{"html": "<div class=\"lf-doc\"><h4 class=\"lf-art\" id=\"a-344\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.44</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke uitvoeringsregels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.42, voor zover het dempen van beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam betreft, geldt dat: a. vis wordt verplaatst als de vis vanwege de demping geen uitweg heeft of als het watersysteem vanwege de demping de hoeveelheid en samenstelling van de vispopulatie niet meer kan dragen; b. het dempen niet leidt tot het afsluiten van andere oppervlaktewaterlichamen; c. een doodlopend oppervlaktewaterlichaam vanaf de kopse kant wordt gedempt; d. binnen 5 meter van de als gevolg van de demping ontstane nieuwe taluds de in het oppervlaktewaterlichaam aanwezige baggerspecie wordt verwijderd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-345\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.45</span><span class=\"lf-art-t\">Meldingsplicht</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-346\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.46</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke meldingsvereisten</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-347\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.47</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.42, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een bergingsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat: a. de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.43, niet geschonden worden; b. ingeval van verkleining van het natte profiel van beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam, het minimaal benodigd doorstroomprofiel kan worden gehandhaafd; c. ingeval van versmalling van beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam, de activiteit noodzakelijk is; d. onaanvaardbaar verloren gegane waterbergingscapaciteit wordt gecompenseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een bergingsgebied, geldt dat direct voorafgaand aan de activiteit, binnen hetzelfde peilgebied en binnen een straal van 2,5 kilometer van de demping, minimaal dezelfde oppervlakte aan oppervlaktewater wordt aangelegd ter compensatie van verloren gegane waterbergingscapaciteit, tenzij dit al aantoonbaar gecompenseerd is in de drie jaar ervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat: a. ingeval van het versmallen van het oppervlaktewaterlichaam, het talud een hoogte-breedte verhouding heeft van 1:1,5 of flauwer; b. ingeval van het versmallen van het oppervlaktewaterlichaam, beperkingengebied II in de lengte- en in de breedterichting horizontaal wordt afgewerkt en ingezaaid met graszaad; c. ingeval van het versmallen van het oppervlaktewaterlichaam, direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot drie jaar na afronding van de activiteit, het nieuwe talud in stand wordt gehouden en voor zover de activiteit plaatsvindt in beperkingengebied II, het maaiveld wordt hersteld; d. in het oppervlaktewaterlichaam uitkomende lozingsvoorzieningen verlengd of verlegd en in dezelfde hoek als het talud afgezaagd worden om vrije lozing te waarborgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat: a. bij versmalling van het oppervlaktewaterlichaam, de bodembreedte minimaal 0,50 meter is; b. nieuwe taluds, die ontstaan als gevolg van deze activiteit, robuust zijn; c. in het oppervlaktewaterlichaam uitkomende lozingsvoorzieningen verlengd of verlegd worden om vrije lozing te waarborgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-348\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.48</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.47, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens: a. een situatietekening met de locatie en begrenzing van het te dempen oppervlaktewaterlichaam; b. indien van toepassing, een situatietekening met de locatie en begrenzing van het ter compensatie aangelegde of aan te leggen oppervlaktewater; c. een opgave van het aantal vierkante meters te dempen water, gemeten op de waterlijn onder normale omstandigheden of ingeval van het opbrengen van grond in een droge oevergebied of in een bergingsgebied, de grondophoging in vierkante meters en de dikte van de laag grond die wordt opgebracht; d. informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  3.2.8</h3>\n<p class=\"lf-p\">Gemalen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-349\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.49</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een gemaal in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-350\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.50</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.49, houden in elk geval in dat: a. geen wateroverlast en –schaarste ontstaan; b. het waterpeil niet buitensporig wordt aangetast; c. de stabiliteit van oever en talud wordt geborgd; d. uitspoeling van oever, talud en waterbodem wordt voorkomen; e. het profiel van het oppervlaktewaterlichaam niet onaanvaardbaar wordt aangetast; f. de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt; g. het functioneren van andere kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed; h. de toe te passen materialen en constructie geen negatief effect hebben op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische waarde van het watersysteem; i. vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem zoveel mogelijk wordt voorkomen; j. verbetering van de fysisch-chemische en ecologische waterkwaliteit niet geremd wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-351\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.51</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.49, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat: a. de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.50, niet geschonden worden; b. het aanleggen van het gemaal noodzakelijk is; c. ingeval van doorkruising van een prioritaire vismigratieroute, het gemaal vispasseerbaar is; d. ingeval van doorkruising van een niet-prioritaire vismigratieroute, de activiteit niet leidt tot een onaanvaardbare doorkruising van een vismigratieroute; e. het gemaal visveilig is; f. de ontvangende en leverende peilgebieden beschikken over aan- en afvoer- en bergingscapaciteit die overeenstemmen met de gemaalcapaciteit; g. het watersysteem ter plaatse blijft voldoen aan de afvoernormen van het waterschap; h. het gemaal een passende pompcapaciteit heeft; i. ingeval in afwijking van artikel 3.50, aanhef en onder b, de activiteit leidt tot wijziging van het waterpeil, een vergunning is verleend voor het wijzigen van het waterpeil of de activiteit in overeenstemming is met een maatregel uit een peilbesluit; j. het gemaal bereikbaar is vanaf de openbare weg; k. beheer, onderhoud en bediening op een doelmatige manier kunnen worden uitgevoerd, waaronder het telemetrisch kunnen bedienen van het gemaal; l. een doelmatig beheer- en onderhoudsplan beschikbaar is; m. een doelmatig objectbedieningsplan beschikbaar is; n. voor het waterschap geen buitenproportionele meerkosten ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat: a. de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt; b. ingeval de activiteit kan leiden tot aantasting van het profiel van het oppervlaktewaterlichaam, een bodembeschermingsvoorziening wordt aangebracht; c. ingeval een prioritaire vismigratieroute wordt doorkruist, het gemaal vispasseerbaar wordt gemaakt; d. er geen uitlogende materialen gebruikt worden die tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit kunnen leiden of vermindering van de waarde van het ecologisch watersysteem; e. het gemaal telemetrisch te bedienen is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-352\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.52</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.51, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens: a. een constructietekening van het gemaal, met de afmetingen, de hoogten ten opzichte van NAP en de toe te passen materialen; b. een opgave en onderbouwing van de pompcapaciteit van het gemaal; c. ingeval van het aanleggen van een afvoergemaal, een opgave van het waterpeil aan de laagwaterzijde van het gemaal of ingeval van het aanleggen van een opmalingsgemaal een opgave van het waterpeil aan de hoogwaterzijde van het gemaal; d. een overzicht van het bemalingsgebied; e. een beheer- en onderhoudsplan; f. een objectbedieningsplan; g. ingeval een bodembeschermingsvoorziening wordt aangebracht, een omschrijving van het type voorziening en een tekening waarop de locatie en afmetingen van de voorziening inzichtelijk wordt gemaakt; h. ingeval een prioritaire vismigratieroute wordt doorkruist, een tekening van de vispassage of een opgave en een tekening van een andere geschikte maatregel om het gemaal vispasseerbaar te maken; i. een opgave van de wijze waarop het gemaal visveilig zal zijn.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  3.2.9</h3>\n<p class=\"lf-p\">Graven van oppervlaktewater en vergroten van oppervlaktewaterlichamen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-353\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.53</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het vergroten van een bestaand oppervlaktewaterlichaam in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam en het graven van nieuw oppervlaktewater in beperkingengebied A van het beheergebied van het waterschap.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-354\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.54</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.53, houden in elk geval in dat: a. de stabiliteit van oever en talud wordt geborgd; b. het waterpeil niet buitensporig wordt aangetast; c. grondwateroverlast en grondwaterschaarste wordt voorkomen; d. het functioneren van kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed; e. een aanwezige of voorziene natuurvriendelijke oever in primaire oppervlaktewaterlichamen, die als doel heeft om de waterkwaliteit te verbeteren, niet wordt aangetast; f. onderhoudswerkzaamheden aan het oppervlaktewaterlichaam door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd; g. de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt; h. vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem zoveel mogelijk wordt voorkomen; i. verbetering van de fysisch-chemische en ecologische waterkwaliteit niet geremd wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-355\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.55</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke uitvoeringsregels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.53, geldt dat: a. ingeval het nieuwe oppervlaktewater een functie heeft in de aan- en afvoer van water van percelen van één of meerdere belanghebbenden en in de waterberging:</p>\n<p class=\"lf-p\">1º. de bodembreedte minimaal 0,50 meter is;</p>\n<p class=\"lf-p\">2º. ingeval van een bodembreedte tot 1,50 meter, de waterdiepte minimaal 0,50 meter bedraagt ten opzichte van het winterpeil of vast peil;</p>\n<p class=\"lf-p\">3º. ingeval van een bodembreedte vanaf 1,50 meter tot 3 meter, de waterdiepte minimaal 0,75 meter bedraagt ten opzichte van het winterpeil of vast peil;</p>\n<p class=\"lf-p\">4º. ingeval van een bodembreedte vanaf 3 meter, de waterdiepte minimaal 1 meter bedraagt ten opzichte van het winterpeil of vast peil;</p>\n<p class=\"lf-p\">5º. taluds zo worden aangelegd dat ze robuust zijn. b. ingeval het nieuwe oppervlaktewater een functie heeft om tenminste 50 liter water per seconde af te voeren in een maatgevende situatie of gaat voorzien in de primaire wateraanvoer vanaf of naar een inlaat, de taluds een hoogte-breedte verhouding hebben van 1:1,5 of flauwer. c. ingeval het nieuwe oppervlaktewater in verbinding wordt gebracht met beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam en voor zover beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam wordt doorkruist, waarbij onderhoud van het primair oppervlaktewaterlichaam vanaf de kant plaatsvindt, een dam met duiker of een peilscheidende dam wordt aangelegd met een bovenbreedte van minimaal 4 meter en een minimale kruinhoogte van de dam die overeenkomt met de maaiveldhoogte van de aangrenzende percelen. d. bij een vergroting van beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam en beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam:</p>\n<p class=\"lf-p\">1º. ter plaatse aanwezige (kunst)werken worden verplaatst of aangepast en buiten functie geraakte (kunst)werken uit het oppervlaktewaterlichaam worden verwijderd;</p>\n<p class=\"lf-p\">2º. in het oppervlaktewaterlichaam uitkomende lozingsvoorzieningen ingekort worden om vrije lozing te waarborgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3º. ingeval van verbreding ter compensatie van verloren gegane waterbergingscapaciteit, het oppervlaktewaterlichaam met tenminste 25 centimeter wordt verbreed. e. bij een vergroting van beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam:</p>\n<p class=\"lf-p\">1º. de taluds een hoogte-breedte verhouding hebben van 1:1,5 of flauwer;</p>\n<p class=\"lf-p\">2º. de taluds die reeds een hoogte-breedte verhouding van 1:1,5 hebben of flauwer zijn, niet steiler worden;</p>\n<p class=\"lf-p\">3º. in het oppervlaktewaterlichaam uitkomende lozingsvoorzieningen ingekort worden om vrije lozing te waarborgen. f. bij een vergroting van beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam:</p>\n<p class=\"lf-p\">1º. de taluds niet steiler worden;</p>\n<p class=\"lf-p\">2º. de taluds zo worden aangelegd dat ze robuust zijn. g. ter hoogte van de aansluiting op beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam, er een graduele overgang ofwel een nette en geleidelijke aansluiting op het bestaande oppervlaktewaterlichaam wordt gerealiseerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-356\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.56</span><span class=\"lf-art-t\">Meldingsplicht</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-357\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.57</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke meldingsvereisten</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-358\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.58</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.53: a. die plaatsvindt in beperkingengebied A, voor zover het betreft het aanleggen van nieuw oppervlaktewater dat in verbinding wordt gebracht met beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam; of b. voor zover het betreft het vergroten van beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat: a. de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.54, niet geschonden worden; b. ingeval in afwijking van artikel 3.54, aanhef en onder b, de activiteit leidt tot wijziging van het waterpeil, een vergunning is verleend voor het wijzigen van het waterpeil of de activiteit in overeenstemming is met een maatregel uit een peilbesluit; c. dat een nieuw oppervlaktewater, dat een beoogd afvoerdebiet heeft van tenminste 50 liter per seconde in een maatgevende situatie of dat gaat voorzien in de primaire wateraanvoer vanaf of naar een inlaat, voldoende doorstroomoppervlak en de juiste bodemhoogteligging heeft om de door het waterschap gewenste doorstroming te waarborgen; d. de taluds robuust worden aangelegd; e. ingeval van het graven door de grens van een peilgebied, dit past binnen de kaders van het waterbeheerbeleid van het waterschap; f. ingeval van een nieuw oppervlaktewater dat een beoogd afvoerdebiet heeft van tenminste 50 liter per seconde in een maatgevende situatie of dat gaat voorzien in de primaire wateraanvoer vanaf of naar een inlaat, machinaal onderhoud vanaf de kant kan plaatsvinden of, als dit niet mogelijk is, voor het waterschap geen buitenproportionele meerkosten ontstaan; g. ingeval van een potentieel nieuw oppervlaktewater dat een beoogd afvoerdebiet heeft van tenminste 50 liter per seconde in een maatgevende situatie of dat gaat voorzien in de primaire wateraanvoer vanaf of naar een inlaat, dat van insteek tot insteek tenminste 16 meter breedte is, het onderhoud varend kan worden uitgevoerd; h. een ten gevolge van de activiteit te wijzigen begrenzing van de beperkingengebieden niet tot onacceptabele situaties leidt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-359\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.59</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.58, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens: a. een situatietekening met de locatie en begrenzing van het aan te leggen of te vergroten oppervlaktewater(lichaam); b. een dwarsprofieltekening van het aan te leggen of te vergroten oppervlaktewater(lichaam) dat de breedte van het oppervlaktewater(lichaam) op de waterlijn inzichtelijk maakt ten opzichte van de oude situatie (ingeval van vergroten); c. een opgave van het aantal vierkante meters aan te leggen oppervlaktewater, gemeten op de waterlijn onder normale omstandigheden; d. ingeval de activiteit plaatsvindt in verband met het compenseren van het verlies van waterbergingscapaciteit, een opgave van of de activiteit wordt uitgevoerd in hetzelfde peilgebied als waar de waterbergingscapaciteit afneemt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  3.2.10</h3>\n<p class=\"lf-p\">Grondboringen, sonderingen, peilbuizen en proefsleuven</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-360\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.60</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op verticale grondboringen, sonderingen, het plaatsen van peilbuizen en het maken van proefsleuven in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een bergingsgebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-361\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.61</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.60, houden in elk geval in dat: a. het profiel van het oppervlaktewaterlichaam niet wordt aangetast; b. de stabiliteit van oever en talud wordt geborgd; c. het functioneren van kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed; d. uitwisseling van grondwater tussen verschillende watervoerende pakketten wordt voorkomen; e. grondwaterverontreiniging wordt voorkomen; f. de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt; g. onderhoudswerkzaamheden aan het oppervlaktewaterlichaam door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-362\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.62</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke uitvoeringsregels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.60, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat: a. de omvang van ontgravingen en grondroeringen tot een minimum wordt beperkt; b. ontstane gaten na afronding van de activiteit volledig worden gevuld; c. geperforeerde slecht doorlatende grondlagen worden hersteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.60, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-363\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.63</span><span class=\"lf-art-t\">Meldingsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.60, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat: a. de omvang van grondboringen en van proefsleuven tot een minimum wordt beperkt; b. peilbuizen na afloop van grondwateronderzoek worden verwijderd; c. proefsleuven op minimaal anderhalve meter vanaf de insteek van het oppervlaktewaterlichaam worden gegraven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-364\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.64</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke meldingsvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De melding, bedoeld in artikel 3.63, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens een opgave van de afmetingen van het werk.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  3.2.11</h3>\n<p class=\"lf-p\">Inlaten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-365\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.65</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een inlaat in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-366\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.66</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.65, houden in elk geval in dat: a. geen wateroverlast en -schaarste ontstaan; b. het waterpeil niet buitensporig wordt aangetast; c. de stabiliteit van oever en talud wordt geborgd; d. uitspoeling van oever, talud en waterbodem wordt voorkomen; e. het profiel van het oppervlaktewaterlichaam niet onaanvaardbaar wordt aangetast; f. de bereikbaarheid voor onderhoud van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt; g. het functioneren van andere kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed; h. de toe te passen materialen en constructie geen negatief effect hebben op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische waarde van het watersysteem; i. vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem zoveel mogelijk wordt voorkomen; j. verbetering van de fysisch-chemische en ecologische waterkwaliteit niet geremd wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-367\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.67</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.65, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat: a. de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.66, niet geschonden worden; b. het aanleggen van de inlaat voor het beheer van het watersysteem noodzakelijk is; c. ingeval de inlaat wordt aangelegd in een oppervlaktewaterlichaam waarin zich een prioritaire of niet-prioritaire vismigratieroute bevindt, de activiteit niet leidt tot een onaanvaardbare belemmering van de migratie van vis; d. de inlaat visveilig is; e. ingeval in afwijking van artikel 3.66, aanhef en onder b, de activiteit leidt tot wijziging van het waterpeil, een vergunning is verleend voor het wijzigen van het waterpeil of de activiteit in overeenstemming is met een maatregel uit een peilbesluit; f. de inlaatconstructie deugdelijk is ontworpen; g. het leverende peilgebied over voldoende aanvoercapaciteit beschikt; h. ingeval de activiteit plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam:</p>\n<p class=\"lf-p\">1º. de inlaat voldoende doorstroomcapaciteit en de juiste hoogteligging heeft;</p>\n<p class=\"lf-p\">2º. beheer, onderhoud en bediening op een doelmatige manier kunnen worden uitgevoerd;</p>\n<p class=\"lf-p\">3º. voor het waterschap geen buitenproportionele meerkosten ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat: a. de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt; b. er geen uitlogende materialen gebruikt worden die tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit kunnen leiden of vermindering van de waarde van het ecologisch watersysteem; c. de inlaat zodanig wordt aangelegd dat er geen lekkage langs de inlaatconstructie kan optreden; d. de inlaat zodanig wordt aangelegd dat deze niet kan vervormen of verzakken; e. deze beschermd wordt tegen schade als gevolg van machinaal onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam; f. ingeval de activiteit plaatsvindt in en nabij een primair oppervlaktewaterlichaam, beperkingengebied II in de lengte- en in de breedterichting horizontaal wordt afgewerkt en ingezaaid met graszaad; g. aan de instroomzijde van de inlaat een damwand tot aan maaiveldhoogte wordt aangelegd; h. het profiel van het oppervlaktewaterlichaam aan de uitstroomzijde van de inlaat wordt beschermd tegen uitspoeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-368\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.68</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.67, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens: a. een weergave van het gebied dat onder invloed is van de inlaat; b. een constructietekening waarop de inlaat, de afmetingen van de inlaat, de hoogtematen van de constructie ten opzichte van NAP en de toe te passen materialen van de inlaat zijn weergegeven; c. ingeval de activiteit plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, een onderbouwing van de toe te passen doorstroomcapaciteit van de inlaat; d. ingeval een bodembeschermingsvoorziening wordt aangebracht, een omschrijving van het type voorziening en een tekening waarop de locatie en afmetingen van de voorziening inzichtelijk wordt gemaakt; e. een opgave van de wijze waarop de inlaat visveilig zal zijn.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  3.2.12</h3>\n<p class=\"lf-p\">Kabels en leidingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-369\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.69</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van kabels en leidingen in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een bergingsgebied, uitgezonderd lozingsvoorzieningen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-370\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.70</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.69, houden in elk geval in dat: a. de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt; b. door het waterschap uit te voeren beheer en onderhoud van (kunst)werken niet belemmerd worden; c. kabels en leidingen over voldoende gronddekking beschikken; d. uitwisseling van grondwater tussen verschillende watervoerende pakketten wordt voorkomen; e. het profiel van het oppervlaktewaterlichaam niet wordt aangetast; f. de stabiliteit van oever en talud wordt geborgd; g. voor oppervlaktewaterlichamen waarvan het waterschap vaarwegbeheerder is, de scheep- en recreatievaart niet wordt gehinderd; h. vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem zoveel mogelijk wordt voorkomen; i. verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit wordt voorkomen; j. verbetering van de fysisch-chemische en ecologische waterkwaliteit niet geremd wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-371\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.71</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke uitvoeringsregels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.69, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat: a. de afstand van de kabel of leiding tot duikers tenminste een halve meter bedraagt; b. de afstand van de kabel of leiding tot kunstwerken anders dan duikers, inclusief eventueel aanwezige fundering, tenminste vijf meter bedraagt tenzij de kabel of leiding ten behoeve van het betreffende kunstwerk wordt aangelegd; c. de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt; d. voor zover de activiteit middels een boring plaatsvindt, bij opbarsting of kwelvorming, het waterschap onmiddellijk wordt geïnformeerd en maatregelen worden getroffen om de opbarsting of kwelvorming direct en zoveel mogelijk teniet te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.69, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.69, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een tertiair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat kabels en leidingen bij het kruisen van het oppervlaktewaterlichaam tenminste een halve meter onder de vaste bodem worden gelegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-372\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.72</span><span class=\"lf-art-t\">Meldingsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.69, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat: a. kabels en leidingen bij het kruisen van het oppervlaktewaterlichaam tenminste 1,5 meter onder de vaste bodem worden gelegd; b. de afstand tussen ontgraving en insteek van het oppervlaktewaterlichaam tenminste 1,5 meter bedraagt; c. drainagebuizen en andere leidingen die gekruist worden door een parallel aan het oppervlaktewaterlichaam aan te leggen kabel of leiding, waar nodig door de initiatiefnemer worden verlegd of aangepast; d. ingeval het waterschap vaarwegbeheerder is, dat kabels en leidingen bij het kruisen van het oppervlaktewaterlichaam met toepassing van een adequate techniek worden aangelegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-373\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.73</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke meldingsvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De melding, bedoeld in artikel 3.72, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens: a. een opgave van de afmetingen en de technische specificaties van de kabel(s) of leiding(en); b. ingeval van een boring: een lengteprofieltekening van de boring; c. ingeval van een open ontgraving: een dwarsprofieltekening van de sleuf.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  3.2.13</h3>\n<p class=\"lf-p\">Kleine objecten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-374\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.74</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van kleine objecten in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een bergingsgebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-375\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.75</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.74, houden in elk geval in dat: a. een voor het watersysteembeheer passende doorstroming van het oppervlaktewaterlichaam wordt geborgd; b. het profiel van het oppervlaktewaterlichaam niet wordt aangetast; c. de stabiliteit van oever en talud wordt geborgd; d. de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt; e. de maatschappelijke functievervulling van het oppervlaktewaterlichaam niet onaanvaardbaar gehinderd wordt; f. voor oppervlaktewaterlichamen waarvan het waterschap vaarwegbeheerder is, de scheep- en recreatievaart niet onaanvaardbaar wordt gehinderd; g. het functioneren van kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed; h. de toe te passen materialen en constructie geen negatief effect hebben op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische waarde van het watersysteem; i. vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem zoveel mogelijk wordt voorkomen; j. verbetering van de fysisch-chemische en ecologische waterkwaliteit niet geremd wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-376\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.76</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke uitvoeringsregels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.74, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat: a. de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt; b. er geen uitlogende materialen gebruikt worden die tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit kunnen leiden of vermindering van de waarde van het ecologisch watersysteem; c. het object zo wordt aangelegd dat deze niet kan vervormen, verzakken of op drift raakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.74, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een bergingsgebied geldt dat: a. het object een functie heeft; b. het object duidelijk en blijvend is gemarkeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.74, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-377\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.77</span><span class=\"lf-art-t\">Meldingsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.74, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, voor zover het geen zonnepanelen betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-378\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.78</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke meldingsvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De melding, bedoeld in artikel 3.77, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens: a. een omschrijving van de functie van het object; b. een opgave van de afmetingen en de constructie van het object; c. informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-379\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.79</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.74, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een bergingsgebied, voor zover het zonnepanelen betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat: a. de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.75, niet geschonden worden; b. de activiteit niet buiten de in het eerste lid bedoelde beperkingengebieden kan plaatsvinden; c. voor het waterschap geen buitenproportionele meerkosten ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat, indien noodzakelijk, beheersmaatregelen worden getroffen om vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem te voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-380\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.80</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.79, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens: a. de reden waarom de activiteit niet buiten de beperkingengebieden kan plaatsvinden; b. een opgave van de afmetingen en de constructie van het object; c. een rapportage waaruit blijkt dat de ecologische waarde van het watersysteem als gevolg van de activiteit niet onaanvaardbaar vermindert en een opgave van de eventuele beheersmaatregelen die daartoe worden getroffen; d. informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  3.2.14</h3>\n<p class=\"lf-p\">Lozen van een hoeveelheid water per tijdseenheid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-381\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.81</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het, middels een lozingsvoorziening, lozen van een hoeveelheid water per tijdseenheid in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-382\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.82</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.81, houden in elk geval in dat: a. wateroverlast wordt voorkomen; b. het profiel van het oppervlaktewaterlichaam niet onaanvaardbaar wordt aangetast; c. het waterbergend vermogen van bergingsgebieden niet onaanvaardbaar wordt aangetast; d. het waterpeil niet buitensporig wordt aangetast; e. de stabiliteit van oever en talud wordt geborgd; f. uitspoeling van oever, talud en waterbodem wordt voorkomen; g. de maatschappelijke functievervulling van het oppervlaktewaterlichaam niet onaanvaardbaar gehinderd wordt; h. voor oppervlaktewaterlichamen waarvan het waterschap vaarwegbeheerder is, de scheep- en recreatievaart niet onaanvaardbaar wordt gehinderd; i. de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt; j. onderhoudswerkzaamheden aan het oppervlaktewaterlichaam door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd; k. de functionaliteit van ter plaatse aanwezige oeververdedigingswerken niet wordt aangetast; l. vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem zoveel mogelijk wordt voorkomen; m. verbetering van de fysisch-chemische en ecologische waarde van het watersysteem niet geremd wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-383\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.83</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke uitvoeringsregels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.81, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.81, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat: a. de uiteinden van de lozingsvoorzieningen in dezelfde hoek als het talud afgezaagd worden; b. ingeval de activiteit kan leiden tot aantasting van het profiel van het oppervlaktewaterlichaam, een bodembeschermingsvoorziening wordt aangebracht; c. de lozingsvoorziening wordt verwijderd als deze geen functie meer heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.81, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat: a. direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld; b. ingeval van het plaatsen van een separate bemonsteringsvoorziening, dit geen obstakel vormt voor het machinaal onderhoud van beperkingengebied I van het primair oppervlaktewaterlichaam.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-384\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.84</span><span class=\"lf-art-t\">Meldingsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.81, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, waarbij 30 m3 water per uur of meer wordt geloosd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat ingeval van niet-continue lozing van water op dezelfde lozingslocatie die bij herhaling plaatsvindt, de initiatiefnemer telkens een informatieplicht heeft, waarbij het waterschap tenminste 48 uur voorafgaand aan elke keer dat feitelijk geloosd wordt, geïnformeerd wordt over de locatie van de lozing, de hoeveelheid te lozen water in m3 per uur en de periode van het jaar waarin de lozing van water plaatsvindt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-385\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.85</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke meldingsvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De melding, bedoeld in artikel 3.84, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens: a. een situatietekening waarop de lozingslocatie in beeld is gebracht; b. informatie over het type lozingsvoorziening; c. een opgave van de hoeveelheid te lozen water in m3 per uur; d. een aanduiding of de lozing continu of niet-continu plaatsvindt; e. ingeval van niet-continue lozing van water vanaf dezelfde lozingslocatie, een opgave of de activiteit eenmalig gedurende een bepaalde periode plaatsvindt of bij herhaling plaatsvindt gedurende meerdere toekomstige periodes; f. ingeval van niet-continue lozing van water die bij herhaling plaatsvindt vanaf dezelfde lozingslocatie, een opgave van de regelmaat waarmee de lozingen plaatsvinden; g. ingeval een bodembeschermingsvoorziening wordt aangebracht, een omschrijving van het type voorziening en een tekening waarop de locatie en afmetingen van de voorziening inzichtelijk wordt gemaakt; h. informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt. i. ingeval de activiteit eenmalig plaatsvindt, de verwachte einddatum van de activiteit.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  3.2.15</h3>\n<p class=\"lf-p\">Natuurvriendelijke oevers</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-386\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.86</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een natuurvriendelijke oever in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-387\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.87</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.86, houden in elk geval in dat: a. de doorstroming van omliggende oppervlaktewaterlichamen niet wordt belemmerd; b. het profiel van het oppervlaktewaterlichaam niet onaanvaardbaar wordt aangetast; c. de stabiliteit van oever en talud wordt geborgd; d. onderhoudswerkzaamheden aan het oppervlaktewaterlichaam door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd; e. de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt; f. het functioneren van kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed; g. geen directe verbinding tussen verschillende peilgebieden ontstaat; h. de toe te passen materialen en constructie geen negatief effect hebben op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische waarde van het watersysteem; i. vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem zoveel mogelijk wordt voorkomen; j. verbetering van de fysisch-chemische en ecologische waterkwaliteit niet geremd wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-388\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.88</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke uitvoeringsregels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.86, geldt dat: a. de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt; b. er geen uitlogende materialen gebruikt worden die tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit kunnen leiden of vermindering van de waarde van het ecologisch watersysteem; c. voor de aansluiting van de natuurvriendelijke oever op bestaande oppervlaktewaterlichamen een graduele overgang wordt aangelegd; d. niet door een peilgrens wordt gegraven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.86, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat: a. als de natuurvriendelijke oever wordt aangelegd in een oppervlaktewaterlichaam dat aansluit op een primair oppervlaktewaterlichaam, waarbij beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam wordt doorkruist en onderhoud van het primair oppervlaktewaterlichaam vanaf de kant plaatsvindt, een dam met duiker of een peilscheidende dam wordt aangelegd met een bovenbreedte van minimaal 4 meter en een minimale kruinhoogte van de dam die overeenkomt met de maaiveldhoogte van de aangrenzende percelen; b. ter plaatse aanwezige oeververdedigingswerken uit het oppervlaktewaterlichaam worden verwijderd of naar beneden geduwd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-389\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.89</span><span class=\"lf-art-t\">Meldingsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.86, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat: a. het talud een hoogte-breedte verhouding heeft die flauwer is dan 1:1,5; b. in het oppervlaktewaterlichaam uitkomende lozingsvoorzieningen ingekort worden om vrije lozing te waarborgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-390\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.90</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke meldingsvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De melding, bedoeld in artikel 3.89, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens: a. een opgave van het te gebruiken materiaal, inclusief afmetingen; b. een dwarsprofieltekening van het oppervlaktewaterlichaam met daarop ingetekend de beoogde natuurvriendelijke oever en de daarbij horende hoogte-breedteverhouding van het talud; c. ingeval de activiteit (tevens) plaatsvindt ter compensatie van verloren gegane waterbergingscapaciteit, een opgave van het aantal vierkante meter oppervlaktewater dat bij deze activiteit wordt gerealiseerd, gemeten op de waterlijn onder normale omstandigheden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-391\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.91</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.86, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat: a. de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.87, niet geschonden worden; b. de natuurvriendelijke oever voldoet aan het minimaal vereiste profiel; c. de natuurvriendelijke oever zodanig is ontworpen dat er vegetatie kan ontstaan; d. ingeval de natuurvriendelijke oever als doel heeft om de waterkwaliteit te verbeteren, dat de activiteit voldoet aan de daarvoor gestelde eisen; e. machinaal onderhoud vanaf de kant kan plaatsvinden of, als dit niet mogelijk is, voor het waterschap geen buitenproportionele meerkosten ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat: a. het talud een hoogte-breedte verhouding heeft die flauwer is dan 1:1,5 of ingeval de natuurvriendelijke oever als doel heeft om de waterkwaliteit te verbeteren, deze ten minste voldoet aan een onderwaterprofiel met een minimale taludhelling met een hoogte-breedteverhouding van 1:4, ingezet op een diepte van minimaal 70 centimeter onder het winterpeil of vast peil en een bovenwaterprofiel met een minimale taludhelling met een hoogte-breedteverhouding van 1:3; b. de natuurvriendelijke oever zo wordt aangelegd dat geschikte vegetatie kan ontstaan; c. ingeval machinaal onderhoud vanaf de kant kan plaatsvinden, het beperkingengebied II obstakelvrij wordt gemaakt; d. in het oppervlaktewaterlichaam uitkomende lozingsvoorzieningen ingekort en in dezelfde hoek als het talud afgezaagd worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-392\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.92</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.91, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens: a. een opgave van het te gebruiken materiaal, inclusief afmetingen; b. een dwarsprofiel van het oppervlaktewaterlichaam met daarop ingetekend de beoogde natuurvriendelijke oever en de daarbij horende hoogte-breedteverhouding van het talud inclusief eventueel toe te passen hulpconstructies; c. ingeval de activiteit (tevens) plaatsvindt ter compensatie van verloren gegane waterbergingscapaciteit, een opgave van het aantal vierkante meter oppervlaktewater dat bij deze activiteit wordt gerealiseerd, gemeten op de waterlijn onder normale omstandigheden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  3.2.16</h3>\n<p class=\"lf-p\">Oeververdedigingswerken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-393\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.93</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een oeververdedigingswerk in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-394\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.94</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.93, houden in elk geval in dat: a. een voor het watersysteembeheer passende doorstroming van het oppervlaktewaterlichaam wordt geborgd; b. de stabiliteit van oever en talud wordt geborgd; c. het profiel van het oppervlaktewaterlichaam niet onaanvaardbaar wordt aangetast; d. het waterbergend vermogen niet onaanvaardbaar wordt aangetast; e. het functioneren van andere kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed; f. een aanwezige of voorziene natuurvriendelijke oever in primaire oppervlaktewaterlichamen, die als doel heeft om de waterkwaliteit te verbeteren, niet wordt aangetast; g. de toe te passen materialen en constructie geen negatief effect hebben op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische waarde van het watersysteem; h. vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem zoveel mogelijk wordt voorkomen; i. verbetering van de fysisch-chemische en ecologische waterkwaliteit niet geremd wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-395\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.95</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke uitvoeringsregels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.93, geldt dat: a. de aanleg van een natuurvriendelijke oever of verflauwing van het talud in plaats van een oeververdedigingswerk onwenselijk of onmogelijk is; b. geen verkleining van het natte profiel van het oppervlaktewaterlichaam plaatsvindt; c. ingeval een bestaand oeververdedigingswerk vervangen dient te worden:</p>\n<p class=\"lf-p\">1º. het bestaande oeververdedigingswerk wordt verwijderd; of 2º. wanneer verwijdering van het bestaande oeververdedigingswerk, vanwege zwaarwegende belangen, onmogelijk is, het nieuwe oeververdedigingswerk mogelijk in afwijking van het bepaalde onder b, direct tegen het bestaande oeververdedigingswerk wordt aangelegd. d. ingeval een nieuw oeververdedigingswerk direct tegen het bestaande oeververdedigingswerk wordt aangelegd, de bestaande gordingen zoveel mogelijk worden verwijderd; e. er geen uitlogende materialen gebruikt worden die tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit kunnen leiden of vermindering van de waarde van het ecologisch watersysteem; f. ter plaatse van het oeververdedigingswerk in het oppervlaktewaterlichaam uitkomende lozingsvoorzieningen aangepast worden om vrije lozing te waarborgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-396\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.96</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.93, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat: a. de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.94, niet geschonden worden; b. in plaats van een oeververdedigingswerk een natuurvriendelijke oever of een flauw talud met een hoogte-breedteverhouding van 1:1½ of flauwer onmogelijk of onwenselijk is; en 1º. de activiteit noodzakelijk is ter ondersteuning van waterstaatswerken; of 2º. substantiële en niet te herstellen afkalving van oever of talud heeft plaatsgevonden; of 3º. een risico op versnelde afkalving van oever of talud bestaat; of 4º. ingeval de activiteit niet noodzakelijk is ter ondersteuning van waterstaatswerken, er geen substantiële en niet te herstellen afkalving van oever of talud heeft plaatsgevonden en er geen risico op versnelde afkalving van oever of talud bestaat, het doorstroomprofiel ruim genoeg is, beheer en onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam niet buitensporig worden belemmerd en voor het waterschap geen buitenproportionele meerkosten ontstaan; of 5º. ingeval het een te vervangen oeververdedigingswerk betreft waarbij wordt beoogd deze niet te verwijderen, de verwijdering voor de gestelde doelen van het watersysteembeheer onwenselijk of buitenproportioneel is en het natte profiel, in afwijking van artikel 3.95, aanhef en onder b, verkleind kan worden. c. ingeval sprake is van een situatie, bedoeld onder b, het aan te leggen oeververdedigingswerk tevens een weg of bouwwerk ondersteunt, de beoogde constructie van het oeververdedigingswerk voldoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat: a. het oeververdedigingswerk, met inachtneming van dit lid, onder d, zoveel mogelijk aansluit op andere in de lengterichting van het oppervlaktewaterlichaam aanwezige oeververdedigingswerken; b. oever en talud mechanisch worden verdicht en afgewerkt, zodat geen ingesloten laagten ontstaan; c. ingeval het aan te leggen oeververdedigingswerk tevens een weg of bouwwerk ondersteunt, de activiteit met toepassing van een adequate techniek wordt uitgevoerd; d. ingeval oeververdedigingswerken op zichzelf of in combinatie met andere oeververdedigingswerken 100 meter of langer zijn, voor elke 100 meter oeververdedigingswerk een fauna-uitstapplaats wordt aangelegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-397\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.97</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.96, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens: a. een motivering waarom de aanleg van een natuurvriendelijke oever of verflauwing van een talud onwenselijk of onmogelijk is; b. een beeldende weergave van de actuele staat van oever en talud van de locatie waar het oeververdedigingswerk wordt aangelegd; c. een opgave van het te gebruiken materiaal, inclusief afmetingen; d. een dwarsprofiel van het oppervlaktewaterlichaam met daarop ingetekend het beoogde oeververdedigingswerk; e. ingeval het oeververdedigingswerk tevens een weg of bouwwerk ondersteunt, een sterkteberekening van de constructie van het aan te leggen oeververdedigingswerk, waaruit blijkt dat het werk op basis van adequate techniek is ontworpen en met toepassing daarvan wordt uitgevoerd; f. ingeval het een te vervangen oeververdedigingswerk betreft waarbij wordt beoogd deze niet te verwijderen, een onderbouwing waaruit blijkt dat verwijdering voor de gestelde doelen van het watersysteembeheer onwenselijk of buitenproportioneel is.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  3.2.17</h3>\n<p class=\"lf-p\">Oppervlakken verharden en afkoppelen hemelwaterafvoerleidingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-398\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.98</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het verharden van onverharde en half-verharde oppervlakken en het afkoppelen van hemelwaterafvoerleidingen van verharde oppervlakken van gemengde rioolstelsels in beperkingengebied A van het beheergebied van het waterschap.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-399\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.99</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.98, houden in elk geval in dat: a. versnelde afvoer van hemelwater tot een minimum wordt beperkt; b. het waterpeil van omliggende oppervlaktewaterlichamen niet buitensporig wordt aangetast; c. de stabiliteit van oever en talud van omliggende oppervlaktewaterlichamen wordt geborgd; d. ter plaatse van het lozingspunt van hemelwater, uitspoeling van het profiel van het oppervlaktewaterlichaam wordt voorkomen; e. het functioneren van kunstwerken gelegen in of nabij omliggende oppervlaktewaterlichamen niet negatief wordt beïnvloed.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3100\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.100</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke uitvoeringsregels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.98, die plaatsvindt in beperkingengebied A, waarbij de totale hoeveelheid te verharden of af te koppelen oppervlak 500 m2 of groter is en kleiner is dan 200.000 m2 geldt dat de daardoor ontstane negatieve effecten van versnelde afvoer van hemelwater worden opgeheven door: a. hemelwater, al dan niet met een voorziening, in de bodem te infiltreren; of b. hemelwater, al dan niet met een voorziening, vertraagd in een oppervlaktewaterlichaam te lozen; of c. ingeval hemelwater direct middels een voorziening in een oppervlaktewaterlichaam wordt geloosd, oppervlaktewater van tenminste 10% van het toegenomen verharde of af te koppelen oppervlak wordt gegraven of een bestaand oppervlaktewaterlichaam wordt vergroot in het peilgebied binnen een straal van 2,5 kilometer van waar op het oppervlaktewaterlichaam geloosd wordt, tenzij dit al aantoonbaar is uitgevoerd in de drie jaren voorafgaand aan de activiteit; of d. compenserende afname van verharding plaatsvindt of dat dit al aantoonbaar heeft plaatsgevonden in de drie jaren voorafgaand aan de activiteit; of e. een geschikte combinatie van de onder a tot en met d genoemde maatregelen wordt toegepast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3101\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.101</span><span class=\"lf-art-t\">Meldingsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.98, waarbij de totale hoeveelheid te verharden of af te koppelen oppervlak 500 m2 of groter is en kleiner is dan 100.000 m2.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3102\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.102</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke meldingsvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De melding, bedoeld in artikel 3.101, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens: a. een situatietekening met de locatie waar de activiteit plaatsvindt inclusief de omvang in vierkante meters van de te verharden of af te koppelen oppervlakken, maaiveldhoogte en lozingspunt(en); b. een opgave van de gekozen maatregel(en), bedoeld in artikel 3.100, aanhef en onder a tot en met e; c. indien van toepassing, een situatietekening met de locatie en begrenzing van het ter compensatie aangelegde of aan te leggen oppervlaktewater; d. indien van toepassing, een opgave van de afmetingen en de constructie van de voorziening, bedoeld in artikel 3.100, aanhef en onder a en b; e. indien van toepassing, documenten waaruit blijkt dat er binnen drie jaar voorafgaand aan de activiteit een oppervlaktewaterlichaam is aangelegd of vergroot als bedoeld in artikel 3.100, aanhef en onder c; f. indien van toepassing, documenten waaruit blijkt dat compenserende afname van verharding wordt toegepast of dat dit binnen drie jaar voorafgaand aan de activiteit heeft plaatsgevonden, bedoeld in artikel 3.100, aanhef en onder d.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3103\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.103</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.98, waarbij de totale hoeveelheid te verharden of af te koppelen oppervlak 100.000 m2 of groter is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat: a. de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.99, niet geschonden worden; b. ingeval de totale hoeveelheid te verharden of af te koppelen oppervlak 100.000 m2 of groter is en kleiner is dan 200.000 m2, maatregel(en), bedoeld in artikel 3.100, aanhef en onder a tot en met e, worden getroffen; c. ingeval de totale hoeveelheid te verharden of af te koppelen oppervlak 200.000 m2 of groter is, het door het waterschap goedgekeurde waterhuishoudingsplan voorziet in voldoende maatregelen om negatieve effecten als gevolg van de activiteit te voorkomen of te compenseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat als de totale hoeveelheid te verharden of af te koppelen oppervlak 200.000 m2 of groter is, de initiatiefnemer de maatregel(en) treft die voorvloeien uit het door het waterschap goedgekeurde waterhuishoudingsplan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3104\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.104</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.103, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens: a. een situatietekening met de locatie waar de activiteit plaatsvindt inclusief de omvang in vierkante meters van de te verharden of af te koppelen oppervlakken, maaiveldhoogte en lozingspunt(en); b. als de totale hoeveelheid te verharden of af te koppelen oppervlak 100.000 m2 of groter is en kleiner is dan 200.000 m2, een opgave van de gekozen maatregel(en), bedoeld in artikel 3.100, aanhef en onder a tot en met e; c. als de totale hoeveelheid te verharden of af te koppelen oppervlak 200.000 m2 of groter is, een door het waterschap goedgekeurd waterhuishoudingsplan; d. indien van toepassing, een situatietekening met de locatie en begrenzing van het ter compensatie aangelegde of aan te leggen oppervlaktewater; e. indien van toepassing, een opgave van de afmetingen en de constructie van de voorziening, bedoeld in artikel 3.100, aanhef en onder a en b; f. indien van toepassing, documenten waaruit blijkt dat er binnen drie jaar voorafgaand aan de activiteit een oppervlaktewaterlichaam is aangelegd of vergroot, bedoeld in artikel 3.100, aanhef en onder c; g. indien van toepassing, documenten waaruit blijkt dat compenserende afname van verharding wordt toegepast of dat dit binnen drie jaar voorafgaand aan de activiteit heeft plaatsgevonden, bedoeld in artikel 3.100, aanhef en onder d.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  3.2.18</h3>\n<p class=\"lf-p\">Oppervlaktewater onttrekken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3105\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.105</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het, middels een wateronttrekkingsvoorziening, onttrekken van oppervlaktewater in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3106\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.106</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.105, houden in elk geval in dat: a. waterschaarste wordt voorkomen; b. het waterpeil niet buitensporig wordt verlaagd; c. waterverspilling wordt voorkomen; d. de stabiliteit van oever en talud wordt geborgd; e. het functioneren van kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed; f. de maatschappelijke functievervulling van het oppervlaktewaterlichaam niet onaanvaardbaar gehinderd wordt; g. de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt; h. onderhoudswerkzaamheden aan het oppervlaktewaterlichaam door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd; i. vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem zoveel mogelijk wordt voorkomen; j. verbetering van de ecologische waarde van het watersysteem niet geremd wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3107\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.107</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke uitvoeringsregels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.105, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat: a. in gestuwde peilgebieden, alleen water wordt onttrokken wanneer er water over de dichtstbijzijnde benedenstroomse stuw stroomt; b. de initiatiefnemer telkens een informatieplicht heeft, waarbij het waterschap tenminste 48 uur voorafgaand aan iedere feitelijke onttrekking van oppervlaktewater, die gedurende een bepaalde periode plaatsvindt, wordt geïnformeerd over de locatie van de onttrekking en de tijdsvensters van de onttrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.105, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat: a. een onttrekkingslocatie wordt gemarkeerd; b. na afronding van de activiteit en verwijdering van de wateronttrekkingsvoorziening, de locatie waar de wateronttrekkingsvoorziening was geplaatst, wordt hersteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3108\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.108</span><span class=\"lf-art-t\">Meldingsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.105, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, niet zijnde een aangewezen waardevol ecologisch oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam, niet zijnde een aangewezen waardevol ecologisch oppervlaktewaterlichaam, waarbij 10 m³ per uur of meer wordt onttrokken vanaf een nieuwe of opnieuw te gebruiken onttrekkingslocatie waarvoor nog geen melding is gedaan als hier bedoeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3109\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.109</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke meldingsvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De melding, bedoeld in artikel 3.108, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens: a. ingeval van het gebruik van een pompvoorziening, de maximale pompcapaciteit in m3 per uur; b. als de activiteit plaatsvindt ten behoeve van beregening, een kaart met de percelen waar het water wordt toegediend; c. een aanduiding of de feitelijke onttrekking tijdelijk of permanent plaatsvindt; d. ingeval van tijdelijke onttrekking van oppervlaktewater vanaf dezelfde onttrekkingslocatie, een aanduiding of de activiteit eenmalig gedurende een bepaalde periode plaatsvindt of bij herhaling plaatsvindt gedurende meerdere toekomstige periodes; e. ingeval van tijdelijke onttrekking van oppervlaktewater die bij herhaling plaatsvindt vanaf dezelfde onttrekkingslocatie, een opgave van de regelmaat waarop het feitelijk onttrekken van oppervlaktewater plaatsvindt; f. ingeval van een tijdelijke onttrekking die eenmalig gedurende een bepaalde periode plaatsvindt, de verwachte einddatum van de activiteit; g. informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een (andere) maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3110\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.110</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.105, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, dat is aangewezen als een ecologisch waardevol oppervlaktewaterlichaam, waarbij 1 m³ per uur of meer wordt onttrokken vanaf een nieuwe of opnieuw te gebruiken onttrekkingslocatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat: a. de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.106, niet geschonden worden; b. de activiteit niet kan plaatsvinden in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, die niet zijn aangewezen als een ecologisch waardevol oppervlaktewaterlichaam; c. de ecologische effecten acceptabel zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat de wateronttrekkingsvoorziening zodanig wordt geplaatst en het onttrekkingsdebiet zodanig wordt ingesteld dat het risico op schade aan het ecologische watersysteem wordt geminimaliseerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.111</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.110, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens: a. een onderbouwing waarom niet uit een niet ecologisch waardevol oppervlaktewaterlichaam onttrokken kan worden; b. ingeval van het gebruik van een pompvoorziening, de maximale pompcapaciteit in m3 per uur; c. als de activiteit plaatsvindt ten behoeve van beregening, een kaart met de percelen waar het water wordt toegediend; d. een aanduiding of de feitelijke onttrekking tijdelijk of permanent plaatsvindt; e. ingeval van tijdelijke onttrekking van oppervlaktewater vanaf dezelfde onttrekkingslocatie, een aanduiding of de activiteit eenmalig gedurende een bepaalde periode plaatsvindt of bij herhaling plaatsvindt gedurende meerdere toekomstige periodes; f. ingeval van tijdelijke onttrekking van oppervlaktewater die bij herhaling plaatsvindt vanaf dezelfde onttrekkingslocatie, een opgave van de regelmaat waarop het feitelijk onttrekken van oppervlaktewater plaatsvindt; g. ingeval van een tijdelijke onttrekking die eenmalig gedurende een bepaalde periode plaatsvindt, de verwachte einddatum van de activiteit; h. informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een (andere) maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3112\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.112</span><span class=\"lf-art-t\">Algeheel verbod</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden water te onttrekken uit een oppervlaktewaterlichaam dat door het waterschap is aangewezen als oppervlaktewaterlichaam waar geen wateraanvoer mogelijk is.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  3.2.19</h3>\n<p class=\"lf-p\">Peilscheidingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3113\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.113</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een peilscheiding, niet zijnde een gemaal, stuw of inlaat, in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3114\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.114</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.113, houden in elk geval in dat: a. de doorstroming van omliggende oppervlaktewaterlichamen niet wordt belemmerd; b. het waterpeil niet buitensporig wordt aangetast; c. de aan- en afvoer van oppervlaktewater is geborgd; d. de stabiliteit van oever en talud wordt geborgd; e. het functioneren van (andere) kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed; f. de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt; g. onderhoudswerkzaamheden aan het oppervlaktewaterlichaam door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd; h. de maatschappelijke functievervulling van het oppervlaktewaterlichaam niet onaanvaardbaar gehinderd wordt; i. de toe te passen materialen en constructie geen negatief effect hebben op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische waarde van het watersysteem; j. vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem zoveel mogelijk wordt voorkomen; k. verbetering van de fysisch-chemische en ecologische waterkwaliteit niet geremd wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3115\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.115</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke uitvoeringsregels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.113, geldt dat: a. ingeval een prioritaire vismigratieroute wordt doorkruist, een vispassage wordt aangelegd of een andere geschikte maatregel wordt getroffen om de negatieve effecten van de doorkruising van de migratieroute op te heffen; b. er geen uitlogende materialen gebruikt worden die tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit kunnen leiden of vermindering van de waarde van het ecologisch watersysteem; c. de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.113, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat: a. de peilscheiding zodanig wordt aangelegd dat deze niet kan vervormen of verzakken; b. de peilscheiding zodanig wordt aangelegd dat er geen onder- of achterloopsheid kan optreden; c. een peilscheidende dam een minimale bovenbreedte heeft van 4 meter; d. de minimale kruinhoogte van een peilscheidende dam overeenkomt met de maaiveldhoogte van de aangrenzende percelen; e. de kruinhoogte van een houten, betonnen of stalen peilscheiding minimaal 25 cm hoger is dan het waterpeil aan de hoogwaterzijde van de peilscheiding; f. een betonnen peilscheiding bestaat uit een massieve (niet doorlatende) plaat; g. ter hoogte en binnen 5 meter aan weerszijden van een peilscheidende dam, de in het oppervlaktewaterlichaam aanwezige baggerspecie tot aan de vaste bodem wordt verwijderd of bij afwezigheid daarvan, voor zover de stabiliteit van de peilscheidende dam voldoende geborgd is; h. ingeval een peilscheidende dam breder wordt dan 12 meter, het verlies aan waterbergingscapaciteit ten gevolge van het deel breder dan 12 meter wordt gecompenseerd, waarbij direct voorafgaand aan de activiteit, binnen hetzelfde peilgebied en binnen een straal van 2,5 kilometer van de activiteit, minimaal dezelfde oppervlakte aan oppervlaktewater wordt aangelegd, tenzij dit al aantoonbaar gecompenseerd is in de drie jaar ervoor; i. ingeval een tijdelijke peilscheiding bij herhaling op dezelfde locatie wordt aangelegd, de initiatiefnemer telkens een informatieplicht heeft, waarbij het waterschap tenminste 48 uur voorafgaand aan het aanleggen van de peilscheiding wordt geïnformeerd over de locatie van de peilscheiding en de periode waarin de peilscheiding in stand wordt gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.113, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat indien het een tijdelijke peilscheiding betreft, het oppervlaktewaterlichaam en eventueel aangepaste kunstwerken direct na afloop van het tijdelijk gebruik van de peilscheiding worden hersteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.113, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3116\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.116</span><span class=\"lf-art-t\">Meldingsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.113, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam, voor zover de peilscheiding tijdelijk van aard is voor maximaal een half jaar en bedoeld is om een tijdelijke wijziging van het waterpeil in stand te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3117\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.117</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke meldingsvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De melding, bedoeld in artikel 3.116, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens: a. een situatietekening waarop zijn weergegeven: de locatie van de werkzaamheden, de afmetingen van de peilscheiding, de hoogten van de peilscheiding ten opzichte van NAP en de toe te passen materialen; b. ingeval een prioritaire vismigratieroute wordt doorkruist, een tekening van de vispassage of een opgave van een andere geschikte maatregel om de negatieve effecten van de doorkruising van de migratieroute op te heffen; c. een aanduiding of de tijdelijke peilscheiding eenmalig of bij herhaling op dezelfde locatie wordt aangelegd en de periode waarin de peilscheiding in stand wordt gehouden; d. ingeval verloren gegane waterbergingscapaciteit moet worden gecompenseerd, bedoeld in artikel 3.115, tweede lid, onder h, een opgave van het aantal vierkante meters verloren gegane waterbergingscapaciteit, gemeten op de waterlijn onder normale omstandigheden; e. informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3118\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.118</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.113, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam, voor zover de peilscheiding langer duurt dan een half jaar, of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat: a. de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.114, niet geschonden worden; b. het aanleggen van de peilscheiding noodzakelijk is; c. ingeval van doorkruising van een prioritaire vismigratieroute, de peilscheiding vispasseerbaar is; d. ingeval van doorkruising van een niet-prioritaire vismigratieroute, de activiteit niet leidt tot een onaanvaardbare doorkruising van een vismigratieroute; e. ingeval in afwijking van artikel 3.114, aanhef en onder b, de activiteit leidt tot wijziging van het waterpeil, een vergunning is verleend voor het wijzigen van het waterpeil of de activiteit in overeenstemming is met een maatregel uit een peilbesluit; f. voor het waterschap geen buitenproportionele meerkosten ontstaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3119\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.119</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.118, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens: a. een constructietekening met de afmetingen van de peilscheiding, de hoogten van de peilscheiding ten opzichte van NAP en de toe te passen materialen; b. ingeval een prioritaire vismigratieroute wordt doorkruist, een tekening van de vispassage of een opgave en eventuele tekening van een andere geschikte maatregel om de negatieve effecten van de doorkruising van de migratieroute op te heffen; c. ingeval van een tijdelijke peilscheiding in een primair oppervlaktewaterlichaam, een aanduiding of de tijdelijke peilscheiding eenmalig of bij herhaling op dezelfde locatie wordt aangelegd en de periode waarin de peilscheiding in stand wordt gehouden; d. ingeval verloren gegane waterbergingscapaciteit moet worden gecompenseerd, bedoeld in artikel 3.115, tweede lid, onder h, een opgave van het aantal vierkante meters verloren gegane waterbergingscapaciteit, gemeten op de waterlijn onder normale omstandigheden; e. informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  3.2.20</h3>\n<p class=\"lf-p\">Recreatie en evenementen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3120\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.120</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op recreatie en evenementen in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een bergingsgebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3121\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.121</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.120, houden in elk geval in dat: a. het profiel van het oppervlaktewaterlichaam niet wordt aangetast; b. de stabiliteit van oever en talud wordt geborgd; c. onderhoudswerkzaamheden aan het oppervlaktewaterlichaam door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd; d. de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt; e. het functioneren van kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed; f. voor oppervlaktewaterlichamen waarvan het waterschap vaarwegbeheerder is, de scheep- en recreatievaart niet onaanvaardbaar wordt gehinderd; g. een aanwezige of voorziene natuurvriendelijke oever in primaire oppervlaktewaterlichamen, die als doel heeft om de waterkwaliteit te verbeteren, niet wordt aangetast; h. vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem zoveel mogelijk wordt voorkomen; i. verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit wordt voorkomen; j. verbetering van de fysisch-chemische en ecologische waterkwaliteit niet geremd wordt; k. ingeval van sportvisserij, verlies van vislood zoveel mogelijk wordt voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3122\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.122</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke uitvoeringsregels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.120, geldt dat er geen afval wordt achtergelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.120, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat: a. vaartuigen enkel ligplaats innemen op plekken die daarvoor zijn ingericht; b. na afloop van de activiteit het oppervlaktewaterlichaam wordt hersteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3123\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.123</span><span class=\"lf-art-t\">Meldingsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.120, die een evenement betreft en plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een bergingsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat het evenement alleen plaatsvindt in het aangegeven tijdvak.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een bergingsgebied, geldt dat het evenement onmiddellijk wordt opgeschort als het waterschap dat aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden en dreigende inzet van het bergingsgebied als gevolg. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het evenemententerrein zo snel mogelijk in passende staat gebracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3124\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.124</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke meldingsvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De melding, bedoeld in artikel 3.123, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens: a. een situatietekening waarop de locatie van het evenement in beeld is gebracht; b. een omschrijving van het evenement; c. voor de activiteit die plaatsvindt in beperkingengebied I van een bergingsgebied, een opgave van de manier waarop en de termijn waarbinnen het evenemententerrein in passende staat kan worden gebracht.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  3.2.21</h3>\n<p class=\"lf-p\">Steigers, meerpalen, vlonders, remmingswerken, trailerhellingen en fauna-uitstapplaatsen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3125\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.125</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van steigers, meerpalen, vlonders, remmingswerken, trailerhellingen en fauna-uitstapplaatsen in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3126\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.126</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.125, houden in elk geval in dat: a. een voor het watersysteembeheer passende doorstroming van het oppervlaktewaterlichaam wordt geborgd; b. de stabiliteit van oever en talud wordt geborgd; c. de maatschappelijke functievervulling van het oppervlaktewaterlichaam niet onaanvaardbaar gehinderd wordt; d. voor oppervlaktewaterlichamen waarvan het waterschap vaarwegbeheerder is, de scheep- en recreatievaart niet onaanvaardbaar wordt gehinderd; e. een aanwezige of voorziene natuurvriendelijke oever in primaire oppervlaktewaterlichamen, die als doel heeft om de waterkwaliteit te verbeteren, niet wordt aangetast; f. het functioneren van kunstwerken niet negatief beïnvloed wordt; g. de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt; h. onderhoudswerkzaamheden aan het oppervlaktewaterlichaam door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd; i. vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem zoveel mogelijk wordt voorkomen; j. verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit wordt voorkomen; k. verbetering van de fysisch-chemische en ecologische waterkwaliteit niet geremd wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3127\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.127</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke uitvoeringsregels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.125, geldt dat: a. de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt; b. er geen uitlogende materialen gebruikt worden die tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit kunnen leiden of vermindering van de waarde van het ecologisch watersysteem; c. de in artikel 3.125 bedoelde werken zo worden aangelegd dat die niet kunnen vervormen of verzakken; d. ingeval van het aanleggen van een fauna-uitstapplaats, dat deze doelmatig wordt ontworpen en aangelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.125, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat ingeval van herstel van graafwerkzaamheden tot een jaar na afronding van de activiteit het maaiveld wordt hersteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3128\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.128</span><span class=\"lf-art-t\">Meldingsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.125, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat: a. steigers, meerpalen, vlonders, remmingswerken inclusief het mogelijk daaraan te leggen vaartuig niet meer dan een derde van de waterbreedte van het oppervlaktewaterlichaam ter plaatse innemen; b. de afstand tussen de in artikel 3.125 bedoelde werken en peilregulerende kunstwerken tenminste 25 meter bedraagt; c. ingeval de activiteit plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, de afstand tussen twee van de in artikel 3.125 bedoelde werken in de lengterichting gemeten van het oppervlaktewaterlichaam minimaal 5 meter bedraagt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3129\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.129</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke meldingsvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De melding, bedoeld in artikel 3.128, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens: a. een constructietekening met een opgave van de afmetingen en het te gebruiken materiaal; b. ingeval van een fauna-uitstapplaats, een toelichting op de werking van deze voorziening; c. informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  3.2.22</h3>\n<p class=\"lf-p\">Stremmingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3130\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.130</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het, middels een stremmingsvoorziening, stremmen van het oppervlaktewater in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3131\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.131</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.130, houden in elk geval in dat: a. de duur van de activiteit tot een minimum wordt beperkt; b. de activiteit niet langer duurt dan nodig is voor het doel van de activiteit; c. geen wateroverlast en – schaarste ontstaan; d. het waterpeil niet buitensporig wordt aangetast; e. de stabiliteit van oever en talud wordt geborgd; f. ingeval van een gedeeltelijke stremming, een voor het watersysteembeheer passende doorstroming van het oppervlaktewaterlichaam wordt geborgd; g. het functioneren van andere kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed; h. de maatschappelijke functievervulling van het oppervlaktewaterlichaam niet onaanvaardbaar gehinderd wordt; i. voor oppervlaktewaterlichamen waarvan het waterschap vaarwegbeheerder is, de scheep- en recreatievaart niet onaanvaardbaar wordt gehinderd; j. de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt; k. onderhoudswerkzaamheden aan het oppervlaktewaterlichaam door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd; l. de toe te passen materialen en constructie geen negatief effect hebben op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische waarde van het watersysteem; m. vermindering van de ecologische waarde van het omliggende water zoveel mogelijk wordt voorkomen; n. verbetering van de fysisch-chemische en ecologische waterkwaliteit niet geremd wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3132\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.132</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke uitvoeringsregels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.130, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat: a. vis wordt verplaatst als de vis vanwege de stremming geen uitweg heeft of als het watersysteem vanwege de stremming de hoeveelheid en samenstelling van de vispopulatie niet meer kan dragen; b. voor stremmingsvoorzieningen er geen uitlogende materialen gebruikt worden die tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit kunnen leiden of vermindering van de waarde van het ecologisch watersysteem; c. het oppervlaktewaterlichaam direct na afloop van de activiteit weer in oorspronkelijke staat wordt hersteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3133\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.133</span><span class=\"lf-art-t\">Meldingsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.130, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3134\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.134</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke meldingsvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De melding, bedoeld in artikel 3.133, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens: a. informatie over het type stremmingsvoorziening(en); b. een opgave van de afmetingen van de stremming; c. informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3135\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.135</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.130, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat: a. de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.131, niet geschonden worden; b. de stremming noodzakelijk is; c. als deze plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april, de stremming van de doorstroming gedurende die periode noodzakelijk is; d. ingeval de activiteit plaatsvindt in een oppervlaktewaterlichaam waarvan het waterschap vaarwegbeheerder is:</p>\n<p class=\"lf-p\">1º. de vaarwegfunctie niet buitensporig wordt aangetast;</p>\n<p class=\"lf-p\">2º. de stremming van de doorvaart (tijdig) wordt aangekondigd. e. de minimaal benodigde doorstroomcapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam in stand blijft; f. indien ten behoeve van de activiteit het oppervlaktewaterlichaam, al dan niet met een pompvoorziening, moet worden omgeleid, dat de omleiding voldoet aan de minimaal benodigde doorstroomcapaciteit; g. voor het waterschap geen buitenproportionele meerkosten ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat: a. als deze plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april:</p>\n<p class=\"lf-p\">1º. een pompvoorziening met voldoende pompcapaciteit op het werkterrein beschikbaar is;</p>\n<p class=\"lf-p\">2º. de activiteit bij overvloedige regen of verhoogde waterstanden onmiddellijk wordt opgeschort en de stremming wordt opgeheven als het waterschap dat aanzegt. b. de initiatiefnemer een informatieplicht heeft, waarbij tenminste 48 uur voorafgaand aan de uitvoering van de activiteit het waterschap in kennis wordt gesteld van de feitelijke stremming van het oppervlaktewaterlichaam; c. ingeval de activiteit plaatsvindt in een oppervlaktewaterlichaam waarvan het waterschap vaarwegbeheerder is, tenminste vier weken voorafgaand aan de activiteit het stremmen en de duur ervan publiekelijk bekend wordt gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3136\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.136</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.135, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens: a. ingeval de activiteit plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april, een opgave van de reden dat de activiteit niet plaatsvindt buiten deze periode; b. informatie over het type stremmingsvoorziening(en); c. een opgave van de afmetingen van de stremming; d. informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  3.2.23</h3>\n<p class=\"lf-p\">Stuwen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3137\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.137</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een stuw in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3138\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.138</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.137, houden in elk geval in dat: a. geen wateroverlast en -schaarste ontstaan; b. het waterpeil niet buitensporig wordt aangetast; c. de stabiliteit van oever en talud wordt geborgd; d. uitspoeling van het profiel van het oppervlaktewaterlichaam aan de laagwaterzijde van de stuw wordt voorkomen; e. het profiel van het oppervlaktewaterlichaam niet onaanvaardbaar wordt aangetast; f. de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt; g. het functioneren van andere kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed; h. de maatschappelijke functievervulling van het oppervlaktewaterlichaam niet onaanvaardbaar gehinderd wordt; i. de toe te passen materialen en constructie geen negatief effect hebben op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische waarde van het watersysteem; j. vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem zoveel mogelijk wordt voorkomen; k. verbetering van de fysisch-chemische en ecologische waterkwaliteit niet geremd wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3139\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.139</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.137, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat: a. de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.138, niet geschonden worden; b. de stuw noodzakelijk is; c. ingeval van doorkruising van een prioritaire vismigratieroute, de stuw vispasseerbaar is; d. ingeval van doorkruising van een niet-prioritaire vismigratieroute, de activiteit niet leidt tot een onaanvaardbare doorkruising van een vismigratieroute; e. ingeval in afwijking van artikel 3.138, aanhef en onder b, de activiteit leidt tot wijziging van het waterpeil aan de hoogwaterzijde van de stuw, een vergunning is verleend voor het wijzigen van het waterpeil of de activiteit in overeenstemming is met een maatregel uit een peilbesluit; f. ingeval de activiteit plaatsvindt in en nabij een primair oppervlaktewaterlichaam:</p>\n<p class=\"lf-p\">1º. dat de overstortbreedte van de stuw voldoet aan de afvoernormen van het waterschap;</p>\n<p class=\"lf-p\">2º. de minimaal benodigde doorstroomcapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam in stand blijft;</p>\n<p class=\"lf-p\">3º. beheer, onderhoud en bediening op een doelmatige manier kunnen worden uitgevoerd. g. voor het waterschap geen buitenproportionele meerkosten ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat: a. de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt; b. de stuw zodanig wordt aangelegd dat deze niet kan vervormen of verzakken; c. de stuw zodanig wordt aangelegd dat er geen onder- of achterloopsheid kan optreden; d. de kruinhoogte van de stuw minimaal 25 cm hoger is dan het winterpeil of vast peil aan de hoogwaterzijde van de stuw; e. ingeval een prioritaire vismigratieroute wordt doorkruist, een vispassage wordt aangelegd of een andere geschikte maatregel wordt getroffen om de negatieve effecten van de doorkruising van de migratieroute op te heffen; f. er geen uitlogende materialen gebruikt worden die tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit kunnen leiden of vermindering van de waarde van het ecologisch watersysteem; g. ingeval de activiteit kan leiden tot aantasting van het profiel van het oppervlaktewaterlichaam, een bodembeschermingsvoorziening wordt aangebracht. h.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3140\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.140</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.139, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens: a. een weergave van het gebied dat onder invloed is van de stuw; b. een constructietekening met de afmetingen van de stuw, de hoogten ten opzichte van NAP en de toe te passen materialen; c. ingeval de activiteit plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, een opgave en onderbouwing van de bandbreedte van het in te stellen waterpeil; d. ingeval de activiteit plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, een onderbouwing van de toe te passen overstortbreedte van de stuw; e. ingeval een bodembeschermingsvoorziening wordt aangebracht, een omschrijving van het type voorziening en een tekening waarop de locatie en afmetingen van de voorziening inzichtelijk wordt gemaakt; f. ingeval een prioritaire vismigratieroute wordt doorkruist, een tekening van de vispassage of een opgave en eventuele tekening van een andere geschikte maatregel om de negatieve effecten van de doorkruising van de migratieroute op te heffen g. informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  3.2.24</h3>\n<p class=\"lf-p\">Waterpeil wijzigen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3141\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.141</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op, het middels één of meerdere voorzieningen of kunstwerken, wijzigen van het waterpeil van het oppervlaktewater in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3142\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.142</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.141, houden in elk geval in dat: a. het waterpeil niet meer wordt verhoogd of verlaagd dan noodzakelijk is voor het doel van de activiteit; b. een tijdelijke peilwijziging niet langer duurt dan nodig is voor het doel van de activiteit; c. het afwentelen van wateroverlast wordt voorkomen; d. negatieve geohydrologische effecten zoveel mogelijk worden voorkomen; e. het functioneren van kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed; f. de stabiliteit van oevers en taluds wordt geborgd; g. de maatschappelijke functievervulling van het oppervlaktewaterlichaam niet onaanvaardbaar gehinderd wordt; h. voor oppervlaktewaterlichamen waarvan het waterschap vaarwegbeheerder is, de scheep- en recreatievaart niet onaanvaardbaar wordt gehinderd; i. de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt; j. onderhoudswerkzaamheden aan het oppervlaktewaterlichaam door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd; k. de toe te passen materialen en constructie geen negatief effect hebben op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische waarde van het watersysteem; l. vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem zoveel mogelijk wordt voorkomen; m. verbetering van de fysisch-chemische en ecologische waterkwaliteit niet geremd wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3143\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.143</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke uitvoeringsregels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.141, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat: a. de voorziening(en) of kunstwerk(en) benodigd voor de uitvoering van de activiteit zodanig worden ingesteld, gebruikt of bediend dat de wijziging van het waterpeil geleidelijk plaatsvindt; b. voor de voor deze activiteit benodigde voorzieningen of kunstwerken er geen uitlogende materialen gebruikt worden die tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit kunnen leiden of vermindering van de waarde van het ecologisch watersysteem; c. ingeval van een tijdelijke peilwijziging die herhaaldelijk plaatsvindt op dezelfde locatie, de feitelijke wijziging van het waterpeil ten opzichte van het door het waterschap gevoerde winterpeil of vast peil telkens gelijk is aan de wijziging die reeds gemeld is of waarvoor een vergunning is afgegeven; d. ingeval van een tijdelijke peilwijziging die al dan niet herhaaldelijk plaatsvindt, de initiatiefnemer bij het wijzigen van het waterpeil telkens een informatieplicht heeft, waarbij het waterschap tenminste 48 uur voorafgaand aan elke keer dat het waterpeil feitelijk wordt gewijzigd, geïnformeerd wordt over de begintijd en de locatie van de activiteit, de mate van wijziging en de periode waarin de wijziging van het waterpeil in stand wordt gehouden; e. ingeval van een tijdelijke peilwijziging die al dan niet herhaaldelijk plaatsvindt, de initiatiefnemer bij het terugbrengen van het waterpeil op het oorspronkelijke niveau telkens een informatieplicht heeft, waarbij het waterschap tenminste 48 uur voorafgaand aan elke keer dat het waterpeil wordt teruggebracht op het oorspronkelijke niveau, geïnformeerd wordt over de locatie en de begintijd van het terugbrengen van het waterpeil op het oorspronkelijke niveau; f. ingeval de activiteit plaatsvindt middels een stuw, het verschil tussen de kruin- en overstorthoogte van de stuw tenminste 25 centimeter bedraagt; g. ingeval uit een geohydrologische analyse blijkt dat negatieve geohydrologische effecten worden verwacht, beheersmaatregelen worden getroffen die nodig zijn om de negatieve geohydrologische effecten te ondervangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3144\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.144</span><span class=\"lf-art-t\">Meldingsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.141, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam, voor zover de wijziging van het waterpeil tijdelijk van aard is voor maximaal een half jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3145\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.145</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke meldingsvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De melding, bedoeld in artikel 3.144, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens: a. een opgave van het beoogde waterpeil; b. een situatietekening met daarop de locatie en omvang van het gebied dat onder invloed staat van het te wijzigen waterpeil en de locatie(s) waar de eventuele voorzieningen of kunstwerken worden geplaatst om het waterpeil te wijzigen; c. informatie over het type voorziening of kunstwerk dat ten behoeve van de activiteit wordt gebruikt; d. ingeval van te verwachten negatieve geohydrologische effecten, een geohydrologische analyse met een beschouwing van de geohydrologische effecten van de activiteit en een opgave van de beheersmaatregelen die getroffen worden; e. informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt; f. een aanduiding of de tijdelijke wijziging van het waterpeil eenmalig of bij herhaling gedurende meerdere toekomstige periodes op dezelfde locatie plaatsvindt; g. ingeval de tijdelijke peilwijziging bij herhaling tot stand wordt gebracht, de periodes in een jaar waarin dit plaatsvindt; h. een aanduiding van de duur van de periodes waarin de tijdelijke peilwijziging in stand wordt gehouden; i. ingeval de activiteit eenmalig plaatsvindt, de verwachte einddatum van de activiteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3146\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.146</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.141, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam, voor zover de wijziging van het waterpeil langer duurt dan een half jaar, of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat: a. de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.142, niet geschonden worden; b. de activiteit noodzakelijk is; c. de geohydrologische effecten acceptabel zijn of ingeval van te verwachten negatieve effecten in voldoende mate zijn ondervangen door beheersmaatregelen; d. ingeval de activiteit plaatsvindt in een primair oppervlaktewaterlichaam, voldaan wordt aan de hydraulische normen van het waterschap; e. ingeval van een onderbemaling:</p>\n<p class=\"lf-p\">1º. geen koppeling aan een peilgebied met een lager waterpeil mogelijk is; of 2º. indien het te onderbemalen gebied door afgraven van een wierde of door aftichelen substantieel lager ligt dan de rest van het peilgebied, er reeds sprake is van een significante inundatie van het te onderbemalen gebied. f. voor het waterschap geen buitenproportionele meerkosten ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat: a. indien uit een geohydrologische analyse blijkt dat er negatieve geohydrologische effecten worden verwacht, deze op basis van een, door het waterschap vastgesteld, monitoringsplan gemonitord worden; b. voor zover de activiteit een onderbemaling betreft, bedoeld in het derde lid, onder e:</p>\n<p class=\"lf-p\">1º. de onderbemalingsinstallatie is voorzien van een peilschaal die de waterstand aan de laagwaterzijde ten opzichte van NAP aangeeft;</p>\n<p class=\"lf-p\">2º. storingen aan de onderbemalingsinstallatie direct aan het waterschap worden gemeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3147\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.147</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.146, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens: a. een opgave van het beoogde waterpeil; b. een situatietekening met daarop de locatie en omvang van het gebied dat onder invloed staat van het te wijzigen waterpeil en de locatie(s) waar de eventuele voorzieningen of kunstwerken worden geplaatst om het waterpeil te wijzigen; c. informatie over het type voorziening of kunstwerk dat ten behoeve van de activiteit wordt gebruikt; d. een geohydrologische analyse met een beschouwing van de te verwachten negatieve geohydrologische effecten van de activiteit, een opgave van de mogelijke beheersmaatregelen die getroffen worden en een monitoringsplan; e. voor zover het een onderbemaling betreft:</p>\n<p class=\"lf-p\">1º. ingeval het te onderbemalen gebied door afgraven van een wierde of door aftichelen substantieel lager ligt dan de rest van het peilgebied, een hydrologische analyse waaruit blijkt dat er reeds sprake is van een significante inundatie van het te onderbemalen gebied;</p>\n<p class=\"lf-p\">2º. de pompcapaciteit van de onderbemalingsinstallatie in m3 per uur. f. informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt; g. ingeval van een tijdelijke peilwijziging:</p>\n<p class=\"lf-p\">1º. een aanduiding of de tijdelijke wijziging van het waterpeil eenmalig of bij herhaling gedurende meerdere toekomstige periodes op dezelfde locatie plaatsvindt;</p>\n<p class=\"lf-p\">2º. die bij herhaling tot stand wordt gebracht, het aantal periodes in een jaar waarin dit plaatsvindt;</p>\n<p class=\"lf-p\">3º. een aanduiding van de duur van de periodes waarin de tijdelijke peilwijziging in stand wordt gehouden;</p>\n<p class=\"lf-p\">4º. die eenmalig plaatsvindt, de verwachte einddatum van de activiteit.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  3.2.25</h3>\n<p class=\"lf-p\">Wegen en paden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3148\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.148</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van wegen en paden in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een bergingsgebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3149\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.149</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.148, houden in elk geval in dat: a. het profiel van het oppervlaktewaterlichaam niet wordt aangetast; b. de stabiliteit van oever en talud wordt geborgd; c. versnelde afvoer van hemelwater tot een minimum wordt beperkt; d. de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt; e. onderhoudswerkzaamheden aan het oppervlaktewaterlichaam door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd; f. het functioneren van kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed; g. het waterbergend vermogen van bergingsgebieden niet onaanvaardbaar wordt aangetast h. de toe te passen materialen en constructie geen negatief effect hebben op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische waarde van het watersysteem; i. vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem zoveel mogelijk wordt voorkomen; j. verbetering van de fysisch-chemische en ecologische waterkwaliteit niet geremd wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3150\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.150</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.148, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam, in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een bergingsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat: a. de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.149, niet geschonden worden; b. de activiteit niet buiten de in het eerste lid bedoelde beperkingengebieden kan plaatsvinden; c. het beoogde gebruik van de weg of het pad de stabiliteit van oever, talud, grondlichamen en kunstwerken niet aantast; d. de weg of het pad geschikt is voor voertuigen van het waterschap; e. voor het waterschap geen buitenproportionele meerkosten ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat: a. de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt; b. de wegen en paden zo worden aangelegd dat ze niet kunnen verzakken; c. de wegen en paden zo worden aangelegd dat na afronding van de activiteit bij gebruik van de wegen en paden de stabiliteit van oevers en taluds niet wordt aangetast; d. er geen materialen gebruikt worden die tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit kunnen leiden of vermindering van de waarde van het ecologisch watersysteem; e. direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3151\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.151</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.150, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens: a. de reden waarom de activiteit niet buiten de beperkingengebieden kan plaatsvinden; b. een opgave van de afmetingen van de weg of het pad; c. een dwarsprofieltekening van de weg of het pad waarop de eventuele fundering is aangegeven en een opgave van de te gebruiken materialen voor de constructie van de weg of het pad; d. een opgave van het voorziene gebruik van de weg of het pad; e. een beschouwing van de effecten van de activiteit op de stabiliteit van oever en talud.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  3.2.26</h3>\n<p class=\"lf-p\">Werken verwijderen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3152\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.152</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van werken en voorzieningen uit beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam en uit beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of uit beperkingengebied I van bergingsgebieden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3153\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.153</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.152, houden in elk geval in dat: a. het profiel van het oppervlaktewaterlichaam niet onaanvaardbaar wordt aangetast; b. het waterpeil niet buitensporig wordt aangetast; c. de stabiliteit van oever en talud wordt geborgd; d. het functioneren van andere (kunst)werken niet negatief wordt beïnvloed; e. de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt; f. onderhoudswerkzaamheden aan het oppervlaktewaterlichaam door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3154\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.154</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke uitvoeringsregels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.152, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.152, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een bergingsgebied, geldt dat: a. het werk in zijn geheel wordt verwijderd; b. verwijderde werken buiten deze beperkingengebieden worden gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.152, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat: a. het profiel van het oppervlaktewaterlichaam ter plaatse van de activiteit in overeenstemming wordt gebracht met het aangrenzende profiel; b. ingeval van een tijdelijke peilscheiding, die al dan niet herhaaldelijk in stand wordt gehouden, de initiatiefnemer bij het verwijderen telkens een informatieplicht heeft, waarbij het waterschap tenminste 48 uur voorafgaand aan elke keer dat de tijdelijke peilscheiding feitelijk wordt verwijderd, geïnformeerd wordt over het tijdstip en de locatie van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 In geval de activiteit plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3155\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.155</span><span class=\"lf-art-t\">Meldingsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.152, die plaatsvindt in beperkingengebied I of II van een primair oppervlaktewaterlichaam, voor zover het afrasteringen, hekwerken, schuttingen, kabels, leidingen, kleine objecten, bouwwerken, steigers, meerpalen, vlonders, remmingswerken, trailerhellingen, fauna-uitstapplaatsen en oeververdedigingswerken die geen ondersteunend kunstwerk zijn, betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3156\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.156</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke meldingsvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De melding, bedoeld in artikel 3.155, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens: a. een opgave van het type werk dat verwijderd wordt; b. een opgave van de afmetingen van het te verwijderen werk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3157\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.157</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.152, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, voor zover het: a. gemalen, stuwen, inlaten, dammen met duikers, sluizen, onderleiders (sifons), vispassages, helofytenfilters, bruggen, overkluizingen en natuurvriendelijke oevers betreft; b. peilscheidingen betreft, die langer dan een half jaar in het beperkingengebied hebben gelegen, die niet zijn aangelegd ten behoeve van het tijdelijk wijzigen van het waterpeil, bedoeld in paragraaf 3.2.24 in samenhang met paragraaf 3.2.19; c. oeververdedigingswerken betreft, die een ondersteunend kunstwerk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat: a. de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.153, niet geschonden worden; b. ingeval in afwijking van artikel 3.153, onder b, de activiteit leidt tot wijziging van het waterpeil, een vergunning is verleend voor het wijzigen van het waterpeil of de activiteit in overeenstemming is met een maatregel uit een peilbesluit; c. ingeval de activiteit plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam en een dam betreft, dat deze dam niet gebruikt wordt door het waterschap voor het beheer en onderhoud; d. ingeval de activiteit plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, het watersysteem ter plaatse blijft voldoen aan de afvoernormen van het waterschap.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3158\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.158</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.157, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens: a. een opgave van het type werk dat verwijderd moet worden; b. een opgave van de afmetingen van het te verwijderen werk; c. ingeval een peilregulerend kunstwerk of een peilscheiding wordt verwijderd, een opgave van het gewijzigde waterpeil van de aanliggende oppervlaktewaterlichamen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  3.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten in en nabij waterkeringen (waterveiligheid)</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  3.3.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Afrasteringen, schuttingen en hekwerken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3159\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.159</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van afrasteringen, schuttingen of hekwerken in beperkingengebied I, in beperkingengebied II en in beperkingengebied III van een waterkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3160\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.160</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.15, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.159, houden in elk geval in dat: a. onderhoudswerkzaamheden aan de waterkering door het waterschap niet onaanvaardbaar worden belemmerd; b. de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap niet belemmerd wordt; c. de bekleding van de waterkering erosiebestendig blijft; d. de stabiliteit van de waterkering wordt geborgd; e. het ontstaan van holle ruimten in de bodem wordt voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3161\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.161</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke uitvoeringsregels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1</p></div>", "next": 239966}