{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een aanduiding van een toeristisch overstappunt of een verzorgingsplaats bevat in aanvulling op het eerste lid de naam en de locatie van het toeristische overstappunt of de verzorgingsplaats waar naar verwezen wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag van een omgevingsvergunning aanduiding van een toeristisch object bevat in aanvulling op het eerste lid de volgende gegevens: a. de naam en de locatie van het toeristisch object; en b. het aantal bezoekers per jaar, of c. het aantal parkeerplaatsen bij het object.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3123\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.123</span><span class=\"lf-art-t\">(indieningsvereisten melding gedenkteken)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een melding gedenkteken bevat de volgende gegevens: a. gegevens zoals bedoeld in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling; b. een topografische kaart waarop de volgende informatie is vermeld:- de exacte locatie van het gedenkteken;- het/de wegnummer(s) van de provinciale weg(en);- het/de hectometerpunt(en) waar het gedenkteken wordt geplaatst; c. vormgeving, materiaal en afmetingen van het gedenkteken; d. de verwachte startdatum en duur van de werkzaamheden; e. als de melding namens een ander is ingediend: een machtiging; f. overige informatie die voor de beoordeling van de melding van belang is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3124\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.124</span><span class=\"lf-art-t\">(indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning of melding kabels en leidingen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor een omgevingsvergunning of een melding voor het aanleggen, veranderen of verwijderen van kabels en leidingen bevat de volgende gegevens: a. gegevens zoals bedoeld in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling; b. een tekening waarop de volgende informatie is vermeld:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>het tracé van de kabel of leiding;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de soort kabel of leiding;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>de wijze van het aanleggen, veranderen of verwijderen van de kabel of leiding;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>het/de hectometerpunt(en) van de provinciale weg of vaarweg;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>voorzieningen op het gebied van transport, zoals wegen, vaarwegen, bruggen, tunnels, spoorlijnen, vliegvelden en havens;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>eventuele obstakels, zoals lantaarnpalen en verkeersregelinstallaties;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>-reeds aanwezige kabels en leidingen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>kunstwerken;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9.</span>beplanting;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">10.</span>eventuele te treffen voorzieningen, zoals mantelbuizen; c. de startdatum en de verwachte duur van de werkzaamheden; d. het verkeersmaatregelenplan, ingetekend op een topografische kaart met wegnummer(s) en hectometerpunten; e. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken; f. als een gestuurde boring wordt gebruikt: een boorprofiel; g. als een zinker wordt gebruikt: een uitvoeringsplan; h. als een buisleiding met explosieve stof, een watertransportleiding of een persleiding aangelegd wordt op een afstand van minder dan 50 meter tot een kunstwerk: een berekening van de erosiekrater; i. als de aanvraag voor een omgevingsvergunning of de melding namens een ander is ingediend: een machtiging; j. overige informatie die voor de beoordeling van de aanvraag of de melding van belang is.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3125\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.125</span><span class=\"lf-art-t\">(indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning en melding evenement op de weg)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor een omgevingsvergunning of een melding evenement op de weg bevat de volgende gegevens: a. gegevens zoals bedoeld in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling; b. de exacte locatie van het evenemententerrein, inclusief eventuele parkeerfaciliteiten en objecten (zoals borden en kramen) die geplaatst worden op of naast de provinciale weg, ingetekend op een topografische kaart met wegnummer(s) en hectometerpunten; c. de routes, ingetekend op een topografische kaart met wegnummer(s) en hectometerpunten; d. als het nemen van verkeersmaatregelen nodig is: een verkeersmaatregelenplan met de te treffen verkeersmaatregelen ingetekend op een topografische kaart, inclusief de eventuele aanwezigheid van verkeersregelaars en benodigde omleidingen; e. datum en tijden van het gebruik van de weg; f. het gedeelte van de weg (berm, fietspad, parallelweg of hoofdrijbaan) dat gebruikt wordt; g. naam en telefoonnummer van de contactpersoon die bereikbaar is gedurende het evenement; h. het verwachte aantal bezoekers; i. een beschrijving van het aantal en de soort deelnemende voertuigen; j. informatie over het aanbrengen van objecten op de provinciale weg of aan provinciale eigendommen; k. overige informatie die voor de beoordeling van de aanvraag of de melding van belang is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de provinciale weg afgesloten of gestremd moet worden, bevat een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een evenement op de weg in aanvulling op het eerste lid de volgende gegevens: a. een toelichting waarom de afsluiting of de stremming van de weg noodzakelijk is voor het evenement en onvermijdelijk is, waarin in elk geval wordt opgenomen welke alternatieven zijn onderzocht om de afsluiting of stremming van de weg te voorkomen en waarom deze alternatieven niet toereikend zijn; b. de duur van de afsluiting of stremming.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de aanvraag voor een omgevingsvergunning of de melding namens een ander is ingediend bevat een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een evenement op de weg een machtiging.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  3.9</h3>\n<p class=\"lf-p\">ENERGIE EN AFVAL</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  3.9.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">gesloten stortplaatsen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3126\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.126</span><span class=\"lf-art-t\">(oogmerk vergunningplicht gesloten stortplaatsen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze paragraaf verzekeren dat: a. het nazorgplan voor een stortplaats die gesloten is na 1 september 1996 blijvend kan worden uitgevoerd en b. schade door het lekken van verontreinigende stoffen uit de gesloten stortplaats naar de bodem en het grondwater voorkomen wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3127\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.127</span><span class=\"lf-art-t\">(toepassingsbereik gesloten stortplaatsen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op alle stortplaatsen die gesloten zijn na 1 september 1996, waarvoor in kader van de zorg in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer voor gesloten stortplaatsen, nazorgvoorzieningen zijn aangebracht of nazorgmaatregelen zijn getroffen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3128\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.128</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(vergunningplicht activiteiten met schadelijke gevolgen voor nazorgvoorzieningen en nazorgmaatregelen) 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden om zonder omgevingsvergunning activiteiten in, op, onder of boven een gesloten stortplaats bedoeld in Artikel 3.127 te verrichten die de werking kunnen aantasten van nazorgvoorzieningen die in het kader van de nazorg voor de gesloten stortplaats zijn aangebracht en de nazorgmaatregelen die daarvoor zijn getroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op: a. aanbrengen, beheer, onderhoud, vervangen en verwijderen van nazorgvoorzieningen als dit door, namens of in opdracht van het bevoegd gezag plaatsvindt; en b. treffen van nazorgmaatregelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3129\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.129</span><span class=\"lf-art-t\">(indieningsvereisten omgevingsvergunning gesloten stortplaatsen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager van een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 3.128 verstrekt de volgende gegevens: a. een toelichting op de activiteiten die zullen worden verricht op de gesloten stortplaats en het gebied waarin de nazorgvoorzieningen zijn gelegen; b. een kadastrale kaart, waarop het grondgebied is aangegeven waarop de activiteiten zullen worden verricht; c. de naam, adres en andere contactgegevens van een ieder die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied, bedoeld onder b; d. een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en toestemmingen om het voorgenomen gebruik te kunnen realiseren; e. de maatregelen die worden getroffen om:1) de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen;2) aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen of;3) op een andere manier de uitvoering van de nazorg niet te belemmeren. f. informatie over de wijze waarop de aanvrager de uitvoering van de onder e bedoelde maatregelen gaat evalueren en rapporteren.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  3.10</h3>\n<p class=\"lf-p\">ONDERGROND</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  3.10.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">ontgrondingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3130\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.130</span><span class=\"lf-art-t\">(oogmerk paragraaf ontgrondingen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze paragraaf zijn gericht op: a. een zorgvuldig gebruik van de ondergrond voor de winning van zand en andere bouwstoffen; en b. een zorgvuldige afweging van alle belangen bij ontgrondingsactiviteiten op land, in regionale wateren en in het winterbed van een rivier in het beheer van het Rijk een voorgenomen ontgrondingactiviteit worden betrokken, waarvoor Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3131\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.131</span><span class=\"lf-art-t\">(toepassingsbereik ontgrondingen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf bevat de provinciale regels voor ontgrondingsactiviteiten, bedoeld in artikel 16.9, tweede lid van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ontgrondingsactiviteit als bedoeld in het eerste lid is elke activiteit waardoor iets aan of in de hoogteligging van een terrein verandert of waarbij de bodem van een water wordt verlaagd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3132\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.132</span><span class=\"lf-art-t\">(aanvulling vergunningsplichtige ontgrondingsactiviteiten)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod in artikel 5.1 van de Omgevingswet om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten bedoeld, geldt in afwijking van artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving ook voor de volgende activiteiten: a. het aanleggen, onderhouden, wijzigen of opruimen van een werk door of in opdracht van gemeenten of waterschappen, met inbegrip van de aanleg van waterpartijen als meer dan 10.000 m3 vaste stoffen uit één of meer waterpartijen wordt ontgraven en waarbij dieper wordt gegraven dan 3 meter beneden het oorspronkelijke niveau; b. het aanleggen, onderhouden, wijzigen of opruimen van rijkswaterstaatswerken en werken door of op last van de provincie Overijssel; c. het aanleggen, onderhouden of veranderen van een oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in art 16.7, onderdeel j, onder 2 van het Besluit activiteiten leefomgeving als:1) het oppervlaktewaterlichaam een bodembreedte van meer dan 5 m; en2) dieper dan 3 m onder het oorspronkelijke maaiveld wordt gegraven; d. het ontgronden voor een waterput, reservoir bassin, vijver, poel of daarmee vergelijkbare voorziening zoals bedoeld in artikel 16.7, onderdeel a, onder 2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, als er meer dan 500 m3 vaste stof wordt ontgraven;</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3133\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.133</span><span class=\"lf-art-t\">(aanvulling vergunningsvrije ontgrondingsactiviteiten)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod, bedoeld in artikel 5.1 van de Omgevingswet, om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten, geldt niet voor ontgrondingsactiviteiten voor zover die tot doel hebben het verkrijgen van bodemmateriaal en als het gaat om: a. het aanleggen of wijzigen van een buitenmanege, als:1) die niet groter is dan 1.500 m²;2) die niet gelegen is in landschappelijk of natuurwetenschappelijk gevoelige gebieden,3) er alleen sprake is van omwisseling van deklaag en onderliggend zand; en4) grondlagen dieper dan 1,0 m onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven; b. het aanleggen, verhogen, verzwaren of onderhouden van waterkeringen; c. het aanleggen, onderhouden, wijzigen of opruimen van een werk door of in opdracht van gemeenten of waterschappen, met inbegrip van de aanleg van waterpartijen als minder dan 10.000 m3 vaste stoffen uit één of meer waterpartijen wordt ontgraven en waarbij niet dieper wordt gegraven dan 3 meter beneden het oorspronkelijke niveau;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing op ontgrondingsactiviteiten waarvoor een eis geldt om een milieueffectrapportage ( mer) op te stellen of te beoordelen of de eis geldt om te beoordelen of een milieueffectrapportage moet worden opgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3134\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.134</span><span class=\"lf-art-t\">(meldingsplicht vrijgestelde ontgrondingsactiviteiten)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden om zonder voorafgaande melding een ontgrondingsactiviteit bedoeld in artikel 16.7 en artikel 16.8 van het Besluit activiteiten leefomgeving en als bedoeld in het Artikel 3.133 van deze verordening, te verrichten als daarbij meer dan 10.000 m3 wordt ontgraven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De melding wordt uiterlijk twee weken voor het begin van de ontgrondingsactiviteit langs elektronische weg bij Gedeputeerde Staten gedaan met gebruikmaking van het elektronische formulier dat op de datum van indiening van de aanvraag beschikbaar is via de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 20.21 van de Omgevingswet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3135\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.135</span><span class=\"lf-art-t\">(aanvulling indieningsvereisten ontgrondingsvergunningen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager van een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 3.132 verstrekt in aanvulling op de indieningsvereisten van artikel 7.207 en artikel 7.162 onder i van de Omgevingsregeling een tekening met kadastrale ondergrond met daarop aangegeven de begrenzing van de te ontgronden en in te richten locatie op een zodanige schaal dat op locatie plaatsbepaling tot op 0,1 meter nauwkeurig mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager van een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 3.132 verstrekt in aanvulling op de indieningsvereisten van artikel 7.162 Omgevingsregeling een verklaring van toestemming van de eigenaar, als hij niet aantoonbaar de eigenaar is van de onroerende zaak waar ontgrond zal worden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  4</h3>\n<p class=\"lf-p\">OMGEVINGSPLANNEN</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  4.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">ALGEMEEN</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-41\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.1</span><span class=\"lf-art-t\">(toepassingsbereik)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De instructieregels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op het stellen van regels in omgevingsplannen als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De instructieregels in dit hoofdstuk zijn ook van toepasssing op projectbesluiten, voor zover die het omgevingsplan wijzigen, met uitzondering van projectbesluiten van het Rijk, en op omgevingsvergunningen voor omgevingsplanactiviteiten waarmee van een geldend omgevingsplan wordt afgeweken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.2</span><span class=\"lf-art-t\">(oogmerk instructieregels omgevingsplannen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De instructieregels in dit hoofdstuk worden gesteld voor de doorwerking van provinciale belangen in omgevingsplan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  4.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">OVERIJSSELSE LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-43\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.3</span><span class=\"lf-art-t\">(oogmerk Overijsselse Ladder voor duurzame verstedelijking)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling stelt voor de provinciale doelstellingen voor ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit, aanvullende eisen op de ladder voor duurzame verstedelijking en is gericht op concentratie van stedelijke functies in kernen, het bevorderen van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en toekomstbestendigheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-44\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.4</span><span class=\"lf-art-t\">(principe van concentratie)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In omgevingsplannen worden alleen de ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen mogelijk gemaakt als die voorzien in een lokale behoefte of in de behoefte van bijzondere doelgroepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij geldt voor bedrijventerreinen dat lokale behoefte wordt ingevuld als bedoeld voor lokaal gewortelde bedrijvigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In gebieden die deel uitmaken van een stedelijk netwerk kan het omgevingsplan voorzien in een bovenregionale behoefte aan ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In gebieden die deel uitmaken van een streekcentrum kan een omgevingsplan voorzien in een regionale behoefte aan ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen, mits dit past binnen de regionale programmering voor de regio waartoe het streekcentrum behoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan kan voorzien in (een deel van) de behoefte van een buurgemeente aan ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen, als dit past binnen de regionale programmering van de regio waartoe de gemeente behoort.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-45\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.5</span><span class=\"lf-art-t\">(zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat: a. er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied; b. de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en transformatie; en c. mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsplannen voorzien alleen in nieuwe ontwikkelingen in de Groene Omgeving die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen, als aannemelijk gemaakt is dat: a. (her)benutten van bestaande bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; en b. mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid is niet van toepassing op stedelijke functies waarvooor extra ruimtebeslag op de Groene Omgeving plaatsvindt in de vorm van uitleg van dorpen en steden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-46\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.6</span><span class=\"lf-art-t\">(toekomstbestendigheid)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, anders dan voor tijdelijk gebruik, waarvan aannemelijk is dat die toekomstbestendig zijn en dus: a. de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien niet in gevaar brengen; b. duurzaam en evenwichtig bijdragen aan het welzijn van mensen, economische welvaart en het beheer van natuurlijke voorraden; en c. ook op lange termijn toegevoegde waarde hebben.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  4.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">RUIMTELIJKE KWALITEIT</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-47\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.7</span><span class=\"lf-art-t\">(oogmerk ruimtelijke kwaliteit)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is gericht op het versterken van ruimtelijke kwaliteit door het toepassen van de OF-, WAAR- en HOE-benadering volgens het uitvoeringsmodel van de omgevingsvisie Overijssel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-48\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.8</span><span class=\"lf-art-t\">(ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de ruimtelijke kwaliteit versterken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-49\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.9</span><span class=\"lf-art-t\">(onderbouwing ruimtelijke kwaliteit)</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>omgevingsplannen bevatten een onderbouwing waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit waarin: a. het uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) uit de omgevingsvisie Overijssel wordt toegepast; b. wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat volgens de omgevingsvisie Overijssel van toepassing is voor het gebied; en c. inzichtelijk gemaakt wordt hoe de vier-lagenbenadering van het uitvoeringsmodel is toegepast en de catalogus Gebiedskenmerken (Bijlage VII) is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In omgevingsplannen kan gemotiveerd worden afgeweken van het ontwikkelingsperspectief dat volgens de Omgevingsvisie Overijssel van toepassing is voor het gebied, als: a. er sprake is van sociaaleconomische of maatschappelijke redenen; en b. voldoende verzekerd is dat er sprake is van versterking van de ruimtelijke kwaliteit in overeenstemming met de uitspraken die de Catalogus Gebiedskenmerken doet voor dat gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Catalogus Gebiedskenmerken worden de volgende gebieden onderscheiden:Natuurlijke laag:</p>\n<p class=\"lf-p\">Stuwwallen Dekzandvlakte en ruggen brongebieden (globaal aangeduid) Beekdalen en natte laagtes laagveengebieden (in cultuur gebracht) en laagveenrestanten hoogveengebieden (in cultuur gebracht) en hoogveenrestanten Rivierengebieden (rivier en rivierengebied - rivier en uiterwaarden, oeverwallen en komgronden) Zeekleigebied en randmeren Laag van het agrarisch cultuurlandschap:</p>\n<p class=\"lf-p\">Essenlandschap Oude hoevenlandschap maten en flierenlandschap Jong heide- en broekontginningslandschap Laagveenontginningen Hoogveenontginningen en hoogveenrestanten Veenkoloniaal landschap rivierenlandschap - rivier en uiterwaarden , oeverwallen en komgebieden) Zeekleilandschap Stedelijke laag: historische centra binnensteden en landstadjes Bebouwingsschil 1900 - 1955 Woonwijken 1955 - nu Bedrijventerreinen Dorpen en buurtschappen Verspreide bebouwing Autosnelwegen Autowegen Gebiedsontsluitingswegen en erftoegangswegen Informele trage netwerk spoorweg met stations Kanalen en vaarten Laag van de beleving:</p>\n<p class=\"lf-p\">Landgoederen en buitenplaatsen Gebieden voor verblijfsrecreatie Attracties Recreatieve routes en vaarwegen Stads- en dorpsfronten Stads- en dorpsranden Balkons en belvedères Bakens in de tijd Donkerte</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-410\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.10</span><span class=\"lf-art-t\">(normerende en richtinggevende uitspraken)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In omgevingsplannen worden de normerende uitspraken en de richtinggevende uitspraken in acht genomen die de catalogus Gebiedskenmerken doet over gebieden die in dat omgevingsplan zijn opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In omgevingsplannen kan gemotiveerd worden afgeweken van de richtinggevende uitspraken in de Catalogus Gebiedskenmerken als verzekerd is dat de kwaliteitsambitie die in de Catalogus Gebiedskenmerken voor dat gebied is opgenomen, in gelijke mate gerealiseerd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In omgevingsplannen kan gemotiveerd worden afgeweken van de normerende uitspraken in de Catalogus Gebiedskenmerken als: a. sprake is van zwaarwegende sociaaleconomische of maatschappelijke redenen; en b. voldoende verzekerd is dat er sprake is van versterking van ruimtelijke kwaliteit in overeenstemming met de provinciale ambities die in de Catalogus Gebiedskenmerken zijn opgenomen voor dat gebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-411\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.11</span><span class=\"lf-art-t\">(kwaliteitsimpuls Groene Omgeving)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsplannen laten alleen nieuwvestiging en grootschalige uitbreiding van bestaande functies toe in de Groene Omgeving als: a. daarvoor sociaaleconomische of maatschappelijke redenen voor zijn; b. het verlies aan ecologische of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen in versterking van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving; en c. in het geval de nieuwvestiging of een grootschalige uitbreiding plaatsvindt op gronden binnen het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water de compensatie bedoeld in onderdeel b gericht is op de versterking van de kwaliteit van natuur, water en landschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is in ieder geval van toepassing op: a. nieuwe verblijfsrecreatieve complexen en verblijven; b. uitbreidingen van bestaande verblijfsrecreatieve complexen; c. de bouw van nieuwe woningen; d. nieuwe bouwlocaties voor bedrijvigheid die niet aan de Groene Omgeving is gebonden; e. grootschalige uitbreiding van bestaande locaties voor niet-agrarische bedrijvigheid die niet aan de Groene Omgeving is gebonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing op: a. de bedrijfsontwikkeling en nieuwvestiging van agrarische bedrijven; b. zelfstandige opstellingen van zonnepanelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-412\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.12</span><span class=\"lf-art-t\">(cultureel erfgoed)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In omgevingsplannen wordt rekening gehouden met de cultuurhistorische waarden die in het gebied aanwezig zijn, waaronder in ieder geval worden verstaan: a. historische landschappen; b. historisch geografische elementen en structuren; c. cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en bouwwerken; en d. archeologische vindplaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het omgevingsplan bevat een onderbouwing van de wijze waarop rekening is gehouden met aanwezige cultuurhistorische waarden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  4.4</h3>\n<p class=\"lf-p\">STUREN OP WATER EN BODEM</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-413\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.13</span><span class=\"lf-art-t\">(klimaatrobuust water- en bodemsysteem)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt als onderbouwd is dat deze ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de onderbouwing bedoeld in het eerste lid wordt bij een ontwikkeling in het landelijk gebied in ieder geval duidelijk gemaakt hoe de ontwikkeling bijdraagt aan het regionaal perspectief water en bodem dat op die locatie van toepassing is.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  4.5</h3>\n<p class=\"lf-p\">WONEN, WERKEN EN RECREËREN</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.5.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Woningbouw</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-414\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.14</span><span class=\"lf-art-t\">(woonafspraken)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsplannen staan alleen toe dat nieuwe woningen worden gerealiseerd als de bouw van deze woningen past binnen de geldende woonafspraken, zoals deze zijn gemaakt door de regio en vastgelegd in bestuurlijke afspraken tussen provincie en gemeenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwe woningen zijn nog te realiseren woningen waarvoor nog geen omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is afgegeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-415\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.15</span><span class=\"lf-art-t\">(woningbouw in afwijking van woonafspraken)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de realisatie van nieuwe woningen niet past binnen geldende woonafspraken of wanneer er voor de gemeente geen woonafspraken gelden: a. moet de behoefte aan nieuwe woningen worden aangetoond met actueel onderzoek woningbouw waarop instemming is verkregen van de andere gemeenten in de regio en Gedeputeerde Staten; en b. voorziet het omgevingsplan in maximaal 80% van de behoefte aan nieuwe woningen zoals is vastgesteld met het actueel onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid geldt de eis dat de andere gemeenten in de regio moeten hebben ingestemd met actueel onderzoek woningbouw niet voor afstemming met gemeenten die gelegen zijn buiten de provincie Overijssel. In dat geval moet zijn aangetoond dat afstemmingsoverleg heeft plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de bouw van de nieuwe woningen als bedoeld in het eerste lid past binnen de regionale behoefte aan woningbouw, maar gemeenten in de regio toch weigeren in te stemmen met het actueel onderzoek woningbouw bedoeld in het eerste lid, dan treedt de instemming van Gedeputeerde Staten in de plaats van de instemming van die gemeenten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-416\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.16</span><span class=\"lf-art-t\">(eisen actueel onderzoek woningbouw)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Actueel onderzoek woningbouw bedoeld in Artikel 4.15, eerste lid voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: a. het onderzoek naar de behoefte aan nieuwe woningen wordt onderbouwd vanuit de regionale behoefte woningbouw, markt- en vastgoedanalyses en andere relevante gegevens; en b. het onderzoek wordt door de raad vastgesteld en eens in de twee jaar geactualiseerd; c. Er wordt uitgegaan van een behoefteprognose die niet ouder is dan twee jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een gemeente nalaat om het actueel onderzoek woningbouw tijdig te actualiseren, kunnen Gedeputeerde Staten een actueel onderzoek woningbouw voor deze gemeente vaststellen dat in de plaats komt het eerdere onderzoek naar de behoefte aan nieuwe woningen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-417\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.17</span><span class=\"lf-art-t\">(schrappen overcapaciteit)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsplannen die mogelijkheden bieden om nieuwe woningen te bouwen waaraan volgens de geldende woonafspraken de komende 10 jaar geen behoefte meer is, moeten in overeenstemming gebracht worden met de woonafspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als termijn waarbinnen overcapaciteit geschrapt moet worden, geldt de termijn die daarvoor in de woonafspraken is vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval er voor de gemeente geen woonafspraken gelden, wordt het omgevingsplan, als dat voorziet in de mogelijkheid om nieuwe woningen te bouwen waaraan volgens actueel onderzoek woningbouw de komende 10 jaar geen behoefte meer is, met dit onderzoek in overeenstemming gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te voldoen aan de opdracht om overcapaciteit te schrappen stelt de raad binnen 6 maanden na de vaststelling van het actueel onderzoek woningbouw een besluit vast waarin benoemd wordt welke mogelijkheden om nieuwe woningen te bouwen uit het omgevingsplan zullen worden geschrapt. Binnen een termijn van 2 jaar na het nemen van dat raadsbesluit worden deze woningbouwmogelijkheden uit het omgevingsplan geschrapt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.5.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Detailhandel</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-418\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.18</span><span class=\"lf-art-t\">Detailhandel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsplannen voorzien alleen in nieuwe detailhandelsvestigingen binnen of direct aansluitend aan bestaande kernwinkelgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grootschalige detailhandelsvestigingen met regionale effecten zijn alleen toegestaan binnen of direct aansluitend aan het bestaande kernwinkelgebied van stedelijke centra, en als: a. voorzien wordt in een behoefte conform Artikel 4.4 (principe van concentratie) van deze verordening; b. aangetoond is dat de vestiging niet leidt tot onevenredige aantasting van het voorzieningenniveau in de regio, de vitaliteit van kernwinkelgebieden en het woon-, leef- en ondernemersklimaat in de kern; en c. regionale afstemming heeft plaatsgevonden met buurgemeenten en Gedeputeerde Staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volumineuze detailhandel met regionale effecten is alleen toegestaan in streekcentra en stedelijke centra, en als: a. voorzien wordt in een behoefte conform Artikel 4.4 (principe van concentratie) van deze verordening; b. de vestiging niet leidt tot onevenredige aantasting van het voorzieningenniveau of de vitaliteit van kernwinkelgebieden of een onevenredige aantasting van het woon-, leef- en ondernemersklimaat in de kernen; en c. regionale afstemming heeft plaatsgevonden met de buurgemeenten en Gedeputeerde Staten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-419\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.19</span><span class=\"lf-art-t\">(buurt- en wijkwinkelcentra)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van Artikel 4.18, eerste lid kan een omgevingsplan voorzien in nieuwe detailhandelsvestigingen binnen of direct aansluitend aan bestaande buurt- en wijkwinkelcentra voor zover de detailhandelsvestiging in hoofdzaak is gericht op het voorzien in dagelijkse behoeften.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-420\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.20</span><span class=\"lf-art-t\">(volumineuze detailhandel op perifere locaties)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van Artikel 4.18, eerste lid kan volumineuze detailhandel worden toegestaan op bedrijventerrein als: a. voorzien wordt in een behoefte conform Artikel 4.4 (principe van concentratie) van deze verordening; en b. voor deze vorm van volumineuze detailhandel geen ruimte gevonden of gemaakt kan worden binnen of direct aansluitend aan het kernwinkelgebied van de kern.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van Artikel 4.18, derde lid kan volumineuze detailhandel met regionale effecten in stedelijke centra worden toegestaan op andere perifere locaties dan bedrijventerreinen, als: a. voorzien wordt in een behoefte conform Artikel 4.4 (principe van concentratie) van deze verordening; b. de volumineuze detailhandel wordt geconcentreerd in daarvoor speciaal aangewezen winkelgebieden voor volumineuze detailhandel; c. voor deze vorm van volumineuze detailhandel aantoonbaar geen ruimte gevonden of gemaakt kan worden binnen of direct aansluitend aan het kernwinkelgebied van de kern; d. aangetoond is dat de vestiging niet leidt tot onevenredige aantasting van het voorzieningenniveau of de leegstand in de regio of de vitaliteit van kernwinkelgebieden of een onevenredige aantasting van het woon-, leef- en ondernemersklimaat in de kernen; en e. regionale afstemming heeft plaatsgevonden met buurgemeenten en Gedeputeerde Staten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-421\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.21</span><span class=\"lf-art-t\">(grootschalige detailhandel op perifere locaties)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van Artikel 4.18, eerste lid kan in stedelijke centra nieuwe grootschalige detailhandel worden toegestaan op perifere locaties, alleen als: a. voor deze vorm van grootschalige detailhandel aantoonbaar geen ruimte gevonden of gemaakt kan worden binnen of direct aansluitend aan het kernwinkelgebied van de kern; en b. aangetoond is dat de vestiging niet leidt tot onevenredige aantasting van het voorzieningenniveau of de leegstand in de regio of de vitaliteit van kernwinkelgebieden of een onevenredige aantasting van het woon-, leef- en ondernemersklimaat in de kernen; en c. regionale afstemming heeft plaatsgevonden met buurgemeenten en Gedeputeerde Staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vestiging van een grootschalige detailhandel op een locatie buiten het kernwinkelgebied als bedoeld in lid 1, wordt alleen mogelijk gemaakt met een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit waarbij afgeweken wordt van het geldende omgevingsplan (buitenplanse omgevingsplanactiviteit) op basis van een concreet verzoek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-422\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.22</span><span class=\"lf-art-t\">(bijzondere vormen van detailhandel op perifere locaties)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van Artikel 4.18, eerste lid kan een kringloopwinkel worden toegestaan op bedrijventerreinen als: a. voor de kringloopwinkel geen ruimte gevonden of gemaakt kan worden binnen of direct aansluitend aan het kernwinkelgebied van de kern; en b. het omgevingsplan andere vormen van detailhandelsactiviteiten dan een kringloopwinkel op de locatie uitsluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van Artikel 4.18, eerste lid kunnen ondergeschikte detailhandelsactiviteiten worden toegestaan op perifere locaties, als deze detailhandelsactiviteiten functioneel verbonden zijn aan de hoofdactiviteit op de locatie.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.5.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Werklocaties (bedrijventerreinen en kantorenlocaties)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-423\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.23</span><span class=\"lf-art-t\">(afspraken bedrijventerreinen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsplannen staan alleen toe dat nieuw bedrijventerrein wordt gerealiseerd als de aanleg van dat bedrijventerrein past binnen de geldende afspraken bedrijventerreinen, zoals deze zijn gemaakt door de regio en vastgelegd in bestuurlijke afspraken tussen provincie en gemeenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuw bedrijventerrein is een locatie voor bedrijvigheid en bij die bedrijven behorende kantoorruimte, waarvoor nog geen omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is afgegeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-424\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.24</span><span class=\"lf-art-t\">(aanleg bedrijventerrein in afwijking van afspraken bedrijventerreinen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de aanleg van nieuw bedrijventerrein niet past binnen geldende afspraken bedrijventerreinen of wanneer er voor de gemeente geen afspraken bedrijventerreinen gelden: a. moet de behoefte aan nieuw bedrijventerrein worden aangetoond met actueel onderzoek bedrijventerrein waarop instemming is verkregen van de andere gemeenten in de regio en Gedeputeerde Staten; en b. voorziet het omgevingsplan in maximaal 80% van de behoefte aan nieuw bedrijventerrein zoals is vastgesteld met het actueel onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid geldt de eis dat de andere gemeenten in de regio moeten hebben ingestemd met actueel onderzoek bedrijventerreinen niet voor afstemming met gemeenten die gelegen zijn buiten de provincie Overijssel. In dat geval moet zijn aangetoond dat afstemmingsoverleg heeft plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de aanleg van nieuw bedrijventerrein bedoeld in het eerste lid past binnen de regionale behoefte aan bedrijventerreinen, maar gemeenten in de regio toch weigeren in te stemmen met het actueel onderzoek bedrijventerreinen, dan treedt de instemming van Gedeputeerde Staten in de plaats van de instemming van die gemeenten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-425\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.25</span><span class=\"lf-art-t\">(actueel onderzoek bedrijventerreinen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Actueel onderzoek bedrijventerreinen bedoeld in Artikel 4.24, eerste lid voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: a. het onderzoek naar de behoefte aan nieuw bedrijventerrein wordt onderbouwd vanuit de regionale behoefte bedrijventerreinen, markt- en vastgoedanalyses en andere relevante gegevens; b. het onderzoek wordt door de raad vastgesteld en eens in de twee jaar geactualiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderzoek gaat uit van de scenario's uit de Toekomstverkenning Welvaart en Leefomgeving (WLO-scenario's) of de scenario's van het economisch instituut voor de bouw (EIB).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt uitgegaan van een behoefteprognose die niet ouder is dan twee jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een gemeente nalaat om het actueel onderzoek bedrijventerreinen tijdig te actualiseren, dan kunnen Gedeputeerde Staten een actueel onderzoek bedrijventerreinen voor deze gemeente vaststellen dat in de plaats komt het eerdere onderzoek naar de behoefte aan nieuw bedrijventerrein.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-426\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.26</span><span class=\"lf-art-t\">(schrappen overcapaciteit)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsplannen die mogelijkheden bieden om nieuw bedrijventerrein aan te leggen waaraan volgens de geldende afspraken bedrijventerreinen de komende 10 jaar geen behoefte meer is, moeten in overeenstemming gebracht worden met de afspraken bedrijventerreinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als termijn waarbinnen overcapaciteit geschrapt moet worden, geldt de termijn die daarvoor in de afspraken bedrijventerreinen is vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval voor de gemeente geen afspraken bedrijventerreinen gelden, wordt het omgevingsplan als dat voorziet in de mogelijkheid om nieuw bedrijventerrein aan te leggen waaraan volgens actueel onderzoek bedrijventerreinen de komende 10 jaar geen behoefte meer is, met dit onderzoek in overeenstemming gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te voldoen aan de opdracht om overcapaciteit te schrappen stelt de raad binnen 6 maanden na de vaststelling van het actueel onderzoek bedrijventerreinen een besluit vast waarin benoemd wordt welke mogelijkheden om nieuw bedrijventerrein aan te leggen uit het omgevingsplan zullen worden geschrapt. Binnen een termijn van 2 jaar na het nemen van dat raadsbesluit worden deze mogelijkheden om nieuw bedrijventerrein aan te leggen uit het omgevingsplan geschrapt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-427\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.27</span><span class=\"lf-art-t\">(nieuwe kantoren en kantorenlocaties)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsplannen staan alleen toe dat nieuwe zelfstandige kantoren of kantorenlocaties gerealiseerd worden, als met een ruimtelijk-economische onderbouwing is aangetoond dat: a. er behoefte is aan extra kantoorruimte waarin niet kan worden voorzien vanuit de bestaande capaciteit aan kantoorruimte; en b. buurgemeenten en Gedeputeerde Staten hebben ingestemd met de conclusie dat er behoefte is aan extra kantoorruimte zoals voorzien is in het omgevingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eis van instemming van buurgemeenten in de regio bedoeld in eerste lid geldt niet voor buurgemeenten buiten de provincie Overijssel. In dat geval is het voldoende dat is aangetoond dat er afstemmingsoverleg heeft plaatsgevonden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.5.4</h3>\n<p class=\"lf-p\">Verblijfsrecreatie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-428\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.28</span><span class=\"lf-art-t\">(oogmerk regels verblijfsrecreatie)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is erop gericht om: a. het huidige aanbod aan recreatiewoningen in Overijssel beter te laten aansluiten op de vraag van recreanten en toeristen; b. bestaande en nieuwe recreatiewoningen ook op termijn beschikbaar te houden voor de recreatieve verhuur; c. recreatiewoningen zonder recreatief toekomstperspectief mogelijkheden te bieden om andere functies toe te staan; d. tijdelijke functies toe te staan in recreatiewoningen als dit bijdraagt aan het creëren van een verdienmodel voor het verwezenlijken van het duurzaam toekomstperspectief van minder vitale recreatieparken; e. de bouw van nieuwe recreatiewoningen toe te staan binnen gebieden die daarvoor zijn aangewezen in Noordwest-Overijssel; f. verder alleen nog nieuwerecreatiewoningen toe te staan als er sprake is van nieuw recreatief aanbod dat nog niet in Overijssel beschikbaar is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-429\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.29</span><span class=\"lf-art-t\">(aanwijzing locatie verblijfsrecreatie)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als locatie verblijfsrecreatie zijn aangewezen gebieden in Noordwest-Overijssel waar ruimte is voor de ontwikkeling van nieuwe verblijfsaccommodaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als locatie verblijfsrecreatie alleen kleinschalige complexen toegestaan zijn aangewezen gebieden in Noordwest-Overijssel waar ruimte is voor de ontwikkeling van nieuwe verblijfsaccommodaties in kleinschalige complexen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-430\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.30</span><span class=\"lf-art-t\">(nieuwe recreatiewoningen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsplannen staan alleen toe dat nieuwe recreatiewoningen worden gerealiseerd als: a. er sprake is van een innovatief concept; b. verzekerd is dat recreatiewoningen bedrijfsmatig geëxploiteerd en verhuurd worden; en c. de recreatiewoningen in de vorm van een complex van recreatiewoningen worden gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid geldt de eis van complexgewijs realiseren van recreatiewoningen niet als: a. de recreatiewoningen worden gerealiseerd in het kader van de kwaliteitsimpuls Groene Omgeving; en b. de nieuwe recreatiewoningen wel voldoen aan de eisen van bedrijfsmatige exploitatie en verhuur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-431\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.31</span><span class=\"lf-art-t\">(uitbreiding bestaand complex recreatiewoningen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van Artikel 4.30 kan een omgevingsplan de bouw van nieuwe recreatiewoningen mogelijk maken als dat nodig is in het kader van een kwaliteitsimpuls voor een bestaand recreatieterrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitbreiding van een bestaand complex van recreatiewoningen bedoeld in het eerste lid is alleen toegestaan als: a. verzekerd is dat nieuwe recreatiewoningen bedrijfsmatig geëxploiteerd en verhuurd worden; en b. de recreatiewoningen onderdeel gaan uitmaken van het complex van recreatiewoningen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-432\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.32</span><span class=\"lf-art-t\">(locaties voor verblijfsrecreatie)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van Artikel 4.30 kan een omgevingsplan de bouw van nieuwe recreatiewoningen toestaan binnen gebieden die aangewezen zijn als locatie verblijfsrecreatie als: a. verzekerd is dat recreatiewoningen bedrijfsmatig geëxploiteerd en verhuurd worden; en b. de recreatiewoningen in de vorm van een complex van recreatiewoningen worden gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van Artikel 4.30 kan een omgevingsplan de bouw van nieuwe recreatiewoningen toestaan binnen gebieden die zijn aangewezen als locatie verblijfsrecreatie alleen kleinschalige complexen toegestaan als: a. verzekerd is dat recreatiewoningen bedrijfsmatig geëxploiteerd en verhuurd worden; en b. de recreatiewoningen worden gerealiseerd in de vorm van een kleinschalig complex van recreatiewoningen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-433\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.33</span><span class=\"lf-art-t\">(verbod op permanente bewoning)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In een omgevingsplan dat betrekking heeft op recreatiewoningen en recreatieverblijven worden regels opgenomen die permanente bewoning daarvan uitsluiten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-434\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.34</span><span class=\"lf-art-t\">(afwijking verbod permanente bewoning)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van Artikel 4.33 kan in een omgevingsplan permanente bewoning worden toegestaan voor zover het gaat om recreatiewoningen: a. die vóór of op 31 oktober 2003 permanent werden bewoond en b. de permanente bewoning daarna onafgebroken is voortgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Permanente bewoning bedoeld in het eerste lid kan alleen worden geregeld in de vorm van: a. persoonsgebonden overgangsrecht, b. een persoonsgebonden gedoogbeschikking; of c. een persoonsgebonden tijdelijke afwijking van het omgevingsplan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-435\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.35</span><span class=\"lf-art-t\">(transformatie en sanering recreatieparken)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een recreatiepark voorziet alleen in andere, passende functies voor het recreatiepark, als: a. aangetoond is dat het ontwikkelen van een duurzaam recreatief en bedrijfseconomisch toekomstperspectief voor het park niet langer haalbaar is of redelijkerwijs haalbaar gemaakt kan worden; b. de impact van de transformatie of sanering op de omgeving in voldoende mate is gecompenseerd; c. de transformatie of sanering geen afbreuk doet aan omliggende functies; en d. de transformatie of sanering voldoet aan de overige regels in deze verordening die van toepassing zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-436\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.36</span><span class=\"lf-art-t\">(tijdelijke andere functies recreatiepark)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een recreatiepark dat niet goed functioneert maar op termijn wel weer een duurzaam recreatief toekomstperspectief kan krijgen of gesaneerd zal worden, kan tijdelijk andere functies mogelijk maken, als: a. verzekerd is dat deze tijdelijke functies niet langer dan 10 jaar zullen functioneren; b. de functies die mogelijk worden gemaakt voorzien in een verdienmodel die op termijn weer een duurzaam toekomstperspectief of sanering van het recreatiepark mogelijk maakt; c. er geen samenloop is met verblijfsrecreatief gebruik; d. de impact op de omgeving in voldoende mate is gecompenseerd; e. de functies geen afbreuk doen aan het functioneren van de omliggende functies; f. het tijdelijke huisvesting betreft in het kader van de Woonagenda's afstemming heeft plaatsvindt met de partners in de woonregio en g. geborgd is dat het beoogde eindbeeld transformatie, sanering of revitalisering) van de recreatieterreinen na afloop van de termijn daadwerkelijk gerealiseerd zal worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-437\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.37</span><span class=\"lf-art-t\">(solitair gelegen recreatiewoningen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een solitair gelegen recreatiewoning kan alleen voorzien in een andere functie voor deze recreatiewoning, als: a. de recreatiewoning geen bijdrage meer levert aan het recreatief product van het gebied; b. de nieuwe functie passend is op de locatie; c. de impact op de omgeving in voldoende mate is gecompenseerd; d. de nieuwe functie geen afbreuk doet aan omliggende functies; en e. voldaan wordt aan de overige regels van deze verordening die van toepassing zijn.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  4.6</h3>\n<p class=\"lf-p\">AGRARISCH</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.6.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Kwaliteitsimpuls agro en food</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-438\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.38</span><span class=\"lf-art-t\">(kwaliteitsimpuls agro en food, algemene regel)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsplannen laten bedrijfsontwikkeling en nieuwvestiging van agrarisch bedrijven alleen toe op een bestaand agrarisch bouwperceel of een voormalig agrarisch bouwperceel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-439\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.39</span><span class=\"lf-art-t\">(kwaliteitsimpuls agro en food, nieuw agrarisch bouwperceel)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan kan in afwijking van Artikel 4.38 voorzien in een nieuw agrarisch bouwperceel voor de verplaatsing van een agrarisch bedrijf als een ondernemer: a. zijn agrarisch bedrijf verplaatst voor het realiseren van publieke belangen of b. op de huidige locatie geen ontwikkelingsmogelijkheden meer heeft; en c. een volwaardig agrarisch bedrijf verplaatst naar een locatie waar wel ontwikkelingsmogelijkheden zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een nieuw agrarisch bouwperceel bedoeld in het eerste lid mag alleen in een omgevingsplan worden opgenomen als: a. onderbouwd is dat het in redelijkheid niet mogelijk is om een bestaand of voormalig agrarisch bouwperceel te benutten voor de hervestiging van het agrarische bedrijf; b. een evenredige omvang aan bestaand of voormalig agrarische bebouwing in Overijssel wordt gesloopt en wegbestemd; c. het verlies aan ecologische of landschappelijke waarden in voldoende mate gecompenseerd zal worden door investeringen in de versterking van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving; d. aannemelijk is gemaakt dat er een kwaliteitswinst wordt geboekt op het gebied van duurzaamheid en sociale kwaliteit; en e. in het geval de nieuwvestiging plaatsvindt op gronden binnen het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water, de compensatie gericht is op de versterking van de kwaliteit van natuur, water en landschap.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-440\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.40</span><span class=\"lf-art-t\">(kwaliteitsimpuls agro en food, beperkte wijziging agrarisch bouwperceel)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan kan in afwijking van Artikel 4.38 voorzien in een beperkte aanpassing of uitbreiding van een bestaand of voormalig agrarisch bouwperceel als: a. dit nodig is voor de bedrijfsontwikkeling van een agrarisch bedrijf; en b. onderbouwd is dat het in redelijkheid niet mogelijk is om het bestaande agrarische bouwperceel voor de beoogde bedrijfsontwikkeling geschikt te maken;</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-441\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.41</span><span class=\"lf-art-t\">(kwaliteitsimpuls agro en food, grootschalige wijziging agrarisch bouwperceel)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan kan in afwijking van Artikel 4.38 voorzien in een grootschalige aanpassing of uitbreiding van een bestaan of voormalig agrarisch bouwperceel als dit nodig is voor de bedrijfsontwikkeling van een agrarisch bedrijf en als: a. onderbouwd is dat het in redelijkheid niet mogelijk is om het bestaande agrarische bouwperceel voor de beoogde bedrijfsontwikkeling geschikt te maken; b. het verlies aan ecologische of landschappelijke waarden in voldoende mate gecompenseerd zal worden door investeringen in de versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving; c. aannemelijk is gemaakt dat er een kwaliteitswinst wordt geboekt op het gebied van duurzaamheid en sociale kwaliteit; en d. als de grootschalige wijziging plaatsvindt op gronden binnen het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water, de compensatie gericht is op de versterking van de kwaliteit van natuur, water en landschap.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.6.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Glastuinbouwlocaties</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-442\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.42</span><span class=\"lf-art-t\">(aanwijzing glastuinbouwlocaties)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als Glastuinbouwlocatie in Overijssel is aangewezen het glastuinbouwgebied 'de Koekoekspolder'.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-443\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.43</span><span class=\"lf-art-t\">(verbod op nieuwe glastuinbouwbedrijven)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsplannen voorzien niet in de mogelijkheid van nieuwvestiging van Glastuinbouwbedrijven aangegeven op locatie glastuinbouw niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing op gebieden die zijn aangewezen als glastuinbouwgebied locatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is ook niet van toepassing op bedrijven die telen met ondersteunend glas.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.6.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">geitenhouderijen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-444\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.44</span><span class=\"lf-art-t\">(instructieregel geitenhouderijen)</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>omgevingsplannen sluiten de nieuwvestiging en uitbreiding van geitenhouderijen uit.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder nieuwvestiging bedoeld in het eerste lid wordt ook verstaan het geheel of gedeeltelijk wijzigen van een veehouderij of een veehouderijtak met andere landbouwhuisdieren, in een geitenhouderij.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder uitbreiding bedoeld in het eerste lid wordt ook verstaan: a. het vergroten van het aantal geiten op een bestaande geitenhouderij; b. het vergroten van dierenverblijven van een bestaande geitenhouderij, tenzij het vergunde of gemelde aantal geiten aantoonbaar niet toeneemt; c. de bouw van een dierenverblijf voor een bestaande geitenhouderij, tenzij het vergunde of gemelde aantal geiten aantoonbaar niet toeneemt; d. een bestaand gebouw of gronden in gebruik te nemen voor het houden van geiten, tenzij het vergunde of gemelde aantal geiten aantoonbaar niet toeneemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod op nieuwvestiging en uitbreiding van geitenhouderijen bedoeld in het eerste lid is ook van toepassing op het tijdelijk gebruik van bouwwerken en gronden voor een geitenhouderij.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-445\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.45</span><span class=\"lf-art-t\">(uitzonderingen verbod geitenhouderijen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan kan in afwijking van Artikel 4.44 nieuwvestiging en uitbreiding van geitenhouderijen toestaan voor zover voor deze activiteit vóór 29 september 2018: a. een ontvankelijke melding als bedoeld in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit is ingediend bij het bevoegd gezag; of b. een omgevingsvergunning is verleend of een ontvankelijke aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend bij het bevoegd gezag, tenzij de aanvraag ziet op een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan kan in afwijking van Artikel 4.44 nieuwvestiging en uitbreiding van geitenhouderijen toestaan voor zover het gaat om bedrijven die door de Stichting Skal Biocontrole zijn gecertificeerd; en: a. het gaat om opfokgeiten en afmestlammeren van ten hoogste 60 dagen oud die op het bedrijf zelf zijn geboren; b. de uitbreiding nodig is voor het afmesten van geitenbokken en c. voor het houden van deze categorie dieren rechten verkregen zijn van een andere geitenhouderij in de provincie Overijssel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-446\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.46</span><span class=\"lf-art-t\">(termijn uitvoering instructieregel geitenhouderijen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De instructie bedoeld in Artikel 4.44 moet uiterlijk 6 maart 2027 zijn uitgevoerd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.6.4</h3>\n<p class=\"lf-p\">Veehouderijen nabij verzuringgevoelige gebieden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-447\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.47</span><span class=\"lf-art-t\">(toepassingsbereik instructieregels verzuringgevoelige gebieden)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf geeft instructieregels voor gemeenten over omgevingsplannen waarin wordt voorzien in het oprichten en uitbreiden van veehouderijen in Zeer kwetsbare natuurgebieden of in een zone van 250 meter rond Zeer kwetsbare natuurgebieden die gevoelig zijn voor verzuring, voor zover sprake is van ammoniakemissie uit dierenverblijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veehouderijen bedoeld in het eerste lid zijn agrarische bedrijven die milieubelastende activiteiten verrichten bedoeld in artikel 3.201 van het Besluit activiteiten leefomgeving (exploiteren van een IPPC-installatie voor het houden van pluimvee of varkens) of milieubelastende activiteiten bedoeld in artikel 3.202 van het Besluit activiteiten leefomgeving (exploiteren van een andere milieubelastende installatie), voor zover die activiteiten worden verricht in een dierenverblijf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-448\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.48</span><span class=\"lf-art-t\">(aanwijzing zeer kwetsbare natuurgebieden)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als 'Zeer kwetsbare natuurgebieden' zijn aangewezen de voor verzuring gevoelige gebieden in Overijssel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-449\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.49</span><span class=\"lf-art-t\">(weigeringsgronden oprichten en veranderen veehouderij)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan voorziet niet in het oprichten en uitbreiden van een veehouderij als daardoor milieubelastende activiteiten als bedoeld in Artikel 4.47, tweede lid geheel of gedeeltelijk zullen worden uitgeoefend in een zeer kwetsbaar natuurgebied, of in een zone van 250 meter rond een zeer kwetsbaar natuurgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan voorziet niet in het oprichten en uitbreiden van een veehouderij waarbij veranderingen optreden in een milieubelastende activiteit bedoeld in Artikel 4.47, tweede lid, als: a. de aanvraag betrekking heeft op een uitbreiding van het aantal dieren van een of meer diercategorieën, en b. het dierenverblijf waar deze activiteit wordt uitgeoefend geheel of gedeeltelijk ligt in een zeer kwetsbaar natuurgebied of in een zone van 250 meter rond een zeer kwetsbaar natuurgebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-450\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.50</span><span class=\"lf-art-t\">(uitzonderingen weigeringsgronden oprichten veehouderij)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van Artikel 4.49, eerste lid kan een omgevingsplan voorzien in milieubelastende activiteiten als bedoeld in dat artikel, als de veehouderij niet vergunningplichtig zou zijn geweest op grond van artikel 8.40 van de Wet milieubeheer, en: a. het aantal dieren per diercategorie niet hoger is dan volgens de algemene maatregel van bestuur onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht aanwezig mocht zijn; b. het aantal dieren van een of meer diercategorieën hoger is dan het aantal, bedoeld onder a, maar de ammoniakemissie niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie uit de dierenverblijven van de veehouderij die de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht zou mogen veroorzaken en de emissie per dierplaats gelijk zou is aan de maximale emissiewaarde die toegestaan was onder de Wet milieubeheer; c. de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij:1) aangemerkt zou zijn als een melkrundveehouderij,2) de ammoniakemissie niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die een melkrundveehouderij met 200 stuks melkvee en 140 stuks vrouwelijk jongvee in geval van oprichting zou veroorzaken en3) de ammoniakemissie per dierplaats gelijk is aan de maximale emissiewaarde die was toegestaan onder de Wet milieubeheer; d. het gaat om schapen of paarden; e. het gaat om dieren betreft die worden gehouden volgens biologische productiemethoden als bedoeld in artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet; f. het gaat om dieren die worden gehouden alleen of in hoofdzaak voor natuurbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van Artikel 4.49, eerste lid kan een omgevingsplan ook voorzien in milieubelastende activiteiten als bedoeld in dat artikel, als de dieren in de veehouderij alleen of in hoofdzaak worden gehouden voor natuurbeheer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-451\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.51</span><span class=\"lf-art-t\">(uitzonderingen weigeringsgronden veranderen veehouderij)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van Artikel 4.49, tweede lid kan een omgevingsplan ook voorzien in het veranderen van milieubelastende activiteiten als bedoeld in dat artikel als: a. de ammoniakemissie uit de dierenverblijven na de uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die de veehouderij voorafgaand aan de uitbreiding:1) zou mogen veroorzaken als de emissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde; of2) mocht veroorzaken op grond van eerder verleende nog geldende vergunningen, als deze lager is dan de ammoniakemissie, bedoeld onder 1); b. in de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij:1) melkrundvee werd gehouden,2) de uitbreiding alleen melkrundvee betreft;3) de ammoniakemissie na uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die een melkrundveehouderij met 200 stuks melkvee en 140 stuks vrouwelijk jongvee zou veroorzaken; en4) de ammoniakemissie per dierplaats gelijk zou is aan de maximale emissiewaarde; c. de uitbreiding schapen of paarden betreft; d. de uitbreiding dieren betreft die gehouden worden volgens biologische productiemethoden als bedoeld in artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet; e. de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden alleen of in hoofdzaak voor natuurbeheer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-452\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.52</span><span class=\"lf-art-t\">(niet meerekenen dieren waarvoor eerder uitzondering is gemaakt)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van deze paragraaf worden dieren waarvoor eerder een omgevingsvergunning is verleend met toepassing van Artikel 4.50, eerste lid, onder c tot en met f, en Artikel 4.51, onder b tot of met e, bij een later verzoek voor aanpassing van de milieubelastende activiteiten niet meegerekend bij het bepalen van de emissie van ammoniak uit dierenverblijven die voorafgaand aan de uitbreiding zou mogen worden veroorzaakt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  4.7</h3>\n<p class=\"lf-p\">LANDSCHAP EN NATUUR</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.7.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Nationale Landschappen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-453\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.53</span><span class=\"lf-art-t\">(werkingsgebied instructieregels nationale landschappen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op de gebieden die zijn aangewezen als nationaal landschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Overijssel zijn de volgende gebieden aangewezen als Nationaal Landschap en als zodanig geometrisch begrensd: a. nationaal Landschap IJsseldelta b. nationaal Landschap Noordoost-Twente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-454\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.54</span><span class=\"lf-art-t\">(nieuwe ontwikkelingen in Nationaal Landschap IJsseldelta)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan voorziet alleen in nieuwe ontwikkelingen binnen het Nationaal Landschap IJsseldelta als die nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten van dat landschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap IJsseldelta zijn: a. de grote mate van openheid, b. de historische, rationele, geometrische verkaveling van de polder Mastenbroek, c. het reliëf in de vorm van huisterpen en kreekruggen, d. de kleinschaligheid en openheid van het rivierenlandschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt rekening is gehouden met het Ontwikkelperspectief Nationaal Landschap IJsseldelta en met Bijlage VIII van deze verordening (Nader uitgewerkte kernkwaliteiten Nationaal Landschap IJsseldelta) waarin de kernkwaliteiten nader zijn uitgewerkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-455\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.55</span><span class=\"lf-art-t\">(nieuwe ontwikkelingen in Nationaal Landschap Noordoost-Twente)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan voorziet alleen in nieuwe ontwikkelingen binnen het nationaal Landschap Noordoost-Twente als die nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten van dat landschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kernkwaliteiten van het nationaal Landschap Noordoost-Twente zijn: a. het samenhangend complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen; b. de grote mate van kleinschaligheid; c. het groene karakter.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt rekening is gehouden met het Ontwikkelperspectief nationaal Landschap Noordoost-Twente en met Bijlage IX van deze verordening (Nader uitgewerkte kernkwaliteiten Nationaal Landschap Noordoost-Twente) waarin de kernkwaliteiten nader zijn uitgewerkt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.7.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Natuurnetwerk Nederland</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-456\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.56</span><span class=\"lf-art-t\">(oogmerk Natuurnetwerk Nederland)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf over Natuurnetwerk Nederland (NNN) is gericht op: a. beschermen, duurzaam ontwikkelen, verbeteren en in stand houden van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Overijssel met bestaande en potentiële natuurwaarden die van (inter)nationaal belang zijn; en het daarmee veiligstellen van de wezenlijke kenmerken en waarden in Overijssel zoals vastgesteld in Bijlage X “Wezenlijke kenmerken en waarden in NNN\".</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-457\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.57</span><span class=\"lf-art-t\">(aanwijzing Natuurnetwerk Nederland)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen gebieden in Overijssel die: a. vanwege aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden van (inter)nationaal van belang zijn; en b. een samenhangend netwerk van natuurgebieden vormen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de gebieden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland zijn de beoogde natuurdoelen vastgesteld in Bijlage X \"Wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN\".</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het Natuurnetwerk Nederland worden de volgende gebiedscategorieën aangewezen: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedscategorie bestaand omvat gebieden die beschikbaar zijn voor het realiseren van de natuurdoelen zoals vastgesteld in Bijlage X \"Wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN\". b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedscategorie te realiseren omvat gebieden die getypeerd zijn als geschikt voor verdere ontwikkeling van aanwezige of in potentie bestaande/aanwezige natuurwaarden, maar die nog niet of niet geheel kunnen worden ingericht als natuur volgens de natuurdoelen zoals vastgesteld in de Bijlage X \"Wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN\" omdat ze nog niet zijn aangekocht, afgewaardeerd of nog niet beschikbaar zijn voor het realiseren van het Natuurnetwerk Nederland.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de gebiedscategorie Te realiseren worden de volgende subcategorieën aangewezen: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000 omvat gebieden waar maatregelen genomen moeten worden om natuurwaarden in nabijgelegen Natura 2000-gebieden te beschermen of te vergroten; b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoekgebied natuur NNN omvat gebieden waar de natuurdoelen door agrarische natuurbeheer en door natuurbeheer kunnen worden bereikt; c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overig te realiseren natuur omvat gebieden die concreet begrensd zijn, maar waar de natuurdoelen nog gerealiseerd moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het Natuurnetwerk Nederland worden de volgende deelgebieden onderscheiden:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De Woldberg - De Eese 2. Wieden - Weerribben 3. Reestdal 4. Oeverlanden Zwarte Water 5. Zwarte Meer - Vossemeer 6. Uiterwaarden IJssel 7. Olde Maten - Veerslootlanden 8. Stadsgaten - De Ruiten 9. Lierder- en Molenbroek 10. Landgoederen Salland 11. Boetelerveld 12. Vechtdal 13. Sallandse Heuvelrug 14. Reggedal 15. Wierdense veld - Notterveld 16. Borkeld en Entervenen 17. Diepenheim 18. Engbertsdijksvenen - Veenschap 19. Mander - Reutum 20. Dinkeldal boven- en middenloop 21. Dinkeldal benedenloop - Ottershagen 22. Volther Agelerbroek en Achter de Voort 23. Beekdalen Weerselo 24. Bergvennen 25. Punthuizen 26. Landgoederen en beekdalen Enschede - Hengelo 27. Heide- en veengebieden zuid Twente 28. Stuwwal Oldenzaal 29. Twickel</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-458\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.58</span><span class=\"lf-art-t\">(instructieregels beschermingsregime Natuurnetwerk Nederland)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In omgevingsplannen die betrekking hebben op een gebied dat is aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN) maken geen ontwikkelingen mogelijk die leiden tot: a. aantasting van de mogelijkheden om de natuurdoelen te realiseren die voor dit gebied zijn vastgesteld in Bijlage X \"Wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN\", b. vermindering van het areaal van het Natuurnetwerk Nederland; en c. aantasting van de samenhang tussen onderdelen van het Natuurnetwerk Nederland.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsplannen die betrekking hebben op een gebied dat is aangewezen als Bestaand worden regels opgenomen die zijn gericht op bescherming, instandhouding, verbetering en duurzame ontwikkeling van de natuurdoelen zoals vastgesteld in Bijlage X \"Wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN\".</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In omgevingsplannen die betrekking hebben op een gebied dat is aangewezen als Te realiseren natuur NNN worden - zolang de gronden nog niet zijn aangekocht of afgewaardeerd naar natuur - regels opgenomen die ook gericht zijn op bescherming, instandhouding, verbetering en duurzame ontwikkeling van de aanwezige natuurwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van de instructieregels in het eerste en derde lid geldt binnen gebieden die zijn aangewezen als Te realiseren geen plicht om rechten en ontwikkelingsmogelijkheden te beperken voor zover: a. het gaat om rechten en ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande functies zoals die zijn vastgelegd in een geldend omgevingsplan; en b. deze gronden nog niet zijn aangekocht voor het realiseren van het Natuurnetwerk Nederland of nog geen functiewijziging heeft plaatsgevonden naar natuur door de eigenaar zelf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-459\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.59</span><span class=\"lf-art-t\">(instructieregel aanscherpen beschermingsregime na aankoop voor te realiseren natuur)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In omgevingsplannen die betrekking hebben op een gebied dat is aangewezen als Te realiseren worden regels opgenomen die gericht zijn op bescherming, instandhouding, verbetering en duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden die vastgelegd zijn voor deze gronden in Bijlage X \"Wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN\", voor zover de gronden zijn aangekocht of afgewaardeerd zijn voor de ontwikkeling van natuur en ook beschikbaar zijn voor het realiseren van het Natuurnetwerk Nederland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-460\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.60</span><span class=\"lf-art-t\">(afwijking voor grootschalige ontwikkelingen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van Artikel 4.58 kan een omgevingsplan voorzien in een relatief grootschalige nieuwe ontwikkeling binnen een gebied dat begrensd is als Natuurnetwerk Nederland als: a. er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang; b. er uit onderzoek blijkt dat er een alternatievenafweging heeft plaatsgevonden waaruit blijkt dat voor de realisering van de boogde nieuwe ontwikkeling geen reële alternatieven zijn; c. significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied ten gevolge van de nieuwe ontwikkeling worden voorkomen en - als dat niet mogelijk is - zoveel mogelijk worden beperkt door mitigerende maatregelen te treffen; d. de overblijvende schade of significant negatieve effecten op een toereikende maar tenminste gelijkwaardige en tijdige wijze worden gecompenseerd; en e. het areaal van het Natuurnetwerk Nederland per saldo ten minste gelijk blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De compensatie die nodig is op grond van het eerste lid wordt gelijktijdig geregeld met het omgevingsplan dat de ontwikkeling mogelijk maakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de onderbouwing van de afwijking bedoeld in het eerste lid wordt een compensatieplan vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders informeren Gedeputeerde Staten dat er een afwijking bedoeld in het eerste lid heeft plaatsgevonden als de herziening van het omgevingsplan voor de nieuwe ontwikkeling onherroepelijk is geworden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-461\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.61</span><span class=\"lf-art-t\">(afwijking saldobenadering gebiedsvisie)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van Artikel 4.58 kan een omgevingsplan op basis van een samenhangende gebiedsvisie voorzien in een combinatie van nieuwe ontwikkelingen en maatregelen binnen een gebied dat begrensd is als Natuurnetwerk Nederland als: a. de combinatie van ontwikkelingen en maatregelen onderbouwd is vanuit een samenhangende visie op het gebied; b. het verlies aan ecologische waarden en kenmerken gecompenseerd wordt; c. per saldo binnen een redelijke termijn een aantoonbare meerwaarde oplevert in kwaliteit en kwantiteit van het Natuurnetwerk Nederland waardoor een beter functionerend natuurnetwerk ontstaat; d. de samenhang van het Natuurnetwerk Nederland minimaal gelijk blijft; e. het areaal van het Natuurnetwerk Nederland minimaal gelijk blijft; en f. verzekerd is dat de ontwikkelingen en maatregelen die in de gebiedsvisie worden beoogd ook daadwerkelijk in onderlinge samenhang gerealiseerd zullen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting op het omgevingsplan maakt duidelijk wat de samenhangende gebiedsvisie is waarop de saldobenadering bedoeld in eerste lid is gebaseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De compensatie die nodig is op grond van eerste lid wordt gelijktijdig geregeld met het omgevingsplan dat de ontwikkeling mogelijk maakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de onderbouwing van de afwijking bedoeld in het eerste lid wordt een compensatieplan vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders informeren Gedeputeerde Staten dat er een afwijking bedoeld in het eerste lid heeft plaatsgevonden, als de herziening van het omgevingsplan voor de nieuwe ontwikkeling onherroepelijk is geworden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-462\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.62</span><span class=\"lf-art-t\">(afwijking voor kleinschalige ontwikkelingen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van Artikel 4.58 kan een omgevingsplan voorzien in een relatief kleinschalige nieuwe ontwikkeling binnen een gebied dat begrensd is als Natuurnetwerk Nederland als: a. er uit onderzoek blijkt dat een zorgvuldige afweging van alternatieven heeft plaatsgevonden; b. de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied door de nieuwe ontwikkeling in beperkte mate wordt aangetast; en c. er maatregelen worden getroffen waardoor per saldo:1) versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden; of2) een vergroting van het areaal van het Natuurnetwerk Nederland plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders informeren Gedeputeerde Staten dat er een afwijking bedoeld in eerste lid heeft plaatsgevonden, als de herziening van het omgevingsplan voor de nieuwe ontwikkeling onherroepelijk is geworden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-463\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.63</span><span class=\"lf-art-t\">(compensatieplan)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het compensatieplan bedoeld in Artikel 4.60 en Artikel 4.61 blijkt in ieder geval dat: a. nadelige effecten zoveel mogelijk worden voorkomen - en als dat niet kan - zoveel mogelijk worden beperkt door mitigerende maatregelen te treffen; b. per saldo geen verlies plaatsvindt van areaal, kwaliteit en samenhang van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland; c. compensatie tijdig plaatsvindt aansluitend of nabij het gebied waar de nieuwe ontwikkeling plaatsvindt waarbij de potenties van de wezenlijke kenmerken en waarden zoals opgenomen in bijlage X “Wezenlijke kenmerken en Waarden van het NNN” benut worden. Wanneer compensatie aansluitend of nabij het gebied onmogelijk is, vindt tijdige compensatie plaats door realisering van kwalitatief gelijkwaardige waarden door ergens anders waarden te realiseren die ten minste van dezelfde kwaliteit zijn als door de beoogde ontwikkelingen verloren gaat; d. compensatie zo wordt uitgevoerd dat de voorgenomen ontwikkeling het nieuw gerealiseerde natuurbeheertype niet aantast dan wel geen uitstralende effecten heeft in het gebied waarin de compensatie plaatsvindt; e. compensatie mogelijk is of mogelijk wordt gemaakt door het omgevingsplan dat in de nieuwe ontwikkeling voorziet in het geval de compensatie in de eigen gemeente plaatsvindt; f. compensatie mogelijk is of mogelijk wordt gemaakt door het omgevingsplan van een andere gemeente als daar de compensatie is voorzien; g. voldoende compenserende maatregelen en voorzieningen worden getroffen, waarbij een beschrijving wordt opgenomen van:1) aard;2) omvang;3) kwaliteit;4) locatie; en5) tijdvak van uitvoering;van de maatregelen en voorzieningen; h. verzekerd is dat uitvoering en beheer van de compenserende maatregelen en voorzieningen - ook voor de toekomst - financieel geregeld is; i. compensatie feitelijk uitvoerbaar is en daadwerkelijk gerealiseerd zal worden; en j. realisatie van de compenserende maatregelen en voorzieningen goed gemonitord en gerapporteerd zal worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het compensatieplan bedoeld in Artikel 4.60 gaat verder in op: de gebiedsvisie die de basis is voor de saldobenadering die wordt toegepast; en de waarborgen die geboden worden dat de nieuwe ontwikkelingen en maatregelen in onderlinge samenhang worden gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de compensatie bedoeld in Artikel 4.59 en Artikel 4.60 wordt uitgevoerd door private partijen, moet uit het compensatieplan blijken dat gewaarborgd is dat de vereiste compensatie ook daadwerkelijk tijdig gerealiseerd zal worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De waarborgen bedoeld in het derde lid bestaan in ieder geval uit: a. een financiële zekerheidsstelling voor de uitvoering en beheer van compenserende maatregelen en voorzieningen die op grond van het compensatieplan moet plaatsvinden; en b. een uiterste termijn voor het uitvoeren van de compensatie en een effectieve boeteclausule voor het geval de verplichtingen uit het compensatieplan niet tijdig of niet voldoende worden nagekomen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.7.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bos en natuur buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-464\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.64</span><span class=\"lf-art-t\">(werkingsgebied instructieregel bos en natuur buiten het NNN)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op bestaande bos- en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland alsmede op de leefgebieden voor weidevogels.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestaande bos- en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland zijn de gebieden waarvoor het geldende omgevingsplan regels stelt gericht op behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen Overijssel worden gebieden aangewezen als Leefgebied weidevogels met daarbinnen de categorieën open grasland en open akker, die vanwege aanwezige en te ontwikkelen condities zoals openheid, rust en voldoende hoog waterpeil van groot belang zijn als leefgebieden voor weidevogels.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-465\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.65</span><span class=\"lf-art-t\">(handhaven beschermingsregime bos en natuur buiten het NNN)</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>omgevingsplannen die betrekking hebben op bestaande bos- en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland als bedoeld in Artikel 4.57 moeten blijven voorzien in regels voor deze gebieden die gericht zijn op behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden, waarbij in ieder valt het kappen van houtopstanden niet is toegestaan.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsplannen die betrekking hebben op bestaande bos- en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland voorzien niet in nieuwe ontwikkelingen waardoor de aanwezige en te ontwikkelen natuur- en landschapswaarden worden aangetast.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsplannen die betrekking hebben op functies binnen leefgebieden voor weidevogels, voorzien in een specifieke, daarop toegesneden functie die gericht is op instandhouding van de leefgebieden voor weidevogels dat in ieder geval tot uiting komt in behoud van openheid, rust en voldoende hoog waterpeil.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-466\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.66</span><span class=\"lf-art-t\">(afwijking beschermingsregime bos en natuur buiten het NNN)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van Artikel 4.65, tweede lid, kan een omgevingsplan ontwikkelingen toelaten die de aanwezige en te ontwikkelen natuur- en landschapswaarden kunnen aantasten als: a. deze ontwikkelingen noodzakelijk zijn uit een oogpunt van zwaarwegende maatschappelijke belangen; b. er geen reële alternatieven zijn; c. de negatieve effecten van de ontwikkelingen zo beperkt mogelijk worden gehouden; en d. de overblijvende negatieve effecten in voldoende mate worden gecompenseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van Artikel 4.65, tweede lid, kan een omgevingsplan kleinschalige ontwikkelingen toelaten die de aanwezige en te ontwikkelen natuur- en landschapswaarden kunnen aantasten als: a. daardoor de waarde van een bestaand bos of natuurgebied alleen in beperkte mate wordt aangetast; b. er in redelijkheid geen alternatieven voor de ingreep zijn; en c. per saldo sprake is van een versterking van de waarden van het gebied of vergroting van het oppervlakte daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van Artikel 4.65, derde lid, kan een omgevingsplan ontwikkelingen binnen leefgebieden voor weidevogels toelaten indien dat mogelijk is op basis van Artikel 4.7 tot en met Artikel 4.10 als: daardoor de omvang van een leefgebied voor weidevogels niet wordt verkleind; er per saldo sprake is van een versterking van de kwaliteit van het leefgebied voor weidevogels; er is aangetoond dat er in redelijkheid geen alternatieven voor de ingreep mogelijk zijn; overblijvende negatieve effecten op leefgebieden voor weidevogels in voldoende mate worden gecompenseerd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  4.8</h3>\n<p class=\"lf-p\">GRONDWATERBESCHERMINGSGEBIEDEN</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.8.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Grondwaterbeschermingsgebieden algemeen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-467\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.67</span><span class=\"lf-art-t\">(toepassingsbereik grondwaterbeschermingsgebieden)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling geeft instructieregels voor gemeenten over omgevingsplannen waarin ruimtelijke ontwikkelingen en milieubelastende activiteiten op bedrijfslocaties worden toegestaan in grondwaterbeschermingsgebieden die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de kwaliteit van het grondwater dat wordt gebruikt voor de bereiding van water voor menselijke consumptie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder 'milieubelastende activiteiten op bedrijfslocaties' wordt in deze afdeling verstaan: milieubelastende activiteiten die beroepshalve of bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig waren, op een locatie worden verricht, met uitzondering van: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. evenementen, anders dan op een locatie voor evenementen en anders dan festiviteiten als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving of evenementen waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening; en f. een milieubelastende activiteit met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos, die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-468\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.68</span><span class=\"lf-art-t\">(aanwijzing grondwaterbeschermingsgebieden)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als waterwingebieden zijn aangewezen de gebieden rond waterwinlocaties gelegen in een grondwaterlichaam waar de feitelijke winning van drinkwater plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">AlsGrondwaterbeschermingszones zijn aangewezen de gebieden rond waterwingebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als intrekgebieden zijn aangewezen de gebieden rond grondwaterbeschermingszones en de gebieden voor de bescherming van toekomstige drinkwaterwinningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als grondwaterbeschermingszone met stedelijke functie zijn aangewezen de grondwaterbeschermingszones met stedelijk gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als intrekgebieden met stedelijke functies zijn aangewezen de intrekgebieden met stedelijk gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als boringsvrije zones zijn aangewezen de gebieden waarin zich beschermende bodemlagen bevinden tussen het maaiveld en het watervoerend pakket waaruit grondwater wordt onttrokken voor de drinkwaterwinning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-469\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.69</span><span class=\"lf-art-t\">(aangewezen boringsvrije zones)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als boringsvrije zones bedoeld in Artikel 4.68, zesde lid, zijn aangewezen: a. de boringsvrije zone Diepenveen; b. de boringsvrije zone Deventer-Ceintuurbaan en Deventer-Zutphenseweg; c. de boringsvrije zone Engelse werk in Zwolle; d. de boringsvrije zone Kotkamp - Schreurserve in Enschede; e. de boringsvrije zone Salland Diep ; f. de boringsvrije zone Salland Diep Noord.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.8.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Instructieregels grondwaterbescherming</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-470\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.70</span><span class=\"lf-art-t\">(instructieregel functieaanduiding waterwingebieden)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een omgevingsplan dat betrekking heeft op Waterwingebied wordt daarvoor de functieaanduiding 'waterwingebied' opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan laat binnen een Waterwingebied alleen activiteiten toe die in dienst staan van de drinkwaterwinning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-471\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.71</span><span class=\"lf-art-t\">(instructieregel functieaanduiding grondwaterbeschermingszones)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een omgevingsplan dat betrekking heeft op een Grondwaterbeschermingszone wordt daarvoor de functieaanduiding 'grondwaterbeschermingszone' opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan laat binnen een Grondwaterbeschermingszone alleen activiteiten toe die goed samengaan met de betekenis van het grondwater voor de drinkwaterwinning.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de activiteiten, bedoeld in Artikel 3.40, tweede lid, Artikel 3.41, tweede lid, Artikel 3.42, tweede lid, Artikel 3.43, derde lid, als dit in het belang als bedoeld in artikel 3.23 is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-472\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.72</span><span class=\"lf-art-t\">(afwijking instructieregel functieaanduiding grondwaterbeschermingszone)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een Grondwaterbeschermingszone kan nieuwe niet-risicovolle activiteiten toestaan als in de onderbouwing van het omgevingsplan met toepassing van de methodiek gebiedsgerichte grondwaterbescherming verantwoord is dat wordt voldaan aan het stand still-principe.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een Grondwaterbeschermingszone kan nieuwe grote of grootschalige risicovolle activiteiten toestaan als: a. dit noodzakelijk is vanuit een zwaarwegend maatschappelijk belang, waarvoor redelijke alternatieven ontbreken; en b. in de onderbouwing van het omgevingsplan met toepassing van de methodiek gebiedsgerichte grondwaterbescherming verantwoord is dat voldaan wordt aan het stap vooruit-principe.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een Grondwaterbeschermingszone metstedelijke functies kan nieuwe grootschalige risicovolle activiteiten toestaan als in de onderbouwing van het omgevingsplan met toepassing van de methodiek gebiedsgerichte grondwaterbescherming verantwoord is dat wordt voldaan aan het stap vooruit-principe.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-473\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.73</span><span class=\"lf-art-t\">(instructieregel functieaanduiding intrekgebieden)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een omgevingsplan dat betrekking heeft op een intrekgebied wordt daarvoor de functieaanduiding 'intrekgebied' opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan laat binnen een intrekgebied alleen activiteiten toe die goed samengaan met de betekenis van het grondwater voor de drinkwaterwinning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-474\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.74</span><span class=\"lf-art-t\">(afwijking instructieregel functieaanduiding intrekgebieden)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een Intrekgebied kan nieuwe niet-risicovolle activiteiten en grote risicovolle activiteiten toestaan als in de onderbouwing van het omgevingsplan met toepassing van de methodiek gebiedsgerichte grondwaterbescherming verantwoord is dat voldaan wordt aan het stand still-principe.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een intrekgebied kan nieuwe, grootschalige risicovolle activiteiten toestaan als: a. dit noodzakelijk is vanuit een zwaarwegend maatschappelijk belang, waarvoor redelijke alternatieven ontbreken; en b. in de onderbouwing van het omgevingsplan met toepassing van de methodiek gebiedsgerichte grondwaterbescherming verantwoord is dat wordt voldaan aan het stap vooruit-principe.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een Intrekgebied met stedelijke functies kan nieuwe grote en grootschalige risicovolle activiteiten toestaan als in de onderbouwing van het omgevingsplan met toepassing van de methodiek gebiedsgerichte grondwaterbescherming verantwoord is dat wordt voldaan aan het stand still-principe.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.8.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Instructieregels voor waterwingebieden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-475\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.75</span><span class=\"lf-art-t\">(toepassingsbereik instructieregels voor bedrijfslocaties in waterwingebieden)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf geeft de instructieregels voor omgevingsplannen voor milieubelastende activiteiten op bedrijfslocaties in waterwingebieden die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de kwaliteit van het grondwater dat wordt gebruikt voor de bereiding van water voor menselijke consumptie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De instructieregels in deze paragraaf gelden voor: a. op of in de bodem brengen, hebben, gebruiken en vervoeren van schadelijke stoffen; en b. oprichten, hebben en uitvoeren van constructies of werken op of in de bodem, waarin schadelijke stoffen worden opgeslagen, geborgen of vervoerd of waarmee verspreiding van schadelijke stoffen in de bodem of aantasting van de beschermende werking van bodemlagen kan ontstaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-476\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.76</span><span class=\"lf-art-t\">(instructieregels verboden milieubelastende activiteiten op bedrijfslocaties in waterwingebieden)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het omgevingsplan bevat een verbod om binnen een Waterwingebied milieubelastende activiteiten op bedrijfslocaties als bedoeld in Artikel 4.75, tweede lid, te verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het omgevingsplan bevat in ieder geval een verbod om binnen een Waterwingebied op bedrijfslocaties de volgende milieubelastende activiteiten te verrichten: a. een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. op- en overslaan van vloeibare dierlijke mest in mestfoliebassins en mestzakken; c. op- en overslaan van meststoffen, anders dan dierlijke mest; d. opslaan van vaartuigen, voertuigen of motorvoertuigen of onderdelen daarvan; e. lozen op of in de bodem van koelwater, afvalwater en overige vloeistoffen waarin schadelijke stoffen voorkomen, anders dan het lozen van afvloeiend hemelwater afkomstig van wegen, parkeerterreinen en andere terreinen voor gemotoriseerd verkeer; f. toepassen van grond en baggerspecie op of in de bodem of in een oppervlaktewaterlichaam, als de kwaliteit van de grond of baggerspecie de achtergrondwaarden voor de toepassing op of in de bodem of in een oppervlaktewaterlichaam overschrijdt; g. toepassen van grond en baggerspecie van meer dan 5.000 m3; h. verspreiden van baggerspecie uit een watergang, die vrijkomt bij regulier onderhoud, over de aangrenzende percelen met als doel herstel en verbetering van deze percelen als bedoeld in artikel 4.1269, derde lid, onder a van het Besluit activiteiten leefomgeving; en i. aanleggen van bodemenergiesystemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder a wordt niet van toepassing verklaard op milieubelastende activiteiten, als bedoeld in artikel 3.93 van het Besluit activiteiten leefomgeving, van het drinkwaterbedrijf, die noodzakelijk zijn voor de waterwinning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-477\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.77</span><span class=\"lf-art-t\">(instructieregels milieubelastende activiteiten op bedrijfslocaties in waterwingebieden)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een Waterwingebied kan, in afwijking van Artikel 4.76, eerste lid, toestaan om de volgende milieubelastende activiteiten op bedrijfslocaties te verrichten, als de activiteit voldoet aan de voorwaarden die in Bijlage XI (voorwaarden voor toestaan van milieubelastende activiteiten in waterwingebieden en grondwaterbeschermingszones) voor die activiteit zijn gesteld. a. op- en overslaan van vloeibare en vaste schadelijke stoffen en vloeibare en vaste afvalstoffen in verpakking; b. op- en overslaan van vaste schadelijke stoffen en vaste afvalstoffen, anders dan in verpakking; c. op- en overslaan van vloeibare aardolieproducten in ondergrondse tanks; d. op- en overslaan van vloeibare schadelijk stoffen, vloeibare afvalstoffen en diesel (andere vloeibare olieproducten uitgezonderd) in ondergrondse tanks; e. op- en overslaan van vloeibare aardolieproducten, anders dan diesel, in bovengrondse tanks; f. op- en overslaan van vloeibare schadelijke stoffen, vloeibare afvalstoffen en diesel (andere vloeibare olieproducten uitgezonderd) in bovengrondse tanks; g. gebruiken van vloeibare aardolieproducten en andere schadelijke stoffen in het productieproces; h. aanleggen, hebben of gebruiken van leidingen voor transport van schadelijke stoffen, anders dan afvalwater; i. aanleggen, hebben of gebruiken van leidingen voor transport van afvalwater; j. aanleggen, hebben of gebruiken van andere voorzieningen om schadelijke stoffen te vervoeren, te bergen, over te slaan of te storten; k. aanleggen, hebben of gebruiken van wegen, parkeerterreinen en andere terreinen voor gemotoriseerd verkeer, inclusief het lozen van afvloeiend hemelwater afkomstig van wegen, parkeerterreinen of andere terreinen voor gemotoriseerd verkeer; l. toepassen van grond en baggerspecie op of in de bodem of in een oppervlaktewaterlichaam als de kwaliteit van de grond of baggerspecie de achtergrondwaarden niet overschrijdt; en m. uitvoeren van mechanische ingrepen in de bodem, dieper dan twee meter onder het maaiveld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een waterwingebied kan, in afwijking van artikel 4.76, eerste lid, een verbod bevatten om zonder omgevingsvergunning de milieubelastende activiteiten als bedoeld in het eerste lid op bedrijfslocaties te verrichten, als geregeld is dat de activiteit voldoet aan de voorwaarden die in bijlage XI (voorwaarden voor toestaan van milieubelastende activiteiten in waterwingebieden en grondwaterbeschermingszones) voor die activiteit zijn gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het omgevingsplan worden Gedeputeerde Staten aangewezen als adviseur voor de omgevingsvergunning, bedoeld in het tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het omgevingsplan kunnen voor milieubelastende activiteiten als bedoeld in het eerste en tweede lid maatwerkregels worden gesteld voor zover in bijlage XI (voorwaarden voor toestaan van milieubelastende activiteiten in waterwingebieden en grondwaterbeschermingszones) is bepaald dat afgeweken kan worden van de gestelde voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het omgevingsplan bevat bij toepassing van het tweede lid de gegevens en bescheiden die bij de aanvraag om een omgevingsvergunning moeten worden verstrekt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.8.4</h3>\n<p class=\"lf-p\">Instructieregels voor grondwaterbeschermingszones</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-478\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.78</span><span class=\"lf-art-t\">(toepassingsbereik instructieregels voor bedrijfslocaties in grondwaterbeschermingszones)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf bevat de instructieregels voor omgevingsplannen voor milieubelastende activiteiten op bedrijfslocaties in grondwaterbeschermingszones die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de kwaliteit van het grondwater dat wordt gebruikt voor de bereiding van water voor menselijke consumptie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De instructieregels in deze paragraaf gelden voor: a. op of in de bodem brengen, hebben, gebruiken en vervoeren van schadelijke stoffen; en b. oprichten, hebben en uitvoeren van constructies of werken op of in de bodem, waarin schadelijke stoffen worden opgeslagen, geborgen of vervoerd of waarmee verspreiding van schadelijke stoffen in de bodem of aantasting van de beschermende werking van bodemlagen kan ontstaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-479\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.79</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(instructieregels verboden milieubelastende activiteiten op bedrijfslocaties in grondwaterbeschermingszones) 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het omgevingsplan bevat een verbod om binnen een Grondwaterbeschermingszone milieubelastende activiteiten op bedrijfslocaties als bedoeld in Artikel 4.78, tweede lid, te verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het omgevingsplan bevat in ieder geval een verbod om binnen een Grondwaterbeschermingszone de volgende milieubelastende activiteiten op bedrijfslocaties te verrichten: a. het in exploitatie nemen van bedrijven als bedoeld in Bijlage XII (Lijst met verboden bedrijven in grondwaterbeschermingszones); b. lozen op of in de bodem van koelwater, afvalwater en overige vloeistoffen waarin schadelijke stoffen voorkomen, anders dan het lozen van afstromend hemelwater afkomstig van wegen, parkeerterreinen en andere terreinen voor gemotoriseerd verkeer; en c. aanleggen van bodemenergiesystemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt niet van toepassing verklaard op activiteiten van het drinkwaterbedrijf die noodzakelijk zijn voor de waterwinning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-480\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.80</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(instructieregels voor milieubelastende activiteiten op bedrijfslocaties in grondwaterbeschermingszone) 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een Grondwaterbeschermingszone kan, in afwijking van Artikel 4.79, eerste lid, een verbod bevatten om zonder omgevingsvergunning de volgende milieubelastende activiteiten op bedrijfslocaties te verrichten, als geregeld is dat de activiteit voldoet aan de voorwaarden die in Bijlage XI (voorwaarden voor toestaan van milieubelastende activiteiten in waterwingebieden en grondwaterbeschermingszones ) voor die activiteit zijn gesteld: a. op- en overslaan van vloeibare en vaste schadelijke stoffen en vloeibare en vaste afvalstoffen in verpakking; b. op- en overslaan van vaste schadelijke stoffen en vaste afvalstoffen anders dan in verpakking; c. op- en overslaan van vloeibare aardolieproducten, anders dan diesel, in ondergrondse tanks; d. op- en overslaan van vloeibare schadelijke stoffen, vloeibare afvalstoffen en diesel (andere vloeibare aardolieproducten uitgezonderd) in ondergrondse tanks; e. op- en overslaan van vloeibare aardolieproducten, anders dan diesel, in bovengrondse tanks; f. op- en overslaan van vloeibare schadelijke stoffen, vloeibare afvalstoffen en diesel (andere vloeibare aardolieproducten uitgezonderd) in bovengrondse tanks; g. op- en overslaan van vloeibare dierlijke mest; h. op- en overslaan van meststoffen, anders dan dierlijke mest, in mestfoliebassins en mestzakken; i. opslaan van vaartuigen, vliegtuigen of motorvoertuigen of onderdelen daarvan; j. gebruiken van vloeibare aardolieproducten en andere schadelijke stoffen in het productieproces; k. aanleggen, hebben of gebruiken van leidingen voor transport van schadelijke stoffen, anders dan afvalwater; l. aanleggen, hebben of gebruiken van leidingen voor transport van afvalwater; m. aanleggen, hebben of gebruiken van andere voorzieningen om schadelijke stoffen te vervoeren, te bergen, over te slaan of te storten; n. aanleggen, hebben of gebruiken van wegen, parkeerterreinen en andere terreinen voor gemotoriseerd verkeer, inclusief het lozen van afvloeiend hemelwater afkomstig van wegen, parkeerterreinen of andere terreinen voor gemotoriseerd verkeer; o. toepassen van grond en baggerspecie op of in de bodem of in een oppervlaktewaterlichaam; en p. uitvoeren van mechanische ingrepen in de bodem, dieper dan twee meter onder het maaiveld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een grondwaterbeschermingszone kan, in afwijking van artikel 4.79, eerste lid, ene verbod bevatten om zonder omgevingsvergunning de milieubelastende activiteiten als bedoeld in het eerste lid op bedrijfslocaties te verrichten, als geregeld is dat de activiteit voldoet aan de voorwaarden die in bijlage XI (voorwaarden voor toestaan van milieubelastende activiteiten in waterwingebieden en grondwaterbeschermingszones) voor die activiteit zijn gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het omgevingsplan worden Gedeputeerde Staten aangewezen als adviseur voor de omgevingsvergunning, bedoeld in het tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het omgevingsplan kunnen voor milieubelastende activiteiten als bedoeld in het eerste en tweede lid maatwerkregels worden gesteld voor zover in Bijlage XI (voorwaarden voor toestaan van milieubelastende activiteiten in waterwingebieden en grondwaterbeschermingszones) is bepaald dat afgeweken kan worden van de gestelde voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het omgevingsplan bevat bij toepassing van het tweede lid de gegevens en bescheiden die bij de aanvraag om een omgevingsvergunning moeten worden verstrekt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.8.5</h3>\n<p class=\"lf-p\">Instructieregels voor boringsvrije zones</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-481\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.81</span><span class=\"lf-art-t\">(toepassingsbereik instructieregels voor bedrijfslocaties in boringsvrije zones)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf bevat de instructieregels voor omgevingsplannen voor milieubelastende activiteiten op bedrijfslocaties in boringsvrije zones die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de kwaliteit van het grondwater dat wordt gebruikt voor de bereiding van water voor menselijke consumptie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De instructieregels in deze paragraaf gelden voor milieubelastende activiteiten die de beschermende functie kunnen aantasten van de beschermende bodemlaag tussen het maaiveld en het watervoerende pakket waaruit grondwater wordt onttrokken voor de drinkwaterwinning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-482\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.82</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(instructieregels voor milieubelastende activiteiten op bedrijfslocaties in de boringsvrije zones Diepenveen, Deventer-Ceintuurbaan en Deventer-Zutphenseweg) 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op de boringsvrije zones Diepenveen, Deventer-Ceintuurbaan en Deventer-Zutphenseweg bevat een verbod ommilieubelastende activiteiten op bedrijfslocaties te verrichten die de beschermende functie kunnen aantasten van de beschermende bodemlaag tussen het maaiveld en het watervoerend pakket waaruit grondwater wordt onttrokken voor de drinkwaterwinning.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het omgevingsplan bevat in ieder geval een verbod om binnen de boringsvrije zones de volgende milieubelastende activiteiten op bedrijfslocaties te verrichten: a. aanleggen van een bodemenergiesysteem in de bodem dieper dan 50 meter onder het maaiveld; en b. doen van een lozing in de bodem op een diepte van meer dan 50 meter van koelwater, afvalwater of andere vloeistoffen, waarin schadelijke stoffen voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan op bedrijfslocaties binnen de boringsvrije zones Diepenveen, Deventer-Ceintuurbaan en Deventer-Zutphenseweg het uitvoeren van mechanische ingrepen in de bodem dieper dan 50 meter onder het maaiveld toestaan alsdaaraan de volgende eisen worden gesteld: a. tijdens de ingreep vindt geen verontreiniging van de bodem plaats; b. de mate van doorlaatbaarheid van de beschermende bodemlaag is na de ingreep niet groter dan daarvoor; c. er worden die voorzieningen getroffen dat er geen schadelijke stoffen via een boorgat in de bodem kunnen komen, zowel tijdens het gebruik als bij het tijdelijk niet gebruiken van het boorgat; en d. als een pompput of peilbuis buiten gebruik wordt gesteld of de werkzaamheden worden beëindigd, wordt het ontstane boorgat of de ontgraving afdoende afsluitend aangevuld en vindt geen verontreiniging van de bodem plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het derde lid is voldaan als mechanische ingrepen worden uitgevoerd volgens de voorwaarden in Bijlage VI (Aanwijzingen voor uitvoering van mechanische ingrepen in grondwaterbeschermingszones en boringsvrije zones).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-483\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.83</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(instructieregels voor milieubelastende activiteiten op bedrijfslocaties in de boringsvrije zone Engelse werk te Zwolle) 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op de Boringsvrije zone Engelse werk in Zwolle bevat een verbod ommilieubelastende activiteiten op bedrijfslocaties te verrichten die de beschermende functie kunnen aanasten van de beschermende bodemlaag tussen het maaiveld en het watervoerend pakket waaruit grondwater wordt onttrokken voor de drinkwaterwinning.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het omgevingsplan bevat in ieder geval een verbod om binnen de boringsvrije zone Engelse werk in Zwolle de volgende milieubelastende activiteiten op bedrijfslocaties te verrichten: a. aanleggen van een bodemenergiesysteem in de bodem dieper dan 75 meter onder het maaiveld; en b. doen van een lozing in de bodem dieper dan 75 meter van koelwater, afvalwater of andere vloeistoffen, waarin schadelijke stoffen voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan op bedrijfslocaties binnen de Boringsvrije zone Engelse werk in Zwolle het uitvoeren van mechanische ingrepen in de bodem dieper dan 75 meter onder het maaiveld toestaan alsdaaraan de volgende eisen worden gesteld: a. tijdens de ingreep vindt geen verontreiniging van de bodem plaats; b. de mate van doorlaatbaarheid van de beschermende bodemlaag is na de ingreep niet groter dan daarvoor; c. er worden die voorzieningen getroffen dat er geen schadelijke stoffen via een boorgat in de bodem kunnen komen, zowel tijdens het gebruik als bij het tijdelijk niet gebruiken van het boorgat; en d. als een pompput of peilbuis buiten gebruik wordt gesteld of de werkzaamheden worden beëindigd, wordt het ontstane boorgat of de ontgraving afdoende afsluitend aangevuld en vindt geen verontreiniging van de bodem plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het derde lid is voldaan als mechanische ingrepen worden uitgevoerd volgens de voorwaarden in Bijlage VI (Aanwijzingen voor uitvoering van mechanische ingrepen in grondwaterbeschermingszones en boringsvrije zones).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-484\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.84</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(instructieregels voor milieubelastende activiteiten op bedrijfslocaties in de boringsvrije zone Kotkamp/Schreurserve te Enschede) 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op de Boringsvrije zone Kotkamp/Schreurserve in Enschede bevat een verbod ommilieubelastende activiteiten op bedrijfslocaties te verrichten die de beschermende functie kunnen aantasten van de beschermende bodemlaag tussen het maaiveld en het watervoerend pakket waaruit grondwater wordt onttrokken voor de drinkwaterwinning.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het omgevingsplan bevat in ieder geval een verbod om binnen de boringsvrije zone Kotkamp/Schreurserve in Enschede de volgende milieubelastende activiteiten op bedrijfslocaties te verrichten: a. aanleggen van een bodemenergiesysteem in de bodem dieper dan 5 meter onder het maaiveld; en b. doen van een lozing in de bodem dieper dan 5 meter van koelwater, afvalwater of andere vloeistoffen, waarin schadelijke stoffen voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan op bedrijfslocaties binnen de Boringsvrije zone Kotkamp/Schreurserve in Enschede het uitvoeren van mechanische ingrepen in de bodem dieper dan 5 meter onder het maaiveld toestaan alsdaaraan de volgende eisen worden gesteld: a. tijdens de ingreep vindt geen verontreiniging van de bodem plaats; b. de mate van doorlaatbaarheid van de beschermende bodemlaag is na de ingreep niet groter dan daarvoor; c. er worden die voorzieningen getroffen dat er geen schadelijke stoffen via een boorgat in de bodem kunnen komen, zowel tijdens het gebruik als bij het tijdelijk niet gebruiken van het boorgat; en d. als een pompput of peilbuis buiten gebruik wordt gesteld of de werkzaamheden worden beëindigd, wordt het ontstane boorgat of de ontgraving afdoende afsluitend aangevuld en vindt geen verontreiniging van de bodem plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het derde lid is voldaan als mechanische ingrepen worden uitgevoerd volgens de voorwaarden in Bijlage VI (Aanwijzingen voor uitvoering van mechanische ingrepen in grondwaterbeschermingszones en boringsvrije zones).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-485\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.85</span><span class=\"lf-art-t\">(instructieregels verboden activiteiten op bedrijfslocaties in de boringsvrije zone Salland Diep)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft de Boringsvrije zone Salland Diep bevat een verbod ommilieubelastende activiteiten op bedrijfslocaties te verrichten die de beschermende functie kunnen aantasten van de beschermende bodemlaag tussen het maaiveld en het watervoerend pakket waaruit grondwater wordt onttrokken voor de drinkwaterwinning.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het omgevingsplan bevat in ieder geval een verbod om binnen de boringsvrije zone de volgende milieubelastende activiteiten op bedrijfslocaties te verrichten: a. aanleggen van een bodemenergiesysteem in de bodem dieper dan 50 meter onder het maaiveld; en b. doen van een lozing in de bodem dieper dan 50 meter van koelwater, afvalwater of andere vloeistoffen, waarin schadelijke stoffen voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-486\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.86</span><span class=\"lf-art-t\">(instructieregel voor mechanische ingrepen op bedrijfslocaties in de boringsvrije zone Salland Diep)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van Artikel 4.85, eerste lid, kan een omgevingsplan op bedrijfslocaties binnen de boringsvrije zone Salland Diep het uitvoeren van mechanische ingrepen in de bodem dieper dan 50 meter onder het maaiveld toestaan, als daaraan de volgende eisen worden gesteld: a. tijdens de ingreep vindt geen verontreiniging van de bodem plaats; b. de mate van doorlaatbaarheid van de beschermende bodemlaag is na de ingreep niet groter dan daarvoor; c. er worden die voorzieningen getroffen dat er geen schadelijke stoffen via een boorgat in de bodem kunnen komen, zowel tijdens het gebruik als bij het tijdelijk niet gebruiken van het boorgat; en d. als een pompput of peilbuis buiten gebruik wordt gesteld of de werkzaamheden worden beeindigd, wordt het ontstane boorgat of de ontgraving voldoende afsluitend aangevuld en vindt geen verontreiniging van de bodem plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het eerste lid is voldaan, als mechanische ingrepen worden uitgevoerd volgens de voorwaarden in bijlage VI (Aanwijzingen voor uitvoering van mechanische ingrepen in grondwaterbeschermingszones en boringsvrije zones).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-486a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.86a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(instructieregels verboden activiteiten op bedrijfslocaties in de boringsvrije zone Salland Diep Noord) 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op de boringsvrije zone Salland Diep Noord bevat een verbod om milieubelastende activiteiten op bedrijfslocaties te verrichten die de beschermende functie kunnen aantasten van de beschermende bodemlaag tussen het maaiveld en het watervoerend pakket waaruit grondwater wordt onttrokken voor de drinkwaterwinning.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het omgevingsplan bevat in ieder geval een verbod om binnen de boringsvrije zone de volgende milieubelastende activiteiten op bedrijfslocaties te verrichten: a. aanleggen van een bodemenergiesysteem in de bodem dieper dan 50 meter onder het maaiveld; b. doen van een lozing in de bodem dieper dan 50 meter onder het maaiveld van koelwater, afvalwater of andere vloeistoffen, waarin schadelijke stoffen voorkomen; en c. uitvoeren van mechanische ingrepen dieper dan 50 meter onder het maaiveld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-486b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.86b</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(instructieregel voor mechanische ingrepen op bedrijfslocaties in de boringsvrije zone Salland Diep Noord) In afwijking van Artikel 4.86a, eerste lid, en Artikel 4.86a, tweede lid onder c, kan een omgevingsplan op bedrijfslocaties binnen de boringsvrije zone Salland Diep Noord het uitvoeren van mechanische ingrepen van het drinkwaterbedrijf die noodzakelijk zijn voor de waterwinning of de ontwikkeling van een waterwinning toestaan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  4.9</h3>\n<p class=\"lf-p\">WATERGEBIEDSRESERVERINGEN</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-487\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.87</span><span class=\"lf-art-t\">(oogmerk watergebiedsreserveringen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling over watergebiedsreserveringen is gericht op het beperken van negatieve gevolgen van overstromingen en wateroverlast in gebieden die een verhoogd risico lopen om onder water te lopen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-488\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.88</span><span class=\"lf-art-t\">(aanwijzing watergebiedsreserveringen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als primaire watergebieden zijn gebieden aangewezen die door de natuurlijke ligging bij hevige neerslag gemakkelijk onder water lopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als Waterbergingsgebieden zijn gebieden aangewezen die door het aanbrengen van waterhuishoudkundige werken zoals dijken, kades en toevoerwerken geschikt zijn gemaakt voor wateropvang.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als overstromingsrisicogebieden zijn gebieden aangewezen die niet beschermd worden door primaire keringen en daarmee wettelijk buitendijks liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als overstroombaar gebied zijn gebieden aangewezen die normaal niet onder water staan, maar tijdelijk onder water kunnen komen te staan bij overstroming.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als vrijwaringszone essentiële waterlopen zijn stroken langs essentiële waterlopen aangewezen die van belang zijn voor het waterafvoerend en waterbergend vermogen van deze waterlopen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-489\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.89</span><span class=\"lf-art-t\">(instructieregels primaire watergebieden, waterbergingsgebieden en overstromingsrisicogebieden)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsplannen die betrekking hebben op gebieden die zijn aangewezen als primair watergebied, waterbergingsgebied of overstromingsrisicogebied, voorzien alleen in nieuwe ontwikkelingen, als die de rol van dat gebied voor wateropvang niet belemmeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan bedoeld in het eerste lid voorziet alleen in nieuwe kapitaalintensieve functies, als maatregelen zijn getroffen om schadekosten te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kapitaalintensieve functies bedoeld in het tweede lid zijn functies die hoge investeringskosten per vierkante meter met zich meebrengen, zoals woonwijken, bedrijventerreinen en glastuinbouwbedrijven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-490\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.90</span><span class=\"lf-art-t\">(instructieregels overstroombaar gebied)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsplannen die betrekking hebben op gebieden die zijn aangewezen als Overstroombaar gebied voorzien alleen in stedelijke functies binnen dat gebied als door het stellen van voorwaarden is verzekerd dat de veiligheid ook op lange termijn is geborgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het stellen van voorwaarden bedoeld in het eerste lid is meerlaagse veiligheid het uitgangspunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderbouwing van een omgevingsplan bedoeld in het eerste lid bevat een overstromingsrisicoparagraaf die inzicht biedt in: a. de risico's bij overstroming; en b. de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om deze risico's te voorkomen of te beperken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-491\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.91</span><span class=\"lf-art-t\">(instructieregels beperkingengebied essentiële waterlopen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsplannen die betrekking hebben op een gebied dat is aangewezen als vrijwaringszone essentiële waterlopen voorzien alleen in nieuwe ontwikkelingen als: a. de functie van de waterloop voor de waterafvoer daardoor niet beperkt wordt; en b. de toekomstige verruiming van de waterloop voor de afvoer en berging van water daardoor niet onmogelijk gemaakt wordt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  4.10</h3>\n<p class=\"lf-p\">MOBILITEIT</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.10.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Mobiliteit</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-492\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.92</span><span class=\"lf-art-t\">(oogmerk mobiliteit)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf over mobiliteit is gericht op: a. de bundeling van verkeersstromen op de hoofdinfrastructuur waar het belang van een goede en veilige doorstroming voorop wordt gezet; en b. behoud van de kwaliteit van de leefomgeving in de overige gebieden, waaraan het mobiliteitsbelang ondergeschikt geacht wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoofdinfrastructuur bedoeld in het eerste lid bestaat uit de weg-, vaarweg- en spoorwegverbindingen van en naar de stedelijke centra en streekcentra en uit hoofdfietsverbindingen en multimodale knooppunten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-493\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.93</span><span class=\"lf-art-t\">(instructieregel mobiliteit)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan voorziet alleen in nieuwe grootschalige ontwikkelingen die bovenlokale verkeersbewegingen met zich meebrengen of effecten hebben op de verkeersafwikkeling op de hoofdinfrastructuur, als rekening is gehouden met het uitgangspunt dat ontwikkelingen die mobiliteit oproepen, geprojecteerd worden nabij aansluitingen op de hoofdinfrastructuur bedoeld in Artikel 4.92, tweede lid.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.10.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Basisrecreatietoervaartnet</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-494\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.94</span><span class=\"lf-art-t\">(aanwijzing basisrecreatietoervaartnet)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als Basisrecreatietoervaartnet zijn vaarwegen aangewezen die onderdeel uitmaken van de landelijke toeristisch-recreatieve infrastructuur voor de recreatieve toervaart.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-495\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.95</span><span class=\"lf-art-t\">(instructieregel basisrecreatietoervaartnet)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsplannen die ontwikkelingen mogelijk maken in, over of bij een vaarweg die onderdeel uitmaakt van het Basisrecreatietoervaartnet, wordt rekening gehouden met de betekenis van deze vaarweg voor het basisrecreatietoervaartnet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de onderbouwing van het omgevingsplan bedoeld in het eerste lid wordt aangegeven hoe rekening is gehouden met de betekenis van de vaarweg voor het basisrecreatietoervaartnet.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.10.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Fiets- en wandelstructuren</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-496\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.96</span><span class=\"lf-art-t\">(aanwijzing fiets- en wandelstructuren)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als fiets- en wandelstructurenworden de fiets- en wandelpaden aangewezen die onderdeel uitmaken uitmaakt van het bovenlokale netwerk van fietsroutes en wandelroutes.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-497\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.97</span><span class=\"lf-art-t\">(instructieregel fiets- en wandelstructuren)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een omgevingsplan dat nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt op of rond verkeersinfrastructuur dat aangewezen is als fiets- en wandelstructuren wordt rekening gehouden met de betekenis van deze verkeersinfrastructuur in het bovenlokale netwerk van fiets- en wandelroutes.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de onderbouwing van het omgevingsplan bedoeld in het eerste lid wordt aangegeven hoe rekening is gehouden met de betekenis van de verkeersinfrastructuur voor het bovenlokale netwerk van fiets- en wandelroutes.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.10.4</h3>\n<p class=\"lf-p\">Externe veiligheid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-498\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.98</span><span class=\"lf-art-t\">(oogmerk externe veiligheid)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf over externe veiligheid is gericht op: a. het beperken van negatieve effecten op de woon-, werk- en leefomgeving bij calamiteiten bij transport over wegen van gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen; en b. het kunnen blijven functioneren van essentiële functies en gebouwen in het geval van een crisis, ramp of andere calamiteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-499\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.99</span><span class=\"lf-art-t\">(aanwijzing provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als Provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen zijn aangewezen wegen die vrijgegeven en aangewezen zijn voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4100\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.100</span><span class=\"lf-art-t\">(aanwijzing aandachtsgebieden provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als effectgebied incidenten met brand zijn aangewezen de gebieden die binnen de invloedssfeer van het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als effectgebied incidenten met explosie zijn aangewezen de gebieden die binnen de invloedssfeer van het Provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4101\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.101</span><span class=\"lf-art-t\">(aanwijzing essentiële functies en gebouwen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als essentiële functies en gebouwen zijn aangewezen functies en gebouwen die inzetbaar moeten blijven bij een brand, ramp, crisis of andere calamiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot essentiële functies en gebouwen bedoeld in het eerste lid worden in ieder geval gerekend: a. rampencoördinatiecentra; b. ziekenhuizen die aangewezen zijn als traumacentrum; c. energiecentrales; en d. infrastructuur die nodig is voor rampenbestrijding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4102\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.102</span><span class=\"lf-art-t\">(instructieregel provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsplannen die betrekking hebben op gebieden die geheel of gedeeltelijk zijn gelegen binnen het effectgebied incidenten met brand of het effectgebied incidenten met explosie van het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen, houden rekening met de provinciale samenhang en continuïteit van het routenetwerk transport gevaarlijke stoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan bedoeld in het eerste lid voorziet alleen in de aanleg, bouw en vestiging van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en zeer kwetsbare locaties als: a. dit geen beperkingen oplevert voor de functie van de weg voor het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen; b. er voldoende mogelijkheden worden geboden voor het bestrijden en beperken van de omvang van een brand, ramp of crisis als die zich voordoet op de weg; en c. er voldoende mogelijkheden worden geboden om zich in veiligheid te brengen voor personen als zich een brand, ramp of crisis voordoet op de weg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4103\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.103</span><span class=\"lf-art-t\">(groepsrisico binnen effectgebied incidenten met brand en effectgebied incidenten met explosie)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een omgevingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk is gelegen in een effectgebied incidenten met brand of een effectgebied incidenten met explosie van het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen, wordt voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een effectgebied incidenten met brand en een effectgebied incidenten met explosie rekening gehouden met de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar (groepsrisico) als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een transport met gevaarlijke stoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als een omgevingsplan binnen een effectgebied incidenten met brand of een effectgebied incidenten met explosie: a. geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toelaat; of b. waar het omgevingsplan beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toelaat, waarborgt:1) dat maatregelen zijn getroffen ter bescherming van personen in die gebouwen en op die locaties; of2) dat het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in die gebouwen en op die locaties beperkt is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de voorgaande leden worden in de onderbouwing van een omgevingsplan als bedoeld in Artikel 4.102, eerste lid, de redenen vermeld die het rechtvaardigen om in het effectgebied incidenten met brand en het effectgebied incidenten met explosie nieuwe beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen of beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toe te laten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4104\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.104</span><span class=\"lf-art-t\">(advies veiligheidsregio)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de voorbereiding van een omgevingsplan als bedoeld in Artikel 4.102, eerste lid stelt het bevoegd gezag het bestuur van de veiligheidsregio waarbinnen de gemeente is gelegen in de gelegenheid advies uit te brengen over de in Artikel 4.102, tweede lid en voor zover van toepassing Artikel 4.103, eerste en tweede lid genoemde onderwerpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderbouwing van het omgevingsplan als bedoeld in Artikel 4.101, eerste lid bevat een samenvatting van het advies van de veiligheidsregio.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4105\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.105</span><span class=\"lf-art-t\">(instructieregel functioneren essentiële functies en gebouwen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsplannen voorzien alleen in de aanleg, bouw en vestiging van nieuwe essentiële functies en gebouwen binnen het effectgebied incidenten met brand of effectgebied incidenten met explosie van het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen als verzekerd is dat de nieuwe essentiële functie of gebouw naar zijn aard kan blijven functioneren in het geval van een brand, ramp of crisis.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsplannen voorzien alleen in de aanleg, bouw en vestiging van een nieuwe activiteit met een aandachtsgebied zoals genoemd in het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage VII of binnen het effectgebied incidenten met brand of het effectgebied incidenten met explosie van het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen, als verzekerd is dat bestaande essentiële functies en gebouwen in de omgeving naar hun aard kunnen blijven functioneren in het geval van een calamiteit op of bij deze activiteit.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  4.11</h3>\n<p class=\"lf-p\">ENERGIE EN AFVAL</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.11.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Zonnevelden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4106\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.106</span><span class=\"lf-art-t\">(</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">instructieregel zonnevelden) 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsplannen voorzien alleen in de zelfstandige opstelling van zonnepanelen in de Groene Omgeving: op onbebouwde gedeelten van bouwpercelen van (agrarische) bedrijven, voor zover deze gronden niet nodig zijn voor de (agrarische) bedrijfsvoering, tot een maximumoppervlak van 2 ha aan zonnepanelen en mits goed ingepast in het landschap; op gronden in stads- en dorpsranden, tot een maximumoppervlak van 2 ha aan zonnepanelen en mits goed ingepast in het landschap; langs hoofdinfrastructuur, mits de ontwikkeling past in een samenhangend ontwerp voor het gehele tracé en in afstemming met de wegbeheerder; op het water van zandwinplassen, mits dit verenigbaar is met de natuur- en recreatiedoelen van deze plassen; op geluidswallen en boven bestaande verhardingen, zoals parkeerterreinen, mits goed ingepast in het landschap; in de vorm van kleinschalige installaties op erven van woningen, mits goed ingepast in het landschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan een omgevingsplan de zelfstandige opstelling van zonnepanelen toestaan voor zover het gaat om concrete initiatieven waarvoor het bevoegd gezag vóór 13 oktober 2023 met een positief principebesluit schriftelijk verklaard heeft dat medewerking verleend zal worden aan het initiatief en mits verzekerd is dat het project uiterlijk 1 januari 2030 gerealiseerd zal zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zelfstandige opstelling van zonnepanelen als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt uitsluitend toegestaan in de vorm van tijdelijk (mede)gebruik van gronden en als: a. de maatschappelijke meerwaarde is aangetoond; b. het verlies van ecologische of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen in ruimtelijke kwaliteit in de omgeving; en c. de zelfstandige opstelling van zonnepanelen plaatsvindt op gronden binnen het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water, is de compensatie gericht op de versterking van de kwaliteit van natuur, water en landschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat de zelfstandige opstelling van zonnepanelen toestaat in de Groene Omgeving bevat een onderbouwing van de maatschappelijke meerwaarde die ingaat op: a. de mate waarin sprake is van meervoudig ruimtegebruik; b. maatregelen die getroffen worden om de impact op de omgeving te beperken of te compenseren; c. de mate waarin wordt aangesloten op de gebiedskenmerken die van toepassing zijn op de locatie zelf en de omgeving; en d. de bijdrage die geleverd wordt aan maatschappelijke doelen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.11.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Windenergie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4107\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.107</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(aanwijzing uitsluitingsgebieden windenergie, zoekgebieden windenergie en voorkeursgebieden windenergie) 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als uitsluitingsgebied windturbines zijn aangewezen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Nationaal Landschap IJsseldelta en Nationaal Landschap Noordoost-Twente, zoals aangewezen in Artikel 4.53; en het gebied van twee keer de tiphoogte, gemeten vanaf de rand van het bekende schadegebied van het Kanaal Almelo-De Haandrik.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als zoekgebieden windenergie Noordoost-Twente zijn aangewezen gebieden binnen een Nationaal Landschap die kansrijk worden geacht voor het realiseren van de opgave van duurzame energieopwekking met wind.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als voorkeursgebieden windenergie zijn aangewezen gebieden die kansrijk worden geacht voor grootschalige clustering van windturbines.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4108\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.108</span><span class=\"lf-art-t\">(instructieregel uitsluitingsgebied windenergie)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsplannen voorzien niet in de mogelijkheid om windturbines op te richten in gebieden die zijn aangewezen als 'uitsluitingsgebied windturbines'.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid kan binnen de zoekgebieden windenergie Noordoost-Twente ruimte geboden worden voor het realiseren van clusters van minimaal 4 windturbines, als: a. dit noodzakelijk is voor de opgave van duurzame energieopwekking met wind; en mits b. de landschappelijke inpassing conform de aanwezige gebiedskenmerken is verzekerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4108a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.108a</span><span class=\"lf-art-t\">(instructieregel voorkeursgebieden windenergie)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsplannen voorzien niet in nieuwe ontwikkelingen binnen de aangewezen energiepotentiegebieden die liggen in de voorkeursgebieden windenergie, zoals opgenomen in het Provinciaal Programma Energiestrategie (programmeringsafspraken windenergie), die een optimale invulling van het gebied voor grootschalige clustering van windturbines in de weg staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid kunnen nieuwe ontwikkelingen worden toegestaan die van groot openbaar en bovenlokaal belang zijn en mits aannemelijk gemaakt is dat daarvoor geen reële alternatieven zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bescherming vervalt zodra is voldaan aan de doelstelling genoemd in Artikel 4.108c, eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4108b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.108b</span><span class=\"lf-art-t\">(instructieregel clustering windturbines)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsplannen voorzien op gronden buiten de voorkeursgebieden windenergie alleen in de mogelijkheid om nieuwe windturbines op te richten als deze windturbines deel uitmaken van een cluster van minimaal 4 windturbines.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid kan op gronden die deel uitmaken van een bedrijventerreinen of daar direct aan grenzen ruimte worden geboden voor het realiseren van 1 of meer windturbines.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4108c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.108c</span><span class=\"lf-art-t\">(programmeringsafspraken windenergie)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsplannen voorzien niet in het oprichten van windturbiness voor zover dit ertoe leidt dat er in Overijssel jaarlijks in totaal meer dan 2,3 TWh aan windenergie opgewekt wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsplannen staan alleen toe dat nieuwe windturbines worden opgericht als dit past binnen de geldende programmeringsafspraken windenergie, zoals deze zijn gemaakt en vastgelegd in bestuurlijke afspraken tussen provincie en gemeenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de realisatie van een nieuwe windturbine niet past binnen geldende programmeringsafspraken windenergie, kan de windturbine alleen worden opgericht als daarvoor vooraf instemming is verkregen van Gedeputeerde Staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p></div>", "next": 239801}