{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">de bouwhoogte van vlaggenmasten waarvoor een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactivitiet bouwwerken nodig is (hoger dan 6 meter en/of meer dan 1 mast aanwezig op een 'gebouwerf' als bedoeld in het Bbl) mag 10 meter bedragen; d. de maximum bouwhoogte van andere overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt 7 meter; e. voor overkappingen gelden de bouwregels voor gebouwen zoals opgenomen in Paragraaf 2.1.5.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  3.17</h3>\n<p class=\"lf-p\">Wonen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  3.17.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Gebruiksactiviteiten wonen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-373\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.73</span><span class=\"lf-art-t\">Wonen algemeen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkingsgebied Wonen algemeen is wonen toegestaan, niet zijnde een kamerverhuurpand.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-374\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.74</span><span class=\"lf-art-t\">Wonen op de verdieping</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkingsgebied Wonen op de verdieping is wonen toegestaan, niet zijnde een kamerverhuurpand, met uitzondering van het wonen op de begane grond en kelderverdieping(en).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-375\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.75</span><span class=\"lf-art-t\">Wonen op de bovenste verdieping</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkingsgebied Wonen op de bovenste verdieping is wonen toegestaan, niet zijnde een kamerverhuurpand, op de bovenste verdieping.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-376\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.76</span><span class=\"lf-art-t\">Behorende bij wonen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de werkingsgebieden Wonen algemeen, Wonen op de verdieping en Wonen op de bovenste verdieping mogen de gronden gebruikt worden voor bij de activiteit behorende bouwwerken, erven, terreinen, voorzieningen en activiteiten, zoals: woningen, bergingen en trappenhuizen; parkeervoorzieningen en laden en lossen; voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag; nutsvoorzieningen; toegangswegen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-377\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.77</span><span class=\"lf-art-t\">Bijgebouw ten behoeve van het wonen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkingsgebied Bijgebouw wonen mogen de gronden gebruikt worden voor de opslag ten behoeve van de functie Wonen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-378\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.78</span><span class=\"lf-art-t\">Strijdig gebruik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de werkingsgebieden Wonen algemeen, Wonen op de verdieping en Wonen op de bovenste verdieping wordt tot een gebruik strijdig met deze activiteit/functie, in aanvulling op het bepaalde in Afdeling 2.2, in ieder geval gerekend: a. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor iedere vorm van bewoning, anders dan als huisvesting in verband met mantelzorg; b. het gebruik van gebouwen buiten het bouwvlak als zelfstandige woning; c. het gebruik van garageboxen voor iedere vorm van bewoning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-379\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.79</span><span class=\"lf-art-t\">Overbewoning woonruimte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.79, eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  3.17.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Specifieke bouwregels wonen Subparagraaf 3.17.2.1 Bouwen algemeen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-380\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.80</span><span class=\"lf-art-t\">Bestaande woningen niet splitsen in meerdere grondgebonden woningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bestaande woningen mogen niet bouwkundig worden gesplitst in meerdere grondbonden woningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is van toepassing binnen de werkingsgebieden Wonen algemeen, Wonen kamerverhuur, Wonen op de verdieping en Wonen op de bovenste verdieping</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-381\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.81</span><span class=\"lf-art-t\">Maximum aantal woningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op locaties met een maximum aantal woningen mag het aantal woningen maximaal het aangegeven maximum aantal woningen zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-382\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.82</span><span class=\"lf-art-t\">Maximum bebouwingspercentage per bouwperceel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkingsgebied Wonen algemeen bedraagt het maximum bebouwingspercentage per bouwperceel: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">80% voor percelen met een oppervlakte tot 150 m2; b.</p>\n<p class=\"lf-p\">60% voor percelen met een oppervlakte van 150 m2 tot 300 m2, waarbij in ieder geval een oppervlakte van 120 m2 mag worden bebouwd; c.</p>\n<p class=\"lf-p\">50% voor percelen met een oppervlakte van 300 m2 tot 500 m2, waarbij in ieder geval een oppervlakte van 180 m2 mag worden bebouwd; d.</p>\n<p class=\"lf-p\">40% voor percelen met een oppervlakte groter dan 500 m2, waarbij in ieder geval een oppervlakte van 250 m2 mag worden bebouwd en maximaal een oppervlakte van 300 m2 mag worden bebouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkingsgebied Wonen algemeen is het bepaalde onder Artikel 3.82, eerste lid niet van toepassing op bouwpercelen met gebouwen met gestapelde appartementen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 3.17.2.2 Gebouwen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-383\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.83</span><span class=\"lf-art-t\">Gebouwen binnen het bouwvlak</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkingsgebied Wonen algemeen is, in afwijking van de ter plekke geldende norm als bedoeld in Artikel 2.14, de maximum bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen 5 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte niet hoger mag zijn dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde onder a mag een vrijstaand bijgebouw meer dan 5 meter hoog zijn als wordt voldaan aan de volgende specifieke beoordelingsregels:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de bouwhoogte van het vrijstaand bijgebouw lager is dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw en 2. daarbij wordt voldaan aan de beoordelingsregels in Artikel 1.14.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-384\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.84</span><span class=\"lf-art-t\">Gebouwen buiten het bouwvlak</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkingsgebied Wonen algemeen gelden voor gebouwen buiten het bouwvlak de volgende regels: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achter de voorgevelrooilijn mag de bouwhoogte maximaal 5 meter bedragen en mag de goothoogte maximaal 3 meter bedragen; b.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde onder a is een hogere bouw- en/of goothoogte buiten het bouwvlak mogelijk als bij een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt voldaan aan de volgende specifieke beoordelingsregels:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>het is een uitbreiding van een gebouw dat binnen het bouwvlak aanwezig is en 2. de bouw- en goothoogte zijn maximaal gelijk aan de binnen het bouwvlak aanwezige bouw- en goothoogte van het uit te breiden gebouw en 3. daarbij wordt voldaan aan de beoordelingsregels in Artikel 1.14. c.</div>\n<p class=\"lf-p\">Voor de voorgevelrooilijn zijn geen gebouwen toegestaan, met uitzondering van een erker of portaal aan de voorgevel van een woning onder de volgende voorwaarden:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de oppervlakte mag maximaal 6 m2 bedragen of de breedte mag maximaal 2/3 van de gevellengte bedragen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de diepte (horizontaal) mag maximaal 1,5 meter bedragen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>de goothoogte mag maximaal 3 meter bedragen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>de bouwhoogte mag maximaal 4,5 meter bedragen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 1 meter, tenzij er sprake is van twee aan elkaar gekoppelde erkers bij twee aaneengesloten woningen. d.</div>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde onder c is het bouwen van een gebouw of overkapping voor de voorgevelrooilijn ook mogelijk als bij een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt voldaan aan de volgende specifieke beoordelingsregels:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de voorgevelrooilijn wordt met ten hoogste 3 meter overschreden en 2. de afstand tot openbaar toegankelijk gebied bedraagt minimaal 2 meter en 3. de bouwhoogte bedraagt maximaal 3 meter en 4. daarbij wordt voldaan aan de beoordelingsregels in Artikel 1.14. e.</div>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het bepaalde onder a en c geldt voor een bouwperceel met een gebouw met gestapelde appartementen dat de totale oppervlakte aan gebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak maximaal 50 m2 mag bedragen. f.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde onder e is een groter gezamenlijk oppervlak van gebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak op een bouwperceel met een gebouw met gestapelde appartementen mogelijk als bij een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt voldaan aan de volgende specifieke beoordelingsregels:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>het gezamenlijk oppervlak van gebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak is maximaal 75 m² per bouwperceel en 2. het bebouwingspercentage van het bouwperceel bedraagt niet meer dan 50% en 3. daarbij wordt voldaan aan de beoordelingsregels in Artikel 1.14.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-385\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.85</span><span class=\"lf-art-t\">Gebouwen in werkingsgebied 'Bijgebouw wonen'</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkingsgebied Bijgebouw wonen gelden de regels voor bestaande bebouwing zoals opgenomen in Artikel 2.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 3.17.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-386\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.86</span><span class=\"lf-art-t\">Bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkingsgebied Wonen algemeen gelden voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde de volgende regels: a. de maximum bouwhoogte van erf- en perceelafscheidingen voor de voorgevelrooilijn waarvoor een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactivitiet bouwwerken nodig is (afscheiding hoger dan 1 meter) bedraagt 2 meter, waarbij geldt dat ook voldaan moet worden aan de beoordelingsregels in Artikel 1.14. b. de maximum bouwhoogte van erf- en perceelafscheidingen achter de voorgevelrooilijn waarvoor een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactivitiet bouwwerken nodig is (afscheiding hoger dan 2 meter) bedraagt 3 meter, waarbij geldt dat ook voldaan moet worden aan de beoordelingsregels in Artikel 1.14. c. de maximum bouwhoogte van vlaggenmasten waarvoor een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactivitiet bouwwerken nodig is (hoger dan 6 meter en/of meer dan 1 mast aanwezig op een 'gebouwerf' als bedoeld in het Bbl) bedraagt 10 meter, waarbij geldt dat ook voldaan moet worden aan de beoordelingsregels in Artikel 1.14. d. voor overkappingen gelden de bouwregels voor gebouwen als opgenomen in Subparagraaf 3.17.2.1 en Subparagraaf 3.17.2.2; e. voor de bouw danwel aanpassing van een paardrijbak gelden de regels in Artikel 2.24; f. in aanvulling op het bepaalde onder e geldt dat de maximum bouwhoogte van lichtmasten ten behoeve van een paardrijbak 6 meter bedraagt; g. andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen uitsluitend achter de voorgevelrooilijn worden gebouwd, met een maximum bouwhoogte van 5 meter.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  3.17.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Kamerverhuur Subparagraaf 3.17.3.1 Gebruik kamerverhuurpanden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-387\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.87</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf is van toepassing binnen de werkingsgebieden Wonen algemeen, Wonen kamerverhuur, Wonen op de verdieping, Wonen op de bovenste verdieping.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-388\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.88</span><span class=\"lf-art-t\">Algemeen: Woning gebruiken voor kamerverhuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van een woning voor kamerverhuur is, in afwijking van Artikel 3.73 , Artikel 3.74 en Artikel 3.75 , uitsluitend toegestaan in een bestaand of vergund kamerverhuurpand.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet toegestaan het aantal kamers in een bestaand of vergund kamerverhuurpand te vergroten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-389\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.89</span><span class=\"lf-art-t\">Uitsterfbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een bestaand of vergund kamerverhuurpand of een kamerverhuurpand dat vergund is middels Artikel 3.91 opnieuw te gebruiken als kamerverhuurpand als het gebruik als kamerverhuurpand één jaar of meer is onderbroken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 3.17.3.2 Omgevingsplanactiviteit Woning gebruiken voor kamerverhuur</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-390\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.90</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen in deze subparagraaf, met uitzondering van Artikel 3.94 , zijn alleen van toepassing in de werkingsgebieden: Wonen algemeen, Wonen op de verdieping, Wonen op de bovenste verdieping.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-391\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.91</span><span class=\"lf-art-t\">Nieuw kamerverhuurpand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van een woning als nieuw kamerverhuurpand is in afwijking van Artikel 3.88, eerste lid mogelijk op voorwaarde van een omgevingsvergunning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-392\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.92</span><span class=\"lf-art-t\">Vergroten kamerverhuurpand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het vergroten van het aantal kamers in een bestaand of vergund kamerverhuurpand is in afwijking van Artikel 3.88, tweede lid mogelijk op voorwaarde van een omgevingsvergunning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-393\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.93</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit kamerverhuurpand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 3.91 en Artikel 3.92 wordt alleen verleend als wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning moet worden geweigerd als er:</p>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen een afstand van 50 meter van het aangevraagde kamerverhuurpand een bestaand of vergund kamerverhuurpand aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen een afstand van 50 meter van het aangevraagde kamerverhuurpand reeds een omgevingsvergunningaanvraag is ingediend (en nog niet is verleend of geweigerd) voor het realiseren van een kamerverhuurpand.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen een afstand van 50 meter van het aangevraagde kamerverhuurpand een rechtens aanwezige woning aanwezig is met een oppervlakte van kleiner of gelijk aan 50 m².</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bestaand of vergund kamerverhuurpand aanwezig is in het gebouw waar de omgevingsvergunning wordt aangevraagd; b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aantal afzonderlijk te verhuren kamers bedraagt niet meer dan 7; c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aangevraagde kamerverhuurpand voldoet aan de volgende minimale gebruiksoppervlakte kamerverhuur:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>minimaal 75 m2 bij 3 kamers 2. minimaal 100 m2 bij 4 kamers 3. minimaal 120 m2 bij 5 kamers 4. minimaal 140 m2 bij 6 kamers 5. minimaal 160 m2 bij 7 kamers d.</div>\n<p class=\"lf-p\">Op eigen terrein is een bereikbare in- of uitpandige bergingsruimte aanwezig voor de stalling van fietsen, afvalcontainer(s) of afvalzakken met een oppervlakte van:</p>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij 4 kamers of minder: Tenminste 6 m² bergruimte;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij 5 kamers of meer: Tenminste 7 m² bergruimte en 1m² extra bergruimte voor iedere extra kamer. e.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt voldaan het bepaalde in Artikel 1.14. f.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van burgemeester en wethouders is er geen sprake van een kwetsbaar beeld van het woon- en leefklimaat in de omgeving. De beoordeling hiervan vindt plaats aan de hand van de beleidsregel 'Onzelfstandige bewoning Enschede 2022' dan wel, als deze tussentijds wordt gewijzigd of vervangen door een andere beleidsregel, aan deze gewijzigde respectievelijk vervangende beleidsregel. g.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 3.91 (nieuw kamerverhuurpand), is in een periode van 10 jaar daaraan voorafgaand geen omgevingsvergunning verleend voor een appartement (of meerdere) in de betreffende woning op grond van:</p>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-399\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.99</span><span class=\"lf-art-t\">; of</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestemmingsplan 'Kwalitatief sturen op appartementen 2022'.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 3.91 en Artikel 3.92 voor aantoonbare huisvesting van een doelgroep van beleid uit de gemeentelijke Woonvisie (en diens rechtsopvolgers), door woningbouwcorporaties waarmee prestatieafspraken zijn gemaakt, zijn de beoordelingsregels in Artikel 3.93, eerste lid van overeenkomstige toepassing. Daarbij kunnen burgemeester en wethouders gemotiveerd afwijken van het bepaalde onder sub a, b, c, f en g.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afstand van een kamerverhuurpand tot een bestaand of vergund kamerverhuurpand, zoals genoemd in artikel Artikel 3.93, eerste lid sub a, wordt als volgt gemeten: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afstand wordt gemeten tussen ieder mogelijk punt op de perceelsgrenzen van het bouwperceel waarop het beoogde kamerverhuurpand gelegen is en ieder mogelijk punt op de perceelsgrenzen van het bouwperceel waarop de panden genoemd in Artikel 3.93, eerste lid sub a gelegen zijn; b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een beoogd kamerverhuurpand in een gebouw met gestapelde appartementen wordt, ongeacht de locatie van het beoogde kamerverhuurpand in het gebouw met gestapelde appartementen, de afstand ook gemeten vanaf ieder mogelijk punt vanaf de perceelsgrenzen van het bouwperceel waarop het gebouw met gestapelde appartementen gelegen is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-394\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.94</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagvereisten Woning gebruiken voor kamerverhuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 3.91 en Artikel 3.92 worden de volgende gegevens verstrekt: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het totaal aantal afzonderlijk te verhuren kamers. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het een bestaand of vergund kamerverhuurpand betreft: het aantal kamers dat in de bestaande situatie afzonderlijk wordt verhuurd. c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een plattegrond waarop is aangegeven:</p>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De totale gebruiksoppervlakte kamerverhuur in de nieuwe situatie;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aantal te verhuren kamers, genummerd per kamer en met vermelding van de oppervlakte per kamer.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in- of uitpandige bergingsruimte, met vermelding van de oppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overige ruimtes, met vermelding van de oppervlakte per ruimte. d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gegevens ten behoeve van de toets op basis van de Wet Bibob.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassingsbereik Dit artikel is van toepassing in de in Artikel 3.90 bedoelde werkingsgebieden.Aanvullend zijn de aanvraagvereisten in dit artikel, binnen het werkingsgebied Omgevingsplan tijdelijk deel - onzelfstandige bewoning, overeenkomstig van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning op grond van het bestemmingsplan \"Onzelfstandige bewoning Enschede 2022\".</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  3.17.4</h3>\n<p class=\"lf-p\">Appartementen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-395\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.95</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf is van toepassing binnen de werkingsgebieden Wonen algemeen, Wonen op de verdieping en Wonen op de bovenste verdieping.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-396\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.96</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod op het realiseren en gebruiken van appartementen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het realiseren en gebruiken van een appartement is niet toegestaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-397\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.97</span><span class=\"lf-art-t\">Uitzondering voor vergunde appartementen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het in Artikel 3.96 bedoelde verbod geldt niet voor een appartement, waarvoor een omgevingsvergunning is verleend voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit omgevingsplan op de betreffende locatie van de appartementen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-398\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.98</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruiksregels en specifieke bouwregels voor appartementen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover in afwijking van Artikel 3.96 het realiseren en gebruik van appartementen is of kan worden toegestaan, gelden daarvoor de volgende voorwaarden: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het minimum gebruiksoppervlak per appartement bedraagt 75 m2; b.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoofdtoegang van het appartement, dan wel de toegang tot de gemeenschappelijke verkeersruimte van meerdere appartementen, is gesitueerd op maximaal 5 meter vanaf de openbare weg; c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Appartementen moeten beschikken over een fietsenberging die niet rechtstreeks toegankelijk is vanuit het appartement en buitenruimte van voldoende omvang. Daarvan is sprake indien elk appartement beschikt over:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>een eigen fietsenberging van 5 m2 of een collectieve fietsenberging, waarbij wordt voldaan aan de geldende normen voor fietsparkeren in de beleidsregel 'Nota Parkeernormen gemeente Enschede 2025', of in een beleidsregel die deze Nota wijzigt of vervangt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>een eigen buitenruimte met een oppervlak van tenminste 6 m2 of een collectieve buitenruimte van tenminste 6 m2 per appartement, bijvoorbeeld in de vorm van een dakterras, balkon of loggia; d.</div>\n<p class=\"lf-p\">Er is geen sprake van het realiseren van appartementen in bestaande bebouwing buiten het bouwvlak; e.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet toegestaan om appartementen te splitsen in kleinere appartementen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.99</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsplanactiviteit realiseren en gebruiken appartementen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van Artikel 3.96 kan in de volgende situaties een omgevingsvergunning worden verleend voor realisatie en/of gebruik van een appartement: a. in of bij een monument of een in het geldende omgevingsplan als 'karakteristiek' aangewezen cultuurhistorisch waardevol gebouw; b. dat de aantoonbare huisvesting betreft van een doelgroep van programmering als genoemd in de gemeentelijke Woonvisie betreft, dan wel diens rechtsopvolger; c. dat een sociale huurwoning betreft voor huisvesting door woningbouwcorporaties waarmee prestatieafspraken zijn gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor (een aanvraag om) een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 3.99, eerste lid zijn, voor wat de omgevingsplanactiviteit bouwwerken betreft, de vergunningplicht en aanvraagvereisten opgenomen in Paragraaf 2.1.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast zijn voor wat het gebruik betreft de in Artikel 1.27 bedoelde aanvraagvereisten van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3100\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.100</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit realiseren en gebruiken appartementen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 3.99, eerste lid wordt alleen verleend als wordt voldaan aan het bepaalde in Artikel 1.14 en Artikel 3.98 .</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullend geldt per onderdeel van Artikel 3.99, eerste lid: onderdeel a: het toevoegen van een appartement dient aantoonbaar bij te dragen aan het behoud van de karakteristieke waarden. onderdeel b: er kan worden afgeweken van Artikel 3.98 onderdeel a. onderdeel c: er kan worden afgeweken van Artikel 3.98 onderdeel a en c sub 2; en voor de sociale huurwoning geldt de minimale instandhoudingstermijn als bedoeld in de 'Doelgroepenverordening sociale huur en middenhuur Enschede 2021' (of diens rechtsopvolger).</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  3.18</h3>\n<p class=\"lf-p\">Zorginstelling</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  3.18.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Gebruiksactiviteiten zorginstelling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3101\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.101</span><span class=\"lf-art-t\">Zorginstelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkingsgebied Zorginstelling mogen de gronden gebruikt worden voor een maatschappelijke voorziening in de vorm van een zorginstelling en kinderopvang.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3102\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.102</span><span class=\"lf-art-t\">Behorende bij zorginstelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkingsgebied Zorginstelling mogen de gronden gebruikt worden voor bij de activiteit behorende bouwwerken, erven, terreinen, voorzieningen en activiteiten, zoals: parkeervoorzieningen en laden en lossen; voorzieningen ten behoeve van warmte-koude-opslag; nutsvoorzieningen; toegangswegen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  4</h3>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten per gebied (gereserveerd)</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  5</h3>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten per thema</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bodem en ondergrond</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.1.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bodemkwaliteit</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1</span><span class=\"lf-art-t\">(Nadere) Beoordelingsregels bodemkwaliteit bij omgevingsplanactiviteit bouwwerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (de vergunning als bedoeld in Artikel 2.1), wordt de omgevingsvergunning, als deze betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, alleen verleend als ook: a. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of b. aannemelijk is dat sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen als er wel een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem is. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het overschrijden van de toelaatbare kwaliteit van de bodem, als bedoeld in Artikel 5.1, eerste lid onder a, is sprake als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zinsdeel “in meer dan 25 m3 bodemvolume” in Artikel 5.1, tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie: bodem geschikt maken voor beoogd doel Artikel 1.10 van de Vangnetregeling Omgevingswet is ook van toepassing op dit omgevingsplan in het werkingsgebied Omgevingsplan nieuw deel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van Artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder b, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in Artikel 5.1 .</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Cultureel erfgoed</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.2.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Cultuurhistorie Subparagraaf 5.2.1.1 Karakteristieke objecten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-54\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene regel bouwkundige wijzigingen karakteristiek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkingsgebied Karakteristiek zijn bouwkundige wijzigingen toegestaan aan de karakteristieke hoofdvorm en/of karakteristieke elementen van bebouwing, daaronder ook verstaan het geheel of gedeeltelijk slopen van bebouwing, als die niet strijdig zijn met andere bouwregels en voldoen aan tenminste één van de volgende voorwaarden: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze waren ten tijde van inwerkingtreding van de wijziging van het Omgevingsplan voor de locatie van de betreffende bebouwing toegestaan en in uitvoering; b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betreft normaal onderhoud en beheer van karakteristieke bebouwing; c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze zijn niet zichtbaar vanuit het openbaar toegankelijk gebied, tenzij;</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>het wijzigingen aan bebouwing betreft die zichtbaar vanuit openbaar toegankelijk gebied zijn te maken door het rooien van beplanting of het weghalen van een erfafscheiding;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>het wijzigingen betreft aan objecten buiten de bebouwde kom; d.</div>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan bedoeld onder a t/m c en waarbij de cultuurhistorisch deskundige oordeelt dat er geen sprake is van een wijziging, al dan niet van geringe omvang, van de karakteristieke hoofdvorm en/of karakteristieke elementen van de bebouwing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-55\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsplanactiviteit slopen van een bouwwerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkingsgebied Karakteristiek is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk geheel of gedeeltelijk te slopen in andere gevallen dan bedoeld in Artikel 5.4. Op deze omgevingsplanactiviteit zijn de beoordelingsregels als bedoeld in Artikel 5.7 van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-56\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.6</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsplanactiviteit bouwwerken: aanvulling vergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkingsgebied Karakteristiek wordt onder het verbod als bedoeld in Artikel 2.1, ook het aanbrengen van bouwkundige wijzigingen anders dan bedoeld in Artikel 5.4 verstaan. Op deze omgevingsplanactiviteit zijn de beoordelingsregels als bedoeld in Artikel 5.7 van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-57\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteiten slopen en bouwwerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkingsgebied Karakteristiek gelden voor de omgevingsplanactiviteiten als bedoeld in Artikel 5.5 en Artikel 5.6 de volgende beoordelingsregels: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aangevraagde bouwkundige wijzigingen zijn aanvaardbaar in relatie tot de karakteristieke hoofdvorm en karakteristieke elementen van het karakteristieke object. Deze beoordeling vindt plaats aan de hand van de beleidsregel 'Koesteren cultuurhistorie' dan wel, in het geval deze tussentijds wordt gewijzigd of vervangen door een andere beleidsregel, aan deze gewijzigde of vervangende beleidsregel. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning wordt in ieder geval verleend in de volgende gevallen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de karakteristieke hoofdvorm en karakteristieke elementen zijn niet langer aanwezig en kunnen niet zonder ingrijpende wijzigingen aan de bebouwing worden hersteld;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de karakteristieke hoofdvorm en karakteristieke elementen zijn in redelijkheid niet langer te handhaven. c.</div>\n<p class=\"lf-p\">Alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend, vragen burgemeester en wethouders altijd advies aan een cultuurhistorisch deskundige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.2.1.2 Cultuurhistorische structuur</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-58\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.8</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene regel bouwkundige wijzigingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkingsgebied Cultuurhistorische structuur zijn bouwkundige wijzigingen toegestaan als deze voldoen aan tenminste één van de volgende voorwaarden: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze waren ten tijde van inwerkingtreding van de wijziging van het Omgevingsplan voor de locatie van de betreffende cultuurhistorische structuur toegestaan en in uitvoering. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betreft normaal onderhoud en beheer aan een cultuurhistorische structuur. c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan bedoeld onder a en b en het op basis van het oordeel van de cultuurhistorisch deskundige van geringe omvang is of wordt uitgevoerd aan/in een onderdeel van de 'cultuurhistorische structuur' dat niet bijdraagt aan de waarde van de 'cultuurhistorische structuur'.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-59\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.9</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsplanactiviteit slopen van een bouwwerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkingsgebied Cultuurhistorische structuur is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk geheel of gedeeltelijk te slopen in andere gevallen dan bedoeld in Artikel 5.8. Op deze omgevingsplanactiviteit zijn de beoordelingsregels als bedoeld in Artikel 5.13 van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-510\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.10</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsplanactiviteit bouwwerken: aanvulling vergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkingsgebied Cultuurhistorische structuur wordt onder het verbod als bedoeld in Artikel 2.1, ook verstaan het aanbrengen van bouwkundige wijzigingen anders dan bedoeld in Artikel 5.8. Op deze omgevingsplanactiviteit zijn de beoordelingsregels als bedoeld in Artikel 5.13 van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-511\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.11</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene regel uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkingsgebied Cultuurhistorische structuur is het uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid, toegestaan als het voldoet aan tenminste één van de volgende voorwaarden: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het was ten tijde van inwerkingtreding van de wijziging van het Omgevingsplan voor de locatie van de betreffende cultuurhistorische structuur toegestaan en in uitvoering. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betreft normaal onderhoud en beheer aan een cultuurhistorische structuur, zoals vervanging van bestaande verharding en het snoeien van hagen en struiken. c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan bedoeld onder a en b en het op basis van het oordeel van de cultuurhistorisch deskundige van geringe omvang is of wordt uitgevoerd aan/in een onderdeel van de 'cultuurhistorische structuur' dat niet bijdraagt aan de waarde van de 'cultuurhistorische structuur'.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-512\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.12</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsplanactiviteit uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkingsgebied Cultuurhistorische structuur is het verboden zonder omgevingsvergunning een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid, uit te (laten) voeren, voor zover de volgende omstandigheden beide van toepassing zijn: a. de werken of werkzaamheden zijn aanwezig in of zijn zichtbaar vanuit het openbaar toegankelijk gebied danwel hebben een invloed die zichtbaar is vanuit het openbaar toegankelijk gebied; b. het betreft typen werken of werkzaamheden die aanwezige cultuurhistorische waarden kunnen aantasten. Daarbij gaat het in ieder geval om:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>het aanleggen, verleggen of verharden van wegen, paden of andere (half)verhardingen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>het vellen, rooien of verwijderen van bomen, hagen en andere houtopstanden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>het graven en/of dempen van waterlopen (met uitzondering van greppels).</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-513\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.13</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteiten slopen, bouwwerken en uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid Binnen het werkingsgebied Cultuurhistorische structuur gelden voor de omgevingsplanactiviteiten als bedoeld in Artikel 5.9, Artikel 5.10 en Artikel 5.12 de volgende beoordelingsregels: a. de werken of werkzaamheden zijn aanvaardbaar in relatie tot de waarde van de cultuurhistorische structuur. Deze beoordeling vindt plaats aan de hand van de beleidsregel 'Koesteren cultuurhistorie' dan wel, in het geval deze tussentijds wordt gewijzigd of vervangen door een andere beleidsregel, aan deze gewijzigde of vervangende beleidsregel. b. de omgevingsvergunning wordt geweigerd als door de activiteiten, danwel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen, de aanwezige 'cultuurhistorische structuur' in onevenredige mate wordt of kan worden aangetast, tenzij er een noodzaak bestaat vanuit zwaarwegende (andere) maatschappelijke belangen en er in dat geval geen redelijke alternatieven voorhanden zijn. c. de omgevingsvergunning wordt in ieder geval verleend in de volgende gevallen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de 'cultuurhistorische structuur' is niet langer aanwezig en kan niet zonder ingrijpende wijzigingen worden hersteld danwel is in redelijkheid niet langer te handhaven;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de aantasting van de 'cultuurhistorische structuur', als bedoeld onder b, wordt voldoende weggenomen door bouwwerken (zoals nieuwbouw na sloop) of andere werken (zoals herplant van houtopstanden) die de herkenbaarheid en opzet van de oorspronkelijke structuur respecteren. d. alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend, vragen burgemeester en wethouders altijd advies aan een cultuurhistorisch deskundige.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.2.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Archeologie Subparagraaf 5.2.2.1 Archeologische onderzoeksgebieden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-514\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.14</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsplanactiviteit bouwwerken: aanvulling vergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder het verbod als bedoeld in Artikel 2.1 wordt ook verstaan het aanbrengen van bouwkundige wijzigingen ter plaatse van het werkingsgebied Archeologisch onderzoeksgebied a, die een bodemverstoring veroorzaken dieper dan 50 cm onder het maaiveld en met een grotere oppervlakte dan 250 m².</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder het verbod als bedoeld in Artikel 2.1 wordt ook verstaan het aanbrengen van bouwkundige wijzigingen ter plaatse van het werkingsgebied Archeologisch onderzoeksgebied b, die een bodemverstoring veroorzaken dieper dan 50 cm onder het maaiveld en met een grotere oppervlakte dan 2.500 m².</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-515\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.15</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsplanactiviteit uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid, uit te (laten) voeren ter plaatse van Archeologisch onderzoeksgebied a, die een bodemverstoring veroorzaken dieper dan 50 cm onder het maaiveld en met een grotere oppervlakte dan 250 m².</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid, uit te (laten) voeren ter plaatse van werkingsgebied Archeologisch onderzoeksgebied b, die een bodemverstoring veroorzaken dieper dan 50 cm onder het maaiveld en met een grotere oppervlakte dan 2.500 m².</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-516\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.16</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteiten bouwwerken en uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid Binnen de werkingsgebieden Archeologisch onderzoeksgebied a en Archeologisch onderzoeksgebied b gelden voor de omgevingsplanactiviteiten als bedoeld in Artikel 5.14 en Artikel 5.15 de volgende beoordelingsregels: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit archeologisch vooronderzoek blijkt dat:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn of 2. dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de aanwezige archeologische waarden door de activiteiten bedoeld in Artikel 5.14 en Artikel 5.15. b.</div>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders kunnen afzien van het laten uitvoeren van archeologisch vooronderzoek als bedoeld onder a als zij van oordeel zijn dat het terrein ter plaatse al zodanig is verstoord, dat er redelijkerwijs geen sprake meer is van mogelijke aantasting van archeologische waarden. c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders hebben advies gevraagd aan de regioarcheoloog.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.2.2.2 Voorschriften omgevingsvergunning in belang van archeologie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-517\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.17</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 22.303, eerste lid, is op het verbinden van die voorschriften van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Externe en fysieke veiligheid</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.3.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Risicogebied lpg</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-518\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.18</span><span class=\"lf-art-t\">Risicogebied lpg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkingsgebied Risicogebied lpg zijn geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkingsgebied Risicogebied lpg geldt het onder Artikel 5.18, eerste lid genoemde verbod niet indien er sprake is van functionele binding conform artikel 5.5. Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkingsgebied Risicogebied lpg geldt het onder Artikel 5.18, eerste lid genoemde verbod niet indien er sprake is van eerbiedigende werking conform artikel 5.3a. Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.3.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bouwen en opslag nabij perceelsgrenzen in relatie tot veiligheid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-519\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.19</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke bouwregel voor bouwwerken nabij perceelsgrenzen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vanuit het oogpunt van rampenbestrijding geldt aanvullend op de overige van toepassing zijnde bouwregels het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de werkingsgebieden Bedrijf en Tuincentrum mag op de volgende locaties alleen bebouwing worden opgericht als het oprichten van bebouwing uit het oogpunt van rampenbestrijding geen gevaar oplevert: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen een afstand van 3,5 meter van een niet langs een openbare weg of openbaar groen gelegen zijdelingse perceelsgrens. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen een afstand van 5 meter van een niet langs een openbare weg of openbaar groen gelegen achterste perceelsgrens</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-520\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.20</span><span class=\"lf-art-t\">Opslag nabij perceelsgrenzen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vanuit het oogpunt van rampenbestrijding geldt aanvullend op de overige van toepassing zijnde gebruiksregels het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de werkingsgebieden Bedrijf en Tuincentrum mag op de volgende locaties alleen opslag van goederen plaatsvinden als de opslag van goederen uit het oogpunt van rampenbestrijding geen gevaar oplevert: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen een afstand van minder dan 3,5 meter van een niet langs een openbare weg of openbaar groen gelegen zijdelingse perceelsgrens. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen een afstand van minder dan 5 meter van een niet langs een openbare weg of openbaar groen gelegen achterste perceelsgrens.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.3.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bereikbaarheid hulpdiensten en bluswater</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-521\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.21</span><span class=\"lf-art-t\">Bluswatervoorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-522\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.22</span><span class=\"lf-art-t\">Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-523\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.23</span><span class=\"lf-art-t\">Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in Artikel 22.14, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.4</h3>\n<p class=\"lf-p\">Geluid</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.4.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Geluidzone industrie Subparagraaf 5.4.1.1 Specifieke bouwregels geluidzone industrie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-524\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.24</span><span class=\"lf-art-t\">Voorrangsregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkingsgebied geluidzone - industrie hebben de regels uit Artikel 5.25 voorrang op het bepaalde elders in de regels van dit plan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-525\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.25</span><span class=\"lf-art-t\">Geluidzone industrie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkingsgebied geluidzone - industrie mogen geen geluidgevoelige gebouwen worden gebouwd en geen geluidgevoelige terreinen worden aangelegd tenzij: a. er sprake is van het vernieuwen, veranderen of vergroten van geluidgevoelige gebouwen of geluidgevoelige terreinen overeenkomstig de regels van dit plan, mits daarbij:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de afstand tot het gezoneerd industrieterrein niet wordt verkleind en 2. de bouwhoogte van het gebouw niet toeneemt en 3. het aantal woningen of geluidsgevoelige gebouwen of geluidsgevoelige terreinen niet toeneemt en 4. wordt voldaan aan de van toepassing zijnde eisen voor de karakteristieke geluidwering uit het voormalige Bouwbesluit (zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet) . b. burgemeester en wethouders ten behoeve van de bouw van de geluidsgevoelige gebouwen of aanleg van geluidsgevoelige terreinen een hogere grenswaarde hebben vastgesteld (op grond van de voormalige Wet geluidhinder) en wordt voldaan aan de van toepassing zijnde eisen voor de karakteristieke geluidwering uit het voormalige Bouwbesluit (zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet). c. door middel van akoestisch onderzoek wordt aangetoond dat door het treffen van een maatregel een situatie kan worden gecreëerd, waardoor wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde (als bedoeld in de voormalige Wet geluidhinder); d. de naar het gezoneerd industrieterrein gekeerde gevel van het geluidsgevoelige gebouw voldoet aan de voorwaarden zoals vermeld in artikel 1b, lid 4 van de Wet geluidhinder (zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet) en door middel van akoestisch onderzoek is aangetoond dat minimaal sprake is van één geluidluwe gevel (geluidsbelasting minder dan 50 dB(A)).</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.5</h3>\n<p class=\"lf-p\">Parkeren</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-526\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.26</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene regels parkeren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkingsgebied Omgevingsplan nieuw deel moet bij het (ver)bouwen van bouwwerken en/of het wijzigen van het gebruik van bouwwerken en/of gronden, gelet op de omvang en het gebruik daarvan, in voldoende mate worden voorzien in ruimte voor:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>het parkeren van auto's;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>het stallen van fietsen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>het stallen van brommers, scooters en andere soortgelijke vervoersmiddelen. b.</div>\n<p class=\"lf-p\">De onder a genoemde voorzieningen worden gerealiseerd en in stand gehouden op eigen terrein. c.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van b is het mogelijk om de voorzieningen als bedoeld onder a niet (geheel) op eigen terrein te realiseren, onder de volgende voorwaarden:</p>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt aantoonbaar op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte voorzien;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken en/of voor het wijzigen van het gebruik van bouwwerken en/of gronden wordt voldaan aan de algemene beoordelingsregel in Artikel 1.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stallingsplaatsen voor fietsen van bewoners en gebruikers van appartementen dienen inpandig (in een gebouw of onder een overkapping) te worden gerealiseerd. d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling of er wordt voldaan aan het genoemde onder a gelden de parkeernormen en andere richtlijnen (zoals afmetingen van parkeerplaatsen) in de beleidsregel 'Nota Parkeernormen gemeente Enschede 2025' of in een beleidsregel die deze Nota wijzigt of vervangt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-527\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.27</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels parkeren bij omgevingsplanactiviteiten bouwwerken en gebruik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkingsgebied Omgevingsplan nieuw deel gelden bij een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken en/of een omgevingsplanactiviteit voor het wijzigen van het gebruik van bouwwerken en/of gronden, de regels in Artikel 5.26 als beoordelingsregels.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.6</h3>\n<p class=\"lf-p\">Water en klimaatadaptatie</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.6.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Hemelwater Subparagraaf 5.6.1.1 Berging, infiltratie en afvoer van hemelwater</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-528\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.28</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene regels waterberging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkingsgebied Omgevingsplan nieuw deel gelden de volgende algemene regels met betrekking tot waterberging: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij vervanging of uitbreiding van verhard oppervlak wordt minimaal 55 mm aan berging en/of infiltratie van hemelwater per m² te vervangen of uit te breiden verhard oppervlak gerealiseerd en in stand gehouden op eigen terrein. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onder a bedoelde berging en/of infiltratie geldt aanvullend op de bergingsopgave voor het bestaand verhard oppervlak dat niet wordt verwijderd of vervangen. c.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onder a bedoelde berging en/of infiltratie moet het (teveel aan) water afwateren op een voorziening voor de ontvangst van hemelwater in het openbaar toegankelijk gebied. d.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van a is het mogelijk om de berging en/of infiltratie niet (geheel) op eigen terrein te realiseren, onder de volgende voorwaarden (uiteraard met toestemming eigenaar terrein buiten eigen terrein):</p>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Berging of infiltratie van hemelwater op eigen terrein is redelijkerwijs niet op doelmatige wijze mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de directe omgeving van het eigen terrein wordt ten allen tijde voorzien in voldoende waterbergende voorzieningen in relatie met de hoeveelheid verhard oppervlak op eigen terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken of een andere omgevingsplanactiviteit waarbij verhard oppervlak wordt vervangen of uitgebreid, wordt voldaan aan de algemene beoordelingsregel in Artikel 1.14.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-529\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.29</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beoordelingsregels waterberging bij omgevingsplanactiviteiten ten aanzien van bouwwerken en verharding Binnen het werkingsgebied Omgevingsplan nieuw deel gelden, bij een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken of een andere omgevingsplanactiviteit waarbij het verhard oppervlak wordt aangepast, de regels in Artikel 5.28 als beoordelingsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.6.1.2 Ondergrondse waterberging</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-530\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.30</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruik ondergrondse waterberging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkingsgebied Waterberging mogen de gronden gebruikt worden voor een ondergrondse waterberging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-531\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.31</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke bouwregels ondergrondse waterberging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkingsgebied Waterberging mag een ondergrondse waterberging worden gebouwd danwel aangepast worden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  5.6.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Watersystemen Enschede</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-532\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.32</span><span class=\"lf-art-t\">Voorrangsbepaling Watersystemen Enschede</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkingsgebied Watersystemen Enschede worden de gronden, behalve voor de andere daar voorkomende activiteiten en functies, mede gebruikt voor de aanleg en het beschermen van essentiële onderdelen van de waterhuishouding van Enschede, waarbij de regels in deze Paragraaf 5.6.2 voorrang hebben op het bepaalde elders in de regels van dit plan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-533\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.33</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke bouwregels Watersystemen Enschede</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkingsgebied Watersystemen Enschede mag enkel worden gebouwd in de volgende gevallen: a. bouwen ten behoeve van essentiële onderdelen van de waterhuishouding van Enschede; b. vervanging/vernieuwing van bestaande bebouwing, zonder uitbreiding op maaiveld danwel in de bodem; c. beheer van watersystemen. d.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde onder a, b en c is het mogelijk om te bouwen overeenkomstig de andere daar toegestane activiteiten en functies als:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>er geen permanente belemmering ontstaat voor de aanleg, de werking of het onderhoud van essentiële onderdelen van de waterhuishouding van Enschede en 2. daarbij wordt voldaan aan Artikel 1.14.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-534\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.34</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsplanactiviteit uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkingsgebied Watersystemen Enschede is het verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, niet zijnde bouwwerken, of werkzaamheden uit te (laten) voeren als deze niet ten dienste staan van essentiële onderdelen van de waterhuishouding van Enschede: a. het graven en/of dempen van watergangen/waterpartijen; b. het door afwateren, ontwateren of afdammen wijzigen van de grondwaterstand; c. het aanleggen van drainagebuizen; d. het ontginnen, bodemverlagen, afgraven, ophogen en egaliseren van gronden; e. het aanbrengen van ondergrondse leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; f. het aanbrengen van oppervlakteverharding; g. het vellen, rooien, of verwijderen van houtwallen, boomsingels en houtopstanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkingsgebied Watersystemen Enschede zijn de onder Artikel 5.34, eerste lid bedoelde verboden niet van toepassing op werken of werkzaamheden, die van geringe omvang zijn dan wel het normale gebruik of het beheer van watersystemen betreffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkingsgebied Watersystemen Enschede worden de omgevingsvergunningen, zoals genoemd onder Artikel 5.34, eerste lid, alleen verleend als direct of indirect geen permanente belemmering ontstaat voor de aanleg, de werking of het onderhoud van de waterhuishoudkundige functie.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  6</h3>\n<p class=\"lf-p\">Financiële bepalingen (gereserveerd)</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  7</h3>\n<p class=\"lf-p\">Overige bepalingen (gereserveerd)</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  8</h3>\n<p class=\"lf-p\">[Gereserveerd]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  9</h3>\n<p class=\"lf-p\">[Gereserveerd]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  10</h3>\n<p class=\"lf-p\">[Gereserveerd]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  11</h3>\n<p class=\"lf-p\">[Gereserveerd]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  12</h3>\n<p class=\"lf-p\">[Gereserveerd]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  13</h3>\n<p class=\"lf-p\">[Gereserveerd]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  14</h3>\n<p class=\"lf-p\">[Gereserveerd]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  15</h3>\n<p class=\"lf-p\">[Gereserveerd]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  16</h3>\n<p class=\"lf-p\">[Gereserveerd]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  17</h3>\n<p class=\"lf-p\">[Gereserveerd]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  18</h3>\n<p class=\"lf-p\">[Gereserveerd]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  19</h3>\n<p class=\"lf-p\">[Gereserveerd]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  20</h3>\n<p class=\"lf-p\">[Gereserveerd]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  21</h3>\n<p class=\"lf-p\">[Gereserveerd]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  22</h3>\n<p class=\"lf-p\">ACTIVITEITEN</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  22.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">ALGEMEEN</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-221-237\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.1</span><span class=\"lf-art-t\">Voorrang ten opzichte van Afdeling 22.3 (milieubelastende activiteiten)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regels in Afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met een TAM-omgevingsplan of met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regels in Afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-222-238\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.2</span><span class=\"lf-art-t\">(verplaatst)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatst [Artikel 1.39] 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatst [Artikel 1.39]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-223-239\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.3</span><span class=\"lf-art-t\">(vervallen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  22.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">(verplaatst en vervallen)</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  22.2.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">(verplaatst)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-224-240\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.4</span><span class=\"lf-art-t\">(verplaatst)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatst [Artikel 1.10 en Artikel 1.5]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  22.2.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">(verplaatst en vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-225-241\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.5</span><span class=\"lf-art-t\">(verplaatst)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatst [Artikel 2.36]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-226-242\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.6</span><span class=\"lf-art-t\">(vervallen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  22.2.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">(verplaatst en vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-227-243\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.7</span><span class=\"lf-art-t\">(verplaatst en vervallen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatst [Artikel 2.34] 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-228-244\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.8</span><span class=\"lf-art-t\">(verplaatst)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatst [Artikel 2.37]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-229-245\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.9</span><span class=\"lf-art-t\">(verplaatst)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatst [Artikel 2.38]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.10</span><span class=\"lf-art-t\">(verplaatst)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatst [Artikel 2.39]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.11</span><span class=\"lf-art-t\">(verplaatst)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatst [Artikel 2.40]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2212\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.12</span><span class=\"lf-art-t\">(verplaatst)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatst [Artikel 2.41]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2213\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.13</span><span class=\"lf-art-t\">(verplaatst)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatst [Artikel 5.23]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2214\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.14</span><span class=\"lf-art-t\">(verplaatst)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatst [Artikel 5.22]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2215\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.15</span><span class=\"lf-art-t\">(verplaatst)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatst [Artikel 5.23]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  22.2.4</h3>\n<p class=\"lf-p\">(verplaatst)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2216\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.16</span><span class=\"lf-art-t\">(verplaatst)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatst [Artikel 3.79 ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2217\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.17</span><span class=\"lf-art-t\">(verplaatst)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatst [Artikel 2.47]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2218\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.18</span><span class=\"lf-art-t\">(verplaatst)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatst [Artikel 2.49]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  22.2.5</h3>\n<p class=\"lf-p\">(verplaatst)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2219\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.19</span><span class=\"lf-art-t\">(verplaatst)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatst [Artikel 2.48]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2220\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.20</span><span class=\"lf-art-t\">(verplaatst)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatst [Artikel 2.50]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2221\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.21</span><span class=\"lf-art-t\">(verplaatst)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatst [Artikel 2.47]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  22.2.6</h3>\n<p class=\"lf-p\">(vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2222\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.22</span><span class=\"lf-art-t\">(vervallen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  22.2.7</h3>\n<p class=\"lf-p\">(verplaatst en vervallen) Subparagraaf 22.2.7.1 (verplaatst)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2223\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.23</span><span class=\"lf-art-t\">(verplaatst)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatst [Artikel 2.4]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2224\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.24</span><span class=\"lf-art-t\">(verplaatst)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatst [Artikel 1.7]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2225\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.25</span><span class=\"lf-art-t\">(verplaatst)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatst [Artikel 2.42] Subparagraaf 22.2.7.2 (verplaatst en vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2226\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.26</span><span class=\"lf-art-t\">(verplaatst)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatst [Artikel 2.1]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2227\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.27</span><span class=\"lf-art-t\">(verplaatst)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatst [Artikel 2.5]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2228\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.28</span><span class=\"lf-art-t\">(verplaatst)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatst [Artikel 2.6]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2229\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.29</span><span class=\"lf-art-t\">(verplaatst en vervallen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatst [Artikel 2.11 (vml lid 1 sub a), Artikel 2.35 (vml lid 1 sub b) en Artikel 5.1, eerste lid (vml lid 1 sub c)] 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2230\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.30</span><span class=\"lf-art-t\">(verplaatst)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatst [Artikel 5.1, tweede lid] 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatst [Artikel 5.1, tweede lid] 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatst [Artikel 5.1, derde lid]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2231\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.31</span><span class=\"lf-art-t\">(verplaatst)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatst [Artikel 5.3]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2232\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.32</span><span class=\"lf-art-t\">(vervallen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwijderd</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2233\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.33</span><span class=\"lf-art-t\">(verplaatst en vervallen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen en deels verplaatst [Artikel 2.11, tweede lid] 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatst [Artikel 2.11, derde lid]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2234\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.34</span><span class=\"lf-art-t\">(verplaatst)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatst [Artikel 5.17]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2235\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.35</span><span class=\"lf-art-t\">(verplaatst)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatst [Artikel 2.2] Subparagraaf 22.2.7.3 (verplaatst)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2236\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.36</span><span class=\"lf-art-t\">(verplaatst)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatst [Artikel 2.7]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2237\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.37</span><span class=\"lf-art-t\">(verplaatst)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatst [Artikel 2.8]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2238\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.38</span><span class=\"lf-art-t\">(verplaatst)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatst [Artikel 2.9]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2239\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.39</span><span class=\"lf-art-t\">(verplaatst)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatst [Artikel 2.10]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  22.2.8</h3>\n<p class=\"lf-p\">(verplaatst)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2240\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.40</span><span class=\"lf-art-t\">(verplaatst)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatst [Artikel 1.37, eerste lid] (sub a)</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  22.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  22.3.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2241\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.41</span><span class=\"lf-art-t\">Algemeen toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling is niet van toepassing op: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>dat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of 3. waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening; en f. het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en g. bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.</div>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in Paragraaf 22.3.7</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2242\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.42</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; en c. het beschermen van het milieu, waaronder:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; en 3. een doelmatig beheer van afvalstoffen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2243\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.43</span><span class=\"lf-art-t\">Normadressaat</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2244\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.44</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in Artikel 22.42, is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat: a. de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; en b. de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid, voor zover het ziet op het tweede lid, en het tweede lid, zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2245\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.45</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerkvoorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over het Artikel 22.44, Artikel 22.49 en Artikel 22.50 en Paragraaf 22.3.2 tot en met Paragraaf 22.3.26.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen Artikel 22.49 en Artikel 22.50 en Paragraaf 22.3.2 tot en met Paragraaf 22.3.26.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in Artikel 22.42.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2246\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.46</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2247\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.47</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voordat de naam of het adres, bedoeld in Artikel 22.46, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2248\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.48</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2249\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.49</span><span class=\"lf-art-t\">Informeren over een ongewoon voorval</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college van burgemeester en wethouders wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2250\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.50</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn ​​aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  22.3.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Energiebesparing</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2251\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.51</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2252\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.52</span><span class=\"lf-art-t\">Energie: maatregelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar worden getroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing: a. als het energieverbruik van de activiteit en andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die de activiteit functioneel ondersteunen, in het voorafgaande jaar kleiner is dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten aan brandstoffen; b. als artikel 15.51 of 16.5 van de Wet milieubeheer van toepassing is; of c. op energiebesparende maatregelen aan een gebouw of gedeelte daarvan als bedoeld in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan door het treffen van de maatregelen die zijn opgenomen in bijlage VII, onderdeel 16, bij de Omgevingsregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is van toepassing tot 1 december 2023.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2252a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.52a</span><span class=\"lf-art-t\">Energie: overgangsrecht maatregelen en informatieplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gegevens en bescheiden zijn verstrekt of hadden moeten worden verstrekt, blijven de uit artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, volgende verplichtingen en de verplichtingen volgend uit de regels die bij of krachtens dat artikel in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn gesteld, tot 1 december 2023 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op een activiteit waarop het eerste lid van toepassing is, is gedurende de periode, bedoeld in dat lid, Artikel 22.52 niet van toepassing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  22.3.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Zwerfafval</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2253\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.53</span><span class=\"lf-art-t\">Afval: zwerfvuil</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  22.3.4</h3>\n<p class=\"lf-p\">Geluid Subparagraaf 22.3.4.1 Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2254\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.54</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 22.3.4 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op geluid door een activiteit: a. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; b. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; en c. op een niet-geluidgevoelige gevel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid van: a. het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is alleen van toepassing op het geluid door activiteiten bij detailhandel als: a. een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een gezamenlijk vermogen van meer dan 1,5 kW, met uitzondering van elektromotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder; of b. een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 130 kW.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2255\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.55</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik: eerbiedigende werking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van Artikel 22.54, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: a. in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van Artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als: a. de activiteit al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en op een locatie is toegelaten op grond van:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of 2. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en b. het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of 2. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.</div>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van Artikel 22.54 is deze Paragraaf 22.3.4 niet van toepassing op geluid veroorzaakt door bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 110 kV.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2256\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.56</span><span class=\"lf-art-t\">Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd Artikel 22.41 worden voor de toepassing van Paragraaf 22.3.4 als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: a. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of b. elkaar functioneel ondersteunen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2257\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.57</span><span class=\"lf-art-t\">Geluid: waar waarden gelden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De waarden voor het geluid door een activiteit gelden: a. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel; b. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen; c. in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en d. als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in een geluidgevoelige ruimte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2258\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.58</span><span class=\"lf-art-t\">Geluid: functionele binding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2259\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.59</span><span class=\"lf-art-t\">Geluid: voormalige functionele binding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor geluid niet van toepassing op of in een geluidgevoelig gebouw dat: a. op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of b. eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor geluid niet van toepassing zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2260\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.60</span><span class=\"lf-art-t\">Geluid: onderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht: a. als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen; b. bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt; d. bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden; e. bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken; f. bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren; g. bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m; h. bij een buitenschietbaan als bedoeld in Artikel 22.79; en i. als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, het equivalente geluidniveau (LAeq)veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:</div>\n<p class=\"lf-p\">I.</p>\n<p class=\"lf-p\">70 dB(A), als die ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; of II.</p>\n<p class=\"lf-p\">80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder i; of 2. in de buitenlucht of op een open terrein muziek ten gehore zal worden gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gemiddelde aantal transportbewegingen is een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, geldt in afwijking van het eerste lid, onder a, het aantal transportbewegingen tussen 19.00 en 6.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het rapport van een geluidonderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of wordt voldaan aan: a. de waarden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.4.2, Subparagraaf 22.3.4.3 en Subparagraaf 22.3.4.4; of b. de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden, bedoeld onder a en b, worden overschreden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2261\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.61</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in Artikel 22.60, verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2261a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.61a</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is van toepassing op een activiteit op een gezoneerd industrieterrein en op een activiteit op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit waar: a. tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn; b. het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:</p>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1; c. in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht; d. in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is; e. geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel; f. geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt; g. geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s; h. geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en i. geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt;</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, Artikel 22.61 of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de grenzen van het terrein; en 2. de ligging van de gebouwen; c. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en d. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.</div>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 22.3.4.2 Geluid door activiteiten, anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2262\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.62</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, met uitzondering van een activiteit als bedoeld in Subparagraaf 22.3.4.3 en Subparagraaf 22.3.4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid waarvoor bij maatwerkvoorschrift of maatwerkregel is bepaald dat het niet representatief is voor een activiteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2262a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.62a</span><span class=\"lf-art-t\">(tijdelijke uitzondering windparken)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is niet van toepassing op een windpark met 3 of meer windturbines.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2263\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.63</span><span class=\"lf-art-t\">Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 22.3.1 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw 07.00 - 19.00 uur 19.00 - 23.00 uur 23.00 - 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van het eerste lid, het geluid van een activiteit die wordt verricht op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein, op een geluidgevoelig gebouw op dat terrein, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 22.3.2 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw gelegen op een Activiteitenbesluitbedrijventerrein 07.00 - 19.00 uur 19.00 - 23.00 uur 23.00 - 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 75 dB(A) 70 dB(A) 65 dB(A) 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit, in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 22.3.3 Waarde voor geluid in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw 07.00 - 19.00 uur 19.00 - 23.00 uur 23.00 - 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste tot en met derde lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op het laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2264\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.64</span><span class=\"lf-art-t\">Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van Artikel 22.63, eerste lid , Artikel 22.63, derde lid en Artikel 22.63, vierde lid, het geluid door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 22.3.4 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden 07.00 - 21.00 uur 21.00 - 07.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 40 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 60 dB(A) 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 21.00 uur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2265\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.65</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van Artikel 22.63, eerste lid, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 22.3.5 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door een agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied 06.00 - 19.00 uur 19.00 - 22.00 uur 22.00 - 06.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen 45 dB(A) 40 dB(A) 35 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van Artikel 22.63, derde lid, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 22.3.6 Waarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- of aanpandige geluidgevoelige gebouwen, door een agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">06.00 - 19.00 uur 1 9.00 - 22.00 uur 22.00 - 06.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LTveroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van: a. laden en lossen en het in- en uitrijden van landbouwtractoren of motorvoertuigen met beperkte snelheid, in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur; b. laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in die periode plaatsvindt; en c. het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 6.00 uur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2266\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.66</span><span class=\"lf-art-t\">Geluid: waarde voor geluidgevoelige gebouwen: glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van Artikel 22.63, eerste lid, het geluid door een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 22.3.7 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door een glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied 06.00 - 19.00 uur 19.00 - 22.00 uur 22.00 - 06.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is in afwijking van Artikel 22.63, derde lid, het geluid door een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 22.3.8 Waarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen, door een glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied 06.00 - 19.00 uur 19.00 - 22.00 uur 22.00 - 06.00 uur Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van: a. het laden en lossen in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur; b. het laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in de genoemde periode plaatsvindt; en c. het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 6.00 uur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2267\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.67</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geluid: waarden bij of krachtens een voor inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een activiteit wordt verricht in een concentratiegebied voor horecabedrijven of in een concentratiegebied voor detailhandel en ambachtsbedrijven dat bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening als zodanig is aangewezen en waarin andere waarden zijn opgenomen dan de waarden, bedoeld in Artikel 22.63, gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een agrarische activiteit wordt verricht in een gebied waarvoor bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening andere waarden gelden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) op geluidgevoelige gebouwen, bedoeld in het Artikel 22.65, eerste lid, en Artikel 22.66, eerste lid, gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2268\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.68</span><span class=\"lf-art-t\">Geluid: waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor een drijvende woonfunctie is de waarde 5 dB(A) hoger dan de waarden, bedoeld in Artikel 22.63, eerste lid, Artikel 22.64, eerste lid, Artikel 22.65, eerste lid en Artikel 22.66, eerste lid, als de locatie van de drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012: a. voor een woonschip was bestemd; of b. in een gemeentelijke verordening is aangewezen om door een drijvende woonfunctie te worden ingenomen en:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>voor 1 juli 2022 voor een woonschip is bestemd; of 2. de aanwezigheid van een woonschip voor 1 juli 2022 in dit omgevingsplan is toegelaten.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2269\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.69</span><span class=\"lf-art-t\">Geluid: eerbiedigende werking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijven het eerste en tweede lid van dat artikel gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, zesde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijft dat lid gelden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2270\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.70</span><span class=\"lf-art-t\">Geluid: buiten beschouwing laten van geluidbronnen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in Artikel 22.63 tot en met Artikel 22.69 en Artikel 22.71, blijft buiten beschouwing: a. het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval; b. het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein; c. het stemgeluid van bezoekers op het open terrein bij sport- of recreatieactiviteiten; d. het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor het primair onderwijs, in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs; e. het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor kinderopvang; f. het geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden; g. het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire terreinen; h. het ten gehore brengen van muziek wegens het oefenen door militaire muziekkorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uur per week op militaire terreinen; i. het ten gehore brengen van onversterkte muziek, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld; en j. het traditioneel schieten, bedoeld in Paragraaf 22.3.21, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het bepalen van het maximale geluidniveau (LAmax), bedoeld in Artikel 22.63 tot en met, Artikel 22.67 en Artikel 22.69, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van: a. het komen en gaan van bezoekers bij een activiteit waarvan horeca-, sport- of recreatieactiviteiten de kern vormen; of b. het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De maximale geluidniveaus (LAmax), bedoeld in Artikel 22.63 tot en met Artikel 22.69, zijn tussen 23.00 en 7.00 uur niet van toepassing op aandrijfgeluid van motorvoertuigen bij het laden en lossen als: a. voor die activiteit het in die periode geldende maximale geluidniveau (LAmax) niet te bereiken is door het treffen van maatregelen; en b. het niveau van het aandrijfgeluid op een afstand van 7,5 m van het motorvoertuig niet hoger is dan 65dB(A).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2271\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.71</span><span class=\"lf-art-t\">Geluid: waar waarden gelden voor een activiteit op een gezoneerd industrieterrein</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de activiteit wordt verricht op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, gelden de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT), bedoeld in Artikel 22.63, eerste lid, en Artikel 22.64, eerste lid, eerste lid ook op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2272\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.72</span><span class=\"lf-art-t\">Geluid: maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in Artikel 22.63 tot en met Artikel 22.69, blijft het geluid veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden, buiten beschouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het stomen van grond met een installatie van derden worden maatregelen of voorzieningen getroffen die betrekking hebben op: a. de periode waarin het stomen van grond plaatsvindt; b. de locatie waarop de installatie wordt opgesteld; en c. het aanbrengen van geluidbeperkende voorzieningen op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2273\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.73</span><span class=\"lf-art-t\">Geluid: festiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De waarden, bedoeld in Artikel 22.63 tot en met Artikel 22.71, zijn voor zover de naleving van deze normen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met de viering van: a. festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; en b. andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een festiviteit die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op één dag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2274\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.74</span><span class=\"lf-art-t\">Geluid: meet- en rekenbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) of het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in deze paragraaf, zijn de artikelen 6.6 en 6.7 van de Omgevingsregeling van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 22.3.4.3 Geluid door windturbines</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2275\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.75</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, op een geluidgevoelig gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is ook niet van toepassing voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2276\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.76</span><span class=\"lf-art-t\">Geluid: waarden windturbines</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark op een geluidgevoelig gebouw, ten hoogste 47 dB Lden en 41 dB Lnight.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2277\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.77</span><span class=\"lf-art-t\">Registratie gegevens windturbines</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende gegevens worden geregistreerd: a. de emissieterm LE, bedoeld in onderdeel 3.1 van bijlage XXV bij de Omgevingsregeling, gebaseerd op de effectieve werking gedurende het afgelopen kalenderjaar; en b. de voor de duur van een handhavingsmeting benodigde gegevens ter bepaling van de windsnelheid op ashoogte, bedoeld in paragraaf 1.6 van bijlage XXV bij de Omgevingsregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2278\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.78</span><span class=\"lf-art-t\">Geluid: meet- en rekenbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op het bepalen van het geluid Lden of Lnight, bedoeld in artikel 22.76, is artikel 6.8 van de Omgevingsregeling van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 22.3.4.4 Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2279\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.79</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het geluid op een geluidgevoelig gebouw door het exploiteren van een in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of een gebouw met een open zijde gelegen: a. civiele schietbaan waar met vuurwapens wordt geschoten; of b. militaire schietbaan of militair springterrein op een militair terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is niet van toepassing op het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2280\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.80</span><span class=\"lf-art-t\">Geluid: waarden buitenschietbanen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit als bedoeld in artikel 22.79 op een geluidgevoelig gebouw ten hoogste 50 dB Bs,dan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2281\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.81</span><span class=\"lf-art-t\">Registratie gegevens buitenschietbanen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende gegevens worden geregistreerd: a. dagelijks het aantal schoten of ontploffingen per wapentype, per dag-, avond- en nachtperiode, per baan; en b. voor de duur van de handhavingsmeting, bedoeld in onderdeel 4.4.1 van bijlage XXVII bij de Omgevingsregeling, de gebruikte wapens en verschoten munitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2282\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.82</span><span class=\"lf-art-t\">Geluid: meet- en rekenbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op het bepalen van het geluid Bs,dan, bedoeld in artikel 22.80, is artikel 6.9 van de Omgevingsregeling van toepassing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  22.3.5</h3>\n<p class=\"lf-p\">Trillingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2283\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.83</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op de trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is niet van toepassing op trillingen door een activiteit: a. in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; en b. in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2284\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.84</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik: eerbiedigende werking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van Artikel 22.83, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: a. in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2285\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.85</span><span class=\"lf-art-t\">Trillingen: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd Artikel 22.41 worden voor de toepassing van deze paragraaf als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: a. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of b. elkaar functioneel ondersteunen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2286\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.86</span><span class=\"lf-art-t\">Trillingen: functionele binding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De waarden voor trillingen zijn niet van toepassing op trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2287\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.87</span><span class=\"lf-art-t\">Trillingen: voormalige functionele binding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor trillingen niet van toepassing in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat: a. op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, of op grond van een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of b. eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.85 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor trillingen niet van toepassing zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2288\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.88</span><span class=\"lf-art-t\">Trillingen: waarden voor continue trillingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen of het beperken van trillinghinder zijn de continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarde A1 trillingssterkte Vmax, bedoeld in tabel 22.3.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als niet voldaan wordt aan de waarde, bedoeld in het eerste lid, is de waarde van continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarden onder A2 trillingssterkte Vmax en A3 trillingssterkte Vper, bedoeld in tabel 22.3.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">T abel 22.3.9 Waarde voor continue trillingen in trillinggevoelige ruimten Soort waarden 07.00 - 23.00 uur 23.00 - 07.00 uur A1 trillingssterkte Vmax 0,1 0,1 A2 trillingssterkte Vmax 0,4 0,2 A3 trillingssterkte Vper 0,05 0,05</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2289\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.89</span><span class=\"lf-art-t\">Trillingen: meet- en rekenbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op het bepalen van de continue trillingen, bedoeld in deze paragraaf, is artikel 6.11 van de Omgevingsregeling van toepassing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  22.3.6</h3>\n<p class=\"lf-p\">Geur Subparagraaf 22.3.6.1 Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2290\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.90</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid zijn de waarden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.6.2 en Subparagraaf 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.6.2 en Subparagraaf 22.3.6.4 en Artikel 22.245, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2291\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.91</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik: eerbiedigende werking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van Artikel 22.90, tweede lid, zijn de waarden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.6.2 enSubparagraaf 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.6.2 en Subparagraaf 22.3.6.4 en Artikel 22.245, ook van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat voor een duur van niet meer dan tien jaar is toegelaten: a. in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking vanArtikel 22.90, eerste lid, zijn de waarden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.6.2 en Subparagraaf 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.6.2 en Subparagraaf 22.3.6.4 en Artikel 22.245, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van: a. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of b. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2292\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.92</span><span class=\"lf-art-t\">Geur: waar waarden en tot waar afstanden gelden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De waarden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.6.2 en Subparagraaf 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.6.2, Subparagraaf 22.3.6.3 en Subparagraaf 22.3.6.4 en Artikel 22.245, voor de geur door een activiteit op een geurgevoelig object gelden: a. als het gaat om een geurgevoelig object op of tot de gevel; b. als het gaat om een nieuw te bouwen geurgevoelig gebouw: op of tot de locatie waar een gevel mag komen; en c. in afwijking van de onderdelen a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op of tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van het woonschip of de woonwagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2293\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.93</span><span class=\"lf-art-t\">Geur: functionele binding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De waarden, bedoeld in de Subparagraaf 22.3.6.2 en Subparagraaf 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.6.2, Subparagraaf 22.3.6.3 en Subparagraaf 22.3.6.4 en Artikel 22.245, zijn niet van toepassing als het geurgevoelig object een functionele binding heeft met de activiteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2294\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.94</span><span class=\"lf-art-t\">Geur: voormalige functionele binding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een activiteit zijn de waarden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.6.2, en de afstanden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.6.2,Subparagraaf 22.3.6.3 en Subparagraaf 22.3.6.4 en Artikel 22.245, niet van toepassing op een geurgevoelig object dat: a. op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, behoort of heeft behoord tot die activiteit en door een derde bewoond mag worden; of b. eerder functioneel verbonden was met die activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.96 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden en afstanden voor geur niet van toepassing zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2295\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.95</span><span class=\"lf-art-t\">Geur: cumulatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de waarden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.6.2 en Subparagraaf 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.6.2, Subparagraaf 22.3.6.3 en Subparagraaf 22.3.6.4 en Artikel 22.245, is geen rekening gehouden met de cumulatie van geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 22.3.6.2 Geur houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2296\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.96</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het beginnen met of het wijzigen of uitbreiden van het in een dierenverblijf houden van: a. landbouwhuisdieren; en b. paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is niet van toepassing op het houden van minder dan 10 schapen, 5 paarden en pony's, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen en 10 overige landbouwhuisdieren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2297\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.97</span><span class=\"lf-art-t\">Geur vanaf waar afstanden gelden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een afstand als bedoeld in deze paragraaf geldt vanaf het emissiepunt van een dierenverblijf, bedoeld in artikel 4.806, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2298\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.98</span><span class=\"lf-art-t\">Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor de geur op een geurgevoelig object door de activiteit niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 22.3.10 Waarde voor geur ouE/m3als 98-percentiel op eengeurgevoelig object bij geur door het houden vanlandbouwhuisdieren met geuremissiefactor Geurgevoelig object Waarde Gelegen binnen de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied geurhinder en veehouderij 2,0 ouE/m3 Gelegen binnen de bebouwde kom en binnen een concentratiegebied geurhinder en veehouderij 3,0 ouE/m3 Gelegen buiten de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied geurhinder en veehouderij 8,0 ouE/m3 Gelegen buiten de bebouwde kom en binnen een concentratiegebied geurhinder en veehouderij 14,0 ouE/m3 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het berekenen van de geur, bedoeld in het eerste lid, is artikel 6.14 van de Omgevingsregeling van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2299\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.99</span><span class=\"lf-art-t\">Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking bij waarden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet de geur op een locatie rechtmatig meer bedraagt dan de waarde, bedoeld in Artikel 22.98, eerste lid, mag, in afwijking van Artikel 22.98, bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: a. het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toenemen, en b. de geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op die locatie niet toenemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor gevallen als bedoeld in het eerste lid mag het aantal landbouwhuisdieren van een of meer diercategorieën met geuremissiefactor alleen toenemen als: a. een geurbelastingreducerende maatregel wordt getroffen; en b. de totale geur na het uitbreiden niet meer bedraagt dan het gemiddelde van de waarde, bedoeld in Artikel 22.96, en de waarde van de geur die de activiteit onmiddellijk voorafgaand aan het treffen van de maatregel rechtmatig mocht veroorzaken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22100\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.100</span><span class=\"lf-art-t\">Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: afstand tot bijzondere geurgevoelige objecten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 22.98, eerste lid, is niet van toepassing bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, als de afstand op een locatie gelijk of groter is dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.11, tot de volgende geurgevoelige objecten: a. een geurgevoelig object dat een functionele binding heeft met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan; b. een geurgevoelig object dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden een functionele binding te hebben met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan; c. een geurgevoelig object met een woonfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van het dierenverblijf; en 3. in samenhang met de sloop van een dierenverblijf of bedrijfsgebouw dat onderdeel heeft uitgemaakt van een gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren of voor functioneel ondersteunende activiteiten; en d. een geurgevoelig object dat aanwezig is op een locatie waar een geurgevoelig object met een woonfunctie als bedoeld onder c is gebouwd.</div>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 22.3.11 Afstand tot eengeurgevoelig object met functionele binding of geen functionele binding meer op of na 19 maart 2000 en ruimte-voor-ruimtewoning bij geur door het houden vanlandbouwhuisdieren met geuremissiefactor Geurgevoelig objectmet functionele binding of functionele binding tot 19 maart 2000 Afstand Gelegen binnen de bebouwde kom 100 m Gelegen buiten de bebouwde kom 50 m</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22101\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.101</span><span class=\"lf-art-t\">Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: afstand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is bij het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden, de afstand tot een geurgevoelig object, niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 22.3.12 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden Geurgevoelig object Afstand Gelegen binnen de bebouwde kom 100 m Gelegen buiten de bebouwde kom 50 m</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22102\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.102</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: eerbiedigende werking voor afstand 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 22.101 is niet van toepassing als op een locatie waarop onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in dat artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een geval als bedoeld in het eerste lid mag het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden, niet toenemen en de afstand tot een geurgevoelig object niet afnemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22103\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.103</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geur landbouwhuisdieren en paarden of pony’s voor het berijden: afstand vanaf de gevel dierenverblijf 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd Artikel 22.98 tot en met Artikel 22.102 is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor of zonder geuremissiefactor of paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden, de afstand niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 22.3.13 Afstand gevel dierenverblijf tot een geurgevoelig object bij geur door het houden van landbouwhuisdieren of paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden Geurgevoelig object Afstand Gelegen binnen de bebouwde kom 50 m Gelegen buiten de bebouwde kom 25 m 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van Artikel 22.97 geldt de afstand, bedoeld in het eerste lid, vanaf de gevel van een dierenverblijf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22104\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.104</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een locatie rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in Artikel 22.103, mag, in afwijking van dat artikel, bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: a. die afstand niet afnemen; b. de geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig object niet toenemen; en c. het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie met geuremissiefactor niet toenemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22105\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.105</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor en paarden en pony’s voor het berijden: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden of pony's die gehouden worden voor het berijden, op een locatie rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in Artikel 22.103, eerste lid, mag, in afwijking van dat artikel, bij het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden: a. die afstand niet afnemen; en b. het aantal landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden, niet toenemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 22.3.6.3 Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22106\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.106</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22107\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.107</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22108\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.108</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22109\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.109</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22110\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.110</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.111</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22112\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.112</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22113\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.113</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen Subparagraaf 22.3.6.4 Geur door andere agrarische activiteiten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22114\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.114</span><span class=\"lf-art-t\">Geur opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie: afstand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is van toepassing op het opslaan van: a. vaste mest die afkomstig is van landbouwhuisdieren of paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden; b. champost; of c. dikke fractie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is niet van toepassing op: a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie met een totaal volume van 3 m3 of minder; b. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie korter dan twee weken op een plek; en c. het opslaan van meer dan 600 m3 vaste mest.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.17 Tabel 22.3.17 Afstand tot een geurgevoelig objectbij geur door het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie Opslaan van vaste mest, champost en dikke fractie Afstand Geurgevoelig object gelegen binnen de bebouwde kom 100 m Geurgevoelig object gelegen buiten de bebouwde kom 50 m</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22115\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.115</span><span class=\"lf-art-t\">Geur opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong: afstand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is van toepassing op het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong met een totaal volume van meer dan 3 m3.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 22.3.18 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong Opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong Afstand Geurgevoelig object gelegen binnen de bebouwde kom 100 m Geurgevoelig object gelegen buiten de bebouwde kom 50 m</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22116\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.116</span><span class=\"lf-art-t\">Geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is van toepassing op het opslaan van: a. kuilvoer met een totaal volume van meer dan 3 m3; en b. vaste bijvoedermiddelen met een totaal volume van meer dan 3 m3.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is niet van toepassing op in plasticfolie verpakte veevoederbalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig object, niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 22.3.19 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen Afstand Niet afgedekt opslaan 50 m Afgedekt opslaan 25 m</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22117\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.117</span><span class=\"lf-art-t\">Geur opslaan drijfmest, digestaat en dunne fractie: afstand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 750 m2 of een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 2.500 m3.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin vanaf het dichtstbijzijnde punt van het mestbassin tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 22.3.20 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin Opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin Afstand tot geurgevoelig gevoelig object Zonder functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving Met functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving Gezamenlijke oppervlakte minder dan 350 m2 50 m 25 m Gezamenlijke oppervlakte 350 m2 tot en met 750 m2 100 m 50 m</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22118\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.118</span><span class=\"lf-art-t\">Geur voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of na vergisten: afstand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is van toepassing op het exploiteren van een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten van dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 4.864 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 22.3.21 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten Voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten Afstand Geurgevoelig object, gelegen binnen de bebouwde kom 100 m Geurgevoelig object, gelegen buiten de bebouwde kom 50 m</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22119\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.119</span><span class=\"lf-art-t\">Geur composteren of opslaan van groenafval: afstand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is van toepassing op het composteren of opslaan van groenafval met een volume van 3 m3 tot en met 600 m3.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is niet van toepassing op groenafval dat een gevaarlijke afvalstof of gebruikt substraatmateriaal is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de composteringshoop of de opslagplaats voor groenafval tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 22.3.22 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het composteren of opslaan van groenafval Composteren of opslaan van groenafval Afstand Geurgevoelig object, gelegen binnen de bebouwde kom 100 m Geurgevoelig object, gelegen buiten de bebouwde kom 50 m</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22120\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.120</span><span class=\"lf-art-t\">Geur overige agrarische activiteiten: eerbiedigende werking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is van toepassing op het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie, bedoeld in Artikel 22.114, het opslaan van substraatmateriaal van plantaardige oorsprong, bedoeld in Artikel 22.113, het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen, bedoeld in Artikel 22.116, en het composteren of opslaan van groenafval, bedoeld in Artikel 22.119, als: a. het opslaan al voor 1 januari 2013 plaatsvond; b. de afstand tussen een activiteit en een geurgevoelig object op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in Artikel 22.114, derde lid, Artikel 22.115, tweede lid, Artikel 22.116, derde lid, of Artikel 22.119, derde lid; en c. verplaatsing van de opslagplaats of composteringshoop redelijkerwijs niet kan worden gevergd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is ook van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een of meer mestbassins, bedoeld in Artikel 22.117, eerste lid, als: a. de afstand tussen de activiteit, bedoeld in Artikel 22.117, eerste lid, en een geurgevoelig object op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in Artikel 22.117, tweede lid; b. het mestbassin voor 1 januari 2013 is opgericht; en c. verplaatsing van het mestbassin redelijkerwijs niet kan worden gevergd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een geval als bedoeld in het eerste of tweede lid is Artikel 22.114, derde lid, Artikel 22.115, tweede lid, Artikel 22.116, derde lid, Artikel 22.117, tweede lid, of Artikel 22.119, derde lid, niet van toepassing en neemt de afstand tot een geurgevoelig object niet af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 22.3.6.5 Geur door het exploiteren van zuiveringtechnische werken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22121\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.121</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, bedoeld in artikel 3.173 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22122\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.122</span><span class=\"lf-art-t\">Geur zuiveringtechnisch werk: waarde</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de geur op een geurgevoelig object niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 22.3.23 Waarde voor geur ouE/m3 als 98-percentiel door een zuiveringtechnisch werk op eengeurgevoelig object Activiteit Geurgevoelig object Grenswaarde Het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk Gelegen binnen de bebouwde kom, anders dan op een gezoneerd industrieterrein, een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein 0,5 ouE/m3 Het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk Gelegen:- op een gezoneerd industrieterrein;- op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;- op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein, of- buiten de bebouwde kom 1 ouE/m3 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid is de geur op een geurgevoelig object door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk dat is opgericht voor 1 februari 1996 en waarvoor op 1 februari 1996 een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer in werking en onherroepelijk was, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 22.3.24 Waarde voor geur ouE/m3 als 98-percentiel door een zuiveringtechnisch werk opgericht voor 1 februari 1996 op eengeurgevoelig object Activiteit Geurgevoelig object Grenswaarde Het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, opgericht voor1 februari 1996 Gelegen binnen de bebouwde kom, anders dan op een gezoneerd industrieterrein, een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein 1,5 ouE/m3 Het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, opgericht voor1 februari 1996 Gelegen:- op een gezoneerd industrieterrein;- op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;- op een Activiteitenbesluit- bedrijventerrein, of- buiten de bebouwde kom 3,5 ouE/m3 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het berekenen van de geur is artikel 6.13 van de Omgevingsregeling van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22123\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.123</span><span class=\"lf-art-t\">Geur zuiveringtechnisch werk: geen waarde bij specifieke geurgevoelige objecten</span></h4></div>", "next": 239513}