{"html": "<div class=\"lf-doc\"><h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:13</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Weigering en herplantplicht1. De vergunning kan worden geweigerd op grond van:a. de natuurwaarde van de houtopstand;b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand;g. de dendrologische waarde van de houtopstand.2. Het college kan de vergunninghouder een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.3. Indien niet ter plaatse of elders kan worden voldaan aan de in het tweede lid bedoelde herplantplicht dient de vergunninghouder een door het college vast te stellen financiële bijdrage te storten in het gemeentelijke herplantfonds. Artikel 4:14GereserveerdArtikel 4:15 Waardevolle bomenlijst1 Het college beheert en actualiseert de bomenlijst. 2. De eigenaar of zakelijk gerechtigde van een houtopstand die op de bomenlijst staat is verplicht schriftelijk aan het college melding te doen van:a. het geheel of gedeeltelijk teniet gaan van de houtopstand anders dan door velling op grond van een kapvergunning. De melding dient te geschieden binnen vier weken na het geheel of gedeeltelijk teniet gaan.b. de dreiging dat de houtopstand geheel of gedeeltelijk teniet kan gaan als gevolg van voorgenomen werkzaamheden van welke aard dan ook. De melding dient te geschieden onmiddellijk indien sprake is van dreiging dat de houtopstand geheel of gedeeltelijk teniet kan gaan.3. Indien werkzaamheden gepland staan binnen de kroonprojectie van een houtopstand die op de bomenlijst voorkomt dient ten minste acht weken voor het begin van de beoogde werkzaamheden een aanvraag om een kapvergunning te worden ingediend overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:12, eerste lid. Artikel 4:16 Bestrijding iepziekte1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn:a. indien de iepen in de grond staan, deze te vellen, bij voorkeur door een erkend boomverzorgingsbedrijf;b. de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen, bij voorkeur door een erkend boomverzorgingsbedrijf;c. de niet-ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen door een erkend gecertificeerd recyclingbedrijf of zodanig te laten behandelen door een erkend gecertificeerd recyclingbedrijf dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met uitzondering van geheel ontschorst iepenhout en iepenhout met een doorsnede kleiner dan vier centimeter voorhanden of in voorraad te hebben, te houden of te vervoeren.3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid bedoeld verbod. Artikel 4:16a Verbod bevestigen voorwerpen in of aan bomen 1. Het is verboden om voorwerpen aan te brengen of te houden in of aan een houtopstand, die staat in een openbare plaats.2. Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid. 3. Het college stelt een formulier vast voor het aanvragen van de in het tweede lid bedoelde ontheffing.Artikel 4:17 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op een door het college aangewezen plaats buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht en buiten de weg gelegen in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:19 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel;d. mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben.3. Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid nadere regels stellen.4. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet ruimtelijke ordening of de Landschapsverordening Zeeland 2001. Artikel 4:18 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. Artikel 4:18a Vergunningsplicht handelsreclame1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is.2. Het verbod geldt niet voor onverlichte:a. opschriften, aankondigingen en afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de weg;b. opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken, daartoe aangewezen door de overheid;c. opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m² en de langste zijde korter dan één meter die betrekking hebben op:I. een openbare verkoping of een aanbieding ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;II. het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd;d. opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; e. opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod geldt niet voor opschriften of aankondigingen van kennelijk tijdelijke aard, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, mits:a. van het aanbrengen ervan tevoren schriftelijk is gemeld bij het college;b. het college niet binnen twee weken na ontvangst van die melding van enig bezwaar heeft doen blijken;c. deze opschriften of aankondigingen niet langer dan negen weken op de onroerende zaak aanwezig zijn.4. Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor bouwwerken en niet op of aan wegen voor zover de Landschapsverordening Zeeland 2001 van toepassing is.5. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:a. indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;b. in het belang van de verkeersveiligheid;c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak. Afdeling 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamperen buiten kampeerterreinen Artikel 4:19 BegripsbepalingIn deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Artikel 4:20 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd.2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van:a. de bescherming van natuur en landschap;b. de bescherming van een stadsgezicht.5. Op de ontheffing is is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 4:21 Aanwijzing kampeerplaatsen1. Het verbod van artikel 4:20, eerste lid is niet van toepassing op de door het college aangewezen plaatsen.2. Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van de gronden, genoemd in artikel 4:20, vierde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk5.ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">BegripsbepalingenIn deze afdeling wordt verstaan onder: a. voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens, met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; b. parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens. Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.3 Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.4. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen1. Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.2. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 5:4 Defecte voertuigenHet is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Artikel 5:5 Voertuigwrakken1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:a. langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen binnen de bebouwde kom op de weg te plaatsen of te hebben;b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod.3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Landschapsverordening Zeeland 2001.4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.4. Het verbod in het tweede lid is voorts niet van toepassing op campers, kampeerauto’s,,caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.5. Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. Artikel 5:10 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen1. Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.2. Dit verbod is niet van toepassing:a. op de weg;b. op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid;c. op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.3. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 5:11 Overlast van fiets of bromfiets1. Het is verboden fietsen of bromfietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in verwaarloosde toestand verkeren, op de weg te laten staan.2. Het is verboden op door het college in het belang van het beheer van de openbare ruimte aangewezen plaatsen, fietsen of bromfietsen langer dan een door het college te bepalen periode onafgebroken te laten staan.Afdeling 2. Collecteren Artikel 5:12 Inzameling van geld of goederen1. Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.3. Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt.4. Het college kan onder door hem te stellen voorschriften vrijstelling verlenen van het verbod voor inzamelingen die gehouden worden door daarbij aangewezen instellingen.5. Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor instellingen die zijn ingeroosterd op het landelijke collecterooster van het Centraal Bureau Fondsenverwerving.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan inzake het in het eerste lid gestelde verbod nadere regels stellen.7. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.Afdeling 3. Venten Artikel 5:13 Begripsbepaling1. In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis;2. Onder venten wordt niet verstaan:a. het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;b. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet;het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:16. Artikel 5:14 Ventverbod1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid,de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.2. Het is verboden te venten op zondagen en maandag t/m zaterdag tussen 18.00 en 08.00 uur.3. Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet. Artikel 5:15 Vrijheid van meningsuiting1. Het verbod als bedoeld in artikel 5:14, eerste lid geldt niet voor venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.2. Het college kan de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in het eerste lid beperken door een verbod in te stellen:a. op door het college aangewezen openbare plaatsen, ofb. voor bepaalde dagen en uren.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het tweede lid.4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Afdeling 4. Standplaatsen Artikel 5:16 Begripsbepaling1. In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.2. Onder standplaats wordt niet verstaan:a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;b. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:16. Artikel 5:17 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan.3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd:a. indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand;b. indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen niet van toepassing. Artikel 5:18 Toestemming rechthebbendeHet is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen. Artikel 5:19 Afbakeningsbepalingen1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod van artikel 5:18, eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Wegenverordening Zeeland 2010.2. De weigeringsgrond van artikel 5:17, derde lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken. Afdeling 5. Openbaar water Artikel 5:20 Voorwerpen op, in of boven openbaar water1. Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college.3. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Scheepvaartreglement Westerschelde, de Telecommunicatiewet of de Telecommunicatieverordening gemeente Vlissingen 2008. Artikel 5:21 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.2. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water:a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente;b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Vaarwegenverordening Kanaal door Walcheren of de Landschapsverordening Zeeland 2001. Artikel 5:22 Aanwijzingen ligplaats1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5:21 bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.2. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.3. Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterverordening Zeeland of de Landschapsverordening Zeeland 2001. Artikel 5:23 Verbod innemen ligplaatsHet is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens artikel 5:22, tweede lid bepaalde. Artikel 5:24 Beschadigen van waterstaatswerken1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Waterverordening Zeeland.Artikel 5:25 ReddingsmiddelenHet is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken. Artikel 5:26 Veiligheid op het water1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Waterverordening Zeeland. Artikel 5:27 Overlast aan vaartuigen1. Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken. Artikel 5:28 Op afstand bestuurbare voorwerpen in openbare wateren 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in openbare wateren een radiografisch of anders­zins op afstand bestuurbaar voorwerp van welke aard ook aanwezig te hebben.2. Het college kan openbare wateren aanwijzen waar het in het eerste lid gestelde verbod niet geldt.3. Het college kan van het in het eerste lid ge­stelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 5:29 Verbod op strand bevinden met voertuig enz.1. Het is verboden zich op het strand te begeven of te bevinden met een voertuig.2. Het is verboden zich op het strand te begeven of te bevinden met een rij- of trekdier van 15 april tot en met 15 september.3. Het college kan van het in het eerste en tweede lid om­schre­ven verbod ontheffing verlenen. Artikel 5:30 Op afstand bestuurbare voorwerpen op of boven het strand1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op of boven het strand een radiografisch of anderszins op afstand bestuurbaar voorwerp van welke aard ook aanwezig te hebben.2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 5:31 Verbod luchtbedden enz.Het is verboden bij aflandige wind zich met een luchtbed, een zwemband of dergelijke tot drijven geschikte voorwer­pen in zee te begeven of te bevinden.Artikel 5:32 Verbod surfen, kite-surfen en kiten1. Het is verboden zich op de door het college ter voorko­ming van gevaar voor baders of zwemmers aangewezen gedeelten van de zee te bevinden met een voor de plankzeil­sport bestemd vaartuig. 2. Het is het gehele jaar verboden te kite-surfen en te kiten bij of op de stranden behorende tot het grondgebied van de gemeente Vlissingen.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het tweede lid.4. Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Scheepvaartreglement Westerschelde 1990. Artikel 5:33 Verbod gevaarlijk varen langs het strand enz.1. Het is verboden in het onmiddellijk langs het strand gelegen gedeelte van de zee op zodanige wijze te varen of zich door een vaartuig te laten voorttrekken dat hierdoor gevaar of hinder voor baders of zwemmers kan ontstaan.2. Het is verboden te varen of zich door een vaartuig te laten voorttrekken in door het college aangewezen gebieden.3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor hulpdiensten tijdens de voorbereiding op en uitoefening van hun taken.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Scheepvaartreglement Westerschelde 1990.Artikel 5:34 Verbod gevaarlijk vliegeren op / aan het strand1. Het is verboden op of aan het strand in de periode van 15 april tot en met 15 september van 09.00 uur tot 19.00 uur een vlieger zodanig te bezigen dat hierdoor gevaar voor zich op of aan het strand bevindende personen kan ontstaan. 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder vlieger ver­staan een als speelgoed of als sportartikel gebruikt voorwerp, bestaande uit een houten, kunststof- of andere constructie, bespannen met papier, kunst­stof of doek, welke aan één of meer­dere touwen of draden in de lucht opgelaten kan worden. Artikel 5:35 Duikverbod1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan strandvakken aanwijzen waarvan en zeevakken waarin het verboden is te duiken.2. Onder duiken, als bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan het onder water blijven met gebruikmaking van hulpmiddelen, zoals een persluchtfles, trimvest en loodgordel.3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor hulpdiensten en de Koninklijke marine tijdens de voorbereiding op en uitoefening van hun taken.4. Het college kan van het in het eerste lid gesteld verbod ontheffing verlenen. Artikel 5:35a Verbod staand want vissen1. Het is verboden op de stranden behorende tot het grondgebied van de gemeente Vlissingen gebruik te maken voor de recreatieve visserij van vistuig van het type staand want, indien degene die voornemens is deze activiteit te verrichten niet ten minste vier weken van tevoren een melding heeft gedaan aan het college.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op de stranden behorende tot het grondgebied van de gemeente Vlissingen gebruik te maken voor de recreatieve visserij van vistuig van het type staand want:a. op het Nollestrand;b. In de periode van 15 april tot en met 15 september van 09.00 uur tot 19.00 uur op de stranden behorende bij het grondgebied van de gemeente Vlissingen;c. indien het gebruik van het vistuig van het type staand want hinder of overlast veroorzaakt;d. indien het vistuig van het type staand want langer dan één etmaal wordt geplaatst. 3. Onverminderd het gestelde in het eerste lid kan het college de melding verbieden, indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de stranden en de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de stranden en de weg en veilig gebruik daarvan.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter bescherming van het gestelde in het derde lid wordt in ieder geval een maximum gesteld aan het aantal meldingen van: 15.5. Het college stelt een formulier vast voor het doen van een melding. Indien niet aan de voorschriften zoals vermeldt in het meldingsformulier wordt voldaan komt de melding te vervallen en geldt het verbosd zoals vermeldt in het eerste lid.6. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. Afdeling 6. Crossterreinen, gemotoriseerd verkeer, ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel 5:36 Crossterreinen1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;b. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;c. in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt dat onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren. Artikel 5:37 Beperking verkeer in natuurgebieden1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard.2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen.Het college kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen:a. in het belang van het voorkomen van overlast;b. in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden;c. in het belang van de veiligheid van het publiek.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden:a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten;b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet:a. op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;b. binnen de bij of krachtens de provinciale verordening 'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'.5. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Afdeling 7. Verbod vuur te stoken Artikel 5:38 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.2. Het verbod geldt niet voor zover het betreft:a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand;c. vuur voor koken, bakken en braden, voor zover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert.3. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.5. Het verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale Milieuverordening Zeeland. Afdeling 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verstrooiing van as Artikel 5:39 BegripsbepalingIn deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein. Artikel 5:40 Verboden plaatsen1. Incidentele asverstrooiing is verboden op:a. verharde delen van de weg;b. gemeentelijke begraafplaatsen enc. boven de hoogwaterlijn op het strand.2. Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 5:41 Hinder of overlastIncidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk6. STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Strafbepaling1. Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie: 2:1; 2:2; 2:5; 2:8; 2:11; 2:12; 2:16; 2:17; 2:18; 2:24; 2:25; 2:27; 2:29; 2:30; 2:33; 2:34; 2:42; 2:44; 2:63; 2:64; 2:65; 2:70; 2:74; 2:76; 2:81; 2:82; 2:83; 2:85; 2:88; 2:91; 3.4; 3:6; 3:8; 3:9; 3:10; 3:11; 4:4; 4:7; 4:7a; 5:2; 5:3; 5:12; 5:14; 5:17; 5:18; 5:35; 5:35a2. Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie: 2:4; 2:7; 2:9; 2:10; 2:13; 2:14; 2:15a; 2:45; 2:46; 2:47; 2:48; 2:49; 2:50; 2:51; 2:52; 2:53; 2:54; 2:55; 2:56; 2:57; 2:58; 2:59; 2:60; 2:61; 2:72; 4:8; 4:9; 4:12; 4:16; 4:16a; 4:17; 4:18; 4:18a; 4:20; 5:4; 5:5; 5:6; 5:7; 5:8; 5:9; 5:10; 5:20; 5.21; 5:23; 5:24; 5:25; 5:26; 5:27; 5:28; 5:29; 5:30; 5:31; 5:32; 5:33; 5:34; 5:35a, 5:36; 5:37; 5:38; 5:40 en 5:41</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Toezichthouders1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast:a. de ambtenaren bouw- en woningtoezicht;b.de inspecteurs handhaving milieu;c. de toezichthouder gebruik openbare ruimte en sportaccommodaties;d. de evenementencoördinator;e. de technisch beleidsmedewerker milieu;f. de coördinator beheer badstrand;g. de havenmeester;h. de buitengewoon opsporingsambtenaren van het handhavingsteam;i. artsen en SOA-verpleegkundigen voor zover het toezicht betreft op (volks)gezondheid en hygiëne als bedoeld in hoofdstuk 3.2. Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.Artikel 6:3 Binnentreden woningenZij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe verordening en intrekking oude verordening1 De Algemene plaatselijke verordening Vlissingen 2009 wordt ingetrokken.2. Deze verordening treedt in werking op 1 oktober 2013. Artikel 6:5 OvergangsbepalingBesluiten, genomen krachtens de Algemene plaatselijke verordening Vlissingen 2009, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.Artikel 6:6 CiteertitelDeze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening Vlissingen 2013.Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van Vlissingen op 5 september 2013. TOELICHTING OP DE ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING VOOR VLISSINGEN 2013Lijst van gebruikte afkortingen in de APVAA = Ars AequiAB = Administratiefrechtelijke BeslissingenAdr = Aanwijzingen voor de decentrale regelgevingABRS = Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van StateARRS = Afdeling rechtspraak van de Raad van StateAfd. = AfdelingAwb = Algemene wet bestuursrechtAwbi = Algemene wet op het binnentredenBABW = Besluit algemene bepalingen inzake het wegverkeerBR = BouwrechtBW = Burgerlijk WetboekCBB = College van Beroep voor het bedrijfslevenCRvB = Centrale Raad van BeroepDHW = Drank- en HorecawetGst. = GemeentestemHR = Hoge RaadIvb = Inrichtingen- en vergunningenbesluit WmJB = Jurisprudentie bestuursrechtJG = Jurisprudentie voor GemeentenKB = Koninklijk BesluitKG = Kort GedingLbr. = Ledenbrief van de VNGLJN-nr. = nummer Landelijk jurisprudentie netwerk, www.rechtspraak.nlm.nt. = met nootMenR = Tijdschrift voor Milieu en RechtModel-APV = Model Algemene plaatselijke verordening van de VNGNJ = Nederlandse JurisprudentieOB = Openbaar BestuurPG = Parlementaire GeschiedenisPres. = PresidentRb. = Rechtbank (sector bestuursrecht)Rdbs. = RaadsbesluitRVV 1990 = Reglement verkeersregels en verkeerstekensStb. = StaatsbladVNG = Vereniging van Nederlandse GemeentenVR = VerkeersrechtVz. = VoorzitterW. = Weekblad voor het rechtWm = Wet milieubeheerwnd. = Waarnemend (voorzitter)Wok = Wet op de kansspelenWOM = Wet openbare manifestatiesWvSr = Wetboek van StrafrechtWvSv = Wetboek van StrafvorderingWVW 1994 = Wegenverkeerswet 1994</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk1.ALGEMENE BEPALINGEN Algemene toelichting Hoofdstuk 1.Hoofdstuk 1 van de APV bevat een aantal procedurevoorschriften en een aantal algemenebepalingen. Het aantal procedurevoorschriften is beperkt. De reden hiervoor is dat de Algemene wet bestuursrecht algemene regels geeft betreffende de aanvraag, de behandeling en de verlening van een vergunning of ontheffing. In deze toelichting wordt summier ingegaan op de regeling in de Algemene wet bestuursrecht en op de mogelijkheden voor aanvulling of afwijking in de APV. Daarnaast worden de algemene bepalingen van hoofdstuk 1 toegelicht. Algemene wet bestuursrechtDe Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat onder meer bepalingen, waarin algemene regels zijn geformuleerd omtrent de totstandkoming, vorm en inhoud van bestuurlijke beslissingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Awb regelt bijvoorbeeld hoe het bevoegde bestuursorgaan besluiten omtrent vergunningen of ontheffingen (beschikkingen) moet nemen en welke eisen aan deze beschikkingen moeten worden gesteld. De bepalingen in de Awb hebben deels een dwingend karakter, zodat een regeling in de APV in dat geval niet meer nodig is. Soms geeft de Awb de mogelijkheid om af te wijken van de Awbregels of om deze regels nader aan te vullen. In de toelichting bij deze APV wordt telkens vermeld, wanneer en waarom van deze mogelijkheid gebruik is gemaakt.Artikel 1:1 BegripsomschrijvingenIn dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn in de desbetreffende afdeling definities opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over de in artikel 1:1 opgenomen definities kan het volgende worden opgemerkt. a. een openbare plaats: Hiervoor is aangehaakt bij de Wet openbare manifestaties (Wom).</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1, eerste lid, WOM bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek. Deze definitie kent dus twee criteria. Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de memorie van toelichting zeggen “dat in beginsel eenieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats \"open staat\" betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de plaats”. Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen “openbare plaatsen”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip “openbare plaats”. Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op bestemming of vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door de gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”, aldus de memorie van toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 16). Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, WOM zijn: openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de definitie van het begrip “openbare plaats” ook een aantal “besloten plaatsen” als bedoeld in artikel 6, tweede lid, Grondwet kan omvatten, is in artikel 1, tweede lid, WOM expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 11-13, en nr. 6). b. weg: In de wetgeving bestaan verschillende definities van het begrip “weg”: de “(Openbare) weg” in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de wetgever heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte. Een van de grondbeginselen van de Wegenwet is dat het verkeer op wegen die openbaar zijn in de zin van deze wet, het onbetwistbaar recht van vrij gebruik heeft (behoudens bepaalde beperkingen; zie hierna);de “weg” in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van de weg in te grijpen. op of aan de weg: Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden) gedragingen “op of aan de weg”.</p>\n<p class=\"lf-p\">De term “aan de weg” duidt begripsmatig op een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen. Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt of afspeelt. Ook treinstations vallen buiten het bereik van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 27 van de Spoorwegwet en de daarop gebaseerde Algemeen Reglement Vervoer regelen het bevoegd gezag inzake veiligheid, orde en rust op en om stations. c. openbaar water: Een “openbaar water” in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ieder water, dat open staat voor het publiek. “Openbaar” is hier dus synoniem aan “feitelijk voor het publiek toegankelijk”. d. bebouwde kom: De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is (of kan) beperkt (zijn) tot de bebouwde kom. Voor het begrip “bebouwde kom” kan aangesloten worden bij de aanwijzing van gedeputeerde staten van Zeeland van de bebouwde kom krachtens artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet. Nadeel is dat een dergelijke aanwijzing niet altijd actueel is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is daarom praktischer de bebouwde kom aan te geven op een kaart die bij de verordening is gevoegd. Deze kaart maakt deel uit van de verordening en moet dus mee gepubliceerd worden. Een alternatief is om als de definitie te hanteren: het gebied binnen de grenzen van de bebouwde kom die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994. e. rechthebbende: Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht. f. bouwwerk: Deze omschrijving verwijst naar artikel 1 van de Bouwverordening gemeente Vlissingen: “elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren”. g. gebouw: Deze omschrijving verwijst naar artikel 1, onder c, van de Woningwet: “elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt”. h. handelsreclame: In het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de vrijheid van meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden buiten de werking van dit artikel geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is vooral van belang in verband met het bepaalde in het eerste lid van artikel 7, dat zich volgens vaste jurisprudentie verzet tegen een vergunningsstelsel voor de verspreiding van gedrukte stukken e.d. Aan een vergunningsstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel niet in de weg. Onder het begrip “reclame” dient te worden verstaan: iedere vorm van openbare aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken tot “handelsreclame” heeft de in het vierde lid geformuleerde uitzondering slechts betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zin des woords en omvat zij elk aanbod van goederen en diensten, maar is zij niet van toepassing op reclame voor ideële doeleinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent niet dat handelsreclame helemaal niet beschermd wordt. Voorschriften voor handelsreclame zullen de toets aan artikel 10 EVRM en artikel 19 IV moeten kunnen doorstaan. Deze verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een vergunningsstelsel. j. bevoegd gezag In dit artikel is met de term “bevoegd gezag” aangehaakt bij de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Die is van toepassing op de vergunning voor aanleg, beschadigen en veranderen van een weg (artikel 2:6) en het vellen van houtopstanden (artikel 4:11). De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder d. van de Wabo, en de vergunning voor het vellen van houtopstanden in artikel 2.2, eerste lid onder g.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Wabo kan ook van toepassing zijn op het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, namelijk als het gaat om het opslaan van roerende zaken (artikel 2:5). De ontheffing voor het opslaan van roerende zaken is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder j en k van de Wabo. De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot toestemmingsverlening niet bij het College van burgemeester en wethouders, maar bij het College van gedeputeerde staten en in enkele gevallen bij een Minister.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving. Daarnaast komt in de APV op verschillende plaatsen de term “bevoegd bestuursorgaan” voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het college van burgemeester en wethouders, ofwel de burgemeester. De Wabo brengt hierin geen verandering. JurisprudentieWeg: Strandovergang is openbare weg in de zin van artikel 4, eerste lid, onder II, Wegenwet. ABRS 16-03-1999, Gst. 1999, 7100, 3 m.nt. HH. Nu in dit geval onvoldoende vaststaat dat de strook grond een weg in de zin van artikel 1 APV was, staat evenmin vast dat het verbod van artikel 9.1 APV is overtreden. ABRS 29-08-2001, LJN-nr.</p>\n<p class=\"lf-p\">AD3795.Weg: Door particulier niet overeenkomstig publieke functie en zonder vergunning gebruikt deel van gemeentegrond (groenstrook) is aan te merken als weg in de zin van artikel 1.1, aanhef en sub a de APV (Alkmaar), nu gemeente publieke toegankelijkheid van groenstrook heeft beoogd en deze ook feitelijk heeft gerealiseerd. Niet is gebleken van concreet zicht op legalisatie. Beroep op gelijkheidsbeginsel verworpen. ABRS 30-07-2008, LJN-nr. BD8901.Weg: betekenis van het begrip ‘weg’ in de zin van de Wegenwet. Het doel van de Wegenwet is het treffen van een regeling ten behoeve van het openbaar verkeer. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wegenwet (Kamerstukken II 1929/30, nr. 99a, p. 1) werd een afzonderlijke bepaling, waarbij tot uitdrukking komt wat tot de wegen geacht wordt te behoren, niet nodig en niet gewenst geacht omdat voornamelijk door de praktijk zelf wordt aangegeven wat tot de weg gerekend moet worden te behoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Wegenwet heeft naar het oordeel van de Afdeling betrekking op verkeersbanen die een functie vervullen ten behoeve van het afwikkelen van het openbar verkeer en die derhalve maar hun aard of functie een grote, onbepaalde publieksgroep dienen. ABRS 05-03-2008, AB 2009, 250, LJN-nr. BC6035Handelsreclame: Onder een “commercieel belang te dienen” moet mede worden begrepen: dienstig te zijn tot koop en verkoop. HR 11-05-1982, NJ 1983, 68.Openbaar water: De jachthaven is openbaar water, ook al is voor het innemen van een ligplaats een vergunning van de eigenaar nodig. De boot is een woonboot, ook al heeft die de uiterlijke kenmerken van een pleziervaartuig (ABRS 17 december 2009 LJN BK7441, JG10.0014).</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitspraak maakt duidelijk hoe het begrip ‘openbaar water’ moet worden uitgelegd: het water moet voor het publiek toegankelijk zijn. Het is hierbij niet relevant of de gemeente eigenaar is van het water of een andere partij of dat er een bordje met de tekst ‘verboden toegang voor onbevoegden’’ is geplaatst. Slechts wanneer de toegankelijkheid feitelijk wordt beperkt, bijv. door een balk of een ketting die vlak boven het water is aangebracht, is er geen sprake van openbaar water. Bebouwde kom: Vaststelling grens bebouwde kom is een besluit inhoudende een beleidsregel. Een besluit gericht op rechtsgevolg, maar niet vatbaar voor bezwaar en beroep. Dit geldt ook voor de weigering op de vaststelling terug te komen. (Rb Groningen; zaaknummer: AWB 09/716; datum uitspraak: 15-02-2010 LJN: BL4224). Lex Silencio Positivo (LSP)De opzet is gewijzigd voor wat betreft de regeling van de LSP (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen). De LSP houdt kort gezegd in dat wanneer het college niet binnen de wettelijke termijn op een aanvraag beslist, de vergunning of ontheffing van rechtswege (automatisch) wordt verleend. de LSP is geregeld in paragraaf 4.1.3.3. (artikel 4:20 at/m f van de Algemene wet bestuursrecht).</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4:20a van de Algemene wet bestuursrecht stelt dat paragraaf 4.1.3.3. van toepassing is, indien dit bij verordening is bepaald. Met andere woorden, in de Apv kan per vergunning of ontheffing worden bepaald of de LSP wel of niet van toepassing wordt verklaard.Voor vergunningen en ontheffingen die vallen onder de reikwijdte van de Europese dienstenrichtlijn is deze afweging reeds bij het opstellen van de Apv in 2009 gemaakt. Alleen het lid waarin de LSP al dan niet van toepassing is verklaard staat omwille van de duidelijkheid niet langer in de artikelen 1:9 en 1:10, maar in het artikel zelf. Nieuw bij de huidige wijziging is dat bij alle vergunningen en ontheffingen een keuze is gemaakt over het al dan niet toepassen van de LSP, ook daar waar het niet vanwege de toepasselijkheid van de Europese Dienstenrichtlijn verplicht is.Bij de vrijwillige toepassing van de LSP is vrijwel altijd sprake van een afweging tussen twee aspecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Enerzijds is er niet voor niets een verbod in de Apv opgenomen, waarvan in een gemotiveerde beslissing kan worden afgeweken. Anderzijds dient het college tijdig te beslissen en is het geen onlogische gedachte dat de burger niet langer hoeft te wachten als dit niet gebeurt. Dit zeker als de ernst van de gevolgen niet bijzonder groot zijn. In het bijgevoegde wijzigingsoverzicht is per artikel aangegeven op welke wijze de belangenafweging tot stand is gekomen.Een vergunning of ontheffing die automatisch is verstekt op grond van de LSP levert niet per definitie een regelvrije vergunning of ontheffing op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4:20f van de Algemene wet bestuursrecht maakt het mogelijk dat het college, nadat een vergunning van rechtswege is verleend, alsnog voorwaarden stelt aan de vergunning of de vergunning van rechtswege intrekt. Het college zal in die gevallen wel de eventuele schade die de betrokkene lijdt moeten vergoeden.Artikel 1:2 BeslistermijnHet uitgangspunt van artikel 4:13 van de Awb is dat in het wettelijk voorschrift de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Zo kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is. In de APV is de beslistermijn vastgesteld op acht weken (eerste lid). Dit is gelijk aan de maximumtermijn die in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb, wordt gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdig beslissen is een rechtsplicht voor elk bestuursorgaan. Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de beslistermijn biedt dan uitkomst. Ook deze termijn is op acht weken gesteld (tweede lid). Uitgangspunt blijft altijd dat die termijn redelijk moet zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Awb verplicht tot kennisgeving aan de aanvrager van dit verlengingsbesluit. Indien de aanvrager meent dat de verlenging niet redelijk is, kan hij daartegen in bezwaar en beroep gaan. Dienstenrichtlijn.Op vergunningprocedures voor wat betreft diensten is artikel 13 van de Dienstenrichtlijn van toepassing. Het derde lid bepaalt dat de aanvraag binnen een redelijke, vooraf vastgestelde termijn wordt behandeld. De achtweken-termijn van artikel 1:2 voldoet daaraan Artikel 13, derde lid, van de Dienstenrichtlijn bepaalt voorts dat de beslistermijn eenmaal door de bevoegde instantie mag worden verlengd, indien dit gerechtvaardigd wordt door de complexiteit van het onderwerp. Dit houdt in dat voor verlenging een stevige motivering is vereist met gebruikmaking van dit criterium. De verlenging en duur ervan worden met redenen omkleed vóór het verstrijken van de oorspronkelijke termijn ter kennis van de aanvrager gebracht worden. Het derde lid is een implementatie van deze verplichting. Ontvangstbevestiging. Indien de Dienstenrichtlijn van toepassing is, wordt op grond van artikel 13, vijfde lid de ontvangst van elke vergunningaanvraag zo snel mogelijk bevestigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontvangstbevestiging moet de volgende informatie bevatten: de beslistermijn, de beschikbare rechtsmiddelen en indien van toepassing de vermelding dat bij het uitblijven van een antwoord binnen de gespecificeerde termijn de vergunning geacht wordt te zijn verleend. Het gaat hier om toepassing van de lex silencio. Een bevoegde instantie bevestigt eveneens de ontvangst van een melding die een dienstverrichter krachtens wettelijk voorschrift bij een bevoegde instantie dient te verrichten, indien door het doen van die melding en een bij wettelijk voorschrift bepaald tijdsverloop een voorwaarde wordt vervuld voor toegang tot of de uitoefening van een dienst. Opschorting van de termijn. Op grond van de Dienstenrichtlijn gaat de termijn pas in op het tijdstip waarop alle documenten zijn ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 13, zesde lid bepaalt dat wanneer een aanvraag onvolledig is, de aanvrager zo snel mogelijk wordt meegedeeld dat hij aanvullende documenten moet verstrekken, en, in voorkomend geval, welke gevolgen dit heeft voor de in artikel 13, derde lid, bedoelde termijn. Hiermee wordt bedoeld dat moet worden meegedeeld dat de termijn pas aanvangt als de gevraagde documenten zijn ontvangen.Deze regeling wijkt af van die van artikel 4:15 Awb: de termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag waarop het bestuursorgaan krachtens artikel 4:5 de aanvrager uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.Als de aanvraag is aangevuld, loopt de termijn weer verder door. Wabo.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tekst van het eerste lid is in overeenstemming gebracht met die van artikel 3.9, eerste lid van de Wabo. Inhoudelijk is er niets veranderd. Het derde lid is toegevoegd omdat artikel 3.9, tweede lid van de Wabo bepaalt dat de beslistermijn niet met acht, maar slechts met zes weken kan worden verlengd. De wegaanlegvergunning (art 2:6) en de kapvergunning (art 4:11) vallen onder de Wabo. De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder d. van de Wabo, en de vergunning voor het vellen van houtopstanden in artikel 2.2, eerste lid onder g. De Wabo kan ook van toepassing zijn op het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, namelijk als het gaat om het opslaan van roerende zaken (artikel 2:5).</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontheffing voor het opslaan van roerende zaken is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder j en k van de Wabo. De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning of ontheffing die onder de Wabo valt, staan in de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor, Staatscourant 2010-5162). De algemene indieningsvereisten staan in artikel 1.3 Mor, dat luidt als volgt:Artikel 1.3 Indieningsvereisten bij iedere aanvraag1. In de aanvraag vermeldt de aanvrager:a. de naam, het adres en de woonplaats van de aanvrager, alsmede het elektronisch adres van de aanvrager, indien de aanvraag met een elektronisch formulier wordt ingediend;b. het adres, de kadastrale aanduiding dan wel de ligging van het project;c. een omschrijving van de aard en omvang van het project;d. indien de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde: zijn naam, adres en woonplaats, alsmede het elektronisch adres van de gemachtigde, indien de aanvraag met een elektronisch formulier wordt ingediend; e. indien het project wordt uitgevoerd door een ander dan de aanvrager: zijn naam, adres en woonplaats.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager voorziet de aanvraag van een aanduiding van de locatie van de aangevraagde activiteit of activiteiten. Deze aanduiding geschiedt met behulp van een situatietekening, kaart, foto’s of andere geschikte middelen.3. De aanvrager doet bij de aanvraag een opgave van de kosten van de te verrichten werkzaamheden. In Hoofdstuk 7 van de Mor staan nog bijzondere indieningsvereisten. Daarvan zijn in het kader van de APV alleen die voor het vellen van houtopstanden van belang. Zie daarvoor de toelichting bij artikel 4:11.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indiening aanvraagIn de praktijk gebeurt het nog wel eens dat burgers met de aanvraag om een vergunning tot het laatste moment wachten. Als algemene richtlijn wordt daarom een termijn van drie weken aangehouden. De bewoordingen van het onderhavige artikel (“kan”) laten uitkomen, dat niet elke te laat ingediende aanvraag buiten behandeling hoeft te worden gelaten. Voor vergunningen die niet binnen drie weken kunnen worden behandeld, is in het tweede lid de mogelijkheid geschapen om de termijn van drie weken te verlengen tot maximaal acht weken. Vanzelfsprekend kan ook een langere of kortere termijn worden vastgelegd. Als wordt overwogen voor verschillende APV-vergunningen of -ontheffingen verschillende termijnen vast te leggen, dan dient iedere afwijking van de algemene regel in het betreffende onderdeel van de APV te worden vastgelegd Gemeenten die met een systematiek werken die inhoudt dat een vergunning voor een bepaald jaar vóór 1 december van het daaraan voorafgaande jaar moet worden aangevraagd, kunnen dit expliciet bepalen en bekendmaken. Als een aanvraag echt veel te vroeg wordt gedaan en dan nog niet kan worden beoordeeld, volstaat een gemotiveerde mededeling daarvan aan de aanvrager. Herhaalde aanvraag (artikel 4:6 Awb)Als er lange tijd is verstreken tussen beide aanvragen kan het praktischer zijn om de aanvraag opnieuw inhoudelijk te behandelen in plaats van een discussie te voeren over de vraag of het wel of niet om een herhaalde aanvraag gaat. JurisprudentieZie ABRvS 3 mei 2006, JB 2006/186. Daar was meer dan tien jaar verlopen tussen beide aanvragen, en de Afdeling oordeelde dat er geen sprake was van een herhaalde aanvraag, omdat één aanvraag was gebaseerd op de Wet openbaarheid van bestuur en de andere op de Archiefwet. Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingenIn literatuur en jurisprudentie is men het erover eens dat de bevoegdheid tot het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing ter vrije beslissing staat van het beschikkende orgaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toch verdient het uit een oogpunt van duidelijkheid aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen. Daarbij moet ook - ten overvloede - worden aangegeven dat die voorschriften uitsluitend mogen strekken ter bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste van vergunning of ontheffing is gesteld. Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is deze intrekkingsbevoegdheid vastgelegd. De vraag of bij niet-nakoming van vergunningsvoorschriften bestuursdwang kan worden toegepast, wordt in het algemeen bevestigend beantwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doordat in het tweede lid van artikel 1:4 naleving van deze voorschriften wordt omschreven als verplichting, wordt hierover alle onzekerheid weggenomen. Uiteraard is bestuursdwang niet mogelijk, wanneer alleen voorschriften zijn overtreden, die slechts beogen het toezicht op de naleving van de vergunning of ontheffing te vergemakkelijken, maar geen verband houden met de bescherming van het belang of de belangen met het oog waarop de vergunning of ontheffing is vereist. DienstenrichtlijnArtikel 10 van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels gebaseerd moeten zijn op criteria die ervoor zorgen dat de bevoegde instanties hun beoordelingsbevoegdheid niet op willekeurige wijze uitoefenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die criteria zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; evenredig met die reden van algemeen belang; duidelijk en ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar bekendgemaakt; transparant en toegankelijk. Ook de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning worden verbonden, dienen hieraan te voldoen. Zie voor wat onder dwingende reden van algemeen belang en evenredigheid wordt verstaan: de algemene toelichting en het commentaar onder artikel 1:8. Op grond van het vijfde lid van artikel 10 wordt de vergunning pas verleend nadat na een passend onderzoek is vastgesteld dat aan de vergunningvoorwaarden is voldaan. Het derde lid zegt, dat de vergunningvoorwaarden voor een nieuwe vestiging gelijkwaardige, of gezien hun doel in wezen vergelijkbare, eisen en controles waaraan de dienstverrichter al in een andere of dezelfde lidstaat onderworpen is, niet mogen overlappen. In de algemene strafbepaling (artikel 6:1) wordt overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde met straf bedreigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daardoor staat ook straf op het overtreden van aan een vergunning of ontheffing verbonden voorschriften.Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffingEen vergunning wordt persoonlijk genoemd, als die alleen of vooral is verleend vanwege de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling dat uitdrukkelijk bepaalt of dit uit de aard van de vergunning voortvloeit. Een voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is de vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet. Deze wet bepaalt dat voor het verkrijgen van een vergunning de nodige diploma’s moeten zijn gehaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een persoonlijke vergunning is ook de standplaatsvergunning. Dit vanwege het persoonlijke karakter van de ambulante handel en omdat het aantal aanvragen om vergunning het aantal te verlenen vergunningen meestal verre overtreft. Het zou onredelijk zijn als een standplaatsvergunning zonder meer kan worden overgedragen aan een andere terwijl een groot aantal aanvragers op de wachtlijst staat. Als een vergunning of ontheffing zowel voor de aanvrager als voor zijn rechtsopvolger geldt, is het verstandig een voorschrift op te nemen dat de houder van de vergunning of ontheffing verplicht binnen twee weken schriftelijk te melden dat hij zijn vergunning heeft overgedragen, met vermelding van de naam en het adres van de nieuwe houder van de vergunning of ontheffing. LiteratuurVoor de overdraagbaarheid van APV-vergunningen, zie: C.L.</p>\n<p class=\"lf-p\">Knijff, Rechtsopvolging bij vergunningen in de gemeentepraktijk, GS 2004, 7205, onder 3.4 Overgang uitgesloten: APV-vergunningen. JurisprudentieVolgens art. 1:10 APV is de vergunning of ontheffing persoonsgebonden tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Ingevolge art. 1:11, aanhef en onder e APV kan de vergunning of ontheffing worden gewijzigd indien de houder of zijn rechtverkrijgende dit verzoekt. De Afdeling is van oordeel dat art. 1:11 aanhef en onder e APV niet afdoet aan het persoonsgebonden karakter van de vergunning. Van een zelfstandige bepaling die het persoonsgebonden karakter van de exploitatievergunning voor een coffeeshop kan opheffen is geen sprake, gelet op de aard van de vergunning en op de strekking van het in de APV neergelegde vergunningstelsel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester was daarom niet zonder meer gehouden zijn medewerking te verlenen aan een verzoek tot overdracht van een vergunning aan een derde. ABRS 23-11-1999, LJN-nr. AA5058, GS 2000, 7112, 6. Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffingDe in het eerste lid genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een facultatief karakter (“kan”). Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften leiden tot intrekking van de vergunning. Vooral het rechtzekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid tot wijziging en intrekking.Als het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of te wijzigen, dient het de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun bedenkingen in te dienen (artikel 4:8 Awb). JurisprudentieGelet op art. 1:6 van de APV in samenhang gelezen met art. 2.1.4.1, tweede lid (oud), APV was de burgemeester in het onderhavige geval bevoegd de vergunning in te trekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Intrekking van een vergunning vereist een zorgvuldige voorbereiding. Als specifieke kennis bij het bestuursorgaan ontbreekt, moet advies worden ingewonnen. Zes werkdagen zijn daarvoor voldoende. ABRS 11-06-2003, 200205273/1, JG 03.0125, met noot M. Geertsema.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:6a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen van vergunning of ontheffingDit artikel voorziet in het van rechtswege vervallen van vergunningen of ontheffingen. Het rechtsgevolg van het vervallen van een vergunning of ontheffing treedt in als gevolg van twee typen situaties. De eerste is, dat binnen de gestelde termijn of bij gebreke daarvan binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van de vergunning of ontheffing daarvan geen gebruik is gemaakt. De tweede is, dat gedurende één jaar na het onherroepelijk worden geen gebruik is gemaakt van de vergunning of ontheffing. Voor het van rechtswege vervallen van vergunningen en ontheffingen in genoemde situaties is gekozen om APV-vergunningen en ontheffingen actueel te houden De vorige APV trof – met uitzondering van enkele vergunningen - geen regeling voor het geval, dat houders niet tijdig of in het geheel geen gebruik maken van hun vergunningen of ontheffingen of jarenlang daar geen gebruik van maakten. Een voorbeeld van het van rechtswege vervallen van een vergunning uit de vorige APV is de kapvergunning, die automatisch verviel als houders daar niet op tijd - de bekende termijn van één jaar - gebruik van maakten. De oude regeling liet in het overgrote deel van de gevallen het opnieuw gebruiken van vergunningen, die jarenlang niet meer gebruikt zijn, toe terwijl de gemeente in een aantal gevallen die vergunningen onder de latere omstandigheden niet meer verleende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vergunningbestand verloor daardoor actualiteit. Artikel 1:7 TermijnenHet streven naar lastenvermindering voor burger en overheid en toetsing aan de Europese Dienstenrichtlijn hebben ertoe geleid in artikel 1:7 te bepalen dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 11 van de Dienstenrichtlijn stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen hebben, tenzij: a. de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden;b. het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang;c. een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang. Over punt b. dat onder meer op wachtlijsten ziet, schrijft de Dienstenrichtlijn: “Wanneer het aantal beschikbare vergunningen voor een activiteit beperkt is wegens een schaarste aan natuurlijke hulpbronnen of technische mogelijkheden, moet een selectieprocedure worden vastgesteld om uit verscheidene gegadigden te kiezen, teneinde via de werking van de vrije markt de kwaliteit en voorwaarden van het dienstenaanbod voor de gebruikers te verbeteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze procedure moet transparant en onpartijdig zijn en de verleende vergunning mag niet buitensporig lang geldig zijn, automatisch worden verlengd of enig voordeel toekennen aan de dienstverrichter wiens vergunning net is komen te vervallen. In het bijzonder moet de geldigheidsduur zodanig worden vastgesteld dat de vrije mededinging niet in grote mate wordt belemmerd of beperkt dan nodig is met het oog op de afschrijvingen van de investeringen en een billijke vergoeding van het geïnvesteerde kapitaal.” (PB L 376/36, nr. 62) Als gemeenten een vergunning voor bepaalde tijd verlenen, moeten zij beargumenteren waarom deze beperking nodig is en de evenredigheidstoets kan doorstaan. Sommige vergunningen lenen zich uit de aard alleen voor verlening voor bepaalde tijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is bijvoorbeeld het geval bij een evenementenvergunning of een standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de jaarwisseling. Zie voor de betekenis van “een dwingende reden van algemeen belang” bij de toelichting onder artikel 1:8. Artikel 1:6 bepaalt dat bij gewijzigde omstandigheden de vergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken. Het ligt ook daarom in de rede dat een vergunning voor onbepaalde duur blijft gelden indien de omstandigheden niet wijzigen. Pas bij gewijzigde omstandigheden dient de vergunning opnieuw te worden bezien. Ook daarbij wordt rekening gehouden met de noodzaak- en proportionaliteitseis. Bij geringe wijziging van omstandigheden die geen gevolgen hebben voor het algemeen belang, kan de vergunning niet worden gewijzigd of ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De noodzaak daarvoor ontbreekt.Artikel 1:7a MeldingenHet begrip vergunningstelsel in de zin van de Dienstenrichtlijn is breder dan wij dit kennen. Daaronder vallen ook meldingsplichten. Onder vergunning verstaat de Dienstenrichtlijn immers: elke procedure die voor een dienstverrichter of afnemer de verplichting inhoudt bij een bevoegde instantie stappen te ondernemen ter verkrijging van een formele of stilzwijgende beslissing over de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit (artikel 4, zesde lid). Hieruit volgt dat een melding wordt aangemerkt als een vergunning. Andere voorbeelden van een ‘vergunning’ zijn: verklaringen van geen bezwaar; verplichting zich in te schrijven in een register etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voorbeeld van een meldingsplicht binnen deze verordening is een eendaags klein evenement. De algemene bij het college en de raad levende wens om te streven naar vermindering van administratieve lasten is aangegrepen om in het bijzonder de uitvoering van de Algemene plaatselijke verordening Vlissingen 2009 te vereenvoudigen door de vergunningplicht op veel plaatsen te vervangen door een meldingsplicht, bijv. bij het aanleggen van een uitweg, geluid- en trillinghinder bouwwerkzaamheden, vellen van houtopstanden en voorwerpen in, op of boven openbaar water. Daarbij moet de vraag worden gesteld met welke juridische eisen rekening moet worden gehouden bij het invoeren van een meldingsplicht zowel op het wetstechnische vlak als in de uitvoeringspraktijk: een meldingsplicht als onderdeel van een voorwaardelijk verbod, een meldingsgebod en een meldingsverplichting als uitzondering op een voorwaardelijk verbod, waarin een vergunningenstelsel is opgenomen.Zie verder ook de nota Handleiding meldingsplicht 2011.Artikel 1:8 WeigeringsgrondenVergunningstelsels zijn in de APV als volgt geformuleerd: een verbodsbepaling om een bepaalde activiteit te verrichten behoudens vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergunningstelsels kenden vervolgens een artikellid of –leden met weigeringsgronden. Deze werden op verschillende manier omschreven wat suggereerde dat in verschillende bepalingen materieel andere weigeringsgronden golden. Dit was meestal niet het geval. In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is kritisch naar de weigeringsgronden gekeken. We hebben ter bevordering van de systematiek en duidelijkheid binnen de APV ervoor gekozen om in Hoofdstuk I algemene weigeringsgronden te benoemen. In de afzonderlijke vergunningstelsels zijn de betreffende artikel(led)en vervallen. Alleen als er voor een vergunning andere weigeringsgronden gelden dan de in artikel 1:8 genoemde, worden die in het betreffende artikel genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een enkel geval (horecaexploitatievergunningstelsel en vergunning voor seksinrichting) is van artikel 1:8 afgeweken. Europese Dienstenrichtlijn VergunningenTegelijkertijd met de deregulering van de vergunningstelsels van de APV zijn deze gescreend aan de Europese Dienstenrichtlijn. Het gaat daarbij om de volgende stelsels: gebiedsaanwijzing in geval van straatartiesten, de evenementenvergunning, horecaexploitatievergunning, vergunning voor een seksinrichting, standplaatsvergunning en de vergunning voor een snuffelmarkt. Gokactiviteiten zijn van de werking van de Europese Richtlijn uitgezonderd, zodat de speelautomatenvergunning niet onder het regime valt. Zie voor meldingen ook artikel 1:7a.Vestiging of tijdelijke overschrijdingBij het screenen van de APV aan de Dienstenrichtlijn is het volgende in ogenschouw genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In theorie bestaan er drie verschillende regimes: voor de ‘vestiger’, de ‘tijdelijke grensoverschrijder’ en de Nederlandse dienstverrichter. In het licht van deze regimes moet worden bekeken of en in hoeverre vergunningstelsels zijn toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 9 van de Dienstenrichtlijn (vrij verkeer van vestiging) ziet op de zogenaamde ‘vestiger’. Er is overeenkomstig de rechtspraak van het HvJ sprake van vestiging, als er een daadwerkelijke uitoefening van een economische activiteit voor onbepaalde tijd vanuit een duurzame vestiging wordt verricht. Aan die eis kan ook zijn voldaan als een onderneming voor een bepaalde tijd wordt opgericht of als er een gebouw wordt gehuurd van waaruit de ondernemer zijn activiteiten onderneemt. (overweging 37 bij de richtlijn). In het licht van beide regimes moet worden bekeken of een vergunningstelsel is toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 9 van de Dienstenrichtlijn (vrij verkeer van vestiging) ziet op de zogenaamde ‘vestiger’. Het artikel staat vergunningstelsels toe, mits aan de volgende vereisten is voldaan: - zij zijn niet discriminatoir ten opzichte van degene die de vergunning aanvraagt; - de behoefte aan een vergunningstelsel is gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang (noodzakelijkheid). Het begrip dwingende redenen van algemeen belang zoals bedoeld in artikel 9 is door het Hof van Justitie ontwikkeld en kan zich nog verder ontwikkelen. Het betreft hier de zogenaamde ‘rule of reason’. Dit begrip omvat de volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, als bedoeld in de artikelen 46 en 55 van het Verdrag, en andere dwingende redenen waaronder milieu (overweging 40 bij de richtlijn); - het nagestreefde doel kan niet door een minder beperkende maatregel worden bereikt (evenredigheid). De tijdelijke dienstverrichter overschrijdt de grens om in Nederland zijn dienst te verrichten, maar vestigt zich hier niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierop ziet artikel 16 van de Dienstenrichtlijn (vrij verkeer van diensten). Hier gelden veel strengere criteria om een (vergunnings)eis te stellen:- zij zijn niet discriminatoir ten opzichte van de dienstverlener; - er zijn gerechtvaardigde redenen van openbare orde, openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu (noodzakelijkheid). Voor wat betreft de noodzakelijkheidseis stelt artikel 16 dan ook een strengere eis dan artikel 9;- het nagestreefde doel kan niet door een minder beperkende maatregel worden bereikt (evenredigheid). Tenslotte zijn er de Nederlandse dienstverleners. In theorie staat de richtlijn toe dat de overheid aan een Nederlandse dienstverlener zwaardere eisen stelt dan aan een buitenlandse partij, maar dit is in de praktijk en vanuit het oogpunt van rechtsgelijkheid niet wenselijk. Wij achten het op dezelfde gronden evenmin gewenst een onderscheid aan te brengen tussen verschillende soorten van dienstverleners (tijdelijke grensoverschrijders, vestigers en dus ook Nederlandse dienstverleners).</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders zou de dienstverlener die zich vanuit een andere lidstaat hier vestigt een bevoorrechte positie hebben ten opzichte van degene die de grens overschrijdt om zijn diensten aan te bieden of beide dienstverleners ten opzichte van de eigen onderdanen. Niet alleen de eis van het hebben van een vergunning geldt voor hen gelijkelijk, maar ook de gronden om een vergunning te weigeren zijn voor de drie categorieën aanvragers dezelfde. Daarom zijn de weigeringsgronden algemeen geformuleerd zodat ze gelden voor interne én internationale verhoudingen. Er is aangesloten bij het lichtste regime van de richtlijn (artikel 16): de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu. De richtlijn geldt niet voor het verkopen van goederen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is immers geen dienst. Bij standplaatsvergunningen kan er echter zowel sprake zijn van een vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen en/of voor het verlenen van diensten. Ook in dit geval zou rechtsongelijkheid kunnen ontstaan doordat de verkoper niet, maar de dienstverlener wel onder de richtlijn valt. Daarom is in de APV geen onderscheid gemaakt tussen verkoop en dienstverlening voor wat betreft de weigeringsgronden. Enkele voorheen gehanteerde weigeringsgronden komen niet meer als zodanig voor in de richtlijn. De vraag waar deze dan wel onder vallen kan als volgt worden beantwoord: Overlast Vanouds is de APV een openbare orde en overlastverordening. Het begrip ‘overlast’ komt in het EG-recht bij de toetsing van uitzonderingen op het vrij verkeer niet voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de Dienstenrichtlijn spreekt niet over overlast. Het milieubegrip omvat echter alle soorten van overlast die gerelateerd zijn aan de omgeving/het milieu. Te denken valt aan geluidsoverlast, geurhinder, overlast veroorzaakt door stof, afval e.d. Overlast, veroorzaakt door vuurwerk, valt eveneens onder bescherming van het milieu of zelfs gezondheid. VerkeersveiligheidDe verkeersveiligheid valt aan te merken als een dwingende reden van algemeen belang als bedoeld in artikel 9 (rule of reason). Maar ook is er sprake van een belang dat te scharen valt onder de volksgezondheid, als het voorkomen van verkeersslachtoffers het te beschermen belang betreft. Veiligheid van personen en gezondheidDeze gronden op grond waarvan voorheen een evenementenvergunning kon worden geweigerd, bijvoorbeeld bij het uitbreken van mond- en klauwzeer (gezondheid) kunnen als een belang van volksgezondheid worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zedelijkheid Het begrip zedelijkheid valt onder het begrip openbare orde, zoals dit wordt uitgelegd in overweging 41. Te denken valt aan de bescherming van de menselijke waardigheid of in het geval van dierenmishandeling (bijvoorbeeld gansslaan, palingtrekken of zwijntjetik) betreft onder het belang van dierenwelzijn. Ook andere dwingende redenen dan de openbare orde kunnen een ‘zedelijkheidsaspect’ hebben. Bij seksinrichtingen is zedelijkheid nog als een zelfstandige weigeringsgrond opgenomen, omdat het om ‘vestiging’ gaat. Voorzieningenniveau bij standplaatsen In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de gemeente ten behoeve van de consument als een openbare orde-belang aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsvergunningen waar (mede) diensten worden verleend niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten. Het blijft echter nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren bij een standplaats voor het verkopen van goederen (zie artikel 5:18, derde lid, onder b, APV). Daarop is de richtlijn immers niet van toepassing. Détournement de pouvoirGemeenten dienen zich er van bewust te zijn dat zij een vergunningaanvraag niet kunnen weigeren op een andere grond dan de grondslag van het vergunningstelsel. Dit zou immers in strijd zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">MotiveringEen weigering dient vanzelfsprekend voldoende gemotiveerd te zijn. Gemotiveerd moet worden welke weigeringsgrond van toepassing is en waarom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1:11 tot en met 1:14 CoördinatiebepalingenDeze bepalingen zijn opgenomen ten behoeve van de lastenverlichting van ondernemers.De ondernemer hoeft maar één keer gegevens te verstrekken. De coördinatie levert ook meer duidelijkheid over het proces. De aanvraag kan digitaal worden ingediend en destand van zaken met betrekking tot de aanvraag wordt inzichtelijker voor de aanvrager.Voor de gemeente is belangrijk dat alle procedures door deze coördinatie optimaler op elkaar kunnen worden afgestemd. Alle benodigde vergunningen, meldingen en ontheffingenkunnen zodoende optimaal worden gecoördineerd. Daarbij valt te denken aan: de Drank- en horecawetvergunning, de exploitatievergunning (al dan niet met terras), de aanwezigheidsvergunning speelautomaten, de gebruiksvergunning (-melding) Brandweer, de milieumelding en waarnodig de Bibob-toets.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk2.Openbare orde Algemene toelichting afdeling 1 Bestrijding van ongeregeldhedenIn deze afdeling zijn bepalingen opgenomen die bedoeld zijn om zowel het gebruik als de bruikbaarheid van de weg in goede banen te kunnen leiden en de openbare orde op andere openbare plaatsen te waarborgen. De diverse functies van de openbare ruimte, onder andere voor demonstraties, optochten en feesten, vraagt om een scheiding dan wel regulering van het gebruik.Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldhedenEerste lidHet begrip “samenscholing” is ontleend aan artikel 186 WvSr: “Hij die opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegd gezag gegeven bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.” Zie hierover de in het commentaar bij het tweede lid genoemde jurisprudentie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het karakter heeft van bijvoorbeeld een betoging. Gelet op de Wet openbare manifestaties moeten dit soort samenscholingen van de werking van dit artikel uitgezonderd worden. In het vijfde lid is dit dan ook gebeurd.Tweede lidAan de politieambtenaar mag slechts een begrensde “bevoegdheid” (tot het geven van aanwijzingen e.d.) worden gegeven, namelijk om in die gevallen dat iets voor regeling in bijzonderheden niet vatbaar is, naar gelang van de omstandigheden ter plaatse te beoordelen of de in de desbetreffende APV bepaling verboden toestand feitelijk aanwezig is. De aanwijzing, last e.d. vormt een voorwaarde voor de toepasselijkheid van de strafbepaling; zij is bestanddeel van het strafbare feit.De rechter blijft volkomen vrij in de beoordeling van de feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de rechter meent dat de politieambtenaar in zijn waardering van de gedraging heeft misgetast, laat hij de strafbepaling buiten toepassing. Het gaat hier om bestaande politiebevoegdheden. Deze bevoegdheid berust op de artikelen 2 en 12 Politiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2 draagt aan de politie de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde op, waaronder blijkens artikel 12 de handhaving van de openbare orde. Deze bevoegdheid wordt in feite herhaald als van een gemeentelijke strafbepaling een aanwijzing, last, bevel of oordeel van een politieambtenaar een element vormt.De aanvullende bevoegdheid van de gemeentelijke wetgever op de artikelen 184 en 186 Wetboek van Strafrecht (WvSr) is meermalen door de Hoge Raad erkend. De sanctionering van het niet opvolgen van een krachtens een APV bepaling gegeven politiebevel gebeurt op grond van de artikelen 184 of 186 WvSr of op grond van artikel 154 Gemeentewet. Het opzettelijk niet voldoen aan een dergelijk bevel levert het strafbare feit van artikel 184 WvSr op en bij samenscholingen van artikel 186 WvSr.Jurisprudentie- Relatie tussen APV bepaling en artikel 184 en 186 WvSr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvulling van de gemeentelijke wetgever erkend. HR 02 06 1903, W. 7938 (APV Amsterdam) en HR 25 06 1963, NJ 1964, 239 m.nt. B.V.A. Röling (samenscholingsarrest).- Oordeel van de politie is element van gemeentelijke strafbepaling. HR 12 02 1940, NJ 140, 622, AB 1940, p. 744, Gst. 1940, p. 125 (Haags tippelverbod). Zie ook: HR 02 06 1903, W. 7938, Gst., 2715 (APV Amsterdam); HR 20 01 1936, NJ 1936, 343, Gst. 1936, p. 90, AB 1936, p. 558 (APV Amsterdam); HR 03 06 1969, NJ 1969, 411, AB 1970, p. 17, OB 1971, XIV.3, nr. 30391, NG 1970, p. 616 m.nt. H.R.G. Veldkamp (APV Amsterdam) en HR 17 03 1970, NJ 1970, 331, OB 1971, X.4, nr. 31108, NG 1971, p. 292 (APV Arnhem).- Van een volksoploop ex artikel 186 WvSr is sprake als een menigte zich verzamelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De openbare orde hoeft niet te worden verstoord. HR 26-02-1991, NJ 1991, 512 en HR 14-01-1992, NJ 1992, 380.- Samenscholingsverbod Kanaleneiland Utrecht; uitleg begrip samenscholing: context is mede bepalend. Mag een burgemeester handhavingsbeleid vaststellen zonder wettelijke grondslag? En mag hij op basis daarvan besluiten nemen? Gerechtshof Arnhem, nr. 21-001061-08 (JG 09.0016). - Bevelsbevoegdheid politie op grond van artikel 2:1 APV Hof van Twente (Hof Arnhem 25 maart 2010, nr. 21-003896-09; LJN: BM1084; AB 2010/187): niet-opvolging van een vordering op grond van een APV-bepaling die op artikel 2 van de Politiewet 1993 is gebaseerd, kan niet leiden tot overtreding van artikel 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bewezenverklaarde levert geen strafbaar feit op. Het hof ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.- Bevelsbevoegdheid politie op grond van de APV Almere (Hof Arnhem 1 april 2010, nr. 24-001185-08; LJN: BM1865; AB 2010/188 m.nt. J.G. Brouwer en A.E. Schilder): Het hof acht bewezen dat betrokkene opzettelijk niet heeft voldaan aan een politiebevel, nadat deze ambtenaren hem hadden bevolen de Grote Markt te Almere te verlaten. Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf: opzettelijk niet voldoen aan een bevel, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast.Artikel 2:2 Verzamelingsverbod en gebiedsontzegging VerzamelingsverbodDe bepaling inzake het verzamelingverbod is toegespitst op het bekende fenomeen van het samengroeperen van gebruikers en handelaren in (hard)drugs of daarop gelijkende waar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Groepsvorming van gebruikers en handelaren is in Vlissingen geen onbekend verschijnsel en varieert in frequentie, ernst en omvang. Deze verzamelingen van personen hebben negatieve effecten op het ordelijk verloop van het dagelijks leven in de publieke ruimte. Van een onmiddellijk dreigende houding of van een concreet lastig vallen van voorbijgangers behoeft nog niet eens sprake te zijn om het normale leven op straat te verstoren of te belemmeren. Deze groepen roepen vaak sterke gevoelens van onbehagen en onveiligheid op. Ook vanwege de ordeverstorende strafbare gedragingen die zich telkens in en vanuit die verzamelingen van personen voordoen, zijn deze groepsvormingen ongewenst. Wij achten het gewenst het verzamelingverbod tevens te richten op heling, met als doel op bepaalde plaatsen samenkomsten van groeiende aantallen aanbieders – vaak drugsverslaafden – en kopers te kunnen opbreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dergelijke trefpunten vormen immers vaak een belangrijke schakel in bestaande patronen van verslaving-diefstal-afzet en dragen bij aan de instandhouding van problemen van orde en veiligheid. De burgemeester kan in dit geval gebieden aanwijzen waarbinnen het niet is toegestaan zich in een verzameling van een aantal personen op te houden. Dit aantal hebben wij in het besluit bepaald op drie of meer personen. Gebieds(verblijfs)ontzeggingenUit de jurisprudentie blijkt dat de rechtszekerheid vereist dat structurele problemen via een regeling, dat wil zeggen via de APV, worden aangepakt. De algemene wettelijke grondslag voor de bevoegdheid van de burgemeester tot handhaving van de openbare orde, zoals die is opgenomen in artikel 172 Gemeentewet, is daarvoor niet het aangewezen bestuurlijk instrument.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarom is thans een bepaling ontworpen die de burgemeester de bevoegdheid geeft om iemand in het belang van de openbare orde te (laten) verwijderen uit een (tevoren) aangewezen gebied. Er kunnen uitzonderingen gemaakt worden voor bepaalde groep personen, die in het gebied werkzaam zijn of wonen. Tevens kan een periode worden vastgesteld waarvoor het bevel van kracht is. Deze periode kan variëren van acht uur tot vier weken. De burgemeester moet het bevel wel zelf uitvaardigen en voor de hantering ervan ondubbelzinnige instructies vaststellen. Als de burgemeester aan een persoon een verwijderingbevel oplegt, dan levert opzettelijke overtreding van dat bevel een misdrijf op in de zin van artikel 184 van Wetboek voor Strafrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is een misdrijf waarop een gevangenisstraf is gesteld, zodat de verdachte in voorlopige hechtenis kan worden genomen, mits hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en aan één van de voorwaarden uit artikel 67a Strafvordering is voldaan. Jurisprudentie:- ABRS 7 juli 2004, nr. 200400582/1 (Gemeentestem 7233, nr. 117). Gebiedsontzegging op grond van APV Heerlen; herstel mandaatgebrek in bezwaar; geen strijd met EVRM en IVBPR (Heerlen). De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de inspecteur van politie onbevoegd was de besluiten tot gebiedsontzegging van 6 juni 2002 en 8 juni 2002 namens de burgemeester te nemen. De reden is dat het ondermandaatsbesluit niet was gepubliceerd, zodat dit besluit nog niet in werking was getreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Desondanks kan dit mandaatgebrek in evengenoemde primaire besluiten met de door het bevoegde bestuursorgaan genomen beslissingen op bezwaar geacht worden te zijn hersteld. In deze gevallen was geen sprake van strijd met artikel 2 Protocol EVRM en 12, eerste lid, IVBPR, (bewegingsvrijheid) aangezien de gebiedsontzeggingen berusten op de APV en gebruiksinstructies, welke wettelijk zijn verankerd, zijn gepubliceerd en voldoende duidelijk en concreet zijn omschreven. Voorts worden de beperkingen, gelet op het feit dat het gebied waarvoor de ontzeggingen zijn opgelegd in toenemende mate wordt geconfronteerd met overlast welke voortvloeit uit of samenhangt met de handel in en het gebruik van verdovende middelen, gerechtvaardigd door het algemeen belang in een democratische samenleving.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat de wijze waarop de burgemeester in dit geval van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit. Ook ten aanzien van de duur van de opgelegde gebiedsontzeggingen heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat deze niet onaanvaardbaar is. Met de rechtbank moet tenslotte worden geoordeeld dat van schending van artikel 5 EVRM (vrijheidsontneming) geen sprake is, aangezien de gebiedsontzeggingen niet inhielden dat (appellant sub 2) zijn vrijheid werd ontnomen als gevolg van detentie of arrestatie.- Rechtbank Roermond 29 juni 2005 (voorlopige voorziening + bodemzaak). LJN AT8549 (zie ook LJN AU035).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan verzoeker is een verblijfsontzegging opgelegd over de periode van 18 september 2004 tot 16 oktober 2004 wegens overtreding van artikel 3:6 APV Venlo (drugshandel) voor een aangeduid gebied in de binnenstad van Venlo. Meerdere verblijfsontzeggingen op grond van artikel 2:75 APV. Mandaatgebrek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 177, tweede lid Gemeentewet verzet zich uitdrukkelijk en ondubbelzinnig tegen mandatering door de burgemeester van zijn besluiten op grond van de APV aan ambtenaren van politie. Verblijfsontzeggingen op basis van APV-bepalingen zijn niet te beschouwen als besluiten ingevolge artikel 172 Gemeentewet. Het tweede lid van artikel 177 Gemeentewet sluit ook mandaat aan politieambtenaren uit wat betreft de uitvoering van beslissingen van de raad. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de onderhavige mandaatverlening door de burgemeester van Venlo daarmee in strijd. Onder het (ruime) begrip ‘beslissingen van de raad’ moeten immers mede worden verstaan verordeningen van de raad. En het opleggen van een verblijfsontzegging ingevolge de APV is te beschouwen als uitvoering van zodanige beslissing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechter acht die duidelijke tekst niet voor een andere uitleg vatbaar. De rechter acht het in casu aan de betrokken politieambtenaren verleende mandaat ongeldig wegens strijd met de wet. Zie voorts arrest Hoge Raad van 24 september 2002 (NJ 2003, 80).- De bevoegdheid tot het opleggen van gebiedsontzeggingen ingevolge de APV berust bij de burgemeester. Deze bevoegdheid mag ingevolge artikel 177, tweede lid, Gemeentewet niet worden gemandateerd aan politieambtenaren. In ABRS 7 juli 2004 (Gst. 2005, 66 en Gst. 2005, 117) bepaalde de Afdeling dat, indien de gebiedsontzegging in mandaat door een politieambtenaar is opgelegd, dit gebrek wordt gerepareerd door een bevoegdelijk genomen besluit op bezwaar.- Gerechtshof 's-Gravenhage 21 maart 2006, nr. 2200138705 (Gem.stem 7255, 102;</p>\n<p class=\"lf-p\">AB 2006, 396): gebiedsontzegging van twaalf weken. Hof is anders dan de rechtbank van oordeel dat het bevel van de burgemeester voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit (Rotterdam).</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 172, derde lid, Gemeentewet.- Verblijfsontzegging op grond van artikel 172, derde lid, Gemeentewet met langere duur dan regeling in APV toestaat. Verhouding tussen artikel 172, derde lid, Gemeentewet en regeling verblijfsontzeggingen in de APV van Rotterdam. Indien het concrete geval binnen de regeling van de APV valt, biedt artikel 172, derde lid, Gemeentewet geen grondslag voor een verblijfsontzegging. (HR {strafkamer} 11 maart 2008, nr. 02379/06; LJN BB4096, Gemeentestem 7302, nr. 103).- FF Kappe bevel gebaseerd op artikel 172, derde lid, Gemeentewet is rechtsgeldig.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-184\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 184</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Sr en artikel 2.4.6 APV van Rotterdam (Rb Rotterdam 21 december 2007, nr. 10/637732-07; LJN BC0822, Gemeentestem 7302, nr. 104).- Hoge Raad 22 december 2009, 08/02631, LJN BK3254; JB 2010/41: Burgemeesterlijk verwijderingsbevel ex APV, “Criminal charge” in de zin van art. 6 EVRM? Taakverdeling strafrechter-bestuursrechter: Het cassatieberoep richt zich tegen het arrest van het Hof Amsterdam van 2 januari 2008, waarbij dit hof heeft bewezenverklaard dat verdachte op 19 maart 2005 opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens art. 2.6A lid 2 APV-94 Amsterdam gegeven bevel zich te verwijderen uit het door de burgemeester aangewezen drugsoverlastgebied. Het hof heeft overwogen dat dit veertien-dagen-verwijderingsbevel niet kan worden aangemerkt als “criminal charge” in de zin van art. 6 EVRM en dat, indien en voor zover dit bevel wél als criminal charge zou moeten worden aangemerkt, het niet onverenigbaar is met het EVRM om bestuursrechtelijke autoriteiten te belasten met de vervolging en bestraffing van bepaalde overtredingen, zolang de verdachte in de gelegenheid is om de jegens hem genomen beslissingen door een aan de waarborgen van art. 6 EVRM beantwoordend gerecht voor te leggen Het cassatiemiddel, dat klaagt dat het hof dit verwijderingsbevel ten onrechte niet heeft aangemerkt als een “criminal charge” in de zin van art. 6 EVRM, faalt. Het bezwaarschrift tegen het verwijderingsbevel is ongegrond verklaard. Het daartegen ingestelde beroep is ongegrond verklaard. Op 24 oktober 2007 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het tegen die uitspraak ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard en daarbij het oordeel bevestigd, dat het verwijderingsbevel niet kan worden aangemerkt als een “criminal charge” in de zin van art. 6 EVRM. In een dergelijk geval, waarin de verdachte de bestuursrechtelijke rechtsgang heeft gevolgd, geldt in verband met een behoorlijke taakverdeling tussen de strafrechter en de bestuursrechter en met het oog op het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken, dat indien het desbetreffende bevel door de bestuursrechter bij onherroepelijke uitspraak in stand is gelaten, zulks er in beginsel aan in de weg staat dat de strafrechter het verweer dat het wettelijk voorschrift niet verbindend is of het bevel anderszins onrechtmatig is, zelfstandig onderzoekt en daarop beslist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder bijzondere omstandigheden kan aanleiding bestaan hierop een uitzondering te maken (vgl. HR 24 september 2002, LJN AE2126, NJ 2003, 80). Gelet op dit uitgangspunt en in aanmerking genomen dat uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep niet blijkt dat door of namens de verdachte een beroep is gedaan op bijzondere omstandigheden die aanleiding geven hierop een uitzondering aan te nemen, faalt het middel. Het tweede cassatiemiddel, dat klaagt dat het hof ten onrechte stelt “dat het niet onverenigbaar is met het EVRM om bestuursrechtelijke autoriteiten te belasten met de vervolging en bestraffing van bepaalde overtredingen, zolang de verdachte in de gelegenheid is om de jegens hem genomen beslissing door een aan de waarborgen van art. 6 EVRM beantwoordend gerecht voor te leggen”, kan niet tot cassatie leiden, reeds omdat het zich keert tegen een overweging ten overvloede.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedsontzegging, Verzoek om voorlopige voorziening, Verzoek van de burgemeester om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de burgemeester in afwachting van de uitspraak op het door hem ingestelde hoger beroep geen gevolg hoeft te geven aan de in hoger beroep bestreden uitspraak. In hetgeen door de burgemeester naar voren is gebracht ziet de voorzitter op voorhand geen reden om aan te nemen dat de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep niet in stand zal blijven, gelet op de door de rechtbank aangehaalde jurisprudentie van de Afdeling. Niet in geschil is dat aan de vereisten die art. 6:5 Awb aan het indienen van een bezwaarschrift stelt is voldaan. Ook overigens is het niet op voorhand onaannemelijk dat de door wederpartij in deze procedure naar voren gebrachte feiten voldoende grondslag bieden voor het oordeel dat hij belang heeft bij het verkrijgen van een inhoudelijk oordeel op zijn bezwaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is bovendien in het belang van een efficiënte en finale geschillenbeslechting dat de aangevallen uitspraak en het ter uitvoering daarvan te nemen nieuwe besluit op bezwaar met toepassing van de art. 6:18 en 6:19 Awb beide in de bodemprocedure kunnen worden beoordeeld. Gelet op een en ander bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening (ABRS 17 februari 2010, zaaknummer 201000291/2/H3 JB 2010/87, JB 2010/87)Afwijzing immateriële schadevergoeding wegens ten onrechte opgelegde gebiedsontzeggingen. Hoewel aannemelijk is dat appellant als gevolg van de gebiedsontzeggingen een zeker mate van ongerief heeft moeten ondergaan, heeft hij met zijn betoog niet aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van die besluiten zodanig heeft geleden, dat sprake is van een aantasting in evenbedoelde zin.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Rb. heeft terecht geoordeeld dat de burgemeester het verzoek om vergoeding van immateriële schade terecht heeft afgewezen. Het hoger beroep is ongegrond. (ABRS 25 augustus 2010 zaaknummer 200908965/1/H2, LJN: BN4952).- Verblijfsontzegging geldig van 18.00 uur tot 08.00 uur voor de duur van twee weken. Door de verblijfsontzegging wordt het aan wederpartij toekomende recht zich vrijelijk te verplaatsen als bedoeld in art. 2 lid 1 Vierde Protocol bij het EVRM en in art. 12 eerste lid IVBPR, beperkt. Dit recht kan echter aan beperkingen worden onderworpen. Een beperking van dit recht moet bij “wet” zijn voorzien. Dit betekent dat de beperking een basis moet hebben in het nationale recht, dat de wettelijke bepaling kenbaar moet zijn voor de belanghebbende en dat de bepaling voorzienbaar moet zijn wat haar gevolgen betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verblijfsontzegging heeft haar grondslag in art. 2.4.1 van de APV van Nijmegen en heeft daardoor een basis in het nationale recht. De APV is gepubliceerd, zodat wederpartij er kennis van heeft kunnen nemen. Wat de voorzienbaarheid betreft overweegt de Afdeling als volgt. De gevolgen van een bepaling zijn voorzienbaar indien deze met voldoende nauwkeurigheid is geformuleerd om een belanghebbende in staat te stellen, zo nodig met behulp van deskundig advies, zijn gedrag hierop af te stemmen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-241\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 2.4.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">APV, dat aan de burgemeester de bevoegdheid geeft een verblijfsontzegging op te leggen in het belang van de openbare orde, bevat een open norm en is niet voldoende nauwkeurig geformuleerd om wederpartij in staat te stellen alleen aan de hand daarvan zijn gedrag aan te passen. Dit had bijvoorbeeld ondervangen kunnen worden door het geven van een waarschuwing, wat niet is gebeurd. De Afdeling is echter van oordeel dat de burgemeester zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het geven van een waarschuwing, alvorens de verblijfsontzegging op te leggen, in dit geval niet kon worden verlangd, gelet op de periode van onrust in de wijk Meijhorst in de zomer van 2008 en de ernst van de situatie na het weekeinde van 20 en 21 september 2008, zoals blijkt uit het rapport van de politie van 16 april 2010 De combinatie van de evident ernstige situatie en de bepaling van art. 2.4.1 van de APV maken dat in dit geval is voldaan aan het vereiste dat de verblijfsontzegging voorzienbaar moet zijn. Met de burgemeester is de Afdeling van oordeel dat de over wederpartij bekende, van de politie afkomstige informatie voldoende grondslag bood om hem op 23 september 2008 een verblijfsontzegging op te leggen. Hoewel de burgemeester kan worden gevolgd in zijn stelling dat in de periode na het weekeinde van 20 en 21 september de tijd ontbrak om per individu dat op de lijst van 56 voorkwam vast te stellen wat zijn of haar betrokkenheid was, leidt dit niet zonder meer tot de conclusie dat een verblijfsontzegging voor twee weken niet onevenredig was.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester had immers de mogelijkheid om direct na het opleggen van de verblijfsontzegging alsnog per individu de mate van betrokkenheid te beoordelen en had vervolgens, indien daartoe aanleiding bestond, de duur van de verblijfsontzegging kunnen aanpassen. Dat voor een dergelijke beoordeling een termijn van twee weken noodzakelijk was, valt niet in te zien, gelet ook op de ingrijpendheid van de maatregel ten opzichte van belanghebbenden. Dat art. 2.4.1 van de APV een verblijfsontzegging voor de duur van 12 weken toestaat, dat de verblijfsontzegging slechts gold tussen 18.00 uur en 08.00 uur en slechts in het gebied omgeving winkelcentrum Meijhorst, waar geen woningen aanwezig zijn, leidt niet tot een ander oordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester had in het geval van wederpartij naar het oordeel van de Afdeling tot het nadere oordeel moeten komen dat een langere verblijfsontzegging dan nodig om de mate van zijn betrokkenheid te beoordelen, niet gerechtvaardigd was. De over hem bekende informatie bood daar onvoldoende grondslag voor (ABRS, 15 december 2010, 201000291/1/H3, LJN BO7345, JB 2011/29).- Criminal charge. Preventieve maatregel. Verwijderingsbevel. [EVRM art. 6; Awb art. 4:8] Bij besluit van 17 februari 2009 heeft de burgemeester van Amsterdam ter handhaving van de openbare orde appellantebevolen zich uit het zogenoemde overlastgebied 3 Zuidoost te verwijderen en zich met ingang van 21 februari 2009 om 00.01 uur gedurende drie maanden tot en met 20 mei 2009 om 23.59 uur niet in dit gebied op te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge art. 4:8, eerste lid, van de Awb stelt een bestuursorgaan, voordat het een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, die belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt. Niet in geschil is dat appellante voorafgaand aan het verwijderingsbevel niet in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze kenbaar te maken. Verder staat vast dat de gemachtigde van appellante in het bezwaarschrift haar standpunt kenbaar heeft gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook staat vast dat appellante en haar gemachtigde in de gelegenheid zijn gesteld op de hoorzitting van 7 mei 2009 de bezwaren nader toe te lichten, zonder dat zij hiervan gebruik hebben gemaakt. Onder deze omstandigheden is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat appellante in de bezwaarfase alsnog afdoende in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze naar voren te brengen en dat aldus het gebrek dat kleefde aan het besluit van 17 februari 2009 in bezwaar is hersteld. Anders dan appellante stelt, vervult de mogelijkheid om een zienswijze naar voren te brengen geen waarschuwingsfunctie. Zoals mede blijkt uit haar verwijzing naar het Salduzarrest gaat appellante er ten onrechte van uit dat het verwijderingsbevel dient te worden aangemerkt als een criminal charge in de zin van art. 6 van het EVRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">In beginsel is een verwijderingsbevel te beschouwen als een preventieve maatregel om een verdergaande verstoring van de openbare orde in het overlastgebied tegen te gaan. Niet gebleken is dat het verwijderingsbevel in dit geval toch dient te worden aangemerkt als een criminal charge, omdat het niet het tegengaan van verdergaande verstoring van de openbare orde in het overlastgebied tot oogmerk heeft, maar de bestraffing van appellante. Gelet op het bestuursrechtelijke karakter van het verwijderingsbevel kan het Salduzarrest geen rol spelen in deze zaak en hoeft voor een oordeel van de Afdeling over de rechtmatigheid van het bevel de uitkomst van de strafrechtelijke procedure niet te worden afgewacht. (ABRS 4 mei 2011, nr. 01008519/1/H3, LJN BQ3446 ; JB 2011, 150).</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling2Betoging</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Melding betogingen op openbare plaatsenDit artikel is een uitwerking van enkele artikelen uit de Wet openbare manifestaties (WOM).In artikel 1 van de Wet openbare manifestaties wordt in het eerste lid “openbare plaats” gedefinieerd als: een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek. In het tweede lid is bepaald dat daaronder niet is begrepen: een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (een kerk, moskee, synagoge of een ander gebouw dat met name wordt gebruikt voor godsdienstige of levensbeschouwelijke doelen). Uit de artikelen 3 en 4 WOM volgt dat de gemeenteraad moet bepalen of, en zo ja, voor welke activiteiten een melding is vereist en daarbij enkele procedurebepalingen moet vaststellen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">WOM kent de burgemeester de bevoegdheid toe om naar aanleiding van een melding voorschriften en beperkingen te stellen of een verbod te geven; artikel 6 WOM kent hem een aanwijzingsbevoegdheid toe, terwijl artikel 7 WOM bepaalt dat hij bevoegd is aan de organisatoren van de desbetreffende activiteit de opdracht te geven deze te beëindigen en uiteen te gaan. Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op andere dan openbare plaatsen kent artikel 8 WOM de burgemeester o.a. de bevoegdheid toe opdracht te geven deze te beëindigen. De APV kent alleen een meldingeis voor betogingen. De overige activiteiten zijn ongereguleerd gebleven. In verband hiermee heeft artikel 2:3 APV alleen betrekking op betogingen Het artikel kan zonodig worden uitgebreid tot samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, tot vergaderingen en tot “processies”. Uitgangspunten Wet openbare manifestatiesDe WOM beoogt een eenvormige regeling te geven voor de activiteiten die onder de bescherming van de artikelen 6 en 9 Grondwet vallen. Het gaat daarbij om betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging voor zover die op openbare plaatsen gehouden worden. De WOM heeft betrekking op collectieve uitingen. Van een collectieve uiting kan volgens de regering al sprake zijn wanneer daaraan meer dan twee personen deelnemen (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 8). Individuele uitingsvormen zijn buiten de regeling gebleven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zowel artikel 6 als artikel 9 Grondwet maakt het mogelijk ook deze onder de WOM te brengen, maar de wetgever acht dat niet nodig.Overigens vallen individuele uitingen wel onder de bescherming van artikel 7 Grondwet. Het eerste lid van artikel 7 verbiedt expliciet een voorafgaand verlof ten aanzien van schriftelijke uitingen, ook als die uitingen godsdienstig of levensbeschouwelijk van aard zijn. Niet-schriftelijke uitingen van gedachten of gevoelens worden beschermd krachtens het derde lid van artikel 7 Grondwet. De inhoud mag niet aan voorafgaand verlof onderworpen zijn, maar de vorm waarin zij geopenbaard worden wel. De wetgever heeft de bevoegdheid tot beperking van de onderhavige grondrechten aan de gemeenten opgedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Argumenten hiervoor zijn: de regeling van onder andere de betoging houdt nauw verband met de plaatselijke openbare orde. De gemeenten hebben hiermee in de loop der jaren waardevolle ervaringen opgedaan.De memorie van toelichting geeft een opsomming van de bevoegdheden die de WOM aan gemeenteraden en burgemeesters toekent (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 5/6):- de bevoegdheid tot het creëren van een meldingsstelsel voor betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging op openbare plaatsen. De wet laat een zekere variatie toe ten aanzien van kwesties als: voor welke activiteiten is een melding vereist; aan welke vereisten moet een melding voldoen; welke voorschriften en beperkingen kunnen opgelegd worden;- de bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen;- de bevoegdheid in het uiterste geval de betreffende activiteit te doen beëindigen.Een aantal onderwerpen is daarentegen geheel of gedeeltelijk aan de plaatselijke regelgeving onttrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De reden is dat enerzijds de Grondwet zich tegen een dergelijke regeling verzet en dat anderzijds de rechtsgelijkheid een uniforme regeling van de centrale wetgever rechtvaardigt. Het gaat met name om de volgende onderwerpen (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 6):- het aanwijzen van de gronden waarop beperking van de onderhavige grondrechten door gemeentelijke organen is toegestaan (artikelen 2 en 8 WOM);- een verbod van voorafgaand toezicht op de inhoud van uitingen die tijdens eerder genoemde activiteiten zullen worden gedaan (artikelen 3, vierde lid, 4, derde lid, en 5, derde lid);- de bescherming van het functioneren van buitenlandse vertegenwoordigingen en bepaalde andere instellingen die een bijzondere volkenrechtelijke bescherming genieten, voor zover deze bescherming verder dient te reiken dan “de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden” (artikel 9 WOM);- de strafbaarstelling van overtreding van een aantal bij de WOM gegeven normen (artikel 11 WOM) en de strafbaarstelling van verhindering en verstoring van geoorloofde openbare manifestaties (wijziging van de artikelen 143-146 Wetboek van Strafrecht, onder artikel 11 WOM);- de bescherming van de zondagsrust, voor zover deze bescherming verder dient te reiken dan “de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden” (wijziging van de artikelen 3, 5 en 5a en 8 Zondagswet, onder artikel III WOM).Voor op vaste tijdstippen regelmatig terugkerende godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten op openbare plaatsen, uitgaande van een kerkgenootschap en zelfstandig onderdeel daarvan of een genootschap op geestelijke grondslag is, gelet op artikel 3, derde lid, WOM een eenmalige melding voldoende.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteraad heeft twee mogelijkheden; of deze bijeenkomsten ongeregeld laten of een eenmalige melding voorschrijven.Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op andere dan openbare plaatsen kent de WOM uitsluitend repressieve bevoegdheden toe aan de burgemeester (artikel 8 WOM). Voor deze activiteiten is geen voorafgaande melding vereist.MeldingsplichtHet betogingsartikel in art. 2:3 van de APV kent al langer een meldingsplicht voor het houden van betogingen. Het recht op betogen kan immers alleen krachtens een wet in formele zin worden beperkt. Tenminste wanneer het een bijzondere beperking betreft. Voor het onderscheid tussen bijzondere en algemene beperkingen van grondrechten wordt verwezen naar Akkermans e.a., Grondrechten en grondrechtenbescherming in Nederland, Deventer: Kluwer 2005 (vierde druk).</p>\n<p class=\"lf-p\">De Wet openbare manifestaties, vermeldt in art. 4 dat de raad bij verordening voor het houden van een betoging op openbare plaatsen een voorafgaande kennisgeving aan de burgemeester kan instellen. Of het betogingsartikel in de APV daarmee een bepaling is die door de raad krachtens medebewind is vastgesteld dan wel nog steeds een autonome grondslag heeft is een andere vraag. Verwezen wordt naar de bijdrage van H.Ph.l.A.M. Hennekens getiteld:'Kennis van het decentralisatierecht: onder nul?', Gst. 2008, 106. In de APV is dat uitgewerkt. De APV bevat regels over het tijdstip van de melding voorafgaande aan de betoging en de onderdelen waaruit een ontvankelijke melding dient te bestaan. De bestuurlijke reactie die moet volgen op een ingediende melding is dat diegene die de kennisgeving van de betoging heeft gedaan daarvan een bewijs ontvangt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat bewijs is het tijdstip van de kennisgeving vermeld. De APV spreekt van een 'bewijs'. Het 'bewijs' is hier niet expliciet als een bevoegdheid toegekend. Dit bewijs is dan ook niet op rechtsgevolg gericht en is geen besluit. Het is dus een verklaring dat de melding is gedaan. De afgifte van het bewijs betekent dat de organisator van de betoging tegenover derden zoals in voorkomend geval toezichthoudende of opsporingsautoriteiten kan aantonen dat de kennisgeving is gedaan. Het al dan niet afgeven van het bewijs dat de kennisgeving is ontvangen heeft op zichzelf geen enkel rechtsgevolg. Wanneer de organisator geen bewijs ontvangt kan dat tweeërlei oorzaak hebben. Op de eerste plaats kan de melding niet ontvankelijk zijn omdat de vereiste bescheiden waarvan de melding vergezeld moet gaan niet zijn ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval geldt de melding als niet gedaan. Op de tweede plaats kan de burgemeester niet akkoord gaan met het tijdstip waarop de demonstratie plaatsvindt. In het laatste geval zal deze constatering dienen te worden gevolgd door een nadrukkelijk verbod of een voorwaarde met betrekking tot tijd en/of plaats. De burgemeester kan in voorkomend geval uit een oogpunt van handhaving van de openbare orde beperkingen te stellen. Zie ook: mr. dr. P. Loof, 'De burgemeester en demonstratievrijheid', Gst.2007, 104 en het rapport demonstreren staat vrij van de Nationale Ombudsman van december 2007.De Hoge Raad onderschreef in een arrest het oordeel van het gerechtshof dat een demonstratie kan worden beëindigd doordat het meldingsgebod niet is nageleefd.</p></div>", "next": 239261}