{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Subsidieaanvragen worden ingediend binnen de tenderperiode die door Gedeputeerde Staten is vastgesteld in een openstellingsbesluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-207\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.7</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen per tenderperiode als bedoeld in artikel 20.6, tweede lid, een subsidieplafond vast in een openstellingsbesluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-208\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.8</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiehoogte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt 15% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 450.000.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de aanvrager minder dan 15% van de subsidiabele kosten, bedoeld in het eerste lid, aanvraagt, wordt, onverminderd het eerste lid, slechts maximaal het gevraagde percentage aan subsidie verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de voorgaande leden, wordt, indien sprake is van staatssteun: maximaal een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het van toepassing zijnde percentage uit de Algemene groepsvrijstellingsverordening niet wordt overschreden; of en geen van de vrijstellingen uit de Algemene groepsvrijstellingsverordening van toepassing is, maximaal slechts een zodanig bedrag aan subsidies verstrekt dat voor het totale bedrag aan overheidsbijdragen over een periode van drie jaar het maximumbedrag aan de-minimissteun niet wordt overschreden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-209\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.9</span><span class=\"lf-art-t\">Verdeelcriteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen die voldoen aan de vereisten van dit hoofdstuk, het daarvoor vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, wordt, in geval door de Beheerautoriteit op grond van artikel 5.8 van de Subsidieregeling OPZuid een rangschikking is gemaakt, subsidie verleend op grond van de volgorde van die rangschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de in het eerste lid bedoelde rangschikking niet is gemaakt door de Beheerautoriteit, is artikel 5.8 van de Subsidieregeling OPZuid van toepassing op subsidieverlening op grond van dit hoofdstuk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2010\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.10</span><span class=\"lf-art-t\">Beslissing op de subsidieaanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De beslistermijn van artikel 4.2.4 van de REES 2021 is van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2011\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.11</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen van de subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.5 van de Subsidieregeling OPZuid is van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 1.6.3 en 1.6.6, derde lid, zijn niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2012\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.12</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 1.6 van de Subsidieregeling OPZuid en gelet op de toepasselijke Europese regelgeving, worden de verleende subsidies vastgesteld op basis van prestaties en gerealiseerde kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op verzoek van de subsidieontvanger wordt de aanvraag tot vaststelling op grond van de Subsidieregeling OPZuid aangemerkt als aanvraag tot vaststelling op grond van dit hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslistermijn van artikel 4.2.17 van de REES 2021 is van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2013\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.13</span><span class=\"lf-art-t\">Betaling en bevoorschotting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten verstrekken een voorschot van ten hoogste 100% van het verleende subsidiebedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten betalen het voorschot in een keer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk21Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor het uitvoeren van duurzaamheidsscans voor bedrijven en bedrijventerreinen Vervallen Hoofdstuk22Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie in het kader van Hergebruik Leegstaande Panden voor Wonen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-221-220\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: beeldbepalend gebouw: een leegstaand gebouw, dat door een combinatie van architectonische kwaliteit en zijn plaats in de stedenbouwkundige structuur, een belangrijke bijdrage levert aan de kwaliteit van het stads- of dorpsbeeld; beeldverstorend verpauperd gebouw: een leegstaand gebouw dat door een combinatie van het ontbreken van architectonische kwaliteit en zijn plaats in de stedenbouwkundige structuur, en zo mogelijk ook door de slechte staat van onderhoud, een negatieve bijdrage levert aan de kwaliteit van het stads- of dorpsbeeld; bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; herontwikkelen: het na sloop realiseren van nieuwbouw op dezelfde locatie al dan niet in combinatie met een herinrichting van de openbare ruimte; leegstaand gebouw: structureel leegstaand gebouw dat om diverse redenen geen invulling of herinvulling heeft gekregen met uitzondering van tijdelijk gebruik zoals anti-kraak; rijksmonument: een zich in de provincie Zeeland bevindend rijksmonument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; slopen: het afbreken, afvoeren van (bouw)materialen en eventueel saneren van de bodem ten behoeve van toekomstig gebruik; transformeren: het omvormen van een gebouw zonder een woonfunctie tot een gebouw met een woonfunctie; wooneenheid: een gebouw of deel van een gebouw, bedoeld en geschikt voor permanente bewoning door één huishouden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-222-221\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor: het transformeren van beeldbepalende gebouwen of beeldverstorende verpauperde gebouwen naar een woonfunctie, waarbij minimaal twee wooneenheden worden toegevoegd aan de woningvoorraad; het slopen van beeldverstorende verpauperde gebouwen die niet meer zinvol kunnen worden getransformeerd, gevolgd door herontwikkeling gericht op wonen, waarbij minimaal twee wooneenheden worden toegevoegd aan de woningvoorraad.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-223-222\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.3</span><span class=\"lf-art-t\">Doelgroep en weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts verstrekt aan de eigenaar van het gebouw waarop de subsidiabele activiteit betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, eerste lid, kan subsidie worden verstrekt aan een natuurlijk persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder a, wordt subsidie niet verstrekt indien de activiteit op het moment van ontvangst van de aanvraag voor de subsidie reeds is gestart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt voorts niet verstrekt indien: de aanvrager niet kan aantonen dat de activiteit kan starten binnen één jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 22.7, eerste lid; de aanvrager niet kan aantonen dat de activiteit kan worden gerealiseerd binnen drie jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 22.7, eerste lid; de activiteit in strijd is met het gemeentelijk beleid of geldende regelgeving van de gemeente waarbinnen de activiteit wordt uitgevoerd; de activiteit op basis van artikel 22.10, tweede lid, aanhef en onderdeel a en b tezamen, minder dan 75 punten scoort of de som van de punten op basis van artikel 22.10, tweede lid, aanhef en onderdeel a tot en met f, minder bedraagt dan 275 punten; de activiteit plaatsvindt buiten het bestaand stedelijk gebied; het gebouw op het moment van ontvangst van de aanvraag minder dan één jaar leegstaat; het te transformeren of te slopen gebouw zich op een perceel bevindt met de planologische bestemming wonen, tenzij deze woonbestemming korter dan een jaar voor de beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 22.7, eerste lid, van kracht is geworden met als doel om de transformatie van het gebouw mogelijk te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager in een individueel geval afwijken van het in het vierde lid, aanhef en onderdeel f bepaalde.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel d, wordt een subsidie niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 10.000.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-224\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiehoogte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 200.000.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-225\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.5</span><span class=\"lf-art-t\">Vooroverleg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voordat een aanvraag wordt ingediend, kan er een vooroverleg plaatsvinden aan de hand van het op de website van de provincie Zeeland beschikbaar gestelde vooroverlegformulier. Het vooroverleg vindt zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van het vooroverlegformulier plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens het vooroverleg wordt in ieder geval aan de orde gesteld: locatie en eigenaarschap van de locatie; huidige en beoogde situatie van het project, inclusief leegstandsduur; de financiële haalbaarheid van het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd; of de activiteit niet in strijd is met het gemeentelijk beleid of geldende regelgeving van de gemeente waarbinnen de activiteit wordt uitgevoerd; de duurzaamheidsmaatregelen van het project; de overige informatie die bij de aanvraag moet worden ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-226\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.6</span><span class=\"lf-art-t\">Niet-subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De volgende kosten komen niet voor subsidie in aanmerking: kosten voor marketing en promotie; waardedaling van gronden of opstallen veroorzaakt door markt- of economische factoren; kosten voor bodemsanering voor zover deze de waardevermeerdering van het terrein als gevolg van de bodemsanering niet overstijgen; kosten van werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen ten behoeve van de instandhouding van rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen zoals opgenomen in de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten die als bijlage bij de Subsidieregeling instandhouding monumenten is opgenomen; kosten die gemaakt worden voor activiteiten die buiten het exploitatiegebied van het project vallen; kosten van planschade.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-227\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.7</span><span class=\"lf-art-t\">Openstelling, subsidieplafond en beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidie als bedoeld in artikel 22.2 kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten beslissen op de aanvraag binnen twaalf weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in het eerste lid van dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidieaanvragen die op de uiterste indieningsdatum niet volledig zijn ontvangen, worden afgewezen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-228\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.8</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere eisen aan de aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 22.2 wordt bij gedeputeerde staten ingediend door gebruik te maken van een volledig en ondertekend ingevuld aanvraagformulier subsidie Hergebruik Leegstaande Panden voor wonen zoals beschikbaar gesteld op de website van de provincie Zeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.4.2, tweede lid, bevat een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 22.2: een plan van aanpak, met daarin: een locatieaanduiding waaruit blijkt welke bouwwerken en percelen de bedoelde locatie omvat; een algemene beschrijving van de transformatie of sloop en herontwikkeling in het kader waarvan de subsidiabele activiteiten worden uitgevoerd; een onderbouwing op welke wijze en in welke mate het project bijdraagt aan het terugdringen van leegstand, de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en indien van toepassing de cultuurhistorie; een toelichting van de te nemen maatregelen, inclusief de duurzaamheidsmaatregelen conform de eisen voor Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG); tekeningen van de bestaande en gewenste situatie, plattegrond(en) en gevelaanzichten; maximaal vijf foto’s van de bestaande situatie; een (onderbouwde) financieringstoelichting van het project met in ieder geval: een uitgebreide (meerjaren)begroting met een (onderbouwde) raming van de kosten per maatregel en de opbrengsten, uitgesplitst per jaar; de waarde van de gronden en opstallen die verband houden met de realisering van het project; de waarde van de gronden en opstallen of de opbrengst door verkoop of verhuur na voltooiing van het project; een beschrijving van de tijdplanning van het project; een bewijs van eigendom van de locatie, zoals een uittreksel uit het kadaster of een kopie van een notariële akte; een schriftelijke verklaring dat de gemeente medewerking verleent aan de voorgenomen subsidiabele activiteit; een toelichting waaruit de oorzaak en duur van de leegstand van het pand of de panden blijkt; voor zover subsidie wordt gevraagd voor de kosten van bodemsanering: een door een onafhankelijke deskundige opgestelde taxatie van de waardestijging van het terrein als gevolg van de bodemsanering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-229\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.9</span><span class=\"lf-art-t\">Staatssteun</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedeputeerde staten toetsen voor subsidieverlening of die is aan te merken als steunmaatregel in de zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag inzake de werking van de Europese Unie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien sprake is van een steunmaatregel, dan wordt deze verleend op basis van de Verordening (EU) nr. 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PB L, 2023/2831, 15.12.2023) en uitsluitend voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden van die verordening.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Wanneer de subsidieverlening is aan te merken als een steunmaatregel, legt de aanvrager op verzoek van gedeputeerde staten een de-minimisverklaring over met een opgave van alle andere ontvangen de-minimissteun in de afgelopen 36 maanden.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.10</span><span class=\"lf-art-t\">Extern deskundige</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor het vooroverleg en de beoordeling van de subsidieaanvraag kunnen gedeputeerde staten een beroep doen op een extern deskundige.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.11</span><span class=\"lf-art-t\">Verdeelprocedure</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de subsidieaanvragen, die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn, het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de volgorde van behandeling een rangschikking van de aanvragen op basis van de onderstaande criteria: kwaliteitsverbetering: de mate waarin het project door hergebruik en door de bouwkundige en esthetische verbetering van het gebouw bijdraagt aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit; impact: de mate waarin het project leidt tot een verbetering van de omgeving; transformatie: de mate waarin door transformatie of sloop en herontwikkeling wordt bijgedragen aan de woonbehoefte of maatschappelijke doelen; betaalbaarheid: de mate waarin het project bijdraagt aan de beschikbaarheid van betaalbare woningen duurzaamheid: de mate waarin het project zorgt voor de verduurzaming van het gebouw; cultuurhistorie: de mate waarin het project bijdraagt aan de cultuurhistorische waarden van het gebouw en de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kennen voor de rangschikking, bedoeld in het eerste lid, de volgende punten toe: kwaliteitsverbetering: ten hoogste 200 punten; impact: ten hoogste 100 punten; transformatie of sloop en herontwikkeling: ten hoogste 100 punten; betaalbaarheid: ten hoogste 100 punten; duurzaamheid: ten hoogste 50 punten; cultuurhistorie: ten hoogste 50 punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten rangschikken de aanvragen op volgorde van het aantal toegekende punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien toepassing van het eerste en tweede lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt subsidie verleend aan de aanvraag met het hoogste aantal punten behaald op basis van het criterium kwaliteitsverbetering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval een subsidie niet volledig verleend kan worden als gevolg van het bereiken van het subsidieplafond, vindt verlening plaats ter hoogte van het nog beschikbare bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien naar het oordeel van gedeputeerde staten niet aannemelijk is dat de subsidieaanvrager na gedeeltelijke verlening van de subsidie de activiteiten uit zal voeren, zijn gedeputeerde staten bevoegd de subsidie te weigeren en de subsidie aan de eerstvolgende in de rangschikking te verlenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2212\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.12</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in § 1.6 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen: de activiteit start binnen één jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 22.7, eerste lid; de activiteit wordt binnen drie jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 22.7, eerste lid, gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager, kunnen gedeputeerde staten afwijken van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk23Bijzondere bepalingen Samen in zee: versterking cultuur in Zeeland</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-231-232\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Adviescommissie: Adviescommissie Samen in zee: versterking cultuur in Zeeland; bovenlokale uitwerking: uitwerking die zijn weerslag heeft in ten minste twee van de volgende Zeeuwse gemeenten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Goes;</p>\n<p class=\"lf-p\">Hulst;</p>\n<p class=\"lf-p\">Kapelle;</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelburg;</p>\n<p class=\"lf-p\">Noord-Beveland;</p>\n<p class=\"lf-p\">Schouwen-Duiveland;</p>\n<p class=\"lf-p\">Sluis;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terneuzen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Veere;</p>\n<p class=\"lf-p\">Vlissingen. culturele instelling: instelling met rechtspersoonlijkheid die blijkens haar statuten het uitvoeren van culturele activiteiten tot doel heeft of een zelfstandige die beroepsmatig werkzaam is in de culturele sector; duurzame samenwerking: samenwerking die structureel van karakter is; nieuwe maker: cultuurprofessional of ambachtsbeoefenaar, die maximaal vijf jaren voorafgaand aan het indienen van een subsidieaanvraag een diploma kunstvakonderwijs heeft behaald of staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel als zelfstandige; publieksbereik: het publiek dat wordt bereikt met het culturele aanbod; verdienmodel: wijze om omzet te genereren; vrijwilligerspotentieel: potentieel aan vrijwilligers en het potentieel aan kennis en kunde onder vrijwilligers dat nog niet is ingezet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-232-233\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten stellen een subsidieplafond vast, ten laste waarvan aanvragen kunnen worden ingediend gedurende een openstellingsperiode als bedoeld in artikel 23.9, eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-233-234\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van projecten die zijn gericht op het versterken van de culturele sector in Zeeland en betrekking hebben op één van de volgende onderwerpen: het verbreden van het publieksbereik tot doelgroepen die nu niet of beperkt gebruik maken van het aanbod in de culturele sector; de totstandkoming van duurzame samenwerking binnen en buiten de culturele sector; het scheppen van randvoorwaarden voor het opbouwen van een beroepspraktijk ten behoeve van nieuwe makers; het versterken van het vrijwilligerspotentieel; het doen van onderzoek naar een of meer van de onderwerpen genoemd onder a tot en met d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het doen van onderzoek als bedoeld in het eerste lid, onder e, worden per openstellingsperiode maximaal twee subsidies toegekend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-234\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieontvanger - penvoerder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt uitsluitend aangevraagd door en verstrekt aan een penvoerder van een samenwerkingsverband van tenminste twee instellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De penvoerder is werkzaam binnen één of meer van de volgende culturele disciplines: audiovisuele kunsten; beeldende kunsten, architectuur en vormgeving; bibliotheekwerk; cultureel erfgoed; letteren; podiumkunsten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De penvoerder is een culturele instelling met rechtspersoonlijkheid en het aanspreekpunt voor het bevoegd gezag voor alle zaken die de subsidie betreffen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-235\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidievoorwaarden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt uitsluitend verstrekt wanneer: de penvoerder is gevestigd in één van de volgende Zeeuwse gemeenten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Goes;</p>\n<p class=\"lf-p\">Hulst;</p>\n<p class=\"lf-p\">Kapelle;</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelburg;</p>\n<p class=\"lf-p\">Noord-Beveland;</p>\n<p class=\"lf-p\">Schouwen-Duiveland;</p>\n<p class=\"lf-p\">Sluis;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terneuzen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Veere;</p>\n<p class=\"lf-p\">Vlissingen. het project binnen zes maanden na afloop van de openstellingsperiode als bedoeld in artikel 23.9, eerste lid, wordt gestart en binnen 24 maanden na afloop van deze periode wordt gerealiseerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-236\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23.6</span><span class=\"lf-art-t\">De-minimissteun</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten toetsen voor subsidieverlening of die is aan te merken als steunmaatregel in de zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag inzake de werking van de Europese Unie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien sprake is van een steunmaatregel, dan wordt deze verleend op basis van de Verordening (EU) nr. 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PB L, 2023/2831, 15.12.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/2831/oj) en uitsluitend voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden van die verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de subsidieverlening is aan te merken als een steunmaatregel, legt de penvoerder op verzoek van gedeputeerde staten een de-minimisverklaring over met een opgave van alle andere ontvangen de-minimissteun in de twee voorgaande belastingjaren en het lopende belastingjaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-237\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23.7</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte subsidiebedrag en niet subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 70% van de kosten als bedoeld in artikel 1.3.1, tot een maximum van € 35.000 per project.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.3.1 wordt geen subsidie verstrekt voor kosten waarvoor door gedeputeerde staten of een ander bestuursorgaan al subsidie is verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-238\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23.8</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningsvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag wordt bij gedeputeerde staten ingediend door gebruik te maken van een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier Subsidie Samen in Zee: versterking cultuur in Zeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.4.2, tweede lid, wordt bij de aanvraag overgelegd: het projectplan van maximaal 8 pagina’s A4 waarin het volgende wordt beschreven: een omschrijving van het project, waaronder de projectopzet en de uit te voeren activiteiten; een onderbouwing van de haalbaarheid van het project en de daarmee beoogde resultaten, waaronder de projectplanning en de risicofactoren die in de weg kunnen staan aan het behalen van het beoogde resultaat; de mate waarin het project bijdraagt aan de versterking en/of vernieuwing van de culturele sector in Zeeland; de meerwaarde ten opzichte van bestaande producten, processen, diensten, onderzoeken of ontwikkelingen; de verwachte bovenlokale uitwerking; de mate waarin de resultaten overdraagbaar of toepasbaar zijn op andere disciplines binnen de culturele sector; één door alle deelnemers aan het samenwerkingsverband ondertekende samenwerkingsovereenkomst; een sluitende (meerjaren)begroting als bedoeld in artikel 1.4.3, voorzien van specificatie en toelichting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-239\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23.9</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden aangevraagd gedurende een openstellingsperiode die gedeputeerde staten hebben vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidieaanvragen die op de uiterste indieningsdatum niet volledig zijn ontvangen, worden afgewezen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2310\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23.10</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten beslissen op de aanvraag binnen twaalf weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 23.9, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2311\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23.11</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingscriteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Adviescommissie beoordeelt en rangschikt de aanvragen op volgorde van verlening op grond van de beoordelingscriteria genoemd in het tweede lid en adviseert gedeputeerde staten over de volgorde van verlening en over het toepassen van de weigeringsgronden als genoemd in artikel 23.13, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag wordt beoordeeld op basis van de volgende beoordelingscriteria: de haalbaarheid van het project en de daarmee beoogde resultaten; de mate waarin de beoogde resultaten van het project bijdragen aan de versterking en/of vernieuwing van de culturele sector in Zeeland; de mate waarin het project bovenlokale uitwerking heeft; de mate van samenwerking binnen en buiten de culturele sector.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan ieder criterium als genoemd in het tweede lid wordt een score toegekend op basis van de bij dit artikel behorende scoretabel. Naarmate een project meer bijdraagt aan het realiseren van een criterium wordt een hogere score toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na de toekenning van de scores worden de aanvragen gerangschikt op basis van de totaalscore, waarbij de aanvraag met het hoogste puntenaantal als eerste in de rangschikking wordt opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgorde van gelijk geplaatste subsidieaanvragen wordt als volgt bepaald wanneer subsidieverlening voor die aanvragen zou leiden tot overschrijding van het subsidieplafond: prioriteit wordt gegeven aan een aanvraag die het beste scoort op het beoordelingscriterium als genoemd in het tweede lid, onder b; in het geval dat nog steeds sprake is van een gelijke score, wordt prioriteit gegeven aan een aanvraag die het beste scoort op het beoordelingscriterium als genoemd in het tweede lid, onder a; in het geval dat nog steeds sprake is van een gelijke score, wordt prioriteit gegeven aan een aanvraag die het beste scoort op het beoordelingscriterium als genoemd in het tweede lid, onder d; als ook dan nog steeds sprake is van een gelijke score, vindt loting tussen die betreffende aanvragen plaats. De loting wordt uitgevoerd door een notaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer door toekenning van een aanvraag het subsidieplafond wordt overschreden, wordt de subsidie niet verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rangschikking blijft achterwege wanneer de subsidieverlening voor de aanvragen die in aanmerking komen voor subsidie, niet zal leiden tot overschrijding van het subsidieplafond.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van het zevende lid toetst de Adviescommissie of sprake is van een weigeringsgrond als genoemd in artikel 23.13, eerste lid en brengt daarover advies uit aan gedeputeerde staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Scoretabel behorend bij artikel 23.11, derde lid: beoordelingscriteria score de haalbaarheid van het project en de daarmee beoogde resultaten onvoldoende: 0 punten voldoende: 5 punten goed: 10 punten excellent: 15 punten de mate waarin de beoogde resultaten van het project bijdragen aan de versterking en/of vernieuwing van de culturele sector in Zeeland onvoldoende: 0 punten voldoende: 10 punten goed: 20 punten excellent: 30 punten de mate waarin het project bovenlokale uitwerking heeft onvoldoende: 0 punten voldoende: 5 punten goed: 10 punten excellent: 15 punten de mate van samenwerking binnen en buiten de culturele sector onvoldoende: 0 punten voldoende: 5 punten goed: 10 punten excellent: 15 punten totaalscore (a+b+c+d) maximaal 75 punten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2312\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23.12</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderde het bepaalde in de artikelen 1.6.1 tot en met 1.6.5 is de subsidieontvanger verplicht: de projectresultaten en ontwikkelde methodieken openbaar te maken en te verspreiden onder Zeeuwse instellingen; de Governance Code Cultuur, Code Diversiteit en Inclusie en de Code Fair Practice bij de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten toe te passen dan wel toe te lichten waarom de codes niet of niet geheel worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.6.6, eerste lid, is de subsidieontvanger verplicht om in zijn bekendmakingen of publiciteitsuitingen naast de provincie ook ‘Samen in Zee’ te vermelden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2313\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23.13</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten weigeren de subsidie wanneer op één of meer van de beoordelingscriteria de score ‘onvoldoende’ wordt toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in artikel 1.2.1, tweede lid, onder d, weigeren gedeputeerde staten de subsidie wanneer de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 5.000.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk24Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie bij planvorming ten behoeve van toekomstbestendige bedrijventerreinen (Toekomstbestendige bedrijventerreinen– planvorming)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-241-245\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel24.1</span><span class=\"lf-art-t\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">bedrijventerrein: een terrein van ten minste één hectare bruto dat planologisch bestemd en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening of industrie; biodiversiteit: de verscheidenheid van plant- en diersoorten in een bepaald gebied; circulaire economie: een economisch systeem dat bedoeld is om herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren; collectieve maatregelen: maatregelen die bedrijven en overheden kunnen nemen die impact hebben op een (groot) deel van het bedrijventerrein en meerdere van de daarop gevestigde bedrijven; energietransitie: besparing van energie én de omschakeling van fossiele energiebronnen naar volledig hernieuwbare energiebronnen zoals zon, wind en water, gericht op het verminderen van CO2-uitstoot; gebiedsproces: een proces gericht op het koppelen van belangen en het verbinden van partijen in een gebied voor een goede afweging van te realiseren doelen; herstructurering: alle eenmalige ruimtelijke ingrepen op een bedrijventerrein die tot doel hebbende kwaliteit van het terrein te verbeteren en veroudering tegen te gaan en die niet tot het reguliere onderhoud worden gerekend. Er zijn vijf vormen van herstructurering te onderscheiden: facelift; revitalisering; zware revitalisering; herprofilering; transformatie; klimaatadaptatie: aanpassing aan klimaatverandering om effecten als droogte, extreme neerslagen hogere temperaturen op te kunnen vangen; toekomstbestendig bedrijventerrein: een bedrijventerrein dat inspeelt op toekomstige kansen en opgaven op het gebied van economie, energietransitie, circulaire economie, klimaatadaptatie, biodiversiteit en zero-emissie mobiliteit, waardoor het terrein aantrekkelijk blijft als vestigingslocatie; verduurzaming: maatregelen die tot doel hebben om de energietransitie, circulaire economie, klimaatadaptatie, biodiversiteit en zero-emissie mobiliteit op bedrijventerreinen en bij bedrijven te stimuleren; zeehaventerrein: terrein dat onderdeel is van het beheersgebied van North Sea Port; zero-emissie mobiliteit: mobiliteitsoplossingen die geen (CO2-)uitstoot veroorzaken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-242-246\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel24.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor de planvorming van collectieve maatregelen ten behoeve van het toekomstbestendiger maken van bestaande bedrijventerreinen die zich richt op het opzetten en uitvoeren van een gebiedsproces, het inventariseren van kansen en knelpunten (w.o. duurzaamheidsscan), het onderzoeken van de haalbaarheid of het uitwerken van ruimtelijke plannen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze planvorming van collectieve maatregelen dient betrekking te hebben op minimaal drie van de volgende thema’s: herstructurering in de vorm van zware revitalisering, herprofilering of transformatie, voor zover deze bijdraagt aan de verduurzaming van het bedrijventerrein of de verduurzaming van de daarop gevestigde bedrijven mogelijk maakt; energietransitie; circulaire economie; klimaatadaptatie; biodiversiteit; zero-emissie mobiliteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-243\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel24.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidie wordt slechts verstrekt aan:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">ondernemingen gevestigd op het bedrijventerrein waarop de subsidiabele activiteit ziet; gemeenten binnen de provincie Zeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts verstrekt als de collectiviteit van de activiteiten voldoende wordt aangetoond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het eerste lid wordt, indien subsidie wordt aangevraagd door ondernemingen, subsidie slechts verstrekt als de activiteit wordt ondersteund door de gemeente waarin het bedrijventerrein zich bevindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder a, wordt subsidie niet verstrekt indien de activiteit op het moment van ontvangst van de aanvraag voor de subsidie reeds is gestart.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder b, c en d, wordt subsidie niet verstrekt indien: de activiteit niet aanvangt binnen zes maanden na de datum waarop de subsidieaanvraag is ingediend; de activiteit niet wordt gerealiseerd binnen vijftien maanden na de datum waarop de subsidieaanvraag is ingediend; de activiteit plaatsvindt op een bedrijventerrein bestemd voor grondstoffenwinning, olie- en gaswinning, waterwinning, afvalstort, nutsvoorzieningen, horeca- en recreatiebedrijven, agrarische bedrijven, de vestiging van nieuwe economische dragers als bedoeld in bijlage III van de Omgevingsverordening Zeeland, de mogelijkheden voor niet-agrarische activiteiten in het landelijk gebied, niet zijnde een bedrijf gericht op de industriële verwerking van producten als bedoeld in bijlage III van de Omgevingsverordening Zeeland, energieopwekking als bedoeld in artikel 5.1, negende en tiende lid, van de Omgevingsverordening Zeeland alsmede overige krachtens de Omgevingsverordening Zeeland toegelaten bedrijvigheid, overige functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid en solitaire bedrijvigheid binnen bestaand stedelijk gebied; de activiteit plaatsvindt op een zeehaventerrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager gedurende de looptijd van een verleende subsidie in een individueel geval afwijken van het in het vijfde lid, aanhef en onderdeel b bepaalde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-244\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel24.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 50.000 per aanvraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-245\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel24.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 1.3.1 en artikel 1.3.3 en in afwijking van artikel 1.3.2 zijn uitsluitend subsidiabel de kosten van derden gemoeid met de inhuur van of uitbesteding aan een externe organisatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-246\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel24.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidie kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een aanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de aanvraag volledig is als datum van binnenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige aanvragen plaats door middel van loting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-247\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel24.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag voor een subsidie wordt bij gedeputeerde staten ingediend door gebruik te maken van een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier ‘Toekomstbestendige bedrijventerreinen – planvorming’.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.4.2, tweede lid, aanhef en onderdeel a en onverminderd artikel 1.4.2, tweede lid, aanhef en onderdeel b, bevat een aanvraag voor een subsidie: een offerte voor de inhuur van of uitbesteding aan een externe organisatie, met daarin: een plan van aanpak voor de uitvoering van de activiteit; een uitgewerkte prijsopgave met uren en uurtarieven; indien subsidie wordt aangevraagd door ondernemingen: een ondersteuningsbrief van de gemeente waarin het bedrijventerrein zich bevindt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-248\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel24.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten toetsen voor subsidieverlening of die is aan te merken als steunmaatregel in de zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag inzake de werking van de Europese Unie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien sprake is van een steunmaatregel, dan wordt deze verleend op basis van de Verordening (EU) nr. 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PB L, 2023/2831, 15.12.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/2831/oj) en uitsluitend voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden van die verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de subsidieverlening is aan te merken als een steunmaatregel, legt de aanvrager op verzoek van gedeputeerde staten een de-minimisverklaring over met een opgave van alle andere ontvangen de-minimissteun over de afgelopen drie jaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-249\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel24.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten beslissen op de aanvraag voor de subsidie binnen acht weken na ontvangst van de volledige aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk25Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor de flexibele inzet voor versnelling van de Zeeuwse woningbouwopgave</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-251-254\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: aandachtsgroepen: vergunninghouders, arbeidsmigranten, dak- en thuisloze mensen, mensen met sociale of medische urgentie, mensen die uitstromen uit een intramurale zorginstelling, uitwonende studenten, woonwagenbewoners en ouderen; bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; betaalbare woningen: sociale huurwoningen: woningen met een huurprijs onder de liberalisatiegrens, dat wil zeggen het bedrag bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag; middeldure huurwoningen: woningen met een huurprijs tussen de liberalisatiegrens, dat wil zeggen het bedrag, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag, en het bedrag dat hoort bij 186 punten volgens het woningwaarderingsstelsel (WWS); betaalbare koopwoningen: koopwoningen met een verkoopprijs onder de betaalbaarheidsgrens voor koopwoningen; collectief particulier opdrachtgeverschap: collectief van toekomstige bewoners van een woningbouwproject waarbij zij gezamenlijk opdrachtgever zijn voor de gehele realisatie van de woningen; externe expertise: externe deskundige met expertise op het gebied van woningbouw of op het gebied van knelpunten die zich binnen een specifiek project afspelen, die een gemeente ondersteunt bij het oplossen van het betreffende knelpunt; flexwonen: woonvorm waarbij sprake is van een tijdelijk pand of locatie voor bewoning dan wel een permanent pand met huurwoningen bedoeld voor urgente woningzoekenden die hier in afwachting van doorstroming naar een reguliere woning tijdelijk onderdak kunnen vinden; herstructureringsproject: project dat ten doel heeft meerdere woningen in een afgebakend gebied te renoveren of slopen en nieuw terug te bouwen; innovatieve woonvormen: woonvormen die qua concept, product of proces niet eerder zijn toegepast in de Zeeuwse woningbouwsector en die de mogelijkheid bieden op te schalen of waarvan de leereffecten elders kunnen worden toegepast; knelpunt: specifiek voorliggend probleem dat de doorgang van actieve woningbouw of herstructurering van de woningvoorraad stagneert; nultredenwoningen: woningen die zonder trappen van buitenaf bereikbaar zijn en waarin de zogenaamde primaire verblijfsruimtes, zijnde keuken, sanitair, woonkamer en minimaal één slaapkamer, zich op dezelfde woonlaag bevinden;</p>\n<p class=\"lf-p\">overtollige plancapaciteit voor woningbouw: planologische mogelijkheid om woningen toe te voegen aan de woningvoorraad waarvan de benutting ervan ongewenst is verklaard door het verantwoordelijke gemeentebestuur; tijdelijke capaciteit: inhuur van capaciteit omdat de gemeente niet over voldoende capaciteit beschikt om knelpunten in het kader van woningbouw op te lossen; transformatieproject: project dat ten doel heeft de ruimtelijke functie van een gebouw of gebied te transformeren voor de functie ‘Wonen’, waarbij zowel een ruimtelijke ingreep of verbouwing noodzakelijk is, evenals het vastleggen van de nieuwe bestemming in een bestemmings- of inpassingsplan; wooncoöperatie: vereniging met volledige rechtsbevoegdheid die zich ten doel stelt om haar leden in staat te stellen zelfstandig te voorzien in het beheer en onderhoud van de door hen bewoonde woongelegenheden en de direct daaraan grenzende omgeving; zorggeschikte woningen: zelfstandige woningen die onderdeel zijn van een geclusterde vorm waarin zorg voor bewoners geleverd wordt in het kader van de Wet langdurige zorg (Wlz). Deze wooneenheden en de toegang hiertoe zijn rolstoel- of rollatorgeschikt, met voldoende ruimte bij de entree, in de toiletruimte en in de badkamer. Ook dient de woning brandveilig te zijn en te beschikken over een goede en stabiele internetverbinding voor domotica.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-252\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor de inhuur van tijdelijke capaciteit of externe expertise ter bevordering van de snelheid in de voorfase van woningbouwactiviteiten, ten behoeve van: de vergunningverlening voor woningbouwprojecten; de totstandkoming van lokale of regionale integrale woonzorgvisies en het realiseren van betaalbare woningen met passende zorg en ondersteuning voor aandachtsgroepen; het voorbereiden van een woningbouwproject of herstructureringsproject; het sluiten van anterieure overeenkomsten met marktpartijen; of het opstellen van een bestemmingsplan en het doorlopen van de bijbehorende procedure.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-253\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts verstrekt indien de inhuur van tijdelijke capaciteit of externe expertise waarvoor subsidie wordt gevraagd betrekking heeft op een van de volgende woningbouwactiviteiten: het wegnemen van overtollige plancapaciteit voor woningbouw; de totstandkoming van lokale of regionale integrale woonzorgvisies en het realiseren van betaalbare woningen met passende zorg en ondersteuning voor aandachtsgroepen; het versnellen van herstructureringsprojecten; het versnellen van transformatieprojecten; het versnellen van woningbouwprojecten voor betaalbare woningen, flexwonen, nultredenwoningen, zorggeschikte woningen, collectief particulier opdrachtgeverschap, wooncoöperaties of innovatieve woonvormen; het versnellen van woningbouwprojecten voor overige doelgroepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts verstrekt indien de woningbouwactiviteiten plaatsvinden binnen het bestaand stedelijk gebied of aansluitend aan het bestaand stedelijk gebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-254\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25.4</span><span class=\"lf-art-t\">Doelgroep</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts verstrekt aan een gemeente in de provincie Zeeland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-255\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25.5</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder a, wordt subsidie niet verstrekt indien de activiteit is gestart vóór 1 januari 2026.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel d, wordt een subsidie niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie € 10.000 of minder bedraagt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-256\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25.6</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiehoogte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de activiteit betrekking heeft op een woningbouwactiviteit als bedoeld in artikel 25.3, eerste lid, onder a, b, c, d of e, bedraagt de subsidie maximaal 75% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 45.000,- per aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de activiteit betrekking heeft op een woningbouwactiviteit als bedoeld in artikel 25.3, eerste lid, onder f, bedraagt de subsidie maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 30.000,- per aanvraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-257\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25.7</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 1.3.1 en artikel 1.3.3 en in afwijking van artikel 1.3.2 zijn uitsluitend subsidiabel de kosten van derden gemoeid met de inhuur van tijdelijke capaciteit of externe expertise en voor zover zij zien op de periode tot uiterlijk 31 december 2026.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-258\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25.8</span><span class=\"lf-art-t\">Openstelling, subsidieplafond en verdeelmethode</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidie kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een aanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de aanvraag volledig is als datum van binnenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige aanvragen plaats door middel van loting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-259\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25.9</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere eisen aan de aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag voor een subsidie wordt bij gedeputeerde staten ingediend door gebruik te maken van een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier subsidie Tijdelijke Inhuur Capaciteit en Expertise voor Woningbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanvraag wordt overgelegd: een plan van aanpak, met daarin de planning en de beschrijving van de werkzaamheden en de woningbouwactiviteit waarvoor de tijdelijke capaciteit of externe expertise wordt ingezet; een offerte voor de tijdelijke inhuur van capaciteit of externe expertise inclusief een uitgewerkte prijsopgave met uren en uurtarieven; een sluitende begroting inclusief de eigen bijdrage.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2510\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25.10</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de artikelen 1.6.1 tot en met 1.6.5 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen: de activiteit start uiterlijk binnen twee maanden na subsidieverlening; de activiteit is uiterlijk op 31 december 2026 afgerond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.6.6 is niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2511\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel25.11</span><span class=\"lf-art-t\">SiSa-verantwoording</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de verantwoording van de subsidie is artikel 1.5.4 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk26Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie in het kader van de Gebiedsgerichte Aanpak Wonen (GAW)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-261-265\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel26.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; betaalbare woningen: sociale huurwoningen: woningen met een huurprijs onder de liberalisatiegrens, dat wil zeggen het bedrag bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag; middenhuurwoningen: woningen met een huurprijs tussen de liberalisatiegrens, dat wil zeggen het bedrag, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag, en het bedrag dat hoort bij 186 punten volgens het woningwaarderingsstelsel (WWS); betaalbare koopwoningen: koopwoningen met een verkoopprijs onder de betaalbaarheidsgrens voor koopwoningen; biodiversiteit: de verscheidenheid van plant- en diersoorten in een bepaald gebied; bovenwijkse voorzieningen: voorzieningen van openbaar nut, waarvan het nut zich uitstrekt over een groter gebied dan het exploitatiegebied; circulaire economie: een economisch systeem dat bedoeld is om herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren; complementaire woningtypen: woningtypen waar een gebrek aan is of in de toekomst een gebrek aan ontstaat, zoals nultredenwoningen, geclusterde woningen, zorggeschikte woningen en flexwoningen; energietransitie: besparing van energie én de omschakeling van fossiele energiebronnen naar volledig hernieuwbare energiebronnen zoals zon, wind en water, gericht op het verminderen van CO2-uitstoot; exploitatiegebied: afgebakend gebied waarbinnen de activiteiten ten behoeve van de gebiedsgerichte aanpak tot uitvoering worden gebracht; flexwoningen: woonvorm waarbij sprake is van een tijdelijk pand of locatie voor bewoning dan wel een permanent pand met huurwoningen bedoeld voor urgente woningzoekenden die hier in afwachting van doorstroming naar een reguliere woning tijdelijk onderdak kunnen vinden; geclusterde woningen: woningen die voldoen aan de uitgangspunten van nultredenwoningen en daarnaast zijn ingericht op het bevorderen van sociaal contact en gemeenschapsgevoel, waardoor eenzaamheid wordt tegengegaan. Er moet een ontmoetingsruimte inpandig aanwezig zijn en de woonvorm wordt voor minimaal 50% bewoond door 55-plussers of aandachtsgroepen; gebiedsgerichte aanpak: de projectmatige integrale aanpak van een afgebakend gebied in het bestaand stedelijk gebied waarmee een sterke bijdrage wordt geleverd aan de verbetering van de woonkwaliteit en de ruimtelijke kwaliteit;</p>\n<p class=\"lf-p\">herstructurering: activiteit waarbij door woningtoevoeging (nieuwbouw en splitsing) en/of woningonttrekking (sloop en samenvoeging) de samenstelling van de bestaande woningvoorraad binnen bestaand stedelijk gebied verandert zonder ingrijpende wijziging van de planologische functie; klimaatadaptatie: aanpassing aan klimaatverandering om effecten als droogte, extreme neerslag en hogere temperaturen op te kunnen vangen; kwetsbaar overschot: woningen die naar verwachting op de korte of middellange termijn leeg komen te staan, omdat ze slecht scoren op een combinatie van woningkenmerken (energieprestatie, levensloopgeschiktheid, waardeontwikkeling, uitstraling) en buurtkenmerken (voorzieningenniveau, openbare ruimte, veiligheid, sociaaleconomische standaard); kwetsbare woningvoorraad: woningen die op korte of middellange termijn slecht in de markt komen te liggen, met onderscheid tussen het kwetsbare overschot en overige kwetsbare woningen; nultredenwoningen: woningen die zonder trappen van buitenaf bereikbaar zijn en waarin de zogenaamde primaire verblijfsruimtes, zijnde keuken, sanitair, woonkamer en minimaal één slaapkamer, zich op dezelfde woonlaag bevinden; overige kwetsbare woningen: relatief kwetsbare woningen zonder risico op leegstand, maar waarvoor een inspanning (opwaardering en isolatie) wenselijk is; renovatie: het uitvoeren van ingrijpende kwalitatieve aanpassingen aan een gebouw om de woonfunctie aan te passen naar de eisen van de tijd, zoals verduurzaming en omvorming tot nultredenwoning; ruimtelijke kwaliteit: de balans tussen de gebruikswaarde (functionaliteit, nut en noodzaak), belevingswaarde (beeldkwaliteit, eigenheid, gevoel van gebruikers) en toekomstwaarde (het vermogen om veranderingen op te vangen) van gebieden, projecten en gebouwen; rijksmonument: een zich in de provincie Zeeland bevindend rijksmonument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; sloop: het afbreken van gebouwen, afvoeren van (bouw)materialen en eventueel saneren van de bodem ten behoeve van toekomstig gebruik; transformatie: activiteit waarbij door woningtoevoeging in gebouwen of op (bebouwde) gronden (nieuwbouw en functiewijziging) in bestaand stedelijk gebied de planologische functie van het gebouw of de (bebouwde) grond verandert, met uitzondering van een activiteit die enkel plaatsvindt op agrarische gronden en/of (onbebouwde) gronden met gebruik als stedelijk groen zoals sportvelden; verduurzaming: het treffen van maatregelen voor het verminderen van het energieverbruik en het opwekken van duurzame energie van bestaande woningen;</p>\n<p class=\"lf-p\">zorggeschikte woningen: zelfstandige woningen die onderdeel zijn van een geclusterde vorm waarin zorg voor bewoners geleverd wordt in het kader van de Wet langdurige zorg (Wlz). Deze wooneenheden en de toegang hiertoe zijn rolstoel- of rollatorgeschikt, met voldoende ruimte bij de entree, in de toiletruimte en in de badkamer. Ook dient de woning brandveilig te zijn en te beschikken over een goede en stabiele internetverbinding voor domotica.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-262\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel26.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor een gebiedsgerichte aanpak binnen het bestaand stedelijk gebied, waarbij sprake is van een verbetering van de kwaliteit van de woningvoorraad door middel van renovatie, herstructurering of transformatie, gecombineerd met een herinrichting van de openbare ruimte en passend in een actuele gemeentelijke visie op de ontwikkeling van het gebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-263\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel26.3</span><span class=\"lf-art-t\">Doelgroep en weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts verstrekt aan een gemeente binnen de provincie Zeeland die initiatiefnemer is van de gebiedsgerichte aanpak waarop de subsidiabele activiteit betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel d, wordt een subsidie niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie € 50.000 of minder bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt voorts niet verstrekt indien: de aanvrager niet kan aantonen dat de activiteit kan starten binnen één jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 26.6, eerste lid; de aanvrager niet kan aantonen dat de activiteit kan worden gerealiseerd uiterlijk binnen 3 jaar na beëindiging van de openstellingsperiode; de activiteit plaatsvindt buiten het bestaand stedelijk gebied; de activiteit op basis van artikel 26.9, tweede lid, aanhef en onderdeel b, 0 punten scoort; de activiteit op basis van artikel 26.9, tweede lid, aanhef en onderdeel f, minder dan 60 punten scoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager, kunnen gedeputeerde staten afwijken van het bepaalde in het derde lid, aanhef en onder b.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-264\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel26.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiehoogte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 750.000.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-265\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel26.5</span><span class=\"lf-art-t\">Niet-subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De volgende kosten komen niet voor subsidie in aanmerking: kosten voor marketing en promotie; waardedaling van gronden of opstallen veroorzaakt door markt- of economische factoren; verwerving of inbrengwaarde van onroerende zaken die in de exploitatie van het project zijn opgenomen en met een hogere waarde dan de actuele getaxeerde marktwaarde op basis van het huidige gebruik of leegstand; kosten voor bodemsanering voor zover deze de waardevermeerdering van het terrein als gevolg van de bodemsanering niet overstijgen; kosten van werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen ten behoeve van de instandhouding van rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen zoals opgenomen in de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten die als bijlage bij de Subsidieregeling instandhouding monumenten is opgenomen; kosten die gemaakt worden voor activiteiten die buiten het exploitatiegebied van het project vallen; kosten van planschade; kosten van bovenwijkse voorzieningen; kosten die zijn gemaakt voor ontvangst van de volledige subsidieaanvraag; kosten waarvoor door gedeputeerde staten of een ander bestuursorgaan al subsidie is verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-266\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel26.6</span><span class=\"lf-art-t\">Openstelling, subsidieplafond en beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidie als bedoeld in artikel 26.2 kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten beslissen op de aanvraag binnen 12 weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in het eerste lid van dit artikel. [vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-267\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel26.7</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere eisen aan de aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 26.2 wordt bij gedeputeerde staten ingediend door gebruik te maken van een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier Subsidie Gebiedsgerichte Aanpak Wonen zoals beschikbaar gesteld op de website van de provincie Zeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 26.2 wordt overgelegd: een plan van aanpak, met daarin: een kaart waarop het exploitatiegebied is aangegeven en waaruit blijkt welke bouwwerken en percelen de bedoelde locatie omvat; een algemene beschrijving van de beoogde renovatie, herstructurering en/of transformatie in het kader waarvan de subsidiabele activiteiten worden uitgevoerd, inclusief het totale aantal woningen en het aantal particuliere woningen waarop het project betrekking heeft een onderbouwing op welke wijze, in welke mate en met welke aantallen het project bijdraagt aan de verbetering van de kwaliteit van de woningvoorraad door: de toevoeging van complementaire woningtypen; de verduurzaming van de bestaande woningvoorraad; een onderbouwing op welke wijze, in welke mate en met welke aantallen het project bijdraagt aan de realisatie van betaalbare woningen; een onderbouwing op welke wijze en in welke mate het project bijdraagt aan een verbetering van de kwaliteit van de openbare ruimte door: de herinrichting van de openbare ruimte; de inrichtingsmaatregelen die bijdragen aan de leefbaarheid en gezondheid van bewoners; een onderbouwing op welke wijze de gebiedsgerichte aanpak extra ruimtelijke kwaliteit levert door middel van bovenwettelijke maatregelen die bijdragen aan de volgende doelen: circulaire economie; klimaatadaptatie; biodiversiteit; energietransitie; belevingswaarde; een onderbouwing op welke wijze deze aanpak past binnen een gemeentelijke visie op de ontwikkeling van het gebied; tekeningen of schetsen van de bestaande en gewenste situatie; een onderbouwde financieringstoelichting van het project met daarin: grond- en opstalexploitaties, waarbij uitgegaan wordt van nominale waarden, inclusief verwachte en verleende subsidies, behorende bij het exploitatiegebied; een uitgebreide, sluitende meerjarenbegroting als bedoeld in artikel 1.4.2, tweede lid, onderdeel b, aangeleverd in een Excel-bestand, met een onderbouwde raming van de kosten per maatregel en de opbrengsten, uitgesplitst per jaar, zoals opgenomen in het plan van aanpak; een realistische planning die aantoont: welke werkzaamheden van het project worden uitgevoerd binnen de start- en einddatum van het project, waarbij de start- en einddatum zoals ingevuld in het aanvraagformulier leidend zijn; dat de uitvoering van het project binnen een jaar na beëindiging van de openstellingsperiode kan starten; binnen hoeveel jaar het project na beëindiging van de openstellingsperiode kan worden afgerond;</p>\n<p class=\"lf-p\">voor zover subsidie wordt gevraagd voor de kosten van bodemsanering: een door een onafhankelijke deskundige opgestelde taxatie van de waardestijging van het terrein als gevolg van de bodemsanering; informatie waarmee wordt aangetoond dat de staatssteun- en aanbestedingsregels niet worden overtreden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-268\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel26.8</span><span class=\"lf-art-t\">Extern deskundige</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de beoordeling van de subsidieaanvraag kunnen gedeputeerde staten een beroep doen op een extern deskundige.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-269\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel26.9</span><span class=\"lf-art-t\">Verdeelprocedure</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de subsidieaanvragen, die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn, het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de volgorde van behandeling een rangschikking van de aanvragen op basis van de volgende criteria: realisatie complementaire woningtypen: de mate waarin de activiteit door middel van renovatie, herstructurering of transformatie voorziet in de realisatie van woningtypen die complementair zijn aan de bestaande woningvoorraad; realisatie betaalbare woningen: de mate waarin er betaalbare woningen worden gerealiseerd; aard van de aanpak: de mate waarin er sprake is van herstructurering, renovatie van de kwetsbare woningvoorraad en/of transformatie; particulier eigendom: de mate waarin er sprake is van particuliere woningen bij aanvang van het project; aanpak openbare ruimte: de mate waarin de openbare ruimte ingericht wordt ter bevordering van de leefbaarheid en de gezondheid van bewoners; verbetering van de ruimtelijke kwaliteit: de mate waarin de activiteit door het opnemen van bovenwettelijke maatregelen bijdraagt aan circulaire economie, biodiversiteit, klimaatadaptatie, energietransitie en/of de belevingswaarde van de gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kennen voor de rangschikking, bedoeld in het eerste lid, de volgende punten toe: realisatie complementaire woningtypen: ten hoogste 75 punten; realisatie betaalbare woningen: ten hoogste 75 punten; aard van de aanpak: ten hoogste 90 punten; particulier eigendom: ten hoogste 50 punten; aanpak openbare ruimte: ten hoogste 60 punten; verbetering van de ruimtelijke kwaliteit: ten hoogste 150 punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt subsidie verleend aan de aanvraag met de hoogste score behaald op basis van het criterium a en b tezamen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval een subsidie niet volledig verleend kan worden als gevolg van het bereiken van het subsidieplafond, vindt verlening plaats ter hoogte van het nog beschikbare bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien naar het oordeel van gedeputeerde staten niet aannemelijk is dat de subsidieaanvrager na gedeeltelijke verlening van de subsidie de activiteiten uit zal voeren, zijn gedeputeerde staten bevoegd de subsidie te weigeren en de subsidie aan de eerstvolgende in de rangschikking te verlenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2610\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel26.10</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in § 1.6 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen: de activiteit start binnen één jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 26.6, eerste lid; de activiteit wordt binnen drie jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 26.6, eerste lid, gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager, kunnen gedeputeerde staten afwijken van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk27Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie ten behoeve van mobiliteitshubs Zeeland 2022-2024 Paragraaf27.1Algemene Bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2711\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 27.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: halte: herkenbare plek die deel uitmaakt van een gestrekte buslijn, waar de reiziger kan opstappen op de grote bus, dat beschikt over tenminste de volgende voorzieningen: een toegankelijke halte voor bussen en stopplek voor flextaxi; haltevertrekstaat en contactinformatie; duidelijke bewegwijzering; hub: reguliere hub, regionale hub en stationshub; knooppunt: een punt in het vervoersnetwerk waar een overstap tussen meerdere openbaar vervoerswijzen gefaciliteerd wordt; regionale hub: een knooppunt met een grote regionale functie en dat beschikt over tenminste de volgende voorzieningen: een toegankelijke halte voor bussen en stopplek voor flextaxi; een kiss &amp; ride-zone; duidelijke bewegwijzering op de hub; routeinformatie, omgevingskaarten en een overzicht van hubs en deelmobiliteithubs; parkeer- en stallingsmogelijkheden voor deelmobiliteit; overdekt fietsparkeren en voldoende aanbindpunten; volgens de in de betreffende gemeente geldende parkeernorm voldoende ruimte voor parkeren van niet e-auto’s; voorzieningen voor laadpunten voor e-fietsen, e-scooters en e-auto’s; overdekte en afgesloten wachtruimte; wifi en een watertappunt; reguliere hub: knooppunt dat beschikt over tenminste de volgende voorzieningen: een toegankelijke halte voor bussen en stopplek voor flextaxi; routeinformatie, omgevingskaarten en een overzicht van hubs en deelmobiliteithubs; overdekt fietsparkeren autoparkeren en een kiss &amp; ride-zone; overdekte wachtruimte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2712\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene subsidievoorwaarden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt alleen verstrekt wanneer: de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, passen in de Regionale mobiliteitsstrategie Zeeland zoals vastgesteld door provinciale staten op 17 december 2021; de halte of hub gelegen is in de openbare ruimte en voor alle reizigers toegankelijk is; voor alle voertuigen wordt gezorgd voor een goede ondergrond, belijning en bebording; de halte of hub past binnen het bestemmingsplan en ruimtelijk wordt ingepast; de subsidieaanvrager die niet tevens eigenaar is van de grond waarop de subsidiabele activiteiten plaatsvinden, daarvoor toestemming van die eigenaar heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2713\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidieontvanger is verplicht voor het regelen van de exploitatie en het beheer en onderhoud van een halte of hub tot vijf jaar na de datum van vaststelling van de subsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2714\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgrond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten weigeren de subsidie voor zover de activiteit in een vergelijkbare vorm naar het oordeel van gedeputeerde staten, middels al verleende subsidie of (in)directe financiering, door de provincie Zeeland financieel wordt ondersteund.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2715\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Niet-subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.3.2 zijn personeelskosten van medewerkers die in dienst zijn van gemeenten niet subsidiabel.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het eerste lid zijn niet subsidiabel: de onderhoudskosten aan infrastructuur of voorzieningen en de kosten als gevolg van achterstallig onderhoud; de kosten voor de onderdelen van de infrastructuur of dienst die niet direct leiden tot het bereiken van de doelstellingen van de Regionale mobiliteitsstrategie Zeeland; de kosten voor de aanschaf en het plaatsen van laadpalen; de kosten voor de aanschaf en exploitatie van deelvoertuigen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2716\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.1.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aantal halte of hub</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende het tijdvak 2022-2024 wordt subsidie verleend voor maximaal vier regionale hubs, zes reguliere hubs en de benodigde nieuwe haltes voor het nieuwe busplan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2717\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.1.7</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn, subsidieplafond en verdeling subsidieplafonds</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie kan uitsluitend worden ingediend als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten stellen per openstellingsperiode een subsidieplafond vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidieaanvragen die op de uiterste indieningsdatum niet volledig zijn ontvangen, worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragen worden ten minste acht weken voor aanvang van de subsidiabele activiteiten ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidieplafonds worden op volgorde van ontvangst van de aanvragen verdeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De datum van ontvangst is het tijdstip waarop de aanvraag volledig is ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover aanvragen op hetzelfde tijdstip zijn ingediend en toekenning van die aanvragen zou leiden tot overschrijding van het subsidieplafond, bepalen gedeputeerde staten door middel van loting in welke volgorde de aanvragen worden behandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf27.2Realisatie halte en hub</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2721\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor: de realisatie van een nieuwe halte in Zeeland; de realisatie van een hub.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2722\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt aan gemeenten in de provincie Zeeland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2723\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende weigeringsgrond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het bepaalde in artikel 27.1.4, zullen gedeputeerde staten de subsidie weigeren als het niet aannemelijk is dat de realisatie van een nieuwe halte of hub binnen twee jaar na indiening van de aanvraag om subsidie is afgerond.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2724\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningsvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidieaanvragen worden ingediend met gebruikmaking van het daartoe door gedeputeerde staten vastgestelde aanvraagformulier ‘halte en hub realisatie’, te vinden op www.zeeland.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidieaanvraag bevat, in afwijking van artikel 1.4.2, tweede lid, ten minste de volgende bijlagen: sluitende begroting met kostenraming en dekkingsposten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Plan van Aanpak met minimaal de volgende onderdelen: onderbouwing per locatie; planning; foto’s van de huidige locatie; (ontwerp)schetsen toekomstige invulling; onderbouwing van de link met en de toegevoegde waarde op de Regionale mobiliteitsstrategie Zeeland zoals vastgesteld door provinciale staten op 17 december 2021.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2725\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het subsidiebedrag bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van: € 55.000,- voor de realisatie van een nieuwe halte; € 165.000,- voor de realisatie van een reguliere hub; € 330.000,- voor de realisatie van een regionale hub.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk28Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor de uitvoering van fysieke maatregelen ten behoeve van toekomstbestendige bedrijventerreinen (Toekomstbestendige bedrijventerreinen – fysieke maatregelen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-281-287\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel28.1</span><span class=\"lf-art-t\">Definities</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: bedrijventerrein: een terrein van ten minste één hectare bruto dat planologisch bestemd en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening of industrie; biodiversiteit: de verscheidenheid in het voorkomen van verschillende dieren en planten in een bepaald gebied; circulaire economie: een economisch systeem dat bedoeld is om herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren; collectieve fysieke maatregelen: ingrepen in de fysieke ruimte die bedrijven en overheden kunnen nemen die impact hebben op een (groot) deel van het bedrijventerrein en meerdere van de daarop gevestigde bedrijven; energietransitie: besparing van energie én de omschakeling van fossiele energiebronnen naar volledig hernieuwbare energiebronnen zoals zon, wind en water, gericht op het verminderen van CO2-uitstoot; herstructurering: alle eenmalige ruimtelijke ingrepen op een bedrijventerrein die tot doel hebben de kwaliteit van het terrein te verbeteren en veroudering tegen te gaan en die niet tot het reguliere onderhoud worden gerekend. Er zijn vijf vormen van herstructurering te onderscheiden: facelift; revitalisering; zware revitalisering; herprofilering; transformatie; klimaatadaptatie: aanpassing aan klimaatverandering om effecten als droogte, extreme neerslag en hogere temperaturen op te kunnen vangen; toekomstbestendig bedrijventerrein: een bedrijventerrein dat zodanig is ingericht en georganiseerd dat het aantrekkelijk is als vestigingslocatie. Het speelt in op kansen en opgaven op het gebied van economie, energietransitie, circulaire economie, klimaatadaptatie, biodiversiteit en zero-emissie mobiliteit, benut de beschikbare ruimte optimaal door efficiënt ruimtegebruik, zet in op samenwerking tussen bedrijven en overheden en draagt bij aan een gezonde leefomgeving; erduurzaming: maatregelen die tot doel hebben om de energietransitie, circulaire economie, klimaatadaptatie, vergroening, biodiversiteit en zero-emissie mobiliteit op bedrijventerreinen en bij bedrijven te stimuleren; vergroening: vergroten van de biodiversiteit door de omvang en diversiteit aan planten en bomen te vergroten, of de mogelijkheden voor verblijf van fauna te vergroten; zeehaventerrein: terrein dat onderdeel is van het beheersgebied van North Sea Port; zero-emissie mobiliteit: mobiliteitsoplossingen die geen (CO2-)uitstoot veroorzaken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-282\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel28.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor: de uitvoering van collectieve fysieke maatregelen ten behoeve van het toekomstbestendiger maken van bestaande bedrijventerreinen, bestaande uit: herstructurering van het bedrijventerrein in de vorm van zware revitalisering, herprofilering of transformatie, voor zover deze bijdraagt aan het toekomstbestendiger maken van het bedrijventerrein; en/of herinrichting van het bedrijventerrein ten behoeve van de energietransitie, circulaire economie, klimaatadaptatie, vergroening, biodiversiteit of zero-emissie mobiliteit; de bij de uitvoering van deze maatregelen benodigde procesbegeleiding; activiteiten gericht op het opzetten van professioneel parkmanagement op het bedrijventerrein, voor zover dit ondersteunend is aan de uitvoering van deze maatregelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-283\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel28.3</span><span class=\"lf-art-t\">Doelgroep, voorwaarden en weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts verstrekt aan een gemeente binnen de provincie Zeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts verstrekt als: er sprake is van een tekort in de financiering van de activiteit; de activiteit aantoonbaar bijdraagt aan het toekomstbestendiger maken van het bedrijventerrein; de activiteit een multiplier effect heeft voor ontwikkelingen op het bedrijventerrein; de collectiviteit van de te realiseren fysieke maatregelen voldoende wordt aangetoond.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder a, wordt subsidie niet verstrekt indien de activiteit op het moment van ontvangst van de aanvraag voor de subsidie reeds is gestart.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder b, c en d, wordt subsidie niet verstrekt indien: de activiteit niet aanvangt binnen één jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie; de activiteit niet wordt gerealiseerd binnen drie jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie; de activiteit plaatsvindt op een bedrijventerrein bestemd voor grondstoffenwinning, olie en gaswinning, waterwinning, afvalstort, een nutsvoorziening, een horeca- en recreatiebedrijf, een agrarisch bedrijf, de vestiging van een nieuwe economische drager als bedoeld in bijlage III van de Omgevingsverordening Zeeland, de mogelijkheid voor een niet-agrarische activiteit in het landelijk gebied, niet zijnde een bedrijf gericht op de industriële verwerking van producten als bedoeld in bijlage III van de Omgevingsverordening Zeeland, energieopwekking als bedoeld in artikel 5.1, negende en tiende lid, van de Omgevingsverordening Zeeland alsmede overige overeenkomstig de Omgevingsverordening Zeeland toegelaten bedrijvigheid, overige functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid en solitaire bedrijvigheid binnen stedelijk gebied; de activiteit plaatsvindt op een zeehaventerrein; de som van het aantal toegekende punten aan de activiteit op basis van artikel 28.8, tweede lid, minder bedraagt dan 60.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager gedurende de looptijd van een verleende subsidie in een individueel geval afwijken van het in het vierde lid, aanhef en onderdeel b bepaalde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-284\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel28.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidie hoogte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 500.000 per aanvraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-285\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel28.5</span><span class=\"lf-art-t\">Niet-subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De volgende kosten komen niet voor subsidie in aanmerking: kosten voor de aanschaf, plaatsing of het gebruik van zonnepanelen, batterijen, laadpalen, windmolens of andere elektrotechnische installaties; kosten gemaakt voor de indiening van de aanvraag; kosten voor marketing en promotie; kosten voor het afwaarderen van de boekwaarde van de gronden en opstallen; kosten voor bodemsanering, voor zover deze de waardevermeerdering van het terrein als gevolg van de bodemsanering niet overstijgen; kosten van maatregelen die gerekend kunnen worden tot het regulier onderhoud van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.3.2 komen personeelskosten van de aanvrager niet voor subsidie in aanmerking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-286\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel28.6</span><span class=\"lf-art-t\">Openstelling, subsidieplafond en beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidie kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten beslissen op de aanvraag voor de subsidie binnen acht weken na beëindiging van de openstellingsperiode.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-287\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel28.7</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere eisen aan de aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag voor een subsidie wordt bij gedeputeerde staten ingediend door gebruik te maken van een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier ‘Toekomstbestendige bedrijventerreinen – fysieke maatregelen’, zoals beschikbaar gesteld op de website van de provincie Zeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.4.2, tweede lid, bevat een aanvraag voor een subsidie: een plan van aanpak voor de uitvoering van de activiteit, inclusief uitgewerkte meerjarenbegroting en realistische tijdsplanning; voor zover subsidie wordt gevraagd voor de kosten van bodemsanering: een door een onafhankelijke deskundige opgestelde taxatie van de waardestijging van het terrein als gevolg van de bodemsanering; informatie waaruit blijkt dat de staatssteun- en aanbestedingsregels niet worden overtreden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-288\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel28.8</span><span class=\"lf-art-t\">Verdeelprocedure</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de subsidieaanvragen, die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn, het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de volgorde van behandeling een rangschikking van de aanvragen op basis van de volgende criteria: impact: de mate waarin de maatregel bijdraagt aan het vergroten van de toekomstbestendigheid van het bedrijventerrein; multiplier: de mate waarin de subsidie een multipliereffect heeft op ontwikkelingen op het bedrijventerrein; kwaliteit: de kwaliteit en haalbaarheid van het plan van aanpak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kennen voor de rangschikking, bedoeld in het eerste lid, de volgende punten toe: impact: ten hoogste 50 punten; multiplier: ten hoogste 30 punten; kwaliteit: ten hoogste 20 punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten rangschikken de aanvragen op volgorde van het aantal toegekende punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-289\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel28.9</span><span class=\"lf-art-t\">Extern deskundige</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de beoordeling van de subsidieaanvraag kunnen gedeputeerde staten een beroep doen op een extern deskundige.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 29 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor maatregelen biodiversiteit en klimaatadaptatie op bedrijfspercelen</h3>\n<p class=\"lf-p\">ArtikelI Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: bedrijfspand: gebouw of opstal gelegen op een bedrijfsperceel; bedrijfsperceel: perceel gelegen op een bedrijventerrein of kantoorlocatie dan wel een perceel in eigendom van een zorginstelling, en waarop één of meer bedrijfspanden zijn gevestigd; bedrijventerrein: terrein van ten minste één hectare dat bestemd is voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening of industrie; btw: belasting over toegevoegde waarde; biodiversiteit: soortenrijkdom aan planten, dieren of ecosystemen; groen dak: dak van een bedrijfspand met een maximale hellingshoek van 35 graden en met begroeiing; kantoorlocatie: locatie die of gebied dat volgens het vigerende bestemmingsplan of omgevingsplan bestemd is voor de functie kantoren; klimaatadaptatie: aanpassing van de fysieke leefomgeving, om de gevolgen van klimaatverandering door droogte, extreme neerslag en hogere temperaturen te beperken; stedelijk gebied: in een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit toegelaten stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur, met uitzondering van stedelijk groen aan de rand van die bebouwing en lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen; vergroening: vergroten van de biodiversiteit op een perceel, door de omvang en diversiteit aan planten en bomen te vergroten, of de mogelijkheden voor verblijf van fauna te vergroten. zorginstelling: een organisatorisch verband dat zorg of een andere dienst verleent waarop aanspraak bestaat ingevolge artikel 3.1.1 van de Wet langdurige zorg of ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-292-296\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele maatregelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt verstrekt voor het uitvoeren van een projectplan dat voorziet in de realisatie van fysieke maatregelen op bedrijfspercelen in Zeeland, die: bijdragen aan de vergroening van het bedrijfsperceel; en de gevolgen van ten minste één van de klimaataspecten droogte, hitte en wateroverlast door regenval verminderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De fysieke maatregelen kunnen zowel de inrichting van het bedrijfsperceel betreffen, als aanpassingen aan daarop aanwezige bedrijfspanden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-293\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29.3</span><span class=\"lf-art-t\">Doelgroep</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt verstrekt aan de eigenaar of erfpachter van een bedrijfspand waaraan of een bedrijfsperceel waarop het projectplan wordt uitgevoerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-294\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29.4</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwaarden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een projectplan komt voor subsidie in aanmerking voor zover aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: het projectplan past binnen de regels van het vigerende bestemmingsplan of omgevingsplan voor het bedrijfsperceel waarvoor de subsidieaanvraag wordt gedaan; de te realiseren fysieke maatregelen die onderdeel uitmaken van het projectplan volgen niet uit een verplichting in het kader van voorwaarden in verband met de ruimtelijke ordening; de te realiseren fysieke maatregelen die onderdeel uitmaken van het projectplan vinden plaats op bedrijfspercelen die binnen stedelijk gebied zijn gelegen; de te realiseren fysieke maatregelen die onderdeel uitmaken van het projectplan vinden plaats op bestaande, reeds in gebruik zijnde bedrijfspercelen en niet op nieuw te ontwikkelen terreinen of percelen; en het is aannemelijk dat het projectplan binnen twee jaar na de datum van subsidieverlening is uitgevoerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-295\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond en openstelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidie kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van een aanvraag voor subsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-296\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29.6</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid, beslissen gedeputeerde staten op de aanvraag voor de subsidie binnen acht weken na beëindiging van de openstellingsperiode.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-297\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29.7</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningsvereisten aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 1.4.2 wordt de aanvraag voor een subsidie bij gedeputeerde staten ingediend door gebruik te maken van een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier subsidie vergroening en klimaatadaptie bedrijfspercelen, zoals beschikbaar gesteld op de website van de provincie Zeeland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-298\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29.8</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 5 van de Algemene subsidieverordening Zeeland 2023 en artikel 1.2.1, wordt subsidie geweigerd: wanneer de aanvrager op het moment van ontvangst van de aanvraag al is gestart met de uitvoering van het projectplan waarvoor subsidie is aangevraagd; wanneer het projectplan op basis van artikel 29.12, tweede lid, aanhef en onderdeel a, geen punten toegekend krijgt; wanneer het projectplan op basis van artikel 29.12, tweede lid, aanhef en onderdeel b tot en met d tezamen geen punten toegekend krijgt; wanneer het projectplan op basis van artikel 29.12, tweede lid, aanhef en onderdeel a tot en met e tezamen minder dan 25 punten toegekend krijgt; voor zover door gedeputeerde staten of een ander bestuursorgaan al subsidie is verstrekt voor de uitvoering van een of meer maatregelen die deel uitmaken van het projectplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder d, wordt de subsidie geweigerd wanneer de te verlenen subsidie € 10.000 of minder bedraagt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-299\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29.9</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 50.000 per aanvraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2910\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29.10</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De volgende kosten komen in aanmerking voor subsidie: kosten van maatregelen voor herstel of aanleg van landschappelijke elementen; kosten van maatregelen ter verbetering van de waterhuishouding en het vasthouden en bergen van water; kosten van grondverzet; kosten van verwijdering van bestaande begroeiing en beplanting, als deze verwijdering nodig is voor uitvoering van de maatregelen in de subsidieaanvraag; kosten van overige maatregelen voor zover noodzakelijk voor uitvoering van de maatregelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2911\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29.11</span><span class=\"lf-art-t\">Niet-subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De volgende kosten komen in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking: kosten gemaakt voor het indienen van de aanvraag; kosten voor marketing en promotie in verband met de maatregelen uit de aanvraag; kosten voor benodigde vergunningen en ontheffingen; kosten voor het afwaarderen van de boekwaarde van de gronden en opstallen; kosten voor afvoer van grond; kosten voor bodemsanering en afvoer van verontreinigde grond; kosten van maatregelen die gerekend kunnen worden tot het regulier onderhoud van het bedrijf van de aanvrager; kosten voor de bouw van opstallen; kosten voor de aanschaf van machines; kosten voor het wegwerken van achterstallig onderhoud; kosten voor de aanschaf van materialen, anders dan de materialen die nodig zijn voor het realiseren van de subsidiabele maatregelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2912\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29.12</span><span class=\"lf-art-t\">Verdeelprocedure</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten beoordelen de aanvragen op basis van de volgende criteria: vergroening: de mate waarin het project bijdraagt aan de toename van biodiversiteit op het bedrijfsperceel; wateroverlast: de mate waarin het project bijdraagt aan de beperking van wateroverlast op het bedrijfsperceel en de directe omgeving; droogte: de mate waarin het project bijdraagt aan het beperken van droogte op het bedrijfsperceel en de directe omgeving; hitte: de mate waarin het project bijdraagt aan het beperken van de gevolgen van hitte op het bedrijfsperceel en de directe omgeving; circulariteit: de mate waarin in het project circulaire materialen worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kennen voor de mate waarin het project bijdraagt aan de criteria op de volgende wijze punten toe: voor vergroening maximaal 20 punten, verdeeld over de volgende subcriteria: planten van struiken en bomen: 4 punten; maken van leefgebied voor dieren met schuil- en nestplekken: 4 punten; toepassen van ecologisch maaibeleid op grasvelden: 3 punten; gebruik van plantensoorten die goed of vanouds passen in de lokale omgeving: 4 punten; verhogen van de grondwaterstand op het perceel: 2 punten; aanbrengen van variatie en reliëf in het landschap: 3 punten; voor wateroverlast maximaal 10 punten, verdeeld over de volgende subcriteria: hemelwaterafvoer loskoppelen van de riolering en hemelwater bergen of infiltreren op eigen terrein: 3 punten; verharding op het terrein verminderen met minimaal 20%: 4 punten; voorzieningen aanleggen die tenminste 30 millimeter neerslag ten opzichte van de verharding op het perceel kunnen bergen: 3 punten; voor droogte maximaal 10 punten, verdeeld over de volgende subcriteria: voorzieningen voor nuttig gebruik van hemelwater op eigen terrein: 3 punten; maatregelen voor een langdurige verhoging van de grondwaterstand op het terrein: 3 punten; verhoging van het gehalte aan organische bestanddelen in de bodem of toepassing van speciale vegetatie om meer vocht in de bodem vast te houden: 4 punten; voor hitte maximaal 10 punten, verdeeld over de volgende subcriteria: aanplant van struiken en bomen op tenminste 20% van het terrein rond de aanwezige bedrijfspanden: 4 punten; vervanging van bestaande verharding door verharding die minder warmte vasthoudt: 3 punten; aanleg van een groen dak met voldoende dikte op tenminste 30% van de op het perceel aanwezige daken: 3 punten; voor circulariteit maximaal 6 punten, verdeeld over de volgende subcriteria: toepassing van materiaal (voor gebouw, constructie of inrichting van het terrein) dat bestaat uit eerder gebruikt materiaal: 3 punten; toepassing van materiaal (voor isolatie, de constructie of de inrichting van het terrein) dat bestaat uit biobased materialen, dat wil zeggen dat geteelde gewassen het belangrijkste bestanddeel vormen: 3 punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als toekenning van de subsidieaanvragen, die in aanmerking komen voor een subsidie, leidt tot overschrijding van het subsidieplafond, rangschikken gedeputeerde staten de aanvragen op volgorde van het aantal toegekende punten van hoog naar laag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen en toekenning van die aanvragen zou leiden tot overschrijding van het subsidieplafond, dan wordt subsidie verleend aan de aanvraag met het hoogste aantal punten behaald op basis van het criterium vergroening. Wanneer de aanvragen hetzelfde aantal punten hebben behaald op basis van het criterium vergroening, dan vindt rangschikking plaats door loting.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval een subsidie niet volledig verleend kan worden als gevolg van het bereiken van het subsidieplafond, vindt verlening plaats ter hoogte van het nog beschikbare bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien naar het oordeel van gedeputeerde staten niet aannemelijk is dat de subsidieaanvrager na gedeeltelijke verlening van de subsidie de activiteiten uit zal voeren, zijn gedeputeerde staten bevoegd de subsidie te weigeren en de subsidie aan de eerstvolgende in de rangschikking te verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 29.13 De-minimissteun Gedeputeerde staten toetsen voor subsidieverlening of die is aan te merken als steunmaatregel in de zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag inzake de werking van de Europese Unie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien sprake is van een steunmaatregel, dan wordt deze verleend op basis van de Verordening (EU) nr. 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PB L, 2023/2831, 15.12.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/2831/oj) en uitsluitend voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden van die verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de subsidieverlening is aan te merken als een steunmaatregel, legt de aanvrager op verzoek van gedeputeerde staten een de-minimisverklaring over met een opgave van alle andere ontvangen de-minimissteun in de afgelopen 36 maanden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2914\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29.14</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd paragraaf 1.6 is de subsidieontvanger verplicht: het project binnen twee jaar na datum van de subsidieverlening uit te voeren; de getroffen fysieke maatregelen in stand te houden tot tenminste vijf jaar na de datum van vaststelling van de subsidie; tot vijf jaar na de datum van vaststelling van de subsidie op verzoek van gedeputeerde staten informatie te verstrekken over de resultaten die met de gerealiseerde fysieke maatregelen zijn bereikt voor zover het vergroening en klimaatadaptie betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager de termijn, bedoeld in het eerste lid, onder a, verlengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 30 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor apparaatskosten en maatregelen ter regulering van recreatiedruk in het kader van het Programma Natuur Zeeland</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 30.1 Algemene Bepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3011\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">apparaatskosten: kosten als bedoeld in artikel 1 van de Regeling specifieke uitkering Programma Natuur;</p>\n<p class=\"lf-p\">IKS: integrale kostensystematiek als bedoeld in aanwijzing 19 van het Uniform Subsidiekader (USK);</p>\n<p class=\"lf-p\">Programma Natuur: Programma Natuur Zeeland, gericht op natuurherstel van stikstof overbelaste Natura 2000-natuur, fase 1 2021-2023; recreatieve voorziening: faciliteit, zijnde een voorziening waar je gebruik van kunt maken, ten behoeve van recreatie of toerisme.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3012\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieontvangers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt verstrekt aan organisaties en bestuursorganen die worden genoemd in het Programma Natuur Zeeland, voor zover zij gelet op hun grondgebied, taak of werkgebied naar het oordeel van gedeputeerde staten betrokken zijn bij de natuurherstelmaatregelen waarvoor subsidie wordt aangevraagd en waarop het Programma Natuur Zeeland betrekking heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3013\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond en openstelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidie kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van een aanvraag voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een aanvraag niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de aanvraag volledig is als datum van binnenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige aanvragen plaats door middel van loting.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 30.2 Apparaatskosten</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3021\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor de besteding van voorbereidings- en onderzoeksuren in verband met het inbrengen en delen van kennis: ten behoeve van projecten en herstelmaatregelen uit fase 1 van het Programma Natuur Zeeland; ter onderbouwing van het op te nemen maatregelpakket in fase 2 van het Programma Natuur Zeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder de subsidiabele activiteiten als bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval begrepen: het leveren van monitoringsgegevens uit en rondom Natura 2000-gebieden op het gebied van ecologie en hydrologie aanvullend op wat geregeld is via het Subsidiestelsel Natuur en Landschap en Natura 2000 monitoring; het organiseren van en deelnemen aan veldbezoeken in het kader van het Programma Natuur Zeeland; het leveren van specialistische kennis die nodig is ter onderbouwing van fase 2 van het Programma Natuur Zeeland; het meewerken aan het opstellen van een effectief maatregelpakket voor fase 2 van het Programma Natuur; het deelnemen aan overleg en planvorming ten behoeve van de uitvoering van fase 1 en ter voorbereiding van fase 2 van het Programma Natuur Zeeland; het leveren van specialistische kennis ten behoeve van het opstellen van Natuur Doel Analyses.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, onder a, kan subsidie worden verstrekt voor het uitvoeren van activiteiten in de periode van 1 januari 2023 tot en met 30 juni 2026.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3022\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningsvereisten aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidieaanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het door gedeputeerde staten vastgestelde aanvraagformulier apparaatskosten en maatregelen ter regulering van recreatiedruk, zoals beschikbaar gesteld op de website van de provincie Zeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.4.2, tweede lid, worden bij een aanvraag om subsidie gevoegd: een beschrijving van de activiteiten die voorafgaand aan de indiening van de subsidieaanvraag vanaf 1 januari 2023 zijn uitgevoerd, inclusief de bestede uren en de gemaakte apparaatskosten per activiteit; en een beschrijving van de activiteiten die de aanvrager verwacht na indiening van de aanvraag uit te voeren, inclusief een inschatting van de te besteden uren en van de apparaatskosten per activiteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3023\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor gemaakte apparaatskosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten die direct verbonden zijn aan de fysieke uitvoering van inrichting of beheer van een natuurterrein komen niet voor een subsidie in aanmerking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3024\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiebedrag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.3.2, eerste lid, is de toepassing van de IKS voor de berekening van uurtarieven van personeel toegestaan, mits de subsidieaanvrager bij indiening van de aanvraag aantoont dat de systematiek en uurtarieven zijn getoetst en goedgekeurd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3025\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30.2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 5 van de Asv 2023 en artikel 1.2.1 wordt subsidie geweigerd: wanneer de apparaatskosten zijn gemaakt voor activiteiten die tot de reguliere werkzaamheden van de aanvragers behoren; wanneer de apparaatskosten al via een andere regeling of prestatieovereenkomst zijn of worden gedeclareerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3026\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30.2.6</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd paragraaf 1.6 is de subsidieontvanger verplicht de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend, uiterlijk 30 juni 2026 af te ronden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 30.3 Regulering recreatiedruk</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3031\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor het treffen van maatregelen gericht op het verminderen van recreatiedruk op de Natura 2000-gebieden als genoemd in het Programma Natuur Zeeland en voor zover de maatregelen in het programma passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan in ieder geval worden verstrekt voor de volgende maatregelen: het doen van onderzoek naar: het aanpassen van de paden- of routestructuur of de toegankelijkheid van gebieden; het aanpassen, verwijderen, plaatsen of verplaatsen van een recreatieve voorziening;</p>\n<p class=\"lf-p\">Recreatie en bezoek; het aanpassen van openbare wegen, fietspaden of parkeerplaatsen. de uitvoering van: et aanpassen van de paden- of routestructuur of de toegankelijkheid van gebieden; het aanpassen, verwijderen, plaatsen of verplaatsen van een recreatieve voorziening; ommunicatie over de uit te voeren maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt niet verstrekt voor het beheer en onderhoud van maatregelen en niet voor toezicht op en handhaving van regelgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3032\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningsvereisten aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.4.2, tweede lid, vermeldt de aanvraag voor zover van toepassing de per maatregel te realiseren oppervlakte in hectare en per natuurgebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3033\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwaarde</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een te treffen maatregel leidt tot planologisch strijdig gebruik, kan de subsidie worden verleend onder de voorwaarde dat de subsidieontvanger aantoont dat het bevoegde bestuursorgaan meewerkt aan of bereid is mee te werken aan de benodigde wijziging van het bestemmingsplan dan wel aan het verlenen van een vergunning voor het beoogde planologisch strijdig gebruik.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3034\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">(Niet) Subsidiabele kosten en hoogte subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor de kosten van de maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste en tweede lid, zijn interne loonkosten van een gemeente of waterschap niet subsidiabel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de voorgaande leden, wordt, indien sprake is van staatssteun: maximaal een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het van toepassing zijnde percentage uit een Europese vrijstellingsverordening niet wordt overschreden; of en geen van de vrijstellingen uit de Europese vrijstellingsverordeningen van toepassing is, maximaal slechts een zodanig bedrag aan subsidies verstrekt dat voor het totale bedrag aan overheidsbijdragen over een periode van drie belastingjaren het maximumbedrag aan de-minimissteun niet wordt overschreden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3035\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30.3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 1.2.1 wordt subsidie voor de maatregelen als bedoeld in artikel 30.3.1, tweede lid, onder b, geweigerd voor zover de uitvoering van de bedoelde maatregelen in strijd komt met de bepalingen uit de Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap Zeeland, de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer Zeeland 2016 en het Natuurbeheerplan Zeeland omtrent de openstelling, toegankelijkheid en beleefbaarheid van natuurterreinen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3036\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30.3.6</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd paragraaf 1.6 is de subsidieontvanger verplicht: een verwijderde recreatieve voorziening tot vijf jaar na datum van vaststelling van de subsidie, verwijderd te houden; de maatregelen waarvoor subsidie wordt verleend, uiterlijk 31 december 2025 te hebben uitgevoerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3037\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30.3.7</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststellen subsidies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in paragraaf 1.7 Arrangement 1 is paragraaf 1.8 Arrangement 2 van toepassing op aanvragen tot en met € 10.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in de artikelen 1.8.5 en 1.8.8 wordt bij de aanvraag tot vaststelling van subsidies tot en met € 50.000,- een financiële verantwoording overgelegd en wordt de subsidie niet alleen vastgesteld op basis van de gerealiseerde prestatieafspraken maar ook op basis van de financiële verantwoording waaruit moet blijken dat de subsidie is besteed aan de subsidiabele activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidieontvanger is verplicht alle overige gegevens aan te leveren die gedeputeerde staten nodig hebben in het kader van het afleggen van verantwoording over de besteding van de specifieke uitkering aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, waaronder voor zover van toepassing de per maatregel gerealiseerde oppervlakte en de oppervlakte onderhanden in hectare en per natuurgebied.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 31 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie in het kader van de Impuls Jongerencultuur</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-311\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel31.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: bovenlokaal bereik: een bereik van ten minste twee gemeenten; culturele activiteit: activiteit waarin één of meer culturele disciplines beoefend en/of getoond worden; culturele disciplines: audiovisuele kunsten (bijvoorbeeld film, video); beeldende kunsten, architectuur en vormgeving (bijvoorbeeld schilderen, graffiti, fashion, beeldhouwen, graphics); cultureel erfgoed (bijvoorbeeld monumenten, archeologie, immaterieel erfgoed); letteren (bijvoorbeeld poëzie, literatuur); podiumkunsten (bijvoorbeeld theater, muziek, dans); jongeren: natuurlijke personen in de leeftijdscategorie 14 tot en met 27 jaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-312\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel31.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van culturele activiteiten die aansluiten bij de interesse en voorzien in de behoefte van jongeren en die door hen bezocht worden; en/of waaraan door hen wordt deelgenomen; en/of die door hen uitgevoerd worden; en die een toevoeging, uitbreiding, professionalisering of besten- diging vormen van het bestaand cultureel aanbod in Zeeland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-313\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel31.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidievereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten: de activiteit vindt plaats in de provincie Zeeland; de activiteit neemt de vraag vanuit jongeren als belangrijkste uitgangspunt; in de aanvraag is voldoende onderbouwd dat jongeren worden betrokken bij de activiteit en in welke rol; de activiteit start vóór 1 januari 2026.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij subsidies hoger dan € 10.000,- en tot en met € 25.000,- geldt in aanvulling op het eerste lid het vereiste dat de activiteit minimaal een bovenlokaal bereik heeft;</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-314\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel31.4</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel a, wordt subsidie niet verstrekt indien op het moment van ontvangst van de aanvraag met de uitvoering van de activiteit waarvoor subsidie is aangevraagd, is gestart.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.2.1 wordt subsidie voorts niet verstrekt indien: de aanvraag een activiteit betreft gericht op het ophalen van ideeën bij jongeren in verband met beleidsontwikkeling; de aanvraag een cultuureducatieve activiteit binnen het onderwijs betreft; de activiteit onvoldoende voorziet in de behoefte van jongeren; er binnen dezelfde openstelling eerder subsidie is verleend aan de aanvrager.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-315\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel31.5</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte subsidiebedrag en niet-subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt: bij een subsidie tot en met € 10.000,-: maximaal 90% van de subsidiabele kosten; bij een subsidie hoger dan € 10.000,-: maximaal 80% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 25.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.3.2 komen personeelskosten van overheidsinstellingen niet voor subsidie in aanmerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts komen niet voor subsidie in aanmerking: kosten voor de aanschaf van muziekinstrumenten; kosten voor de aanschaf van apparatuur zoals laptops, telefoons en soortgelijke producten die ook voor andere doeleinden te gebruiken zijn; kosten waarvoor door gedeputeerde staten of een ander bestuursorgaan reeds subsidie is verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-316\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel31.6</span><span class=\"lf-art-t\">De-minimissteun</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten toetsen voor subsidieverlening of die is aan te merken als steunmaatregel in de zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag inzake de werking van de Europese Unie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien sprake is van een steunmaatregel, dan wordt deze verleend op basis van de Verordening (EU) nr. 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PB L, 2023/2831, 15.12.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/2831/oj) en uitsluitend voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden van die verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de subsidieverlening is aan te merken als een steunmaatregel, legt de aanvrager op verzoek van gedeputeerde staten een de-minimisverklaring over met een opgave van alle andere ontvangen de-minimissteun in de afgelopen 36 maanden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-317\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel31.7</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningsvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag wordt bij gedeputeerde staten ingediend door gebruik te maken van een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier Subsidie Impuls Jongerencultuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het projectplan, bedoeld in artikel 1.4.2, tweede lid, onderdeel a, beschrijft in ieder geval de inhoud van de activiteit en de rol van jongeren daarbij en beslaat: bij een aangevraagd subsidiebedrag tot en met € 10.000,- maximaal 2 pagina’s A4; bij een aangevraagd subsidiebedrag hoger dan € 10.000,- maximaal 4 pagina’s A4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag wordt bij gedeputeerde staten ingediend binnen de openstellingsperiode die door gedeputeerde staten is vastgesteld in een openstellingsbesluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-318\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel31.8</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen per openstellingsperiode als bedoeld in artikel 31.7, derde lid, een subsidieplafond vast in een openstellingsbesluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-319\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel31.9</span><span class=\"lf-art-t\">Verdeelwijze</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een aanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de aanvraag volledig is als datum van binnenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige aanvragen plaats door middel van loting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3110\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 31.10</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten beslissen op de aanvraag binnen acht weken na ontvangst van de volledige aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 31.11</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd paragraaf 1.6 is de subsidieontvanger verplicht mee te werken aan activiteiten met betrekking tot onderzoek en evaluatie in het kader van de specifieke uitkering Impuls Jongerencultuur.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 32 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor aankoop van NNN-gronden (Subsidieregeling Grondverwerving Natuurnetwerk Zeeland)</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-321\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 32.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: beheertype: natuur- of landschapsbeheertype;</p>\n<p class=\"lf-p\">DAEB Kaderregeling: EU-kaderregeling inzake staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst (PbEU 2012, C 8); marktwaarde: de waarde van de grond vastgesteld door middel van een onafhankelijke taxatie, gebaseerd op algemeen aanvaarde marktindicaties en taxatiecriteria; natuur- of landschapsbeheertype: beheertype genoemd in bijlage 2 of bijlage 1 van de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Zeeland 2016, als beschreven in de Index Natuur en Landschap, te raadplegen via de website www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/index-natuur-en-landschap; natuurbeheerplan: plan als bedoeld in artikel 1.3 van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer Zeeland 2016, zoals geldend op het moment van de subsidieaanvraag; natuurterrein: binnen de provincie gelegen gronden met als hoofdfunctie natuur die in het natuurbeheerplan is aangeduid, alsmede grond waarvoor reeds een subsidie is verleend op grond van deze regeling dan wel op grond van artikel 15 van de Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap Zeeland;</p>\n<p class=\"lf-p\">NNN: Natuurnetwerk Nederland, zijnde een samenhangend netwerk van natuurgebieden van nationaal en internationaal belang als opgenomen en begrensd in de provinciale omgevingsverordeningen; verwerving: verkrijging van het recht van eigendom door middel van koop of ruil; waardevermindering: verschil tussen enerzijds de marktwaarde van de grond bij verwerving en anderzijds de marktwaarde van de grond na omzetting in natuurterrein, gebaseerd op een onafhankelijke taxatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-322\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel32.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op het realiseren van natuur door middel van het verwerven van grond.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-323\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel32.3</span><span class=\"lf-art-t\">Doelgroep</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie als bedoeld in artikel 32.2 kan worden verstrekt aan een ieder die duurzaam natuurbeheer verricht dan wel kan verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, eerste lid, kan aan een natuurlijk persoon subsidie worden verstrekt voor een activiteit als bedoeld in artikel 32.2.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-324\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel32.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiehoogte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 32.2 bedraagt 100% van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 32.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen indien zij dit relevant achten voor de beoordeling van de subsidieaanvraag, een hertaxatie van de marktwaarde van de grond als bedoeld in artikel 32.1, onder i, laten verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie wordt zoveel lager verstrekt als noodzakelijk om betaling boven de werkelijke kosten of de maximaal toelaatbare vergoeding op grond van Europese regels of dit besluit te voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-325\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 32.5</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid, wordt subsidie niet verstrekt indien: reeds voor indiening van de aanvraag begonnen is met de uitvoering van het project; het project betrekking heeft op grond waarvan reeds duurzaam geborgd is dat deze als natuur in stand wordt gehouden; het project de uitvoering betreft van wettelijke taken, regelingen of verplichtingen die uit convenanten voortvloeien; de subsidieontvanger een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in punt 20 van de Richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (Pb EU 2014 C49).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-326\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel32.6</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van paragraaf 1.3 komen uitsluitend en voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie de volgende kosten voor subsidie in aanmerking: de waardevermindering van de grond; veilingkosten; overdrachtsbelasting voor zover geen kwijtschelding of vermindering wordt verleend; kosten voor bodemonderzoek; kadasterkosten; notariskosten; taxatiekosten; bemiddelingskosten; kosten voor de aanvraag tot wijziging van een bestemmingsplan; kosten voor de afkoop van landinrichtingsrente, voor zover niet meegenomen in de waardevermindering als bedoeld onder a; kosten van het opstellen van een controleverklaring door een accountant bedoeld in artikel 32.13.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-327\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel32.7</span><span class=\"lf-art-t\">Niet subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 32.6 komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking: compensabele of verrekenbare btw; kosten waarvoor reeds eerder een subsidie of een bijdrage is verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-328\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel32.8</span><span class=\"lf-art-t\">Indiening aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag voor een subsidie wordt ingediend bij gedeputeerde staten door gebruik te maken van een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier ‘Subsidieregeling Grondverwerving Natuurnetwerk Zeeland’, zoals beschikbaar gesteld op de website van de provincie Zeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag voor een subsidie bevat ten minste de in het aanvraagformulier voorgeschreven bijlagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 1.4.2 en in aanvulling op artikel 1.4.2, tweede lid, aanhef en onder a, bevat het projectplan ten minste de in artikel 32.9 onder c bedoelde gegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 32.9 wordt een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 32.2 ingediend uiterlijk op de dag vóór het passeren van de notariële akte van levering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-329\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel32.9</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidievereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten: de subsidieaanvrager verricht blijkens haar statutaire doelstellingen duurzaam natuurbeheer dan wel maakt voldoende aannemelijk duurzaam natuurbeheer te kunnen verrichten overeenkomstig het Natuurbeheerplan; het project heeft betrekking op grond: die deel uitmaakt van in de provincie Zeeland gelegen NNN en in het Natuurbeheerplan is aangeduid als te realiseren natuur; of die op grond van een ecologische onderbouwing aantoonbaar geschikt is om op voorzienbare termijn toe te voegen aan het NNN; aan het project ligt een projectplan ten grondslag waarin in ieder geval is opgenomen: op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in dit artikel; een kadastrale omschrijving van de grond en een kaart met topografische ondergrond met een schaal van ten hoogste 1:10.000, met daarop de ligging van de grond; een inrichtingsschets voor de te verwerven gronden, waaruit tenminste het beoogde beheertype, de te nemen maatregelen en de oppervlakte van de te realiseren natuur blijkt; een onderbouwing van de kosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel32.10</span><span class=\"lf-art-t\">Openstelling, subsidieplafonds en verdelingswijze</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 32.2 kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie. Gedeputeerde staten stellen hierbij tevens het aanvraagformulier als bedoeld in artikel 32.8, eerste lid, vast Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een aanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de aanvraag volledig is als datum van binnenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige aanvragen plaats door middel van loting, in aanwezigheid van een notaris en ten minste twee onafhankelijke waarnemers.</p>\n<p class=\"lf-p\">De trekking wordt schriftelijk vastgelegd door de notaris, waarbij de aanvragen van hoog naar laag worden gerangschikt in volgorde van trekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie wordt overeenkomstig de rangschikking verdeeld over opeenvolgende aanvragen die volledig gehonoreerd kunnen worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel32.11</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen van de subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in de artikelen 1.6.1 tot en met 1.6.5 en in afwijking van artikel 1.6.6 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen. De subsidieontvanger: verwerft de grond binnen 13 weken na subsidieverlening; werkt samen met de beheerders van omliggende natuurterreinen om tot een samenhangend beheer te komen; dient bij het bevoegd gezag een aanvraag in tot wijziging van de bestemming inhoudende dat de grond enkel als natuur mag worden gebruikt; stelt Gedeputeerde Staten in kennis van het voornemen de grond te vervreemden, in erfpacht uit te geven of daarop zakelijke rechten te vestigen; houdt gedurende 10 jaar na subsidieverlening alle gegevens inzake de subsidieverstrekking beschikbaar; houdt een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Awb en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten; laat eventuele opbrengsten van economische activiteiten van het project ten goede komen aan het project.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het wegens onvoorziene omstandigheden niet mogelijk is om binnen de in het eerste lid, onder a tot en met d, gestelde termijn de vermelde verplichtingen na te komen, kan de subsidieontvanger uiterlijk de dag voor het verstrijken van die termijn schriftelijk een verzoek indienen bij Gedeputeerde Staten tot verlenging van die termijn met maximaal 1 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het eerste lid, sluit de subsidieontvanger binnen 4 weken na subsidieverlening met Gedeputeerde Staten een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de Awb, waarin is opgenomen: de verplichting van de eigenaar om voor onbepaalde tijd de ontwikkeling dan wel instandhouding van het op grond van het Natuurbeheerplan te realiseren beheertype te dulden; de verplichting van de eigenaar de betreffende grond na inrichting niet te gebruiken of te doen gebruiken als landbouwgrond en datgene na te laten wat de ontwikkeling en instandhouding van het op grond van het Natuurbeheerplan te realiseren beheertype in gevaar brengt of verstoort; dat de verplichtingen, bedoeld onder a en b, zullen overgaan op degenen die het terrein onder bijzondere of algemene titel zullen verkrijgen en dat mede gebonden zullen zijn degene die van de rechthebbende een recht op gebruik van het goed zullen krijgen; dat de verplichtingen, bedoeld onder a en b, als kwalitatieve verplichting als bedoeld in artikel 6:252 BW, zullen worden ingeschreven in de openbare registers en binnen welke termijn deze inschrijving dient plaats te vinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3212\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel32.12</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoorschotting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen op aanvraag een voorschot van ten hoogste 80% van de maximale subsidie verlenen, mits de aanvraag vergezeld gaat van een overzicht van de gemaakte kosten en de betalingsbewijzen daarvan, dan wel van goedgekeurde offertes waaruit de betalingsverplichtingen blijken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3213\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel32.13</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidievaststelling en verantwoording</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op het verstrekken van subsidie voor aankoop van NNN gronden zijn de paragrafen 1.7, 1.8 en 1.9 niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten stellen subsidies ingevolge de DAEB-kaderregeling vast op basis van prestaties en gerealiseerde kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidieontvanger dient uiterlijk twaalf weken na het passeren van de notariële akte van levering van de te verwerven grond waarvoor subsidie is verleend een aanvraag tot vaststelling in.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidieontvanger toont bij de aanvraag tot vaststelling aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van de volgende bewijsstukken: een afschrift van de notariële akte betreffende de kwalitatieve verplichting, bedoeld in artikel 32.11, derde lid, onder d en de inschrijving daarvan in de openbare registers; indien sprake is van economische activiteiten, een overzicht van de wijze waarop de opbrengsten, bedoeld in artikel 32.11, eerste lid, onder g, ten goede zijn gekomen aan het project. een afschrift van de aanvraag tot wijziging van de bestemming, bedoeld in artikel 32.11, eerste lid, onder c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het tweede lid, overlegt de subsidieontvanger een afschrift van de leveringsakte van de grond en de inschrijving daarvan in de openbare registers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de voorgaande leden, overlegt de subsidieontvanger een controleverklaring als bedoeld in artikel 1.9.5 Gedeputeerde staten stellen binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling de subsidie vast.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 33 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor het nemen van preventieve maatregelen tegen wolvenschade</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-331\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel33.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: de-minimissteun: steun die voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van aanmelding als opgenomen in Verordening (EU) Nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector, PbEU 2013, L 352 dan wel in Verordening (EU) nr. 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, PBEU 2023 L 2831;</p>\n<p class=\"lf-p\">Diergezondheidswetgeving: Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid, PBEU 2016 L84/1;</p>\n<p class=\"lf-p\">Faunaschade Preventiekit, module wolven: overzicht van preventieve maatregelen om schade door wolven te voorkomen en beperken, zoals gepubliceerd op de website van BIJ12 onder Wolven - BIJ12; grondgebruiker: degene die op titel van eigendom, erfpacht of pacht gerechtigd is de percelen in gebruik te hebben en gerechtigd is om de subsidiabele activiteit uit te voeren; hoefdieren: bedrijfsmatig of hobbymatig gehouden schapen, geiten, runderen, varkens, paardachtigen, lama’s en alpaca’s, met uitzondering van grote wilde of semi-wilde grazers die in sociaal kuddeverband leven in natuurgebieden; hoefdierhouder: grondgebruiker die hoefdieren houdt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Identificatie- en Registratiesysteem van dieren: door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland beheerde Identificatie- en Registratiesysteem van elke Nederlandse houder van schapen, geiten, runderen en varkens met een uniek Bedrijfsnummer (UBN); paardachtigen: paard, pony, ezel en kruisingen hiervan; wolfwerende afrastering: afrastering om aanvallen van wolven op hoefdieren te voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-332\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel33.2</span><span class=\"lf-art-t\">Doel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie heeft tot doel schade door wolven aan hoefdieren te voorkomen, door de aanschaf en de inzet van wolfwerende afrastering te bevorderen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-333\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel33.3</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvrager</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie wordt verstrekt aan hoefdierhouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, eerste lid, wordt subsidie ook verstrekt aan natuurlijke personen die hoefdierhouder zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-334\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel33.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor: aanschaf en plaatsen van een vaste wolfwerende afrastering of het uitbreiden of aanpassen van een bestaande, vaste afrastering naar een wolfwerende afrastering; aanschaf en inzetten van een verplaatsbare wolfwerende afrastering, met minimaal vijf draden; aanschaf van een automatisch oprolsysteem bij een verplaatsbare, wolfwerende afrastering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-335\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel33.5</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 1.2.1, tweede lid, wordt subsidie niet verstrekt indien: aan de subsidieaanvrager reeds eerder een subsidie is verstrekt op grond van dit hoofdstuk; door het verstrekken van de subsidie het maximumbedrag aan de-minimissteun van € 50.000 voor agrarische ondernemingen en van € 300.000 voor niet-agrarische ondernemingen, zou worden overschreden, berekend over de drie jaar voorafgaand aan de subsidieaanvraag; het aangevraagde subsidiebedrag hoger is dan € 20.000.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-336\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel33.6</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidievereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om voor subsidie als bedoeld in artikel 33.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten: de subsidiabele activiteit vindt plaats in Zeeland; de aanvrager is krachtens eigendom, pacht of erfpacht gerechtigd op het perceel de subsidiabele activiteit uit te voeren; de hoefdieren zijn geregistreerd in het Identificatie- en Registratiesysteem van dieren dan wel zijn, in het geval van lama’s en alpaca’s, geregistreerd in het register op grond van de Diergezondheidswetgeving; de afrastering voldoet aan de Faunaschade Preventiekit, module wolven; de afrastering zorgt voor een aaneengesloten omheining; eventuele toegangshekken of doorgangen voldoen eveneens aan de vereisten, genoemd onder d en e; het automatisch oprolsysteem wordt ingezet voor een verplaatsbare afrastering, die: wordt gebruikt voor minimaal 100 hoefdieren, te berekenen op het moment van indie- ning van de subsidieaanvraag overeenkomstig artikel 33.7, derde lid, onder a en b; en is uitgerust met minimaal vijf draden In afwijking van het eerste lid, onder d, voldoen flexinetten van 90 cm hoog eveneens aan het gestelde vereiste, mits uitgerust met een extra aardedraad onderaan het flexinet en een lint erboven op 120 cm.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-337\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel33.7</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidie kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het indienen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag wordt bij gedeputeerde staten ingediend door gebruik te maken van een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier subsidie preventieve maatregelen wolvenschade.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 1.4.2, tweede lid, bevat de aanvraag in elk geval:</p></div>", "next": 239802}