{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">op basis van een verlichtingsrapport van een ter zake deskundige is aangetoond dat aan de voorwaarden in sub 1 tot en met 4 is voldaan; e. de vergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, wordt verleend als de bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, niet meer bedragen dan 5,00 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">SubParagraaf 5.3.3.8 Bouwen bijbehorende bouwwerken tuin</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5144\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.144</span><span class=\"lf-art-t\">beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde in tuinen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen ‘bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde in tuinen' als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. geen paardrijdbakken, tennisbanen en zwembaden worden gebouwd, met uitzondering van de vergunde paardrijdbakken, tennisbanen en zwembaden; b. bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan 1,00 meter; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, niet meer bedraagt dan 5,00 meter.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5145\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.145</span><span class=\"lf-art-t\">beoordelingsregels erkers en serres in tuinen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen ‘Erkers en serres in tuinen' als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de diepte van een erker en/of serre mag niet meer bedragen dan 1,50 meter vanuit de gevel van het bijbehorende woonhuis, met dien verstande dat de diepte van de voortuin c.q. de zijtuin in ieder geval niet minder mag bedragen dan respectievelijk 3,00 meter en 2,00 meter, na het realiseren van de erker en/of serre; b. de breedte van de erker en/of serre mag niet meer bedragen dan 70% van de gevel van het woonhuis waaraan de erker of serre wordt aangebouwd; c. de goothoogte van een erker of serre niet meer bedraagt dan 3,00 meter; d. de bouwhoogte van een erker of serre niet meer bedraagt dan 3,25 meter; e. de diepte van een luifel en/of een balkon mag niet meer bedragen dan 1,50 m gemeten vanuit de gevel van het bijbehorende woonhuis.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5146\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.146</span><span class=\"lf-art-t\">beoordelingsregels bijgebouwen of overkappingen in tuinen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen ‘Bijgebouwen of overkappingen in tuinen' als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen niet meer bedragen dan de bestaande oppervlakte per bouwperceel; b. de goothoogte van bijgebouwen en overkappingen niet meer bedragen dan de bestaande goothoogte; c. de bouwhoogte van bijgebouwen en overkappingen niet meer bedragen dan de bestaande bouwhoogte.</p>\n<p class=\"lf-p\">SubParagraaf 5.3.3.9 Bouwen bijbehorende bouwwerken verkeer</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5147\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.147</span><span class=\"lf-art-t\">beoordelingsregels bijbehorend bouwwerk verkeer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen ‘Bijbehorend bouwwerk verkeer' als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de bouwhoogte van lichtmasten niet meer bedraagt dan 15,00 m; b. de bouwhoogte van overige bijbehorende bouwwerken, geen overkappingen of gebouwen zijnde, niet meer bedraagt dan 3,00 m.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5148\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.148</span><span class=\"lf-art-t\">aanvullende beoordelingsregels bijbehorend bouwwerk verkeer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders verlenen in aanvulling op Artikel 5.147 de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen ‘Aanvullend bijbehorend bouwwerk verkeer' als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de bouwhoogte van een geluidsscherm niet minder bedraagt dan 3,50m en is gesitueerd ter plaatse van het werkingsgebied ‘Aanvullend bijbehorend bouwwerk verkeer’;</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5149\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.149</span><span class=\"lf-art-t\">beoordelingsregels bijbehorend bouwwerk verkeer - verblijfsgebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen ‘Bijbehorend bouwwerk verkeer - verblijfsgebied' als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, mag niet meer bedragen dan 5,00 m.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5150\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.150</span><span class=\"lf-art-t\">aanvullende beoordelingsregels bijbehorend bouwwerk verkeer - verblijfsgebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders verlenen in aanvulling op Artikel 5.149 de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen ‘Aanvullend bijbehorend bouwwerk verkeer - verblijfsgebied' als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. garageboxen en/of bergingen worden gebouwd op de gronden ter plaatse van het werkingsgebied ‘Aanvullend bijbehorend bouwwerk verkeer - verblijfsgebied’; b. de bergingen en/of garageboxen aaneen worden gebouwd; c. als de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3,00 m.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5151\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.151</span><span class=\"lf-art-t\">beoordelingsregels bijbehorend bouwwerk verkeer centrum</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen ‘Bijbehorend bouwwerk verkeer centrum' als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, mag niet meer bedragen dan 12,00 m.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5152\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.152</span><span class=\"lf-art-t\">beoordelingsregels bijbehorend bouwwerk verkeer – railverkeer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen ‘Bijbehorend bouwwerk verkeer – railverkeer' als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de bouwhoogte van lichtmasten niet meer bedraagt dan 15,00 m; b. de bouwhoogte van bovenleidingportalen niet meer bedraagt dan 6,00 m; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, niet meer bedraagt dan 3,00 m.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5153\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.153</span><span class=\"lf-art-t\">aanvullende beoordelingsregels bijbehorend bouwwerk verkeer – railverkeer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen ‘Aanvullend bijbehorend bouwwerk verkeer – railverkeer' als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. een fietsenstalling alleen toegestaan binnen het werkingsgebied ‘Aanvullend bijbehorend bouwwerk verkeer – railverkeer’; b. de bouwhoogte van een fietsenstalling niet meer bedraagt dan 3,00 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">SubParagraaf 5.3.3.10 Bouwen bijbehorende bouwwerken water</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5154\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.154</span><span class=\"lf-art-t\">beoordelingsregels bijbehorend bouwwerk water 1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen ‘Bijbehorend bouwwerk water 1' als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de bouwhoogte van lichtmasten niet meer bedraagt dan 8,00 m; b. de bouwhoogte van bruggen niet meer bedraagt dan 2,50 m boven de hoogte van het aangrenzende maaiveld; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde niet meer bedraagt dan 2,00 m; d. de doorvaarthoogte van bruggen, duikers en andere overspanningen of overkluizingen en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwwerken niet minder bedragen dan 1,20 m.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5155\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.155</span><span class=\"lf-art-t\">beoordelingsregels bijbehorend bouwwerk water 2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen ‘Bijbehorend bouwwerk water 2' als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedraagt dan 5,00 m; b. de doorvaarthoogte van bruggen, duikers en andere overspanningen over overkluizingen en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwwerken niet minder bedragen dan 1,20 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">SubParagraaf 5.3.3.11 Bouwen bijbehorende bouwwerken bij een woning</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5156\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.156</span><span class=\"lf-art-t\">beoordelingsregels bijbehorend bouwwerk bouwen binnen het bouwvlak</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen het ‘Bijbehorend bouwwerk bouwen binnen het bouwvlak' als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. het bijbehorend bouwwerk achter de naar de weg(en) gekeerde gevel(s)van het hoofdgebouw dan wel het verlengde daarvan wordt gebouwd; b. het gezamenlijke oppervlak van de bijbehorend bouwwerken niet meer bedraagt dan de oppervlakte van het hoofdgebouw; c. het bijbehorende bouwwerk een maximale goothoogte heeft van 3,5 meter; d. het bijbehorende bouwwerk een maximale nokhoogte heeft van 7 meter; e. het bijbehorende bouwwerk een maximale dakhelling heeft van 70o; f. de overkapping een maximale hoogte heeft van 3,5 meter.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5157\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.157</span><span class=\"lf-art-t\">aanvullende beoordelingsregels luifels en balkons bouwen binnen het bouwvlak</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders verlenen in aanvulling op Artikel 5.156 de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen het gebied ‘Luifels en balkons bouwen binnen het bouwvlak' als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de diepte van een luifel en/of een balkon niet meer bedraagt dan 1,5 meter vanuit de gevel van het bijbehorende woonhuis.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5158\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.158</span><span class=\"lf-art-t\">beoordelingsregels bijbehorend bouwwerk bouwen buiten het bouwvlak</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen het gebied ‘bijbehorend bouwwerk bouwen buiten het bouwvlak’ als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 50% van de oppervlakte van de gronden behorende bij het hoofdgebouw gelegen buiten het bouwvlak; b. de goothoogte van het bijgebouw niet meer bedraagt dan 3,50 meter; c. de bouwhoogte van het bijgebouw niet meer bedraagt dan 4,00 meter; d. de bouwhoogte van een overkapping niet meer bedraagt dan 3,50 meter; e. indien het perceel grenst aan water en de afstand van bijgebouwen en overkappingen tot de bovenkant van het talud minimaal 1,00 meter bedraagt; en f. de afstand van bijgebouwen en overkappingen tot openbare verharding, niet zijnde achter- of tussenpaden bij woonhuizen, meer bedraagt dan 1,00 meter. g. in afwijking van lid c wordt de vergunning verleend voor het toegestane bouwhoogte voor bijbehorende bouwwerken, in die zin dat de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken wordt vergroot tot niet meer dan 6,00 meter als:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>het bijbehorende bouwwerk vrijstaand is en op niet minder dan 1,00 meter van het bouwvlak staat;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>geen afbreuk kan worden gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5159\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.159</span><span class=\"lf-art-t\">aanvullende beoordelingsregels dakopbouw bouwen buiten het bouwvlak</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders verlenen in aanvulling op Artikel 5.158 de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen het gebied ‘dakopbouw bouwen buiten het bouwvlak' als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. in afwijking van het bepaalde in Artikel 5.158 lid c wordt een vergunning verleend voor het realiseren van een dakopbouw op een aangebouwd bijgebouw als:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 7,00 meter;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de oppervlakte van de dakopbouw niet meer bedraagt dan 30 m2;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>tenminste 30% van de dakopbouw wordt gebouwd aan de zijgevel van het hoofdgebouw.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5160\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.160</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">aanvullende beoordelingsregels bouwen buiten het bouwvlak afstand tot woonhuis bij lint en stolpwoningen Burgemeester en wethouders verlenen in aanvulling op Artikel 5.158 de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen het gebied ‘bouwen buiten het bouwvlak bij lint en stolpwoningen' als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de bijgebouwen en overkappingen binnen een afstand van 15,00 meter tot de oorspronkelijke zijgevels van het bijbehorende woonhuis worden gebouwd; b. de bijgebouwen en overkappingen binnen een afstand van 50,00 meter tot de oorspronkelijke achtergevel van het bijbehorende woonhuis worden gebouwd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5161\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.161</span><span class=\"lf-art-t\">aanvullende beoordelingsregels oppervlakte bijbehorend bouwwerk bouwen buiten het bouwvlak bij wonen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders verlenen in aanvulling op Artikel 5.158 de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen het gebied ‘oppervlakte bijbehorend bouwwerk bouwen buiten het bouwvlak bij wonen’ en als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen per hoofdgebouw niet meer bedragen dan 100m2.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5162\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.162</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">aanvullende beoordelingsregels oppervlakte bijbehorend bouwwerk bouwen buiten het bouwvlak bij lintwoningen Burgemeester en wethouders verlenen in aanvulling op Artikel 5.158 de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen het gebied ‘oppervlakte bijbehorend bouwwerk bouwen buiten het bouwvlak bij lintwoningen’ als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen per hoofdgebouw niet meer bedragen dan 150m2.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5163\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.163</span><span class=\"lf-art-t\">aanvullende beoordelingsregels bijbehorend bouwwerk bouwen buiten het bouwvlak bij stolpwoningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders verlenen in aanvulling op Artikel 5.158 de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen het gebied ‘Stolpwonen buiten bouwvlak’ als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen mag per hoofdgebouw niet meer bedragen dan 150 m², tenzij de bestaande oppervlakte meer bedraagt, in welk geval de gezamenlijke oppervlakte niet meer mag bedragen dan de bestaande oppervlakte, met een maximum van 350 m²; b. de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 50% van de oppervlakte van de gronden behorende bij het hoofdgebouw gelegen buiten het bouwvlak; c. de goothoogte van een bijgebouw mag niet meer bedragen dan 3,00 meter; d. de bouwhoogte van een bijgebouw mag niet meer bedragen dan 6,00 meter; e. de bouwhoogte van een overkapping mag niet meer bedragen dan 3,50 m.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5164\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.164</span><span class=\"lf-art-t\">beoordelingsregels berging bij een woongebouw</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bergingen bij een ‘Berging bij een woongebouw’ als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de oppervlakte van een berging niet meer bedraagt dan 15,00 m2; b. de gezamenlijke oppervlakte van de bergingen per woongebouw niet meer bedragen dan 50% van het bij het woongebouw behorende terrein, exclusief de oppervlakte van het woongebouw; c. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3,50 meter.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5165\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.165</span><span class=\"lf-art-t\">aanvullende beoordelingsregels berging bij een woongebouw</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders verlenen in aanvulling op Artikel 5.164 de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bergingen bij een ‘Aanvullend berging bij een woongebouw’ als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. er geen berging wordt gebouwd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5166\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.166</span><span class=\"lf-art-t\">beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen bij woongebouwen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bouwwerken, geen gebouwen bij een ‘Bouwwerken, geen gebouwen bij woongebouwen’ als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. ten behoeve van bouwactiviteiten anders dan voor paardrijbakken, tennisbanen en zwembaden; b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan 1,00 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van de hoofdgebouwen niet meer mag bedragen dan 2,00 m; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, niet meer bedragen dan 5,00 meter.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5167\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.167</span><span class=\"lf-art-t\">aanvullende beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen bij woongebouwen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders verlenen in aanvulling op Artikel 5.166 de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bouwwerken, geen gebouwen bij een ‘Berging bij een woongebouw’ als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. er geen bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, worden gebouwd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5168\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.168</span><span class=\"lf-art-t\">aanvullende beoordelingsregels paardrijbakken, tennisbanen en zwembaden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders verlenen in aanvulling op Artikel 5.166 de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bouwwerken, geen gebouwen bij een ‘Paardrijbakken, tennisbanen en zwembaden’ als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kan worden afgeweken van Artikel 5.166 lid a, en Artikel 5.144 in die zin dat paardrijdbakken, tennisbanen en/of zwembaden worden toegestaan mits:</p>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens de vergunning uit Artikel 5.45 wordt verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5169\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.169</span><span class=\"lf-art-t\">beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen St Laurentius</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bouwwerken, geen gebouwen bij een ‘Bouwwerken, geen gebouwen St Laurentius’ als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de erfafscheidingen niet meer bedragen dan 1,00 meter; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, niet meer bedragen dan 5,00 meter.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5170\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.170</span><span class=\"lf-art-t\">beoordelingsregels overkappingen buiten bouwvlak in centrum</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bouwwerken, geen gebouwen bij een ‘Overkappingen buiten bouwvlak in centrum’ als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de grenzen van een bouwvlak met niet meer dan 3,00 m worden overschreden; b. de vergroting noodzakelijk is voor een goede uitoefening van de woonvoorzieningen; c. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie, het bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5171\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.171</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels bijbehorend bouwwerk bouwen binnen het bouwvlak maatschappelijk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen het ‘Bijbehorend bouwwerk bouwen maatschappelijk’ als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen per hoofdgebouw niet meer bedragen dan 150m2; b. de goot- en bouwhoogte van bijgebouwen bij een bedrijfswoning mogen niet meer bedragen dan respectievelijk 3,50 m en 4,00 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">SubParagraaf 5.3.3.12 Bouwen bijbehorende bouwwerken overig</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5172\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.172</span><span class=\"lf-art-t\">beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken overig</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen ‘Bijbehorende bouwwerken overig' als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. overkappingen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; b. de goot- en bouwhoogte van gebouwen en overkappingen mogen niet meer bedragen dan de ter plaatse van de omgevingsnormen ‘Goothoogte gebouwen en overkappingen’ en ‘Bouwhoogte gebouwen en overkappingen’ aangegeven goot- en bouwhoogte; c. overkappingen mogen plat worden afgedekt of met hellende dakvlakken, waarvan de helling niet minder mag bedragen dan 15° en niet meer mag bedragen dan 50°. d. de vergunning voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt verleend ten behoeve van andere bouwwerken dan paardrijbakken, tennisbanen en zwembaden; e. de vergunning voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt verleend als de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan 1,00 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het (de) bedrijfsgebouw(en) niet meer mag bedragen dan 2,00 m; f. de vergunning voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt verleend als de bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedraagt dan 10,00 m.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5173\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.173</span><span class=\"lf-art-t\">aanvullende beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken overig</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders verlenen in afwijking van Artikel 5.172 lid a de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen ‘Aanvullend bijbehorende bouwwerken overig’ als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. overkappingen mogen als gevolg van een uitbreiding van de bestaande gebouwen en/of overkappingen deels buiten een bouwvlak worden gebouwd, mits:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de grenzen van een bouwvlak met niet meer dan 3,00 m worden overschreden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de vergroting noodzakelijk is voor een goede uitoefening van de gebruiksactiviteiten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie, het bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5174\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.174</span><span class=\"lf-art-t\">beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken 2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen ‘Bijbehorende bouwwerken overig 2' als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. overkappingen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; b. de goot- en bouwhoogte van gebouwen en overkappingen mogen niet meer bedragen dan de ter plaatse van de omgevingsnormen ‘Goothoogte gebouwen en overkappingen’ en ‘Bouwhoogte gebouwen en overkappingen’ aangegeven goot- en bouwhoogte; c. overkappingen mogen plat worden afgedekt of met hellende dakvlakken, waarvan de helling niet meer mag bedragen dan 50°. d. de vergunning voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt verleend ten behoeve van andere bouwwerken dan paardrijbakken, tennisbanen en zwembaden; e. de vergunning voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt verleend als de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan 1,00 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het (de) bedrijfsgebouw(en) niet meer mag bedragen dan 2,00 m; f. de vergunning voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt verleend als de bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedraagt dan 10,00 m.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.3.4</h3>\n<p class=\"lf-p\">Aanlegactiviteiten SubParagraaf 5.3.4.1 wegen en uitwegen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5175\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.175</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene regels verbod aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod als bedoeld in lid 1 is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5176\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.176</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht maken of veranderen van een uitweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder vergunning een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5177\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.177</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere aanvraagvereisten maken of veranderen van een uitweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het maken, hebben of veranderen van een uitweg of het gebruik daarvan zoals bedoeld in Artikel 5.176 gelden de aanvraagvereisten uit Artikel 22.297.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5178\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.178</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels maken of veranderen van een uitweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een vergunning als bedoeld in Artikel 5.176 wordt niet verleend als: a. dat nodig is ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; b. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen; of e. dat in het belang is van openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid of de bescherming van het milieu.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.3.5</h3>\n<p class=\"lf-p\">Sloopactiviteiten SubParagraaf 5.3.5.1 Vergunningplicht slopen stolpen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5179\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.179</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht slopen stolpen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden om zonder vergunning een stolpwoning (gedeeltelijk) te slopen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5180\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.180</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagvereisten slopen stolpen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanvraag voor het slopen van een stolpwoning zoals bedoeld in Artikel 5.179, gelden de aanvraagvereisten uit Artikel 22.290.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5181\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.181</span><span class=\"lf-art-t\">Uitzondering vergunningplicht slopen stolpen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De vergunningplicht in Artikel 5.179 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die: a. het normale onderhoud betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5182\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.182</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels slopen stolpen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De vergunning in Artikel 5.179 wordt verleend als: a. de bouwtechnische kwaliteit dusdanig slecht is dat hergebruik in alle redelijkheid niet mogelijk is; b. het delen van een stolp betreft, die op zichzelf niet als karakteristiek vallen aan te merken, en door sloop daarvan geen onevenredige aantasting van de karakteristieke hoofdvorm van de stolp plaatsvindt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.4</h3>\n<p class=\"lf-p\">Milieubelastende activiteiten</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.4.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5183\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.183</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik festiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder collectieve festiviteiten vallen de volgende festiviteiten: Nieuwjaarsdag, Koningsdag, Eerste en Tweede Kerstdag, Oudejaarsdag en Bevrijdingsdag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kunnen burgemeester en wethouders een festiviteit terstond als collectieve festiviteit aanwijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met een incidentele festiviteit wordt een festiviteit bedoeld die is gebonden aan een of meer locaties waar milieubelastende activiteiten zijn toegestaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5184\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.184</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik milieubelastende activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover in deze afdeling wordt gesproken over een milieubelastende activiteit, wordt niet bedoeld: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>dat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of 3. waarover geluidregels zijn gesteld in artikel xx [algemene regels collectieve festiviteiten geluid]; f. het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en g. bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in paragraaf 22.3.7.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.4.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten met geluidshinder</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5185\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.185</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene regels onversterkte muziek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de duur van zes uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, op een locatie waar een milieubelastende activiteit is toegestaan, gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus als bedoeld in artikel 22.63, mits voldaan wordt aan de grenswaarden als bedoeld in paragraaf 5.1.4.2.2 van het Bkl.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5186\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.186</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene regels collectieve festiviteiten geluid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van de geluidswaarden als bedoeld in subparagraaf 22.3.4.2 gelden tijdens collectieve festiviteiten de volgende geluidswaarden: a. het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr, LT veroorzaakt door de collectieve festiviteit, bedraagt:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>tot 01.00 uur niet meer dan 60 dB(A) en na 01.00 niet meer dan 40 dB(A), gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>tot 01.00 uur niet meer dan 45 dB(A) en na 01.00 niet meer dan 25 dB(A), gemeten binnen woningen. b.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het maximaal geluidsniveau LA max veroorzaakt door de collectieve festiviteit, bedraagt:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>tot 01.00 uur niet meer dan 70 dB(C) en na 01.00 uur niet meer dan 50 dB(C), gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>tot 01.00 uur niet meer dan 55 dB(C) en na 01.00 uur niet meer dan 35 dB(C), gemeten binnen woningen.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De geluidsnorm als bedoeld in lid 1 zijn inclusief onversterkte muziek en exclusief toeslag vanwege muziekcorrectie (deze wordt niet toegepast). Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5187\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.187</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene regels incidentele festiviteiten geluid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van de geluidswaarden als bedoeld in subparagraaf 22.3.4.2 gelden tijdens incidentele festiviteiten de volgende geluidswaarden: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr, LT veroorzaakt door de collectieve festiviteit, bedraagt:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>tot 01.00 uur niet meer dan 60 dB(A) en na 01.00 niet meer dan 40 dB(A), gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>tot 01.00 uur niet meer dan 45 dB(A) en na 01.00 niet meer dan 25 dB(A), gemeten binnen woningen. b.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het maximaal geluidsniveau LA max veroorzaakt door de collectieve festiviteit, bedraagt:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>tot 01.00 uur niet meer dan 70 dB(C) en na 01.00 uur niet meer dan 50 dB(C), gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>tot 01.00 uur niet meer dan 55 dB(C) en na 01.00 uur niet meer dan 35 dB(C), gemeten binnen woningen.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De geluidsnorm als bedoeld in lid 1 onder a geldt voor het bebouwde gedeelte van de locatie waar de milieubelastende activiteit is toegestaan en niet voor de buitenruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 t/m 3 geldt voor een maximum van zes incidentele festiviteiten per kalenderjaar in Hoogkarspel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5188\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.188</span><span class=\"lf-art-t\">Meldingsplicht incidentele festiviteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor de aanvang van een incidentele festiviteit als bedoeld in Artikel 5.187 [algemene regels incidentele festiviteiten geluid] moet bij burgemeester en wethouders melding gedaan worden van de incidentele festiviteit.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.4.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten met hinder door verlichting</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5189\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.189</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene regels collectieve festiviteiten lichthinder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens collectieve festiviteiten gelden de regels over verlichting voor sportuitoefening als bedoeld in paragraaf 22.3.22 niet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5190\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.190</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene regels incidentele festiviteiten lichthinder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens incidentele festiviteiten gelden de regels over verlichting voor sportuitoefening als bedoeld in paragraaf 22.3.22 niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 geldt voor een maximum van twaalf incidentele festiviteiten per jaar per locatie waar een milieubelastende activiteit plaatsvindt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5191\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.191</span><span class=\"lf-art-t\">Meldingsplicht incidentele festiviteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste tien werkdagen voor de aanvang van een incidentele festiviteit als bedoeld in Artikel 5.190 [algemene regels incidentele festiviteiten lichthinder] moet bij burgemeester en wethouders melding gedaan worden van de incidentele festiviteit.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.4.4</h3>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten met betrekking tot crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5192\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.192</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene regels verboden crossterreinen en beperking verkeer in natuurgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod onder lid 1 is niet van toepassing binnen werkingsgebied XX [aangewezen door college, dit werkingsgebied moet het college dus ook in de toekomst kunnen wijzigen wil je beleidsneutraal over] 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod is niet van toepassing binnen werkingsgebied XX [aangewezen door college, dit werkingsgebied moet het college dus ook in de toekomst kunnen wijzigen wil je beleidsneutraal over] 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod onder lid 3 is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in lid 3 bedoeld; c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in lid 3 bedoeld; e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in lid 3 gestelde verbod is voorts niet van toepassing op wegen die gelegen zijn binnen de in lid 3 bedoelde gebieden of terreinen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5193\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.193</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerkvoorschriften crossterreinen en beperking verkeer in natuurgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met maatwerkvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders nadere regels stellen voor het gebruik van terreinen als bedoeld in artikel xx lid 2 en 4 [dit artikel ook weer koppelen aan die twee werkingsgebieden uit die artikelen] in het belang van: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorkomen of beperken van overlast; b.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c.</p>\n<p class=\"lf-p\">De veiligheid van de deelnemers van de in artikel xx bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.4.5</h3>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten met hinder door geur en rook</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5194\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.194</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene regels verbod stoken van vuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een milieubelastende activiteit in de zin van Artikel 5.184 of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand; c. vuur voor koken, bakken en braden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.4.6</h3>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten met betrekking tot bodem-, weg- en milieuverontreiniging</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5195\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.195</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Specifieke zorgplicht toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.5</h3>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten op of bij wegen of bij wateren in beheer bij de gemeente</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.5.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.5.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten met betrekking tot veiligheid op de weg</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5196\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.196</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht activiteiten op of bij wegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De specifieke zorgplicht houdt in ieder geval in dat: a. er geen beplanting of voorwerp wordt aangebracht op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of als er daardoor voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat; b. bij het aanbrengen, plaatsen of hebben van een voorwerp of stof op, aan, over of boven de weg waarop gedachtens of gevoelens worden geopenbaard, geen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>schade wordt toegebracht aan de weg door omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>gevaar ontstaat voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik van de weg; of 3. belemmering wordt gevormd voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. c. er niet met voertuigen die niet zijn voorzien van rubberbanden wordt gereden over de berm, de glooiing of de zijkant van de weg, tenzij dit door omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5197\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.197</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene regels verbod gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op, aan of boven een voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde openbare plaats of een gedeelte daarvan op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de openbare plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25m uit de uiterste boord van de openbare plaats, op van de openbare plaats af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5198\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.198</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene regels verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5199\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.199</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht voorwerpen op of aan de weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder vergunning de weg of een weggedeelte anders te gebruiken overeenkomst de publieke functie daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergunningplicht geldt niet voor: a. vlaggen, wimpels of vlaggenstokken indien deze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt; b. zonneschermen, mits ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits;</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt; c. de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is; d. voertuigen; e. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; f. evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de APV; g. terrassen als bedoeld in artikel 2:28, vijfde lid van de APV; h. standplaatsen als bedoeld in Artikel 5.14.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5200\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.200</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagvereisten voorwerpen op of aan de weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het om een weg of weggedeelte anders te gebruiken zoals bedoeld in Artikel 5.199, worden ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het beoogde en het huidige gebruik van de locaties en bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft; b. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 5. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5201\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.201</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels voorwerpen op of aan de weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een vergunning als bedoeld in Artikel 5.199 wordt niet verleend als: a. het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. voor zover het niet gaat om bouwwerken: het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; c. dat in het belang is van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak; d. dat in het belang is van openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid of de bescherming van het milieu.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.5.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten met betrekking tot parkeerexcessen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5202\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.202</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene regels verboden met betrekking tot parkeerexcessen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is voor degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden om drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is voor degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden om de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt, langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen binnen de bebouwde kom op de weg te plaatsen of te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod in lid 9 is niet van toepassing op: a. de weg; b. voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam; c. voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op de weg te laten staan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.5.4</h3>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten met betrekking tot openbaar water</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5203\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.203</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene regels verboden met betrekking tot openbaar water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een vaartuigwrak in het openbaar water dan wel op de weg te plaatsen of te hebben, dan wel zodanig te plaatsen dat dit vanaf de openbare weg zichtbaar is dan wel hinder, gevaar of verontreiniging veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5204\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.204</span><span class=\"lf-art-t\">Meldingsplicht belemmering openbaar water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5205\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.205</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerkvoorschriften ligplaats voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met maatwerkvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig: a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met maatwerkvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.6</h3>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed en werelderfgoed</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.7</h3>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten met betrekking tot planten en dieren</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.7.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.7.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bewaren en vellen van houtopstanden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5206\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.206</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik bewaren en vellen van houtopstanden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt onder vellen mede verstaan: rooien, verplanten maar ook handelingen zoals het voor de eerste keer knotten of kandelaberen, snoeien van meer dan 20% van de kroon in één groeiseizoen, graven binnen de stabiliteitskluit van houtopstanden (kwetsbare zone) en andere handelingen die de dood of ernstige beschadiging of aantasting van de (natuurlijke) habitus van de boom ten gevolge kunnen hebben. a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan, bij openbaar te maken besluit, conform de criteria zoals genoemd in het omgevingsprogramma bomen, een boom de status waardevolle boom of potentieel waardevolle boom geven. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan, bij openbaar te maken besluit, conform de criteria in het omgevingsprogramma, een rij of groep bomen de status structuur geven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5207\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.207</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht bewaren van houtopstanden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De specifieke zorgplicht houdt in ieder geval in dat a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verboden is om bomen, die openbaar eigendom zijn te beschadigen, te bekladden of te beplakken of daaraan snoeiwerk te verrichten behoudens door ambtenaren en of externe boomverzorgers ter uitoefening van de hun opgedragen boomverzorgende taak. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verboden is om een of meer voorwerpen in of aan een openbare bomen aan te brengen of anderszins te bevestigen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5208\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.208</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene regels bewaren van houtopstanden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een boom waarop het verbod tot vellen als bedoeld in Artikel 5.207 van toepassing is, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0,5 m voor bomen en nihil voor heggen en heesters.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als op een erf of terrein één of meer bomen aanwezig zijn die volgens het college gevaar opleveren voor het verspreiden van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende die daarvoor door het college is aangeschreven verplicht binnen de daarvoor gegeven termijn: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens richtlijnen van de gemeente de gevelde houtopstand direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen; b. de houtopstand ter plaatse te vellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van iepziekte moeten de iepen ter plaatse ontschorst worden en de schors vernietigd, of moeten de niet ontschorste iepen of delen daarvan zodanig vernietigd of behandeld worden dat de verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen, door: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">De iepen te vellen als deze in de grond staan; b.</p>\n<p class=\"lf-p\">De iepen ter plaatse te ontschorsen en de schors te vernietigen, of; c.</p>\n<p class=\"lf-p\">De niet ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of te behandelen zodat de verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet toegestaan gevelde bomen of delen daarvan te hebben of te vervoeren, als het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">In uitzondering op lid 5 is het wel toegestaan geheel ontschorst iepenhout en iepenhout met een doorsnede van minder dan 4 centimeter te hebben of te vervoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als in de nabijheid van (potentieel) waardevolle en/of gemeentelijke houtopstanden werkzaamheden gaan plaatsvinden die mogelijk een negatief effect hebben op de houtopstand, is de uitvoerder verplicht een Boom Effect Analyse op te laten stellen, door een boomtechnisch deskundige, van en voorafgaand aan de werkzaamheden. Het is verplicht de daaruit voortvloeiende maatregelen met betrekking tot bescherming van de houtopstand op te volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de uitvoer van de werkzaamheden gelden de richtlijnen van de actuele versie van het Handboek Bomen van het Norminstituut Bomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij aangerichte schade ten gevolge van de aanleg, instandhouding en opruiming van werkzaamheden in de nabijheid van bomen, laat de gemeente het herstel laten verrichten door een door de gemeente geselecteerde aannemer. De marktconforme kosten worden aan de uitvoerder doorberekend. De uitvoerder wordt hiervan vooraf (schriftelijk of per mail) op de hoogte gebracht door de gemeente;</p>\n<p class=\"lf-p\">10.</p>\n<p class=\"lf-p\">De schade aan bomen wordt achteraf vastgesteld op basis van de Richtlijnen NVTB (Nederlandse vereniging van taxateurs van bomen). De aansprakelijkheidsstelling voor de schade vindt plaats volgens het civiele aansprakelijkheidsrecht. Het totale schadebedrag wordt opgebouwd uit de getaxeerde schade inclusief taxatiekosten, beredderingskosten en overige bijkomende kosten zoals voor verhalen van schade.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5209\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.209</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht vellen boom</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder vergunning een boom te vellen of te doen vellen die: a. deel uitmaakt van de door het college vastgestelde (potentieel) waardevolle bomenlijst; b. deel uitmaakt van de bomenstructuren zoals deze zijn aangeven in het omgevingsprogramma bomen 2021.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergunningplicht als bedoeld in lid 1 onder b geldt niet voor particulieren bomen binnen structuren, kleiner dan 40cm diameter.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergunningplicht als bedoeld in lid 1 onder b geldt niet voor het verwijderen van boomvormers uit houtopstanden als uitvoering van een dunning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.210</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere aanvraagvereisten vellen boom</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag vergunning als bedoeld in Artikel 5.209, dient n aanvulling op de aanvraagvereisten zoals opgenomen in Artikel 22.299 het volgende aangeleverd te worden: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergunning moet onder bijvoeging van een situatieschets en foto, worden aangevraagd door of namens dan wel met toestemming van degene, die krachtens zakelijk recht, of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid, gerechtigd is over de boom te beschikken. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor een vergunning voor het vellen van een waardevolle boom dient gepaard te gaan met een rapport van een onafhankelijke boomtechnisch deskundige waaruit de levensverwachting en/of het risico voor de omgeving blijkt. Of indien er sprake is van een zeer groot maatschappelijk belang dient de afweging van de belangen bij de aanvraag duidelijk gemotiveerd te worden. c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor een vergunning voor het vellen van een potentieel waardevolle boom dient gepaard te gaan met een rapport van een onafhankelijke geregistreerde boomtaxateur waaruit de levensverwachting en/of het risico voor de omgeving blijkt. Of indien er sprake is van een groot maatschappelijk belang dient de afweging van de belangen bij de aanvraag duidelijk gemotiveerd te worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.211</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels vellen boom</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergunning voor het vellen van een waardevolle boom als bedoeld in Artikel 5.209lid 1 onder a wordt niet verleend, tenzij: a. er sprake is van gevaar en/of verhoogd risico of ziekte, b. er sprake is van een zeer groot maatschappelijk belang of c. de levensverwachting van de boom minder is dan 10 jaar en er geen reële technische mogelijkheden zijn de levensverwachting te verlengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergunning voor het vellen van een potentieel waardevolle boom als bedoeld in Artikel 5.209lid 1 onder a wordt niet verleend tenzij: a. er sprake is van gevaar en/of verhoogd risico of b. er sprake is van een groot maatschappelijk belang of c. de levensverwachting van de boom minder is dan 10 jaar en er geen reële technische mogelijkheden zijn de levensverwachting te verlengen. Een uitzondering hierop is voor het verplanten van herdenkingsbomen indien dit, naar beoordeling van een erkend boomdeskundige, een reële kans van slagen heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het vellen van bomen die deel uitmaken van bomenstructuren kan een vergunning als bedoeld in Artikel 5.209lid 1 onder b worden verleend indien: a. er sprake is van een particulier of maatschappelijk belang; b. de bomenstructuur of het park als zodanig intact blijft en/of c. er voldoende compenserende maatregelen worden genomen om de structuur of het park te herstellen of te behouden als de structuur of het park door de velling ernstig wordt aangetast. d. indien de bomen, staande in grotere groenstroken of parken) geen gevaar opleveren voor de omgeving én plaats bieden aan bijzondere planten en of dieren die ecologische waarden vertegenwoordigen zal alleen bij zwaarwegende argumenten een omgevingsvergunning worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een vergunning als bedoeld in Artikel 5.209 definitief is, vervalt deze, indien daarvan niet volledig gebruik van is gemaakt binnen twee jaar na de datum van het definitief worden van de vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan de termijn als bedoeld in lid 4 verlengen indien het vellen van de houtopstand onderdeel uitmaakt van een bouw- of herinrichtingsplan waarvan de uitvoering over meerdere jaren gespreid is.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften behoort of kunnen behoren: a. het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen moet worden herplant. Conform het omgevingsprogramma bomen worden voorschriften gegeven voor een passende groeiplaats. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wordt een voorschrift als bedoeld onder a gegeven, dan wordt daarbij tevens bepaald dat wordt herplant in een passende groeiplaatsinrichting conform de richtlijnen van Handboek Bomen, met tenminste 3 jaar nazorg. Als de jonge aanplant tussentijds uitvalt, is inboet (vervangende aanplant) verplicht. De nazorgperiode gaat dan opnieuw in. c. aanwijzingen ter bescherming van in en rond de houtopstand voorkomen. d. een voorschrift met betrekking tot het tijdstip waarop met de handeling waarvoor vergunning is verleend mag worden begonnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vergunning voor het vellen van bomen staande in bomenstructuren of parken zoals genoemd in Artikel 5.209lid 1 onder b kan worden geweigerd op de enkele grond dat de voorgenomen velling voortvloeit uit een bouw- of aanlegplan waarvoor nog geen omgevingsvergunning is verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5212\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.212</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerkvoorschriften bewaren en vellen van houtopstanden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met maatwerkvoorschriften kan het college ten gunste van de aanvrager afwijken van de regels in paragraaf 5.7.2, in gevallen waarin de toepassing van deze artikelen naar haar oordeel leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor de betrokkene(n).</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.7.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bestrijding overlastgevende en gevaarlijke planten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5213\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.213</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht bestrijding overlastgevende en gevaarlijke planten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De grondeigenaar of degene die een recht op gebruik van de grond heeft, is verplicht: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te voorkomen dat de plant Reuzenberenklauw (Heracleaum mantegazzianum) tot bloei komt. b. de grond te zuiveren van de Japanse duizendknoop (Fallopia japonica).</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  6</h3>\n<p class=\"lf-p\">Beheer en onderhoud [gereserveerd]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  7</h3>\n<p class=\"lf-p\">Financiële bepalingen [gereserveerd]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  8</h3>\n<p class=\"lf-p\">Procesregels [gereserveerd]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  9</h3>\n<p class=\"lf-p\">Handhaving [gereserveerd]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  10</h3>\n<p class=\"lf-p\">Monitoring en informatie [gereserveerd]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  11</h3>\n<p class=\"lf-p\">Overgangsrecht</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  11.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Overgangsrecht</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11.1</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht bouwwerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan legaal aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het omgevingsplan na wijziging, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">In stand worden gehouden, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van het bepaalde het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-112\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11.2</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht gebruik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip waarop een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden, en dat als gevolg van die wijziging in strijd is met de regels van het omgevingsplan, mag worden voortgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met het omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde wijziging voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende regels over gebruik in dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen daarvan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  12</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  13</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  14</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  15</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  16</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  17</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  18</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  19</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  20</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  21</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  22</h3>\n<p class=\"lf-p\">ACTIVITEITEN</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  22.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">ALGEMEEN</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-221\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.1</span><span class=\"lf-art-t\">Voorrangsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-222\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.2</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.288, 22.290 tot en met 22.293 en 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-223\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.3</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  22.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  22.2.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-224\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.4</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerkvoorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  22.2.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-225\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.5</span><span class=\"lf-art-t\">Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-226\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.6</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  22.2.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bouwen en in stand houden van bouwwerken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-227\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.7</span><span class=\"lf-art-t\">Repressief welstand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-228\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.8</span><span class=\"lf-art-t\">Aansluiting op distributienet voor elektriciteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-229\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.9</span><span class=\"lf-art-t\">Aansluiting op distributienet voor gas</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.10</span><span class=\"lf-art-t\">Aansluiting op distributienet voor warmte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.11</span><span class=\"lf-art-t\">Aansluiting op distributienet voor drinkwater</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2212\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.12</span><span class=\"lf-art-t\">Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 22.4 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2213\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.13</span><span class=\"lf-art-t\">Bluswatervoorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2214\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.14</span><span class=\"lf-art-t\">Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2215\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.15</span><span class=\"lf-art-t\">Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 22.14, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  22.2.4</h3>\n<p class=\"lf-p\">Gebruik van bouwwerken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2216\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.16</span><span class=\"lf-art-t\">Overbewoning woonruimte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2217\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.17</span><span class=\"lf-art-t\">Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2218\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.18</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  22.2.5</h3>\n<p class=\"lf-p\">In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2219\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.19</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de verpakking tegen normale behandeling bestand is;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en 3. geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.</div>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse 1 Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171).</p>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving Verpakkingsgroep Toegestane maximum hoeveelheid 2 UN 1950 spuitbussen &amp; UN 2037 houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">50 kg 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 liter 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten III 50 liter 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide II en III 50 kg 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 liter 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">1 liter</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2220\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.20</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2221\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.21</span><span class=\"lf-art-t\">Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  22.2.6</h3>\n<p class=\"lf-p\">Cultureel erfgoed</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2222\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.22</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijstelling van archeologisch onderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  22.2.7</h3>\n<p class=\"lf-p\">Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken SubParagraaf 22.2.7.1 Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2223\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.23</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene afbakeningseisen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 22.27 en 22.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de toepassing van de artikelen 22.27 en 22.36 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, of 22.36, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2224\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.24</span><span class=\"lf-art-t\">Meetbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2225\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.25</span><span class=\"lf-art-t\">Mantelzorg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">SubParagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2226\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.26</span><span class=\"lf-art-t\">Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2227\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.27</span><span class=\"lf-art-t\">Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>op de grond staand;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>gelegen in achtererfgebied;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>niet hoger dan 5 m;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en 6. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; b. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>op de grond staand;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>niet hoger dan 5 m; en 3. de oppervlakte niet meer dan 70 m2; c. een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>voorzien van een plat dak;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en 6. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak; d. een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>niet hoger dan 4 m; en 2. alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; e. een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien; f. een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en 3. achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied; g. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>een silo; of 2. een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m; h. een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of i. een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>geen uitbreiding van het bouwvolume; en 3. geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2228\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.28</span><span class=\"lf-art-t\">Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 22.27 niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen artikel 22.27, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is artikel 22.27 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of b. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2229\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.29</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4; b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en c. de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of 2. bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als: a. het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of b. het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2230\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.30</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zinsdeel «in meer dan 25 m3 bodemvolume» in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2231\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.31</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder c, onder 2, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in artikel 22.29.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2232\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.32</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2233\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.33</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2234\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.34</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 22.303, eerste lid, is op het verbinden van die voorschriften van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2235\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.35</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 5. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; h. voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; i. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en 4. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; j. als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en 2. als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en k. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.</div>\n<p class=\"lf-p\">SubParagraaf 22.2.7.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2236\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.36</span><span class=\"lf-art-t\">Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van afdeling 22.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan: a. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan: i.</div>\n<p class=\"lf-p\">5 m; ii.</p>\n<p class=\"lf-p\">0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en iii. het hoofdgebouw;</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw: i. als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en ii. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan: i. bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied; ii. bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en iii. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; en 4. uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan: i. een woonwagen; ii. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of iii. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden; b. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding als bedoeld in artikel 22.27, onder f; en c. het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2237\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.37</span><span class=\"lf-art-t\">Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 22.36, onder a, onder 2, onder ii, van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in artikel 22.36, onder a, onder 3, gestelde eisen de volgende eisen: a. in zijn geheel of in delen verplaatsbaar; b. de oppervlakte niet meer dan 100 m2; en c. buiten de bebouwde kom.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2238\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.38</span><span class=\"lf-art-t\">Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 22.36 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of b. op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2239\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.39</span><span class=\"lf-art-t\">Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 22.36, aanhef en onder a en c, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen; b. op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of c. op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9.</span>artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">10.</span>artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">11.</span>artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">12.</span>artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of 13. artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  22.2.8</h3>\n<p class=\"lf-p\">Overgangsrecht bestaande bouwwerken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2240\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.40</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht bestaande bouwwerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een bouwwerk waarop het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, van toepassing is, mag in stand worden gehouden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  22.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  22.3.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2241\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.41</span><span class=\"lf-art-t\">Algemeen toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling is niet van toepassing op: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>dat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of 3. waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening; f. het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en g. bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.</div>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in paragraaf 22.3.7.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2242\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.42</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; en c. het beschermen van het milieu, waaronder:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; en 3. een doelmatig beheer van afvalstoffen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2243\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.43</span><span class=\"lf-art-t\">Normadressaat</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2244\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.44</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 22.42, is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat: a. de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; en b. de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid, voor zover het ziet op het tweede lid, en het tweede lid, zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2245\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.45</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerkvoorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 22.44, 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.26.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.26.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 22.42.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2246\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.46</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2247\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.47</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 22.46, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2248\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.48</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2249\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.49</span><span class=\"lf-art-t\">Informeren over een ongewoon voorval</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college van burgemeester en wethouders wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2250\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.50</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  22.3.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Energiebesparing</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2251\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.51</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2252\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.52</span><span class=\"lf-art-t\">Energie: maatregelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar worden getroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing: a. als het energieverbruik van de activiteit en andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die de activiteit functioneel ondersteunen, in het voorafgaande jaar kleiner is dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten aan brandstoffen; b. als artikel 15.51 of 16.5 van de Wet milieubeheer van toepassing is; of c. op energiebesparende maatregelen aan een gebouw of gedeelte daarvan als bedoeld in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan door het treffen van de maatregelen die zijn opgenomen in bijlage VII, onderdeel 16, bij de Omgevingsregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is van toepassing tot 1 december 2023.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2252a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.52a</span><span class=\"lf-art-t\">Energie: overgangsrecht maatregelen en informatieplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gegevens en bescheiden zijn verstrekt of hadden moeten worden verstrekt, blijven de uit artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, volgende verplichtingen en de verplichtingen volgend uit de regels die bij of krachtens dat artikel in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn gesteld, tot 1 december 2023 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op een activiteit waarop het eerste lid van toepassing is, is gedurende de periode, bedoeld in dat lid, artikel 22.52 niet van toepassing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  22.3.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Zwerfafval</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2253\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.53</span><span class=\"lf-art-t\">Afval: zwerfvuil</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  22.3.4</h3>\n<p class=\"lf-p\">Geluid SubParagraaf 22.3.4.1 Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2254\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.54</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 22.3.4 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op geluid door een activiteit: a. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; b. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; en c. op een niet-geluidgevoelige gevel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid van: a. het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is alleen van toepassing op het geluid door activiteiten bij detailhandel als: a. een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een gezamenlijk vermogen van meer dan 1,5 kW, met uitzondering van elektromotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder; of b. een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 130 kW.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2255\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.55</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik: eerbiedigende werking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 22.54, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: a. in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als: a. de activiteit al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en op een locatie is toegelaten op grond van:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of 2. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en b. het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of 2. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2256\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.56</span><span class=\"lf-art-t\">Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 22.41 worden voor de toepassing van paragraaf 22.3.4 als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: a. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of b. elkaar functioneel ondersteunen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2257\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.57</span><span class=\"lf-art-t\">Geluid: waar waarden gelden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De waarden voor het geluid door een activiteit gelden: a. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel; b. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen; c. in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en d. als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in een geluidgevoelige ruimte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2258\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.58</span><span class=\"lf-art-t\">Geluid: functionele binding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2259\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.59</span><span class=\"lf-art-t\">Geluid: voormalige functionele binding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor geluid niet van toepassing op of in een geluidgevoelig gebouw dat: a. op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of b. eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor geluid niet van toepassing zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2260\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.60</span><span class=\"lf-art-t\">Geluid: onderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht: a.</p></div>", "next": 239542}