{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De Subparagraaf 5.4.1.3.1 en Subparagraaf 5.4.1.4.1 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de toepassing van Subparagraaf 5.4.1.3.1 en Subparagraaf 5.4.1.4.1 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5179\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.179</span><span class=\"lf-art-t\">Aansluiting op distributienet voor drinkwater</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5180\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.180</span><span class=\"lf-art-t\">Aansluiting van afvoer, huishoudelijk afvalwater en hemelwater</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij maatwerkvoorschrift kan ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of dat systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5181\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.181</span><span class=\"lf-art-t\">Bluswatervoorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang tot het bouwwerk is ten hoogste 40 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5182\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.182</span><span class=\"lf-art-t\">Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m, die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verbindingsweg is over de in het derde lid voorgeschreven hoogte en breedte vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5183\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.183</span><span class=\"lf-art-t\">Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of als deze niet aanwezig is een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte als bedoeld in Artikel 5.182, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5184\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.184</span><span class=\"lf-art-t\">Ingebruikname na maatregelen bij een significante grondwaterverontreiniging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als sprake is van een significante bodemverontreiniging als bedoeld in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening in artikel 3.131, onder b of c, wordt een grondwatergevoelig gebouw, of een gedeelte daarvan, op een grondwatergevoelige locatie alleen in gebruik genomen na de bouwactiviteit, nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop de sanerende maatregelen, bedoeld in, zijn getroffen of, als de sanerende maatregelen nog in uitvoering zijn, de wijze waarop de ingebruikname van het grondwatergevoelige gebouw de sanerende maatregel niet belemmert.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.4.1.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdgebouwen Subparagraaf 5.4.1.2.1 Hoofdgebouwen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5185\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.185</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing vergunningplicht hoofdgebouw</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning een hoofdgebouw te bouwen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5186\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.186</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunning hoofdgebouwen woningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het bouwen van nieuwe hoofdgebouwen wordt de omgevingsvergunning bedoeld in Artikel 5.185 alleen verleend als: a. er sprake is van één woning; b. dit ruimtelijk inpasbaar is gelet op, voor zover van toepassing:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de ruimtelijke kwaliteit van het openbare gebied;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>het straatbeeld, bebouwingsbeeld, bestaande bouwmassa en bestaande bouwhoogtes;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>de bebouwingsmogelijkheden, gebruiksmogelijkheden danwel bezonning van het betreffende perceel en de aangrenzende percelen en bouwwerken;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>de verkeersveiligheid; de sociale veiligheid; de functionele, stedenbouwkundige en ruimtelijke structuur, zoals aansluiting op (structurele) groen- en waterelementen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>waarbij rekening wordt gehouden met het beeldkwaliteitsplan als dat voor de locatie van toepassing is; c. indien er meer dan 50 m2 aan verharding wordt toegevoegd: er in voldoende mate wordt voorzien in het uitvoeren en in stand houden van wateroppervlak of alternatieve vasthoudmaatregelen ter compensatie voor de verhardingstoename conform het bepaalde in Artikel 5.186, tweede lid; d. de goothoogte ruimtelijk inpasbaar is gelet op het bepaalde onder b, waarbij in ieder geval een maximum geldt van 7 m; e. de bouwhoogte ruimtelijk inpasbaar is gelet op het bepaalde onder b, waarbij in ieder geval een maximum geldt van 11 m; f. de begane grond vloer komt te liggen op minimaal 1,20 m boven het waterpeil; g. de diepte van een hoofdgebouw, gemeten vanaf de voorgevellijn, niet meer bedraagt dan:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>bij vrijstaande woningen: 12 m;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>bij aaneengebouwde woningen: 10 m; h. in afwijking van het bepaalde onder f geldt geen maximale diepte als de afstand van het hoofdgebouw tot de achterste perceelsgrens minimaal 15 m bedraagt; i. de plaatsing van de voorgevel van het hoofdgebouw is passend bij de rooilijnen van omliggende bebouwing; j. de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens mag niet minder bedragen dan:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>bij vrijstaande hoofdgebouwen tot beide zijdelingse perceelsgrenzen: 3 m;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>bij aaneengebouwde hoofdgebouwen en hoekpercelen van aaneengebouwde hoofdgebouwen tot een van de zijdelingse perceelsgrenzen: 3 m; k. voldaan wordt aan de normen die zijn gesteld in Afdeling 5.2.1, waarbij mede rekening wordt gehouden met het beoogde gebruik van het hoofdgebouw; l. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het berekenen van de benodigde watercompensatie als bedoeld in Artikel 5.186, eerste lid sub c houdt het bevoegd gezag rekening met: a. het advies van het waterschap; b. de watersleutel of gelijkwaardige rekenmethode van het waterschap; c. indien er sprake is van alternatieve vasthoudmaatregelen: de richtlijn compensatie verharding of een gelijkwaardige richtlijn van het waterschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie wordt de vergunning bedoeld in Artikel 5.185 alleen verleend als wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 22.29 lid 1 sub c van dit omgevingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de activiteit betrekking heeft op een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie wordt de vergunning bedoeld in Artikel 5.185 alleen verleend: a. als er geen sprake is van grondwaterverontreiniging; b. als er wordt gebouwd op een locatie die in het omgevingsplan is aangewezen waar een verdenking van verontreiniging van grondwater redelijkerwijs is uit te sluiten; c. als er sprake is van grondwaterverontreiniging: indien voldaan wordt aan de criteria, bedoeld in artikel 7.31, tweede en derde lid van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening zodat er geen risicobeoordeling grondwaterkwaliteit verricht hoeft te worden; of d. als er sprake is van grondwaterverontreiniging: als na het verrichten van een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat: er geen sprake is van een significante grondwaterverontreiniging; e. als er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging: als aannemelijk is dat een bronaanpak als bedoeld in artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt getroffen; f. als er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging: als aannemelijk is dat een saneringsmaatregel afdekken als bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving als sanerende maatregel getroffen wordt en;</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de afdeklaag bestaat uit een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag als bedoeld in 4.1241, derde lid onder a van het Besluit activiteiten leefomgeving; en 2. aannemelijk wordt gemaakt dat de saneringsaanpak leidt tot het beperken of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater. g. of er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft: als aannemelijk is dat een grondwatersanering overeenkomstig paragraaf 3.4.3 van de Zuid- Hollandse Omgevingsverordening als sanerende maatregel wordt getroffen, voor zover er geen sprake is van een diffuse grondwaterverontreiniging waarbij geen specifieke bron van verontreiniging aanwijsbaar is.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.4.1.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bijbehorende bouwwerken Subparagraaf 5.4.1.3.1 Vergunningvrij bouwen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5187\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.187</span><span class=\"lf-art-t\">Bijbehorende bouwwerken vergunningvrij</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijbehorende bouwwerken of uitbreidingen daarvan mogen zonder vergunning worden gebouwd, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. het bijbehorend bouwwerk staat op de grond; b. het bijbehorend bouwwerk is gelegen in het achtererfgebied; c. het bijbehorend bouwwerk staat op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied; d. voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is het bijbehorende bouwwerk functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw; e. bij meer dan een bouwlaag is er alleen een verblijfsgebied op de eerste bouwlaag; f. het bijbehorend bouwwerk is niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; g. als het bijbehorende bouwwerk op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw ligt is het niet hoger dan:</p>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 m;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en 3. het hoofdgebouw; h. als het bijbehorende bouwwerk op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw ligt geldt dat als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; i. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied is niet meer dan:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2 : 50% van dat bebouwingsgebied;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2 , vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en 3. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2; 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; j. het bijbehorende bouwwerk wordt niet gebouwd bij:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>een woonwagen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning is bepaald dat het hoofdgebouw slechts tijdelijk mag bestaan; of 3. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in Artikel 5.187, eerste lid bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen het bepaalde onder Artikel 5.187, eerste lid onder d van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in Artikel 5.187, eerste lid onder d geldt niet als er sprake is van huisvesting in verband met mantelzorg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5188\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.188</span><span class=\"lf-art-t\">Dakkapel voordakvlak of zijdakvlak vergunningvrij</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dakkapellen mogen in het voordakvlak of naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijdakvlak zonder vergunning worden gebouwd als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. dakkapellen zijn niet toegestaan in daken met een dakhelling van minder dan 30 graden; b. er is per dakvlak niet meer dan een dakkapel aanwezig, tenzij dakkapellen naast elkaar worden geplaatst; c. indien dakkapellen naast elkaar worden geplaatst liggen de onderzijde en de bovenzijde van de dakkapellen op dezelfde hoogte; d. de onderzijde is meer dan 0,5 m boven de dakvoet; e. de bovenzijde is meer dan 0,5 m onder de daknok; f. de zijkanten zijn meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak; g. de hoogte van de dakkapel, gemeten vanaf de voet van de dakkapel is maximaal 1,75 m; h. een dakkapel heeft een plat dak.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5189\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.189</span><span class=\"lf-art-t\">Hulpmiddelstalling vergunningvrij</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hulpmiddelstallingen mogen in het voorerf bij een woning worden geplaatst mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de hulpmiddelstalling wordt geplaatst ten behoeve van een hulpmiddel van de bewoner van de woning; b. het hulpmiddel moet altijd kunnen worden gestald in de hulpmiddelstalling; c. de hulpmiddelstalling blijft niet langer aanwezig dan acht weken nadat de behoefte aan het hulpmiddel voor de bewoner van de woning is komen te vervallen; d. er sprake is van een medische behoefte van de bewoner van de woning aan het hulpmiddel; e. de medische behoefte als bedoeld onder d kan worden aangetoond met het besluit van het college van burgemeester en wethouders om een Wmo-indicatie af te geven voor de verstrekking van een hulpmiddel op basis van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning of door een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur; f. de maximale afmetingen van de hulpmiddelstalling zijn:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>hoogte: 2 m, breedte: 1,65 m, lengte: 1,25 m; of 2. hoogte: 1,4 m, breedte: 2,3 m, lengte: 1,4 m.</div>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.4.1.3.2 Vergunningplichtige bijbehorende bouwwerken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5190\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.190</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing vergunningplicht bijbehorende bouwwerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bijbehorend bouwwerk te bouwen of een bijbehorend bouwwerk zodanig te wijzigen dat niet wordt voldaan aan de eisen van Subparagraaf 5.4.1.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkingsgebied Risicovolle activiteit type A - tanken LPG PR contouren is het verboden om zonder omgevingsvergunning de bouwwerken bedoeld in Subparagraaf 5.4.1.3.1 te bouwen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5191\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.191</span><span class=\"lf-art-t\">Bijbehorende bouwwerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning bedoeld in Artikel 5.190 wordt alleen verleend: a. als dit ruimtelijk inpasbaar is gelet op, voor zover van toepassing:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de ruimtelijke kwaliteit van het openbare gebied;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>het bestaande straat- en bebouwingsbeeld;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>de bestaande bebouwing, inclusief de maatvoering daarvan;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>de bebouwingsmogelijkheden, gebruiksmogelijkheden en/of bezonning van het betreffende perceel en de aangrenzende percelen en bouwwerken;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>de verkeersveiligheid;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>de sociale veiligheid;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>de functionele, stedenbouwkundige en ruimtelijke structuur, zoals aansluiting op (structurele) groen- en waterelementen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>waarbij rekening wordt gehouden met het beeldkwaliteitsplan als dat voor de locatie van toepassing is; b. voldaan wordt aan de normen die zijn gesteld in Afdeling 5.2.1, waarbij mede rekening wordt gehouden met het beoogde gebruik van het hoofdgebouw; c. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet; en d. als de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 22.29 lid 1 sub c van dit omgevingsplan; e. als de activiteit betrekking heeft op een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>als er geen sprake is van grondwaterverontreiniging;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>als er wordt gebouwd op een locatie die in het omgevingsplan is aangewezen waar een verdenking van verontreiniging van grondwater redelijkerwijs is uit te sluiten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>als er sprake is van grondwaterverontreiniging: indien voldaan wordt aan de criteria, bedoeld in artikel 7.31, tweede en derde lid van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, zodat er geen risicobeoordeling grondwaterkwaliteit verricht hoeft te worden; of 4. als er sprake is van grondwaterverontreiniging: als na het verrichten van een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat:</div>\n<p class=\"lf-p\">I. er geen sprake is van een significante grondwaterverontreiniging;</p>\n<p class=\"lf-p\">II. er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging: als aannemelijk is dat een bronaanpak als sanerende maatregel wordt getroffen; of III. er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft: als aannemelijk is dat een grondwatersanering overeenkomstig paragraaf 3.4.3 van de Zuid- Hollandse Omgevingsverordening als sanerende maatregel wordt getroffen, voor zover er geen sprake is van een diffuse grondwaterverontreiniging waarbij geen specifieke bron van verontreiniging aanwijsbaar is.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.4.1.4</h3>\n<p class=\"lf-p\">Overige bouwwerken Subparagraaf 5.4.1.4.1 Vergunningvrij bouwen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5192\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.192</span><span class=\"lf-art-t\">Erf- of perceelsafscheidingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Erf- of perceelsafscheidingen mogen zonder vergunning worden gebouwd, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. de erf- of perceelsafscheiding wordt geplaatst in het achtererfgebied; b. een hoogte van niet meer dan 2 m; c. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5193\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.193</span><span class=\"lf-art-t\">Toegangspoorten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In een erf- of perceelsafscheiding op het voorerfgebied is het toegestaan om zonder vergunning een toegangspoort te plaatsen, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. de toegangspoort wordt geplaatst op het voorerfgebied bij een vrijstaande woning of bij een twee-aaneengebouwde woning; b. per perceel mag één toegangspoort geplaatst worden; c. de toegangspoort is maximaal 3 m breed; d. direct naast de toegangspoort mag een looppoort worden geplaatst met een breedte van maximaal 1 m; e. de toegangspoort en de looppoort bestaan uit spijlen en zijn voor minimaal 70% open; f. de toegangspoort en de looppoort zijn niet hoger dan de kolommen en pilaren; g. de kolommen of pilaren zijn maximaal 1,50 m hoog; h. eventuele ornamenten, lantarens of soortgelijke toevoegingen op de kolommen hebben een maximale hoogte van 0,50 m; i. de kolommen of pilaren hebben een breedte en diepte van maximaal 0,75 m; j. de toegangspoort en de looppoort draaien open over het eigen perceel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5194\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.194</span><span class=\"lf-art-t\">Steigers en vlonders</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Steigers en vlonders mogen zonder vergunning worden gebouwd, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. per perceel mag maximaal één steiger en één vlonder aanwezig zijn; b. de lengte van de steiger bedraagt maximaal 50% van de zijde van het perceel dat aan het water grenst tot een maximum van 6 m; c. de lengte van de vlonder, aan de zijde van het perceel dat aan het water grenst, bedraagt maximaal 6 m; d. de breedte van de steiger is maximaal 12,5% van de breedte van de watergang tot een maximum van 1,50 m; e. de bouwhoogte van steigers en vlonders, gemeten ten opzichte van het waterpeil ter plaatse, mag niet meer bedragen dan 1 m; f. de steiger staat op palen en vanuit de lengterichting gezien is de afstand tussen de palen minimaal 1,50 m; g. de steiger of de vlonder mag aan de zij-, voor- en achterkant niet worden dichtgemaakt; h. op de steiger of de vlonder worden geen hekwerken, relingen of daaraan gelijk te stellen bouwwerken aangebracht; i. een vlonder strekt zich niet uit boven het water; en j. de steiger of vlonder bestaat uit niet-uitlogend hout.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5195\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.195</span><span class=\"lf-art-t\">Sport- en speeltoestellen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Sport- of speeltoestellen anders dan voor uitsluitend particulier gebruik mogen zonder vergunning worden gebouwd, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. niet hoger dan 4 m; en b. uitsluitend functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5196\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.196</span><span class=\"lf-art-t\">Bouwwerk voor agrarische bedrijfsvoering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een bouwwerk, geen gebouw zijnde voor agrarische bedrijfsvoering mag zonder vergunning worden gebouwd als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. het bouwwerk wordt geplaatst in het achtererfgebied; b. het bouwwerk is een silo met een maximale hoogte van 10 m; of c. als het gaat om een ander bouwwerk is dit niet hoger dan 2 m.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5197\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.197</span><span class=\"lf-art-t\">Veranderen bouwwerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een bouwwerk mag zonder vergunning worden veranderd als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte; b. geen uitbreiding van het bouwvolume; en c. geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5198\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.198</span><span class=\"lf-art-t\">Warmtepomp voorerf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Warmtepompen mogen in het voorerf bij een woning worden geplaatst mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. per hoofdgebouw is maximaal één warmtepomp aanwezig; b. de warmtepomp wordt aangesloten op het afgiftesysteem van het hoofdgebouw, zodat de warmte wordt afgegeven aan het water in de leidingen, de radiotoren en eventuele vloerverwarming; c. de warmtepomp wordt gebruikt om het gehele gebouw te verwarmen; d. de warmtepomp steekt niet meer dan 1 m uit gemeten vanaf de oorspronkelijke voorgevel van het hoofdgebouw; e. de warmtepomp heeft een maximale oppervlakte van 2 m2; f. de hoogte van de warmtepomp bedraagt niet meer dan 1,30 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.4.1.4.2 Vergunningplichtige overige bouwwerken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5199\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.199</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing vergunningplicht overige bouwwerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende overige bouwwerken te bouwen of zodanig te wijzigen dat niet wordt voldaan aan de eisen van Subparagraaf 5.4.1.4.1: a. erf- of perceelsafscheidingen; b. steigers; c. vlonders; d. sport- en speeltoestellen anders dan voor particulier gebruik; e. bouwwerken voor agrarische bedrijfsvoering; f. veranderen van bouwwerken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5200\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.200</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning bedoeld in Artikel 5.199 sub a, d, e en f wordt alleen verleend als: a. dit ruimtelijk inpasbaar is gelet op, voor zover van toepassing:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de ruimtelijke kwaliteit van het openbare gebied;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de bebouwingsmogelijkheden, gebruiksmogelijkheden en/of bezonning van het betreffende perceel en de aangrenzende percelen en bouwwerken;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>de functionele, stedenbouwkundige en ruimtelijke structuur, zoals aansluiting op (structurele) groen- en waterelementen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>waarbij rekening wordt gehouden met het beeldkwaliteitsplan als dat voor de locatie van toepassing is; en b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5201\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.201</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels steigers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning bedoeld in Artikel 5.199 sub b wordt alleen verleend als: a. er geen sprake is van een onevenredige aantasting van de waterbelangen. Het college van burgemeester en wethouders vraagt daarover vooraf advies bij het bevoegde waterschap; b. dit ruimtelijk inpasbaar is gelet op:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de ruimtelijke kwaliteit van het openbare gebied;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de bebouwingsmogelijkheden, gebruiksmogelijkheden van het betreffende perceel en de aangrenzende percelen en bouwwerken;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>de functionele, stedenbouwkundige en ruimtelijke structuur, zoals aansluiting op (structurele) groen- en waterelementen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>waarbij rekening wordt gehouden met het beeldkwaliteitsplan als dat voor de locatie van toepassing is; en c. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5202\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.202</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels vlonders</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning bedoeld in Artikel 5.199 sub c wordt alleen verleend als: a. dit ruimtelijk inpasbaar is gelet op, voor zover van toepassing:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de ruimtelijke kwaliteit van het openbare gebied;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de bebouwingsmogelijkheden, gebruiksmogelijkheden van het betreffende perceel en de aangrenzende percelen en bouwwerken;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>de functionele, stedenbouwkundige en ruimtelijke structuur, zoals aansluiting op (structurele) groen- en waterelementen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>waarbij rekening wordt gehouden met het beeldkwaliteitsplan als dat voor de locatie van toepassing is; en b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.4.1.5</h3>\n<p class=\"lf-p\">Gemeentelijke monumenten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5203\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.203</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf gaat over het verrichten van bouwwerkzaamheden in het werkingsgebied Gemeentelijke monumenten aan een gemeentelijk monument dat is opgenomen in Bijlage III Gemeentelijke monumenten van dit omgevingsplan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5204\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.204</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen van: a. de schoonheid; b. betekenis voor de wetenschap; c. architectonische waarden; d. cultuurhistorische waarden; van gemeentelijke monumenten en het bevorderen van het gebruik van monumenten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5205\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.205</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing vergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden om zonder omgevingsvergunning bouwwerkzaamheden te verrichten aan gemeentelijke monumenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende subparagrafen gelden niet: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.4.1.3.1 - vergunningvrij bouwen bijbehorende bouwwerken; b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.4.1.4.1- vergunningvrij bouwen overige bouwwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing op: a. de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen; b. inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5206\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.206</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergunning bedoeld in Artikel 5.205 wordt alleen verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling bedoeld in het eerste lid wordt rekening gehouden met: a. de redenen waarom het monument als monument is aangewezen; b. de specifieke monumentale waarde van het monument of delen van het monument; c. de algemene cultuurhistorische waarde; d. de stedenbouwkundige waarde; e. eventueel aanwezige beeldbepalende ensemblewaarde; f. het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling bedoeld in het eerste lid wordt vooraf schriftelijk advies ingewonnen bij de gemeentelijke commissie ruimtelijke kwaliteit.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.4.1.6</h3>\n<p class=\"lf-p\">Cultuurhistorisch waardevolle objecten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5207\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.207</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf gaat over het bouwen en veranderen van bouwwerken binnen het werkingsgebied Cultuurhistorisch waardevol object.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5208\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.208</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen van: a. de cultuurhistorische waarde van een bouwwerk of object; b. de herkenbaarheid van de in het verleden ontstane elementen van het bouwwerk of object; c. de zichtbare relatie van het bouwwerk of object tot de geschiedkundige ontwikkeling van het gebied; d. de architectonische waarde van een bouwwerk of object.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5209\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.209</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing vergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden om zonder omgevingsvergunning te bouwen of bouwwerken te wijzigen binnen het werkingsgebied Cultuurhistorisch waardevol object.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkingsgebied Cultuurhistorisch waardevol object gelden de volgende subparagrafen niet: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.4.1.3.1 - vergunningvrij bouwen bijbehorende bouwwerken; b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.4.1.4.1 - vergunningvrij bouwen overige bouwwerken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.210</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning bedoeld in Artikel 5.209 kan worden verleend als geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarde van het gebouw of object.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval rekening gehouden met: a. de bouwmassa naar hoofdafmeting en onderlinge verhoudingen; b. de dakvorm; c. nokrichting; d. dakhelling; e. dakoverstekken, goot- en daklijsten; f. schoorstenen; g. de gevelindelingen naar ramen, deuren en erkers.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling bedoeld in het eerste lid wordt vooraf schriftelijk advies ingewonnen bij de gemeentelijke commissie ruimtelijke kwaliteit.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.4.1.7</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bouwen in een restrictiegebied leiding of belemmeringengebied buisleiding</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.211</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze paragraaf gaan over bouwactiviteiten in de volgende werkingsgebieden: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen brandstof; b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen gas; c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Restrictiegebied leiding Gas ontluchtingspunt; d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Restrictiegebied leiding Riool; e.</p>\n<p class=\"lf-p\">Restrictiegebied leiding Water.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5212\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.212</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het behoeden van de staat en werking van infrastructuur; b. het beschermen van de werking van leidingen; c. het voorkomen of beperken van hinder; d. het beschermen van de gezondheid; e. het waarborgen van de veiligheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5213\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.213</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplichtige activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zonder omgevingsvergunning worden geen bouwwerken gebouwd of in stand gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit verbod geldt niet voor het in stand laten van bestaande vergunde gebouwen en bouwwerken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5214\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.214</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning die is bedoeld in Artikel 5.213 wordt alleen verleend als: a. de activiteit geen onevenredig negatieve gevolgen heeft gelet op de oogmerken in Artikel 5.212; b. de activiteit geen onevenredig negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de leiding ten behoeve waarvan het restrictiegebied of belemmeringengebied is aangewezen; c. de veiligheid van de buisleiding niet wordt geschaad; d. de integriteit van de buisleiding niet wordt geschaad; en e. de werking van de buisleiding niet wordt geschaad bij de beoordeling wordt het advies van de beheerder van de leiding betrokken.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.4.1.8</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bouwen nabij een waterkering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5215\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.215</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf gaat over: a. bouwactiviteiten in Beperkingengebied met betrekking tot een waterkering. b. bouwactiviteiten in Waterkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5216\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.216</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de regionale waterkering; b. het beschermen van waterstaatkundige belangen; c. een goede werking en bescherming van het watersysteem.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5217\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.217</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplichtige activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zonder omgevingsvergunning worden geen bouwwerken gebouwd of in stand gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit verbod geldt niet voor het in stand laten van bestaande vergunde gebouwen en bouwwerken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5218\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.218</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning die is bedoeld in Artikel 5.217 wordt alleen verleend als de activiteit geen onevenredig negatieve gevolgen heeft voor het watersysteem gelet op de oogmerken bedoeld in Artikel 5.216.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling in Artikel 5.218, eerste lid wordt het advies van de waterbeheerder betrokken tenzij voor de activiteit een omgevingsvergunning van de waterbeheerder is vereist, die vergunning is verleend of de activiteit onder de algemene regels van de waterbeheerder valt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.4.1.9</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bouwen in een aanwijzing groen, water en wegen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5219\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.219</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze paragraaf gaan over bouwactiviteiten binnen een aanwijzing groen, water en wegen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5220\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.220</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het behoeden van de staat en werking van infrastructuur; b. het voorkomen of beperken van hinder; c. het beschermen van de gezondheid; d. een goede werking en bescherming van het watersysteem; e. het waarborgen van de veiligheid; f. het bevorderen en beschermen van biodiversiteit; en g. de ruimtelijke kwaliteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5221\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.221</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkingsgebied Water en groen is het toegestaan om bouwwerken geen gebouwen zijnde zonder vergunning te bouwen, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. er is sprake van een ondersteunend kunstwerk; b. de activiteit wordt verricht door of in opdracht van de waterbeheerder of het college van burgemeester en wethouders; c. de hoogte van het bouwwerk is maximaal 1 meter.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5222\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.222</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplichtige activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zonder omgevingsvergunning worden geen bouwwerken gebouwd of in stand gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit verbod geldt niet voor het in stand laten van bestaande vergunde gebouwen en bouwwerken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5223\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.223</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning die is bedoeld in Artikel 5.222 wordt alleen verleend als de activiteit geen onevenredig negatieve gevolgen heeft gelet op de oogmerken in Artikel 5.220.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.4.1.10</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bouwen grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5224\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.224</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf gaat over: a. het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie; b. deze subparagraaf is niet van toepassing op bouwactiviteiten die vergunningplichtig zijn op grond van Paragraaf 5.4.1.2 of Paragraaf 5.4.1.3; c. deze subparagraaf is niet van toepassing als er wordt gebouwd op een locatie die in het omgevingsplan is aangewezen waar een verdenking van verontreiniging van grondwater redelijkerwijs is uit te sluiten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5225\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.225</span><span class=\"lf-art-t\">Meldplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voordat een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie wordt gebouwd wordt hiervan een melding gedaan bij het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5226\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.226</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De melding bedoeld in Artikel 5.225 wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht; b. het adres waar de bouwactiviteit wordt verricht; c. de dagtekening; d. het voorafgaand onderzoek, bedoeld in Artikel 5.176, vierde lid sub a; e. een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit als bedoeld in paragraaf 3.4.2 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening; f. indien uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging: een afschrift van de melding, bedoeld 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving, die aannemelijk maken dat een bronaanpak als sanerende maatregel wordt getroffen; en g. indien uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft: een afschrift van de aanvraag om een omgevingsvergunninggrondwatersanering als bedoeld in paragraaf 3.4.3 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening die aannemelijk maken dat een grondwatersanering als sanerende maatregel wordt getroffen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5227\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.227</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene regels grondwaterkwaliteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie is toegelaten: a. als er geen sprake is van grondwaterverontreiniging; b. als er wordt gebouwd op een locatie die in het omgevingsplan is aangewezen waar een verdenking van verontreiniging van grondwater redelijkerwijs is uit te sluiten; c. als er sprake is van grondwaterverontreiniging: indien voldaan wordt aan de criteria, bedoeld in artikel 7.31, tweede en derde lid van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, zodat er geen risicobeoordeling grondwaterkwaliteit verricht hoeft te worden; of d. als er sprake is van grondwaterverontreiniging: als na het verrichten van een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat er geen sprake is van een significante grondwaterverontreiniging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5228\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.228</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene regels bij significante grondwaterverontreiniging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien sprake is van significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening is het bouwen alleen toegestaan indien de volgende sanerende maatregelen worden getroffen: a. als aannemelijk is dat een bronaanpak als bedoeld in artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt getroffen; b. als aannemelijk is dat een saneringsmaatregel afdekken als bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving als sanerende maatregel getroffen wordt en:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de afdeklaag bestaat uit een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag als bedoeld in 4.1241, derde lid onder a van het Besluit activiteiten leefomgeving; en 2. aannemelijk wordt gemaakt dat de saneringsaanpak leidt tot het beperken of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater. c. een grondwatersanering overeenkomstig de regels in paragraaf 3.4.3 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening als uit de aan gedeputeerde staten verstrekte gegevens en bescheiden na uitvoering van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft; d. het bepaalde onder b is niet van toepassing als er sprake is van een diffuse grondwaterverontreiniging, waarbij geen specifieke bron van verontreiniging aanwijsbaar is.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.4.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Slopen en verstoren van bouwwerken</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.4.2.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5229\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.229</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling gaat over het slopen of verstoren van bouwwerken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5230\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.230</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; c. de duurzaamheid; en d. het voorkomen van hinder en overlast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5231\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.231</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht bescherming omgeving sloopwerkzaamheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Degene die sloopwerkzaamheden verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de werkzaamheden kunnen leiden tot beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen bouwwerken en andere wel of niet roerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouwterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die beschadiging of belemmering te voorkomen of niet te laten voortduren.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.4.2.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Slopen of verstoren van bouwwerken - afweging gemeentelijk monument</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5232\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.232</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf gaat over het slopen, verstoren of op enige manier wijzigen van gemeentelijke monumenten die zijn aangewezen in Bijlage III Gemeentelijke monumenten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5233\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.233</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplichtige activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gemeentelijke monumenten te slopen, te verstoren of op enige manier te wijzigen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5234\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.234</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">a.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergunning als bedoeld in Artikel 5.233 worden verleend als geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de monumentale waarde van het monument. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college van burgemeester en wethouders betrekt het advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit bij de afweging over de vergunningverlening.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.4.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bouwactiviteiten in aandachtsgebieden - [gereserveerd]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.4.3.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Brandvoorschriftengebied - [gereserveerd]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5235\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.235</span><span class=\"lf-art-t\">Brandvoorschriftengebied - [gereserveerd]</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gereserveerd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.4.3.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Explosievoorschriftengebied - [gereserveerd]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5236\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.236</span><span class=\"lf-art-t\">Explosievoorschriftengebied - [gereserveerd]</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gereserveerd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel  5.5</h3>\n<p class=\"lf-p\">Milieubelastende activiteiten</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.5.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemene regels</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.5.1.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5237\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.237</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regels van deze titel gaan over de milieubelastende activiteiten in Titel 5.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze titel is niet van toepassing op: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>dat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of 3. waarover geluidsregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening; f. het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos, die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en g. bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.</div>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in Paragraaf 22.3.7 van het omgevingsplan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5238\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.238</span><span class=\"lf-art-t\">Voorrangsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels over milieubelastende activiteiten in Hoofdstuk 5 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5239\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.239</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels voor milieubelastende activiteiten in deze titel zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; en c. het beschermen van het milieu, waaronder:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; en 3. een doelmatig beheer van afvalstoffen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5240\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.240</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in Artikel 5.239, is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat: a. de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; en b. de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in de door in dit omgevingsplan aangewezen gebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid, voor zover het ziet op het tweede lid en het tweede lid, zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5241\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.241</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerkvoorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.240, b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.245; c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.246; d.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5.5.2.</h3>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.245; b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.246; c.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5.5.2, tenzij in dit omgevingsplan anders is bepaald.</h3>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen bedoeld in Artikel 5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5242\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.242</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5243\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.243</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voordat de naam of het adres, bedoeld in Artikel 5.242 wijzigt, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5244\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.244</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt, die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn, gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gegevens en bescheiden worden verstrekt, voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5245\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.245</span><span class=\"lf-art-t\">Informeren over een ongewoon voorval</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college van burgemeester en wethouders wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5246\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.246</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn genomen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5247\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.247</span><span class=\"lf-art-t\">Geluid: onderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht: a. als tussen 19.00 uur en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken aan motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen; b. bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt; d. bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden; e. bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken; f. bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren; g. bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m; h. bij een buitenschietbaan; en i. als het op basis van de aard van de activiteit, aannemelijk is dat:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, het equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:</div>\n<p class=\"lf-p\">I.</p>\n<p class=\"lf-p\">70 dB(A), als die ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; of II.</p>\n<p class=\"lf-p\">80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder i;</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>in de buitenlucht of op een open terrein muziek ten gehore zal worden gebracht.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gemiddelde aantal transportbewegingen is een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, geldt in afwijking van het eerste lid, onder a, het aantal transportbewegingen tussen 19.00 uur en 6.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het rapport van een geluidonderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of wordt voldaan aan: a. de waarden, bedoeld in Paragraaf 5.2.1.4; of b. de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden, bedoeld onder a en b, worden overschreden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5248\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.248</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden rapport geluidonderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in Artikel 5.247, verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5249\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.249</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden - gezoneerd industrieterrein</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel gaat over een activiteit op een gezoneerd industrieterrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit waar: a. tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn; b. het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:</p>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1°; c. in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht; d. in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is; e. geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel; f. geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt; g. geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s; h. geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en i. geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt;</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, Artikel 5.248 of een ander artikel in deze paragraaf een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de grenzen van het terrein; en 2. de ligging van de gebouwen; c. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en d. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.</div>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.5.1.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Aanvraagvereisten voor milieubelastende activiteiten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5250\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.250</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf gaat over milieubelastende activiteiten waarvoor een meldingsplicht of vergunningplicht geldt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5251\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.251</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; en c. de dagtekening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5252\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.252</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voordat de naam of het adres, bedoeld in Artikel 5.251, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.5.1.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Vergunningplichten, aanvraagvereisten en beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5253\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.253</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5254\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.254</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunning verwerken polyesterhars</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning het verwerken van polyesterhars, waarbij 1 kg of meer organische peroxiden van ADR klasse 5.2 aanwezig is, te beginnen of te veranderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt een beschrijving verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om de emissie van styreen te beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als geurhinder wordt voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5255\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.255</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunning installeren gesloten bodemenergiesystemen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gesloten bodemenergiesysteem aan te leggen of te gebruiken: a. in een interferentiegebied dat is aangewezen in dit omgevingsplan; of b. met een bodemzijdig vermogen van 70 kW of meer.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een plattegrondtekening en situatietekening met daarop de ligging van de lussen van het gesloten bodemenergiesysteem, het middelpunt van het systeem en de einddiepte waarop het systeem zal worden aangelegd; b. de coördinaten van het middelpunt van het gesloten bodemenergiesysteem en de einddiepte van het systeem in meters onder het maaiveld; c. gegevens waaruit blijkt dat het gebruiken van het gesloten bodemenergiesysteem niet leidt tot negatieve interferentie met bodemenergiesystemen in de omgeving waarvoor een melding is gedaan of een omgevingsvergunning is verleend; d. een verklaring van degene die het gesloten bodemenergiesysteem installeert over het energierendement, uitgedrukt als de SPF, dat het systeem zal behalen; e. informatie over het bodemzijdig vermogen van het gesloten bodemenergiesysteem en de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het systeem zal voorzien; en f. de naam en het adres van degene die het gesloten bodemenergiesysteem zal ontwerpen, installeren en van degene die de boringen zal verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. het bodemenergiesysteem geen interferentie kan veroorzaken met een ander bodemenergiesysteem waardoor het doelmatig functioneren van een van de systemen kan worden geschaad; en b. er geen sprake is van een ondoelmatig gebruik van bodemenergie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5256\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.256</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunning kweken maden van vliegende insecten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning maden van vliegende insecten te kweken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een aanduiding van het soort maden dat wordt gekweekt; b. het aantal maden dat ten hoogste zal worden gehouden; c. een beschrijving van de voorziening waarin de maden worden gehouden; en d. de maatregelen die worden getroffen om hinder voor de omgeving te voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5257\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.257</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunning opslaan propaan of propeen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning propaan of propeen op te slaan in meer dan twee opslagtanks met een inhoud van meer dan 150 l.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het aantal opslagtanks, met voor iedere opslagtank:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de hoeveelheid die ten hoogste wordt opgeslagen in kubieke meters;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de grootte in kubieke meters; en 3. een aanduiding of het gaat om een bovengrondse of ondergrondse opslagtank; b. als het gaat om het opslaan van ten hoogste 50 m3 propaan of propeen met een jaarlijkse doorzet van ten hoogste 600 m3:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de jaarlijkse doorzet in kubieke meters;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>als het gaat om een bovengrondse opslagtank: de coördinaten van het vulpunt en de opslagtank;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>als het gaat om een ondergrondse opslagtank: de coördinaten van het vulpunt, de bovengrondse vloeistofvoerende leiding en de aansluitpunten van die leiding en pomp; en 4. een beschrijving van de ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet, die zich kunnen voordoen en de passende maatregelen die worden getroffen voor het voorkomen daarvan; en c. als het gaat om het opslaan van ten hoogste 50 m3 propaan of propeen met een jaarlijkse doorzet van meer dan 600 m3 of meer dan 50 m3 propaan of propeen:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de gegevens en bescheiden, genoemd onder b;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de berekende afstand in meters tot waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 1.000.000, 1 op de 10.000.000 en 1 op de 100.000.000 per jaar is en de aan de berekening ten grondslag liggende rekenbestanden; en 3. de berekende afstand in meters voor de aandachtsgebieden, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en de aan de berekening ten grondslag liggende rekenbestanden.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5258\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.258</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunning tanken met LPG</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning voertuigen of werktuigen te tanken met LPG.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het aantal opslagtanks dat aanwezig is b. de coördinaten van:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>het vulpunt;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de bovengrondse vloeistofvoerende leiding;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>de aansluitpunten van die leiding en pomp;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>de bovengrondse opslagtank; en 5. de tankzuil; c. het brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; d. de hoeveelheid LPG die ten hoogste wordt opgeslagen; en e. een inschatting van de doorzet van LPG in m3 per jaar.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5259\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.259</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunning antihagelkanonnen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning een installatie in werking te hebben waarin gassen worden gemengd en tot ontbranding worden gebracht met als doel het opwekken van een schokgolf.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het inwerking hebben van een installatie waarin gassen worden gemengd en tot ontbranding gebracht, worden de volgende gegevens verstrekt: a. de aard en omvang van de geluidemissies; b. de door de activiteit veroorzaakte geluidimmissie; en c. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om geluidemissies te beperken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5260\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.260</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunning biologische agens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning een praktijkruimte of laboratorium in werking te hebben waar gericht wordt gewerkt met biologische agens, met uitzondering van biologische agens die ingedeeld zijn of worden in groep 1 of groep 2 als gevolg van de indeling van risicogroepen van de richtlijn 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan biologische agentia op het werk (zevende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 83/391/EEG) (PbEG 2000, L 262).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de groep waarin het biologisch agens is of wordt ingedeeld als gevolg van de indeling in risicogroepen van de richtlijn biologische agentia; b. informatie over de op grond van artikel 2.22, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen ziekteverwekkers; en c. een aanduiding van de ligging van de ruimten waar gewerkt wordt met het biologisch agens.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5261\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.261</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunning genetisch gemodificeerde organismen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning ingeperkt gebruik als bedoeld in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 te verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing op: a. ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen als bedoeld in artikel 2.1 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013; of b. ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen die door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op grond van artikel 2.2 of artikel 2.8 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 zijn ingeschaald in de categorie van fysische inperking S-I 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. per type werkruimte als bedoeld in bijlage 4 bij het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 het maximale aantal werkruimten:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>waarop inperkingsniveau I of II van toepassing is;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>waarop inperkingsniveau III van toepassing is; en b. een plattegrond waarop het ggo-gebied is aangegeven.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5262\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.262</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunning opslaan dierlijke meststoffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning: a. drijfmest, digestaat of dunne fractie op te slaan in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte groter dan 750 m2 of een gezamenlijke inhoud groter dan 2.500 m3; of b. meer dan 600 m3 vaste mest op te slaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden gegevens en bescheiden verstrekt over: a. het totaal volume of de totale oppervlakte van de mestbassins; en b. het totaal volume van de opslagcapaciteit vaste mest in kubieke meters.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5263\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.263</span><span class=\"lf-art-t\">Vangnetvergunning lozen in de bodem</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater op of in de bodem te lozen, tenzij het lozen op grond van deze afdeling is toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing op: a. wonen; of b. een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of c. het lozen op of in de bodem waaraan in een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van de waterschapsverordening voorschriften zijn gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater op of in de bodem worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de maximale hoeveelheid afvalwater per uur; en b. het soort afvalwater.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5264\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.264</span><span class=\"lf-art-t\">Vangnetvergunning lozen in schoonwaterriool</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater of andere afvalstoffen te lozen in een schoonwaterriool, tenzij het lozen op grond van deze afdeling is toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing op: a. wonen; b. een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of c. het lozen op of in de bodem waaraan in een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van de waterschapsverordening voorschriften zijn gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater in die voorziening worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de maximale hoeveelheid afvalwater per uur; en b. het soort afvalwater.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5265\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.265</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteiten, bedoeld in Artikel 5.256 tot en met Artikel 5.264 zijn de beoordelingsregels in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.5.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Milieubelastende activiteiten</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.5.2.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Afvalwaterbeheer: lozen van grondwater bij sanering of ontwatering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5266\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.266</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf gaat over het lozen van grondwater afkomstig van: a. een bodemsanering of grondwatersanering; b. een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering; en c. ontwatering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5267\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.267</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in Artikel 5.266, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering, als: a. het lozen niet langer dan 48 uur duurt; of b. het lozen plaatsvindt bij wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste en tweede lid worden de gegevens en bescheiden ten minste vijf werkdagen voor het begin van het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering verstrekt, als het lozen langer duurt dan 48 uur maar niet langer dan 8 weken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5268\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.268</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen van grondwater bij saneringen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater, afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het lozen van dat grondwater op of in de bodem zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in bijlage XIX bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, gemeten in een steekmonster.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het lozen van dat grondwater in een schoonwaterriool zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in onderstaande tabel, gemeten in een steekmonster.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stof Emissiewaarde in µg/l of in mg/l Naftaleen 0,2 µg/l PAK's 1 µg/l BTEX 50 µg/l Vluchtige organohalogeen-verbindingen uitgedrukt als chloor 20 µg/l Aromatische organohalogeen-verbindingen 20 µg/l Minerale olie 500 µg/l Cadmium 4 µg/l Kwik 1 µg/l Koper 11 µg/l Nikkel 41 µg/l Lood 53 µg/l Zink 120 µg/l Chroom 24 µg/l Onopgeloste stoffen 50 mg/l 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat grondwater wordt niet geloosd in een vuilwaterriool.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5269\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.269</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen van grondwater bij ontwatering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater bij ontwatering, dat niet afkomstig is van een bodemsanering, een grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een bodemsanering of grondwatersanering en dat geen drainagewater is als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het lozen van dat grondwater in een schoonwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 50 mg/l en voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het lozen van dat grondwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het lozen van dat grondwater in een vuilwaterriool duurt niet langer dan 8 weken en de geloosde hoeveelheid is ten hoogste 5 m3/u.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering bij wonen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5270\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.270</span><span class=\"lf-art-t\">Meet- en rekenbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680; b. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993; c. voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden; d. voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2; e. voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN- ISO 15587-2; f. voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; g. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872; h. voor chloride: NEN-EN-ISO 15682; i. voor cyaniden totaal: NEN-EN-ISO 14403-1 en NEN-EN-ISO 14403-2; j. voor ammonium, nitraat, totaal-fosfaat en sulfaat: NEN-EN-ISO 15923-1; k. voor fluoride: NEN 6589 of NEN 6578; l. voor endosulfan, α-HCH, y-HCH (lindaan), DDT (incl. DDD en DDE), aldrin, dieldrin, endrin, hexachloorbutadieen en hexachloorbenzeen: NEN-EN 16693; m. voor dichloorpropeen: NEN-EN-ISO 15680; n. voor mecoprop: NEN-EN-ISO 15913; o. voor trichloorfenolen, tetrachloorfenol, dichloorfenolen en pentachloorfenol: NEN-EN 12673; p. voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2; q. voor anthraceen, fenanthreen, chryseen, fluorantheen, benzo(a)anthraceen, benzo(k)fluorantheen, benzo(a)pyreen, benzo(ghi)peryleen en indeno(l23cd)pyreen: NEN-EN-ISO 17993; r. voor trihalomethanen (THM): ISO 11423-1; s. voor adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (AOX): NEN-EN-ISO 9562; t. voor de zuurgraad (pH): NEN-EN-ISO 10523; en u. voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.5.2.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Zwerfafval</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5271\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.271</span><span class=\"lf-art-t\">Zwerfafval</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.5.2.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Afvalwaterbeheer: lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5272\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.272</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf gaat over het lozen van afvloeiend hemelwater, dat: a. niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening; b. geen drainagewater is als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en c. geen afvalwater van een kas is als bedoeld in paragraaf 4.78 van dat besluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5273\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.273</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste zes maanden voor de voorgenomen aanleg van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing van afvloeiend hemelwater; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste zes maanden voor het veranderen van het lozen door een reconstructie of ingrijpende wijziging van die wegen of daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5274\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.274</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen van afvloeiend hemelwater</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvloeiend hemelwater worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afvloeiend hemelwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen op of in de bodem, in een schoonwaterriool of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid is niet van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat: a. afkomstig is van wonen; of b. al plaatsvond voordat het Activiteitenbesluit milieubeheer of het Besluit lozen buiten inrichtingen op de lozing van toepassing werd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater, afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen in een schoonwaterriool geloosd als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het lozen vanuit een pompkelder van een tunnel of een verdiept weggedeelte is, als dat redelijkerwijs mogelijk is, een voorziening aanwezig om, in afwijking van het vierde lid, het meest vervuilde hemelwater in een vuilwaterriool te lozen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.5.2.4</h3>\n<p class=\"lf-p\">Afvalwaterbeheer: lozen van huishoudelijk afvalwater</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5275\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.275</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf gaat over het lozen van huishoudelijk afvalwater.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5276\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.276</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in Artikel 5.277, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd; b. de wijze van behandeling van het afvalwater; en c. de verwachte datum van het begin van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater: a. vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of b. op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5277\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.277</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen van huishoudelijk afvalwater</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt huishoudelijk afvalwater alleen op of in de bodem geloosd als het lozen plaatsvindt buiten een bebouwde kom of binnen een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">40 m bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten; b.</p>\n<p class=\"lf-p\">100 m bij meer dan 10 maar minder dan 25 inwonerequivalenten; c.</p>\n<p class=\"lf-p\">600 m bij 25 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 50 inwonerequivalenten; d.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.500 m bij 50 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 100 inwonerequivalenten; en e.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.000 m bij 100 of meer inwonerequivalenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt; en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem dat voor 1 juli 1990 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid kan huishoudelijk afvalwater in de bodem worden geloosd: a. vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of b. op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5278\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.278</span><span class=\"lf-art-t\">Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op of in de bodem, geleid via een zuiveringsvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in onderstaande tabel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stof Emissiegrenswaarde in mg/l Emissiegrenswaarde in mg/l Representatief etmaalmonster Steekmonster Biochemisch zuurstofverbruik 30 mg/l 60 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 150 mg/l 300 mg/l Onopgeloste stoffen 30 mg/l 60 mg/l 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat kan het, in afwijking van het tweede lid, voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een septictank: a. met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of b. die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater: a. vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of b. op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5279\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.279</span><span class=\"lf-art-t\">Meet- en rekenbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2; en b. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5280\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.280</span><span class=\"lf-art-t\">Geen voedselvermaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Huishoudelijk afvalwater, afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen in een huishouden en daarmee samenhangende activiteiten, dat afvalstoffen bevat die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.5.2.5</h3>\n<p class=\"lf-p\">Afvalwaterbeheer: lozen van koelwater</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5281\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.281</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf gaat over het lozen van koelwater dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5282\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.282</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in Artikel 5.281, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de maximale warmtevracht; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5283\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.283</span><span class=\"lf-art-t\">Koelwater</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan koelwater worden geloosd in een schoonwaterriool.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Koelwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen in een schoonwaterriool of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het te lozen koelwater worden geen chemicaliën toegevoegd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.5.2.6</h3>\n<p class=\"lf-p\">Afvalwaterbeheer: lozen bij onderhoudswerkzaamheden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5284\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.284</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf gaat over het lozen van afvalwater, afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5285\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.285</span><span class=\"lf-art-t\">Periodiek reinigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken niet in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater of op of in de bodem geloosd, tenzij het gaat om afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.5.2.7</h3>\n<p class=\"lf-p\">Afvalwaterbeheer: lozen bij opslaan en overslaan van goederen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5286\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.286</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf gaat over het lozen van afvalwater afkomstig van het opslaan en overslaan van goederen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5287\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.287</span><span class=\"lf-art-t\">Inerte goederen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van deze subparagraaf worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn: a. bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c.</p>\n<p class=\"lf-p\">A-hout en ongeshredderd B-hout; d. snoeihout; e. banden van voertuigen; f. autowrakken bij een autodemontagebedrijf waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt en wrakken van tweewielige motorvoertuigen bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt; g. straatmeubilair; h. tuinmeubilair; i. aluminium, ijzer en roestvrij staal; j. kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen; k. kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels; l. papier en karton; m. textiel en tapijt; en n. vlakglas.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5288\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.288</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in Artikel 5.286, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de opgeslagen goederen; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van wonen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5289\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.289</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen bij opslaan inerte goederen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen, worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat afvalwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd, als het lozen op of in de bodem, op een oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het lozen van dat afvalwater in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de opgeslagen inerte goederen worden bevochtigd, wordt afvalwater dat met opgeslagen goederen in contact is geweest, zoveel mogelijk voor dit bevochtigen gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van wonen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5290\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.290</span><span class=\"lf-art-t\">Meet- en rekenbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5291\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.291</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uitzondering voorgeschreven lozingsroute bij opslaan van lekkende, uitlogende en vermestende goederen Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van artikel 4.1057, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in dat artikel, geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.5.2.8</h3>\n<p class=\"lf-p\">Afvalwaterbeheer: lozen vanuit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5292\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.292</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf gaat over het lozen van afvalwater afkomstig uit: a. een openbaar ontwateringsstelsel of een openbaar hemelwaterstelsel; en b. een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5293\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.293</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelsel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan het afvalwater afkomstig uit een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar ontwateringsstelsel worden geloosd op of in de bodem, als dat stelsel voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen en maatregelen als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1° en 2°, van de Omgevingswet, en dat stelsel volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5294\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.294</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan huishoudelijk afvalwater afkomstig uit een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet, worden geloosd op of in de bodem, als dat systeem voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die systemen en volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.5.2.9</h3>\n<p class=\"lf-p\">Afvalwaterbeheer: lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5295\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.295</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf gaat over het lozen van afvalwater, afkomstig van het schoonmaken en in gebruik nemen van middelen voor het opslaan, transporteren en distribueren van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5296\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.296</span><span class=\"lf-art-t\">Schoonmaken drinkwaterleidingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater, worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat afvalwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen op of in de bodem, op een oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het lozen op of in de bodem ontstaat geen wateroverlast.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het water dat wordt gebruikt voor het schoonmaken en dat wordt geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool, worden geen chemicaliën toegevoegd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.5.2.10</h3>\n<p class=\"lf-p\">Afvalwaterbeheer: lozen bij calamiteitenoefeningen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5297\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.297</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf gaat over het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid geldt niet voor het lozen van afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken, bedoeld in artikel 3.259 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5298\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.298</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in Artikel 5.297, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de activiteit; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5299\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.299</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen bij calamiteitenoefeningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.5.2.11</h3>\n<p class=\"lf-p\">Lozen bij maken van betonmortel</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5300\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.300</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf gaat over het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de activiteit omvat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5301\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.301</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 5.300 worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de lozingsroute; b. de aard en omvang van de lozing; en c. de verwachte datum van het begin van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5302\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.302</span><span class=\"lf-art-t\">Water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 4.140, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan te lozen afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, ook worden geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het lozen van dat afvalwater in een schoonwaterriool zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in onderstaande tabel, gemeten in een steekmonster.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stof Emissiegrenswaarden in mg/l Onopgeloste stoffen 100 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 200 mg/l 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5303\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.303</span><span class=\"lf-art-t\">Meet- en rekenbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; en b. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.5.2.12</h3>\n<p class=\"lf-p\">Uitwassen van beton</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5304\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.304</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf gaat over het uitwassen van beton, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de activiteit omvat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5305\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.305</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 5.304 worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5306\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.306</span><span class=\"lf-art-t\">Water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 4.158, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan te lozen afvalwater afkomstig van het uitwassen van beton ook worden geloosd in een vuilwaterriool.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het lozen van dat afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5307\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.307</span><span class=\"lf-art-t\">Meet- en rekenbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.5.2.13</h3>\n<p class=\"lf-p\">Opwekken van elektriciteit met een windturbine</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5308\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.308</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf gaat over het opwekken van elektriciteit met een windturbine, met een rotordiameter van meer dan 2 m bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, als: a. die slagschaduw veroorzaakt in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een locatie is toegestaan op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of b. die lichtschittering veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine, in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een locatie is toegestaan op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5309\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.309</span><span class=\"lf-art-t\">Slagschaduw: stilstandvoorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen of beperken van slagschaduw is de windturbine voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt als gemiddeld meer dan zeventien dagen per jaar gedurende meer dan twintig minuten per dag slagschaduw kan optreden in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw en voor zover de afstand tussen de windturbine en een slagschaduwgevoelig gebouw minder dan twaalf maal de rotordiameter bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afstand wordt gemeten van een punt op ashoogte van de windturbine: a. tot de gevel van een slagschaduwgevoelig gebouw; en b. tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5310\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.310</span><span class=\"lf-art-t\">Slagschaduw: functionele binding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.309 is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in verblijfsruimten van een slagschaduwgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met de windturbine.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5311\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.311</span><span class=\"lf-art-t\">Slagschaduw: voormalige functionele binding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gereserveerd voor voormalige functionele binding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5312\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.312</span><span class=\"lf-art-t\">Lichtschittering: beperken van reflectie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lichtschittering wordt bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine voorkomen of zoveel mogelijk beperkt door toepassing van niet reflecterende materialen of coatinglagen op de betrokken onderdelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5313\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.313</span><span class=\"lf-art-t\">Lichtschittering: meten reflectiewaarden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op het uitvoeren van een meting van reflectiewaarden is NEN-EN-ISO 2813 van toepassing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.5.2.14</h3>\n<p class=\"lf-p\">In werking hebben van een acculader</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5314\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.314</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf gaat over het met een acculader laden van een natte accu die vloeibare bodembedreigende stoffen bevat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5315\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.315</span><span class=\"lf-art-t\">Bodem: bodembeschermende voorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het laden van een accu plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5316\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.316</span><span class=\"lf-art-t\">Bodem: logboek bodembeschermende voorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.5.2.15</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5317\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.317</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf gaat over het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage met meer dan 20 parkeerplaatsen die voorzien is van mechanische ventilatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5318\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.318</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het begin van het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage met meer dan 30 parkeerplaatsen worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de grenzen van het terrein;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de ligging en de indeling van de gebouwen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>het gebruik van de te onderscheiden ruimten; en 4. de ligging van de bedrijfsriolering; c. een situatietekening, met een schaal van ten minste 1:10.000, waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en d. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5319\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.319</span><span class=\"lf-art-t\">Lucht en geur: afvoeren emissies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het beschermen van de kwaliteit van de lucht en het voorkomen of beperken van geurhinder: a. worden de aanzuigopeningen voor de ventilatie van de parkeergarage in een verkeersluwe omgeving, of, als dat niet mogelijk is, op ten minste 5 m boven het straatniveau en buiten de beïnvloeding van de uitblaasopeningen aangebracht; b. wordt de uit de parkeergarage afgezogen lucht verticaal uitgeblazen op ten minste 5 m boven het straatniveau of, als binnen 25 m van de uitblaasopening een gebouw is gelegen met een hoogste daklijn die meer dan 5 m boven het straatniveau is gelegen, ten minste 1 m boven de hoogste daklijn van dat gebouw; en c. bedraagt de snelheid van de uitgeblazen lucht, gemeten bij de rand van de uitblaasopening, ten minste 10 m per seconde.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het eerste lid niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit: a. een onherroepelijke vergunning is verleend; of b. voorschriften golden op grond van een van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.5.2.16</h3>\n<p class=\"lf-p\">Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5320\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.320</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf gaat over het lozen van afvalwater afkomstig van het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de activiteit omvat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5321\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.321</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het begin van het lozen, bedoeld in de Artikel 5.324 en Artikel 5.325, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing; b. de plaats van de lozingspunten; en c. de verwachte datum van het begin van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5322\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.322</span><span class=\"lf-art-t\">Recirculatie bij grondgebonden teelt in een kas</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 4.791l van het Besluit activiteiten leefomgeving, hoeft bij het lozen van drainagewater afkomstig van het telen van gewassen in een kas die op materiaal groeien dat in verbinding staat met de ondergrond, geen recirculatiesysteem aanwezig en in gebruik te zijn, als hergebruik van drainagewater niet doelmatig is en het lozen is aangevangen voor inwerkingtreding van de Omgevingswet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5323\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.323</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 4.761, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt te lozen afvalwater, afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere route.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5324\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.324</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen bij sorteren van biologisch geteeld fruit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 4.773, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt te lozen afvalwater, afkomstig van het sorteren van biologisch geteeld fruit, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere lozingsroute.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5325\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.325</span><span class=\"lf-art-t\">Uitzondering voorgeschreven lozingsroute afvalwater uit een gebouw</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van artikel 4.795, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in dat artikel, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5326\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.326</span><span class=\"lf-art-t\">Meet- en rekenbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.5.2.17</h3>\n<p class=\"lf-p\">Recreatieve visvijvers</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5327\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.327</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf gaat over het exploiteren van een recreatieve visvijver.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5328\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.328</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 5.327 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de grenzen van het terrein; en 2. de plaats van de lozingspunten; c. een situatiestekening, met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en d. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5329\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.329</span><span class=\"lf-art-t\">Water: lozingsroute</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan spuiwater uit recreatieve visvijvers worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool. Het spuiwater wordt niet geloosd in een vuilwaterriool.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.5.2.18</h3>\n<p class=\"lf-p\">Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5330\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.330</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf gaat over het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is niet van toepassing op: a. digitaal afdrukken; en b. ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal bij wonen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5331\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.331</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 5.330 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de grenzen van het terrein;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de ligging en de indeling van de gebouwen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>het gebruik van de te onderscheiden ruimten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>de ligging van de bedrijfsriolering; en 5. de plaats van de lozingspunten; c. een situatieschets, met een schaal van ten minste 1:10.000 aangegeven waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en d. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5332\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.332</span><span class=\"lf-art-t\">Water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er worden in goede staat verkerende afkwetsrollen gebruikt en er wordt een doelmatige zilverterugwininstallatie toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het tweede lid hoeft geen zilverterugwininstallatie te worden toegepast als per jaar minder dan 700 liter aan gebruiksklare fixeer wordt gebruikt en er gedragsvoorschriften zijn opgesteld en worden nageleefd gericht op het beperken van de emissie van zilver.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het afvalwater is de emissiegrenswaarde voor zilver 4 milligram per liter, gemeten in een steekmonster.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5333\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.333</span><span class=\"lf-art-t\">Meet- en rekenbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het analyseren van zilver is NEN 6966, NEN-EN-ISO 17294-2, NEN-EN-ISO 11885 of NEN 6965 van toepassing, waarbij onopgeloste stoffen worden meegenomen in de analyse en elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.5.2.19</h3>\n<p class=\"lf-p\">Wassen van motorvoertuigen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5334\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.334</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf gaat over het uitwendig wassen van motorvoertuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf is niet van toepassing: a. als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat; en b. op wassen van motorvoertuigen bij wonen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5335\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.335</span><span class=\"lf-art-t\">Bodem</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met oliën, vetten en koelvloeistof wordt gewassen boven een vloeistofdichte bodemvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motorvoertuigen kunnen ook worden gewassen op een mobiele wasinstallatie die zodanig is uitgevoerd dat vloeistoffen niet in de bodem kunnen geraken, als die mobiele wasinstallatie niet langer dan zes maanden aaneengesloten op eenzelfde locatie is geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing, als per week ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5336\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.336</span><span class=\"lf-art-t\">Water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het wassen van motorvoertuigen worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het lozen op of in de bodem is toegestaan, als per week ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat afvalwater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider: a. volgens NEN-EN 858-1 of NEN-EN 858-1/A1 en NEN-EN 858-2; of b. die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5337\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.337</span><span class=\"lf-art-t\">Meet- en rekenbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.5.2.20</h3>\n<p class=\"lf-p\">Niet-industriële voedselbereiding</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5338\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.338</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf gaat over het bereiden van voedingsmiddelen met: a. keukenapparatuur; b. grootkeukenapparatuur; c. een of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; of d. een of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen van het hoogste 100 kW.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf is niet van toepassing als een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat, met uitzondering van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5339\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.339</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 5.338 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de grenzen van het terrein;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de ligging en de indeling van de gebouwen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>het gebruik van de te onderscheiden ruimten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>de ligging van de bedrijfsriolering; en 5. de plaats van de lozingspunten; c. een situatieschets, met een schaal van ten minste 1:10.000 aangegeven waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en d. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die wonen of werken op de locatie waar de activiteit wordt verricht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5340\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.340</span><span class=\"lf-art-t\">Water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als niet in een vuilwaterriool kan worden geloosd, kan het afvalwater op de bodem worden geloosd, als het afvalwater gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater wordt geloosd en de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afvalwater dat afvalstoffen bevat, die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door: a. een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2; of b. een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5341\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.341</span><span class=\"lf-art-t\">Geur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder worden afgezogen dampen en gassen die naar de buitenlucht worden geëmitteerd: a. ten minste 2 m boven de hoogste daklijn van de binnen 25 m van de uitmonding gelegen bebouwing afgevoerd; of b. geleid door een ontgeuringsinstallatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dampen die vrijkomen bij het bereiden van voedingsmiddelen met grootkeukenapparatuur door frituren, bakken in olie of vet of grillen, anders dan met houtskool, worden afgezogen en geleid door een vetvangend filter.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing: a. op het bereiden van voedingsmiddelen met keukenapparatuur; en b. als het mogelijke effect van de geuremissie van de uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een gezoneerd industrieterrein, op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluitbedrijventerrein met minder dan één geurgevoelig gebouw per hectare.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het eerste lid niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit: a. een vergunning is verleend die voor die datum onherroepelijk is; of b. voorschriften golden op grond van een van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.5.2.21</h3>\n<p class=\"lf-p\">Voedingsmiddelenindustrie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5342\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.342</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf gaat over een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.129, eerste lid, 3.130 of 3.131 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5343\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.343</span><span class=\"lf-art-t\">Geur: beginnen of uitbreiden activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beginnen of uitbreiden in capaciteit van een activiteit als bedoeld in Artikel 5.342 is alleen toegestaan als nieuwe geurhinder op een geurgevoelig gebouw wordt voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is ook van toepassing op het wijzigen van de activiteit, als die wijziging leidt tot een grotere of andere geurbelasting ter plaatse van een geurgevoelig gebouw.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.5.2.22</h3>\n<p class=\"lf-p\">Slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of, uitsnijden van vlees, vis of organen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5344\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.344</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf gaat over: a. het slachten van ten hoogste 10.000 kilogram levend gewicht aan dieren per week en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten; b. het uitsnijden van vlees van karkassen of karkasdelen; c. het uitsnijden van vis; of d. het uitsnijden en pekelen van organen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is niet van toepassing als een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5345\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.345</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 5.344 worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de grenzen van het terrein;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de ligging en de indeling van de gebouwen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>het gebruik van de te onderscheiden ruimten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>de ligging van de bedrijfsriolering;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>de plaats van de lozingspunten; en 6. de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt, geproduceerd of uitgestoten; c. een situatietekening, met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en d. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5346\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.346</span><span class=\"lf-art-t\">Water: lozingsroute en zuivering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater vindt het slachten van dieren en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten inpandig plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p></div>", "next": 239965}