{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; f. alle passende maatregelen worden getroffen om een ongewoon voorval en de nadelige gevolgen daarvan te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1 van de Omgevingswet; g. vrijkomend water bij het verrichten van de activiteiten doelmatig kan worden bemonsterd; h. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; i. meetresultaten op een geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd; j. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat: herstel van de bodem mogelijk blijft; k. voor zover verontreiniging van het watersysteem ontstaat of wordt verspreid: herstel van de chemische en ecologische toestand van het watersysteem redelijkerwijs mogelijk blijft; en l. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit bedoeld in deze afdeling.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.3.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Milieubelastende activiteiten in de verzadigde zone van de bodem</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-413\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.13</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing milieubelastende activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 4.9 worden aangewezen: a. het graven in de verzadigde zone van de bodem met een kwaliteit onder de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, als bedoeld in bijlage Vd bij artikel 4.12a van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als het poriënverzadigd bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 100 kubieke meter; b. het graven in de verzadigde zone van de bodem met een kwaliteit boven de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, als bedoeld in bijlage Vd bij artikel 4.12a van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als het poriënverzadigd bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 100 kubieke meter; c. het saneren van grondwater.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.3.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Graven in de verzadigde zone van de bodem</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-414\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Informatieplicht: graven in de verzadigde zone met een kwaliteit onder de signaleringsparameter grondwater 1 Ten minste één week voor het begin van de activiteit als bedoeld in artikel 4.13, onder a, worden aan gedeputeerde staten gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; b. de verwachte datum van het begin van de activiteit; en c. een omschrijving van de verwachte duur van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Bij het verrichten van de activiteit wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand grondwateronderzoek, bedoeld in paragraaf 4.3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Na een wijziging van de gegevens bedoeld in het eerste lid worden de nieuwe gegevens onverwijld aan gedeputeerde staten verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het eerste lid is niet van toepassing indien de activiteit verricht wordt behoeve van een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. In dat geval worden onverwijld na afloop van de activiteit gegevens en bescheiden aan gedeputeerde staten verstrekt over: a. de begrenzing van de activiteit; b. de datum waarop de activiteit is uitgevoerd; c. de aanleiding en het doel van de activiteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-415\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.15</span><span class=\"lf-art-t\">Meldplicht: graven in de verzadigde zone met een kwaliteit boven de signaleringsparameter grondwater</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het is verboden de activiteit als bedoeld in artikel 4.13, onder b, te verrichten zonder dit aan gedeputeerde staten te melden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Een melding bevat: a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 4.3.5; b. gegevens over de ontgraving aangeduid op een kaart en op een dwarsprofiel; c. het volume van de bodem in kubieke meter, waarin de activiteit wordt verricht; d. de verwachte hoeveelheid terug te plaatsen grond in kubieke meter; e. de verwachte hoeveelheid af te voeren grond per kwaliteitsklasse volgens de indeling van artikel 30 van het Besluit bodemkwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Ten minste één week voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig de gegevens bedoeld in het vorige lid, worden de gewijzigde gegevens aan gedeputeerde staten verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-416\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.16</span><span class=\"lf-art-t\">Informatieplicht voor het begin van de activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit als bedoeld in artikel 4.13, onder b, worden aan gedeputeerde staten gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; b. de verwachte datum van het begin van de activiteit; c. een omschrijving van de verwachte duur van de activiteit; en d. de aanleiding en het doel van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Onverwijld na het wijzigen van gegevens als bedoeld in het eerste lid worden deze aan gedeputeerde staten verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het eerste lid is niet van toepassing indien de activiteit verricht wordt ten behoeve van een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. In dat geval worden gegevens en bescheiden aan gedeputeerde staten verstrekt over: a. de begrenzing van de activiteit; b. de datum waarop de activiteit is uitgevoerd; en c. de aanleiding en het doel van de activiteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-417\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.17</span><span class=\"lf-art-t\">Informatieplicht gegevens uitvoerder en milieukundige begeleider</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Ten minste één week voor het begin van de activiteit als bedoeld in artikel 4.13, onder b, worden aan gedeputeerde staten de volgende gegevens verstrekt: a. de naam en adres van degene die de werkzaamheden gaat verrichten; b. de naam en adres van degene in wiens opdracht de werkzaamheden worden verricht; en c. de naam en adres van de natuurlijke persoon en de onderneming die de milieukundige begeleiding gaan verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Onverwijld na het wijzigen van gegevens als bedoeld in het eerste lid worden deze aan gedeputeerde staten verstrekt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.3.4</h3>\n<p class=\"lf-p\">Het saneren van grondwater</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-418\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.18</span><span class=\"lf-art-t\">Meldplicht sanering van grondwater</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het is verboden een sanering van grondwater als bedoeld in artikel 4.13, onder c uit te voeren zonder dit aan gedeputeerde staten te melden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Een melding bevat: a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 4.3.5; b. de keuze voor de saneringsaanpak; c. een beschrijving van de toe te passen methode en handelingen met bijbehorende planning, en een motivering voor de gemaakte keuzes; d. een beschrijving van de effecten die met de methode worden beoogd, waaronder een aanduiding van de terugsaneerwaarde; e. een beschrijving van een alternatieve methode om de beoogde effecten te bereiken, voor het geval de methode en handelingen bedoeld onder b niet tot die effecten zouden leiden; f. indien verontreinigd grondwater zal worden onttrokken:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>een beschrijving van de wijze waarop dit zal plaatsvinden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de geschatte hoeveelheid te onttrekken grondwater;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>de geschatte hoeveelheid te onttrekken vrachten aan verontreinigingen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>het debiet in kubieke meters;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>de toe te passen reinigingsmethoden en lozingen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>de bestemming van het verontreinigd grondwater;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>een beschrijving van de nazorgmaatregelen die naar verwachting getroffen moeten worden.</div>\n<p class=\"lf-p\">3 Ten minste één week voordat een sanering van grondwater op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig de gegevens in het tweede lid, worden de gewijzigde gegevens aan gedeputeerde staten verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-419\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.19</span><span class=\"lf-art-t\">Zorgplicht uitvoering grondwatersanering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op de bescherming van de gezondheid en de bescherming van het milieu, voor zover het gaat om het beschermen van de chemische en ecologische toestand van watersystemen, het beschermen tegen milieuverontreiniging en het voorkomen van verspreiding van verontreinigingen in verzadigde zone van de bodem, wordt een sanering van grondwater zodanig verricht dat: a. de locatie geschikt is voor veilig gebruik overeenkomstig de huidige of voorgenomen functie van die locatie; b. het risico van verspreiding van verontreinigende stoffen in of naar de verzadigde zone van de bodem zoveel mogelijk wordt beperkt; c. nazorgmaatregelen en gebruiksbeperkingen op de locatie zoveel mogelijk beperkt kunnen blijven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-420\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.20</span><span class=\"lf-art-t\">Saneren op een natuurlijk moment</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een sanering van grondwater wordt zoveel mogelijk op een natuurlijk moment binnen lopende of geplande ruimtelijke ontwikkelingen uitgevoerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-421\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.21</span><span class=\"lf-art-t\">Spoedig saneren bij onaanvaardbare risico’s</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 In afwijking van artikel 4.20, wordt een verontreiniging in het grondwater spoedig gesaneerd als uit de risicobeoordeling, bedoeld in artikel 4.35, blijkt dat sprake is van een ernstige verontreiniging die een spoedige aanpak vereist vanwege het bestaan van onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid van de mens, voor het ecosysteem of van verspreiding van verontreiniging in het grondwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Van een ernstige verontreiniging is in ieder geval sprake indien voor ten minste één stof het gemiddelde gemeten concentratie van minimaal 100 kubieke meter poriënverzadigd bodemvolume hoger is dan de signaleringsparameter beoordeling grondwaterkwaliteit, bedoeld in bijlage Vd bij artikel 4.12a van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-422\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.22</span><span class=\"lf-art-t\">Saneringsaanpak</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu, voor zover het gaat om het beschermen van de chemische en ecologische toestand van watersystemen en het beschermen tegen milieuverontreiniging en de verspreiding daarvan in de verzadigde zone van de bodem, bestaat een sanering van grondwater uit één van de volgende aanpakken of een combinatie daarvan: a. het onttrekken van verontreinigd grondwater en het behandelen van het hierbij vrijkomende water; b. het inzetten van gangbare en bewezen technieken die biologische afbraak of omzetting, of chemische omzetting van een verontreiniging tot niet schadelijke eindproducten tot gevolg hebben.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-423\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.23</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvang grondwatersanering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Een sanering van grondwater vangt aan uiterlijk twaalf maanden nadat gedeputeerde staten de melding als bedoeld in artikel 4.18, eerste lid, heeft ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De melding vervalt indien de saneringswerkzaamheden niet binnen twaalf maanden zijn aangevangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-424\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.24</span><span class=\"lf-art-t\">Informatieplicht gegevens locatie en aanvangsdatum voor aanvang grondwatersanering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Ten minste vier weken voor aanvang van een sanering van grondwater worden aan gedeputeerde staten de gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Onverwijld na het wijzigen van de gegevens uit het eerste lid worden deze aan gedeputeerde staten verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-425\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.25</span><span class=\"lf-art-t\">Informatieplicht gegevens uitvoerder en milieukundige begeleider voor aanvang grondwatersanering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Ten minste één week voor het begin van een sanering van grondwater worden aan gedeputeerde staten de volgende gegevens verstrekt: a. de naam en adres van degene die de werkzaamheden gaat verrichten; b. de naam en adres van degene in wiens opdracht de werkzaamheden worden verricht; c. de naam en adres van de natuurlijke persoon en de onderneming die de milieukundige begeleiding gaan verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Onverwijld na het wijzigen van de gegevens als bedoeld in het eerste lid worden deze aan gedeputeerde staten verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-426\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.26</span><span class=\"lf-art-t\">Kwaliteitsborging grondwatersanering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het voorkomen van verspreiding van verontreinigd grondwater, het behoud van de gebruiksfunctie van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt het saneren van grondwater verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-427\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.27</span><span class=\"lf-art-t\">Milieukundige begeleiding grondwatersanering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt de milieukundige begeleiding van een sanering van grondwater verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 6000.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-428\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.28</span><span class=\"lf-art-t\">Voortgangsverslagen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien een sanering van grondwater langer duurt dan één jaar, dan wordt iedere zes maanden een voortgangsrapportage aan gedeputeerde staten verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-429\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.29</span><span class=\"lf-art-t\">Melding bij beëindiging grondwatersanering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De einddatum van een sanering van grondwater wordt binnen één week na beëindiging van de sanering aan gedeputeerde staten gemeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-430\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.30</span><span class=\"lf-art-t\">Informatieplicht na beëindiging grondwatersanering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Ten hoogste vier weken na afronding van een sanering van grondwater wordt aan gedeputeerde staten een evaluatieverslag verstrekt volgens BRL 6000. Het evaluatieverslag bevat in ieder geval: a. een beschrijving van het resultaat van de milieukundige begeleiding bestaande uit processturing met daarbij in ieder geval een opsomming van bijzondere omstandigheden die zich tijdens de saneringswerkzaamheden hebben voorgedaan; b. indien van toepassing de resultaten van de milieukundige begeleiding bestaande uit verificatie van het eindresultaat van de saneringsaanpak; c. indien na een sanering van grondwater een verontreiniging in het grondwater aanwezig is gebleven en daardoor beperkingen in het gebruik van de bodem noodzakelijk zijn: een beschrijving van deze gebruiksbeperkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De eigenaar, erfpachter of gebruiker van de locatie waar na de activiteit een verontreiniging in het grondwater aanwezig is gebleven, neemt de beperkingen in het gebruik van de bodem in acht, die zijn beschreven in het evaluatieverslag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-431\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.31</span><span class=\"lf-art-t\">Nazorgplan grondwatersanering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Indien na het uitvoeren van een sanering van grondwater een verontreiniging in de verzadigde bodem is gebleven en in het evaluatieverslag is aangegeven dat nazorgmaatregelen noodzakelijk zijn, wordt een nazorgplan aan gedeputeerde staten verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Met de uitvoering van de nazorgmaatregelen is belast degene die de sanering van grondwater heeft verricht, dan wel degene die daartoe is aangewezen in het evaluatieverslag.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.3.5</h3>\n<p class=\"lf-p\">Inhoudelijke regels - voorafgaand grondwateronderzoek</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-432\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.32</span><span class=\"lf-art-t\">Vooronderzoek grondwater</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Alvorens de milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 4.13 te verrichten, wordt een vooronderzoek grondwater uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het vooronderzoek grondwater voldoet aan NEN 5725.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-433\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.33</span><span class=\"lf-art-t\">Verkennend grondwateronderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Als uit het vooronderzoek grondwater blijkt dat er een verdenking bestaat van de aanwezigheid van een verontreiniging in de verzadigde zone van de bodem, wordt een verkennend grondwateronderzoek uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het verkennend grondwateronderzoek voldoet aan NEN 5740.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Bij dit verkennend grondwateronderzoek worden betrokken: a. de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering als bedoeld in bijlage Vd bij artikel 4.12a van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en b. de omgevingswaarden voor de goede chemische toestand van grondwaterlichamen als bedoeld in artikel 2.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 De laboratoriumanalyse wordt verricht door een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS 3000.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-434\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.34</span><span class=\"lf-art-t\">Nader grondwateronderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Als het verkennend grondwateronderzoek hiertoe aanleiding geeft, wordt een nader grondwateronderzoek verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Een nader grondwateronderzoek voldoet aan NTA 5755.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De laboratoriumanalyse wordt verricht door een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS 3000.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-435\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.35</span><span class=\"lf-art-t\">Risicobeoordeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Er wordt een risicobeoordeling uitgevoerd als uit het nader grondwateronderzoek blijkt dat sprake is van concentraties die de signaleringsparameters beoordeling grondwaterkwaliteit, als bedoeld in bijlage Vd bij artikel 4.12a van het Besluit kwaliteit leefomgeving, overschrijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De risicobeoordeling maakt de mate van risico’s voor mens, dier en plant als gevolg van een verontreiniging in de verzadigde zone van de bodem inzichtelijk en beschrijft eventueel de maatregelen die met het oog op die risico’s kunnen worden getroffen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-436\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.36</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerkregels voorafgaand bodemonderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Als een verontreiniging zich bevindt in de vaste bodem en de verdenking bestaat dat de verontreiniging zich heeft verspreid in of dreigt te verspreiden naar de verzadigde zone van de bodem, dan wordt in het voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, ook de kwaliteit van het grondwater in beschouwing genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In het voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden voor de beoordeling van de kwaliteit van het grondwater de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering als bedoeld in bijlage Vd bij artikel 4.12a van het Besluit kwaliteit leefomgeving en de omgevingswaarden goede chemische toestand van grondwaterlichamen in artikel 2.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, betrokken.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  4.4</h3>\n<p class=\"lf-p\">Stiltegebieden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-437\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.37</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing stiltegebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als stiltegebieden zijn aangewezen de gebieden Waddenzee, Buitendijks Wad, Schiermonnikoog, IJsselmeerkust, Lauwersmeer, de Alde Feanen, de Deelen, Delleburen, Fochteloër Veen en Drents-Friese Wold, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd op de kaart Stiltegebieden in Bijlage 4.3.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-438\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.38</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunningplicht geluid in stiltegebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het is verboden in een gebied als bedoeld in artikel 4.37 zonder omgevingsvergunning van gedeputeerde staten zonder noodzaak geluid voort te brengen, te doen of te laten voortbrengen, in die mate dat de heersende natuurlijke rust in het gebied wordt verstoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het is verboden zonder omgevingsvergunning van gedeputeerde staten in een stiltegebied de in artikel 4.39 aangewezen toestellen te gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Een omgevingsvergunning wordt alleen verleend: a. in een eenmalig geval, en b. als het belang van het voorkomen en beperken van geluidbelasting niet onevenredig wordt geschaad.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-439\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.39</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzen toestellen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als toestellen bedoeld in artikel 4.38, tweede lid, zijn aangewezen: a. draagvleugelboten; b. airgun- en andere knalapparatuur en motorisch aangedreven werktuigen met de bijbehorende transportmiddelen, te gebruiken in het kader van seismisch onderzoek en opsporingsboringen naar in de bodem aanwezige delfstoffen; c. motorisch aangedreven werktuigen met bijbehorende transportmiddelen, te gebruiken in het kader van aanleg van kabels en buisleidingen in of op de bodem; d. brommers, scooters en motorrijtuigen, tenzij ze worden gebruikt op de openbare weg of voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden; e. geluidproducerend vuurwerk, tenzij het gebruik:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>noodzakelijk is ter oproeping van personen of ter afwending van dreigend gevaar;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>noodzakelijk is ter voorkoming van schade aan landbouwgewassen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>plaatsvindt tijdens de jaarwisseling gedurende de periode die is toegestaan bij Algemene Plaatselijke Verordening of het omgevingsplan; f. schietwapens, tenzij:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>in gebruik door personen met opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van hun functie;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>het noodseinmiddelen betreft in een geval van nood;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>in gebruik met inachtneming van het bepaalde in de Omgevingswet. g. modelvliegtuigen met ingeschakelde verbrandingsmotor; h. modelauto’s en -boten met ingeschakelde verbrandingsmotor; i. muziekinstrumenten en geluidsapparatuur; j. omroepinstallaties, sirenes, hoorns en dergelijke apparatuur, in gebruik anders dan ter oproeping van personen of ter afwending van dreigend gevaar of anderszins noodzakelijk uit een oogpunt van algemene veiligheid; k. jetski’s; l. speedboten, tenzij gebruikt in de vaargeul van de veerdiensten.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-440\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.40</span><span class=\"lf-art-t\">Uitzonderingen verbod</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verboden opgenomen in artikel 4.38, eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing op: a. het gebruiken van toestellen voor normale werkzaamheden, die uit agrarisch, visserij-technisch, bosbouwkundig of beheerstechnisch oogpunt worden verricht. b. recreatieve en culturele activiteiten die plaatsvinden op het strandgedeelte van een eilandgemeente met een eigen strandbeleid.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  4.5</h3>\n<p class=\"lf-p\">Beschermingsgebieden vanwege winning voor menselijke consumptie bestemd water</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.5.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-441\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.41</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Als waterwingebied en grondwaterbeschermingsgebied zijn aangewezen de gebieden: Noord-Bergum, Spannenburg, Terwisscha, Oldeholtpade, Ameland Buren, Ameland Hollum, Terschelling, Vlieland, Schiermonnikoog, Nijbeets, Oudega en Garyp waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd op de kaart Waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden in Bijlage 4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het drinkwaterbedrijf draagt er zorg voor dat het grondwaterbeschermingsgebied als bedoeld in het eerste lid als zodanig goed zichtbaar is aangeduid. De borden worden geplaatst langs alle openbare wegen en vaarwegen die tot het gebied toegang geven dan wel daaraan grenzen, op of nabij de grens van het gebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-442\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.42</span><span class=\"lf-art-t\">Instructie omgevingsplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Een omgevingsplan laat geen activiteiten toe die een risico vormen voor de kwaliteit van het grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden in verband met de winning daarvan voor de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De motivering van een omgevingsplan bevat een beschrijving van het door de gemeenten te voeren beleid ter zake van de wijze waarop het waterwinnings-belang in acht is genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-443\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.43</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Degene die in een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de bescherming van het grondwater in verband met de winning daarvan voor menselijke consumptie is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De zorgplicht houdt in dat, wanneer er sprake is van een direct optredende of dreigende verontreiniging van het grondwater gedeputeerde staten onmiddellijk op de hoogte worden gesteld.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.5.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Waterwingebieden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-444\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.44</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden activiteiten in waterwingebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het is verboden in een waterwingebied een milieubelastende activiteit als genoemd in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving te verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het verbod uit het eerste lid geldt niet voor alle noodzakelijke milieubelastende activiteiten ten behoeve van de winning van grondwater voor menselijke consumptie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-445\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.45</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden activiteiten in waterwingebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in een waterwingebied: a. schadelijke stoffen te hebben, te gebruiken, te vervoeren of op of in de bodem te brengen. Onder schadelijke stoffen worden in ieder geval verstaan de stoffen, combinaties van stoffen, preparaten of andere producten die zijn aangewezen in Bijlage 4.5 bij deze verordening; b. dierlijke of andere meststoffen, anders dan door beweiding, op of in de bodem te brengen; c. constructies van welke aard dan ook, leidingen en installaties daaronder begrepen, tot stand te brengen, te hebben of te gebruiken met het doel het vervoeren, bergen, opslaan, overslaan, storten of verzinken van schadelijke stoffen door, op of in de bodem mogelijk te maken; d. begraafplaatsen en terreinen voor uitstrooiing van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging, of dierenbegraafplaatsen op te richten, te hebben of te gebruiken; e. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben; f. de grond dieper te roeren dan twee meter onder het maaiveld of anderszins werken op of in de bodem uit te voeren, te doen uitvoeren, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de slecht-doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Onder deze werken worden in ieder geval verstaan bodemstabiliseringswerken, grond- en funderingswerken en het plaatsen en verwijderen van damwanden en heipalen; g. wegen, parkeergelegenheden, terreinen voor zover deze, al dan niet tijdelijk, voor gemotoriseerd verkeer openstaan, waterwegen of spoorwegen aan te leggen, te hebben of te reconstrueren; h. kampeergelegenheden, recreatiecentra of kampementen aan te leggen, te hebben, in exploitatie te nemen of te exploiteren; i. een lozing in de bodem uit te voeren; j.</p>\n<p class=\"lf-p\">IBC bouwstoffen op of in de bodem te gebruiken; k. grond toe te passen of baggerspecie te verspreiden; l. een gesloten of een open bodemenergiesysteem te installeren, in exploitatie te nemen of te hebben.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-446\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.46</span><span class=\"lf-art-t\">Uitzonderingen verboden in waterwingebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het in artikel 4.45 onder a genoemde verbod geldt niet: a. voor het voorhanden hebben, gebruiken en vervoeren van schadelijke stoffen ten behoeve van de grondwateronttrekking met het oog op de winning van grondwater voor menselijke consumptie, voor zover de stoffen redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de normale werking van de drinkwaterwinningsinstallatie; b. geringe hoeveelheden schadelijke stoffen in en bij woningen en andere gebouwen die dienen of gediend hebben voor normaal gebruik ter plaatse of afkomstig zijn van normaal gebruik van die woningen of gebouwen, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden; c. schadelijke stoffen aanwezig in en benodigd voor het functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen; d. het verspreiden van wegenzout ter bestrijding van gladheid van wegen; e. het vervoeren van schadelijke stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijk gesloten verpakking, mits deugdelijk geladen, afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanig wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het in artikel 4.45 onder e en f genoemde verbod geldt niet: a. voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van winning van grondwater voor menselijke consumptie; b. voor het realiseren van boorputten ten behoeve van het onderzoeken of saneren van de bodem als bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. het saneren van de bodem dan wel het verrichten van handelingen ten gevolge waarvan een verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst, indien voor dat saneren of die handeling opdracht of toestemming is verleend door gedeputeerde staten dan wel burgemeester en wethouders van de gemeente waarbinnen het waterwingebied is gelegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het in artikel 4.45 onder i gestelde verbod geldt niet voor lozingen die op het tijdstip van het aanwijzen van een gebied als waterwingebied bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het in artikel 4.45 onder k genoemde verbod geldt niet voor: a. het verspreiden van baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen, over het aangrenzende perceel met inachtneming van paragraaf 3.2.26 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. het toepassen van grond waarvan de kwaliteit de aanwezige achtergrondwaarde niet overschrijdt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-447\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.47</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunning activiteiten binnen waterwingebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Gedeputeerde staten kunnen een omgevingsvergunning verlenen voor: a. de activiteiten genoemd in artikel 4.45, onder a, c, e, f en g; b. de activiteiten genoemd onder d en h voor begraafplaatsen of terreinen voor uitstrooiing van as, respectievelijk voor kampeergelegenheden, recreatiecentra of kampementen die op het tijdstip van het aanwijzen van een gebied als waterwingebied bestaan of in aanleg zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend indien de activiteit geen schade toebrengt aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater, met het oog op de winning daarvan voor menselijke consumptie.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.5.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Grondwaterbeschermingsgebieden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-448\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.48</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden activiteiten grondwaterbeschermingsgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een milieubelastende activiteit als genoemd in Bijlage 4.6 te verrichten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-449\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.49</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden activiteiten grondwaterbeschermingsgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied: a. schadelijke stoffen te hebben, te gebruiken, te vervoeren of op of in de bodem te brengen. Onder schadelijke stoffen worden in ieder geval verstaan de stoffen, combinaties van stoffen, preparaten of andere producten die zijn aangewezen in Bijlage 4.5 bij deze verordening. b. constructies van welke aard dan ook, leidingen en installaties daaronder begrepen, tot stand te brengen, te hebben of te gebruiken met het doel het vervoeren, bergen, opslaan, overslaan, storten of verzinken van schadelijke stoffen door, op of in de bodem mogelijk te maken; c. begraafplaatsen en terreinen voor uitstrooiing van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging, of dierenbegraafplaatsen op te richten, te hebben of te gebruiken; d. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben; e. de grond dieper te roeren dan twee meter onder het maaiveld, of anderszins werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de slecht-doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Onder deze werken worden in ieder geval verstaan bodemstabiliseringswerken, grond- en funderingswerken en het plaatsen en verwijderen van damwanden en heipalen; f. wegen, parkeergelegenheden, terreinen voor zover deze, al dan niet tijdelijk, voor gemotoriseerd verkeer openstaan, waterwegen of spoorwegen aan te leggen, te hebben of te reconstrueren; g. kampeergelegenheden, recreatiecentra of kampementen aan te leggen, te hebben, in exploitatie te nemen of te exploiteren; h. een lozing in de bodem uit te voeren; i. een IBC bouwstof of grond toe te passen; j. een gesloten of een open bodemenergiesysteem te installeren, in exploitatie te nemen of te hebben.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-450\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.50</span><span class=\"lf-art-t\">Uitzondering verboden activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het in artikel 4.49, onder a, gestelde verbod geldt niet voor: a. het voorhanden hebben, gebruiken en vervoeren van schadelijke stoffen ten behoeve van de grondwateronttrekking, met het oog waarop het betreffende gebied wordt beschermd, voor zover deze stoffen redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de normale werking van de inrichting, gericht op de openbare drinkwaterproductie; b. geringe hoeveelheden schadelijke stoffen in en bij woningen en andere gebouwen, die dienen of gediend hebben voor normaal gebruik ter plaatse of afkomstig zijn van normaal gebruik van die woningen of gebouwen, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden; c. schadelijke stoffen aanwezig in en benodigd voor het doen functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen; d. het verspreiden van wegenzout ter bestrijding van gladheid van wegen; e. het vervoeren van schadelijke stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijk gesloten verpakking, mits deugdelijk geladen, afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat; f. het gebruik van krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden in grondwaterbeschermingsgebieden toegestane bestrijdingsmiddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De in artikel 4.49 onder d en e, gestelde verboden gelden niet voor: a. het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van grondwateronttrekkingen met het oog op drinkwaterproductie; b. het oprichten van boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer voor zover daarvoor een vergunning is vereist of algemene voorschriften gelden krachtens het Besluit activiteiten leefomgeving; c. het saneren van de bodem dan wel het verrichten van handelingen ten gevolge waarvan een verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst in het kader van paragraaf 3.2.23 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het in artikel 4.49, onder h, gestelde verbod geldt niet voor lozingen die op het tijdstip van in werking treden van deze verordening, dan wel op het tijdstip van de aanwijzing van een gebied als grondwaterbeschermingsgebied bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het in artikel 4.49, onder i, gestelde verbod geldt niet voor het toepassen van grond: a. op of in de bodem, indien de kwaliteit van de grond:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de achtergrondwaarde niet overschrijdt, of 2. de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende bodem gelijk is aan of slechter is dan de kwaliteitsklasse wonen en de grond uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is. b. in oppervlaktewater, indien de kwaliteit van de grond:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de achtergrondwaarde niet overschrijdt, of 2. de maximale waarden van de kwaliteitsklasse A niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende waterbodem gelijk is aan of slechter is dan de kwaliteitsklasse A en de grond uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is; c. bij toepassing in een omvang van meer dan 5.000 m³, indien wordt aangetoond dat de risico’s op verontreiniging van het grondwater voor de desbetreffende drinkwaterwinning niet toenemen, de grond uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is en de kwaliteit van de grond:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>bij een toepassing op of in de bodem de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet wordt overschreden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>bij een toepassing in oppervlaktewater de maximale waarde van de kwaliteitsklasse A niet wordt overschreden.</div>\n<p class=\"lf-p\">5 Van het voornemen tot een toepassing als bedoeld in het vierde lid, onder c, doet degene die de activiteit onderneemt een melding. De melding bevat de resultaten van locatie-specifiek onderzoek op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de risico’s op verontreiniging van de betreffende drinkwaterwinning niet toenemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-451\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.51</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunning activiteiten grondwaterbeschermingsgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Gedeputeerde staten kunnen een omgevingsvergunning verlenen voor de activiteiten genoemd in artikel 4.49, onder a, b, c, d, e, f en g.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend indien de activiteit geen schade toebrengt aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater met het oog op de winning daarvan voor menselijke consumptie.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  4.6</h3>\n<p class=\"lf-p\">Gesloten stortplaatsen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.6.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">(Beperkingengebied)activiteiten met betrekking tot een gesloten stortplaats</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-452\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.52</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing en geometrische begrenzing van beperkingengebieden gesloten stortplaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het beperkingengebied voor een gesloten stortplaats is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd op de kaart gesloten stortplaats in Bijlage 4.7.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-453\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.53</span><span class=\"lf-art-t\">Activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling gaat over activiteiten in, op, onder, boven of bij een plaats waar de in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer bedoelde zorg voor een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd in beperkingengebieden voor een gesloten stortplaats.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-454\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.54</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze afdeling zijn gesteld vanwege: a. de bescherming van het milieu tegen nadelige gevolgen veroorzaakt door gesloten stortplaatsen; b. de goede uitvoering van de zorg voor gesloten stortplaatsen, waaronder:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de bereikbaarheid van de voorzieningen ter bescherming van de bodem te garanderen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>te voorkomen dat de werking van de voorzieningen nadelig wordt beïnvloed; en 3. te voorkomen dat de uitvoering van de nazorg anderszins wordt belemmerd.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-455\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.55</span><span class=\"lf-art-t\">Normadressaat</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-456\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.56</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Degene die een activiteit verricht in, op, onder, boven of bij een plaats waar de in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer bedoelde zorg voor een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd, en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 4.54, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. het veilig en doelmatig beheer van afvalstoffen in de gesloten stortplaats wordt verzekerd, en b. alle passende maatregelen worden genomen om ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1 van de wet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-457\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.57</span><span class=\"lf-art-t\">Informeren over een ongewoon voorval</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Gedeputeerde staten wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval in, op, boven, onder of bij een gesloten stortplaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Zodra de gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 2.22 van het Besluit activiteiten leefomgeving bekend zijn, worden ze verstrekt aan gedeputeerde staten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.6.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Inhoudelijke regels</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-458\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.58</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunningplichtige activiteit gesloten stortplaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten in, op, onder, over of bij een gesloten stortplaats te verrichten: a. werken te maken of te behouden; b. stoffen of voorwerpen, niet zijnde afvalstoffen, te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen; c. het verwijderen of aanleggen van bomen, bos en boomgaard en diepwortelende beplanting; d. het aanleggen van ondergrondse energie-, transport- of communicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies; e. andere dan de onder a tot en met d bedoelde activiteiten te verrichten, als die activiteiten de uitvoering van de maatregelen, bedoeld in artikel 8.49, eerste lid, van de Wet milieubeheer, kunnen belemmeren of de nazorgvoorzieningen kunnen beschadigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Onder activiteiten bedoeld onder het eerste lid, onder a, worden in ieder geval begrepen: a. bouwactiviteiten voor werken en kunstwerken; b. civieltechnische werken, waaronder grondverzet, boringen, en het aanbrengen van grondkerende constructies, of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Onder activiteiten bedoeld onder het eerste lid, onder b, worden in ieder geval begrepen: a. het plaatsen van een container; b. het deponeren van een partij grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Onder activiteiten bedoeld onder het eerste lid, onder e, worden in ieder geval begrepen: a. het wijzigen van het gebruik van de gesloten stortplaats; b. grondbewerkingen dieper dan 30 centimeter; c. onttrekken of inbrengen van grondwater of het anderszins wijzigen van de grondwaterstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Het verbod geldt niet voor het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-459\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.59</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden bij een aanvraag van een omgevingsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 4.58, verstrekt de aanvrager de volgende gegevens: a. het voorgenomen gebruik van de gesloten stortplaats en van het gebied waarin de nazorgvoorzieningen zijn gelegen; b. een kadastrale kaart, waarop het grondgebied van het voorgenomen gebruik als bedoeld onder a is aangegeven; c. de naam en het adres van een ieder die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied, bedoeld onder b; d. een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en toestemmingen om het voorgenomen gebruik te kunnen realiseren; e. de maatregelen die worden getroffen om:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>anderszins de uitvoering van de nazorg niet te belemmeren; f. de wijze van evaluatie van en rapportage over de uitvoering van de onder e bedoelde maatregelen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-460\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.60</span><span class=\"lf-art-t\">Melding activiteiten</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.6.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsvergunning activiteit op of rond gesloten stortplaatsen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-461\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.61</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik en oogmerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf heeft betrekking op een activiteit in, op, onder, boven of bij een plaats waar de in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer bedoelde zorg voor een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd, die als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 4.58.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-462\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.62</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels over de activiteit in, op, onder, boven of bij een gesloten stortplaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit in, op, onder, boven of bij een plaats waar de in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer bedoelde zorg voor een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met de in artikel 4.54 genoemde belangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Een omgevingsvergunning kan pas worden verleend nadat door de aanvrager een rapport is overgelegd waarin in voldoende mate is aangetoond dat de milieutechnische voorzieningen, die nodig zijn voor de nazorg van de gesloten stortplaats intact blijven en de provinciale nazorgorganisatie goedkeuring heeft verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-463\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.63</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerkvoorschriften over de activiteit in, op, onder, boven of bij een gesloten stortplaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan een omgevingsvergunning voor een activiteit in, op, onder, boven of bij een plaats waar de in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer bedoelde zorg voor een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd kunnen voorschriften worden verbonden over: a. de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen; b. het voorkomen dat de werking van de nazorgvoorzieningen nadelig wordt beïnvloed; c. het voorkomen dat de uitvoering van de nazorg anderszins wordt belemmerd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK  5</h3>\n<p class=\"lf-p\">Natuur</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk gaat over: a. natura 2000-activiteiten; b. flora- en fauna-activiteiten; c. activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of om schade door dieren te bestrijden, met uitzondering van de jacht; d. het handelen volgens een faunabeheerplan; e. het gebruik en het onder zich hebben van middelen of installaties en het toepassen van methodes om dieren te vangen of te doden; en f. activiteiten die houtopstanden betreffen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Faunabeheereenheid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Werkgebied faunabeheereenheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Er is één faunabeheereenheid in de provincie Fryslân.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het werkgebied van deze faunabeheereenheid betreft het grondgebied van de provincie Fryslân.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Omvang bestuur van de faunabeheereenheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het aantal bestuursleden van de faunabeheereenheid bedraagt maximaal zeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-54\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Samenstelling bestuur faunabeheereenheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 In het bestuur van de faunabeheereenheid zit één vertegenwoordiger vanuit ieder van de volgende collectieven van jachthouders of houders van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit, werkzaam binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid: a. verenigingen van agrariërs; b. particuliere grondeigenaren; c. terrein-beherende organisaties; d. verenigingen van houders van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Naast de vertegenwoordigers genoemd in het eerste lid, zit er in het bestuur van de faunabeheereenheid ten minste één door gedeputeerde staten benoemde vertegenwoordiger van een maatschappelijke organisatie die het doel behartigt van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, in de regio waartoe het werkgebied van de faunabeheereenheid behoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De vertegenwoordigers genoemd in het eerste en tweede lid zijn niet werkzaam onder de verantwoordelijkheid van gedeputeerde staten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-55\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Voorzitter faunabeheereenheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De voorzitter van de faunabeheereenheid wordt met instemming van gedeputeerde staten door het bestuur van de faunabeheereenheid benoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De voorzitter van de faunabeheereenheid: a. heeft geen dienstverband bij en is niet werkzaam onder de verantwoordelijkheid van één van de in het bestuur vertegenwoordigde partijen; b. is geen bestuurslid van één van de in het bestuur vertegenwoordigde partijen; c. is niet werkzaam onder de verantwoordelijkheid van gedeputeerde staten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-56\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.6</span><span class=\"lf-art-t\">Taken en bevoegdheden faunabeheereenheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naast het vaststellen van een faunabeheerplan heeft de faunabeheereenheid tot taak: a. het coördineren van de uitvoering van een faunabeheerplan; b. het organiseren en aansturen van de uitvoering van populatiebeheer; c. het organiseren en faciliteren van het bestrijden van belangrijke schade aan landbouwgewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren of schade aan flora of fauna, dan wel het voorkomen van het ontstaan van dergelijke schade; d. het bijhouden van een actueel register van wildbeheereenheden als bedoeld in artikel 8.2 van de wet, die binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid werkzaam zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-57\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7</span><span class=\"lf-art-t\">Jaarlijks verslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het verslag als bedoeld in artikel 6.3, derde lid van het Omgevingsbesluit bevat in ieder geval: a. cijfermatige rapportages over de uitvoering van ieder geldend vergunningvrij geval, iedere omgevingsvergunning en opdracht, waarin in ieder geval zijn opgenomen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de aantallen gedode dieren, onderverdeeld naar soort, wildbeheereenheid, locatie, datum en tijdstip;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>een opgave van de grondgebruikers aan wie een meldingsbewijs is verstrekt, met vermelding van naam, adres, postcode en woonplaats;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>een opgave van de gewassen waarop schadebestrijding heeft plaatsgevonden. b. cijfermatige rapportages over de uitvoering van de jacht, waarin opgenomen het aantal gedode dieren, onderscheidend naar wildsoort.</div>\n<p class=\"lf-p\">2 Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de inhoud van het verslag.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Faunabeheerplan</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-58\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.8</span><span class=\"lf-art-t\">Doelstelling en reikwijdte faunabeheerplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het faunabeheerplan is gericht op een duurzaam beheer van in het wild levende diersoorten, alsmede op de bestrijding van schadeveroorzakende dieren en de uitoefening van de jacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Bij het duurzaam beheer wordt rekening gehouden met de effecten van de voorgenomen handelingen op de populatiegrootte, het habitatgebruik en de staat van instandhouding van de beschreven soorten gedurende de planperiode.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Een faunabeheerplan kan mede betrekking hebben op het grondgebied van een andere faunabeheereenheid dan de faunabeheereenheid in de provincie Fryslân, voor zover het diersoorten betreft van wie het leefgebied een grote omvang hebben en zoals bedoeld in artikel 6.2, vierde lid van het Omgevingsbesluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-59\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.9</span><span class=\"lf-art-t\">Geldigheidsduur faunabeheerplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De geldigheidsduur van een faunabeheerplan bedraagt ten hoogste vijf jaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Gedeputeerde staten kunnen op verzoek van de faunabeheereenheid genoemde termijn met maximaal 24 maanden verlengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Een wijziging van een faunabeheerplan behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-510\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.10</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene eisen faunabeheerplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Een faunabeheerplan heeft betrekking op een oppervlakte van ten minste 5.000 hectare en bevat in elk geval: a. een beschrijving van het werkgebied van de faunabeheereenheid en een duidelijke afbakening met de gebieden of locaties waarover het werkgebied van de faunabeheereenheid zich uitstrekt, inclusief het leefgebied van soorten met een omvangrijk leefgebied als bedoeld in artikel 6.2, derde lid van het Omgevingsbesluit waarop het plan mede betrekking heeft; b. een kaart met de begrenzing van het gebied waarop het faunabeheerplan betrekking heeft; c. kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten ten aanzien waarvan een duurzaam beheer of schadebestrijding noodzakelijk wordt geacht, gebaseerd op trendtellingen, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen over de in een faunabeheerplan op te nemen gegevens.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-511\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.11</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende eisen faunabeheerplan populatiebeheer schade- en overlastbestrijding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 In aanvulling op artikel 5.10 bevat het faunabeheerplan inzake populatiebeheer en schadebestrijding van diersoorten ten minste: a. een onderbouwing van de noodzaak van schade- of overlastbestrijding, waaronder een onderbouwde verwachting van de mate waarin de belangen als bedoeld in artikel 8.74j, artikel 8.74 k en artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving zouden worden geschaad, indien niet tot schade- of overlastbestrijding zou worden overgegaan; b. per diersoort en gewas een beschrijving van de aard en omvang van de getaxeerde schade in de vijf jaren voorafgaand aan de periode waarop het faunabeheerplan betrekking heeft, onderverdeeld naar de verschillende wildbeheereenheden; c. per diersoort:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>een beschrijving van de handelingen die in de vijf jaren voorafgaand aan de periode waarop het faunabeheerplan betrekking heeft zijn verricht om schade te voorkomen of te beperken, waaronder het naar soort onderscheiden aantal gedode dieren;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>een beschrijving van het effect van de onder ten eerste bedoelde uitgevoerde handelingen, voor zover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>een beschrijving en onderbouwing van de aard en de noodzaak van maatregelen of handelingen ter voorkoming of beperking van schade of overlast, alsmede een beschrijving van de locaties waar en de perioden in het jaar waarin deze plaats dienen te vinden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>een beschrijving van het verwachte effect van de voorgenomen maatregelen en handelingen. d. per diersoort waarvoor populatiebeheer wordt voorgestaan een onderbouwing van de huidige en gewenste stand van de populatie, inclusief een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de gewenste stand te bereiken; e. voor zover het faunabeheerplan betrekking heeft op het populatiebeheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen bevat het een beschrijving van de leefgebieden van deelpopulaties inclusief een kaartbeeld met de begrenzing hiervan, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de maximale grootte van de populatie van de betrokken dieren binnen de onderscheiden leefgebieden, alsmede de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende leefgebieden.</div>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien de handeling doden met het geweer als maatregel noodzakelijk wordt geacht, een beschrijving waarom inzet van preventieve maatregelen, alternatieve handelingen of handelwijzen naar verwachting niet tot een bevredigend resultaat zullen leiden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-512\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.12</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende eisen faunabeheerplan - Jacht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Inzake de jacht bevat het faunabeheerplan ten minste: a. een overzicht van de afschotgegevens, onderverdeeld naar wildsoort per wildbeheereenheid, in de beheerperiode voorafgaand aan de periode waarop het faunabeheerplan betrekking heeft; b. een beschrijving per wildbeheereenheid van de samenhang tussen de jacht op de wildsoorten, het beheren van de populaties van deze soorten en het bestrijden van schade veroorzaakt door deze soorten in het licht van:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>het behouden of bereiken van een redelijke wildstand, en 2. de gunstige staat van instandhouding van deze soorten.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.4</h3>\n<p class=\"lf-p\">Wildbeheereenheden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-513\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.13</span><span class=\"lf-art-t\">Omvang en begrenzing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het werkgebied van een wildbeheereenheid als bedoeld in artikel 8.2, eerste lid, van de wet strekt zich uit over een aaneengesloten gebied met een oppervlakte van tenminste 5.000 hectare Provincie Fryslan zonder Schiermonnikoog en Vlieland.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Op elk van de Waddeneilanden Schiermonnikoog en Vlieland is één wildbeheereenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Wildbeheereenheden die niet voldoen aan genoemde oppervlakte-eis kunnen een samenwerkingsovereenkomst aangaan met een naburige wildbeheereenheid, zodanig dat gezamenlijk wordt voldaan aan de eis.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het werkgebied van een wildbeheereenheid strekt zich niet uit tot het werkgebied van een andere wildbeheereenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 De begrenzing van de wildbeheereenheid wordt door de desbetreffende wildbeheereenheid vastgesteld en gedocumenteerd op een GIS-kaart op een schaal 1:100.000 of groter.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Een wildbeheereenheid kan, in overeenstemming met andere betrokken wildbeheereenheden, de begrenzingen van haar werkgebied wijzigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Het besluit tot het vaststellen of gewijzigd vaststellen van de begrenzing wordt binnen twee weken na vaststelling aan gedeputeerde staten toegezonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 De begrenzing van het werkgebied een wildbeheereenheid wordt door gedeputeerde staten bekend gemaakt in het provinciaal blad.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-514\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.14</span><span class=\"lf-art-t\">Houders van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een jachthouder met een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit is aangesloten bij de wildbeheereenheid binnen het gebied, waar de gronden liggen waar zijn jacht-houderschap geldt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-515\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.15</span><span class=\"lf-art-t\">Ledenregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een wildbeheereenheid houdt een actueel register bij van aangesloten leden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-516\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.16</span><span class=\"lf-art-t\">Geschillenregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De wildbeheereenheden binnen de provincie Fryslân stellen gezamenlijk een geschillenregeling vast, of sluiten aan bij de bestaande landelijke geschillenregeling. De geschillenregeling behandelt geschillen die betrekking hebben op bestuursbesluiten betreffende een weigering, uitsluiting, schorsing of opzegging van het lidmaatschap van een jachthouder met een jachtakte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-517\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.17</span><span class=\"lf-art-t\">Werkzaamheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Een wildbeheereenheid coördineert voor zijn werkgebied, in het kader van het faunabeheerplan, de trendtellingen van diersoorten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Een wildbeheereenheid coördineert voor zijn werkgebied tevens de verslaglegging van de aantallen dieren, onderscheiden naar diersoort, die door de jachthouders zijn gedood.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De wildbeheereenheid coördineert de verstrekking van de onder het eerste en tweede lid geregistreerde gegevens aan de faunabeheereenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de door de wildbeheereenheden uit te voeren werkzaamheden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.5</h3>\n<p class=\"lf-p\">Vergunning-vrije Flora- en fauna-activiteiten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-518\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.18</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Deze afdeling gaat over de volgende flora- en fauna-activiteiten: a. ruimtelijke inrichting, ontwikkeling, onderhoud en beheer van gebieden; b. schadebestrijding; c. bestrijden van overlast in de bebouwde kom; d. middelen en methoden niet-beschermde soorten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de natuurbescherming.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-519\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.19</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanwijzing vergunning-vrije gevallen andere soorten: ruimtelijke inrichting, ontwikkeling, beheer en onderhoud van gebieden 1 Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet en artikel 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor de aangewezen andere soorten opgenomen in Bijlage 5.1, voor zover de activiteit wordt verricht in het kader van: a. ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. bestendig beheren of onderhouden van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; c. bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; d. bestendig beheren of onderhouden van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het eerste lid is alleen van toepassing als geen goedgekeurde gedragscode van toepassing is, zoals bedoeld in artikel 11.59 van het Besluit activiteiten leefomgeving en geen andere bevredigende oplossing dan het verrichten van de activiteit bestaat, als bedoeld in artikel 8.74l, eerste lid, onder a van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De in het eerste lid genoemde aangewezen vergunning-vrije activiteit geldt slechts voor de in Bijlage 5.1 bij de betreffende soort genoemde vergunning-vrije activiteiten, middelen en methoden, en indien wordt voldaan aan de aldaar gestelde aanvullende voorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Met het toepassen van de in het eerste lid bedoelde aangewezen vergunning-vrije activiteit blijft de zorgplicht zoals bepaald in artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving onverminderd van kracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-520\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.20</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningvrije gevallen soorten vogelrichtlijn: bescherming van weidevogels of boerenlandvogels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verboden in artikel 11.37 van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden niet voor activiteiten bestemd en geschikt voor de bescherming van weidevogels of boerenlandvogels, hun nesten en eieren en hun niet-vliegvlugge jongen, tegen landbouwwerkzaamheden en vee.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-521\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.21</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing vergunning-vrije gevallen soorten vogelrichtlijn en andere soorten: schadebestrijding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet en artikel 11.37 en 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor de aangewezen soorten vogelrichtlijn en andere soorten zoals opgenomen in Bijlage 5.2, voor zover de activiteit wordt verricht in het belang van de voorkoming van belangrijke schade aan gewassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Met toepassing van het eerste lid wordt een vergunningvrij geval aangewezen voor grondgebruikers voor de bestrijding van de in Bijlage 5.2 aangewezen schadesoorten op de door hen gebruikte gronden, of opstallen, ter voorkoming van in het huidige of daarop volgende jaar dreigende schade op deze gronden, of opstallen, of omringende gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het eerste lid geldt voor de in Bijlage 5.2 bij de betreffende soort genoemde vergunning-vrije activiteiten, belangen, gebieden en perioden, en onder toepassing van de genoemde toegestane middelen en methoden, en mits wordt voldaan aan de in Bijlage 5.2 gestelde aanvullende voorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De vergunning-vrije activiteit kan ook betrekking hebben op het verbod als bedoeld in artikel 11.40, artikel 11.75 en artikel 11.76 van het Besluit activiteiten leefomgeving, of de krachtens het tweede lid van artikel 11.75 van het Besluit activiteiten leefomgeving gestelde regels, voor zover dat in Bijlage 5.2 is bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Activiteiten als bedoeld in het eerste lid worden verricht overeenkomstig het faunabeheerplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Indien de grondgebruiker zoals bedoeld in het tweede lid, een vergunning-vrije activiteit door een ander laat uitoefenen, dient deze persoon de schriftelijke en gedagtekende toestemming van de grondgebruiker bij zich te dragen en op eerste vordering van een daartoe bevoegde ambtenaar ter inzage te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Voor zover de vergunning-vrije activiteit ziet op het vangen of doden van dieren, mag dit slechts plaatsvinden nadat passende en doeltreffende preventieve maatregelen zijn ingezet overeenkomstig de beschrijving in het faunabeheerplan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-522\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.22</span><span class=\"lf-art-t\">Rapportage uitvoering vrijgestelde vergunningvrije activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Over de uitvoering van de vrijgestelde vergunning-vrije activiteiten bedoeld in het eerste lid, wordt door de faunabeheereenheid jaarlijks aan gedeputeerde staten gerapporteerd in het verslag bedoeld in artikel 8.1, derde lid van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Gedeputeerde staten kunnen de werking van dit artikel opschorten, indien bijzondere weersomstandigheden hiertoe aanleiding toe geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Van een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in het Provinciaal Blad.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-523\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.23</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunning-vrij geval schadebestrijding binnen ganzenfoerageergebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 In afwijking van het bepaalde in artikel 5.21, tweede lid is het de grondgebruiker slechts toegestaan gebruik te maken van de daar bedoelde vergunning-vrije activiteit, binnen de op grond van artikel 5.25 aangewezen ganzenfoerageergebieden, gedurende de in 5.24, tweede lid genoemde periode, en voor zover gebruikmaking van de vergunning-vrije activiteit niet leidt tot opzettelijke verontrusting van de daar aanwezige trekganzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien de grondgebruiker de op grond van het vergunningvrije geval toegestane handelingen door een ander laat uitoefenen, is deze ander gehouden aan de verplichting van het eerste lid te voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het handelen in strijd met het eerste lid wordt geacht te leiden tot een verstoring van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van op grond van internationale afspraken strikt te beschermen trekganzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op door de grondgebruiker gebruikte opstallen en de daarbij behorende erven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-524\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.24</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunning-vrije gevallen schadebestrijding soorten vogelrichtlijn: ganzen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Op grond van artikel 11.42, onder a en b, en artikel 11.44, tweede lid van het Besluit activiteiten leefomgeving is het de grondgebruiker in afwijking van de verboden, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet en artikel 11.37 van het Besluit activiteiten leefomgeving toegestaan om ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, grauwe gans, Anser , brandgans, Branta leucopsis en kolgans, Anser albifrons opzettelijk te verstoren en te doden op de door hen gebruikte percelen die zijn beteeld met: a. kwetsbare gewassen, of b. na 1 augustus volledig nieuw ingezaaide percelen gras van minder dan 1 hectare en percelen beteeld met overjarig en doorgezaaid gras, voor zover de schadebestrijding plaatsvindt buiten de ganzenfoerageergebieden of soort-specifieke ganzenfoerageergebieden gedurende de periode waarin bedoelde gebieden als zodanig zijn begrensd en de zich binnen deze gebieden aanwezige beschermde ganzen niet opzettelijk worden verontrust.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het doden van de in het eerste lid genoemde soorten is niet toegestaan indien de jaarlijks door gedeputeerde staten vast te stellen maximale aantallen afgeschoten dieren zijn bereikt, gerekend vanaf 1 oktober van enig jaar tot uiterlijk 31 mei van het daarop volgende jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De faunabeheereenheid rapporteert onverwijld aan gedeputeerden staten indien de aantallen gedode ganzen de jaarlijks vastgestelde waarschuwingsgrens hebben bereikt. Het bepaalde in lid 17 is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Indien er geen vastgestelde maatwerkafspraken zijn mogen in een zone van 150 meter, gerekend vanaf de grens van de nachtelijke slaapplaatsen, of indien deze zijn gelegen in een speciale beschermingszone, de grens van deze zone, de in deze paragraaf genoemde soorten niet worden verontrust, verjaagd noch afgeschoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Handelingen als bedoeld in het eerste lid mogen tevens worden verricht vanaf een direct aan het schadeperceel grenzende locatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Handelingen als bedoeld in het eerste lid worden verricht overeenkomstig het faunabeheerplan en onder de voorwaarden en beperkingen genoemde in de leden 7-17 van dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 De in het eerste lid genoemde ganzensoorten mogen slechts worden gedood ter ondersteuning van verjaging van een half uur voor zonsopkomst tot 12.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 Aan verjaging ondersteunend afschot is niet toegestaan: a. op in de nachtelijke rustgebieden verblijvende ganzen; b. op vanuit de nachtelijke rustgebieden opvliegende ganzen; c. op ganzen die op een hoogte van meer dan 35 meter vliegen; d. als is aangetoond door grondgebruiker dat het betreffende perceel onderdeel uitmaakt van een door een Agrarisch Collectief aangewezen weidevogelgebied en er op het betreffende perceel weidevogels of grondbroeders zitten te broeden waarop een beheerpakket van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">9 Van het in het eerste lid bedoelde vergunningvrije geval mag op percelen beteeld met kwetsbare gewassen, of op een direct daaraan grenzende locatie, slechts gebruik worden gemaakt na het gelijktijdig aantoonbaar toepassen van tenminste twee typen preventieve verjaagmiddelen, te weten een akoestisch en een visueel middel. Het jachtgeweer is na zonsondergang niet meer toegestaan als akoestisch middel.</p>\n<p class=\"lf-p\">10 Van het in het eerste lid bedoelde vergunningvrije geval mag op percelen met na 1 augustus volledig nieuw ingezaaid gras van minder dan één hectare en percelen beteeld met overjarig en doorgezaaid gras, of op een direct daaraan grenzende locatie, gebruik worden gemaakt zonder dat preventieve verjaagmiddelen hoeven te worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">11 Het in het eerste lid bedoelde vergunningvrije geval voor het doden van ganzen geldt alleen voor de grondgebruiker die in het bezit is van een door de faunabeheereenheid verstrekt meldingsbewijs. De grondgebruiker kan het meldingsbewijs aanvragen bij de faunabeheereenheid onder opgave van ten minste naam, adres, postcode en woonplaats van de grondgebruiker, het schadegewas en de oppervlakte daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">12 De grondgebruiker aan wie een in het tiende lid bedoeld meldingsbewijs is verstrekt, is verplicht een rapportage overeenkomstig een door de faunabeheereenheid voorgeschreven wijze in te dienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">13 Indien de grondgebruiker de vergunningvrije toegestane activiteit door een ander laat uitoefenen is het de houder van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit toegestaan naast het hagelgeweer, het kogelgeweer te gebruiken als middel.</p>\n<p class=\"lf-p\">14 In afwijking van het bepaalde in artikel 11.42, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving en op grond van artikel 11.44, vierde lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving is het gebruik van een lokfluit en lokgans toegestaan en zijn elektronische lokmiddelen niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">15 In gezelschap van de rechtmatige gebruiker van het vergunningvrije geval mogen per oppervlakte beteeld gewas tot 25 hectare ten hoogste twee andere jachtaktehouders gebruik maken van de in het eerste lid genoemde bevoegdheden. Voor elke 25 hectare dat de oppervlakte groter is mogen drie extra jachtaktehouders worden ingezet. Binnen een straal van 150 meter mogen maximaal drie jachtaktehouders op een beteeld gewasperceel of direct daaraan grenzende locatie aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">16 Ringen en halsbanden die aan gedode vogels worden aangetroffen moeten, onder vermelding van datum en plaats van afschot, worden toegezonden aan het Vogeltrekstation.</p>\n<p class=\"lf-p\">17 Over de uitvoering van de vrijgestelde handelingen als bedoeld in het eerste lid wordt aan gedeputeerde staten jaarlijks gerapporteerd door de faunabeheereenheid in het door de faunabeheereenheid uit te brengen verslag bedoeld in artikel 6.3, derde lid van het Omgevingsbesluit. De rapportage bevat in ieder geval een overzicht van de grondgebruikers aan wie een meldingsbewijs als bedoeld in het tiende lid is verstrekt, onder opgave van: - naam, adres, postcode en woonplaats; - op welke gewassen de schadebestrijding heeft plaatsgevonden; - het aantal gedode kol-, brand- en grauwe ganzen en de afschotdata.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-525\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.25</span><span class=\"lf-art-t\">Begrenzing van de ganzenfoerageergebieden en soortspecifieke ganzenfoerageergebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De geometrische begrenzing van de ganzenfoerageergebieden is vastgelegd op de kaart ganzenfoerageergebieden en soortspecifieke ganzenfoerageergebieden in Bijlage 5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De geometrische begrenzing van de soortspecifieke ganzenfoerageergebieden is vastgelegd op de kaart ganzenfoerageergebieden en soortspecifieke ganzenfoerageergebieden in Bijlage 5.3.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-526\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.26</span><span class=\"lf-art-t\">Verbodsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Binnen de ganzenfoerageergebieden mag van 1 november tot 1 april geen gebruik worden gemaakt van het vergunningvrije geval zoals bedoeld in artikel 5.24, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Binnen de soortspecifieke ganzenfoerageergebieden mag van 1 april tot uiterlijk 1 juni geen gebruik worden gemaakt van het vergunningvrije geval zoals bedoeld in 5.24, eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-527\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.27</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vergunningvrije gevallen soorten vogelrichtlijn: bestrijding kokmeeuw en zilvermeeuw in specifieke gevallen 1 Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet en artikel 11.37 van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet ten aanzien van de zilvermeeuw, Larus argentatus, en de kokmeeuw, Larus ridibundus: a. voor Ecopark de Wierde en Sonac en met de toegestane middelen en methoden en aanvullende voorschriften van Bijlage 5.3, en b. voor zover de activiteit door of namens de grondgebruiker wordt verricht in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het in het eerste lid genoemde vergunning-vrije geval geldt alleen indien geen andere bevredigende oplossing bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het in het eerste lid aangewezen vergunning-vrije geval zondert ook het verbod uit, om zonder vergunning een jachtgeweeractiviteit te verrichten ex artikel 5.1, eerste lid, onder h van de wet, voor zover dat in Bijlage 5.2, van deze verordening bij de betreffende soorten is vermeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-528\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.28</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningvrije gevallen andere soorten: onderzoek en onderwijs, amfibieën</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet en artikel 11.56 van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet ten aanzien van: a. de meerkikker, Rana ridibunda, de middelste groene kikker, Rana esculenta, de bruine kikker, Rana temporaria en de gewone pad, Bufo bufo, en b. het bemachtigen van eieren van deze soorten, voor zover dit voor educatieve doeleinden gebeurt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het in het eerste lid genoemde vergunning-vrije geval geldt niet ten aanzien van amfibieën waarvan de metamorfose is voltooid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het in het eerste lid genoemde vergunning-vrije geval geldt slechts voor het tijdelijk onderzoeken van de gevangen amfibieën. Na onderzoek dienen de gevangen exemplaren op de vangstlocatie te worden teruggeplaatst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-529\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.29</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vergunningvrije activiteiten andere soorten: verplaatsen van amfibieën en reptielen ter voorkoming van verkeerslachtoffers 1 Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet en artikel 11.56 van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor amfibieën en reptielen van de soorten genoemd bijlage 1X, onder A van het Besluit activiteiten leefomgeving, indien de activiteit plaatsvindt in het belang van de bescherming van de fauna en ter veiligstelling van amfibieën en reptielen tegen het verkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het in het eerste lid genoemde vergunning-vrije geval geldt slechts voor het vervoer van amfibieën en reptielen over een afstand van ten hoogste 50 meter vanaf de vangplaats en voor zover de amfibieën en reptielen na het vervoeren onmiddellijk weer in vrijheid worden gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-530\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.30</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vergunningvrije gevallen soorten vogelrichtlijn en andere soorten: ter voorkoming van overlast binnen de bebouwde kom 1 Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet en de artikelen 11.42 en 11.44 van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor de diersoorten genoemd in Bijlage 5.4 bij deze verordening, voor zover: a. deze soorten overlast veroorzaken binnen de bebouwde kom; b. de flora- en fauna-activiteit verricht wordt door het college van burgemeester en wethouders van een Friese gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het in het eerste lid genoemde vergunningvrije geval geldt slechts voor de in Bijlage 5.4 bij de betreffende soort genoemde handelingen en belangen, onder toepassing van daar genoemde middelen en methoden, mits wordt voldaan aan de in de bijlage gestelde aanvullende voorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Van de in het eerste lid genoemde vergunningvrije geval kan alleen gebruik gemaakt worden indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-531\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.31</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vergunningvrije gevallen niet-beschermde soorten: gebruik van geweer en luchtdrukwapen bij bestrijding 1 In afwijking van de artikelen 11.76 en 11.84 van het Besluit activiteiten leefomgeving mag een geweer ook worden toegepast in de gevallen genoemd in Bijlage 5.5, voor de daar genoemde diersoorten, gebieden, middelen, methoden en aanvullende voorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In aanvulling op artikel 11.80 van het Besluit activiteiten leefomgeving, is het gebruik van een luchtdrukwapen op grond van deze verordening ook toegestaan, voor de diersoorten, gebieden, methode en aanvullende voorschriften zoals genoemd in Bijlage 5.5.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.6</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bescherming van vogels: jaarrond beschermde nesten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-532\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.32</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerkregel specifieke zorgplicht: jaarronde bescherming van nesten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het verbod bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet en artikel 11.37, eerste lid, onder b. van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten en rustplaatsen van vogels is jaarrond van toepassing op de nesten van soorten opgenomen in Bijlage 5.7, onder categorie 1 tot en met 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het verbod bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet en artikel 11.37, eerste lid, onder b. van het Besluit activiteiten leefomgeving, is jaarrond niet van toepassing op nesten van soorten opgenomen in Bijlage 5.7, onder categorie 5, indien kan worden vastgesteld middels een omgevingscheck dat voldoende alternatieven in de omgeving aanwezig zijn voor de soort, om zich in de omgeving te kunnen handhaven.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.7</h3>\n<p class=\"lf-p\">Houtopstanden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-533\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.33</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling gaat over het vellen van houtopstanden en het herbeplanten van grond na het vellen van houtopstanden als bedoeld in artikel 11.111 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Provincie Fryslan zonder komgrens.)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-534\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.34</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerkregel meldplicht vellen van een houtopstand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De meldplicht voor het vellen van een houtopstand wordt in afwijking van artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving ten minste zes weken, maar niet eerder dan één jaar, voorafgaand aan het vellen van de houtopstand schriftelijk gedaan bij gedeputeerde staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De melding bevat tenminste: a. de dagtekening; b. de naam, het adres en handtekening van de melder, van de rechthebbende, van de eigenaar van de grond waarop de houtopstand staat; c. een topografische kaart met aanduiding van de te vellenhoutopstand op schaal 1:10.000, met de kadastrale locatie van de te vellenhoutopstand, het areaal van de te vellenhoutopstand uitgedrukt in are, de te vellen boomsoorten; d. de leeftijd van de te vellenhoutopstand uitgedrukt in jaren en voor zover het eenrijige beplanting betreft het aantal te vellen bomen, de onderlinge plantafstand en de aard van de beplanting; e. de reden van de velling van de houtopstand.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-535\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.35</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerkvoorschrift meldplicht vellen van een houtopstand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen in geval van spoedeisende omstandigheden toestemming verlenen om af te wijken van de wachttermijn van zes weken bedoeld in artikel 5.34, eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-536\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.36</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerkregel vereisten herplantplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Van een bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanting als bedoeld in artikel 11.129, eerste lid van Besluit activiteiten leefomgeving, is sprake indien: a. de te herbeplanten oppervlakte ten minste even groot is als de gevelde oppervlakte; b. gebruik wordt gemaakt van inheemse soorten zoals genoemd in de lijst opgenomen in Bijlage 5.8; c. voldoende aannemelijk is dat de te herbeplantenhoutopstand, gelet op de bodemkwaliteit en de waterhuishouding ter plaatse, uit kan groeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand; d. voldoende aannemelijk is dat de te herbeplantenhoutopstand binnen een periode van drie jaar voldoende dekkingsgraad heeft, zodat zich binnen een periode van vijf tot tien jaar een gesloten kronendak kan vormen; e. voldoende aannemelijk is dat de te herbeplantenhoutopstand op termijn tenminste vergelijkbare bosbouwkundige, ecologische, landschappelijke of cultuurhistorische kernkwaliteiten kan vertegenwoordigen, als die teloor zullen gaan met de te vellenhoutopstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In geval van herplant door natuurlijke verjonging, moet voldoende aannemelijk zijn dat de verjonging uit kan groeien tot een volwaardige houtopstand en deze houtopstand vergelijkbare bosbouwkundige, ecologische, landschappelijke of cultuurhistorische kernkwaliteiten kan vertegenwoordigen, als die teloor zullen gaan met de te vellenhoutopstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Herplant binnen Natura 2000-gebieden dient plaats te vinden op een wijze en met soorten die de natuurlijke kenmerken en de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000 gebied niet aantasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het eerste lid, onder b is niet van toepassing voor percelen waarvoor in het Natuurbeheerplan Fryslan het beheertype N16, zijnde bossen met productiefunctie, is vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-537\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.37</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerkvoorschrift vereisten herplantplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen toestemming verlenen voor het gebruik van andere dan inheemse soorten bij een op bosbouwkundig verantwoorde wijze van herplant, als bedoeld in artikel 5.36, eerste lid, onder b.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-538\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.38</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerkvoorschrift: afwijken termijn plicht tot herbeplanting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Gedeputeerde staten kunnen toestemming verlenen af te wijken van de driejaarstermijn voor herbeplanting, als bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Toestemming wordt binnen twee jaar na de velling aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De in het eerste lid bedoelde toestemming kan worden verleend in onderstaande gevallen: a. indien houtopstanden bestaande uit naaldbomen worden omgevormd in houtopstanden op dezelfde grond en wanneer drie jaar na velling geen volledige bosbouwkundige verantwoorde houtopstand is ontstaan; b. bij het optreden van grote onverwachte wildschade waarbij sprake is van voldoende herbeplanting dan wel natuurlijke verjonging; c. bij de uitvoering van grootschalige projecten waarbij in redelijkheid niet kan worden geacht dat binnen een termijn van drie jaar na het vellen van de houtopstand op dezelfde grond herbeplanting plaatsvindt. d. overige bijzondere omstandigheden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-539\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.39</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerkvoorschrift herbeplantingsplicht op andere grond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Gedeputeerde staten kunnen toestemming verlenen tot herbeplanting op andere grond dan de grond bedoeld in artikel 11.129, eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De aanvraag bevat tenminste: a. de dagtekening; b. de naam, het adres en handtekening van de aanvrager; c. een topografische kaart met aanduiding van de te herbeplantenhoutopstand op schaal 1:10.000, de kadastrale locatie van de te herbeplantenhoutopstand, het areaal van de her te planten houtopstand uitgedrukt in are, de te herbeplanten boomsoorten en indien relevant het aantal te herbeplanten bomen. Indien herbeplanting plaatsvindt op de grond van een andere eigenaar dan de grond van de eigenaar van gevelde houtopstand, dan ook ondertekende overeenkomst van overname van de gehele of gedeeltelijke plicht tot herbeplanting. d. de reden van de herbeplanting op andere grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De in het eerste lid bedoelde toestemming kan worden verleend mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. de herbeplanting vindt plaats op bosbouwkundig verantwoorde wijze als bedoeld in artikel 5.36 van deze verordening; b. de grond waarop de herbeplanting plaatsvindt is onbeplant en vrij van de herbeplantingsplicht als bedoeld in artikel 11.129, eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. de grond waarop de herbeplanting plaats vindt is vrij van natuurcompensatie-verplichtingen die ontstaan zijn uit hoofde van de wet of andere wet- en regelgeving. d. de herbeplanting vindt plaats binnen de grenzen van de provincie Fryslân. e.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de te vellenhoutopstand buiten het natuurnetwerk Nederland ligt en de grond waarop de te vellenhoutopstand staat een landbouwkundige functie krijgt, dan dient de her te planten houtopstand op landbouwgrond te worden herplant. f. indien de gevelde houtopstand een één-rijige beplanting betreft en op andere grond wordt herplant als vlakbeplanting, dan dient de vlakbeplanting per boom de oppervlakte van circa 64m² te beslaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De toestemming bedoeld in artikel 5.39, eerste lid wordt in elk geval niet verleend indien: a. de te vellen of teniet gegane houtopstand, al dan niet gedeeltelijk, een landschapselement of een andere kleine houtopstand met een belangrijke ecologische, landschappelijke of cultuurhistorische kernkwaliteit betreft, en voor zover dit in het provinciale of gemeentelijke beleid is vastgelegd; b. door het herplanten op andere grond de oppervlakte van een boskern afneemt; c. daardoor de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied waarop de houtopstand zich bevond, kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kan optreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 In afwijking van het vierde lid is herbeplanting op andere grond toegestaan indien de grond waarop de houtopstand zich bevond, nodig is ter uitvoering van een werk overeenkomstig een vastgesteld omgevingsplan, een omgevingsvergunning of gelijkwaardige verleende toestemming.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Bij toepassing van het vijfde lid dient aan de volgende compensatievoorwaarden met betrekking tot de herbeplanting te worden voldaan: a. bij een bosbodem met een ontwikkelingstijd tot 25 jaar, dient de her te planten oppervlakte anderhalf maal de grootte van de te vellenhoutopstand te bevatten; b. bij een bosbodem met een ontwikkelingstijd van 25 tot en met 100 jaar, dient de her te planten oppervlakte twee maal de grootte van de te vellenhoutopstand te bevatten; c. bij een bosbodem met een ontwikkelingstijd boven de 100 jaar, dient de her te planten oppervlakte drie maal de grootte van de te vellenhoutopstand te bevatten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-540\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.40</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerkregel: uitzondering herbeplantingsplicht baggerdepots</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De herplantingsplicht bedoel in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving is niet van toepassing op in een omgevingsplan aangeduide locaties met de functie baggerdepot.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-541\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.41</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Maatwerkvoorschrift uitzondering meldplicht en herplantplicht zelfde grond terreinbeherende organisaties 1 Gedeputeerde Staten kunnen aan terreinbeherende organisaties toestemming verlenen om af te wijken van de meldplicht als bedoeld in artikel 11.126 Besluit activiteiten leefomgeving en om af te wijken van de plicht tot herplant op dezelfde grond als bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De toestemming als genoemd in het eerste lid wordt verleend onder de volgende voorwaarden: a. de herplant vindt plaats binnen de in artikel 11.129 Besluit activiteiten Leefomgeving gestelde termijn; b. indien de herplant op een andere locatie plaats vindt, wordt voldaan aan de eisen zoals opgenomen in artikel 5.39; c. in het eerste kwartaal van ieder jaar wordt door de houder van de toestemming aan gedeputeerde staten een rapportage verstrekt bestaande uit:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>een GIS-bestand met polygonen ingetekend de locaties waar is gekapt en herbeplant;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>een overzicht van: - de gevelde houtopstanden; - de X- en Y-coördinaten van de gevelde houtopstanden; - het areaal van de gevelde houtopstanden uitgedrukt in are; - de gevelde boomsoorten; - de leeftijd van de gevelde houtopstanden uitgedrukt in jaren; - voor zover het eenrijige beplanting betreft: het aantal te vellen bomen; - de reden van de velling van de houtopstand;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>indien sprake is van herplant op een andere locatie, naast het onder punt 2 genoemde overzicht, een overzicht van: - de X- en Y-coördinaten van de herbeplante houtopstanden; - het areaal van de herbeplante houtopstanden uitgedrukt in are; - de herbeplante boomsoorten; - voor zover het eenrijige beplanting betreft: het aantal geplante bomen; - de reden van de herplant op andere locatie; - voor welke gevelde houtopstand dit de compensatie is.</div>\n<p class=\"lf-p\">3 Van de toestemming om af te wijken van de plicht tot herplant op dezelfde grond mag geen gebruik worden gemaakt in de gevallen als opgenomen in artikel 5.38 derde lid, onder a, b en c.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-542\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.42</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Maatwerkvoorschrift afbakening kapverbod ter bescherming van natuurwaarden of landschappelijke kernkwaliteiten 1 Gedeputeerde staten kunnen het vellen van een houtopstand verbieden als dit nodig is in het kader van de bescherming van bijzondere natuurwaarden of landschappelijke kernkwaliteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Bij de beoordeling of er sprake is van bijzondere natuurwaarden of landschappelijke kernkwaliteiten betrekken gedeputeerde staten in ieder geval onderstaande beoordelingsregels: a. velling in het broedseizoen kan alleen plaatsvinden, indien door een terzake kundige is aangetoond dat met de te vellenhoutopstand geen beschermde nesten van vogels verloren gaan; b. de velling betreft een min of meer aaneengesloten oppervlakte van 5 hectare of meer; c. de velling betreft zeer oude, maar wel vitale bomen; d. de houtopstand heeft een belangrijke aan landschappelijke kernkwaliteiten gekoppelde cultuurhistorische betekenis; e. de velling veroorzaakt op Natura 2000 instandhoudingsdoelstelling negatieve effecten; f. de velling heeft onevenredige negatieve effecten op populaties van beschermde soorten of op het voorkomen van bijzondere vegetatietypen; g. er is sprake van een oude bijzondere bosgroeiplaats, met specifiek daarbij horende bodemopbouw of vegetatiekenmerken; h. er is sprake is van een velling die niet toelaatbaar is op grond van de verbodsbepalingen genoemd in hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving en heeft derhalve geleid tot het weigeren van een vergunning op grond van die verbodsbepalingen; i. de velling heeft om andere redenen dan geschetst onder a tot en met h een onevenredige impact op belangrijke landschappelijke kernkwaliteiten of natuurwaarden; j. een kapverbod wordt opgelegd voor de duur van vijf jaar, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn die een kortere termijn noodzakelijk maken.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.8</h3>\n<p class=\"lf-p\">Tegemoetkoming schade veroorzaakt door in het wild levende dieren</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-543\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.43</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag tegemoetkoming schade</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Een aanvraag om een tegemoetkoming in schade aangericht door van nature in het wild levende dieren, als bedoeld in artikel 15.53, eerste lid van de Omgevingswet wordt door de aanvrager langs elektronische weg bij BIJ12 ingediend op een daartoe door of namens gedeputeerde staten vastgesteld formulier met bijlagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De aanvraag wordt ingediend uiterlijk binnen zeven werkdagen, nadat de aanvrager de schade heeft geconstateerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Schade die niet binnen zeven werkdagen na constatering door de aanvrager op het in het eerste lid vermelde formulier met bijlagen bij BIJ12 is ingediend, komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-544\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.44</span><span class=\"lf-art-t\">Taxatie schade</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De aanvrager mag het gewas, de teelt of de producten, waarop de aanvraag om tegemoetkoming betrekking heeft, niet eerder oogsten of van zijn bedrijf afvoeren, dan nadat de schade definitief is getaxeerd door de taxateur.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien de aanvrager opmerkingen over het formulier Bevestiging Taxatie Aanvrager kenbaar wil maken, zendt hij zijn reactie binnen acht werkdagen na ontvangst van het formulier, per e-mail of per post naar BIJ12.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.9</h3>\n<p class=\"lf-p\">Beheersing van akkerdistel, speerdistel en jakobskruiskruid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-545\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.45</span><span class=\"lf-art-t\">Verwijderingsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gebruiker, eigenaar of ander zakelijke gerechtigde van gronden is verplicht: a. te voorkomen dat de akkerdistel, Cirsium arvense en de speerdistel, Cirsium Vulgare op hun gronden in gevallen van overlast of dreigende overlast, tot bloei komt. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jakobskruiskruid, Senecio Jacobea L., te verwijderen, in het geval er risico bestaat dat de plant wordt gegeten door landbouwhuisdieren, of in veevoer terecht kan komen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.10</h3>\n<p class=\"lf-p\">Vergunningvrije Natura 2000-activiteit</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK  6</h3>\n<p class=\"lf-p\">Duurzame energie</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  6.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Windturbines</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Nieuwe windturbines</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Een omgevingsplan bevat geen bouwmogelijkheid voor nieuwe windturbines.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In afwijking van het eerste lid kan in een omgevingsplan het plaatsen van maximaal 3 windturbines op of direct grenzend aan het bouwperceel van een bestaand agrarisch bedrijf worden toegestaan, onder de volgende voorwaarden: a. de windturbines mogen een maximale as-hoogte van 15 meter hebben, en b. het op te stellen vermogen is afgestemd op de energiebehoefte van het agrarisch bedrijf, en c. de mogelijkheden om te voorzien in de energiebehoefte van het agrarische bedrijf door middel van zonnepanelen op de gebouwen zijn verkend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 In afwijking van het eerste lid kan in een omgevingsplan een nieuwe solitaire windturbine met een tiphoogte van maximaal 100 meter worden toegestaan ter vervanging van meerdere solitaire windturbines, onder de volgende voorwaarden: a. de gezamenlijke tiphoogte van de te vervangen windturbines is minimaal gelijk aan de tiphoogte van de nieuwe windturbine, en b. de te vervangen windturbines hebben een tiphoogte van 45 meter of meer, en c. de omgeving moet participeren in het planproces, en d. het positief rendement van de nieuwe windturbine komt mede ten goede aan de directe omgeving, en e. er mogen geen windturbines worden geplaatst op de Waddeneilanden. (Provincie Fryslân, Provincie Fryslan zonder Waddeneilanden)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-62\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Vervangen en opschalen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Een omgevingsplan bevat geen regeling op grond waarvan bestaande windturbines kunnen worden vervangen, anders dan door windturbines met dezelfde masthoogte en wiekdiameter, op dezelfde locatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In afwijking van het eerste lid kan in een omgevingsplan het vervangen van een bestaande dorpsmolen door een nieuwe solitaire dorpsmolen met een tiphoogte van maximaal 100 meter worden toegestaan, mits: a. de opbrengsten van de dorpsmolen volledig ten goede komen aan de lokale gemeenschap, en b. de dorpsmolen op de bestaande locatie wordt opgericht, waarbij de locatie van de windturbine beperkt mag verschuiven als dit vanuit oogpunt van milieu of veiligheid dan wel vanwege de landschappelijke- of stedenbouwkundige structuur gewenst is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-63\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Kleine windturbines</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Een omgevingsplan bevat geen bouwmogelijkheid voor kleine windturbines buiten het bestaand stedelijk gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In afwijking van het eerste lid kan in een omgevingsplan het plaatsen van een dakturbine of een kleine windturbine met een maximale tiphoogte van 10 meter worden toegestaan, mits de energie wordt opgewekt voor de eigen behoefte en de windturbine op het bouwperceel wordt geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan een regeling bevatten voor een innovatieve pilot voor: a. kleine windturbines met een horizontale as in andere vormen dan twee of drie wieken, waaronder de zogenaamde niet-wiek turbines, en een rotordiameter van maximaal twee meter, of b. kleine windturbines met een verticale as en een rotordiameter van maximaal twee meter.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  6.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Opstellingen voor zonne-energie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-64\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4</span><span class=\"lf-art-t\">Zonneladder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Bij het toedelen van functies aan locaties voor opstellingen voor zonne-energie als bedoeld in afdeling 6.2, wordt vooraf de zonneladder toegepast, waarbij de volgende prioritering voor het vinden van locaties wordt aangehouden: a. op daken en gevels; b. op gronden binnen het bestaand stedelijk gebied; c. op gronden met een andere primaire functie dan landbouwgrond, zoals vuilstorten, nutsvoorzieningen, zandwinputten en infrastructuur; d. op landbouwgronden of in natuurgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In afwijking van het eerste lid is de zonneladder niet van toepassing bij opstellingen voor zonne-energie op bestaande bouwpercelen, zoals bedoeld in artikel 6.5, eerste lid onder a.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-65\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.5</span><span class=\"lf-art-t\">Opstellingen voor zonne-energie en meervoudig ruimtegebruik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 In een omgevingsplan voor gronden buiten het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in een opstelling voor zonne-energie op: a. het bouwperceel van een agrarisch bedrijf, bedrijf, horecagelegenheid, maatschappelijke voorziening of woning, mits het op te stellen vermogen is afgestemd op het eigen energieverbruik op het perceel; b. een zandwinlocatie of een voormalige zandwinlocatie, voor zover deze geen onderdeel uitmaakt van het natuurnetwerk Nederland; c. gronden met een functie voor infrastructuur voor weg, spoor, water en vliegverkeer, voor zover het niet gaat om historische infrastructuur en groene grasdijk-lichamen, zoals beschreven in de Structuurvisie Grutsk op 'e Romte; d. gronden met een functie voor bestaande nutsvoorzieningen of gronden die eerder zijn bestemd en gebruikt voor nutsvoorzieningen, maar waarop de functie nutsvoorzieningen niet meer van toepassing is; e. gronden die deel uitmaken van het natuurnetwerk Nederland of op gronden die zijn aangewezen als natuur buiten het natuurnetwerk Nederland , uitsluitend voor zover de opstelling wat betreft functie en vermogen is gericht op de energiebehoefte die samenhangt met het fysieke beheer en onderhoud van het gebied; f. gronden die aansluiten op het bestaand stedelijk gebied die niet in gebruik zijn voor landbouw- of natuurdoeleinden en niet zijn voorzien van de functie agrarisch dan wel natuur, mits de gronden geen functie hebben voor de landschappelijke inpassing van andere functies.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid onder c, is een opstelling op historische infrastructuur en groene grasdijklichamen mogelijk, mits de opstelling in omvang beperkt blijft, de historische en landschappelijke kernkwaliteiten, waaronder het groene karakter van de dijk, voorop blijven staan en de specifieke behoefte om een opstelling te plaatsen op die locatie is onderbouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Bij toepassing van het eerste lid, onder b tot en met d en het tweede lid, wordt de omgeving betrokken bij het planproces en worden de mogelijkheden voor financiële participatie van de omgeving betrokken bij de planvorming.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-66\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.6</span><span class=\"lf-art-t\">Opstellingen voor zonne-energie op landbouwgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 In een omgevingsplan voor locaties buiten het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in een opstelling voor zonne-energie op landbouwgronden die: a. aansluiten op het bestaand stedelijk gebied of die een redelijke aansluiting hebben of krijgen op het stedelijk weefsel van de kern, of b. niet aansluiten op het bestaand stedelijk gebied, mits aangetoond wordt dat deze naar redelijke verwachting van gemeente en provincie binnen tien jaar onderdeel zal uitmaken van de stedelijke woon- of werkuitbreiding of daarop zal aansluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan een opstelling voor zonne-energie worden toegestaan nabij het bestaand stedelijk gebied, mits: a. de opstelling voor zonne-energie voortvloeit uit een lokaal maatschappelijk initiatief van één of meer samenwerkende dorpen, en b. uit de belangenafweging blijkt dat de landbouwgronden minder waardevol zijn dan de landbouwgronden op alternatieve locaties aansluitend aan de kern.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Bij toepassing van het eerste en tweede lid worden de volgende voorwaarden in acht genomen: a. de locatiekeuze en landschappelijke inpassing komen tot stand met behulp van een omgevingstafel, en b. de omvang van de opstelling is afgestemd op de energiebehoefte van de kern, of van enkele samenwerkende kernen, en c. de omvang van de opstelling voldoet aan de maximale omvang, zoals aangegeven op de kaart Maximale omvang opstellingen voor zonne-energie in Bijlage 6.1, en d. er wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheden om combinaties te maken met andere opgaven en ambities, waarbij in ieder geval ruimte wordt gereserveerd voor het versterken van de biodiversiteit, en e. de locatie ligt niet het in natuurnetwerk Nederland of in natuur buiten het natuurnetwerk Nederland, en f. de omgeving wordt betrokken bij het planproces en ten minste 50 procent van het zonnepark is in eigendom van de lokale gemeenschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 In afwijking van het bepaalde in het derde lid, onder c kan in een omgevingsplan een grotere opstelling voor zonne-energie worden toegestaan, mits deze voortvloeit uit een lokaal maatschappelijk initiatief en tegemoet komt aan de energiebehoefte van één of meerdere samenwerkende kernen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 In afwijking van het bepaalde in het derde lid, onder f kan een omgevingsplan voor een opstelling voor zonne-energie worden toegestaan, waarbij niet ten minste 50% van het zonnepark in eigendom van de lokale gemeenschap is, mits: a. de ontwikkelende partij kan aantonen dat de lokale gemeenschap wel in de gelegenheid is gesteld om mede-eigenaar te worden van het zonnepark, en b. sprake is van een initiatief waarbij de lokale gemeenschap zelf nauw en vroegtijdig is betrokken, en c. een substantieel deel van het positieve resultaat ten goede komt aan de lokale gemeenschap.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-67\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.7</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere bepaling Waddeneilanden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In een omgevingsplan voor de Waddeneilanden kan worden afgeweken van het gestelde in het artikel 6.5, eerste lid onder e, artikel 6.6, eerste en tweede lid en artikel 6.6, derde lid onder e, met dien verstande dat een zonnepark niet mag worden gerealiseerd op gronden die onderdeel uitmaken van een Natura 2000-gebied.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK  7</h3>\n<p class=\"lf-p\">Infrastructuur</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  7.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1</span><span class=\"lf-art-t\">Normadressaat</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-72\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.2</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke aanvraagvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de algemene aanvraagvereisten van artikel 7.2 van de Omgevingsregeling, worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de hectometrering en het wegnummer van de locatie waar de activiteit plaats gaat vinden; b. de kilometrering of plaatsbepaling van de locatie en naam van de vaarweg op de locatie waar de activiteit plaats gaat vinden; c. de beoogde datum en het tijdstip waarop met de activiteit wordt begonnen; d. de duur van de activiteit; e. situatieschets van de plaats van de activiteit; f. indien van toepassing, constructietekeningen van het werk met vooraanzicht, zijaanzichten en bovenaanzicht; g. een kaart van het tracé voor zover het betreft de aanleg van kabels en leidingen, waarbij voor de wegen, vaarwegen, beheerzones van vaarwegen en de meren ook een boorprofiel met x, y, z-coördinaten nodig is; h. alle overige informatie die voor de beoordeling van de aanvraag van belang is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-73\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Intrekken, weigeren of wijzigen omgevingsvergunning beperkingengebied-activiteiten provinciale wegen, beheerzone provinciale wegen en provinciale vaarwegen Gedeputeerde staten kunnen een omgevingsvergunning voor een beperkingengebied-activiteit voor een provinciale weg, beheerzone provinciale weg of provinciale vaarweg intrekken, weigeren of wijzigen, indien: a. in strijd met de omgevingsvergunning of de daaraan verbonden voorschriften wordt gehandeld; b. de bij de aanvraag van de omgevingsvergunning verstrekte gegevens zo onjuist of onvolledig zijn, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest; c. de omstandigheden aanmerkelijk zijn gewijzigd; d. gedurende een aaneengesloten periode van meer dan één jaar, of een binnen de vergunning langere genoemde termijn, geen gebruik is gemaakt van de vergunning.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  7.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Wegen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  7.2.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-74\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.4</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik beperkingengebied provinciale wegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Deze afdeling gaat over beperkingengebied-activiteiten voor provinciale wegen, zijnde wegen in beheer bij de provincie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Deze afdeling is niet van toepassing op activiteiten voor regulier beheer en onderhoud door of in opdracht van gedeputeerde staten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-75\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.5</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het behoeden van de staat en een doelmatige en veilige werking van een weg tegen nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg, waartoe ook het belang van verruiming, wijziging of onderhoud van die weg behoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Taken en bevoegdheden op grond van deze afdeling kunnen ook worden uitgeoefend vanwege de volgende belangen in het gebied waar de weg is gelegen: a. het beschermen van landschappelijke kernkwaliteiten en aardkundige waarden; b. het beschermen van ecologische waarden en natuur; c. het beschermen van cultuurhistorische kernkwaliteiten en archeologische waarden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-76\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.6</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Degene die een beperkingengebied-activiteit met betrekking tot een provinciale weg of de beperkingengebied beheerzones provinciale wegen verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen genoemd in artikel 7.5, is verplicht: a. het veilig en doelmatig gebruik en de instandhouding van de provinciale weg te verzekeren; b. het gebruik van de weg, in overeenstemming met haar bestemming als openbare weg, te verzekeren; c. het vrije zicht te garanderen; d. werkzaamheden, of het plaatsen van vaste stoffen of voorwerpen op een zodanige wijze uit te voeren, dat geen schade voor de weg ontstaat; e. het beperkingengebied van de weg niet te verontreinigen met voor het verkeer of de weg hinderlijke en schadelijke vloeistoffen, of beplantingsresten; f. de weg zodanig te onderhouden dat deze geen hinder voor het verkeer veroorzaakt en dat beplanting geen schade veroorzaakt aan de weg, waarbij de vrije doorgang boven de weg of parallelweg tenminste 4.50 meter moet zijn en boven fiets- of wandelpaden tenminste 4.00 meter; g. borden, spandoeken, handelsreclame en licht- of geluidgevende voorzieningen op een zodanige plaats of wijze aan te brengen, dat de veiligheid van het verkeer niet in gevaar wordt gebracht.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  7.2.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Geometrische begrenzing provinciale wegen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-77\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.7</span><span class=\"lf-art-t\">Geometrische begrenzing provinciale wegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De geometrische begrenzing van de provinciale wegen is vastgelegd op de kaart provinciale wegen in Bijlage 7.1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-78\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanwijzing en geometrische begrenzing beperkingengebied provinciale wegen en beperkingengebied beheerzone provinciale wegen 1 Het beperkingengebied voor een provinciale weg is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd op de kaart provinciale wegen in Bijlage 7.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor zover het beperkingengebied voor een provinciale weg niet geometrisch is begrensd bestaat het beperkingengebied voor een provinciale weg uit de provinciale weg en wat daar naar zijn aard toe behoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het beperkingengebied voor de beheerzone provinciale wegen, is de locatie waarvan de indicatieve geometrische begrenzing is vastgelegd op de kaart provinciale wegen in Bijlage 7.1.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  7.2.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Inhoudelijke regels voor beperkingengebied-activiteiten rond provinciale wegen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-79\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.9</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunningplicht voor werken in, op, of langs provinciale wegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een beperkingengebied-activiteit te verrichten in het beperkingengebied provinciale wegen, door: a. duikers, goten, peilbuizen, afrasteringen en vergelijkbare werken aanwezig te hebben, op te richten, aan te leggen, te wijzigen of te verwijderen; b. bruggen, tunnels, gemalen, zendmasten en vergelijkbare werken aanwezig te hebben, op te richten of te wijzigen; c. de bermsloten te dempen, af te dammen, aan te leggen of de afvoercapaciteit daarvan te wijzigen; d. borden, spandoeken, vlaggenmasten, of andere aanduidingen aanwezig te hebben, te plaatsen of te wijzigen; e. kunstuitingen aanwezig te hebben, op te richten of te wijzigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Gedeputeerde staten kunnen een omgevingsvergunning weigeren voor de onder d. genoemde activiteiten, indien: a. sprake is van commerciële aanduidingen; b. de hoeveelheid verwijzingen op een locatie het maximum aantal overschrijdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Gedeputeerde staten kunnen een omgevingsvergunning weigeren voor de onder e. genoemde activiteiten, indien: a. de activiteit zich binnen de obstakelvrije zone van een weg bevindt; b. de veiligheid van de weggebruiker in het geding is; c. de activiteit afbreuk doet aan de landschappelijke of cultuurhistorische kernkwaliteiten; d. negatief is geadviseerd door Keunstwurk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-710\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.10</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunningplicht voor kabels en leidingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een beperkingengebied-activiteit te verrichten in het beperkingengebied provinciale wegen, bestaande uit het aanleggen, wijzigen, het aanwezig hebben van of verwijderen van kabels en leidingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Gedeputeerde staten kunnen een omgevingsvergunning voor kabels of leidingen wijzigen of intrekken, indien: a. een kabel of leiding of een deel daarvan, moet worden verlegd als gevolg van werkzaamheden van de provincie of derden, en er geen ruimte is om de kabel of leiding te laten liggen of terug te plaatsen; b. de vergunninghouder niet voldoet aan het verzoek tot het nemen van maatregelen of het doen van aanpassingen, die nodig zijn voor de realisering van provinciale infrastructurele maatregelen of voor de uitvoering van beheer en onderhoud.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Gedeputeerde staten kunnen een omgevingsvergunning voor kabels of leidingen weigeren, indien er een aanmerkelijke kans bestaat op schade of aantasting van het veilig en doelmatig gebruik van een weg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-711\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.11</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunningplicht voor uitritten op provinciale wegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een beperkingengebied-activiteit te verrichten in het beperkingengebied provinciale wegen door: a. een uitrit naar de provinciale weg aanwezig te hebben, te wijzigen of te maken; b. het gebruik van de uitrit te wijzigen van particulier naar bedrijfsmatig gebruik, of c. te intensiveren als gevolg van een veranderde bedrijfsvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Gedeputeerde staten weigeren een omgevingsvergunning voor een uitrit bij wegen met een stroom- of gebieds-ontsluitingsfunctie, indien: a. een uitrit niet is toegestaan op grond van de Wegenverkeerswet. b. een uitrit op de gevraagde locatie als verkeersonveilig wordt beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Gedeputeerde staten kunnen een omgevingsvergunning voor een uitrit wijzigen of intrekken, als dit noodzakelijk is voor het veilig en doelmatig gebruik van de weg, waaronder ook wordt verstaan het inrichten van de weg overeenkomstig zijn functie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-712\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.12</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunningplicht voor standplaatsen en weggebonden voorzieningen langs provinciale wegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een beperkingengebied-activiteit in het beperkingengebied provinciale wegen te verrichten door: a. een standplaats voor handel of bedrijf in te nemen of aanwezig te hebben; b. een weggebonden voorziening op te richten, aanwezig te hebben of te ontsluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Gedeputeerde staten kunnen een omgevingsvergunning voor een standplaats weigeren als de activiteit overlast, hinder of onveiligheid voor het verkeer kan veroorzaken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-713\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.13</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunningplicht voor evenementen op of bij provinciale wegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een beperkingengebied-activiteit in het beperkingengebied provinciale wegen en het beperkingengebied beheerzones provinciale wegen te verrichten, bestaande uit het houden van een evenement.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Gedeputeerde staten weigeren een omgevingsvergunning indien: a. de bereikbaarheid van het verkeer, waaronder het openbaar vervoer en hulpdiensten, en ook de verkeersveiligheid onvoldoende geborgd is; b. de politie of hulpdiensten negatief adviseren over het gebruik en de veiligheid op de provinciale weg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-714\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.14</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod opslag vaste en niet vaste stoffen of voorwerpen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het is verboden vaste en niet-vaste stoffen of voorwerpen op te slaan binnen de beperkingengebieden provinciale wegen en de beheerzone provinciale wegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het verbod geldt niet indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. het betreft een weg met een erftoegangsfunctie met een maximum snelheid van 60 km per uur; b. de initiatiefnemer heeft geen ruimte voor de opslag op het eigen perceel; c. de opslag veroorzaakt geen schade aan de staat van de weg of aan beplanting; d. de opgeslagen stoffen of voorwerpen leveren geen gevaar op voor de weggebruiker; e. de tijdelijke opslag duurt maximaal één week.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Indien wordt voldaan aan de in het tweede lid genoemde voorwaarden mag de activiteit slechts worden uitgevoerd, nadat de initiatiefnemer daarvoor een melding bij gedeputeerde staten heeft gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De melding dient minimaal twee weken voor aanvang van de geplande activiteiten te zijn gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 De melding wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de aanduiding van de activiteit; b. begin- en einddatum van de activiteit; c. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; d. het wegnummer en de hectometrering, en ook het adres waarop de activiteit wordt verricht; e. de dagtekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Gedeputeerde staten kunnen op kosten van de initiatiefnemer, zo nodig zorgdragen voor beschermende maatregelen voor de weggebruiker.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Na beëindiging van de activiteit wordt de berm zo nodig weer in de oorspronkelijke staat hersteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-715\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.15</span><span class=\"lf-art-t\">Uitvoering activiteiten en onderhoud door gedeputeerde staten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen in de voorschriften van een omgevingsvergunning voor de activiteiten in de artikelen 7.9 tot en met 7.12 bepalen dat: a. de aanleg en het onderhoud van werken geschiedt door de provincie; b. binnen het beperkingengebied van provinciale wegen een financiële vergoeding is verschuldigd voor genoemde aanleg en onderhoud.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-716\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.16</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerkvoorschriften en vergunningvoorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Gedeputeerde staten kunnen maatwerkvoorschriften stellen of een vergunningvoorschrift aan de omgevingsvergunning verbinden voor de activiteiten genoemd in de artikelen 7.9 tot en met 7.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 7.9 tot en met 7.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in de artikelen 7.9 tot en met 7.13 kan worden verbonden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  7.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Geluid provinciale wegen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-717\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.17</span><span class=\"lf-art-t\">Beheersing geluid provinciale wegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-718\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.18</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing wegen geluidproductieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Voor alle openbare wegen in beheer bij de provincie worden geluidproductieplafonds vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De geluidsproductieplafonds worden door provinciale staten bij besluit als omgevingswaarde vastgesteld.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  7.4</h3>\n<p class=\"lf-p\">Vaarwegen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  7.4.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Vaarwegbeheer</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-719\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.19</span><span class=\"lf-art-t\">Toedeling vaarwegbeheer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De toedeling van het vaarwegbeheer opgenomen op de kaart Toedeling vaarwegenbeheer in Bijlage 7.2 is als volgt: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lijst A: vaarwegen waarbij het vaarwegbeheer is toebedeeld aan de provincie Fryslân; b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lijst B: vaarwegen waarbij het vaarwegbeheer aan overige openbare lichamen is toebedeeld; c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lijst C: vaarwegen waarbij het vaarwegbeheer aan Wetterskip Fryslân is toebedeeld; d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lijst D: de Friese Meren waarbij het vaarwegbeheer is toebedeeld aan de provincie Fryslân.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-720\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.20</span><span class=\"lf-art-t\">Klasse-indelingen vaarwegen en verplichtingen vaarwegbeheerder voor instandhouding van de vaarweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De algemene klasse-indeling van de vaarwegen is met algemene normen per klasse in Bijlage 7.3 vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De vaarwegbeheerder draagt zorg voor het onderhoud van de vaarweg met inachtneming van de vastgestelde normen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Met behulp van de meetcyclus wordt gecontroleerd of de vaarwegdiepte dan wel de ingrijpdiepte wordt overschreden, waarbij alle vaarwegen minimaal eens per zes jaar worden gemeten. Indien de ingrijpdiepte, voor zover deze op lijst A, lijst B of lijst C, meer dan incidenteel wordt overschreden, worden baggerwerkzaamheden ingepland.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De vaarwegdiepte moet altijd worden gehaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, waarbij inspraak openstaat voor diegene wiens belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-721\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.21</span><span class=\"lf-art-t\">Onderhoud van de vaarweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De vaarwegbeheerder draagt zorg voor het onderhoud van de vaarweg. Het onderhoud omvat in ieder geval: a. het behouden of realiseren van het vastgestelde vaarwegprofiel van de vaarweg; b. het schoonhouden van de vaarweg met inbegrip van het verwijderen van obstakels, vuil en waterplanten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  7.4.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Beperkingengebieden provinciale vaarwegen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-722\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.22</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik beperkingengebieden provinciale vaarwegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Deze paragraaf gaat over activiteiten in de beperkingengebieden provinciale vaarwegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De geometrische begrenzing van de provinciale vaarwegen is vastgelegd op de kaart provinciale vaarwegen in Bijlage 7.4.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-723\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.23</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de instandhouding, bruikbaarheid en bescherming van de provinciale vaarwegen en provinciale meren , om deze te behoeden tegen nadelige gevolgen van activiteiten op of rond deze vaarwegen en meren, zodat de provinciale vaarwegen en meren hun economische en recreatieve functie kunnen behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Taken en bevoegdheden op grond van deze afdeling kunnen ook worden uitgeoefend met het oog op de volgende belangen: a. het beschermen van landschappelijke kernkwaliteiten en aardkundige waarden; b. het beschermen van ecologische waarden en natuur; c. het beschermen van cultuurhistorische kernkwaliteiten en archeologische waarden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-724\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.24</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Degene die een beperkingengebied-activiteit met betrekking tot een vaarweg in beheer bij de provincie verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, genoemd in artikel 7.23, draagt zorg: a. voor het veilig en doelmatig gebruik en de instandhouding van de provinciale vaarwegen en provinciale meren; b. voor het gebruik van een vaarweg in overeenstemming met haar functie als openbare vaarweg; a. voor het gebruik van een meer in overeenstemming met haar functie als openbaar water; b. voor het behoud van het vrije zicht van de vaarweggebruiker en het niet verder verslechteren van het bestaande zicht, voor zover dat door omstandigheden al beperkt is; c. dat werkzaamheden of het plaatsen van vaste stoffen of voorwerpen op een zodanige wijze worden uitgevoerd dat hieruit geen schade voor de vaarweg, het meer of de vaarweggebruikers kan ontstaan; d. voor het voorkomen van hinder voor vaarweggebruikers, veroorzaakt door het deponeren van al dan niet vaste stoffen of voorwerpen in, op, of boven of naast de vaarweg; e. voor het voorkomen van verontreiniging in een vaarweg of meer met hinderlijke stoffen of beplantingsresten; f. voor het voorkomen van aantasting van de provinciale oeververdediging en provinciale vaarwegen door wortels van beplanting op de oever.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-725\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.25</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene verboden met betrekking tot de beperkingengebieden bij CEMT-vaarwegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de provinciale vaarwegen Krúswetter, Houkesleat, Van Harinxmakanaal, westelijke toegang Leeuwarden, oostelijke toegang Leeuwarden, de Vaarweg naar Drachten, Johan Frisokanaal, de Vaarweg naar Heerenveen en vaarweg naar Akkrum, is het verboden een beperkingengebied-activiteit te verrichten, bestaande uit het blokkeren van radarzichtlijnen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-726\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.26</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene verboden provinciale vaarwegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het is verboden om het vrije zicht van de vaarweggebruiker in een binnenbocht op een provinciale vaarweg, bij een aansluiting of bij een kruising te hinderen door het oprichten van een werk of het opslaan van stoffen of voorwerpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het is verboden beplanting aanwezig te hebben die het vrije uitzicht van de vaarweggebruiker belemmert of anderszins hinder of gevaar oplevert voor de vaarweggebruiker, met uitzondering van monumentale bomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het is verboden een windturbine op te richten in een provinciale vaarweg, of in een provinciaal meer.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De rotorbladen van een windturbine mogen zich niet bevinden binnen de beperkingengebieden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-727\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.27</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunningplicht voor werken in, op, onder of langs provinciale vaarwegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een beperkingengebied-activiteit te verrichten in de beperkingengebieden provinciale vaarwegen, door: a. in, op, boven, onder of naast de vaarweg, werken op te richten, in stand te houden, te wijzigen of te verwijderen; b. de aanleg van een kunstwerk boven of onder een vaarweg, zoals een brug, sluis, aquaduct, naviduct of ander kunstwerk; c. een aansluiting op een provinciale vaarweg te maken, te wijzigen of ongedaan te maken; d. het gebruik van een aansluiting:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>te wijzigen van particulier gebruik naar bedrijfsmatig gebruik;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>te intensiveren als gevolg van een veranderde bedrijfsvoering; e. op of aan het water borden, spandoeken, handelsreclame, vlaggenmasten en licht- of geluidgevende voorzieningen te hebben, te plaatsen of te wijzigen; f. kunstuitingen aanwezig te hebben, op te richten, of te wijzigen.</div>\n<p class=\"lf-p\">2 Gedeputeerde staten kunnen een omgevingsvergunning weigeren voor de in het eerste lid, onder e. genoemde activiteiten, indien: a. sprake is van commerciële aanduidingen; b. de hoeveelheid verwijzingen op een locatie een dusdanige omvang heeft, dat het veilig gebruik van de vaarweg niet langer kan worden geborgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Gedeputeerde staten kunnen een omgevingsvergunning weigeren voor de in het eerste lid onder f genoemde activiteiten, indien: a. de veiligheid van de vaarweggebruiker in het geding is; b. de activiteit afbreuk doet aan de landschappelijke of cultuurhistorische kernkwaliteiten; c. negatief is geadviseerd door Keunstwurk; d. het onderhoud aan de vaarweg ernstig wordt belemmerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-728\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.28</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunningplicht voor kabels en leidingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een beperkingengebied-activiteit te verrichten in de beperkingengebieden provinciale vaarwegen, bestaande uit het aanleggen, wijzigen, het aanwezig hebben van, of het verwijderen van kabels en leidingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Gedeputeerde staten kunnen een omgevingsvergunning voor kabels of leidingen wijzigen of intrekken, indien: a. een kabel of leiding, of een deel daarvan, moet worden verlegd als gevolg van werkzaamheden van de provincie of derden en er geen ruimte is om de kabel of leiding te laten liggen of terug te plaatsen; b. de vergunninghouder niet voldoet aan het verzoek tot het nemen van maatregelen of het doen van aanpassingen, die nodig zijn voor de realisering van provinciale infrastructurele maatregelen of voor de uitvoering van beheer en onderhoud.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Gedeputeerde staten kunnen een omgevingsvergunning voor kabels of leidingen weigeren, indien er een aanmerkelijke kans bestaat op schade of aantasting van het veilig en doelmatig gebruik van een provinciale vaarweg of een provinciaal meer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-729\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.29</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerkvoorschriften en vergunningvoorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Gedeputeerde staten kunnen maatwerkvoorschriften stellen of een vergunningvoorschrift aan de omgevingsvergunning verbinden voor de activiteiten genoemd in de artikelen 7.27 en 7.28.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in de artikelen 7.27 en 7.28 kan worden verbonden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK  8</h3>\n<p class=\"lf-p\">Procedures</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-81\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1</span><span class=\"lf-art-t\">Ontheffingen van instructieregels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Gedeputeerde staten kunnen op aanvraag van burgemeester en wethouders of een waterschap een ontheffing als bedoeld in artikel 2.32 van de Omgevingswet verlenen van het bepaalde in de artikelen 2.6, 2.7, 2.8, 2.9, tweede lid, onder b., 2.10, onder c, 2.14, 2.16, tweede lid, 2.20, eerste lid onder g, 2.22, eerste lid, 2.23, tweede lid, 2.24, eerste lid en tweede lid, 2.25, 2.27, 6.4 tot en met 6.7 van deze verordening, in gevallen waarbij de zorg voor de fysieke leefomgeving van het openbaar lichaam tot wie de instructieregel zich richt onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met die regels te dienen belangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Provinciale staten worden geïnformeerd over door gedeputeerde staten verleende ontheffingen als bedoeld in het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.2</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoud aanvraag ontheffing instructieregel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag om een ontheffing bevat in ieder geval: a. een beschrijving van de activiteit en de situatie waarvoor de ontheffing wordt gevraagd; b. een digitale verbeelding, dan wel één of meer kaarten op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de plaats waarop de ontheffing betrekking heeft; c. een beschrijving van de redenen waarom ontheffing wordt aangevraagd; d.</p></div>", "next": 239877}