{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 5.133 wordt de omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw geweigerd als: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met een in voorbereiding zijnde wijziging van het omgevingsplan respectievelijk een in voorbereiding zijnde wijziging van het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.3.2.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bouwen van een woonark</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5139\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.139</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van een woonark.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is niet van toepassing op het: a. bouwen van een hoofdgebouw. b. veranderen van een hoofdgebouw, waarbij het volume niet toeneemt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5140\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.140</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels is deze paragraaf zijn ook gesteld met het oog op het: a. beschermen van een evenwichtige verdeling tussen wonen en de waterbeleving; b. regelen van de ruimtelijke hoofdvolumes; en beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5141\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.141</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bouwen van een woonark</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning een woonark te bouwen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5142\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.142</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagvereisten omgevingsvergunning bouwen van een woonark</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woonark worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van de woonark en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m³ en de bruto vloeroppervlakte in m² van het deel van de woonark waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de situering van de woonark ten opzichte van de perceelsgrenzen, de kade en de wegzijde;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 5. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij de voorgenomen woonark; e. de hoogte van de woonark ten opzichte van het waterpeil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen; g. voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; h. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>tekeningen met maatvoering van alle gevels van de woonark, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe de geplande woonark in de directe omgeving past;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>principedetails van gezichtsbepalende delen van de woonark;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en 4. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; i. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5143\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.143</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen van een woonark</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[Gereserveerd]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5144\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.144</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen van een woonark met betrekking tot het uiterlijk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning voor het bouwen van een woonark wordt alleen verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan de visuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of er geen sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan de visuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving als bedoeld in het eerste lid wordt beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover nog geen beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet zijn vastgesteld, wordt de vraag of er geen sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan de visuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving als bedoeld in het eerste lid beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover in de beleidsregels, bedoeld in het derde lid of in de welstandsnota, bedoeld in het vierde lid, gebieden of categorieën van bouwwerken zijn aangewezen waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn, dan wordt het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop dit van toepassing is geacht geen onaanvaardbare afbreuk te doen aan de visuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woonark kunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het in het eerste lid genoemde belang.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5145\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.145</span><span class=\"lf-art-t\">Advies Comissie Omgevingskwaliteit Nieuwegein</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college van burgemeester en wethouders wint voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 5.141 schriftelijk advies in bij de Commissie Omgevingskwaliteit Nieuwegein of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 5.144.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover in de beleidsregels, bedoeld in 5.144 derde lid of in de welstandsnota, bedoeld in 5.144 vierde lid, wordt aangegeven dat de Commissie Omgevingskwaliteit Nieuwegein geen advies hoeft uit te brengen wordt de toets of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 5.144 gedaan door de in de beleidsregel dan wel welstandsnota genoemde personen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5146\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.146</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen van een woonark bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 5.143 kan de omgevingsvergunning voor het bouwen van een woonark toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5147\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.147</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen van een woonark met betrekking tot een voorbereidingsbesluit of beschermd stads- of dorpsgezicht 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 5.143 wordt de omgevingsvergunning voor het bouwen van een woonark geweigerd als: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met een in voorbereiding zijnde wijziging van het omgevingsplan respectievelijk een in voorbereiding zijnde wijziging van het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.3.2.4</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bouwen van een woonwagen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5148\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.148</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van een woonwagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is niet van toepassing op het: a. bouwen van een hoofdgebouw; b. veranderen van een hoofdgebouw, waarbij het volume niet toeneemt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5149\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.149</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het: a. regelen van de ruimtelijke hoofdvolumes; b. bewaken van de eenheid van het stedenbouwkundig esemble; en c. beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5150\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.150</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bouwen van een woonwagen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning een woonwagen te bouwen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5151\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.151</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagvereisten omgevingsvergunning bouwen van een woonwagen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woonwagen worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van de woonwagen en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m³ en de bruto vloeroppervlakte in m² van het deel van de woonwagen waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de situering van de woonwagen ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 5. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij de voorgenomen woonwagen; e. de hoogte van de woonwagen ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen; g. voor zover dat in het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; h. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de wet:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>tekeningen met maatvoering van alle gevels van de woonwagen, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe de geplande woonwagen in de directe omgeving past;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>principedetails van gezichtsbepalende delen van de woonwagen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en 4. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen en de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; i. als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelige locatie:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 5.326, redelijkerwijs is uit te sluiten; en 2. als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 5.326, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 5.326, redelijkerwijs is uit te sluiten; en j. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5152\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.152</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen van een woonwagen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[Gereserveerd]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5153\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.153</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen van een woonwagen met betrekking tot het uiterlijk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning voor het bouwen van een woonwagen wordt alleen verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan de visuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of er geen sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan de visuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving als bedoeld in het eerste lid wordt beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover nog geen beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet zijn vastgesteld, wordt de vraag of er geen sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan de visuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving als bedoeld in het eerste lid beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover in de beleidsregels, bedoeld in het derde lid of in de welstandsnota, bedoeld in het vierde lid, gebieden of categorieën van bouwwerken zijn aangewezen waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn, dan wordt het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop dit van toepassing is geacht geen onaanvaardbare afbreuk te doen aan de visuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woonwagen kunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het in het eerste lid genoemde belang.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5154\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.154</span><span class=\"lf-art-t\">Advies Commissie Omgevingskwaliteit Nieuwegein</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college van burgemeester en wethouders wint voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 5.150 schriftelijk advies in bij de Commissie Omgevingskwaliteit Nieuwegein of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 5.153.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover in de beleidsregels, bedoeld in 5.153 derde lid of in de welstandsnota, bedoeld in 5.153 vierde lid, wordt aangegeven dat de Commissie Omgevingskwaliteit Nieuwegein geen advies hoeft uit te brengen wordt de toets of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 5.153 gedaan door de in de beleidsregel dan wel welstandsnota genoemde personen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5155\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.155</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen van een woonwagen met betrekking tot bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover het gaat om een te bouwen bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, wordt de omgevingsvergunning voor het bouwen van een woonwagen alleen verleend als: a. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of b. bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in het eerste lid, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m³ bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zinsdeel \"in meer dan 25 m³ bodemvolume\" in het derde lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woonwagen die is verleend met toepassing van het eerste lid wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat de woonwagen alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5156\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.156</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen van een woonwagen bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 5.152 kan de omgevingsvergunning voor het bouwen van een woonwagen toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5157\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.157</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen van een woonwagen met betrekking tot een voorbereidingsbesluit of beschermd stads- of dorpsgezicht 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 5.152 wordt de omgevingsvergunning voor het bouwen van een woonwagen geweigerd als: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; b. of een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.3.2.5</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bouwen van bebouwing op een agrarisch perceel</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5158\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.158</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van bebouwing op een agrarisch perceel.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is niet van toepassing op het veranderen van bouwwerken op een agrarisch perceel, waarbij het volume niet toeneemt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5159\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.159</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het: a. bevorderen van de exploitatie van agrarische percelen; b. beschermen van de openheid van het landschap; c. waarborgen van het straat- en bebouwingsbeeld; d. herkenbaar houden van de hiërarchie tussen het hoofd- en bijgebouw; en e. waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit van de aangrenzende erven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5160\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.160</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bouwen van bebouwing op een agrarisch perceel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning bebouwing te bouwen op een agrarisch perceel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5161\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.161</span><span class=\"lf-art-t\">Uitzondering op vergunningplicht gevallen bouwen van bebouwing op een agrarisch perceel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod in artikel 5.160 geldt niet voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde, op een agrarisch perceel voor zover het gaat om: a. een silo niet hoger dan 12 m; of b. een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5162\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.162</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagvereisten omgevingsvergunning bouwen van bebouwing op een agrarisch perceel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van bebouwing op een agrarisch perceel worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van de bebouwing op het agrarisch perceel en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m³ en de bruto vloeroppervlakte in m² van het deel van de bebouwing op het agrarisch perceel waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de situering van de bebouwing op het agrarisch perceel ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 5. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij de voorgenomen bebouwing op het agrarisch perceel; e. de hoogte van de bebouwing op het agrarisch perceel ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen; g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie; h. voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; i. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de wet:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>tekeningen met maatvoering van alle gevels van de bebouwing op het agrarisch perceel, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>principedetails van gezichtsbepalende delen van de bebouwing op het agrarisch perceel;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en 4. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; j. als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 5.296, redelijkerwijs is uit te sluiten; en 2. als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 5.296, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 5.296, redelijkerwijs is uit te sluiten; en k. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5163\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.163</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen  van bebouwing op een agrarisch perceel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[Gereserveerd]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5164\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.164</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen van bebouwing op een agrarisch perceel met betrekking tot het uiterlijk 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning voor het bouwen van bebouwing op een agrarisch perceel wordt alleen verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan de visuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of er geen sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan de visuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving als bedoeld in het eerste lid wordt beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover nog geen beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet zijn vastgesteld, wordt de vraag of er geen sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan de visuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving als bedoeld in het eerste lid beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover in de beleidsregels, bedoeld in het derde lid of in de welstandsnota, bedoeld in het vierde lid, gebieden of categorieën van bouwwerken zijn aangewezen waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn, dan wordt het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop dit van toepassing is geacht geen onaanvaardbare afbreuk te doen aan een goede omgevingskwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van bebouwing op een agrarisch perceel kunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het in het eerste lid genoemde belang.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5165\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.165</span><span class=\"lf-art-t\">Advies Commissie Omgevingskwaliteit Nieuwegein</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college van burgemeester en wethouders wint voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 5.160 schriftelijk advies in bij de Commissie Omgevingskwaliteit Nieuwegein of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 5.164.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover in de beleidsregels, bedoeld in 5.164 derde lid of in de welstandsnota, bedoeld in 5.164 vierde lid, wordt aangegeven dat de Commissie Omgevingskwaliteit Nieuwegein geen advies hoeft uit te brengen wordt de toets of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 5.164 gedaan door de in de beleidsregel dan wel welstandsnota genoemde personen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5166\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.166</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen van bebouwing op een agrarisch perceel met betrekking tot bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover het gaat om een te bouwen bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, wordt de omgevingsvergunning voor het bouwen van bebouwing op een agrarisch perceel alleen verleend als: a. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of b. bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in het eerste lid, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m³ bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zinsdeel ‘in meer dan 25 m³ bodemvolume’ in het derde lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen op een agrarisch perceel die is verleend met toepassing van het eerste lid onder b, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat de bebouwing op een agrarisch perceel, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in het eerste lid, onder b.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5167\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.167</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen bouwen van bebouwing op een agrarisch perceel bij regels over wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 5.163 kan de omgevingsvergunning voor het bouwen van bebouwing op een agrarisch perceel toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.3.2.6</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bouwen van bebouwing op een volks- of recreatietuin</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5168\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.168</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van bebouwing op een volks- of recreatietuin.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is niet van toepassing op het veranderen van bebouwing op een volks- of recreatietuin, waarbij het volume niet toeneemt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5169\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.169</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het: a. faciliteren van bebouwing op een volks- of recreatietuin; b. bevorderen van de recreatiemogelijkheden op een volks- of recreatietuin; en c. behouden van openheid van de volks- of recreatietuin.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5170\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.170</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bouwen van bebouwing op een volks- of recreatietuin</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning bebouwing te bouwen op een volks- of recreatietuin.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5171\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.171</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagvereisten omgevingsvergunning bouwen van bebouwing op een volks- of recreatietuin</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van bebouwing op een volks- of recreatietuin worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van de bebouwing op de volks- of recreatietuin en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m³ en de bruto vloeroppervlakte in m² van het deel van de bebouwing op de volks- of recreatietuin waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de situering van de bebouwing op de volks- of recreatietuin ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 5. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij de voorgenomen bebouwing op de volks- of recreatietuin; e. de hoogte van de bebouwing op de volks- of recreatietuin ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen; g. voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; h. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de wet:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>tekeningen met maatvoering van alle gevels van de bebouwing op de volks- of recreatietuin, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>principedetails van gezichtsbepalende delen van de bebouwing op de volks- of recreatietuin;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en 4. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; i. als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 5.296, redelijkerwijs is uit te sluiten; en 2. als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 5.296, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 5.296, redelijkerwijs is uit te sluiten; en j. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5172\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.172</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen van bebouwing op een volks- of recreatietuin</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[Gereserveerd]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5173\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.173</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beoordelingsregel omgevingsvergunning bouwen van bebouwing op een volks- of recreatietuin met betrekking tot het uiterlijk 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning voor het bouwen van bebouwing op een volks- of recreatietuin wordt alleen verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan de visuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of er geen sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan de visuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving als bedoeld in het eerste lid wordt beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover nog geen beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet zijn vastgesteld, wordt de vraag of er geen sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan de visuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving als bedoeld in het eerste lid beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover in de beleidsregels, bedoeld in het derde lid of in de welstandsnota, bedoeld in het vierde lid, gebieden of categorieën van bouwwerken zijn aangewezen waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn, dan wordt het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop dit van toepassing is geacht geen onaanvaardbare afbreuk te doen aan een goede omgevingskwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van bebouwing op een volks- of recreatietuin kunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het in het eerste lid genoemde belang.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5174\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.174</span><span class=\"lf-art-t\">Advies Commissie Omgevingskwaliteit Nieuwegein</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college van burgemeester en wethouders wint voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 5.170 schriftelijk advies in bij de Commissie Omgevingskwaliteit Nieuwegein of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 5.173.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover in de beleidsregels, bedoeld in 5.173 derde lid of in de welstandsnota, bedoeld in 5.173 vierde lid, wordt aangegeven dat de Commissie Omgevingskwaliteit Nieuwegein geen advies hoeft uit te brengen wordt de toets of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 5.173 gedaan door de in de beleidsregel dan wel welstandsnota genoemde personen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5175\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.175</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen van bebouwing op een volks- of recreatietuin met betrekking tot bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover het gaat om een te bouwen bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, wordt de omgevingsvergunning voor het bouwen van bebouwing op een volks- of recreatietuin alleen verleend als: a. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of b. bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in het eerste lid, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m³ bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zinsdeel ‘in meer dan 25 m³ bodemvolume’ in het derde lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen op een volks- of recreatietuin die is verleend met toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat de bebouwing op een volks- recreatietuin, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in het eerste lid, onder b.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.3.2.7</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bouwen van een bijbehorend bouwwerk</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5176\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.176</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van een bijbehorend bouwwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is niet van toepassing op het bouwen van een: a. bijbehorend bouwwerk op een agrarisch perceel; b. bijbehorend bouwwerk op een volks- of recreatietuin; c. een dakkapel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5177\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.177</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het: a. bieden van ruimte aan aanvullende bebouwing op het erf, anders dan het hoofdgebouw; b. waarborgen van het stedenbouwkundig ensemble; c. waarborgen van het straat- en bebouwingsbeeld; d. herkenbaar houden van de hiërarchie tussen het hoofd- en bijgebouw; en e. waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit van de aangrenzende erven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5178\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.178</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bouwen van een bijbehorend bouwwerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bijbehorend bouwwerk te bouwen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5179\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.179</span><span class=\"lf-art-t\">Uitzondering op vergunningplichtige gevallen bouwen van een bijbehorend bouwwerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod in artikel 5.178 geldt niet als een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan voldoet aan de volgende eisen: a. op de grond staand; b. gelegen in het achtererfgebied; c. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied; d. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; e. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; f. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijke hoofdgebouw, niet hoger dan:</p>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 m;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">0,4 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en 3. het hoofdgebouw; g. voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijke hoofdgebouw:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>als het bijbehorende bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg; h. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen in het bebouwingsgebied niet meer dan:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m²: 50% van dat bebouwingsgebied;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m² en kleiner dan of gelijk aan 300 m²: 50 m², vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m²; en 3. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m²: 90 m², vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m², tot een maximum van in totaal 150 m².</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5180\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.180</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagvereisten omgevingsvergunning bouwen van een bijbehorend bouwwerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bijbehorend bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m³ en de bruto vloeroppervlakte in m² van het deel van het bijbehorend bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bijbehorend bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de situering van het bijbehorend bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 5. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bijbehorend bouwwerk; e. de hoogte van het bijbehorend bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen; g. voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; h. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de wet:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>tekeningen met maatvoering van alle gevels van het bijbehorend bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>principedetails van gezichtsbepalende delen van het bijbehorend bouwwerk;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en 4. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; i. als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 5.296, redelijkerwijs is uit te sluiten; en 2. als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 5.296, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 5.296, redelijkerwijs is uit te sluiten; en j. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5181\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.181</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen van een bijbehorend bouwwerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de beoordelingsregels als bedoeld in artikel 5.133 dan wel de regels voor hoofdgebouwen in het tijdelijk deel van dit omgevingsplan als bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet;</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5182\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.182</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Specifieke beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen van een bijbehorend bouwwerk - bouwen buiten het bouwvlak 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 5.181 wordt de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk buiten het werkingsgebied ‘bouwvlak’ verleend als: a. het bijbehorend bouwwerk in het werkingsgebied welstand regulier of welstand bijzonder wordt gebouwd; b. het bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied wordt gebouwd; c. het bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan op de grond staat; d. het bijbehorend bouwwerk alleen een verblijfsgebied in de eerste bouwlaag biedt; e. het bijbehorend bouwwerk niet wordt voorzien van een dakterras, balkon of ander niet op de grond gelegen buitenruimte; f. het bijbehorend bouwwerk, voor zover gebouwd op een afstand van meer dan 4 meter van het oorspronkelijke hoofdgebouw, functioneel ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg; en g. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer bedraagt dan:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m²: 50% van dat bebouwingsgebied;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m² en kleiner dan of gelijk aan 300 m²: 50 m², vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m²; en 3. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m²: 90 m², vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m², tot een maximum van in totaal 150.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het werkingsgebied ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen geldt, in afwijking van het eerste lid dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk ook wordt verleend als aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan als bedoeld in het eerste lid en het bijbehorende bouwwerk buiten een bouwvlak ligt, zoals dat is opgenomen in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het werkingsgebied ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen geldt, in afwijking van het eerste lid, dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk ook wordt verleend als, op basis van het tijdelijk deel van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet: a. het bijbehorende bouwwerk gelegen is binnen de bestemming ‘Woongebied’; en b. voldoet aan de bij die bestemming horende voorwaarden voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5183\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.183</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen van een bijbehorend bouwwerk met betrekking tot het uiterlijk 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk wordt alleen verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan de visuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of er geen sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan de goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid wordt beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover nog geen beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet zijn vastgesteld, wordt de vraag of er geen sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan de visuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving als bedoeld in het eerste lid beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover in de beleidsregels, bedoeld in het derde lid of in de welstandsnota, bedoeld in het vierde lid, gebieden of categorieën van bouwwerken zijn aangewezen waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn, dan wordt het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop dit van toepassing is geacht geen onaanvaardbare afbreuk te doen aan de visuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk kunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het in het eerstelid genoemde belang.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5184\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.184</span><span class=\"lf-art-t\">Advies Commissie Omgevingskwaliteit Nieuwegein</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college van burgemeester en wethouders wint voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 5.178 schriftelijk advies in bij de Commissie omgevingskwaliteit of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 5.183.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover in de beleidsregels, bedoeld in 5.183 derde lid of in de welstandsnota, bedoeld in 5.183 vierde lid, wordt aangegeven dat de Commissie Omgevingskwaliteit Nieuwegein geen advies hoeft uit te brengen wordt de toets of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 5.183 gedaan door de in de beleidsregel dan wel welstandsnota genoemde personen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5185\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.185</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen van een bijbehorend bouwwerk met betrekking tot bodemgevoelig gebouwen op bodemgevoelige locaties 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover het gaat om een te bouwen bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, wordt de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk alleen verleend als: a. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of b. bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in het eerste lid, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m³ bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zinsdeel \"in meer dan 25 m³ bodemvolume\" in het derde lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk die is verleend met toepassing van eerste lid, sub b, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het bijbehorende bouwwerk, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in het eerste lid, onder b.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5186\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.186</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen van een bijbehorend bouwwerk bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 5.181 kan de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5187\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.187</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen van een bijbehorend bouwwerk met betrekking tot een voorbereidingsbesluit of beschermd stads- of dorpsgezicht 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 5.181 wordt de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk geweigerd als: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend Tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.3.2.8</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bouwen van een berging bij een woonark</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5188\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.188</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van een berging bij een woonark.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5189\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.189</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het: a. bieden van ruimte aan bergingen op de wal; b. waarborgen van het stedenbouwkundig ensemble; c. waarborgen van het straat- en bebouwingsbeeld; en d. waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit van de aangrenzende erven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5190\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.190</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bouwen van een berging bij een woonark</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning een berging bij een woonark te bouwen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5191\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.191</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagvereisten omgevingsvergunning bouwen van een berging bij een woonark</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een berging bij een woonark worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. een opgave van de bruto inhoud in m³ en de bruto vloeroppervlakte in m² van het deel van de berging waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de situering en afmetingen van de aanwezige bebouwing;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de situering van de berging ten opzichte van de wegzijde en de woonark;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 4. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij de voorgenomen berging; d. de hoogte van de berging ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; e. voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; f. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de wet:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>tekeningen met maatvoering van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en 4. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; en g. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5192\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.192</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen van een berging bij een woonark</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[Gereserveerd]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.3.2.9</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bouwen van een dakkapel</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5193\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.193</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van een dakkapel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5194\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.194</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het: a. bieden van ruimte aan aanvullende bebouwing, anders dan het hoofdgebouw; b. waarborgen van het stedenbouwkundig ensemble; c. waarborgen van het straat- en bebouwingsbeeld; d. herkenbaar houden van de hiërarchie tussen het hoofd- en bijgebouw; en e. waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit van de aangrenzende erven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5195\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.195</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bouwen van een dakkapel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning een dakkapel te bouwen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5196\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.196</span><span class=\"lf-art-t\">Uitzondering op vergunningplichtige gevallen bouwen van een dakkapel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod als bedoeld in artikel 5.195 geldt niet als een dakkapel voldoet aan de volgende eisen: a. de dakkapel in het werkingsgebied welstandsvrij of welstand regulier wordt gebouwd; b. de dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak wordt gebouwd; c. de dakkapel wordt voorzien van een plat dak; d. de dakkapel is, gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m; e. de onderzijde van de dakkapel ligt op meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet; f. de bovenzijde van de dakkapel ligt op meer dan 0,5 m onder de daknok; en g. de zijkanten van de dakkapel liggen op meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5197\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.197</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagvereisten omgevingsvergunning bouwen van een dakkapel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een dakkapel worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. tekeningen met maatvoering waarop de afmetingen van de dakkapel en afmetingen van de dakkapel tot de daknok, dakvoet en zijkant van het dakvlak zijn aangegeven; c. indien er reeds een dakkapel in het dakvlak aanwezig is een tekening met maatvoering waarop de positionering van de dakkapellen ten opzichte van elkaar is aangegeven; d. indien in hetzelfde bouwblok en hetzelfde dakvlak al dakkapellen aanwezig zijn, de positionering van de dakkapel ten opzichte van de andere dakkapellen in het bouwblok; e. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de wet:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>tekeningen met maatvoering van alle gevels van de dakkapel, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>principedetails van gezichtsbepalende delen van de dakkapel;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en 4. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; f. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5198\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.198</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen van een dakkapel met betrekking tot het uiterlijk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning voor het bouwen van een dakkapel wordt alleen verleend als het uiterlijk van het bouwwerk, zowel op zichtzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan de visuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of er geen sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan de visuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving als bedoeld in het eerste lid wordt beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover nog geen beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet zijn vastgesteld, wordt de vraag of er geen sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan de visuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving als bedoeld in het eerste lid beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover in de beleidsregels, bedoeld in het derde lid of in de welstandsnota, bedoeld in het vierde lid, gebieden of categorieën van bouwwerken zijn aangewezen waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn, dan wordt het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop dit van toepassing is geacht geen onaanvaardbare afbreuk te doen aan de visuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk kunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het in het eerste lid genoemde belang.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5199\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.199</span><span class=\"lf-art-t\">Advies Commissie Omgevingskwaliteit Nieuwegein</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college van burgemeester en wethouders wint voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 5.195 schriftelijk advies in bij de Commissie omgevingskwaliteit of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 5.198.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover in de beleidsregels, bedoeld in 5.198 derde lid of in de welstandsnota, bedoeld in 5.198 vierde lid, wordt aangegeven dat de Commissie Omgevingskwaliteit Nieuwegein geen advies hoeft uit te brengen wordt de toets of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 5.198 gedaan door de in de beleidsregel dan wel welstandsnota genoemde personen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.3.2.10</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bouwen van een buitenunit ten behoeve van warmte- of koudeopwekking</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5200\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.200</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van een buitenunit ten behoeve van warmte- of koudeopwekking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5201\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.201</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het: a. bieden van ruimte aan aanvullende bebouwing anders dan het hoofdgebouw; b. waarborgen van het stedenbouwkundig ensemble; c. waarborgen van het straat- en bebouwingsbeeld; d. herkenbaar houden van de hiërarchie tussen het hoofd- en bijgebouw; en e. waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit van de aangrenzende erven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5202\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.202</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bouwen van een buitenunit ten behoeve van warmte- of koudeopwekking Het is verboden zonder omgevingsvergunning een buitenunit ten behoeve van warmte- of koudeopwekking te bouwen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5203\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.203</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uitzonderingen op vergunningplichtige gevallen bouwen van een buitenunit ten behoeve van warmte- of koudeopwekking Het verbod in artikel 5.202 geldt niet als een buitenunit ten behoeve van warmte- of koudeopwekking voldoet aan de volgende eisen: a. indien de buitenunit op of in de grond wordt geplaatst: maximaal 1 meter hoog en de oppervlakte kleiner dan 2 m², of; b. indien de buitenunit aan een gevel of op een balkon of luifel tegen een gevel wordt geplaatst: maximaal 50 centimeter uitsteekt ten opzichte van de gevel (loodrecht gemeten) en de buitenunit is geplaatst aan de achtergevel of zijgevel die niet naar de openbare ruimte is gekeerd, of; c. indien de buitenunit op een dak wordt geplaatst: maximaal 50 centimeter uitsteekt ten opzichte van het dak (loodrecht gemeten bij een plat dak en verticaal gemeten bij een schuin dak) en de buitenunit is geplaatst in het achterdakvlak of zijdakvlak die niet naar de openbare ruimte is gekeerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5204\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.204</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanvraagvereisten omgevingsvergunning bouwen van een buitenunit ten behoeve van warmte- en koudeopwekking Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een buitenunit ten behoeve van warmte- en koudeopwekking worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. tekening met maatvoering van de locatie van de buitenunit, inclusief eventuele leidingen; c. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de wet:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>tekeningen met maatvoering van de gevel(s) inclusief de buitenunit en eventuele leidingen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>een opgave van de toe te passen bouwmaterialen en de kleur daarvan; d. als u de woning of (bedrijfs)ruimte huurt: toestemming van de verhuurder; e. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5205\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.205</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beoordelingsregel omgevingsvergunning bouwen van een buitenunit ten behoeve van warmte en koudeopwekking met betrekking tot het uiterlijk 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning voor het bouwen van een buitenunit ten behoeve van warmte- en koudeopwekking wordt alleen verleend als het uiterlijk van het bouwwerk, zowel op zichtzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan de visuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of er geen sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan de visuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving als bedoeld in het eerste lid wordt beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover nog geen beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet zijn vastgesteld, wordt de vraag of er geen sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan de visuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving als bedoeld in het eerste lid beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover in de beleidsregels, bedoeld in het derde lid of in de welstandsnota, bedoeld in het vierde lid, gebieden of categorieën van bouwwerken zijn aangewezen waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn, dan wordt het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop dit van toepassing is geacht geen onaanvaardbare afbreuk te doen aan de visuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een buitenunit ten behoeve van warmte- en koudeopwekking kunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het in het eerste lid genoemde belang.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5206\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.206</span><span class=\"lf-art-t\">Advies Commissie omgevingskwaliteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college van burgemeester en wethouders wint voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 5.202 schriftelijk advies in bij de Commissie omgevingskwaliteit of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 5.205.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover in de beleidsregels, bedoeld in artikel 5.205 derde lid of in de welstandsnota, bedoeld in artikel 5.205 vierde lid, wordt aangegeven dat de Commissie Omgevingskwaliteit Nieuwegein geen advies hoeft uit te brengen wordt de toets of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 5.205 gedaan door de in de beleidsregel dan wel welstandsnota genoemde personen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.3.2.11</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bouwen van overige bebouwing Subparagraaf 5.3.2.11.1 Bouwen van een bouwwerk ten behoeve van mantelzorg buiten de bebouwde kom</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5207\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.207</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf is van toepassing op het bouwen van een bouwwerk voor mantelzorg buiten de bebouwde kom.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf is niet van toepassing op het bouwen van een bouwwerk voor mantelzorg binnen de bebouwde kom.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5208\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.208</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met oog op het tijdelijk kunnen verlenen van zorg aan huis.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5209\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.209</span><span class=\"lf-art-t\">Mantelzorg - functioneel verbonden met het hoofdgebouw</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij toepassing van deze subparagraaf wordt huisvesting in verband met mantelzorg bij een woning aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.210</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene regels bouwwerk voor mantelzorg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij het bouwen van een bouwwerk voor mantelzorg wordt voldaan aan de volgende eisen: a. het bouwwerk wordt gebouwd voor huisvesting in verband met mantelzorg bij een woning. b. het bouwwerk staat op de grond. c. het bouwwerk is in zijn geheel of in delen verplaatsbaar. d. de oppervlakte van het bouwwerk is maximaal 100 m². e. het bouwwerk ligt buiten de bebouwde kom. f. het bouwwerk wordt verwijderd wanneer het niet meer wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.3.2.11.2 Bouwen van een recreatief nachtverblijf</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.211</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing op het bouwen van een recreatief nachtverblijf</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5212\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.212</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op het bieden van ruimte om te recreëren en daar te kunnen overnachten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5213\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.213</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene regels bouwen van een recreatief nachtverblijf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij het bouwen van een recreatief nachtverblijf wordt voldaan aan de volgende eisen: a. een recreatief nachtverblijf mag alleen gebouwd worden op een locatie die in het tijdelijk deel van dit omgevingsplan als bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet de functieaanduiding 'verblijfsrecreatie' heeft; b. een recreatief nachtverblijf staat op de grond; c. een recreatief nachtverblijf is niet hoger dan 5 meter; d. de oppervlakte van een recreatief nachtverblijf is maximaal 70 m².</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.3.2.12</h3>\n<p class=\"lf-p\">Het veranderen van een bouwwerk</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5214\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.214</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het veranderen van een bouwwerk waarbij de bebouwde oppervlakte en/of het bouwvolume niet toenemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5215\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.215</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het waarborgen van het straat- en bebouwingsbeeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5216\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.216</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing vergunningplichtige gevallen veranderen van een bouwwerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te veranderen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5217\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.217</span><span class=\"lf-art-t\">Uitzondering vergunningplichtige gevallen veranderen van een bouwwerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 5.216 mag je een bouwwerk toch veranderen als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte; b. geen uitbreiding van het bouwvolume; en c. als het gaat om een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onderdeel c tot en met onderdeel g, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, dient het bouwwerk te voldoen aan de eisen die in dit artikel gesteld worden ten aanzien van dit bouwwerk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5218\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.218</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagvereisten omgevingsvergunning veranderen van een bouwwerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het veranderen van een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het te veranderen bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. de hoogte van het te veranderen bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; d. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de wet:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>tekeningen met maatvoering van alle gevels van het te veranderen bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het te veranderen bouwwerk in de directe omgeving past;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>principedetails van gezichtsbepalende delen van het te veranderen bouwwerk;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en 4. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; e. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5219\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.219</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels omgevingsvergunning veranderen van een bouwwerk met betrekking tot het uiterlijk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning voor het veranderen van een bouwwerk wordt alleen verleend als het uiterlijk van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan de visuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of er geen sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan de visuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving als bedoeld in het eerste lid wordt beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover nog geen beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet zijn vastgesteld, wordt de vraag of er geen sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan de visuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving als bedoeld in het eerste lid beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover in de beleidsregels, bedoeld in het derde lid of in de welstandsnota, bedoeld in het vierde lid, gebieden of categorieën van bouwwerken zijn aangewezen waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn, dan wordt het uiterlijk van het bouwwerk waarop dit van toepassing is geacht geen onaanvaardbare afbreuk te doen aan de visuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan een omgevingsvergunning voor het veranderen van een bouwwerk kunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het in het eerste lid genoemde belang.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5220\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.220</span><span class=\"lf-art-t\">Advies Commissie Omgevingskwaliteit Nieuwegein</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college van burgemeester en wethouders wint voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 5.216 schriftelijk advies in bij de Commissie omgevingskwaliteit of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 5.219.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover in de beleidsregels, bedoeld in 5.219 derde lid of in de welstandsnota, bedoeld in 5.219 vierde lid, wordt aangegeven dat de Commissie Omgevingskwaliteit Nieuwegein geen advies hoeft uit te brengen wordt de toets of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 5.219 gedaan door de in de beleidsregel dan wel welstandsnota genoemde personen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.3.2.13</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5221\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.221</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen of uitbreiden van een bouwwerk, geen gebouw zijnde.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is niet van toepassing op: a. het bouwen of uitbreiden van een bouwwerk, geen gebouw zijnde op een agrarisch perceel; en b. het bouwen of uitbreiden van een bouwwerk, geen gebouw zijnde op een volks- of recreatietuin.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5222\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.222</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het: a. bieden van ruimte aan aanvullende bebouwing op het erf, anders dan gebouwen; b. waarborgen van het stedenbouwkundig ensemble; c. waarborgen van het straat- en bebouwingsbeeld; d. waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit van de aangrenzende erven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5223\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.223</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk, geen gebouw zijnde te bouwen of uit te breiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid wordt geen omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, op de oever bij een woonschip.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5224\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.224</span><span class=\"lf-art-t\">Uitzondering vergunningplichtig bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod als bedoeld in artikel 5.223 is niet van toepassing op: a. erf- of perceelafscheidingen als wordt voldaan aan de volgende eisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de te bouwen erf- of perceelafscheiding wordt gebouwd in het werkingsgebied welstandsvrij of welstand regulier;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de bouwhoogte van een erf- of perceelsafscheiding is maximaal 2 meter, voor zover gelegen op een afstand van 1 meter achter de voorgevelrooilijn;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>de erf- op perceelsafscheiding staat op een erf of perceel waarop al een hoofdgebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en 4. de erf- of perceelsafscheiding grenst niet aan openbaar gebied. b. een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>niet hoger dan 4 m; en 2. alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5225\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.225</span><span class=\"lf-art-t\">Uitzondering vergunningplicht bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde bij sport</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod als bedoeld in artikel 5.223 is niet van toepassing op het bouwen of uitbreiden van de volgende bouwwerken, geen gebouwen zijnde op sportlocaties. a. een lichtmast voor terreinverlichting met een maximale hoogte van 20 meter; en b. een ballenvanger met een maximale hoogte van zes meter.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5226\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.226</span><span class=\"lf-art-t\">Uitzondering vergunningplicht bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde bij wonen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod als bedoeld in artikel 5.223 is niet van toepassing op het bouwen of uitbreiden van de volgende bouwwerken, geen gebouwen zijnde bij woningen: a. een containerberging bij een grondgebonden woning in het achtererfgebied; b. een containerberging bij een grondgebonden woning in het voorerfgebied als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de bouwhoogte van een containerberging is maximaal 1,5 m; en 2. de oppervlakte van een containerberging is niet groter dan noodzakelijk voor de berging van de container(s); en c. een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5227\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.227</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagvereisten bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk, geen gebouw zijnde en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto vloeroppervlakte in m2 van het bouwwerk, geen gebouw zijnde waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de situering van het bouwwerk, geen gebouw zijnde ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 5. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk, geen gebouw zijnde; e. de hoogte van het bouwwerk, geen gebouw zijnde ten opzichte van het straatpeil; f. de inrichting van parkeervoorzieningen; g. voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; h. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de wet:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>tekeningen met maatvoering van alle aanzichten van het bouwwerk, geen gebouw zijnde, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk, geen gebouw zijnde in de directe omgeving past;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk, geen gebouw zijnde;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en 4. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen; i. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5228\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.228</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning voor het bouwwerk, geen gebouw zijnde wordt alleen verleend als voldaan wordt aan de volgende eisen: a. de hoogte van het bouwwerk, geen gebouw zijnde, is maximaal drie meter; b. in afwijking van sub a is de hoogte van een tribune binnen het werkingsgebied ‘sport’ maximaal 6 meter;</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5229\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.229</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde met betrekking tot het uiterlijk 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde wordt alleen verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, geen gebouw zijnde, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan de visuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of er geen sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan de visuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving als bedoeld in het eerste lid wordt beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover nog geen beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet zijn vastgesteld, wordt de vraag of er geen sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan de visuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving als bedoeld in het eerste lid beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover in de beleidsregels, bedoeld in het derde lid of in de welstandsnota, bedoeld in het vierde lid, gebieden of categorieën van bouwwerken zijn aangewezen waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn, dan wordt het uiterlijk van het bouwwerk waarop dit van toepassing is geacht geen onaanvaardbare afbreuk te doen aan de visuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde kunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het in het eerste lid genoemde belang.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5230\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.230</span><span class=\"lf-art-t\">Advies Commissie Omgevingskwaliteit Nieuwegein</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college van burgemeester en wethouders wint voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 5.223 schriftelijk advies in bij de Commissie omgevingskwaliteit of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 5.229.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover in de beleidsregels, bedoeld in 5.229 derde lid of in de welstandsnota, bedoeld in 5.229 vierde lid, wordt aangegeven dat de Commissie Omgevingskwaliteit Nieuwegein geen advies hoeft uit te brengen wordt de toets of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 5.229 gedaan door de in de beleidsregel dan wel welstandsnota genoemde personen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.3.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Het in stand houden van een bouwwerk</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5231\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.231</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling is van toepassing op het in stand houden van een bouwwerk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5232\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.232</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze afdeling zijn gesteld met oog op: a. het waarborgen dat het uiterlijk van een bouwwerk:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>past bij de activiteiten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>bestaande architectonische bijzonderheden respecteert;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>past bij de omgeving; en b. het waarborgen dat de omgeving:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>vrij is van aanstootgevende symbolen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>sociaal veilig en toegankelijk is; en c. het bewerkstelligen van een beeld van een bouwwerk of kunstwerk dat duidelijk is; en d. een gebalanceerd gebruik van vorm, kleur en materiaal.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5233\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.233</span><span class=\"lf-art-t\">Repressief welstandstoezicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de wet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5234\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.234</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vergunningplicht voor het instandhouden van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is vereist Voor zover een omgevingsvergunning is vereist op grond van een activiteit als bedoeld in afdeling 5.3.2 is het verboden dit bouwwerk in stand te houden zonder de daarvoor benodigde omgevingsvergunning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5235\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.235</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het instandhouden van een bouwwerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning voor het in stand houden van een bouwwerk als bedoeld in 5.234 wordt alleen verleend als de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van afdeling 5.3.4;</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.3.4</h3>\n<p class=\"lf-p\">Woonruimte gebruiken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5236\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.236</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling is van toepassing op het gebruiken van gebouwen als woonruimte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5237\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.237</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het bereiken en in stand houden van een goed woon- en leefklimaat; b. het voorkomen en beperken van hinder; en c. het beschermen van de gezondheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5238\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.238</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene regels over het gebruiken van een woonruimte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woonruimte niet bewoond door meer dan één persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; b. in afwijking van onderdeel 1 wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.3.5</h3>\n<p class=\"lf-p\">Nevenactiviteiten bij een woonruimte uitoefenen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.3.5.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Mantelzorg verlenen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5239\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.239</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op het gebruik van bouwwerken voor huisvesting in verband met mantelzorg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5240\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.240</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnenplanse vergunningsvrije activiteit met betrekking tot mantelzorg van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van titel 5.3 is in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.3.6</h3>\n<p class=\"lf-p\">Aanleggen, hebben, onderhouden of verwijderen van leidingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5241\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.241</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze afdeling zijn van toepassing op het aanleggen, hebben, onderhouden of verwijderen van leidingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5242\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.242</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene regels aanleggen van een buisleiding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het aanleggen van een buisleiding, anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving of artikel 3.101 van het Besluit activiteiten leefomgeving op van toepassing is, is toegestaan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.3.7</h3>\n<p class=\"lf-p\">Aanleggen of wijzigen van wegen en spoorwegen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.3.7.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Uitweg maken, hebben of veranderen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5243\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.243</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indieningsvereisten omgevingsvergunning voor het maken, in gebruik nemen of het veranderen van een uitweg In of bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2:12 eerste lid van de Algemene plaatselijke verordening, verstrekt de aanvrager gegevens met betrekking tot: a. de locatie van de uitweg aan het voor-, zij- dan wel achtererf; b. de afmeting van de nieuwe uitweg, dan wel van de te veranderen bestaande uitweg en de beoogde verandering daarvan; c. de te gebruiken materialen; d. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het aanleggen of voor het gebruik van de uitweg, zoals bomen, lantaarnpalen en nutsvoorzieningen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.3.7.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Aanleggen of wijzigen van wegen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.3.7.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Aanleggen of wijzigen van lokale spoorwegen Subparagraaf 5.3.7.3.1 Inleidende regels Subparagraaf 5.3.7.3.2 Algemene regels voor het aanleggen en wijzigen van lokale spoorwegen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.3.7.4</h3>\n<p class=\"lf-p\">aanleggen of wijzigen van wegen of spoorwegen zonder geluidproductieplafonds</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5244\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.244</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen of wijzigen van een weg of spoorweg, tenzij: a. aan de aanleg of wijziging een besluit tot vaststelling van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit ten grondslag ligt; of b. het een rijksweg, provinciale weg of bij omgevingsverordening aangewezen lokale spoorweg betreft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5245\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.245</span><span class=\"lf-art-t\">omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit aanleg weg of spoorweg nabij geluidgevoelig gebouw</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning een weg of spoorweg aan te leggen of te wijzigen als op grond van een omgevingsplan of bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit een geluidgevoelig gebouw is toegelaten binnen het aandachtsgebied van die weg of spoorweg.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing op een weg als: a. deze is gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; b. een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt; c. de snelheid wordt verlaagd; d. een wegdeklaag wordt vervangen door een wegdeklaag met dezelfde of een grotere geluidsreducerende werking; e. de snelheid wordt verhoogd tot ten hoogste de maximumsnelheid, zoals die gold voor een tijdelijke snelheidsverlaging die als maatregel is opgenomen in een programma als bedoeld in artikel 5.12 van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van de Omgevingswet; of f. het wijzigen, gerekend zonder het treffen van maatregelen, leidt tot:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>niet meer dan 50 dB op de gevel van een geluidgevoelig gebouw;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>als een hogere waarde is vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder, de Experimentenwet Stad en Milieu, de Interimwet stad-en-milieubenadering of de Spoedwet wegverbreding: niet meer dan 2 dB meer geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw dan die hogere waarde of, als de heersende waarde lager is, de heersende waarde; of 3. als de weg en het geluidgevoelige gebouw op 1 januari 2007 waren toegelaten, niet eerder een hogere waarde is vastgesteld dan 48 dB en de heersende waarde hoger is dan 48 dB: niet meer dan 2 dB meer dan de heersende waarde.</div>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing op een spoorweg als: a. de intensiteit, de verkeerssnelheid of een combinatie van beide wordt gewijzigd waardoor het geluid onafgerond niet meer dan 1,0 dB toeneemt ten opzichte van het geluid gedurende de drie jaren voorafgaand aan de wijziging; b. spoorstaven horizontaal worden verplaatst over een afstand van minder dan 2 m; c. spoorstaven verticaal worden verplaatst over een afstand van minder dan 1 m; d. de baanconstructie wordt vervangen door een baanconstructie die niet meer geluid emitteert dan de te vervangen constructie; of e. het wijzigen, gerekend zonder het treffen van maatregelen, leidt tot:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>niet meer dan 3 dB meer geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw dan de heersende waarde; en 2. niet meer dan 63 dB op de gevel van een geluidgevoelig gebouw.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5246\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.246</span><span class=\"lf-art-t\">aandachtsgebied van een weg of spoorweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als zich langs een weg of spoorweg een aandachtsgebied bevindt dat bestaat uit delen met een onderling verschillende breedte, geldt voor de aansluiting van de verschillende delen dat het breedste deel over een afstand gelijk aan een derde van de breedte van dat deel, gemeten vanaf het punt van versmalling van de breedte, nog langs de as van de weg of spoorweg doorloopt en met een loodlijn aansluit op het smalste aandachtsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de uiteinden van een weg of spoorweg loopt het aandachtsgebied door over een afstand gelijk aan de breedte van dat gebied ter hoogte van dat uiteinde. Het aandachtsgebied loopt door langs een lijn die is gelegen in het verlengde van de as van de weg of spoorweg en behoudt de breedte die het had ter hoogte van het uiteinde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5247\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.247</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gegevens en bescheiden binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.245, eerste lid, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een akoestisch onderzoek naar:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging of aanleg van de weg of spoorweg ondervinden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied in de toekomst door de weg of spoorweg zouden ondervinden zonder de invloed van maatregelen die de geluidsbelasting beperken;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>het geluid door andere wegen of niet te wijzigen delen van de weg, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de wijziging van een weg zal leiden tot een toename van meer dan 2 dB van het geluid op geluidgevoelige gebouwen door die wegen of delen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>de doeltreffendheid van de in aanmerking komende verkeersmaatregelen en andere maatregelen om te voorkomen dat het in de toekomst door de weg optredende geluid op de gebouwen, bedoeld onder 1°, de standaardwaarde, zijnde 53 Lden voor een weg en 55 Lden voor een spoorweg, te boven zou gaan of om te voorkomen dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen toeneemt ten opzichte van het geluid onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging; b. een beschrijving van de voorgenomen maatregelen, bedoeld onder a, onder 4°; en c. een beschrijving van te treffen geluidwerende maatregelen aan gevels van gebouwen waarvoor het toekomstige geluid hoger wordt dan de standaardwaarde en toeneemt ten opzichte van de situatie voor de wijziging of aanleg, voor zover nodig om te voldoen aan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.53 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5248\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.248</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.245, eerste lid, wordt alleen verleend als de activiteit er niet toe leidt dat de grenswaarde 70 Lden wordt overschreden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5249\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.249</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.245, eerste lid, worden voorschriften verbonden die ertoe strekken dat: a. maatregelen als bedoeld in artikel 5.247, onder a, onder 4°, worden getroffen, als deze doelmatig zijn; en b. maatregelen als bedoeld in artikel 5.247, onder c, worden getroffen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.3.8</h3>\n<p class=\"lf-p\">Lozen van afvalwater</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.3.8.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Lozen van huishoudelijk afvalwater</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5250\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.250</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5251\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.251</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 5.252, worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over: a. het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd; b. de wijze van behandeling van het afvalwater; en c. de verwachte datum van het begin van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater: a. vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of b. op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5252\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.252</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen van huishoudelijk afvalwater</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt huishoudelijk afvalwater alleen op of in de bodem geloosd als het lozen plaatsvindt buiten een bebouwde kom of binnen een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">40 m bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten; b.</p>\n<p class=\"lf-p\">100 m bij meer dan 10 maar minder dan 25 inwonerequivalenten; c.</p>\n<p class=\"lf-p\">600 m bij 25 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 50 inwonerequivalenten; d.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.500 m bij 50 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 100 inwonerequivalenten; en e.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.000 m bij 100 of meer inwonerequivalenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt; en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem dat voor 1 juli 1990 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid kan huishoudelijk afvalwater in de bodem worden geloosd: a. vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of b. op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op of in de bodem, geleid via een zuiveringsvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 5.3.11.1 .</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 5.3.11.1 Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarden in mg/l Representatief etmaalmonster Steekmonster Biochemisch zuurstofverbruik 30 mg/l 60 mg/l Chemisch zuurstofverbruik 150 mg/l 300 mg/l Onopgeloste stoffen 30 mg/l 60 mg/l 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat kan het, in afwijking van het zesde lid, voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een septictank: a. met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of b. die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vijfde en zesde lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater: a. vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of b. op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in de voorgaande artikelleden mag het lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem worden voortgezet als de lozing is toegestaan direct voordat dit artikel van toepassing werd.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het overgangsrecht als bedoeld in artikel 13.3 en 13.4 van overeenkomstige toepassing op het bepaalde in het negende lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5253\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.253</span><span class=\"lf-art-t\">Meet- en rekenbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2; en b. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5254\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.254</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod lozen bij voedselrestvermaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Huishoudelijk afvalwater als bedoeld in artikel 1.1 Wet milieubeheer dat voedselresten bevat, die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.3.8.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Lozen anders dan van huishoudelijk afvalwater Subparagraaf 5.3.8.2.1 Algemeen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5255\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.255</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling is van toepassing op het lozen anders dan van huishoudelijk afvalwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid is deze afdeling ook van toepassing op het lozen bij het exploiteren van een beroep of bedrijf aan huis.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5256\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.256</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De algemene zorgplicht, bedoeld in artikel 5.3 houdt specifiek voor de activiteiten, bedoeld in artikel 5.255 in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd doelmatig kan worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5257\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.257</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht lozen op of in de bodem</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater op of in de bodem te lozen, tenzij het lozen op grond van deze paragraaf is toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing op: a. het lozen op of in de bodem bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. het lozen op of in de bodem waaraan in een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van de waterschapsverordening voorschriften zijn gesteld 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, zijn de beoordelingsregels in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater op of in de bodem worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de maximale hoeveelheid afvalwater per uur; en b. het soort afvalwater.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5258\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.258</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht lozen in schoonwaterriool</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater of andere afvalstoffen te lozen in een schoonwaterriool, tenzij het lozen op grond van deze afdeling is toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing op het lozen op of in de bodem bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, zijn de beoordelingsregels in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater in die voorziening worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de maximale hoeveelheid afvalwater per uur; en b. het soort afvalwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.3.8.2.2 Lozen van grondwater bij sanering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5259\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.259</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van: a. een bodemsanering of grondwatersanering; b. een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5260\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.260</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 5.259, worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5261\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.261</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen van grondwater bij saneringen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het lozen van dat grondwater op of in de bodem zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in bijlage XIX bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, gemeten in een steekmonster.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het lozen van dat grondwater in een schoonwaterriool zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in onderstaande tabel, gemeten in een steekmonster.</p>\n<p class=\"lf-p\">Emissiegrenswaarden Stof Emissiegrenswaarden in µg/l of mg/l Naftaleen 0,2 µg/l PAK’s 1 µg/l BTEX 50 µg/l Vluchtige organohalogeen-verbindingen uitgedrukt als chloor 20 µg/l Aromatische organohalogeen-verbindingen 20 µg/l Minerale olie 500 µg/l Cadmium 4 µg/l Kwik 1 µg/l Koper 11 µg/l Nikkel 41 µg/l Lood 53 µg/l Zink 120 µg/l Chroom 24 µg/l Onopgeloste stoffen 50 µg/l 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat grondwater wordt niet geloosd in een vuilwaterriool.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5262\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.262</span><span class=\"lf-art-t\">Meet- en rekenbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680; b. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993; c. voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden; d. voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2; e. voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NENEN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-ENISO 15587-2; f. voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik 44 wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; g. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872; h. voor chloride: NEN-EN-ISO 15682; i. voor cyaniden totaal: NEN-EN-ISO 14403-1 en NEN-EN-ISO 14403-2; j. voor ammonium, nitraat, totaal-fosfaat en sulfaat: NEN-ISO 15923-1; k. voor fluoride: NEN 6589 of NEN 6578; l. voor endosulfan, α-HCH, y-HCH (lindaan), DDT (incl. DDD en DDE), aldrin, dieldrin, endrin, hexachloorbutadieen en hexachloorbenzeen: NEN-EN 16693; m. voor dichloorpropeen: NEN-EN-ISO 15680; n. voor mecoprop: NEN-EN-ISO 15913; o. voor trichloorfenolen, tetrachloorfenol, dichloorfenolen en pentachloorfenol: NEN-EN 12673; p. voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2; q. voor anthraceen, fenanthreen, chryseen, fluorantheen, benzo(a)anthraceen, benzo(k)fluorantheen, benzo(a)pyreen, benzo(ghi)peryleen en indeno(l23cd)pyreen: NEN-EN-ISO 17993; r. voor trihalomethanen (THM): ISO 11423-1; s. voor adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (AOX): NEN-EN-ISO 9562; en t. voor de zuurgraad (pH): NEN-EN-ISO 10523.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.3.8.2.3 Lozen van grondwater bij ontwatering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5263\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.263</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf is niet van toepassing op drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5264\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.264</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 5.263, worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste en tweede lid gelden niet als het lozen niet langer dan 48 uur duurt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste en tweede lid worden de gegevens en bescheiden ten minste vijf werkdagen voor het begin van het lozen verstrekt, als het lozen langer duurt dan 48 uur maar niet langer dan 8 weken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5265\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.265</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen van grondwater bij ontwatering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater bij ontwatering worden geloosd op of in de bodem of in een riool.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het water bedoeld in het eerste lid wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als lozen in een schoonwaterriool, op of in de bodem of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het lozen van dat grondwater in een schoonwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 50 mg/l en voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het lozen van dat grondwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het lozen op een riool vindt plaats via een doelmatige en op het te lozen debiet gedimensioneerde bezinkinstallatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het lozen van dat grondwater in een vuilwaterriool duurt niet langer dan 12 weken en de geloosde hoeveelheid is ten hoogste 5 m3/u.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5266\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.266</span><span class=\"lf-art-t\">Meet- en rekenbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872 b. voor ijzerverbindingen NEN-EN-ISO 17294-2, waarbij de ontsluiting van de elementen plaats vindt volgens NEN-EN-ISO 15587-1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.3.8.2.4 Lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5267\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.267</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat: a. niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening; b. geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en c. geen afvalwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van dat besluit is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5268\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.268</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste zes maanden voor de voorgenomen aanleg van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over: a. a. de aard en omvang van de lozing van afvloeiend hemelwater; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste zes maanden voor het veranderen van het lozen door een reconstructie of ingrijpende wijziging van die wegen of daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5269\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.269</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen van afvloeiend hemelwater</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvloeiend hemelwater worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afvloeiend hemelwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen op of in de bodem, in een schoonwaterriool of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid is niet van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat: a. afkomstig is van wonen; b. al plaatsvond voordat het Activiteitenbesluit milieubeheer of het Besluit lozen buiten inrichtingen op de lozing van toepassing werd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen in een schoonwaterriool geloosd als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het lozen vanuit een pompkelder van een tunnel of een verdiept weggedeelte is, als dat redelijkerwijs mogelijk is, een voorziening aanwezig om, in afwijking van het vierde lid, het meest vervuilde hemelwater in een vuilwaterriool te lozen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.3.8.2.5 Lozen van koelwater</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5270\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.270</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van koelwater dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5271\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.271</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 5.270, worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de maximale warmtevracht; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5272\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.272</span><span class=\"lf-art-t\">Koelwater</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan koelwater worden geloosd in schoonwaterriool.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Koelwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen in een schoonwaterriool of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het te lozen koelwater worden geen chemicaliën toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.3.8.2.6 Lozen bij onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5273\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.273</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5274\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.274</span><span class=\"lf-art-t\">Periodiek reinigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken niet in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater of op of in de bodem geloosd, tenzij het gaat om afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.3.8.2.7 Lozen bij opslaan en overslaan van goederen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5275\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.275</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het opslaan en overslaan van goederen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5276\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.276</span><span class=\"lf-art-t\">Inerte goederen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van deze subparagraaf worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn: a. bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c.</p>\n<p class=\"lf-p\">A-hout en ongeshredderd B-hout; d. snoeihout; e. banden van voertuigen; f. autowrakken bij een autodemontagebedrijf waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt en wrakken van tweewielige motorvoertuigen bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt; g. straatmeubilair; h. tuinmeubilair; i. aluminium, ijzer en roestvrij staal; j. kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen; k. kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels; l. papier en karton; m. textiel en tapijt; en n. vlakglas.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5277\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.277</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 5.275, worden aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de opgeslagen goederen; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5278\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.278</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen bij opslaan van inerte goederen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan te lozen afvalwater dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen, worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat afvalwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd, als het lozen op of in de bodem, op een oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het lozen van dat afvalwater in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de opgeslagen inerte goederen worden bevochtigd, wordt afvalwater dat met opgeslagen goederen in contact is geweest, zoveel mogelijk voor dit bevochtigen gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater afkomstig van wonen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5279\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.279</span><span class=\"lf-art-t\">Meet- en rekenbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5280\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.280</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uitzondering voorgeschreven lozingsroute bij opslaan van lekkende, uitlogende en vermestende goederen Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van artikel 4.1057, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in dat artikel, geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.3.8.2.8 Lozen vanuit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5281\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.281</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig uit: a. een openbaar ontwateringsstelsel of een openbaar hemelwaterstelsel; en b. een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de wet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5282\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.282</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelsel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan het afvalwater afkomstig uit een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar ontwateringsstelsel worden geloosd op of in de bodem, als dat stelsel voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen en maatregelen als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1° en 2°, van de wet, en dat stelsel volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5283\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.283</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan huishoudelijk afvalwater afkomstig uit een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de wet, worden geloosd op of in de bodem, als dat systeem voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die systemen en volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.3.8.2.9 Lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5284\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.284</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4></div>", "next": 239727}