf 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">4a Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die in de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">4b Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vóór 1 januari 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">5 Einde van het recht op een Aanvulling werkgever</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">6 Pensioenopbouw</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">7 Lokaal beleid</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">8 Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">1 Recht op uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die: ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:11 en geen gebruik maakt of heeft gemaakt van een of meer van de in hoofdstuk 5 genoemde regelingen en geen betrekking heeft vervuld die door de gemeente is aangewezen als bezwarende functie en waarvoor afwijkende regels zijn gesteld, heeft in het kader van de FPU Gemeenten recht op een Aanvulling werkgever.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">2 Berekeningsgrondslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 In dit hoofdstuk wordt onder berekeningsgrondslag verstaan: de pensioengrondslag zoals die is vastgesteld in januari in het jaar voorafgaand aan het moment van gebruikmaking van de aanvulling van de werkgever, met dien verstande dat indien de ambtenaar direct voorafgaande aan het ontstaan van het recht op een Aanvulling werkgever meer dan een betrekking vervult, voor de vaststelling van de berekeningsgrondslag wordt uitgegaan van het inkomen uit de betrekking waaruit het recht op een Aanvulling werkgever ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de ambtenaar die een deeltijdbetrekking vervult, wordt als berekeningsgrondslag de in het eerste lid genoemde berekeningsgrondslag gehanteerd, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor zoals genoemd in artikel 1.2, tweede lid van het pensioenreglement, direct voorafgaande aan het ontstaan van het recht op een Aanvulling werkgever.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">3 Hoogte van de Aanvulling werkgever</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De Aanvulling werkgever bedraagt een percentage van de berekeningsgrondslag, dat eenmalig wordt vastgesteld op het moment dat hij voor het eerst gebruikmaakt van de FPU Gemeenten aan de hand van de leeftijd van de ambtenaar op 31 december 2005 en bedraagt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Leeftijd ambtenaar op 31 december 2005 Aanvulling werkgever als percentage van berekeningsgrondslag bij uittreden op spilleeftijd 56 6,9 57 8,0 58 9,4 59 11,3 60 14 61 of ouder 16 2 De hoogte van de aanvulling werkgever wordt actuarieel neutraal herrekend indien de ambtenaar uittreedt op een eerder of later moment dan de voor hem geldende spilleeftijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3De in het tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar geboren vóór of op 1 april 1947: 61 jaar en twee maanden; na 1 april 1947: 62 jaar en drie maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover dit leidt tot een vroegere spilleeftijd dan genoemd onder a, is de in het tweede lid genoemde spilleeftijd voor de ambtenaar die onder de FPU maatregel 42, 43, 44 FPU-jaren valt, het moment waarop hij het aantal dienstjaren van 42 jaar en twee maanden, respectievelijk 43 jaar en twee maanden, respectievelijk 44 jaar en twee maanden bereikt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">4 Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vanaf 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Voor medewerkers die vanaf 1 juli 2006 op of na de spilleeftijd gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 100% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid. Als de Aanvulling werkgever niet of niet volledig tot uitkering komt wordt dat gedeelte van de Aanvulling werkgever doorgeschoven naar het ouderdoms- en nabestaandenpensioen vanaf 65 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor werknemers die vanaf 1 juli 2006 vóór de spilleeftijd gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 90% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3de in het tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar geboren: vóór of op 1 april 1947: 61 jaar en twee maanden; na 1 april 1947: 62 jaar en drie maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover dit leidt tot een vroegere spilleeftijd dan genoemd onder a, is de in het tweede lid genoemde spilleeftijd voor de ambtenaar die onder de FPU maatregel 42, 43, 44 FPU-jaren valt, het moment waarop hij het aantal dienstjaren van 42 jaar en twee maanden, respectievelijk 43 jaar en twee maanden, respectievelijk 44 jaar en twee maanden bereikt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">4a Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die in de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Voor werknemers die vanaf 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 op of na de spilleeftijd van de FPU Gemeenten gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 100% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid. Als de Aanvulling werkgever niet of niet volledig tot uitkering komt wordt dat gedeelte van de Aanvulling werkgever doorgeschoven naar het ouderdoms- en nabestaandenpensioen vanaf 65 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor werknemers die vanaf 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 vóór de spilleeftijd van de FPU Gemeenten gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 90% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De in het eerste en tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar geboren: vóór of op 1 april 1947: 60 jaar na 1 april 1947: 61 jaar</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">4b Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vóór 1 januari 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Onder het totaalinkomen van de ambtenaar wordt verstaan de som van: de FPU-uitkering; de Aanvulling werkgever; en, in het geval dat een deeltijdbetrekking resteert na het ontslag op grond van artikel 8:11; de berekeningsgrondslag zoals genoemd in artikel 5a:2, eerste lid, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor die ontstaat op het moment dat ontslag is verleend op grond van artikel 8:11; de andere inkomsten uit of in verband met de resterende deeltijdbetrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De Aanvulling werkgever wordt slechts uitgekeerd voor zover het totaalinkomen van de ambtenaar niet meer bedraagt dan 90% van de berekeningsgrondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De beoordeling of het totaalinkomen boven 90% van de berekeningsgrondslag uitkomt, vindt plaats bij elk ontslag op grond van artikel 8:11.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Bij de in het eerste lid, onder a, bedoelde FPU-uitkering blijft buiten beschouwing dat gedeelte van de uitkering krachtens de FPU-regeling dat gebaseerd is op een individuele opbouw zoals geregeld in het pensioenreglement.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Indien de in het eerste lid, onder a, bedoelde FPU-uitkering is verminderd krachtens artikel 9 of 10 van het Reglement flexibel pensioen en uittreden (FPU) ter zake van basisuitkering en aanvullende uitkering, respectievelijk in verband met samenloop met inkomsten uit arbeid of bedrijf, of in verband met samenloop met uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid, wordt voor de toepassing van dit artikel uitgegaan van de onverminderde FPU-uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">5 Einde van het recht op een Aanvulling werkgever</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het recht op een Aanvulling werkgever eindigt bij een ontslag anders dan op grond van artikel 8:11 dan wel wanneer niet langer recht bestaat op een uitkering krachtens de FPU-regeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">6 Pensioenopbouw</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De werkgever betaalt aan de ambtenaar die gebruikmaakt van de FPU Gemeenten een vergoeding pensioenpremie die overeenkomt met de werkgeversbijdrage in de doorsneepremie die vereist is voor 20% pensioenopbouw gedurende de periode dat gebruik wordt gemaakt van de regeling. De in de eerste volzin genoemde pensioenopbouw heeft betrekking op dat deel van de dienstbetrekking waarvoor ontslag is verleend op grond van artikel 8:11.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">7 Lokaal beleid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan een nadere regeling treffen op grond waarvan het gebruik van de FPU Gemeenten kan worden beïnvloed. Deze nadere regeling laat de aanspraken van de ambtenaar op de FPU Gemeenten onverlet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">8 Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2 Pensioenopbouw bij afloop loopbaan</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">9 Pensioenopbouw bij afloop loopbaan</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">9 Pensioenopbouw bij afloop loopbaan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar op grond van artikel 3:1, zevende lid, bij dezelfde of een andere werkgever in de gemeentelijke sector, een andere functie met een gelijke formele arbeidsduur accepteert, blijft de pensioenopbouw gebaseerd op de oude inschaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Vakantie, vakantietoelage en (zwangerschaps- en bevallings)verlof</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:1</span><span class=\"lf-art-t\">Recht op vakantie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In elk kalenderjaar heeft de ambtenaar recht op vakantie met behoud van bezoldiging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Vakantieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De vakantie, waarop de ambtenaar recht heeft ingevolge artikel 6:1, wordt verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 6:2:4, eerste lid, dan wel toepassing wordt gegeven aan artikel 6:2:6.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De vakantie wordt verleend door het college.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2</span><span class=\"lf-art-t\">Duur vakantie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De duur van de vakantie van de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt ten minste 158,4 uren per kalenderjaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kan de ambtenaar verzoeken in het daaropvolgende kalenderjaar de arbeidsduur per jaar te mogen overschrijden met - bij een volledige betrekking - een maximum van 50,4 uren en deze uren om te zetten in vakantie als bedoeld in het eerste lid. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 36 uren per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het college wijst een verzoek als bedoeld in het vorige lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar, die is ingeschaald gelijk aan of hoger dan het maximum van schaal 9 van Bijlage II of IIa heeft recht op 165,6 verlofuren per kalenderjaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De duur van de vakantie van een ambtenaar, die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week, wordt naar evenredigheid verminderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aan de ambtenaar volgens de in het eerste lid bedoelde algemene regels toekomende vakantie wordt vermeerderd met 14,4 uren ten aanzien van degene, bedoeld in de artikelen 3:3 en 3:3:2, indien regelmatig en in belangrijke mate op onregelmatige uren wordt gewerkt, respectievelijk indien de in artikel 3:3:2 genoemde verplichting regelmatig en in belangrijke mate op de ambtenaar rust.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het gestelde in artikel 6:2 wordt, met ingang van de dag waarop de seniorenarbeidsduur van de ambtenaar op grond van artikel 5:1 of 5:3 wordt teruggebracht, de duur van de vakantie naar evenredigheid verminderd en vervalt het recht op vermeerdering van vakantie als bedoeld in artikel 6:2:1:1, eerste tot en met vierde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het recht op vermeerdering van de vakantie als bedoeld in artikel 6:2:1:1 eerste tot en met vierde lid, vervalt met ingang van de dag waarop de ambtenaar gebruikmaakt van de FPU Gemeenten als omschreven in hoofdstuk 5a.</p>\n<p class=\"lf-p\">In gevallen waarin dit artikel niet voorziet, stelt het college bijzondere regels vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de ambtenaar, die vóór 1 januari 1997 in dienst was, en die de leeftijd van 30 jaar heeft bereikt, wordt de duur van de hem volgens artikel 6:2 respectievelijk 6:2:1 eerste lid toekomende vakantie vermeerderd met 7,2 uur; vervolgens bij het bereiken van de leeftijd van 40 jaar wederom met 7,2 uur en zo verder bij elke vijf jaar ouder telkens opnieuw met 7,2 uur, totdat bij het bereiken van de leeftijd van 60 jaar de hem volgens artikel 6:2 respectievelijk 6:2:1, eerste lid, toekomende vakantie vermeerderd wordt met 43,2 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de ambtenaar, die op of na 1 januari 1997 in dienst treedt, en die de leeftijd van 45 jaar heeft bereikt, wordt de duur van de hem volgens artikel 6:2 respectievelijk 6:2:1 eerste lid toekomende vakantie vermeerderd met 7,2 uur; vervolgens bij elke vijf jaar ouder telkens opnieuw met 7,2 uur, totdat bij het bereiken van de leeftijd van 60 jaar de hem volgens artikel 6:2 respectievelijk 6:2:1, eerste lid, toekomende vakantie vermeerderd wordt met 28,8 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de ambtenaar die vóór 1 januari 1997 in dienst was, en met een leeftijd van 18 jaar en jonger wordt de jaarlijkse vakantie verhoogd met 21,6 uren. In het kalenderjaar waarin de leeftijd van 19 jaar respectievelijk 20 jaar wordt bereikt, wordt de jaarlijkse vakantie verhoogd met 14,4 respectievelijk 7,2 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de ambtenaar die op of na 1 januari 1997 in dienst treedt en met een leeftijd van 18 jaar en jonger, wordt de jaarlijkse vakantie verhoogd met 7,2 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als maatstaf voor de berekening van het aantal vakantie-uren, waarop de ambtenaar in enig kalenderjaar aanspraak kan maken, geldt het schaalbedrag welke de ambtenaar op 1 januari geniet, of ingeval van indiensttreding in de loop van het kalenderjaar, de bezoldiging op het tijdstip van indiensttreding.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verhoging van het aantal vakantie-uren op grond van het bepaalde in artikel 6:2:1, lid 3 en artikel 6:2:1:1 lid 1 tot en met 4, gaat in op de eerste dag van het kalenderjaar waarin het hier bedoelde geval aanwezig is, respectievelijk de ambtenaar de daar bedoelde leeftijd heeft bereikt onderscheidenlijk op het tijdstip van indiensttreding.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar, die is ingeschaald gelijk aan of hoger dan het maximum van schaal 9 van Bijlage II of IIa heeft recht op 165,6 verlofuren per kalenderjaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-1-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:1:2</span><span class=\"lf-art-t\">Vakantieverlof brandweerpersoneel in 24-uurs dienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de berekening en opneming van vakantieverlof voor het beroepsbrandweerpersoneel dat is aangesteld in de 24-uurs dienst wordt het toe te kennen basisverlof inclusief het extra verlof (zoals leeftijdsverlof), waarop de betreffende ambtenaar recht heeft op grond van dit hoofdstuk, vermenigvuldigd met de factor 1,33.</p>\n<p class=\"lf-p\">De factor zoals genoemd in lid 1 wordt bepaald door het aantal aanwezigheidsuren per week te delen door het aantal contracturen van het full-time dienstverband van de 24-uursdienst medewerker.</p>\n<p class=\"lf-p\">De factor zoals genoemd in lid 1 wijzigt op het moment dat een of beide variabelen verandering ondergaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:2</span><span class=\"lf-art-t\">Aaneengesloten periode</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De vakantie kan worden opgesplitst, maar wordt als regel voor ten minste 2/3 deel, doch in elk geval voor ten minste tien werkdagen, aaneensluitend verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De vakantie wordt desverlangd zoveel mogelijk, in het bijzonder voor wat betreft de aaneengesloten periode, bedoeld in het eerste lid, verleend in het tijdvak van 1 mei tot 1 oktober. De ambtenaar wordt in de gelegenheid gesteld vakantie op te nemen op officiële feestdagen, samenhangend met geloof en/of culturele achtergrond anders dan de feestdagen genoemd in artikel 4:5 lid 3, bij het huwelijk of geregistreerd partnerschap van bloed- en aanverwanten in eerste en tweede graad en bij verhuizing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De beslissing omtrent de tijdstippen waarop de vakantie zal worden verleend, alsmede die omtrent de tijdvakken waarin de vakantie eventueel zal worden gesplitst, berust bij het bestuursorgaan dat de vakantie verleent. Bij die beslissing wordt, voor zover de belangen van de dienst en die van de andere ambtenaren die toelaten, zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van de ambtenaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:3</span><span class=\"lf-art-t\">Vakantieopbouw tijdens ziekte, arbeidsongeschiktheid en andere redenen van afwezigheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld of wordt ontslagen heeft recht op een duur van de vakantie naar rato van de tijd dat hij zijn betrekking vervult.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Voor de ambtenaar die door oorzaken anders dan die bedoeld in het eerste lid, niet gedurende het volle kalenderjaar zijn betrekking vervult, wordt de duur van de vakantie, zo mogelijk van het lopende en overigens van een volgend kalenderjaar, naar evenredigheid verminderd, behoudens het bepaalde in het derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Onverminderd het bepaalde in artikel 6:1:1, eerste lid, wordt een vermindering, bedoeld in het tweede lid, niet toegepast: gedurende de laatste 6 maanden van de periode van afwezigheid, wegens zwangerschap en bevalling of niet aan schuld of nalatigheid te wijten ziekte van de ambtenaar, voorafgaand aan het herstel of het ontslag van de ambtenaar; in geval van verblijf in militaire dienst, anders dan voor eerste oefening; indien en voor zolang de ambtenaar voor ten hoogste 55% van de voor hem vastgestelde werktijd wegens niet aan zijn schuld of nalatigheid te wijten ziekte verhinderd is zijn betrekking te vervullen. Deze verhindering wordt voor het bepalen van de in dit lid onder a bedoelde periode van zes maanden buiten beschouwing gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een opnieuw ingetreden verhindering tot het vervullen van de betrekking wegens ziekte wordt voor het bepalen van de in dit lid onder a bedoelde periode van zes maanden als een voortzetting van de vorige verhindering beschouwd, tenzij die verhindering zich voordoet nadat tenminste vier weken zijn verstreken sedert de ambtenaar zijn betrekking volledig heeft hervat.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Indien aan de ambtenaar op zijn verzoek vakantie wordt verleend op werkdagen, waarop hij wegens ziekte slechts gedurende een gedeelte daarvan zijn arbeid kan verrichten, wordt het aantal vakantie-uren van de ambtenaar verminderd met het aantal uren waarmee het aantal vakantie-uren verminderd zou worden ingeval de ambtenaar niet gedeeltelijk wegens ziekte verhinderd zou zijn geweest, tenzij het bevoegde bestuursorgaan dat de vakantie verleent in naar zijn oordeel daarvoor in aanmerking komende gevallen anders beslist.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Voor vakantie-uren waarop de ambtenaar aanspraak heeft, maar die met ingang van de dag van ontslag nog niet zijn verleend wordt een vergoeding gegeven. Deze vergoeding is gelijk aan het uurloon van de ambtenaar voor elk niet verleend vakantie-uur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:4</span><span class=\"lf-art-t\">Niet genoten vakantie wegens dienstbelang</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Is aan de ambtenaar om redenen van dienstbelang in enig kalenderjaar de vakantie niet of niet geheel verleend, dan wordt hem die nog niet genoten vakantie zoveel mogelijk in het eerstvolgende, doch uiterlijk voor het einde van het tweede volgende kalenderjaar verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien het belang van de dienst het onvermijdelijk maakt, dat de vakantie of het aaneengesloten gedeelte daarvan wordt genoten buiten het in artikel 6:2:2, tweede lid, genoemde tijdvak, kan door het college de duur van de vakantie of het aaneengesloten deel daarvan met 1/3 worden verlengd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:5</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Verleende vakantie kan worden ingetrokken, wanneer dringende redenen van dienstbelang zulks noodzakelijk maken. Indien ten gevolge daarvan de ambtenaar op een bepaalde werkdag slechts gedeeltelijk vakantie genoot, worden de genoten vakantie-uren van die werkdag niet in aanmerking genomen bij de berekening van het aantal genoten vakantie-uren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien de ambtenaar ten gevolge van de intrekking van de vakantie geldelijke schade lijdt, wordt deze schade hem vergoed.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:6</span><span class=\"lf-art-t\">Niet verleende vakantie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Indien in enig kalenderjaar de vakantie geheel of gedeeltelijk niet is verleend: op verzoek van de ambtenaar; als gevolg van afwezigheid wegens ziekte die niet aan de schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten; of als gevolg van verblijf in militaire dienst anders dan voor eerste oefening, wordt de niet genoten vakantie in een volgend kalenderjaar verleend, tenzij het belang van de dienst of de belangen van de andere ambtenaren zich daartegen verzetten. Een verzoek als bedoeld onder a kan achterwege blijven, indien de niet genoten vakantie minder is dan een nader door het college te bepalen aantal uren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De wegens ziekte tijdens een vakantie niet genoten vakantie-uren worden als niet verleend beschouwd, indien de ambtenaar aannemelijk kan maken dat hij, ware hem geen vakantie verleend, op die uren verhinderd zou zijn geweest zijn betrekking te vervullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt met dien verstande, dat de ambtenaar in enig kalenderjaar nimmer meer vakantie-uren kan opnemen dan anderhalf maal het hem bij of krachtens artikel 6:2:1 toekomende aantal uren tenzij op een desbetreffend verzoek van de ambtenaar uitdrukkelijk anders is beslist.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:7</span><span class=\"lf-art-t\">Derving voordelen uit betrekking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ambtenaar die tijdens zijn vakantie bepaalde voordelen welke aan zijn betrekking zijn verbonden derft, kan deswege een vergoeding worden toegekend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:3</span><span class=\"lf-art-t\">Aanspraak vakantietoelage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar heeft aanspraak op een vakantietoelage voor elke maand waarover hij als zodanig bezoldiging heeft genoten. Indien een ambtenaar in de loop van een maand zijn betrekking gaat vervullen dan wel wordt ontslagen, ontvangt hij een evenredig deel van de vakantietoelage over die maand.</p>\n<p class=\"lf-p\">2De vakantietoelage bedraagt per kalendermaand 8% van de voor de ambtenaar in die maand geldende bezoldiging, met dien verstande dat aan de ambtenaar ten minste het bedrag wordt uitbetaald dat gelijk is aan de voor ambtenaren vastgestelde minimum vakantietoelage, welk bedrag bij het vervullen van een onvolledige betrekking naar evenredigheid wordt verminderd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-3-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:3:1</span><span class=\"lf-art-t\">Uitbetaling vakantietoelage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De vakantietoelage, bedoeld in artikel 6:3, wordt eenmaal per kalenderjaar uitbetaald over de periode van 12 maanden, beginnende met de maand juni van het voorafgaande kalenderjaar. In afwijking van het bepaalde in de vorige zin vindt uitbetaling ook plaats bij ontslag van de ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Artikel 6:3, alsmede het eerste lid van dit artikel zijn niet van toepassing op de ambtenaar, die in werkelijke dienst is of te werk is gesteld in de zin van artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst;</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ambtenaar die ingevolge wettelijke verplichting anders dan voor herhalingsoefeningen als militair in werkelijke dienst is, of te werk is gesteld in de zin van artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst en die vervangende dienst gedurende negen maanden heeft vervuld, wordt een bedrag uitgekeerd, dat gelijk is aan het verschil tussen het bedrag, dat hij als vakantie-uitkering uit hoofde van zijn militaire dienst of tewerkstelling in de zin van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst ontvangt en het bedrag aan vakantietoelage - mits dit hoger is - dat hij zou hebben ontvangen indien de voorgaande leden op hem van toepassing zouden zijn en de toelage zou zijn berekend op basis van de volle aan zijn betrekking verbonden bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Bij de toepassing van dit artikel wordt in acht genomen dat de tijd gedurende welke bij wijze van disciplinaire straf of uit hoofde van schorsing een gedeelte van de bezoldiging wordt ingehouden buiten beschouwing wordt gelaten, indien en voorzover dat bij de strafoplegging of schorsing is bepaald. Artikel 8:15:2, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Met betrekking tot de uitvoering van dit artikel kan het college nadere regels stellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4</span><span class=\"lf-art-t\">Buitengewoon verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op calamiteiten- en ander kort verzuimverlof of kraamverlof heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke andere gevallen aan de ambtenaar door het college buitengewoon verlof met behoud van de bezoldiging kan worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke gevallen het college buitengewoon verlof kan verlenen aan de ambtenaar die lid is van een op grond van artikel 12:1, derde lid, toegelaten organisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 In de situatie dat er tijdens de non-activiteit elders pensioen wordt opgebouwd, is het verhaal van de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis-en aanvullende uitkering gelijk aan de bijdrage die voor de ambtenaar is verschuldigd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:1</span><span class=\"lf-art-t\">Buitengewoon verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het college verleent aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging op de dag dat het huwelijk of geregistreerd partnerschap van de ambtenaar wordt voltrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De ambtenaar meldt tenminste twee weken tevoren aan het college wanneer het huwelijk of het registeren van het partnerschap zal plaatsvinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-1a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:1a</span><span class=\"lf-art-t\">Langdurend zorgverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op langdurend zorgverlof heeft over de uren dat hij dit verlof geniet aanspraak op doorbetaling van 50% van zijn bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien de ambtenaar gedurende het langdurend zorgverlof wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen vindt geen opschorting van het langdurend zorgverlof plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet en langer dan 7 kalenderdagen wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen heeft met ingang van de achtste kalenderdag aanspraak op zijn volledige bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De duur van de vakantie van de ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het langdurend zorgverlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen, wordt met ingang van de achtste kalenderdag de vermindering van de duur van de vakantie beëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet vindt plaats op basis van de bezoldiging genoemd in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen, vindt met ingang van de achtste kalenderdag de opbouw van de vakantietoelage weer plaats op basis van de volledige bezoldiging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:2</span><span class=\"lf-art-t\">Vakbondsverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1Voor de toepassing van dit artikel worden verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Centrales van overheidspersoneel: de Algemene Centrale van overheidspersoneel (ACOP); de Christelijke Centrale van overheids- en onderwijs Personeel (CCOOP); de Centrale van middelbare en hogere functionarissen bij overheid, onderwijs, bedrijven en instellingen (CMHF).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verenigingen van ambtenaren: de verenigingen van ambtenaren welke zijn aangesloten bij de onder a genoemde centrales van overheidspersoneel.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt door het college buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend aan de ambtenaar: voor het bijwonen van algemene vergaderingen van verenigingen van ambtenaren of, voor zover het algemene verenigingen betreft welke ook andere groepen van ambtenaren dan gemeentepersoneel organiseren, voor het bijwonen van algemene vergaderingen van een landelijke groep van gemeentepersoneel indien de ambtenaar lid van het hoofdbestuur, bestuurslid ener landelijke groep of afgevaardigde van een afdeling is, met dien verstande dat van elke afdeling voor iedere vijftig leden of gedeelte daarvan aan ten hoogste twee afgevaardigden tot een maximum van tien afgevaardigden, verlof wordt verleend; voor het bijwonen van hoofdbestuursvergaderingen indien hij lid is van het hoofdbestuur van bondsraad- of bestuursraadvergaderingen indien hij lid is van de bonds- of bestuursraad, en van groepsraadvergaderingen indien hij lid is van een landelijke groepsraad; voor het bijwonen van één algemene vergadering van de centrale organisatie waarbij de vereniging van de ambtenaar is aangesloten, indien hij als vertegenwoordiger van zijn vereniging aan die vergadering deelneemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt door het college aan de ambtenaar met een volledige betrekking buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend: om, indien hij daartoe door een centrale van overheidspersoneel als bedoeld in het eerste lid, onder a of door een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen, bestuurlijke en/of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen die centrale of die daarbij aangesloten vereniging, onderscheidenlijk binnen het gemeentelijk apparaat, welke ertoe strekken de doelstellingen van deze centrale van overheidspersoneel en/of de daarbij aangesloten vereniging te ondersteunen, alles tezamen voor ten hoogste 216 uren per kalenderjaar; voor het - op uitnodiging van een vereniging van ambtenaren - als cursist deelnemen aan een cursus welke door of ten behoeve van de leden van die vereniging van ambtenaren wordt gegeven, alles tezamen voor ten hoogste 43,2 uren per twee kalenderjaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Van het buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur wordt het aantal uren genoemd in het derde lid onder a en b, naar evenredigheid verminderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, kan voor de ambtenaar met een volledige betrekking niet meer bedragen dan ten hoogste 244,8 uren per kalenderjaar, echter met dien verstande dat ten hoogste 316,8 uren verlof kan worden verleend aan de ambtenaar die: lid is van het hoofdbestuur van een centrale van overheidspersoneel, genoemd in het eerste lid onder a, nr. 1 of 2 en/of van een vereniging van ambtenaren die rechtstreeks bij die centrale is aangesloten; lid is van het centrale bestuur van de centrale genoemd in het eerste lid onder a, nr. 3 en/of bestuurslid is van een sector of sectie van de centrale. Het buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur wordt het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, naar evenredigheid verminderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Verlof, bedoeld in de vorige leden, kan slechts worden verleend aan de ambtenaar die lid is van een vereniging van ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onder b.</p>\n<p class=\"lf-p\">7Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als lid van de commissie, bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend voor het bijwonen van de vergadering van die commissie, alsmede voor een voorvergadering per uitgeschreven commissievergadering. Hetgeen ten aanzien van de voorvergadering is bepaald, geldt eveneens voor de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als plaatsvervangend lid van de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">8Het college kan omtrent het bepaalde in dit artikel nadere regels stellen, waarbij het te verlenen verlof, bedoeld in het tweede, derde en vijfde lid, op een lager aantal uren kan worden gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-2a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:2a</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:3</span><span class=\"lf-art-t\">Kortdurend zorgverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar met een volledige betrekking kan voor maximaal 72 uur per kalenderjaar aanspraak maken op kortdurend zorgverlof op grond van de Waz.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het maximum van 72 uur, als genoemd in het eerste lid, wordt voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele betrekkingsomvang van minder dan 36 uur per week naar evenredigheid verminderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het verlof komt voor de helft voor de rekening van de werkgever en voor de helft voor de rekening van de ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het college bepaalt in overleg met de ambtenaar nader de wijze waarop de verrekening van het verlof met hem plaatsvindt. Verrekening met de vakantie bedoeld in artikel 6:2 is mogelijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:4</span><span class=\"lf-art-t\">Non-activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Bij non-activiteit, bedoeld in artikel 125c, eerste lid, van de Ambtenarenwet bestaat geen recht op doorbetaling van de bezoldiging en vakantietoelage.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien de ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming of verkiezing, bedoeld in artikel 125c, tweede lid, Ambtenarenwet, aanspraak heeft op een vaste vergoeding - niet zijnde een onkostenvergoeding - wordt op zijn bezoldiging over de tijd dat hij het op grond van dat artikellid verleende verlof geniet een inhouding toegepast. Deze inhouding gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als vergoeding voor de met het verlof overeenkomende tijd niet te boven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het college kan ter uitvoering van de vorige leden nadere regels vaststellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:5</span><span class=\"lf-art-t\">Overige redenen buitengewoon verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan aan een ambtenaar op diens verzoek, met behoud van het genot van de gehele of gedeeltelijke bezoldiging en al dan niet onder bepaalde nadere voorwaarden, verlof verlenen om andere redenen dan die welke zijn genoemd in artikel 6:4 tot en met artikel 6:4:4. Het verlof wordt verleend voor maximaal één jaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-5a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:5a</span><span class=\"lf-art-t\">Overige redenen buitengewoon verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het college kan aan de ambtenaar die benoemd is tot bezoldigd bestuurder van een vereniging van ambtenaren op diens verzoek onbetaald verlof verlenen voor de duur van de vervulling van de functie voor ten hoogste twee jaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten hoogste drie maanden is verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:6</span><span class=\"lf-art-t\">Buitengewoon verlof is geen vakantie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het buitengewoon verlof dat volledig doorbetaald wordt, wordt niet in mindering gebracht op de vakantie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5</span><span class=\"lf-art-t\">Ouderschapsverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op ouderschapsverlof, heeft, voor zover lokaal een regeling betaald ouderschapsverlof is of wordt vastgesteld, over de uren dat hij dit verlof geniet, maar ten hoogste over 13 maal de formele arbeidsduur per week, aanspraak op doorbetaling van een percentage van zijn bezoldiging minus het daaraan gekoppelde maximale uurbedrag van de fiscale tegemoetkoming van de Belastingdienst waarop de ambtenaar aanspraak kan maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het percentage bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de ambtenaar die wordt bezoldigd volgens: a schaal 1:</p>\n<p class=\"lf-p\">90%; b schaal 2:</p>\n<p class=\"lf-p\">85%; c schaal 3:</p>\n<p class=\"lf-p\">80%; d schaal 4:</p>\n<p class=\"lf-p\">70%; e schaal 5:</p>\n<p class=\"lf-p\">60%; f schaal 6 en hoger:</p>\n<p class=\"lf-p\">50%.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het is niet toegestaan dat de ambtenaar gedurende de uren dat het betaald ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid verricht. Het college kan hieromtrent nadere regels stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Op de ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op ouderschapsverlof is artikel 6:9 niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5:1</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwaarden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar meldt het voornemen om ouderschapsverlof op te nemen ten minste drie maanden voor de door hem gewenste ingangsdatum door middel van het daarvoor vastgestelde aanvraagformulier.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5:2</span><span class=\"lf-art-t\">Meerlingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Bij twee- of meerlingen bestaat slechts voor één kind aanspraak op betaald ouderschapsverlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De bepalingen uit artikel 6:5:1, 6:5:3, 6:5:4 en 6:5:7 zijn van overeenkomstige toepassing indien er, voor het tweede en de meerdere kinderen van een twee- of meerling, gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid onbetaald ouderschapsverlof te genieten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5:3</span><span class=\"lf-art-t\">Ziekte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Indien de ambtenaar gedurende het ouderschapsverlof wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen vindt geen opschorting van het ouderschapsverlof plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De ambtenaar die ouderschapsverlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen heeft met ingang van de vijftiende kalenderdag aanspraak op zijn volledige bezoldiging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5:4</span><span class=\"lf-art-t\">Opbouw vakantie en vakantie-toelage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De duur van de vakantie van de ambtenaar die ouderschapsverlof geniet, wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het ouderschapsverlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 14 kalenderdagen, wordt met ingang van de vijftiende kalenderdag de vermindering van de duur van de vakantie beëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die ouderschapsverlof geniet vindt plaats op basis van de bezoldiging, die tijdens dit ouderschapsverlof wordt uitbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 14 kalenderdagen, vindt met ingang van de vijftiende kalenderdag de opbouw van de vakantietoelage weer plaats op basis van de volledige bezoldiging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5:5</span><span class=\"lf-art-t\">Terugbetaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen zes maanden daarna ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:1, eerste lid, of artikel 8:13, is verplicht de bezoldiging, die hij op grond van artikel 6:5 heeft genoten, terug te betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Geen terugbetalingsverplichting ontstaat indien het ontslag als bedoeld in artikel 8:1, eerste lid: het gevolg is van het aanvaarden van een betrekking bij een andere gemeente; en evenmin indien de betrokkene aanspraak heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, vanwege werkloosheid, die is ontstaan doordat de ambtenaar ontslag heeft gevraagd omdat hij de echtgenoot of geregistreerde partner volgt, die door geheel buiten hem liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet wijzigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen drie maanden daarna op eigen verzoek een betrekking aanvaardt voor minder uren dan hij direct voorafgaande aan het ouderschapsverlof vervulde, is verplicht de bezoldiging, die hij op grond van artikel 6:5 heeft genoten over de uren waarmee zijn aanstelling wordt verminderd, terug te betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De ambtenaar die van het betaald ouderschapsverlof gebruik maakt, dient zich tevoren schriftelijk akkoord te verklaren met het in het eerste en derde lid bepaalde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5:6</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5:7</span><span class=\"lf-art-t\">Betaald ouderschapsverlof: aanvullende bepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor gevallen waarin deze regeling niet of niet naar billijkheid voorziet, kan het college een bijzondere regeling treffen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5a</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht ouderschapsverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op ouderschapsverlof, heeft, voor zover lokaal een regeling betaald ouderschapsverlof is of wordt vastgesteld, over de uren dat hij dit verlof geniet, maar ten hoogste over 13 maal de formele arbeidsduur per week, aanspraak op doorbetaling van zijn bezoldiging, berekend naar een percentage bepaald in het tweede en derde lid, indien: hij op 31 december 2005 één of meer kinderen heeft die jonger zijn dan acht jaar en waarvoor nog geen ouderschapsverlof is genoten, en hij op 31 december 2005 langer dan één jaar in dienst is van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De ambtenaar die wordt bezoldigd volgens schaal 4 of hoger van de bezoldigingsregeling heeft recht op doorbetaling van 75% van de bezoldiging over de arbeidsduur waarvoor het ouderschapsverlof geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De ambtenaar die wordt bezoldigd volgens de schalen 1, 2 of 3 van de bezoldigingsregeling heeft recht op doorbetaling van respectievelijk 90%, 85% of 80% van de bezoldiging over de arbeidsduur waarvoor het ouderschapsverlof geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het is niet toegestaan dat betrokkene gedurende de uren dat het betaald ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid verricht. Het college kan hieromtrent nadere regels stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Over de uren waarop de ambtenaar betaald ouderschapsverlof geniet wordt het bedrag van de bezoldiging, berekend op grond van het tweede en derde lid, verminderd met het daaraan gekoppelde maximale uurbedrag van de fiscale tegemoetkoming van de Belastingdienst waarop de ambtenaar aanspraak kan maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Op de ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op ouderschapsverlof is artikel 6:9 niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5a</span><span class=\"lf-art-t\">1 Overgangsrecht betaald ouderschapsverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op de ambtenaar die gebruikmaakt van het overgangsrecht betaald ouderschapsverlof zijn de artikelen 6:5:1 tot en met 6:5:7 van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:6</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:7</span><span class=\"lf-art-t\">Zwangerschaps- en bevallingsverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De vrouwelijke ambtenaar die op grond van de Waz zwangerschaps- en bevallingsverlof geniet, heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van haar volledige bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De Waz-uitkering van het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van het eerste lid recht heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De ambtenaar is, wanneer zij recht heeft op zwangerschaps- en bevallingsverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de uitbetaling van de Waz-uitkering door de gemeente bij en door het UWV.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de vrouwelijke ambtenaar de Waz-uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, danwel het recht op de Waz-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan haar schuld of toedoen te wijten is, wordt de Waz-uitkering op de bezoldiging in mindering gebracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:8</span><span class=\"lf-art-t\">Adoptie- en pleegzorgverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op adoptie- of pleegzorgverlof, heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn volledige bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De Waz-uitkering van het adoptie- of pleegzorgverlof wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van het eerste lid recht heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De ambtenaar is, wanneer hij recht heeft op adoptie- of pleegzorgverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de uitbetaling van de Waz-uitkering door de gemeente bij en door het UWV.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de ambtenaar de Waz-uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, danwel het recht op de Waz-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt de Waz-uitkering op de bezoldiging in mindering gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Het adoptie- en pleegzorgverlof schort de termijnen, bedoeld in artikel 7:3, niet op.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:9</span><span class=\"lf-art-t\">Onbetaald verlof onder meer t.b.v. de gemeentelijke levensloopregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar die langer dan een jaar in dienst is van de gemeente kan het college verzoeken hem onbetaald verlof te verlenen voor een periode van tenminste 1 maand en ten hoogste 18 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De ambtenaar geniet in een periode van vijf jaar maximaal 18 maanden onbetaald verlof. Per jaar heeft de ambtenaar recht op maximaal één periode van onbetaald verlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het college kan afwijken van de in het eerste en tweede lid gestelde voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het verzoek van de ambtenaar heeft betrekking op de volledige arbeidsduur of op een deel daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 De ambtenaar dient het verzoek tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum in. Het college stelt vast hoe het verzoek wordt ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Het college beslist zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee maanden na ontvangst van het verzoek. De ambtenaar ontvangt schriftelijk bericht van de beslissing van het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Indien de ambtenaar betaalde arbeid verricht over de uren dat hij onbetaald verlof geniet, kan het college het verlof intrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 Onverminderd het zevende lid kan het onbetaalde verlof niet tussentijds worden beëindigd tenzij het college en de ambtenaar hiermee instemmen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9 Het college kent een verzoek om onbetaald verlof dat betrekking heeft op een periode direct voorafgaand aan de pensionering toe, tenzij zwaarwegende dienstbelangen zich daartegen verzetten. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt het verlof verleend voor een periode van maximaal drie jaren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:10</span><span class=\"lf-art-t\">Aanspraken tijdens onbetaald verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De duur van de vakantie van de ambtenaar die onbetaald verlof geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het onbetaald verlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Gedurende de periode van verlof bestaat geen aanspraak op uitkeringen, tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en (kosten)vergoedingen. Bij deeltijd verlof wordt dit naar rato vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Gedurende de periode van het verlof bestaat aanspraak op de gehele vergoeding als bedoeld in artikel 7:24a.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten hoogste drie maanden is verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:11</span><span class=\"lf-art-t\">Samenloop met ziekte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het verlof van de ambtenaar die voor een deel van zijn betrekking onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, eindigt met ingang van de vijftiende kalenderdag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het college kan besluiten het verlof van de ambtenaar die volledig onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, in schrijnende gevallen te beëindigen. Dit kan niet wanneer er sprake is van verlof voorafgaand aan pensionering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:12</span><span class=\"lf-art-t\">Samenloop met zwangerschaps- en bevallingsverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het onbetaalde verlof eindigt op de eerste dag van het zwangerschaps- en bevallingsverlof.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span><span class=\"lf-art-t\">Buitengewoon verlof bij bekleding politieke ambten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het ingevolge non-activiteit te verlenen verlof bedraagt: voor raadsleden van gemeenten: tot 30.000 inwoners ten hoogste 30 uur per maand; van 30.000 tot 100.000 inwoners ten hoogste 50 uur per maand; boven 100.000 inwoners ten hoogste 100 uur per maand; voor wethouders van gemeenten: tot 5.000 inwoners ten hoogste 1 dag per week; van 5.000 tot 10.000 inwoners ten hoogste 2 dagen per week; van 10.000 tot 15.000 inwoners ten hoogste 3 dagen per week; van 15.000 tot 20.000 inwoners ten hoogste 4 dagen per week; meer dan 20.000 inwoners ten hoogste 5 dagen per week.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij vervulling van andere politieke functies zal van geval tot geval worden nagegaan in welke mate verlof zal worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inhouding bedoeld in artikel 6:4:4 RAVMWB tweede lid is gelijk aan het bedrag van de bezoldi¬ging over de tijd, dat verlof wordt genoten, maar gaat de in de politieke functie genoten vergoeding over de daarmee overeenkomende tijd niet te boven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">Buitengewoon verlof voor jeugd- en jongerenwerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge artikel 6:4:5 RAVMWB kan aan ambtenaren, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, buitengewoon verlof van korte duur met behoud van bezoldiging worden verleend voor: het leiden of volgen van een cursus, gericht op vrijwilligers die zich met jeugd- en jongerenwerk bezighouden; het leiden van een jeugdkamp of kindervakantie-activiteiten als hoofdleider (leider-coördinator); het assisteren van de hoofdleider van een jeugdkamp/kindervakantie-activiteit op basis van één vrijwillig medewerkende op elke 15 deelnemers, en één vrijwillig medewerkende op elke 3 deelnemers wanneer het een kamp/vakantie-activiteit betreft voor lichamelijk of geestelijk gehandicapte jeugd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de onder sub c bedoelde gevallen kan alleen buitengewoon verlof worden verleend indien de aanwezigheid voor het welslagen van een jeugdkamp/kindervakantie-activiteit dringend gewenst is en geen andere persoon beschikbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een cursus als bedoeld onder sub a moet uitgaan van een landelijke of een provinciale organisatie voor jeugd- en jongerenwerk of van een landelijke of provinciale jeugdafdeling van een sportorganisatie, dan wel door een van deze organisaties worden aanbevolen als belangrijk voor de vorming van de vrijwilliger. De cursus moet tenminste drie achtereenvolgende dagen duren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een jeugdkamp of kindervakantie-activiteit bedoeld onder sub b of c moet uitgaan van een landelijk werkende jeugd- of sportorganisatie dan wel van een plaatselijk, regionaal of provinciaal werkende jeugd- of sportorganisatie, of worden georganiseerd door een instelling die geheel of gedeeltelijk ten behoeve van de jeugd werkzaam is. Een jeugdkamp of kindervakantie-activiteit met minder dan tien deelnemers valt niet onder deze regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder een jeugdkamp wordt verstaan het kamperen (hetzij in tenten, hetzij in een ander daarvoor geschikt verblijf) van jongeren in groepsverband. De leiding van een jeugdkamp moet geheel of voornamelijk bestaan uit vrijwillig medewerkenden. Gezinskampen vallen niet onder deze regeling. Onder een jeugdkamp wordt mede verstaan een jeugdsportkamp voor zover de leiding geheel of voornamelijk berust bij vrijwillig medewerkenden. Uitgesloten zijn wedstrijdkampen, sporttoernooien en sportwervings- of selectiekampen. Kampen kunnen zowel in Nederland als in het buitenland worden gehouden. Een kamp moet tenminste vier achtereenvolgende dagen duren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder een kindervakantie-activiteit wordt verstaan een door een plaatselijk of regionaal werkende jeugdorganisatie of gemeentelijke instantie georganiseerde vakantie-activiteit voor jeugd en jongeren. Een kindervakantie-activiteit moet tenminste drie achtereenvolgende dagen duren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder vrijwillig medewerkende wordt in dit artikel verstaan iemand die gedurende het hele jaar zonder vaste vergoeding (onkostenvergoeding uitgezonderd) in zijn of haar vrije tijd in enig organisatorisch verband (mede) leiding geeft aan een groep of aan groepen jongeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het buitengewoon verlof bedraagt voor de onder sub a tot en met c bedoelde gevallen telkens ten hoogste vijf dagen, met dien verstande dat per kalenderjaar in totaal niet meer dan tien dagen kunnen worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze regeling is niet van toepassing op onderwijsgevenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag om buitengewoon verlof moet, tenminste twee maanden voordat het kamp/de activiteit een aanvang neemt, worden ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indiening dient namens de ambtenaar te geschieden: door het bestuur van: de landelijke organisatie voor jeugd- en jongerenwerk die de cursus organiseert; de landelijke instelling die kampen organiseert voor jeugd en jongeren; de landelijke sportorganisatie (of de jeugdafdeling daarvan) als het kamp/de kinderactiviteit uitgaat van een van deze landelijke organisatie, of van een plaatselijke afdeling daarvan; door een provinciaal, regionaal of plaatselijk werkende instelling voor jeugd- en jongerenwerk, als het betreft niet landelijk georganiseerde jeugd- en jongerenwerk of kindervakantie-activiteiten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">Buitengewoon verlof voor begeleiden zieken/gehandicapten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge artikel 6:4:5 RAVMWB kan aan ambtenaren - mits het belang van de dienst zich daartegen niet verzet en het gewone vakantieverlof van andere medewerkers niet in het gedrang komt - buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging worden toegekend voor activiteiten zoals het begeleiden van zieken bij bedevaarten, ziekentridia, Rode Kruis-excursies en andere dergelijke activiteiten, waarbij van betrokkene een grote inzet wordt vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Extra verlof wordt verleend voor de duur van de activiteiten tot ten hoogste 5 dagen per kalenderjaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">Lokale verlofdagen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan het personeel van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant wordt ten behoeve van lokale gebeurtenissen gedurende 2 dagdelen verlof verleend. In samenspraak met de lokale medezeggenschapsorganen wordt vastgesteld welke (doordeweekse) dagdelen het betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ambtenaren, die tijdens de ge¬noemde middagen dienst moeten doen, wordt extra verlof verleend, gelijk aan het aantal uren dat zij tijdens de \"vrije middagen\" in functie zijn, met dien verstande, dat indien door betrokkene op één der genoemde dagen slechts enkele uren wordt gewerkt, aan hem/haar daarvoor 3,6 uur extra verlof zal worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tijd gedurende welke tijdens de \"vrije middagen\" dienst wordt gedaan, wordt als gewone werktijd beschouwd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze regeling kan worden aangehaald als “Regeling Buitengewoon verlof Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant” en treedt in werking op 1 januari 2010.</p>\n<p class=\"lf-p\">6a De gemeentelijke levensloopregeling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">1 Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: gemeentelijke levensloopregeling: een regeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964; instelling: een door de ambtenaar gekozen kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 19g, vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964; levenslooprekening: een bij de instelling door de ambtenaar geopende geblokkeerde rekening, waarop de inleg van de ambtenaar wordt gestort; levensloopverzekering: een bij de instelling door de ambtenaar afgesloten verzekering, waarop de inleg van de ambtenaar wordt gestort; levenslooptegoed: het tegoed op een levenslooprekening onderscheidenlijk het verzekerd kapitaal.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">2 Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">3 Verzoek tot deelname levensloopregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar die deel wil nemen aan de gemeentelijke levensloopregeling meldt dit bij het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de derde kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan de eisen zoals genoemd in artikel 6a:4.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">4 Voorwaarden deelname levensloopregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de instelling waarbij de levenslooprekening of de levensloopverzekering wordt aangehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een levenslooptegoed heeft opgebouwd bij een of meer gewezen inhoudingsplichtigen tenzij een andere werkgever bij wie de ambtenaar in dienstbetrekking staat geacht wordt inhoudingsplichtig te zijn ten aanzien van dit levenslooptegoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling aan het college informatie verstrekt over de omvang van het levenslooptegoed van de ambtenaar tenzij dit levenslooptegoed geacht wordt te zijn opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige bij wie de ambtenaar in dienstbetrekking staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij voldoet aan de voorwaarden die de Wet op de loonbelasting 1964 aan deelname stelt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">5 Inleg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de gemeentelijke levensloopregeling het gewenste bedrag van de inleg per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De ambtenaar kan eenmaal per jaar op een door het college aangewezen wijze en tijdstip de hoogte van de inleg wijzigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De inleg bestaat uit een of meerdere van de in artikel 6a:6 genoemde bronnen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">6 Bronnen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de gemeentelijke levensloopregeling bestaat uit een of meer van de volgende bronnen: het salaris; de vakantietoelage; de eindejaarsuitkering; de levensloopbijdrage als genoemd in artikel 6a:7; de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren als bedoeld in artikel 4a:1; het opgebouwde verloftegoed bedoeld in artikel 4:9 lid 3.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">7 Levensloopbijdrage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar die geboren is na 31 december 1949, met uitzondering van de ambtenaar die in 2005 55 jaar is geworden en die in deeltijd met FPU is gegaan, heeft recht op een levensloopbijdrage ten bedrage van 1,5% van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris op jaarbasis. De bijdrage bedraagt bij een volledige betrekking minimaal € 400. Bij een deeltijd betrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De levensloopbijdrage wordt tevens uitgekeerd aan ambtenaren die zijn geboren voor of op 31 december 1949 en die geen recht hebben op een uitkering zoals bedoeld in hoofdstuk 5a.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In afwijking van het eerste lid is de levensloopbijdrage 2,5% indien en voor zolang hoofdstuk 9a op de ambtenaar van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De levensloopbijdrage bedoeld in het tweede lid wordt gedurende maximaal 20 jaar verstrekt. Hierna ontvangt de ambtenaar de levensloopbijdrage bedoeld in het eerste lid. De levensloopbijdrage van 2,5% kan na 20 jaar voortgezet worden, indien artikel 9a:9, eerste lid, onderdeel b, van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De levensloopbijdrage wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Bij indiensttreding vanaf 1 augustus van een kalenderjaar bouwt de ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een levensloopbijdrage op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling van de levensloopbijdrage plaats over het gedeelte van het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 De levensloopbijdrage behoort tot het percentage, bedoeld in het eerste lid, tot het pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1, lid 1, sub g van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">7a Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">8 Beëindiging deelname levensloopregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het college beëindigt de deelname aan de levensloopregeling uiterlijk twee maanden na ontvangst van de kennisgeving hiertoe door de ambtenaar. Het college stelt vast hoe de kennisgeving moet plaatsvinden 2 Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling eindigt daarnaast: bij overlijden van de ambtenaar; bij ontslag van de ambtenaar; op de dag voorafgaand aan die waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">9 Opname levenslooptegoed</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken ten behoeve van de opname van onbetaald verlof op grond van de Wet Arbeid en Zorg en hoofdstuk 6 meldt de ambtenaar tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum het college dat hij wil beschikken over (een deel van zijn) levenslooptegoed. Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">10 Slotbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk is niet van toepassing op ambtenaren bedoeld in hoofdstuk 9 en 9b, met uitzondering van de ambtenaar op wie paragraaf 5 van hoofdstuk 9b van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">11 Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen) 7 Aanspraken bij ongeschiktheid wegens ziekte of gebrek</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1 Definities</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:1</span><span class=\"lf-art-t\">Definities</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:1</span><span class=\"lf-art-t\">Definities</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd; werkzaamheden in het kader van de reïntegratie: loonvormende arbeid, die specifiek gericht is op terugkeer in de eigen dan wel passende arbeid waarover afspraken zijn vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9, derde lid; scholing in het kader van de reïntegratie:scholing die gericht is op terugkeer in de eigen dan wel passende arbeid waarover afspraken zijn vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9, derde lid; arbeidsongeschiktheid in en door de dienst: arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken die in overwegende mate haar oorzaak vindt in: de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht of; in een dienstongeval verband houdende met de aard van de opgedragen werkzaamheden of de bijzondere omstandigheden waarin deze werkzaamheden moesten worden verricht; en die niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten; restverdiencapaciteit: het door UWV vast te stellen inkomen dat de ambtenaar met zijn vaardigheden en bekwaamheden, gelet op zijn beperkingen, nog kan verdienen; arbodienst:een dienst als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet; inactieve:de oud-ambtenaar met een WW-uitkering, aanvullende uitkering, nawettelijke uitkering, WAO-uitkering, WIA-uitkering of wachtgelduitkering, die direct voorafgaand aan de uitkering in dienst was van een gemeente; postactieve: de oud-ambtenaar met een uitkering functioneel leeftijdsontslag, FPU-uitkering, ouderdomspensioen van het ABP of ABP keuzepensioen, die direct voorafgaand aan deze uitkering of dit pensioen in dienst was van een gemeente of inactieve was;</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht genomen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2</span><span class=\"lf-art-t\">Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Arbo-dienst</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:2</span><span class=\"lf-art-t\">Bedrijfsgeneeskundige begeleiding</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:3</span><span class=\"lf-art-t\">Consulteren arts door ambtenaar</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:4</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:5</span><span class=\"lf-art-t\">Geneeskundig onderzoek</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:6</span><span class=\"lf-art-t\">Buitendienststelling</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:7</span><span class=\"lf-art-t\">Maatregelen of voorzieningen in belang herstel ambtenaar</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2</span><span class=\"lf-art-t\">Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Arbo-dienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente laat zich bijstaan door een arbodienst of gecertificeerd deskundige(n).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:2</span><span class=\"lf-art-t\">Bedrijfsgeneeskundige begeleiding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar heeft het recht op bedrijfsgeneeskundige begeleiding overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De bedrijfsgeneeskundige begeleiding van de ambtenaar geschiedt door een arbodienst of gecertificeerd deskundige(n), overeenkomstig door het college te stellen regels.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:3</span><span class=\"lf-art-t\">Consulteren arts door ambtenaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar heeft het recht een arts van de arbo-dienst rechtstreeks te consulteren ter zake van gezondheidsproblemen die naar zijn mening met zijn arbeidssituatie kunnen samenhangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:4</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:5</span><span class=\"lf-art-t\">Geneeskundig onderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het college is bevoegd de arbo-dienst opdracht te geven de ambtenaar aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen: indien naar het oordeel van het college redelijkerwijs aanleiding bestaat tot twijfel aan een goede gezondheidstoestand van de ambtenaar; indien de ambtenaar niet of niet langer volledig geschikt is gebleken voor het naar behoren vervullen van zijn betrekking, zulks ten einde na te gaan of hiervoor medische oorzaken zijn aan te wijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De ambtenaar is verplicht zich aan een onderzoek, bedoeld in het eerste lid, te onderwerpen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:6</span><span class=\"lf-art-t\">Buitendienststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Indien bij een onderzoek, bedoeld in artikel 7:2:4 of in artikel 7:2:5 blijkt van een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand van de ambtenaar, dat naar het oordeel van de arbo-dienst de belangen van de ambtenaar, die van de dienst of van bij de dienstuitoefening betrokken derden zich tegen voortzetting van zijn betrekking verzetten, wordt de ambtenaar door het college buiten dienst gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, vindt niet plaats indien, naar het oordeel van de arbo-dienst, de lichamelijke of geestelijke toestand van de ambtenaar het wenselijk maakt dat hij tijdelijk met andere werkzaamheden wordt belast, indien en voor zover deze voorhanden zijn. In dat geval is artikel 7:18:1 van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de toepassing van de overige artikelen van dit hoofdstuk gelijkgesteld met een verhindering wegens ziekte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:7</span><span class=\"lf-art-t\">Maatregelen of voorzieningen in belang herstel ambtenaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Indien daartoe naar het oordeel van de arbo-dienst aanleiding bestaat, verzoekt het college het UWV de ambtenaar in aanmerking te laten komen voor maatregelen of voorzieningen in het belang van het herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van het behoud, het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De ambtenaar wordt van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk in kennis gesteld.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3 Aanspraken tijdens ziekte</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:3</span><span class=\"lf-art-t\">Recht op bezoldiging</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:4</span><span class=\"lf-art-t\">Bezoldiging bij ziekte bij seniorenmaatregel en onbetaald/gedeeltelijk betaald verlof</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:5</span><span class=\"lf-art-t\">Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:6</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:7</span><span class=\"lf-art-t\">Vergoeding kosten geneeskundige verzorging bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:8</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-8-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:8:1</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling referte-tijdvak toelagen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-8-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:8:2</span><span class=\"lf-art-t\">Periodieke salarisverhoging</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-8-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:8:3</span><span class=\"lf-art-t\">Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en toepassing van artikel 2:7a</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:3</span><span class=\"lf-art-t\">Recht op bezoldiging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek vanaf de eerste dag van die ongeschiktheid gedurende de eerste zes maanden recht op doorbetaling van zijn volledige bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid gedurende de zevende tot en met de twaalfde maand recht op doorbetaling van 90% van zijn bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 12 maanden gedurende de dertiende tot en met de vierentwintigste maand recht op doorbetaling van 75% van zijn bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 24 maanden tot het einde van zijn dienstverband recht op doorbetaling van 70% van zijn bezoldiging 5 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder ziekte ook gebreken verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 De ambtenaar heeft recht op de doorbetaling van zijn volledige bezoldiging over de uren waarop hij: zijn arbeid verricht; passende arbeid verricht; werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie verricht; scholing volgt in het kader van zijn reïntegratie.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 De ambtenaar behoudt na afloop van de termijn van zes maanden recht op de doorbetaling van zijn volledige bezoldiging bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 De ambtenaar bedoeld in het derde en vierde lid, die ten minste 50% van zijn formele arbeidsduur zijn arbeid, passende arbeid, werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie verricht of scholing volgt in het kader van zijn reïntegratie, genoemd in het zesde lid van dit artikel, heeft recht op een extra percentage van 5% berekend over de bezoldiging waar hij recht op heeft ingevolge dit artikel. Hierbij geldt als maximum de bezoldiging bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">9De ambtenaar heeft ten minste recht op het wettelijk minimumloon, berekend naar rato van zijn formele arbeidsduur.</p>\n<p class=\"lf-p\">10 De periode waarover de ambtenaar voorafgaand aan de periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof, bedoeld in artikel 6:7, ziek is als gevolg van de zwangerschap, schort de periode, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, op.</p>\n<p class=\"lf-p\">11 Voor de toepassing van het eerste tot en met het vierde lid worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt genoten, bedoeld in artikel 6:7, tenzij in dat geval de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">12 De doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid, eindigt indien de ambtenaar definitief wordt herplaatst in een andere functie.</p>\n<p class=\"lf-p\">13 Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het recht op bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">14Het college zal rekening houden met individuele gevallen van terminale ziekte. In die gevallen zal de afweging worden gemaakt of ook na afloop van de termijn van zes maanden, bedoeld in het eerste lid, de volledige bezoldiging wordt doorbetaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:4</span><span class=\"lf-art-t\">Bezoldiging bij ziekte bij seniorenmaatregel en onbetaald/gedeeltelijk betaald verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die onbetaald dan wel gedeeltelijk betaald verlof geniet heeft recht op doorbetaling van de bezoldiging als bedoeld in artikel 7:3, met dien verstande dat de ambtenaar nooit een groter bedrag aan bezoldiging doorbetaald kan krijgen, dan dat hij doorbetaald zou hebben gekregen, indien hij niet ziek zou zijn geweest.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:5</span><span class=\"lf-art-t\">Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Aan de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WGA- of IVA-uitkering wordt, bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst, een aanvullende uitkering verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De aanvullende uitkering genoemd in het eerste lid is voor de ambtenaar met een WGA- of IVA uitkering, gelijk aan het bedrag dat nodig is om de aan de ambtenaar toegekende WGA- of IVA-uitkering, vermeerderd met een aan de ambtenaar toegekende bovenwettelijke aanvulling ingevolge het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, aan te vullen tot een bepaald percentage van de bezoldiging die de ambtenaar heeft genoten in het jaar voorafgaand aan zijn ontslag. Dit percentage is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:</p>\n<p class=\"lf-p\">80% of meer:</p>\n<p class=\"lf-p\">95% 65 tot 80% 68,875% 55 tot 65% 57% 45 tot 55% 47,5% 35 tot 45% 38% 3 De aanvullende uitkering eindigt: indien de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden of; met ingang van de dag waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De gewezen ambtenaar die recht heeft op een uitkering op grond van dit artikel, is verplicht om het college op de hoogte te stellen van wijzigingen in zijn arbeidsongeschiktheiduitkering of bovenwettelijke aanvulling ingevolge het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:6</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:7</span><span class=\"lf-art-t\">Vergoeding kosten geneeskundige verzorging bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst worden aan de ambtenaar vergoed de te zijner laste blijvende, naar het oordeel van het college noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het college kan omtrent het bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften geven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:8</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan nadere regels stellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:8:1</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling referte-tijdvak toelagen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het referte-tijdvak dat in acht wordt genomen voor de vaststelling van de gemiddelde hoogte van de toelage onregelmatige dienst, de overgangstoelage onregelmatige dienst, alsmede de prestatiebeloning, ten behoeve van de vaststelling van het bedrag van de bezoldiging zoals bedoeld in dit hoofdstuk, dient in een lokale regeling nader te worden uitgewerkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:8:2</span><span class=\"lf-art-t\">Periodieke salarisverhoging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het onderwerp periodieke salarisverhogingen tijdens ziekte dient in een lokale regeling nader te worden uitgewerkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:8:3</span><span class=\"lf-art-t\">Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en toepassing van artikel 2:7a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar wiens feitelijke arbeidsduur op grond van toepassing van hoofdstuk 5 is aangepast, kan alleen verplicht worden tot aanvaarding van een functie waarvan de arbeidsomvang overeenkomt met deze feitelijke arbeidsduur.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar wiens arbeidsduur is aangepast op grond van artikel 2:7a , kan voor de duur van de periode waarvoor toepassing van dit artikel is bepaald, worden verplicht tot aanvaarding van arbeid waarvan de arbeidsduur overeenkomt met deze tijdelijke uitgebreide arbeidsduur. Wanneer de periode waarvoor de toepassing van artikel 2:7a is verstreken, geldt de verplichting voor de ambtenaar ten aanzien van de aanvaarding van een nieuwe functie voor de formele arbeidsduur.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4 Verplichtingen en sancties</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:9</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen college</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:10</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking bij ziekte</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:11</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichting tot verlening van medewerking aan reïntegratie</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:12</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-13-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:13:1</span><span class=\"lf-art-t\">Geen aanspraak op doorbetaling bezoldiging</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-13-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:13:2</span><span class=\"lf-art-t\">Staken van doorbetaling van de bezoldiging</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-14\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:14</span><span class=\"lf-art-t\">Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen ambtenaar</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-15-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:15:1</span><span class=\"lf-art-t\">Bezoldiging uitbetalen aan anderen en nabetaling aan ambtenaar</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-16\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:16</span><span class=\"lf-art-t\">Herplaatsing in passende arbeid</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-17\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:17</span><span class=\"lf-art-t\">Terugkeer in betrekking na ziekte</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-18\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:18</span><span class=\"lf-art-t\">Inkomsten uit of in verband met arbeid</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-18-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:18:1</span><span class=\"lf-art-t\">Inkomsten andere betrekking in mindering brengen op bezoldiging</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:9</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen college</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het college is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te treffen en voorschriften te geven als redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar, die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte of gebrek verhinderd is zijn arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen arbeid of passende arbeid te verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en binnen de openbare dienst van de gemeente geen passende arbeid voorhanden is, bevordert het college de inschakeling van de ambtenaar in passende arbeid buiten de openbare dienst van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Uit hoofde van zijn verplichting, genoemd in het eerste en tweede lid, stelt het college in overeenstemming met de ambtenaar een plan van aanpak op als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA. Het plan van aanpak wordt met medewerking van de ambtenaar regelmatig geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het college stelt een protocol vast, waarin de regels zijn opgenomen met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begeleiding van ziekteverzuim, verplichtingen omtrent ziek- en herstelmeldingen daaronder begrepen, de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedures.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:10</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking bij ziekte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar verstrekt op verzoek van het college alle informatie die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:11</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichting tot verlening van medewerking aan reïntegratie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, is verplicht: gevolg te geven aan, door het college of een door hem aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan door het college of een door hem aangewezen deskundige getroffen maatregelen als bedoeld in artikel 7:9; zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:9, derde lid; zich te gedragen naar de regels die in het protocol, bedoeld in artikel 7:9, vierde lid, zijn opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn betrekking te vervullen, in staat is passende arbeid als bedoeld in artikel 7:1 te verrichten en hij door het college of een andere werkgever daartoe in de gelegenheid wordt gesteld, is hij verplicht die arbeid te verrichten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:12</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1De ambtenaar is verplicht zich te onderwerpen aan een door of vanwege de arbo-dienst in te stellen medisch onderzoek ter beantwoording van de vragen: of er sprake is van verhindering tot het vervullen van zijn betrekking wegens ziekte; in welke mate er sprake is van verhindering als bedoeld onder a; of de ambtenaar de verhindering tot het vervullen van zijn betrekking opzettelijk heeft veroorzaakt; of de ambtenaar ten onrechte nalaat zich onder geneeskundige behandeling te stellen of te blijven stellen, dan wel zich niet houdt aan de voorschriften hem door de behandelende geneeskundige gegeven, met dien verstande dat te dezen voorschriften tot het verlenen van medewerking aan een ingreep van heelkundige aard zijn uitgezonderd; of de ambtenaar zich zodanig gedraagt, dat zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd; of verdere maatregelen of voorzieningen nodig zijn in het belang van het herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van het behoud, het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid; wanneer en in welke mate de vervulling van de betrekking kan worden hervat.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de redenen van medisch onderzoek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:13:1</span><span class=\"lf-art-t\">Geen aanspraak op doorbetaling bezoldiging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen aanspraak op doorbetaling bezoldiging als bedoeld in artikel 7:3 bestaat: indien blijkens het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 7:12, sprake is van een omstandigheid waarbij de ambtenaar opzettelijk de verhindering tot het vervullen van zijn betrekking heeft veroorzaakt, tenzij de ambtenaar daarvan op grond van zijn geestelijk toestand geen verwijt kan worden gemaakt; indien de verhindering wegens ziekte zich voordoet binnen een half jaar na de in artikel 2:3, eerste lid, bedoelde geneeskundige keuring en alsdan blijkt dat de ambtenaar hierbij onjuiste informatie omtrent zijn gezondheidstoestand heeft verstrekt of gegevens heeft verzwegen, ten gevolge waarvan de verklaring dat tegen de vervulling van zijn betrekking uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan, ten onrechte is afgegeven, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:13:2</span><span class=\"lf-art-t\">Staken van doorbetaling van de bezoldiging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in artikel 7:3, wordt gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar: weigert de in artikel 7:12 neergelegde verplichting tot het verlenen van medewerking aan een door of vanwege de arbo-dienst in te stellen medische onderzoek na te komen; blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek ten onrechte heeft nagelaten zich onder geneeskundige behandeling te stellen of te blijven stellen; blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek de voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt, met uitzondering van voorschriften om mee te werken aan een ingreep van heelkundige aard; zich blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd; er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig onderzoek door een door de arbo-dienst aangewezen arts niet kan plaatshebben; tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, tenzij dit door de arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht en het college daartoe toestemming heeft verleend; weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid, die hij heeft in verband met het verrichten van door de arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of derden; zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de arbo-dienst bepaalde tijdstip en in de door deze dienst bepaalde mate, indien zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door de arbo-dienst als geldig erkende reden heeft opgegeven; weigert om – op verzoek van het college – informatie te verstrekken die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De doorbetaling van de bezoldiging vindt wel plaats indien de ambtenaar op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd in het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:14</span><span class=\"lf-art-t\">Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen ambtenaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De ambtenaar die zich niet houdt aan zijn verplichtingen, bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder c, wordt disciplinair gestraft wegens plichtsverzuim.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in artikel 7:3, wordt gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar: weigert mee te werken aan, door het college of een door hem aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen, als bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder a, die erop gericht zijn om de betrokkene in staat te stellen de eigen passende arbeid te verrichten; weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder b. weigert aangeboden passende arbeid te verrichten, waartoe hij op grond van artikel 7:11, tweede lid, verplicht is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De doorbetaling van de bezoldiging, als genoemd in het tweede lid, vindt wel plaats indien de ambtenaar op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd in het tweede lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:15:1</span><span class=\"lf-art-t\">Bezoldiging uitbetalen aan anderen en nabetaling aan ambtenaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het college kan, indien daarvoor naar zijn oordeel bijzondere omstandigheden aanleiding geven, bepalen, dat de op grond van de artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 niet uitbetaalde bezoldiging, geheel of ten dele aan anderen dan de ambtenaar zal worden uitbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor zover het college van zijn in het eerste lid bedoelde bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt, wordt de ingevolge de artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 niet uitbetaalde bezoldiging alsnog aan de ambtenaar uitbetaald wanneer de ambtenaar op grond van de second opinion die hij conform artikel 32, van de wet SUWI, heeft aangevraagd inzake het oordeel over de ongeschiktheid tot werken in het gelijk gesteld wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:16</span><span class=\"lf-art-t\">Herplaatsing in passende arbeid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, wordt de ambtenaar opgedragen: door plaatsing in een andere betrekking voor tijdelijke duur, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling; door plaatsing in een andere betrekking bij wijze van proef, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling; bij een andere werkgever, door een tijdelijke detachering, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Na 24 maanden van ziekte wordt passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, aan de ambtenaar opgedragen door definitieve herplaatsing. Deze definitieve herplaatsing vindt plaats door wijziging van de aanstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die ziek is geworden op of na 1 juli 2007 en die minder dan 35% arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de periode van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de ambtenaar met de passende arbeid zijn volledige restverdiencapaciteit benut.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die ziek is geworden op of na 1 juli 2007 en die 35% of meer, maar minder dan 80% arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de periode van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de ambtenaar met de passende arbeid 50% van zijn restverdiencapaciteit of meer benut.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Voor de toepassing van het eerste tot en met vierde lid wordt onder een andere betrekking mede verstaan het verrichten van dezelfde werkzaamheden onder andere voorwaarden.</p></div>", "next": 239803}