{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Regels over activiteiten provinciale weg Subparagraaf 4.2.3.1 Algemene bepalingen activiteiten provinciale weg</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-48\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.8</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik provinciale weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf gaat over activiteiten in het Beperkingengebied vrij zicht provinciale weg en het Beperkingengebied beheer provinciale weg die nadelig zijn voor de belangen, bedoeld in Artikel 4.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 4.2.3 geldt niet voor activiteiten die worden verricht door of namens de wegbeheerder in het kader van de aanleg, de wijziging of het beheer van een weg of de regeling van het verkeer over die weg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-49\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.9</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht provinciale weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene die een activiteit in het Beperkingengebied vrij zicht provinciale weg verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in Artikel 4.5, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. het veilig en doelmatig gebruik en de instandhouding van wegen wordt verzekerd; b. het gebruik van de weg, in overeenstemming met haar functie als openbare weg, wordt verzekerd; c. het vrije zicht niet wordt beperkt; d. werkzaamheden op een zodanige wijze worden uitgevoerd dat hieruit geen schade voor de weg kan ontstaan; e. geen vaste stoffen of voorwerpen worden gedeponeerd, anders dan bij werkzaamheden ten behoeve van kabels en leidingen; f. het Beperkingengebied beheer provinciale weg niet wordt verontreinigd met hinderlijke of schadelijke vaste stoffen, hinderlijke of schadelijke vloeistoffen, en hinderlijke of schadelijke voorwerpen of met beplantingsresten; g. beplanting in een zodanige conditie wordt gehouden dat zij geen gevaar of hinder vormt voor de weggebruikers en geen schade veroorzaakt aan de weg; h. borden, spandoeken, vlaggenmasten, handelsreclame en licht- of geluidgevende voorzieningen op een zodanige plaats of wijze worden aangebracht dat de veiligheid van het verkeer niet in gevaar wordt gebracht; i. bermsloten in het Beperkingengebied beheer provinciale weg alleen worden gedempt, afgedamd of de afvoercapaciteit daarvan gewijzigd door of namens de wegbeheerder; j. aanleg of wijziging van de provinciale weg alleen geschiedt door of namens de wegbeheerder; en k. alle passende maatregelen worden genomen om ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1 van de wet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-410\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.10</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning activiteit provinciale weg algemeen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de aanvraagvereisten in de wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit op grond van deze paragraaf ten minste de volgende de gegevens en bescheiden verstrekt: a. de kilometrering en het wegnummer van de locatie waar de activiteit plaatsvindt op tekening; b. de datum en het tijdstip waarop de activiteit wordt begonnen; en c. de duur van de activiteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-411\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.11</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke eis verwijderen of verleggen van werk en object</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het belang van aanleg, verruiming of wijziging van een provinciale weg worden bouwwerken, werken die geen bouwwerken zijn of andere objecten, waarvoor geen omgevingsvergunning op grond van deze paragraaf is vereist, verplaatst of verlegd als die een belemmering vormen voor de voorbereiding of uitvoering van de aanleg, verruiming of wijziging van die weg door of namens de wegbeheerder.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als, ondanks een redelijke poging daartoe, met de rechthebbende op het bouwwerk, het werk dat geen bouwwerk is of het andere object geen schriftelijke overeenstemming is bereikt over de termijn waarop dat bouwwerk, werk of object wordt verplaatst of verlegd, stelt het bevoegd gezag die termijn bij maatwerkvoorschrift vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-412\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.12</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke eis uitsteken van beplanting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg steekt beplanting boven het Beperkingengebied beheer provinciale weg niet lager dan 4,50 meter boven de verkeersbanen en fietspaden uit en niet lager dan 3 meter boven voetpaden uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op Artikel 1.5 geldt het eerste lid ook voor de rechthebbenden op de beplanting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-413\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.13</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerkvoorschriften en vergunningvoorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen maatwerkvoorschriften stellen of een vergunningvoorschrift aan de omgevingsvergunning verbinden voor de activiteiten genoemd in Paragraaf 4.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van het bepaalde in Paragraaf 4.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in Paragraaf 4.2.3 kan worden verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 4.2.3.2 Activiteiten uitweg bij provinciale weg</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-414\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.14</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunning uitweg bij provinciale weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten in het Beperkingengebied beheer provinciale weg: a. het hebben of maken van een uitweg naar de provinciale weg; b. het maken van wijzigingen aan een bestaande uitweg naar de provinciale weg; c. het veranderen van het gebruik van een bestaande uitweg naar de provinciale weg van particulier naar bedrijfsmatig gebruik; en d. het intensiveren van het gebruik van een bedrijfsmatige uitweg.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing op verkooppunten als bedoeld in Artikel 4.35.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-415\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.15</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregel omgevingsvergunning uitweg bij provinciale weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd indien: a. de uitweg kan worden aangesloten op een parallelweg of op een weg van een gemeente, een waterschap of op een andere weg van lagere orde; b. de aanvraag betrekking heeft op een tweede uitweg van het perceel, tenzij een tweede uitweg in het belang van de verkeersveiligheid noodzakelijk is; c. de uitweg wordt aangesloten op een stroomweg; d. de uitweg wordt aangelegd op minder dan 50 meter van bochten, kruispunten, splitsingen, rotondes of verkeersregelinstallaties; of e. de verkeersveiligheid door de verkeersaantrekkende werking van het gebruik van het te ontsluiten perceel onevenredig wordt aangetast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-416\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.16</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregel omgevingsvergunning tijdelijke uitweg bij provinciale weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een tijdelijke uitweg wordt, aanvullend op Artikel 4.15, in ieder geval geweigerd indien: a. de uitweg niet noodzakelijk is voor het verrichten van werkzaamheden van tijdelijke aard; of b. het werkverkeer kan worden ontsloten via een bestaande uitweg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-417\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.17</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning uitweg bij provinciale weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het in Artikel 4.10 bepaalde wordt bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, ten minste aangegeven of er obstakels zijn die voor de beoogde aanleg of wijziging van de uitweg verwijderd moeten worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-418\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.18</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke eis uitvoering en onderhoud uitweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uit oogpunt van verkeersveiligheid, doorstroming en een uniforme inrichting van de provinciale weg bepalen gedeputeerde staten in de voorschriften van een omgevingsvergunning voor een uitweg dat: a. de aanleg en het onderhoud van de uitweg in het Beperkingengebied beheer provinciale weg door of in opdracht van de provincie wordt uitgevoerd; en b. een financiële vergoeding verschuldigd is voor het onder a. genoemde aanleg en onderhoud.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 4.2.3.3 Activiteiten kabels, leidingen, lasgaten, huisaansluitingen, duikers, goten, buizen, afrasteringen en andere werken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-419\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.19</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsvergunning kabels, leidingen, lasgaten, huisaansluitingen, duikers, goten, buizen, afrasteringen en ander werken Het is verboden zonder omgevingsvergunning kabels, leidingen, duikers, goten, buizen, afrasteringen en andere werken te hebben, op te richten, aan te leggen, te wijzigen of te verwijderen in het Beperkingengebied beheer provinciale weg, tenzij een meldplicht geldt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-420\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.20</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beoordelingsregel omgevingsvergunning kabels, leidingen, lasgaten, huisaansluitingen, duikers, goten, buizen, afrasteringen en andere werken Een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd indien er een aanmerkelijke kans bestaat op schade of aantasting van het veilig en doelmatig gebruik van een weg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-421\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.21</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking of wijziging van omgevingsvergunning kabels en leidingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het bepaalde in Artikel 1.9 kan een omgevingsvergunning voor kabels of leidingen worden ingetrokken of gewijzigd indien: a. een kabel of leiding of een deel daarvan, moet worden verlegd als gevolg van werkzaamheden van de provincie of derden, en er geen ruimte is om de kabel of leiding te laten liggen of terug te plaatsen; b. de vergunninghouder niet voldoet aan het verzoek tot het nemen van maatregelen of het doen van aanpassingen, die nodig zijn voor de realisering van provinciale infrastructurele maatregelen of voor de uitvoering van beheer en onderhoud.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-422\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.22</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning kabels en leidingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het in Artikel 4.10 bepaalde worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, aanleggen, plaatsen, in stand houden, slopen of verwijderen van kabels en leidingen, ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. voor het aanleggen of plaatsen van een kabel of leiding:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>een beschrijving van de soort kabel of leiding;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>een beschrijving van de wijze van aanleg van de kabel of leiding;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>de kilometrering, het wegnummer en de ligging van de kabel of leiding op tekening;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>als een gestuurde boring wordt gebruikt: een boorplan;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>als wordt geboord bij de fundering van een viaduct: een beschrijving van de invloed van de boring op de fundering; b. voor het in stand houden van een kabel of leiding:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>een beschrijving van de werkzaamheden aan de kabel of leiding;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de kilometrering en de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen op tekening; en c. voor het slopen of verwijderen van een kabel of leiding:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>een beschrijving van de wijze van verwijderen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de kilometrering en de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen op tekening.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-423\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.23</span><span class=\"lf-art-t\">Meldplicht lasgaten en huisaansluitingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder melding in het Beperkingengebied beheer provinciale weg lasgaten en huisaansluitingen voor de watervoorziening, de energievoorziening of de telecommunicatie te hebben, leggen of wijzigen als daarvoor geen verhardingen van de weg worden opgebroken of gekruist.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De melding wordt ten minste drie weken en ten hoogste twee maanden gedaan voordat de activiteit wordt verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste drie weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig de gemelde gegevens, wordt een nieuwe melding gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De melding met alle daarbij behorende stukken zijn tijdens de werkzaamheden op het werk aanwezig. Op verzoek van het bevoegd gezag wordt deze melding onmiddellijk getoond.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De activiteit bedoeld in het eerste lid wordt uitgevoerd met in achtneming van de regels van Bijlage VIII Specifieke eisen Kabels en Leidingen bij deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-424\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.24</span><span class=\"lf-art-t\">Meldplicht telecom en laag- of middenspanning elektriciteit kabels en leidingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder melding in het Beperkingengebied beheer provinciale weg kabels en leidingen in de zin van de Telecommunicatiewet of laag- en middenspanning elektriciteitskabels aan te leggen, te plaatsen, in stand te houden, te slopen of te verwijderen als daarvoor geen verhardingen van de weg worden opgebroken of gekruist, met inbegrip van: a. het bouwen, in stand houden en slopen van bouwwerken die daarmee samenhangen; en b. het aanleggen, plaatsen, in stand houden en verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn, die daarmee samenhangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De melding wordt ten minste vier weken en ten hoogste twee maanden gedaan voordat de activiteit wordt verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig de gemelde gegevens, wordt een nieuwe melding gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De melding met alle daarbij behorende stukken zijn tijdens de werkzaamheden op het werk aanwezig. Op verzoek van het bevoegd gezag wordt deze melding onmiddellijk getoond.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De activiteit bedoeld in het eerste lid wordt uitgevoerd met in achtneming van de regels van Bijlage VIII Specifieke eisen Kabels en Leidingen bij deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-425\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.25</span><span class=\"lf-art-t\">Meldplicht gedenkteken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder melding in het Beperkingengebied beheer provinciale weg een gedenkteken naar aanleiding van een dodelijk ongeval te plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gedenkteken naar aanleiding van een dodelijk ongeval wordt onder voorwaarden door de provincie ter beschikking gesteld en wordt alleen in overleg met de directe nabestaanden geplaatst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-426\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.26</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke vereisten melding lasgaten en huisaansluitingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een melding bevat naast de in Artikel 1.12 gevraagde gegevens ten minste een tekening met wegnummer en hectometrering van de beoogde ligging van de lasgaten en huisaansluitingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-427\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.27</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke vereisten melding telecom en laag- of middenspanning elektriciteit kabels en leidingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het in Artikel 1.12 bepaalde worden bij een melding ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. voor het aanleggen of plaatsen van een kabel of leiding:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>een beschrijving van de soort kabel of leiding;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>een beschrijving van de wijze van aanleg van de kabel of leiding;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>de kilometrering, het wegnummer en de ligging van de kabel of leiding op tekening;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>als een gestuurde boring wordt gebruikt: een boorplan;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>als wordt geboord bij de fundering van een viaduct: een beschrijving van de invloed van de boring op de fundering; b. voor het in stand houden van een kabel of leiding:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>een beschrijving van de werkzaamheden aan de kabel of leiding;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de kilometrering en de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen op tekening; en c. voor het slopen of verwijderen van een kabel of leiding:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>een beschrijving van de wijze van verwijderen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de kilometrering en de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen op tekening.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-428\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.28</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke vereisten melding gedenkteken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[Gereserveerd] Subparagraaf 4.2.3.4 Activiteiten borden en vergelijkbare objecten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-429\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.29</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunning borden en vergelijkbare objecten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning borden, spandoeken, vlaggenmasten, handelsreclame, kunstuitingen, licht- of geluidgevende voorzieningen of vergelijkbare objecten te hebben, plaatsen of wijzigen in het Beperkingengebied beheer provinciale weg, tenzij een meldplicht geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod geldt niet voor verkeerstekens en onderborden als bedoeld in artikel 14 van de Wegenverkeerswet 1994.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-430\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.30</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregel omgevingsvergunning borden en vergelijkbare objecten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd indien: a. niet voldaan wordt aan Artikel 4.9, tweede lid, sub h; b. er sprake is van commerciële aanduidingen; c. het object in zichthoeken komt te staan; d. het object botsgevaarlijk is; e. het object bevestigd wordt aan wegmeubilair.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-431\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.31</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beoordelingsregel omgevingsvergunning borden en vergelijkbare objecten ter aanduiding van objecten en terreinen Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor borden of vergelijkbare objecten ter aanduiding van objecten en terreinen, al dan niet met een toeristisch karakter, wordt, aanvullend op Artikel 4.30, in ieder geval geweigerd indien: a. er op basis van de algemene geografische bewegwijzering kan worden gereden naar een geografische bestemming waar het terrein of object is gelegen of waarmee het terrein of object wordt geassocieerd; of b. hiermee geen verkeersveilige afwikkeling en geen ongehinderde doorstroming van het verkeer bevorderd wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-432\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.32</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning borden en vergelijkbare objecten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de aanvraagvereisten in de wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bord of vergelijkbaar object, bedoeld in Artikel 4.29, ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de kilometrering en het wegnummer van de locatie waar de borden of vergelijkbare objecten worden geplaatst op tekening; b. de datum en het tijdstip waarop met de plaatsing wordt begonnen; en c. de duur van de periode waarin de borden aanwezig zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-433\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.33</span><span class=\"lf-art-t\">Meldplicht borden, tijdelijke verwijsborden en vergelijkbare objecten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder melding in het Beperkingengebied beheer provinciale weg: a. borden, spandoeken, vlaggenmasten, handelsreclame, kunstuitingen, licht- of geluidgevende voorzieningen of vergelijkbare objecten te hebben, plaatsen of wijzigen buiten het Gebied landschappelijke waarden; en b. tijdelijke verwijsborden, kort voor en tijdens een evenement te plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De melding wordt ten minste twee weken voor het begin ervan gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste lid genoemde objecten moeten voldoen aan het bepaalde in Artikel 4.30.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-434\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.34</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke vereisten melding tijdelijke verwijsborden, borden en vergelijkbare objecten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een melding voor een tijdelijk verwijsbord, een bord of vergelijkbaar object, bedoeld in Artikel 4.33, worden ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de kilometrering en het wegnummer van de locatie waar de borden of vergelijkbare objecten worden geplaatst op tekening; b. de datum en het tijdstip waarop met de plaatsing wordt begonnen; en c. de duur van de periode waarin de borden aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 4.2.3.5 Activiteiten standplaats en verkooppunt</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-435\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.35</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunning standplaats en verkooppunt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten in het Beperkingengebied beheer provinciale weg: a. een standplaats voor handel of bedrijf in te nemen en te hebben; of b. een verkooppunt voor het leveren van energie aan voertuigen of andere goederen in te richten en te hebben.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-436\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.36</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregel omgevingsvergunning standplaats en verkooppunt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd indien: a. er een aanmerkelijke kans bestaat op overlast, hinder of onveiligheid voor het verkeer en de omgeving; of b. toestemming van de desbetreffende gemeente ontbreekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-437\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.37</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregel omgevingsvergunning standplaats en verkooppunt op carpoolplaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een standplaats of verkooppunt op een carpoolplaats wordt, aanvullend op Artikel 4.36 in ieder geval geweigerd indien: a. op de carpoolplaats op hetzelfde tijdstip al een standplaats of verkoopplaats van de betreffende productgroep vergund is; of b. onvoldoende parkeerruimte overblijft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-438\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.38</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning standplaats en verkooppunt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het in Artikel 4.10 bepaalde worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 4.35, ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. omschrijving van de aanleiding, doelstelling en doelgroep van de standplaats of verkooppunt; b. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan een duurzame opzet van de standplaats of verkooppunt; c. de wijze waarop het terrein zal worden schoongehouden; d. de wijze waarop zorg wordt gedragen voor toezicht en sociale veiligheid; e. de vereiste diploma's voor en de opgedane ervaring met het exploiteren van een standplaats of verkooppunt; f. indien van toepassing: de wijze waarop een energievoorziening wordt gerealiseerd; en g. indien van toepassing: de wijze waarop de standplaats of verkooppunt wordt gepromoot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 4.2.3.6 Activiteiten evenement</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-439\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.39</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunning evenement</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het Beperkingengebied beheer provinciale weg een evenement te houden waarbij de doorstroming van het verkeer wordt belemmerd of de verkeersveiligheid op de provinciale weg in gevaar wordt gebracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-440\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.40</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregel omgevingsvergunning evenement</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een evenement wordt in ieder geval geweigerd indien: a. een evenement onaanvaardbare verstoring van of schade aan natuur en landschap tot gevolg zou hebben; b. de route van een evenement binnen het natuurnetwerk Nederland ligt; c. een evenement plaatsvindt op dagen waarop door bijzondere gebeurtenissen of omstandigheden extra verkeersdrukte verwacht kan worden; d. de bereikbaarheid van het verkeer, waaronder het openbaar vervoer en hulpdiensten, en de verkeersveiligheid onvoldoende geborgd zijn; of e. de politie of hulpdiensten negatief adviseren over de gevolgen van het evenement voor het gebruik van en de veiligheid op de provinciale weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien voor dezelfde datum meerdere evenementen aangevraagd worden die gelijktijdig plaatsvinden en die in verband met situering, schaalgrootte en verkeersaantrekkende werking niet gelijktijdig kunnen plaatsvinden geldt de volgende rangorde: a. internationale evenementen; b. nationale evenementen; c. regionale evenementen; d. lokale evenementen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-441\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.41</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning evenement</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het in Artikel 4.10 bepaalde worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 4.39, ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. naam en Kamer van Koophandel inschrijving van de vereniging die het evenement organiseert; b. een kopie van de verzekeringspolis waaruit blijkt dat de organisatie verzekerd is tegen de wettelijke aansprakelijkheid voor schade, die uit (het organiseren van) het evenement kan voortvloeien; c. de doelgroep van het evenement; d. het verwachte aantal deelnemers; e. het verwachte aantal bezoekers; f. een indicatie van vanwaar de bezoekers afkomstig zijn (plaatselijk, regionaal, landelijk of internationaal); g. het aantal volgauto's indien van toepassing; h. de te treffen verkeersmaatregelen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de benodigde afsluitingen van wegen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de benodigde en geregelde parkeergelegenheid;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>de benodigde en geregelde fietsenstallingen; en 4. de benodigde omleidingen van het openbaar vervoer en het overige verkeer indien van toepassing; i. de organisatie die de verkeersmaatregelen uitvoert; j. het aantal, de soort en de plaats waar objecten zoals podia, kramen en tenten worden geplaatst; k. een topografische kaart waarop de plaats van het evenement is aangegeven of waarop de gehele route van het evenement is aangegeven, inclusief rijrichting en eventuele controleposten; l. een routebeschrijving met tijdschema, waarin alle wegen die binnen de provincie Utrecht bereden worden staan vermeld, evenals de gemeenten waarbinnen ze gelegen zijn, indien van toepassing. Bij provincie overschrijdende evenementen moeten ook de wegen in de andere provincie vermeld worden; m. een verklaring waaruit blijkt dat de gemeentelijke overheid bereid is medewerking te verlenen aan het te houden evenement; n. een verklaring waaruit blijkt dat er overeenstemming is met betrokken wegbeheerders over de eventuele omleidingsroutes; o. een verklaring van de beheerder(s) van in de route opgenomen onverharde weggedeelten of eigen wegen, dat tegen het berijden daarvan geen bezwaren bestaan, dan wel een verklaring van de organisatie dat bedoelde verklaring van geen bedenkingen mondeling is verkregen; en p. de wijze waarop de belangen van aanwonenden zijn meegenomen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-442\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.42</span><span class=\"lf-art-t\">Meldplicht tijdelijk verwijsbord evenement</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder melding in het Beperkingengebied beheer provinciale weg tijdelijke verwijsborden kort voor en tijdens een evenement te plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De melding wordt ten minste twee weken voor het begin van het evenement gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdelijke verwijsborden moeten voldoen aan het bepaalde in Artikel 4.30.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-443\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.43</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke vereisten melding tijdelijk verwijsbord evenement</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een melding voor een tijdelijk verwijsbord worden ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de kilometrering en het wegnummer van de locatie waar de borden of vergelijkbare objecten worden geplaatst op tekening; b. de datum en het tijdstip waarop met de plaatsing wordt begonnen; en c. de duur van de periode waarin de borden aanwezig zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-444\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.44</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke eis tijdelijk verwijsbord evenement</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg zijn tijdelijke verwijsborden alleen kort vóór en tijdens een evenement aanwezig.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De borden zijn niet groter dan 1 meter bij 1 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De borden worden binnen 24 uur na afloop van het evenement verwijderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er worden niet meer dan twee borden bij elkaar op een locatie aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De borden worden geplaatst in de onverharde buitenberm op een afstand van ten minste 2,5 meter uit de kant van de verharding.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  4.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Lokale spoorweg</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.3.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemene bepalingen lokale spoorweg</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-445\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.45</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerk lokale spoorweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het behoeden van de staa​​t en werking van een lokale spoorweg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die spoorweg, waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die spoorweg behoort.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-446\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.46</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing beperkingengebied lokale spoorweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Beperkingengebied lokale spoorweg bestaat uit: a. de Kernzone lokale spoorweg; en b. de Beschermingszone lokale spoorweg.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.3.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Instructieregels lokale spoorweg</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-447\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.47</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel beperkingengebied lokale spoorweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover een omgevingsplan voorziet in het realiseren of wijzigen van bouwwerken binnen het Beperkingengebied lokale spoorweg, wordt rekening gehouden met het belang van de instandhouding en uitbreiding van de lokale spoorweg.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De motivering van een omgevingsplan bevat een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de instandhouding en uitbreiding van de lokale spoorweg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-448\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.48</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel hinder lokale spoorweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties gelegen binnen het Beperkingengebied lokale spoorweg bevat regels voor bestaande gebouwen die getransformeerd worden tot geluidgevoelige gebouwen mits zij een binnenwaarde van maximaal 33 Lden hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover een omgevingsplan betrekking heeft op locaties gelegen binnen het Beperkingengebied lokale spoorweg: a. zijn nieuwe geluidgevoelige gebouwen in buiten de bebouwde kom toegestaan tot een geluidsbelasting van maximaal 60 Lden op de gevel; en b. nieuwe geluidgevoelige gebouwen binnen de bebouwde kom toegestaan tot een geluidsbelasting van 65 Lden op de gevel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat wordt voldaan aan: a. de voorwaarden in het eerste en tweede lid; en b. er maatregelen worden genomen om de hinder van geluid, trillingen, elektromagnetische straling of emissies van koper- of ijzerslijpsel, veroorzaakt door de lokale spoorweg, nu en in de toekomst te voorkomen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.3.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Regels over activiteiten lokale spoorweg</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-449\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.49</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik lokale spoorweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf gaat over activiteiten in het Beperkingengebied lokale spoorweg, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de belangen, bedoeld in Artikel 4.45.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-450\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.50</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijstelling vergunningplicht beschermingszone lokale spoorweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod, bedoeld in artikel 9.48, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning een activiteit in een beperkingengebied met betrekking tot een lokale spoorweg te verrichten, geldt niet voor activiteiten in de Beschermingszone lokale spoorweg, met uitzondering van: a. het bouwen en in stand houden van bouwwerken en het plaatsen en behouden van objecten, met inbegrip van bomen, met een hoogte die groter is dan de kortste afstand van het bouwwerk of object tot de bovenleiding; b. het planten en behouden van bomen waarvan de kroon binnen een afstand van 5 meter vanaf de bovenleiding kan groeien; c. het gebruiken van een ladder, hijskraan of hoogwerker met een hoogte die groter is dan de kortste afstand van de locatie waar de hijskraan of hoogwerker wordt gebruikt tot de bovenleiding; d. het uitvoeren van heiwerkzaamheden; e. het uitvoeren van graafwerkzaamheden met een diepte van meer dan 1/10 van de afstand tot buitenste spoorstaaf; f. het onttrekken van grondwater; en g. andere activiteiten die van invloed zijn op het lokale spoor.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-451\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.51</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning lokale spoorweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op paragraaf 7.1.7 van de Omgevingsregeling, worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een werkplan waarin wordt beschreven hoe de activiteit wordt verricht, inclusief RI&amp;E; b. een beschrijving van de locatie en de inrichting van het werkterrein waarop in ieder geval is aangegeven de locatie van bouwketen, werkmaterieel inclusief draaicirkels en (werk)hoogte, opslagtanks en aan- en afvoerwegen; c. een omschrijving van de gevolgen van de werkzaamheden voor de toegankelijkheid, de veiligheid en het doelmatig gebruik van de spoorweginfrastructuur; d. een Veiligheid &amp; Gezondheid plan Uitvoeringsfase (V&amp;G U-plan) conform het Kader Werkzaamheden Tramweg (KWT); e. een uitvoeringsplan waarin wordt aangetoond dat de baan veilig berijdbaar is tijdens en na de werkzaamheden en indien van toepassing een Plan Veilige Berijdbaarheid conform het Kader Werkzaamheden Tramweg (KWT); f. een werktekening met diepteligging onder trambaan, route en diameter of diameters van te boren of persen leidingen) en een kraterberekening indien van toepassing; en g. een monitoringsplan als graaf-, hei- of bronneringswerkzaamheden worden verricht.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  4.4</h3>\n<p class=\"lf-p\">Vaarweg</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.4.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemene bepaling vaarweg</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-452\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.52</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerk vaarweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. de instandhouding en de bruikbaarheid van Vaarweg en en de bijbehorende werken; en b. de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer op vaarwegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Taken en bevoegdheden op grond van deze afdeling kunnen ook worden uitgeoefend met het oog op de volgende belangen in het gebied waar de vaarweg is gelegen: a. het beschermen van landschappelijke, cultuurhistorische en aardkundige waarden; en b. de natuurbescherming.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.4.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemene bepalingen vaarwegbeheer</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-453\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.53</span><span class=\"lf-art-t\">Toedeling vaarwegbeheer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provincie Utrecht is belast met het vaarwegbeheer van de Vaarweg in beheer bij provincie Utrecht, bedoeld in lijst A van Bijlage IX Vaarwegbeheer bij deze verordening, onder de nummers 1 tot en met 4 opgenomen regionale wateren en sluizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vaarwegbeheer van Vaarweg niet in beheer bij provincie Utrecht bij provincie Utrecht , bedoeld in lijst A van Bijlage IX Vaarwegbeheer bij deze verordening, onder de nummers 5 tot en met 13 opgenomen regionale wateren en sluizen, wordt uitgevoerd door de in deze lijst aangegeven bestuursorganen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het vaarwegbeheer van de in lijst B en C van Bijlage IX Vaarwegbeheer bij deze verordening, opgenomen regionale wateren en sluizen zijn belast de op de betreffende lijst aangegeven bestuursorganen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het nautisch beheer van de in lijst A, B en C van Bijlage IX Vaarwegbeheer bij deze verordening, opgenomen regionale wateren en sluizen ligt bij het op de betreffende lijst aangegeven bestuursorgaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-454\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.54</span><span class=\"lf-art-t\">Vaarwegonderhoud door vaarwegbeheerder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vaarwegbeheerder draagt zorg voor het onderhoud van de vaarweg. Het onderhoud omvat: a. het behouden of realiseren van de vaarwegdiepte en vaarweghoogte, zoals vastgesteld in het Besluit minimaal benodigde doorvaarthoogten en het Besluit minimaal benodigde vaarwegdiepten; b. het in goede staat houden of brengen van oevers, oevervoorzieningen en kunstwerken; en c. het schoonhouden van de vaarweg.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontheffing van het realiseren van de vaarweghoogte wordt alleen verleend als bij de bouw van een vaste brug redelijkerwijs niet aan die vaarweghoogte kan worden voldaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-455\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.55</span><span class=\"lf-art-t\">Bediening bruggen en sluizen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De vaarwegbeheerder draagt er zorg voor dat de bruggen en sluizen worden bediend op de door gedeputeerde staten vastgestelde tijden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-456\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.56</span><span class=\"lf-art-t\">Verhaalplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schepen, samenstellen van schepen en drijvende voorwerpen worden op aanwijzing van de vaarwegbeheerder verhaald, als onderhoud van een vaarweg of bijbehorend werk dat nodig maakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behoudens in spoedgevallen wordt de zakelijk gerechtigde of de gebruiker van een schip, een samenstel van schepen of van een drijvend voorwerp ruimschoots van tevoren door de vaarwegbeheerder schriftelijk in kennis gesteld van de te verrichten onderhoudswerkzaamheden aan een vaarweg of bijbehorend werk.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.4.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Regels over activiteiten vaarweg</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-457\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.57</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik vaarweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf gaat over activiteiten in het Beperkingengebied vaarweg, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de belangen, bedoeld in Artikel 4.52 .</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-458\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.58</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht vaarweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in Artikel 4.52, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. geen stoffen of voorwerpen in het Beperkingengebied vaarweg worden gebracht die schade toebrengen aan de vaarweg of de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer; b. houtopstand zo wordt onderhouden dat geen hinder voor de scheepvaart wordt veroorzaakt; en c. bij het verrichten van activiteiten geen belemmering of hinder voor de scheepvaart wordt veroorzaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-459\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.59</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit vaarweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het Beperkingengebied vaarweg de volgende activiteiten te verrichten: a. het veranderen van de loop of de vaarwegdiepte van de vaarweg; b. het aanbrengen, hebben, veranderen of verwijderen van werken of objecten; en c. het aanbrengen, hebben of veranderen van een ligplaats of afmeervoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod geldt niet voor activiteiten door of namens de provincie in het kader van het vaarwegbeheer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-460\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.60</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit vaarweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[Gereserveerd]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-461\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.61</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit vaarweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning intrekken, als de omstandigheden aanmerkelijk zijn gewijzigd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.4.4</h3>\n<p class=\"lf-p\">Regels over activiteiten vaarwegen varend ontgassen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-462\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.62</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod ontgassen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is de vervoerder en de schipper in het gebied Verbod varend ontgassen verboden een ladingtank met restladingdampen van de volgende stoffen vanaf een binnenschip op een vaarweg te ontgassen: a. benzeen (UN-nummer 1114); b. ruwe aardolie met meer dan 10% benzeen (UN-nummer 1267); c. aardoliedestillaten N.E.G. met meer dan 10% benzeen of aardolieproducten N.E.G met meer dan 10% benzeen (UN 1268); d. brandstof voor straalvliegtuigen met meer dan 10% benzeen (UN 1863); e. brandbare vloeistoffen, N.E.G. met meer dan 10% benzeen (UN 1993); en f. koolwaterstoffen, vloeibaar met meer dan 10% benzeen (UN 3295).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van een restladingdamp als bedoeld het eerste lid, is sprake bij een concentratie van die damp in de ladingtank groter dan of gelijk aan 10% van de onderste explosiegrens.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-463\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.63</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijstelling om veiligheidsredenen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod, bedoeld in Artikel 4.62, is niet van toepassing, wanneer het ontgassen plaatsvindt: a. voor drukverevening die om veiligheidsredenen moet plaatsvinden; b. tijdens of na een calamiteit met het binnenschip, als het ontgassen om veiligheidsredenen noodzakelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-464\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.64</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijstelling voorafgaande belading</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod, bedoeld in Artikel 4.62, is niet van toepassing als kan worden aangetoond dat: a. de drie voorafgaande ladingen in de desbetreffende ladingtank niet bestonden uit stoffen als genoemd in dat artikel; of b. de desbetreffende ladingtank bij de voorafgaande belading voor meer dan 95% gevuld was met een andere stof dan bedoeld in dat artikel.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  4.5</h3>\n<p class=\"lf-p\">Luchthavens</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-465\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.65</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel luchtvaartterrein</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Luchtvaartterrein bevat geen regels die voorzien in nieuwvestiging van een luchtvaartterrein voor gemotoriseerde luchtvaartuigen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-466\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.66</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel Buffer luchtvaartterrein</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Buffer luchtvaartterrein bevat geen regels die voorzien in nieuwvestiging van een luchtvaartterrein voor gemotoriseerde luchtvaartuigen tenzij uit onderzoek is gebleken dat de geluidsbelasting onder de grens, genoemd in de Bijlage XVII Luchtvaartterrein bij deze verordening, blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing en de onderzoeksresultaten waaruit blijkt dat aan de voorwaarden is voldaan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  4.6</h3>\n<p class=\"lf-p\">Externe veiligheid basisnet</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-467\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.67</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel externe veiligheid basisnet</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[Gereserveerd]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-468\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.68</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheid rond basisnet</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[Gereserveerd]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  4.7</h3>\n<p class=\"lf-p\">Geluid provinciale weg</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-469\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.69</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerk geluid provinciale weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het behouden van de staat en werking van de provinciale weg.​​</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-470\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.70</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing weg waarvoor een geluidproductieplafond geldt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor alle openbare wegen in beheer bij de provincie worden geluidproductieplafonds vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-471\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.71</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel geluidscontour van provinciale wegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties gelegen binnen de Geluidscontour van provinciale wegen bevat regels voor bestaande gebouwen die getransformeerd worden tot geluidgevoelige gebouwen mits zij een binnenwaarde van maximaal 33 Lden hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover een omgevingsplan betrekking heeft op locaties gelegen binnen de Geluidscontour van provinciale wegen: a. zijn nieuwe geluidgevoelige gebouwen in het Geluidscontour buiten de bebouwde kom toegestaan tot een geluidsbelasting van maximaal 60 Lden op de gevel; b. nieuwe geluidgevoelige gebouwen in het Geluidscontour binnen de bebouwde kom toegestaan tot een geluidsbelasting van 65 Lden op de gevel;</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de voorwaarden is voldaan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  4.8</h3>\n<p class=\"lf-p\">Ontgrondingen voor infrastructuur en waterstaatswerken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-472\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.72</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerk ontgrondingen voor infrastructuur en waterstaatswerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de doelmatige uitoefening van taken en bevoegdheden voor infrastructuur en waterstaatswerken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-473\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.73</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijstelling van omgevingsvergunning voor ontgrondingsactiviteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving is geen omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit vereist voor het ontgronden, aanleggen, verbeteren, onderhouden of wijzigen van wegen, spoorwegen of andere grote infrastructurele werken als: a. de activiteit plaatsvindt door of vanwege het Rijk, de provincie, een gemeente of een waterschap; b. de grondlagen dieper dan 3 meter onder het maaiveld niet worden ontgraven; en c. de activiteit plaatsvindt ter uitvoering van een omgevingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 16.7, onderdeel g, onder 1o, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden ontgrondingsactiviteiten voor het aanleggen, veranderen of verwijderen van een waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder alleen zonder omgevingsvergunning verricht als de grondlagen dieper dan 2 meter onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 16.7, onderdeel h, onder 2o, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden ontgrondingsactiviteiten voor het uitvoeren van een maatregel uit een omgevingsplan, projectbesluit of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit alleen zonder omgevingsvergunning verricht als de grondlagen dieper dan 2 meter onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-474\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.74</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijken van vergunningvrije gevallen ontgrondingsactiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 16.7, onderdeel g, onder onder 1o, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden ontgrondingsactiviteiten voor het aanleggen, veranderen of verwijderen van een waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder alleen zonder omgevingsvergunning verricht als de grondlagen dieper dan 2 meter onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 16.7, onderdeel h, onder 2o, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden ontgrondingsactiviteiten voor het uitvoeren van een maatregel uit een omgevingsplan, projectbesluit of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit alleen zonder omgevingsvergunning verricht als de grondlagen dieper dan 2 meter onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  5</h3>\n<p class=\"lf-p\">Energie</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Wind, zon en biomassa</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik nieuwe functies voor energie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling is van toepassing op nieuwe functies voor energie uit wind, zon en biomassa.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijking van instructieregel verstedelijkingsverbod landelijk gebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van Artikel 9.3 kan een omgevingsplan verstedelijking in het Landelijk gebied toestaan om nieuwe functies voor energie en transformatorstations mogelijk te maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel kleine windturbine</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Kleine windturbine kan regels bevatten die de realisatie van windturbines tot een ashoogte van 20 meter toestaan onder de voorwaarde dat de windturbines worden geplaatst op of in aansluiting op bestaande bouwpercelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid is een windturbine tot een ashoogte van 30 meter toegestaan indien dat noodzakelijk is om volledig of bijna volledig in eigen energiebehoefte van de bestaande bouwwerken te voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De motivering van een omgevingsplan bevat: a. een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan; en b. dat de energieopbrengst van die windturbine opweegt tegen de impact die de turbine heeft op de omgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-54\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel windenergielocatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Windenergie kan regels bevatten die de realisatie van windturbines met een vermogen van 3 MW of meer toestaan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. de windturbines worden in een in de omgeving passende combinatie van meerdere windturbines opgesteld; en b. er wordt voorzien in een opruimplicht na beëindiging van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een omgevingsplan windturbines met een vermogen van minder dan 3 MW toestaat, wordt onderbouwd waarom windturbines met een vermogen van 3 MW of meer niet mogelijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een omgevingsplan een solitaire windturbine toestaat, wordt onderbouwd waarom meerdere windturbines niet mogelijk zijn en dat de energieopbrengst van die solitaire windturbine opweegt tegen de impact die een solitaire turbine heeft op de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De motivering van een omgevingsplan bevat: a. een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan; b. een beeldkwaliteitsparagraaf; en c. een beschrijving van hoe de omwonenden en andere stakeholders in de planvorming zijn betrokken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-55\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel zonneveld</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Zonneveld kan regels bevatten die de realisatie van opwekking van zonne-energie toestaan door middel van zonnevelden, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de structuren in het landschap herkenbaar blijven en voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing; b. de zonnepanelen in een opstelling worden geplaatst die ruimte biedt voor een bij het gebied passende bodemkwaliteit en waterkwaliteit; en c. voorzien wordt in een opruimplicht na beëindiging van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De motivering van een omgevingsplan bevat: a. een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan; b. een beeldkwaliteitsparagraaf; c. een beschrijving van hoe de omwonenden en andere stakeholders in de planvorming zijn betrokken; en d. een beschrijving van het door de gemeente te voeren beleid inzake de mogelijkheden voor kavelruil vanwege het behouden en verbeteren van een goede landbouwstructuur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-56\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.6</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel energie uit biomassa landelijk gebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties voor Energie uit biomassa landelijk gebied kan regels bevatten die de realisatie van ontwikkelingen op het gebied energie uit biomassa toestaan, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de vestiging van kleinschalige biomassa-installaties vindt plaats in het landelijk gebied in aansluiting op bestaande bebouwde agrarische bouwpercelen of bestaande legale halfverhardingen of verhardingen op landgoederen, in overeenstemming met de schaal van de bebouwde omgeving, tenzij op een andere nabijgelegen locatie een betere landschappelijke inpassing kan worden bereikt; b. bestaande omringende functies worden niet onevenredig aangetast of beperkt; en c. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regels die de realisatie van ontwikkelingen op het gebied van energie uit biomassa toestaan op grond van het eerste lid zijn voor bio-energie installaties met een met een nominaal ingaand thermisch vermogen groter dan 500 kilowatt slechts mogelijk als: a. redelijkerwijs geen alternatieve hernieuwbare energiebronnen beschikbaar zijn; b. de biomassa niet voor hoogwaardigere toepassingen kan worden ingezet; c. de biomassa is gecertificeerd; en d. de biomassa een aanmerkelijk lagere CO2-emissie heeft dan gangbare fossiele brandstoffen 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de onderbouwing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-57\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel energie uit biomassa stedelijk gebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Energie uit biomassa stedelijk gebied bevat geen regels die de realisatie van ontwikkelingen op het gebied energie uit biomassa toestaan, tenzij: a. redelijkerwijs geen alternatieve hernieuwbare energiebronnen beschikbaar zijn; b. de biomassa niet voor hoogwaardigere toepassingen kan worden ingezet; c. de biomassa is gecertificeerd; en d. de biomassa een aanmerkelijk lagere CO2-emissie heeft dan gangbare fossiele brandstoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Transformatorstation</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-58\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.8</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunning transformatorstation</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit een transformatorstation met niet in een gesloten gebouw ondergebrachte transformatoren en een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, op te richten of te wijzigen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-59\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.9</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning transformatorstation</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de aanvraagvereisten in de wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 5.8, ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een beschrijving van de activiteit; b. een situatietekening en een detailtekening met de locatie van de uit te voeren activiteit; c. een geluidsrapport; en d. een beschrijving van de maatregelen die genomen worden om de nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen of te beperken.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  6</h3>\n<p class=\"lf-p\">Natuur</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  6.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Natuurnetwerk Nederland, Groene contour en Weidevogelkerngebieden</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  6.1.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemene bepaling natuurnetwerk Nederland, Groene contour en Weidevogelkerngebieden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerk natuurnetwerk Nederland, Groene contour en Weidevogelkerngebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de natuurbescherming, het in stand houden en versterken van een robuust netwerk van natuurgebieden en het behouden en versterken van de biodiversiteit. Daartoe is het uitgangspunt van deze regels en bij de toepassing daarvan, dat de kwaliteit en oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland niet achteruitgaan en dat de samenhang tussen de gebieden van het natuurnetwerk Nederland wordt behouden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  6.1.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Instructieregels natuurnetwerk Nederland, Groene contour en Weidevogelkerngebieden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-62\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel bescherming natuurnetwerk Nederland</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het natuurnetwerk Nederland bevat regels die strekken tot bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kwaliteit, de wezenlijke kenmerken en waarden en samenhang van het natuurnetwerk Nederland.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de voorwaarden is voldaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-63\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel geen aantasting natuurnetwerk Nederland</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het natuurnetwerk Nederland maakt geen nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten mogelijk die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk Nederland, bedoeld in Bijlage XI Wezenlijke kenmerken en waarden van deze verordening, of die kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang van het natuurnetwerk Nederland, tenzij sprake is van: a. nieuwe activiteiten en wijziging van bestaande activiteiten vanwege een groot openbaar belang, waarbij er geen reële alternatieven zijn die het natuurnetwerk Nederland niet of minder aantasten; b. nieuwe activiteiten en wijziging van bestaande activiteiten die leiden tot aantasting worden gecompenseerd binnen een met die ruimtelijke ontwikkeling samenhangend gebied en met dusdanige activiteiten dat de uitvoering van die activiteiten gezamenlijk binnen 10 jaar resulteert in een duidelijk aantoonbare meerwaarde voor het natuurnetwerk Nederland voor wat betreft wezenlijke kenmerken en waarden, kwaliteit, oppervlakte en samenhang; of c. nieuwe activiteiten en wijziging van bestaande activiteiten in het natuurnetwerk Nederland die beperkt worden gewijzigd of worden toegevoegd, waarbij die wijziging of toevoeging noodzakelijk is voor de instandhouding van de bestaande activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder de oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval niet de bestaande legale bebouwing, en de daaraan direct grenzende strook grond die bestaand en legaal is ingericht ten dienste van die bebouwing, en bestaande legale halfverhardingen of verhardingen begrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aantasting van het natuurnetwerk Nederland op grond van het eerste lid is slechts mogelijk als: a. de aantasting zo veel mogelijk wordt beperkt; en b. de overblijvende aantasting tijdig wordt gecompenseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Militaire terreinen of terreinen met militaire objecten binnen het natuurnetwerk Nederland regels bevatten die terreinverharding of bouwactiviteiten toestaan, mits is verzekerd dat nadelige gevolgen voor het natuurnetwerk Nederland tijdig worden gecompenseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-64\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel bescherming Groene contour ter omvorming naar natuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen de Groene contour strekt tot het beschermen en creëren van de mogelijkheden om op de gronden gelegen binnen de Groene contour nieuwe natuur te realiseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-65\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.5</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel ontwikkelingen binnen de Groene contour</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen de Groene contour maakt geen nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten mogelijk die tot gevolg hebben dat de mogelijkheid om nieuwe natuur te realiseren op die gronden worden beperkt en deze gronden daarmee niet meer of in mindere mate kunnen bijdragen aan uitbreiding en versterking van het natuurnetwerk Nederland, tenzij sprake is van nieuwe activiteiten en wijziging van bestaande activiteiten in verband met groot openbaar belang en: a. reële alternatieven die een verlies aan mogelijkheden om nieuwe natuur te realiseren voorkomen of beperken, ontbreken; b. het verlies aan mogelijkheden om nieuwe natuur te realiseren, zoveel mogelijk wordt beperkt; c. het overblijvende verlies aan mogelijkheden om nieuwe natuur te realiseren wordt gecompenseerd met de realisatie van nieuwe natuur binnen de Groene contour met een oppervlakte van ten minste de oppervlakte van het verlies aan mogelijkheden om nieuwe natuur te realiseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing op de uitbreiding van agrarische bouwblokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.​​</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-66\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.6</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel realisatie nieuwe natuur binnen Groene contour door verstedelijking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 9.3 kan een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen de Groene contour ten behoeve van de realisatie van nieuwe natuur regels bevatten die verstedelijking toestaan, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de verstedelijking vindt plaats in samenhang met de realisatie van nieuwe natuur; b. de omvang van de verstedelijking staat in evenwichtige verhouding tot de oppervlakte en kwaliteit van de te realiseren nieuwe natuur; c. de nieuwe natuur wordt gerealiseerd binnen de Groene contour; d. de verstedelijking vindt plaats binnen de Groene contour of, indien dit vanuit ecologisch of landschappelijk oogpunt beter is, op een locatie daarbuiten, bij voorkeur aansluitend bij een kernrand of een bestaande bebouwingsconcentratie; e. de in samenhang ontwikkelde verstedelijking en nieuwe natuur gezamenlijk leiden tot een verhoging van de ruimtelijke kwaliteit; en f. de omliggende agrarische bedrijven worden door de activiteit niet in hun bedrijfsvoering belemmerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het eerste lid kan uitsluitend toepassing worden gegeven aan de realisatie van opwekking van zonne-energie op locaties binnen de Groene contour door middel van zonnevelden met een procedure die de opruimplicht borgt, zoals een omgevingsvergunning, waarbij aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden: a. de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn en bedraagt ten hoogste 25 jaar; b. na het verstrijken van de termijn worden de zonnevelden verwijderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-67\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.7</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel ontwikkelingen weidevogelkerngebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Weidevogelkerngebied kan nieuwe ontwikkelingen toestaan, onder voorwaarde dat de kwaliteit van het leefgebied van de weidevogels aantoonbaar per saldo minimaal wordt behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing op de uitbreiding van agrarische bouwblokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De motivering op een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarde is voldaan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  6.1.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Regels over activiteiten compensatie aantasting natuurnetwerk Nederland en Groene contour</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-68\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.8</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik compensatie aantasting natuurnetwerk Nederland</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op de uit te voeren compensatie die vereist is op grond van Paragraaf 6.1.2.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-69\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.9</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke eisen compensatie aantasting natuurnetwerk Nederland</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Compensatie vindt zodanig plaats dat deze de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk Nederland versterkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De compensatie vindt in de nabijheid van de aantasting plaats indien het functioneren van het natuurnetwerk dat vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien sprake is van activiteiten als bedoeld in Artikel 6.3, eerste lid, onder c, vindt de compensatie in de directe nabijheid van de aantasting plaats en eerst op het terrein van de bestaande activiteit. Indien deugdelijk is onderbouwd dat compensatie op het terrein van de bestaande activiteit blijvend onmogelijk is, volstaat het dat de compensatie in de directe nabijheid van de aantasting plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien sprake is van activiteiten als bedoeld in Artikel 6.3, eerste lid, onder a, of b, vindt de compensatie van het verlies in oppervlakte plaats: a. buiten het natuurnetwerk Nederland en in directe aansluiting op het natuurnetwerk Nederland; b. buiten het natuurnetwerk Nederland en binnen de groene contour; of c. binnen agrarische gronden gelegen in het natuurnetwerk Nederland waar geen nieuwe natuur is beoogd volgens kaart 1 behorende bij het Natuurbeheerplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het vierde lid is compensatie van het verlies in oppervlakte binnen het natuurnetwerk Nederland mogelijk, indien gedeputeerde staten de begrenzing van het natuurnetwerk Nederland uitbreiden met een oppervlakte gelijk aan de compensatie wanneer die buiten het natuurnetwerk Nederland zou plaatsvinden, en compensatie in de directe omgeving plaatsvindt op een locatie waar volgens het Natuurbeheerplan nog nieuwe natuur moet worden ontwikkeld en de compensatie leidt tot een versnelling van de realisatie van het natuurnetwerk Nederland ter plekke van deze natuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">De oppervlakte ter compensatie van het verlies van oppervlakte natuurnetwerk Nederland wordt bepaald aan de hand van Bijlage XII Berekenen oppervlaktecompensatie natuurtypen bij deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de compensatie ligt een compensatieplan ten grondslag, gebaseerd op recent uitgevoerd ecologisch onderzoek ter plaatse, waarin worden beschreven: a. de natuurwaarden van de locatie en de directe omgeving waar het natuurnetwerk Nederland wordt aangetast en het belang van deze waarden voor het functioneren van het natuurnetwerk Nederland in de omgeving; b. de maatregelen die worden genomen om de aantasting zoveel mogelijk te beperken; c. de overblijvende aantasting na het treffen van de maatregelen; d. de maatregelen die worden uitgevoerd ter compensatie van de overblijvende aantasting; e. de compensatieoppervlakte ten gevolge van de aantasting, als bedoeld in Bijlage XII bij deze verordening; f. de wijze waarop de ontwikkeling, het beheer en de instandhouding van de maatregelen genoemd onder d, plaatsvinden; en g. indien compensatie van verlies van oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland met de realisatie van nieuwe natuur plaatsvindt: een inrichting- en beheerplan, waarin in ieder geval is opgenomen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de uitgangssituatie van het terrein waarop de nieuwe natuur wordt gerealiseerd;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de te treffen inrichtingsmaatregelen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>de motivering van de te treffen maatregelen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>de met de maatregelen beoogde eindsituatie van het terrein, waarbij de beoogde natuur- en landschapsbeheertypen en de oppervlakten daarvan worden aangegeven; en 5. de wijze waarop na de inrichting de verdere ontwikkeling, het beheer en de instandhouding van de beoogde beheertypen plaatsvinden.</div>\n<p class=\"lf-p\">8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de keuze van de beoogde natuur- en landschapsbeheertypen in het inrichtings- en beheerplan wordt het Natuurbeheerplan in acht genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-610\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.10</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke eisen borging compensatie aantasting natuurnetwerk Nederland</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De realisatie van de compensatie, de ontwikkeling, de instandhouding en het beheer zijn verzekerd op het moment van vaststelling van het besluit waarmee de activiteit mogelijk wordt gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De realisatie van de compensatie wordt in het omgevingsplan zeker gesteld door middel van een voorwaardelijke verplichting waarin de aard en omvang van de compensatie is vastgesteld en waarin is bepaald dat de uitvoering van benodigde compensatie zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval gegarandeerd binnen drie jaar na de ruimtelijke ontwikkeling, is gerealiseerd en daarna in stand wordt gehouden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-611\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.11</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke eisen aan realisatie nieuwe natuur door verstedelijking en compensatie Groene contour</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de realisatie van nieuwe natuur als bedoeld in de Artikel 6.5 en Artikel 6.6 ligt een inrichtings- en beheerplan ten grondslag waarin in ieder geval wordt beschreven: a. de uitgangssituatie van het terrein waarop de nieuwe natuur wordt gerealiseerd; b. de te treffen inrichtingsmaatregelen; c. de motivering van de te treffen maatregelen; d. de met de maatregelen beoogde eindsituatie van het terrein, waarbij de beoogde natuur- en landschapsbeheertypen en de oppervlaktes daarvan worden aangegeven; en e. de wijze waarop na de inrichting de verdere ontwikkeling, het beheer en de instandhouding van de beoogde beheertypen plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de keuze van de beoogde natuur- en landschapsbeheertypen in het inrichtings- en beheerplan wordt het Natuurbeheerplan in acht genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-612\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.12</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke eisen borging realisatie nieuwe natuur door verstedelijking en compensatie Groene contour</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De realisatie van de compensatie, de ontwikkeling, de instandhouding en het beheer zijn verzekerd op het moment van vaststelling van het besluit waarmee de activiteit mogelijk wordt gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De realisatie van de compensatie wordt in het omgevingsplan zeker gesteld door middel van een voorwaardelijke verplichting waarin de aard en omvang van de compensatie is vastgesteld en waarin is bepaald dat de uitvoering van benodigde compensatie zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval gegarandeerd binnen drie jaar na de ruimtelijke ontwikkeling, is gerealiseerd en daarna in stand wordt gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van tweede lid geldt voor de realisatie van nieuwe natuur als compensatie voor de plaatsing van zonnevelden dat de inrichtingsmaatregelen uiterlijk 25 jaar na plaatsing van de zonnepanelen worden uitgevoerd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  6.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Houtopstanden en beschermde kleine landschapselementen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  6.2.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Instructieregels houtopstand</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-613\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.13</span><span class=\"lf-art-t\">[Gereserveerd]</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  6.2.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Regels over activiteiten houtopstand</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-614\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.14</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik houtopstand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten die het gebied Houtopstand betreffen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-615\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.15</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijstelling meldplicht vellen houtopstand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De meldingsplicht vellen houtopstanden, bedoeld in artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor: a. het maken van verjongingsgaten, als:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>deze niet groter zijn dan anderhalf keer de gemiddelde boomhoogte per perceel, met een maximale oppervlakte van 10 are;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>deze gezamenlijk niet meer oppervlakte beslaan dan 10% van het bosperceel;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>dit maximaal één keer per vier jaar plaatsvindt op dezelfde locatie; en 4. dit plaatsvindt voor duurzaam bosbeheer. b. het verwijderen van houtopstanden voor natuurherstel, als de te verwijderen houtopstand:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>ontstaan is door spontane boomopslag op natuurterreinen of geregistreerde tijdelijke natuur;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>niet ouder is dan 20 jaar; en 3. niet diende ter compensatie van herbeplanting.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-616\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.16</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke gegevens melding vellen houtopstand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De melding, bedoeld in artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bevat ten minste: a. als degene die de activiteit verricht geen eigenaar is van de grond waar de houtopstand staat: contactgegevens van de grondeigenaar; b. een situatietekening van de locatie van de te kappen houtopstand, waaronder ten minste een topografische kaart schaal 1:25.000 en de kadastrale percelen; c. de oppervlakte van de velling in are en, als het rijbeplanting betreft, het aantal bomen; d. de boomsoort; e. de leeftijd van de houtopstand; en f. de reden van de velling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-617\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.17</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke eisen aan herbeplanting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een bosbouwkundig verantwoorde herbeplanting als bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: a. de oppervlakte van de herplant is ten minste even groot als de gevelde oppervlakte; b. herplant vindt plaats door het aanplanten van voldoende vitaal plantmateriaal of door natuurlijke verjonging; c. de nieuwe houtopstand kan, gelet op de bodemkwaliteit en de waterhuishouding ter plaatse, uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand, gericht op houtproductie, natuur, landschap, cultuurhistorie of beleving; d. de nieuwe houtopstand kan binnen een periode van vijf jaar een kronendak met een bedekkingsgraad van ten minste 60% vormen; e. de herplant kan op termijn in ieder geval, gelijkwaardige ecologische en landschappelijke waarden vertegenwoordigen; f. naast boomsoorten worden alleen inheemse struiksoorten toegepast; en g. herplant binnen Natura 2000 gebieden vindt plaats op een wijze en met soorten die geen schade kunnen toebrengen aan de voor dit gebied geldende instandhoudingsdoelstellingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-618\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.18</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke eisen aan herbeplanting op andere grond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Herbeplanting op andere grond dan de grond, bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voldoet aan de volgende vereisten: a. de grond is vrij van houtopstand en van een herbeplantingsplicht als bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. het gebruik van de grond past binnen bestaand natuur- en landschapsbeleid van de provincie en de gemeente; c. de grond is vrij van compensatieverplichtingen; d. de herbeplanting vindt plaats binnen drie jaar nadat de verplichting tot herbeplanting ontstaat; en e. de herbeplanting voldoet aan Artikel 6.17.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De herbeplanting op andere grond vindt bij voorkeur plaats in de provincie Utrecht in de directe nabijheid van de velling. Indien dit niet mogelijk is, vindt de herbeplanting elders in de provincie Utrecht plaats. In uitzonderingsgevallen kan, indien hiermee vergelijkbare natuur- en landschapswaarden kunnen worden teruggebracht als die door de velling verloren zijn gegaan, de herbeplanting in de directe nabijheid van de velling in een aangrenzende provincie plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De oppervlakte van de herbeplanting op andere grond bedraagt ten minste de gevelde oppervlakte aangevuld met de volgende toeslag per hectare die geveld is:</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijd dat ter plaatse van de velling een houtopstand aanwezig is geweest (respectievelijk ouderdom bosgroeiplaats) Toeslag per hectare 0 jaar 0 &lt; 10 jaar 0,1 10-25 jaar 0,3 25-50 jaar 0,5 50-100 jaar 0,75 100-200 jaar 1,0 &gt; 200 jaar 1,5</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-619\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.19</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijstelling plicht tot herbeplanting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De plicht tot herbeplanting, bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor houtopstanden die verwijderd zijn voor natuurherstel, als de verwijderde houtopstand: a. ontstaan is door spontane boomopslag op natuurterreinen of geregistreerde tijdelijke natuur; b. niet ouder is dan 20 jaar; en c. niet diende ter compensatie van herbeplanting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-620\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.20</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerkvoorschriften herbeplanting op andere grond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen aan de activiteiten, bedoeld in Artikel 6.18, maatwerkvoorschriften verbinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-621\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.21</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke gegevens en bescheiden aanvraag maatwerkvoorschrift herbeplanting op andere grond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag tot het stellen van een maatwerkvoorschrift voor herbeplanting op andere grond gaat vergezeld van een beplantingsplan voor de herbeplanting met een locatieaanduiding voor de herbeplanting.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  6.2.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Regels over activiteiten beschermd klein landschapselement</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-622\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.22</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik en aanwijzing beschermd klein landschapselement</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten die Beschermd klein landschapselement betreffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen besluiten kleine landschapselementen, die voldoen aan de door hen vastgestelde beleidsregels, aan te wijzen en toe te voegen aan Beschermd klein landschapselement.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-623\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.23</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht beschermd klein landschapselement</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot het beschadigen of vernielen van een beschermd klein landschapselement, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze beschadiging of vernieling te voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-624\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.24</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod aantasting beschermd klein landschapselement</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden om: a. aan een beschermd klein landschapselement onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is; b. een beschermd klein landschapselement boven- of ondergronds te beschadigen, te vernielen, te vernietigen, te bewerken of te gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of het voortbestaan direct of op de langere termijn in gevaar wordt gebracht; c. een beschermd klein landschapselement te vellen of te rooien.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid geldt niet voor: a. het uitvoeren van noodzakelijk onderhoud gericht op kwaliteitsverbetering of duurzame instandhouding van het landschapselement; b. het periodiek vellen van griend- en hakhout voor onderhoud; en c. het vellen of rooien van een houtopstand op grond van de Plantgezondheidswet en ter bestrijding van boomziekten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-625\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.25</span><span class=\"lf-art-t\">Meldplicht aantasting beschermd klein landschapselement om dringende redenen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder melding in het Beschermd klein landschapselement activiteiten te verrichten, vanwege dringende redenen anders dan bedoeld in Artikel 6.24, tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De melding wordt ten minste acht weken en ten hoogste 24 weken gedaan voordat de activiteit wordt verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De activiteiten mogen niet worden verricht tot de acceptatie van de melding onherroepelijk is geworden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-626\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.26</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke vereisten melding aantasting beschermd klein landschapselement om dringende redenen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het in Artikel 1.12 bepaalde worden bij een melding, bedoeld in Artikel 6.25, ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. elementnummer; b. contactgegevens grondeigenaar; c. een situatietekening van de locatie van het beschermd klein landschapselement, waaronder ten minste een topografische kaart met een schaal van 1:25.000; d. een kaart met de kadastrale gegevens; e. indien van toepassing de oppervlakte van de velling in are en voor zover het een rijbeplanting betreft het aantal bomen; f. indien van toepassing de boomsoort; g. indien van toepassing de leeftijd van de houtopstand; h. indien van toepassing de reden van de velling; i. is melder voornemens het element op dezelfde locatie te herbeplanten of herstellen en indien dit niet het geval is, wat is de motivering daarvoor; j. is melder voornemens het element elders te compenseren; k. maatvoering en indien van toepassing soort plantmateriaal; l. start- en einddatum van het werk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-627\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.27</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerkvoorschriften beschermd klein landschapselement</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen aan de activiteiten, bedoeld in Artikel 6.25, eerste lid maatwerkvoorschriften verbinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het maatwerkvoorschrift kan in ieder geval inhouden dat compenserende maatregelen worden getroffen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-628\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.28</span><span class=\"lf-art-t\">Herstel- en herplantplicht beschermd klein landschapselement</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als in strijd met Artikel 6.23, Artikel 6.24, Artikel 6.25 en Artikel 6.26 is gehandeld, is de zakelijk gerechtigde van de grond, dan wel degene, die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, verplicht om binnen een jaar na de overtreding het beschermd klein landschapselement op dezelfde locatie zo veel mogelijk in de oorspronkelijke staat te herstellen of te herbeplanten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet aangeslagen herbeplantingen of andere mislukte herstelmaatregelen worden voor 1 april van het opvolgende jaar vervangen of hersteld.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  6.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Faunabeheer en wildbeheer</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  6.3.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Faunabeheer</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-629\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.29</span><span class=\"lf-art-t\">Oppervlakte en begrenzing faunabeheereenheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is één faunabeheereenheid waarvan het werkgebied zich uitstrekt tot het grondgebied van de Provincie Utrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid gelegen gronden waarop de in de faunabeheereenheid samenwerkende jachthouders gerechtigd zijn tot de jacht vormen ten minste 75% van de totale oppervlakte van het werkgebied van de faunabeheereenheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-630\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.30</span><span class=\"lf-art-t\">Samenstelling bestuur faunabeheereenheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het bestuur van de faunabeheereenheid worden de bestuurszetels als volgt ingevuld: a. één bestuurszetel door een vertegenwoordiger vanuit de landbouw; b. één bestuurszetel door een vertegenwoordiger vanuit de jacht; c. één bestuurszetel door een vertegenwoordiger vanuit het particulier grondbezit; d. één bestuurszetel door Staatsbosbeheer; en e. twee bestuurszetels door maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In ieder geval wordt één van de bestuurszetels, bedoeld in het eerste lid, onder e, ingevuld door een organisatie die zich tot doel heeft gesteld het dierenwelzijn of het milieu te beschermen en te bevorderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke organisatie kan één vertegenwoordiger voordragen voor een bestuurszetel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De organisaties kunnen, in onderling overleg, een vertegenwoordiger voordragen die namens meerdere van deze organisaties deelneemt aan het bestuur van de faunabeheereenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bestuur van de faunabeheereenheid heeft een onafhankelijke voorzitter die: a. geen dienstverband bij één van de in het bestuur vertegenwoordigde partijen heeft; b. geen bestuurslid van één van de in het bestuur vertegenwoordigde partijen is; en c. niet in het bezit is van een jachtakte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-631\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.31</span><span class=\"lf-art-t\">Procedure uitbreiding bestuur faunabeheereenheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De organisaties of jachthouders, bedoeld in Artikel 6.29, eerste lid, eerste lid, dragen op verzoek van de voorzitter een kandidaat voor het bestuur van de faunabeheereenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als meer kandidaten worden voorgedragen dan er bestuurszetels zijn, selecteert de voorzitter de meest geschikte kandidaten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-632\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.32</span><span class=\"lf-art-t\">Werkzaamheden faunabeheereenheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De faunabeheereenheid is verantwoordelijk voor: a. de coördinatie van de uitvoering van het door haar vastgestelde faunabeheerplan; b. de informatievoorziening aan de leden van alle in haar bestuur vertegenwoordigde organisaties over ten minste de aan de faunabeheereenheid toekomende bevoegdheden, de aan de faunabeheereenheid toegestane activiteiten en actuele ontwikkelingen op het gebied van faunabeheer; en c. het opstellen van telprotocollen voor trendtellingen als bedoeld in Artikel 6.39, tweede lid, onder a.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De faunabeheereenheid adviseert gedeputeerde staten over faunabeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluitvorming door het bestuur vindt plaats bij gewone meerderheid van stemmen, waarbij iedere in het bestuur vertegenwoordigde organisatie één stem heeft. Als de stemmen staken, geeft de stem van de voorzitter de doorslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De faunabeheereenheid kan in haar statuten opnemen dat besluitvorming over daarbij te bepalen onderwerpen plaatsvindt bij een gekwalificeerde meerderheid van stemmen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-633\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.33</span><span class=\"lf-art-t\">Verslaglegging faunabeheereenheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het jaarlijkse verslag, bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van het Omgevingsbesluit, bevat in ieder geval de volgende gegevens: a. cijfermatige rapportages over de uitvoering van de vrijstellingen, opdrachten en vergunningen op basis van de paragrafen 11.2.2, 11.2.3 en 11.2.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving en de uitvoering van de jacht, waarin opgenomen de aantallen gedode dieren en geraapte of onklaar gemaakte eieren, onderverdeeld naar diersoort en naar wildbeheereenheid; b. rapportages van het gebruik van preventieve en alternatieve middelen voor het voorkomen van schade; en c. cijfermatige rapportages over de uitvoering van de jacht, waarin opgenomen het aantal gedode dieren, onderscheiden naar wildsoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verslag wordt uiterlijk op 1 mei van het daaropvolgende kalenderjaar aan gedeputeerde staten verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verslag wordt door de faunabeheereenheid ook op een openbaar toegankelijke website geplaatst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-634\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.34</span><span class=\"lf-art-t\">Faunabeheerplan algemeen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De faunabeheereenheid stelt voor het werkgebied van de faunabeheereenheid één faunabeheerplan op.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het faunabeheerplan heeft een geldigheidsduur van maximaal zes jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De faunabeheereenheid kan het faunabeheerplan gedeeltelijk wijzigen gedurende het tijdvak waarvoor het is vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen op verzoek van de faunabeheereenheid de geldigheidsduur van het faunabeheerplan eenmaal met maximaal één jaar verlengen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-635\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.35</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoud faunabeheerplan algemeen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het faunabeheerplan bevat in ieder geval de volgende gegevens: a. een topografische kaart waarop de begrenzing van het werkingsgebied van het faunabeheerplan is aangegeven; b. kwantitatieve gegevens over de in het wild levende dieren binnen de provincie, waarop het faunabeheerplan van toepassing is over een periode van minimaal zes jaar voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft en een beschrijving van de trend van deze soorten over deze periode, zowel binnen de provincie als landelijk; c. een beschrijving van de aanwezigheid van deze diersoorten gedurende het jaar; d. een beschrijving van passende en doeltreffende maatregelen die kunnen worden ingezet om schade aan de belangen, bedoeld in artikel 11.23 van het Besluit activiteiten leefomgeving, te voorkomen; e. een beschrijving van de wijze waarop de planmatigheid en de coördinatie van de uitvoering van de maatregelen ter voorkoming van die schade is gewaarborgd; f. een overzicht per diersoort, onderverdeeld naar de verschillende wildbeheereenheden, van de op basis van de toepasselijke vrijstellingen, ontheffingen, opdrachten en bij de uitoefening van de jacht gedode dieren en geraapte en onklaar gemaakte eieren in de periode van minimaal zes jaar voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft; en g. een omschrijving van de wijze waarop geborgd wordt dat de te treffen maatregelen de gunstige staat van instandhouding van de soorten waarop het plan betrekking heeft niet negatief beïnvloeden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-636\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.36</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoud faunabeheerplan, specifiek, beheer en schadebestrijding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het faunabeheerplan bevat ook de volgende gegevens over beheer en schadebestrijding van diersoorten: a. per diersoort en gewas een beschrijving van de schade in, minimaal, de zes jaren voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft, onderverdeeld naar de verschillende wildbeheereenheden; b. per diersoort een beschrijving van de activiteiten die in, minimaal, de zes jaren voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft zijn verricht om schade te voorkomen of beperken en, als daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van deze activiteiten; c. per diersoort een topografische kaart waarop is aangegeven waar zich in, minimaal, de zes jaren voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft, gevallen van belangrijke schade hebben voorgedaan en waar in het kader van beheer- en schadebestrijding bestrijdingsacties hebben plaatsgevonden; d. per diersoort een onderbouwing van de aard en de noodzaak van activiteiten om schade te voorkomen of te beperken en een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar, en de perioden in het jaar waarin, deze activiteiten plaatsvinden; e. een onderbouwde inschatting van de effectiviteit van de voorgenomen activiteiten en een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van deze activiteiten zal worden bepaald; f. de gewenste stand van de diersoorten waarvoor populatiebeheer wordt voorgestaan; en g. als het faunabeheerplan betrekking heeft op het populatiebeheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen: een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie en de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-637\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.37</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoud faunabeheerplan, jacht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het faunabeheerplan bevat ook in ieder geval de volgende gegevens over de jacht: a. een beschrijving van de samenhang tussen de jacht op de wildsoorten, het beheren van de populaties van deze soorten en het bestrijden van schade door deze soorten; b. een omschrijving van de redelijke wildstand, bedoeld in artikel 11.65 van het Besluit activiteiten leefomgeving, en een onderbouwing van de wijze waarop de jacht hieraan zal bijdragen; en c. een overzicht van de gerealiseerde afschotgegevens, onderverdeeld naar diersoort, per wildbeheereenheid, in de zes jaren voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  6.3.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Wildbeheereenheden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-638\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.38</span><span class=\"lf-art-t\">Oppervlakte, begrenzing en rechtsvorm wildbeheereenheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het werkgebied van de gezamenlijke wildbeheereenheden strekt zich uit tot het grondgebied van de Provincie Utrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het werkgebied van een wildbeheereenheid: a. heeft een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 5.000 hectare; b. strekt zich niet uit tot het grondgebied van een andere provincie; c. overlapt niet met het werkgebied van een andere wildbeheereenheid; en d. wordt in overeenstemming met alle betrokken wildbeheereenheden gewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij wijziging van een begrenzing dragen de betrokken wildbeheereenheden zorg voor: a. het schriftelijk informeren van gedeputeerde staten; en b. het plaatsen van de begrenzing op de website van de faunabeheereenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een wildbeheereenheid heeft de rechtsvorm van een vereniging met volledige rechtsvorm.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-639\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.39</span><span class=\"lf-art-t\">Werkzaamheden wildbeheereenheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het secretariaat van een wildbeheereenheid informeert de leden van de wildbeheereenheid op adequate wijze over de uitvoering van de aan de wildbeheereenheid toegestane activiteiten, regelgevende en ecologische feiten en ontwikkelingen op het gebied van faunabeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wildbeheereenheid coördineert voor haar werkgebied: a. de trendtellingen van diersoorten voor het faunabeheerplan; b. de verstrekking van de resultaten van deze trendtellingen aan de faunabeheereenheid; en c. de verstrekking van het overzicht van gerealiseerde afschotgegevens, onderverdeeld naar diersoort, aan de faunabeheereenheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-640\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.40</span><span class=\"lf-art-t\">Lidmaatschap wildbeheereenheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgezonderd van artikel 8.2, eerste lid, van de wet zijn: a. medewerkers van Staatsbosbeheer, de Vereniging Natuurmonumenten en de Stichting het Utrechts Landschap, als de organisatie die zij vertegenwoordigen deel uitmaakt van het bestuur van de faunabeheereenheid, en zij hun activiteiten uitvoeren voor die organisatie; b. medewerkers van het Ganzenbeheerteam Utrecht en medewerkers van in opdracht van de faunabeheereenheid of gedeputeerde staten handelende professionele schadebestrijders.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan lidmaatschap van een wildbeheereenheid worden alleen eisen gesteld die van belang zijn voor de uitvoering van het faunabeheerplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wildbeheereenheid houdt een register bij van aangesloten leden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-641\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.41</span><span class=\"lf-art-t\">Geschillen lidmaatschap wildbeheereenheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het lidmaatschap van een wildbeheereenheid kan worden geweigerd of beëindigd als het lid bij de uitvoering van activiteiten als bedoeld in artikel 11.64 van het Besluit activiteiten leefomgeving handelt in strijd met de voor deze activiteiten geldende voorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de statuten van de wildbeheereenheden wordt hiervoor een regeling getroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de gezamenlijke wildbeheereenheden wordt, in overeenstemming met het bestuur van de faunabeheereenheid en gedeputeerde staten, een geschillenregeling vastgesteld voor geschillen die betrekking hebben op het lidmaatschap van een wildbeheereenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geschillen worden voorgelegd aan een geschillencommissie, die bestaat uit een vertegenwoordiger namens: a. het bestuur van de wildbeheereenheid; b. het bestuur van de faunabeheereenheid; en c. gedeputeerde staten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  6.4</h3>\n<p class=\"lf-p\">Flora- en fauna activiteiten</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  6.4.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Beoordelingsregels omgevingsvergunning flora- en fauna activiteiten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-642\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.42</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregel omgevingsvergunning afschot paarvormende ganzen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, betrekking heeft op afschot van paarvormende grauwe ganzen of brandganzen, wordt deze omgevingsvergunning alleen verleend voor de periode van 1 februari tot 1 maart.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  6.4.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Vrijstelling vergunningplichtige flora- en fauna activiteiten Subparagraaf 6.4.2.1 Vrijstelling voor ganzen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-643\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.43</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijstelling verjagen schadeveroorzakende ganzen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verboden bedoeld in de artikelen 11.38, eerste lid, en 11.46, eerste lid, aanhef en onder b, c en d, van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden niet voor activiteiten die dienen voor het verjagen van de grauwe gans, kolgans en brandgans, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de activiteiten worden uitgevoerd door of in opdracht van de grondgebruiker; b. de activiteiten worden uitgevoerd op de gronden, of in of aan de opstallen, die bij de grondgebruiker in gebruik zijn; c. de activiteiten vinden plaats met het oog op het voorkomen van schade die in het lopende of daarop volgende jaar door de grauwe gans, kolgans of brandgans dreigt op te treden op deze gronden, in of aan deze opstallen of in het omringende gebied; en d. er wordt voldaan aan Artikel 6.43 en Artikel 6.44.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-644\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.44</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke eisen verjagen schadeveroorzakende ganzen met ondersteunend afschot</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten die dienen voor het verjagen van grauwe gans, kolgans en brandgans met ondersteunend doding door afschot, vindt alleen plaats met het oog op het voorkomen van belangrijke schade aan kwetsbare gewassen, in de periode van 1 november tot 1 maart, tussen een half uur voor zonsopkomst en een half uur na zonsondergang, op percelen met nog oogstbare akker- en tuinbouwgewassen en grasland, of de direct daaraan grenzende percelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er vinden geen activiteiten voor verjaging met ondersteunend doding door afschot plaats: a. op grasland dat is ingezaaid of doorgezaaid vóór 1 augustus voorafgaand aan de winterperiode van dat jaar; b. op grasland dat is ingezaaid of doorgezaaid na 1 augustus voorafgaand aan de winterperiode van dat jaar, met een oppervlakte kleiner dan 1 hectare; c. op percelen die zijn ingezaaid als afvanggewas op geoogste percelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten voor verjaging met ondersteunend doding door afschot vindt alleen plaats als een groep van meer dan vijf ganzen op het schadeperceel, of op een direct hieraan grenzend perceel, aanwezig is of hier invalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per verjaagactie worden maximaal twee ganzen gedood.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Metalen ringen die zich aan gedode vogels bevinden worden binnen 48 uur naar het Vogeltrekstation, Postbus 50, 6700 AB Wageningen, gezonden onder vermelding van plaats en datum van het afschot, of worden gemeld via het Geautomatiseerd Ring Invoer en Export Loket (GRIEL) via de website www.griel.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kleurringen en halsbanden worden doorgegeven via de website www.geese.org.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-645\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.45</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke eis middelen verjagen schadeveroorzakende ganzen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten die dienen voor het verjagen van grauwe gans, kolgans en brandgans met ondersteunend doding door afschot, als bedoeld in Artikel 6.44 is alleen toegestaan nadat eerst een preventief akoestisch middel en een visueel middel zijn ingezet conform de voorwaarden voor effectief gebruik die zijn opgenomen in de faunaschade Preventie Kit, module ganzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De grauwe gans, kolgans en brandgans mogen alleen worden gedood met een hagelgeweer of kogelgeweer.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt geen gebruik gemaakt van lokmiddelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-646\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.46</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke gegevens en bescheiden schadebestrijding ganzen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uiterlijk twee weken na het verrichten van een activiteit, bedoeld in Artikel 6.43, worden de resultaten hiervan gerapporteerd in het door gedeputeerde staten aangewezen systeem.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-647\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.47</span><span class=\"lf-art-t\">Geen schadebestrijding bij bijzondere weersomstandigheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen de werking van de artikelen 6.42 tot en met 6.44 opschorten als weersomstandigheden daar naar hun oordeel aanleiding toe geven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-648\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.48</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod opzettelijke verstoring ganzen in ganzenrustgebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in Ganzenrustgebied: a. schadeveroorzakende ganzen opzettelijk te verstoren en verjagingsactiviteiten met ondersteunend doding door afschot te ondernemen; b. de foerageerfunctie van het gebied opzettelijk teniet te doen; c. jacht, beheer en schadebestrijding te verrichten tot 12:00 uur, met uitzondering van jacht maximaal drie dagen per jachtveld per seizoen, mits deze acties niet in hetzelfde gebied plaatsvinden en een afstand in acht wordt genomen van minimaal 300 meter tot groepen foeragerende ganzen van minimaal 100 stuks; en d. jacht, beheer en schadebestrijding te verrichten vanaf 12:00, mits een afstand in acht wordt genomen van minimaal 300 meter tot groepen foeragerende ganzen van minimaal 100 stuks Subparagraaf 6.4.2.2 Vrijstelling voor veldmuis</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-649\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.49</span><span class=\"lf-art-t\">Meldplicht vergunningvrije bestrijding veldmuis</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod, bedoeld in artikel 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt niet voor het doden, vangen, verstoren of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van de veldmuis, als deze activiteiten plaatsvinden door of in opdracht van de grondgebruiker met als doel om schade op diens gronden of in het omringende gebied te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder melding de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, te verrichten: a. ter voorkomen van belangrijke schade aan gewassen; of b. in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de bestrijding wordt alleen gebruik gemaakt van de methode inundatie of van bestrijdingsmiddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De melding wordt door de grondgebruiker ten minste tien dagen gedaan voordat de activiteit wordt verricht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-650\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.50</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke vereisten melding vergunningvrije bestrijding veldmuis</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het in Artikel 1.12 bepaalde worden bij een melding als bedoeld in Artikel 6.49 ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. locatie van de bestrijding; b. datum en tijdstip van het uitvoeren van de bestrijding; c. frequentie van de bestrijding; d. manier van de bestrijding; e. uitvoerder van de bestrijding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 6.4.2.3 Andere vrijstellingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-651\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.51</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijstelling vergunningplicht andere soorten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod, bedoeld in artikel 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor de soorten, genoemd in de bijlage X Uitzondering vergunningplicht andere soorten bij deze verordening, als de activiteit nodig is: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, met inbegrip van het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; c. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; d. in het kader van bestendig beheer van of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, luchtvaartterreinen, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; of e. in het kader van bestendig beheer van of onderhoud aan de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-652\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.52</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijstelling bezits- en vervoersverbod en ander bevoegd gezag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verboden, bedoeld in de artikel 11.39, eerste lid, en artikel 11.47, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden niet als voor het onder zich hebben of vervoeren van de soort een vrijstelling of vergunning is verleend door een ander bevoegd gezag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-653\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.53</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijstelling ten behoeve van bescherming vogels tegen landbouwwerkzaamheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verboden, bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, onder b, c en d, van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden niet voor activiteiten bestemd en geschikt voor de bescherming van vogels, hun nesten en eieren en hun niet-vliegvlugge jongen tegen landbouwwerkzaamheden en vee.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-654\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.54</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijstelling ten behoeve van veiligstellen amfibieën tegen verkeer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verboden om in het wild levende dieren te vangen en opzettelijk te verstoren, bedoeld in artikel 11.46, eerste lid, onder a en b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het verbod om dieren onder zich te hebben of te vervoeren, bedoeld in artikel 11.47, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving en het verbod om amfibieën te vangen, bedoeld in artikel 11.54, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden niet voor amfibieën als die activiteiten plaatsvinden om deze dieren veilig te stellen tegen het verkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is alleen van toepassing op het vervoer van de dieren over een afstand van ten hoogste 50 meter vanaf de vangplaats.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-655\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.55</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijstelling vangen amfibieën voor onderzoek en onderwijs</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod om dieren onder zich te hebben of te vervoeren, bedoeld in artikel 11.47, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het verbod om in het wild levende dieren te vangen en opzettelijk te verstoren, bedoeld in artikel 11.46, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgevingen het verbod om eieren te rapen, bedoeld in artikel 11.46, eerste lid, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden niet voor de Poelkikker (Pelophyllax lessonae), voor zover die activiteit plaatsvindt met het oog op gebruik van deze dieren of eieren van deze dieren bij onderzoek of onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod, bedoeld in artikel 11.54, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor het vangen van de Meerkikker (Pelophylax ridibundus), de Middelste groene kikker (Pelophylax kl. esculentus), de Bruine kikker (Rana temporaria) en de Gewone pad (Bufo bufo), voor zover dit plaatsvindt met het oog op gebruik van deze dieren of eieren van deze dieren bij onderzoek of onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste en tweede lid gelden niet voor dieren waarvan de metamorfose is voltooid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-656\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.56</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vrijstelling bezits- en vervoersverbod braakballen, losse veren, e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verboden op het vervoeren en onder zich hebben, bedoeld in artikel 11.39, eerste lid, en artikel 11.47, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden niet voor keutels, braakballen, losse veren en sterrenschot voor gebruik van deze producten bij onderzoek of onderwijs.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-657\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.57</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijstelling uitzetten diersoorten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod op het uitzetten van dieren of eieren van dieren, bedoeld in artikel 11.61, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor dieren of eieren die zijn gevangen of geraapt op grond van Artikel 6.51, mits het uitzetten van soorten of hun eieren zo spoedig mogelijk plaatsvindt op een voor de soort geschikte locatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-658\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.58</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerkregel sluiten jachtseizoen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 11.68 van het Besluit activiteiten leefomgeving, kunnen gedeputeerde staten de jacht op wildsoorten als bedoeld in dat artikel in de gehele provincie of een gedeelte daarvan, sluiten zolang bijzondere weersomstandigheden dat noodzakelijk maken.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  6.5</h3>\n<p class=\"lf-p\">Invasieve exoten, bestrijding Aziatische duizendknoop</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-659\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.59</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht bestrijding Aziatische duizendknoop</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Degene die op of in de grond activiteiten verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door die activiteiten planten of delen van planten die behoren tot de Aziatische duizendknoopsoorten kunnen worden verspreid, is verplicht om: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die verspreiding te voorkomen; b. de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel ongedaan te maken; en c. indien de verspreiding niet kan worden voorkomen, de activiteiten achterwege te laten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-660\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.60</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod verspreiding Aziatische duizendknoop</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden om planten of delen van planten die behoren tot de Aziatische duizendknoopsoorten, door maaien, grondverzet of anderszins te verspreiden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-661\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.61</span><span class=\"lf-art-t\">Meldplicht gevolgen verspreiding Aziatische duizendknoop</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder melding maatregelen bedoeld in Artikel 6.59 uit te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De melding wordt ten minste 10 dagen gedaan voordat de maatregelen worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten sturen de melding zo spoedig mogelijk door aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de verspreiding zich voordoet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-662\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.62</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerkvoorschriften maatregelen Aziatische duizendknoop</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de maatregelen, bedoeld in Artikel 6.59.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen een perceeleigenaar, gebruiker of andere zakelijk gerechtigde van grond bij maatwerkvoorschrift verplichten om de grond te ontdoen van planten of delen van planten die behoren tot de Aziatische duizendknoopsoorten, als dit nodig is vanwege: a. het behouden en versterken van de biodiversiteit; b. niet voldaan hebben aan de zorgplicht die geldt op basis van Artikel 6.59; of c. het niet uitvoeren of laten uitvoeren van de maatregelen genoemd in Artikel 6.59 .</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het maatwerkvoorschrift bevat: a. een kaart van de grond met de plaats waarop de te bestrijden planten of delen van planten van Aziatische duizendknoopsoorten zich bevinden; b. de termijn of termijnen waarbinnen aan de opruimplicht moet zijn voldaan; en c. de geschikte methode of methoden voor bestrijding van de Aziatische duizendknoopsoorten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-663\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.63</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke vereisten melding beperken verspreiding Aziatische duizendknoop</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het in Artikel 1.12 bepaalde worden bij een melding, bedoeld Artikel 6.61, ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de locatie van de maatregelen; b. de datum en het tijdstip van het uitvoeren van de maatregelen; c. de frequentie van de maatregelen; d. de aard en manier van de uitvoering van de maatregelen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  7</h3>\n<p class=\"lf-p\">Cultuurhistorie en landschap</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  7.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Cultuurhistorie</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  7.1.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Werelderfgoed</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerk UNESCO Werelderfgoed</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de instandhouding en versterking van de uitzonderlijke universele waarde van het UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies en het UNESCO Werelderfgoed Neder Germaanse Limes bufferzone.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-72\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.2</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing UNESCO Werelderfgoed</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het UNESCO Werelderfgoed bestaat uit: a. het UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies; en b. het UNESCO Werelderfgoed Neder Germaanse Limes bufferzone.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-73\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.3</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel instandhouding en versterking UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies: a. neemt de uitzonderlijke universele waarde van de Hollandse Waterlinies in acht en bevat regels ter instandhouding en versterking daarvan; en b. bevat geen regels die activiteiten toestaan die die waarde aantasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als uitzonderlijke universele waarde Hollandse Waterlinies gelden de kernkwaliteiten, bedoeld in de Bijlage XV Cultuurhistorie bij deze verordening en de Gebiedsanalyses Kernkwaliteiten Hollandse Waterlinies.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De motivering van een omgevingsplan bevat: a. een beschrijving van de in het plangebied aanwezige uitzonderlijke universele waarde van de Hollandse Waterlinies; en b. een beschrijving van de wijze waarop die waarde in acht is genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-74\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Instructieregel instandhouding en versterking UNESCO Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes (bufferzone) 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen UNESCO Werelderfgoed Neder Germaanse Limes bufferzone bevat regels ter instandhouding en versterking van de uitzonderlijke universele waarde van de Neder-Germaanse Limes.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als uitzonderlijke universele waarde van de Neder-Germaanse Limes gelden de kernkwaliteiten, bedoeld in de Bijlage XV Cultuurhistorie bij deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen UNESCO Werelderfgoed Neder Germaanse Limes bufferzone bevat in ieder geval een verbod op het zonder omgevingsvergunning uitvoeren van activiteiten met een oppervlakte van 100 m2 of meer, waarbij de bodem tot meer dan 30 centimeter onder maaiveld wordt geroerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De oppervlakte- en dieptemaat kunnen zowel naar boven als naar beneden worden bijgesteld, voor zover archeologische gegevens hier aanleiding toe geven en de bijstelling ondersteund wordt door een motivering, opgesteld door een archeologisch deskundige.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het archeologisch onderzoek en ex-situ behoud in de vorm van een opgraving wordt uitgevoerd conform de geldende kwaliteitsregels in de Nederlandse archeologie, door een daartoe op grond van artikel 5.3 Erfgoedwet gecertificeerd bedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">De motivering van een omgevingsplan bevat: a. een beschrijving van de in de directe omgeving van het plangebied aanwezige uitzonderlijke universele waarde van de Neder-Germaanse Limes; en b. een beschrijving en motivering van de wijze waarop die waarde wordt beschermd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-75\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.5</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregel ontheffing het UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ontheffing van Artikel 7.3, eerste lid, kan alleen worden verleend als: a. er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang; b. reële alternatieven die de Hollandse Waterlinies niet of minder aantasten ontbreken; c. de aantasting zoveel mogelijk wordt beperkt; en d. er op of nabij de locatie waarvoor ontheffing wordt gevraagd voldoende compenserende maatregelen worden genomen, in de vorm van versterking van de resterende uitzonderlijke universele waarde van de Hollandse Waterlinies.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-76\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.6</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregel omgevingsvergunning UNESCO Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes (bufferzone)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning wordt alleen verleend: a. als door middel van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de voorgenomen activiteit geen archeologische waarden van de Limes zal aantasten; of b. op voorwaarde dat de archeologische waarden van de Limes ex-situ, in de vorm van een opgraving, behouden blijven, wanneer in situ behoud niet mogelijk is.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  7.1.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Cultuurhistorische hoofdstructuur</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-77\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.7</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerk Cultuurhistorische hoofdstructuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen en benutten van de waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-78\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.8</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing Cultuurhistorische hoofdstructuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Cultuurhistorische hoofdstructuur bestaat uit vijf gebieden: a. de Historische buitenplaatszone; b. het Militair erfgoed; c. het Agrarisch cultuurlandschap; d. de Historische infrastructuur; en e. de Archeologisch waardevolle zone.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze vijf gebieden bestaan uit deelgebieden: a. de Historische buitenplaatszone bestaat uit de deelgebieden Stichtse Lustwarande, Langbroekerwetering, Vecht, Amersfoortseweg (Wegh der Weegen), Laagte van Pijnenburg, Valleilandgoederen, Amelisweerd, Kasteel de Haar, Landgoed Linschoten, Maarsbergse Flank en Prattenburg-Remmerstein; b. het Militair erfgoed bestaat uit de deelgebieden Nieuwe Hollandse Waterlinie, Oude Hollandsche Waterlinie, Grebbelinie en Soesterberg en omgeving; c. het Agrarisch cultuurlandschap bestaat uit de deelgebieden Lopikerwaard, Kockengen-Kamerik-Zegveld, Westbroek, Linschoten, Ronde Venen, Soester Eng, Cope-ontginningscomplex Hei- en Boeicop e.o. en Zouweboezem; d. de Historische infrastructuur bestaat uit de deelgebieden Route Impériale, Via Regia en Wegh der Weegen; en e. de Archeologisch waardevolle zone bestaat uit de deelgebieden Utrechtse Heuvelrug, Limes en Dorestad.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-79\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.9</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel beschermen en benutten van de Cultuurhistorische hoofdstructuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Cultuurhistorische hoofdstructuur wordt rekening gehouden met de waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur en worden regels gesteld ter bescherming en benutting van deze waarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur zijn per gebied vastgelegd in de Bijlage XV Cultuurhistorie bij deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De motivering van een omgevingsplan bevat: a. een beschrijving van de in het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden; en b. een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met deze waarden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-710\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.10</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel uitzondering verstedelijkingsverbod Historische buitenplaatszone en Militair erfgoed</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 9.3 kan een omgevingsplan verstedelijking toestaan in de Historische buitenplaatszone en het Militair erfgoed, onder voorwaarde dat de verstedelijking: a. kleinschalig is; b. gericht is op het creëren van economische kostendragers ten behoeve van het behoud, herstel of de versterking, of een combinatie hiervan, van de cultuurhistorische waarde van de Historische buitenplaatszone dan wel het Militair erfgoed; en c. zorgvuldig wordt ingepast in de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een motivering van een omgevingsplan bevat een o​​nderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  7.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Kwaliteit van landschap</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  7.2.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Instructieregels kwaliteit van landschap</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-711\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.11</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel landschap</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landschap bestaat uit: a. het Landschap Eemland; b. het Landschap Gelderse Vallei; c. het Landschap Groene Hart; d. het Landschap Rivierengebied en e. het Landschap Utrechtse Heuvelrug.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kernkwaliteiten zijn per gebied vastgelegd in de Bijlage XVI Kernkwaliteiten landschap bij deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties gelegen in Landschap bevat: a. regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten; en b. geen regels die nieuwe activiteiten toestaan die de kernkwaliteiten onevenredig aantasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De motivering van een omgevingsplan bevat: a. een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten; en b. de wijze waarop met de bescherming van de kernkwaliteiten is omgegaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-712\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.12</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel aardkundige waarden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Aardkundige waarden bevat regels ter bescherming van de in het plangebied aangewezen aardkundige waarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De motivering van een omgevingsplan bevat: a. een beschrijving van de in het plangebied aanwezige aardkundige waarden; b. de daaraan toe te kennen waardering; c. het door de gemeente te voeren beleid voor aardkundige waarden; en d. de wijze waarop rekening wordt gehouden met de aardkundige waarden in het plan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  7.2.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Regels over activiteiten landschap</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-713\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.13</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerk activiteiten landschap</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behoud van landschappelijke, natuurwetenschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-714\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.14</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik activiteiten landschap</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen en behouden van borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten in het Gebied landschappelijke waarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is niet van toepassing op: a. borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten die niet zichtbaar zijn vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats; b. borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten in het inwendige deel van een onroerende zaak; c. onverlichte kunstuitingen; d. borden voor educatieve of geografische informatie over een gebied of bezienswaardigheid; e. borden die zijn aangebracht ter voldoening aan een wettelijk voorschrift; f. borden voor verkiezingen van een openbaar bestuur; en g. onverlichte, officiële binnenlandse en buitenlandse vlaggen op locaties waar geen vlaggen zijn geplaatst als bedoeld in de onderdelen A, B, D, E en H van bijlage XVIII Toegelaten borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten bij deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het tweede lid is Artikel 7.15 wel van toepassing op de borden, bedoeld in onderdeel d tot en met f van dat lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-715\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.15</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene die een bord, spandoek, vlag, informatiezuil of vergelijkbaar object plaatst of behoudt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot nadelige gevolgen voor de belangen, bedoeld in Artikel 7.13, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen of vergelijkbare objecten worden verwijderd zodra zij hun feitelijke betekenis hebben verloren; b. borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten en dragende hulpconstructies in goede staat worden gehouden; c. borden en spandoeken voor of tegen een gebouw niet boven de goot- of dakrand uitsteken en vlaggen voor een gebouw niet boven de nok uitsteken; en d. als borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten worden verlicht:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>geen verlichting wordt gebruikt tussen 23:00 en 6:00 uur, tenzij de openingstijden van het gebouw die verlichting vereisen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>geen knipperende verlichting of bewegende beelden of letters worden gebruikt; en 3.</div>\n<p class=\"lf-p\">Led of vergelijkbare schermen voldoen aan de Richtlijn Lichthinder van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-716\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.16</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het Gebied landschappelijke waarden een bord, spandoek, vlag, informatiezuil of vergelijkbaar object te plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod geldt niet voor borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen of vergelijkbare objecten die voldoen aan Bijlage XVIII Toegelaten borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten bij deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-717\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.17</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van meten activiteiten landschap</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van Bijlage XVIII Toegelaten borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten bij deze verordening wordt als volgt gemeten: a. de afmetingen van een bord of spandoek worden bepaald door de buitenomtrek met inbegrip van de ondergrond, achtergrond, draagconstructie en steunconstructie die kennelijk tot het bord behoren; b. het oppervlak van een vlag en een informatiezuil wordt bepaald door de projectie van het totale oppervlak op een plat vlak; c. de hoogte boven het maaiveld wordt gemeten vanaf het hoogste punt van het bord, spandoek, vlag, informatiezuil of object tot aan het maaiveld; en d. dubbelzijdige borden gelden als één bord, tenzij in Bijlage XVIII Toegelaten borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten bij deze verordening anders is bepaald.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  8</h3>\n<p class=\"lf-p\">Landbouw</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  8.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch bedrijf</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-81\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel agrarisch bedrijf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Agrarische bedrijven bevat geen regels die voorzien in: a. nieuwe agrarische bouwpercelen, tenzij het gaat om de verplaatsing van een grondgebonden agrarisch bedrijf voor het voldoen aan internationale verplichtingen; en b. een omschakeling van grondgebondenagrarisch bedrijf naar niet-grondgebonden landbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Agrarische bedrijven bevat regels die voorzien in een agrarisch bouwperceel met een oppervlakte van maximaal 1,5 hectare ten behoeve van bestaande agrarische bedrijven, waarbij per bouwperceel maximaal één bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen met maximaal één bouwlaag voor het stallen van dieren zijn toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Agrarische bedrijven kan regels bevatten die voorzien in uitbreiding van een bestaand agrarisch bouwperceel voor een grondgebonden veehouderij tot maximaal 2,5 hectare, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing: b. de uitbreiding draagt bij aan verbetering van het dierenwelzijn; c. de uitbreiding draagt bij aan vermindering van de milieubelasting; en d. de uitbreiding draagt bij aan verbetering van de volksgezondheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Agrarische bedrijven kan regels bevatten die nevenactiviteiten toestaan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. de nevenactiviteit blijft ruimtelijk ondergeschikt aan de agrarische activiteiten; b. de nevenactiviteit vindt plaats binnen het bestaande bouwperceel; c. erfinrichting en bedrijfsbebouwing zijn landschappelijk goed inpasbaar; en d. omliggende agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de onderbouwing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.2</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel landbouwontwikkelingsgebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Landbouwontwikkelingsgebied kan regels bevatten die voorzien in uitbreiding van een bestaand agrarisch bouwperceel voor niet-grondgebonden landbouw tot maximaal 2,5 hectare, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing; b. de uitbreiding draagt bij aan verbetering van het dierenwelzijn; c. de uitbreiding draagt bij aan vermindering van de milieubelasting; en d. de uitbreiding draagt bij aan verbetering van de volksgezondheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de onderbouwing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-83\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.3</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel landbouwstabiliseringsgebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Landbouwstabiliseringsgebied bevat geen regels die voorzien in uitbreiding van een agrarisch bouwperceel van een bestaand niet-grondgebonden agrarisch bedrijf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-84\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.4</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel geitenhouderij</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan bevat geen regels die voorzien in: a. de vestiging van een geitenhouderij of uitbreiding van een bestaande geitenhouderij; b. de gehele of gedeeltelijke omschakeling van een agrarisch bedrijf naar een geitenhouderij; c. uitbreiding van het aantal geiten dat wordt gehouden; d. het vergroten van de oppervlakte van een dierenverblijf voor geiten, tenzij het aantal vergunde of gemelde geiten aantoonbaar niet toeneemt; en e. het tijdelijk gebruik van bouwwerken en gronden voor een geitenhouderij.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan kan regels bevatten die activiteiten, bedoeld in het eerste lid, toestaan, voor activiteiten waarvoor: a. geen meldingsplicht is opgenomen op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. voor 11 juli 2018 een op dat moment ontvankelijke melding voor die activiteit is gedaan; c. voor 11 juli 2018 een op dat moment ontvankelijke aanvraag voor een vergunning voor die activiteit bij het bevoegd gezag is ingediend, uitgezonderd een aanvraag voor een vergunning voor het slopen van een bouwwerk in een krachtens een zodanige verordening aangewezen stads- of dorpsgezicht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-85\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.5</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel glastuinbouw niet toegestaan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Glastuinbouw niet toegestaan bevat geen regels die glastuinbouw toestaan, tenzij het de verplaatsing van solitaire glastuinbedrijven, gevestigd in de Ronde Venen en omgeving, naar de gronden in aansluiting op bestaand kassengebied in de Polder Derde Bedijking betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Glastuinbouw niet toegestaan kan regels bevatten die toestaan dat bestaande glastuinbouwbedrijven worden uitgebreid mits is voldaan aan devolgende voorwaarden: a. de uitbreiding is beperkt tot een omvang die noodzakelijk is voor een doelmatige voortzetting van het glastuinbouwbedrijf tot een maximum van 2 hectare; b. er is geen sprake van zwaarwegende landschappelijke bezwaren; en c. bestaande omringende activiteiten worden niet onevenredig aangetast of beperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De motivering van een omgevingsplan bevat: a. een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan; en b. dat verplaatsing van het glastuinbouwbedrijf naar een Concentratiegebied glastuinbouw niet mogelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-86\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.6</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel concentratiegebied glastuinbouw</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Concentratiegebied glastuinbouw bevat geen regels die: a. de bedrijfsoppervlakte maximeren; b. uitbreiding van de glastuinbouwbedrijven onmogelijk maken; c. op een andere wijze een belemmering vormen voor de glastuinbouw.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  8.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bodembewerking veengebied</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-87\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.7</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel beperken bodembewerking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Beperken bodembewerking bevat geen regels die bodembewerking toestaan in gronden voor agrarisch gebruik die tot gevolg hebben dat veen aan de oppervlakte wordt gebracht, tenzij de bodembewerking plaatsvindt voor graslandvernieuwing of de aanleg van een andere blijvende teelt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  9</h3>\n<p class=\"lf-p\">Wonen, werken, recreëren</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  9.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Stedelijke functies in landelijk gebied</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  9.1.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bestaande en nieuwe stedelijke functies landelijk gebied</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-91\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.1</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerk kwaliteit en vitaliteit van het landelijk gebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op behoud van de kwaliteit en vitaliteit van het Landelijk gebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-92\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing landelijk gebied en stedelijk gebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De provincie Utrecht bestaat uit: a. het Landelijk gebied; en b. het Stedelijk gebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-93\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.3</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel verstedelijkingsverbod Landelijk gebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Landelijk gebied laat geen verstedelijking toe, tenzij in deze verordening anders is bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-94\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.4</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel ruimte voor experimenten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van deze verordening kan een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Eiland van Schalkwijk regels bevatten: a. die activiteiten mogelijk maken die voldoen aan de voorwaarden, genoemd in de pijlers één tot en met zeven in de bijlage XIII Eiland van Schalkwijk bij deze verordening; en b. over woningbouw tot een maximum van 250 woningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-95\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.5</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel legalisatie van bestaand gebruik en bebouwing bij stedelijke functie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Landelijk gebied kan voorzien in legalisatie van het bestaand gebruik van en bestaande bebouwing voor stedelijke activiteiten, indien voldaan is aan de volgende voorwaarden: a.</p></div>", "next": 239916}