{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">het oprichten van bebouwing beperken; het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Na realisatie van de ecologische verbindingszone is artikel 3.15 Bescherming Natuur Netwerk Brabant van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-326\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.26</span><span class=\"lf-art-t\">Attentiezone waterhuishouding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Attentiezone waterhuishouding strekt tot bescherming van de waterhuishouding en sluit functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt in ieder geval regels over: het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 60 centimeter beneden maaiveld, voor zover geen vergunning is vereist op grond van de Ontgrondingenwet; de aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van een bestaande drainage; het verlagen van de grondwaterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen; het beperken van het buiten een agrarisch bouwperceel aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Het tweede lid is niet van toepassing op werkzaamheden die behoren tot het normale beheer en onderhoud.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-327\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.27</span><span class=\"lf-art-t\">Behoud en herstel van watersystemen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Behoud en herstel van watersystemen strekt mede tot de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt regels die: het oprichten van bebouwing beperken; het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten beperken; het ophogen van gronden beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf3.2.4Aardkundige-, cultuurhistorische- en landschappelijke waarden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-328\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.28</span><span class=\"lf-art-t\">Aardkundige waarden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een bestemmingsplan van toepassing op Aardkundig waardevol gebied: is mede gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de aardkundige waarden en kenmerken zoals beschreven in de Aardkundig Waardevolle Gebiedenkaart Noord-Brabant; stelt regels ter bescherming van de aardkundige waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-329\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.29</span><span class=\"lf-art-t\">Cultuurhistorische waarden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een bestemmingsplan van toepassing op Cultuurhistorisch waardevol gebied: is mede gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken zoals beschreven in de Cultuurhistorische Waardenkaart; stelt regels ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-330\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.30</span><span class=\"lf-art-t\">Nieuwe Hollandse Waterlinie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Nieuwe Hollandse Waterlinie: is mede gericht op behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de kernkwaliteiten van de onderscheiden gebieden; stelt regels ter bescherming van de kernkwaliteiten van de onderscheiden gebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie zijn nader beschreven in de Cultuurhistorische Waardenkaart en betreffen de samenhang van forten, dijken, kaden en inundatiekommen, de openheid en het groene, overwegend rustige karakter.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-331\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.31</span><span class=\"lf-art-t\">[vervallen]</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-332\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.32</span><span class=\"lf-art-t\">Landschappelijke waarden in de groenblauwe mantel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op de Groenblauwe mantel: strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken; stelt regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied; borgt dat een ontwikkeling gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat een beschrijving van de aanwezige ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3.3 Klimaat</h3>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf3.3.1Waterveiligheid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-333\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.33</span><span class=\"lf-art-t\">Aansluiting primaire waterkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Aansluiting primaire waterkering strekt mede tot behoud van de waterkerende functie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt regels aan activiteiten in de bodem die kunnen leiden tot aantasting van de waterkerende functie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-334\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.34</span><span class=\"lf-art-t\">Rivierbed</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Rivierbed strekt mede tot bescherming tegen overstroming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling bevat een verantwoording dat: de activiteiten en functies niet kwetsbaar zijn ten aanzien van de waterdiepte en de frequentie van overstromen; is verzekerd dat mensen en dieren op doelmatige wijze geëvacueerd kunnen worden; is verzekerd dat de permanente aanwezigheid van mensen hoogwatervrij kan plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf3.3.2Waterberging</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-335\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.35</span><span class=\"lf-art-t\">Regionale waterberging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Regionale waterberging strekt mede tot behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid: bepaalt dat uitsluitend het oprichten van een gebouw ten dienste van de waterberging is toegestaan met een maximale bouwhoogte van 2 meter; stelt beperkingen aan het ophogen van gronden en het aanbrengen of wijzigen van kaden, voor zover deze activiteiten niet worden uitgevoerd in het kader van normaal beheer en onderhoud.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Een bestemmingsplan kan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toestaan als het plan een onderbouwing bevat dat hierdoor het waterbergend vermogen van het gebied niet wordt belemmerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-336\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.36</span><span class=\"lf-art-t\">Reservering waterberging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Reservering waterberging strekt mede tot behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat een verantwoording over de wijze waarop de geschiktheid van het gebied voor waterberging behouden blijft indien dat bestemmingsplan voorziet in een ontwikkeling van functies.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3.4 Duurzame energie</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-337\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.37</span><span class=\"lf-art-t\">Windturbines in Landelijk gebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 In Landelijk gebied is nieuwvestiging mogelijk van windturbines met een bouwhoogte van tenminste 25 meter, gemeten van de bovenkant van de fundering tot aan de wiekenas, als: de windturbines inpasbaar zijn in de omgeving; er sprake is van een geclusterde opstelling van minimaal 3 windturbines; de ontwikkeling een maatschappelijke meerwaarde geeft, waaronder de mogelijkheid voor de omgeving om te participeren in het project; de ontwikkeling op regionaal niveau is afgestemd met omliggende gemeenten en de netwerkbeheerder, gelet op de ontwikkeling van overige duurzame energie initiatieven in de omgeving. is geborgd dat wordt voldaan aan het treffen van mitigerende maatregelen om faunaslachtoffers te voorkomen en de daaraan gekoppelde onderzoek- en monitoringplicht, zoals opgenomen in het bouwstenendocument Natuurinclusieve Energietransitie voor Wind en Hoogspanning op Land.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Er kan uitsluitend toepassing gegeven worden aan het eerste lid met een omgevingsvergunning waarbij door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2 of 3, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt afgeweken van een bestemmingsplan, waarbij aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden: de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die ten hoogste 25 jaar bedraagt; na het verstrijken van de termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld en worden de windturbines verwijderd; voor het gestelde onder b. wordt financiële zekerheid gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-338\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.38</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende regels voor windturbines in het Natuur Netwerk Brabant</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 3.37 kan een bestemmingsplan in Natuur Netwerk Brabant bepalen dat nieuwvestiging van windturbines is toegestaan, als: het een deel van het Natuur Netwerk Brabant betreft dat direct aansluitend op hoofdinfrastructuur ligt; uit de alternatievenafweging blijkt dat negatieve effecten op de ecologische waarden en kenmerken zo veel mogelijk worden beperkt; er bij verlies van ecologische waarden en kenmerken wordt voldaan aan artikel 3.22 Compensatie; voor de overdraai van de wieken is artikel 3.16 Externe werking Natuur Netwerk Brabant, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-339\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.39</span><span class=\"lf-art-t\">Windturbines in Stedelijk gebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen Stedelijk gebied is de bouw van een windturbine mogelijk met een bouwhoogte van ten minste 25 meter, gemeten van de bovenkant van de fundering tot aan de wiekenas, als: de windturbine inpasbaar zijn in de omgeving; er sprake is van een geclusterde opstelling van minimaal 3 windturbines; is verzekerd dat de windturbines na afloop van het daadwerkelijke gebruik worden gesloopt. is geborgd dat wordt voldaan aan het treffen van mitigerende maatregelen om faunaslachtoffers te voorkomen en de daaraan gekoppelde onderzoek- en monitoringplicht, zoals opgenomen in het bouwstenendocument Natuurinclusieve Energietransitie voor Wind en Hoogspanning op Land.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-340\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.40</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijkende regels windturbines in Verstedelijking afweegbaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in artikel 3.39 Windturbines in Stedelijk gebied is van overeenkomstige toepassing op een bestemmingsplan dat een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt binnen Verstedelijking afweegbaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-341\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.41</span><span class=\"lf-art-t\">Zonne-parken in Landelijk gebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Binnen Landelijk gebied is nieuwvestiging mogelijk van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen om te kunnen voldoen aan de doelstellingen voor het opwekken van duurzame energie als: uit onderzoek blijkt dat de aanleg van het zonnepark noodzakelijk is omdat in onvoldoende mate voorzien kan worden in de behoefte voor duurzame energie: door de ontwikkeling van andere vormen van duurzame energie; binnen Stedelijk gebied; door meervoudig ruimtegebruik in Landelijk gebied of binnen bestaand ruimtebeslag op bouwpercelen; en op gronden aansluitend op Stedelijk gebied. de nieuwvestiging past in het onderzoek naar geschikte locaties voor zelfstandige opstellingen van zonnepanelen, gelet op zorgvuldig ruimtegebruik en omgevingskwaliteit; de ontwikkeling qua omvang inpasbaar is in de omgeving; de ontwikkeling een maatschappelijke meerwaarde geeft; de ontwikkeling op regionaal niveau is afgestemd met omliggende gemeenten en de netwerkbeheerder, gelet op de ontwikkeling van overige duurzame energie initiatieven in de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De maatschappelijke meerwaarde wordt onderbouwd vanuit de volgende criteria: de mate van meervoudig ruimtegebruik; de maatregelen die getroffen worden om de impact op de omgeving te beperken; de bijdrage die wordt geleverd aan andere maatschappelijke doelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Er kan uitsluitend toepassing gegeven worden aan het eerste lid met een omgevingsvergunning waarbij door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2 of 3, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt afgeweken van een bestemmingsplan, waarbij aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden: de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die ten hoogste 25 jaar bedraagt; na het verstrijken van de termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld en wordt de opstelling voor zonne-energie verwijderd; voor het gestelde onder b. wordt financiële zekerheid gesteld.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3.5 Stedelijke ontwikkeling en mobiliteit</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-342\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.42</span><span class=\"lf-art-t\">Duurzame stedelijke ontwikkeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; het een duurzame stedelijke ontwikkeling is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen op een bedrijventerrein, bevat het bestemmingsplan regels over: een bij de aard van het bedrijventerrein en de toe te laten functies passende kavelomvang; het beperken van ontwikkelingen die een effectief gebruik van het bedrijventerrein beperken, waaronder: bedrijfswoningen; bedrijven die doelmatig gevestigd kunnen worden in gemengde gebieden tenzij deze bedrijven concept-versterkend werken en geclusterd worden; voorzieningen die gelet op hun publieksaantrekkende werking thuishoren in centrumgebieden tenzij deze concept-versterkend werken en geclusterd worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-343\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.43</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijkende regels Verstedelijking afweegbaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling, eerste lid, kan een bestemmingsplan, ter plaatse van Verstedelijking afweegbaar voorzien in de nieuwvestiging van een duurzame stedelijke ontwikkeling als: binnen Stedelijk Gebied feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte beschikbaar is; transformatie van cultuurhistorisch waardevol of geschikt leegstaand vastgoed niet tot de mogelijkheden behoort; de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; de stedenbouwkundige- en landschappelijke inrichting rekening houdt met de omgevingskwaliteit en structuren in het gebied en de naaste omgeving waaronder een duurzame afronding van het Stedelijk Gebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-344\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.44</span><span class=\"lf-art-t\">Samenloop Verstedelijking afweegbaar met andere werkingsgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Als Verstedelijking afweegbaar samenvalt met Natuur Netwerk Brabant geeft het bestemmingsplan in aanvulling op artikel 3.43 overeenkomstige toepassing aan paragraaf 3.2.3 Natuur Netwerk Brabant en geldt voor het gebied buiten het Natuur Netwerk Brabant dat de duurzame stedelijke ontwikkeling: plaatsvindt in samenhang en in evenredigheid met een groene en blauwe landschapsontwikkeling binnen het gebied of de naaste omgeving; geen betrekking heeft op een te ontwikkelen of een uit te breiden zwaar bedrijventerrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Als Verstedelijking afweegbaar samenvalt met de Groenblauwe Mantel of Attentiezone Waterhuishouding, geeft het bestemmingsplan in aanvulling op artikel 3.43 overeenkomstige toepassing aan artikel 3.32 Landschappelijke waarden in de groenblauwe mantel of artikel 3.26 Attentiezone waterhuishouding en geldt dat de duurzame stedelijke ontwikkeling: plaatsvindt in samenhang en in evenredigheid met een groene en blauwe landschapsontwikkeling binnen het gebied of de naaste omgeving; geen betrekking heeft op een te ontwikkelen of een uit te breiden zwaar bedrijventerrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Bij samenloop met een ander werkingsgebied geldt dat de stedelijke ontwikkeling rekening houdt met de opgenomen regels.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-344a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.44a</span><span class=\"lf-art-t\">Grootschalige logistiek</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een bestemmingsplan dat de ontwikkeling van grootschalige logistiek mogelijk maakt, bepaalt in aanvulling op artikelen 3.42 en 3.43 dat die ontwikkeling alleen mogelijk is als er sprake is van aantoonbare regionale meerwaarde.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een bestemmingsplan van toepassing op Beperking grootschalige logistiek bepaalt dat nieuwvestiging, vestiging en uitbreiding van grootschalige logistiek is verboden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In afwijking van het tweede lid kan een bestemmingsplan van toepassing op Beperking grootschalige logistiek uitbreiding van bestaande grootschalige logistiek toestaan als: intensivering van bestaand ruimtebeslag niet of onvoldoende mogelijk is; er sprake is van een redelijke uitbreiding; in een periode van vijf jaar voorafgaand aan de wijziging van het bestemmingsplan geen uitbreiding heeft plaatsgehad.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>In afwijking van het tweede lid kan een bestemmingsplan van toepassing op Beperking grootschalige logistiek de ontwikkeling van nieuwe grootschalige logistiek toestaan als: de ontwikkeling aantoonbare regionale meerwaarde heeft; regionaal overleg is gevoerd waaruit blijkt dat er buiten het werkingsgebied Beperking Grootschalige Logistiek geen alternatieve locatie beschikbaar is.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-345\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.45</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijkende regels voor de ontwikkeling van stedelijke functies in kernrandzones</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als er sprake is van een kernrandzone, kan een bestemmingsplan ter plaatse van Landelijk gebied voorzien in: de vestiging van een tuincentrum als: de omvang van de ontwikkeling past in de omgeving, gelet op een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving; regels worden gesteld ter voorkoming van oneigenlijke vormen van detailhandel; er adequate verkeers- en vervoersvoorzieningen worden getroffen. de nieuwvestiging of uitbreiding van voorzieningen voor veldsporten, volkstuinen, schuilhutten en andere kleinschalige vrije-tijdsvoorzieningen als: de locatie in een kernrandzone ligt dan wel een gebied dat gezien de ligging en het feitelijk gebruik gerekend kan worden tot de kernrandzone; de beoogde ontwikkeling slechts een kleinschalige bebouwing of -voorziening met zich brengt; het bestemmingsplan borgt dat de voorziening inclusief de toegelaten bebouwing, kleinschalig blijft; de publieksaantrekkende werking beperkt is. de vestiging van een lawaaisport direct aansluitend op een bedrijventerrein, als dit geen belemmering geeft voor een efficiënt gebruik van dat terrein.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-346\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.46</span><span class=\"lf-art-t\">Verkeersdoeleinden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de nieuwe aanleg of wijziging van een gemeentelijke of Provinciale weg, inclusief de bouw van daartoe behorende kunstwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het bestemmingsplan bevat een onderbouwing: waarom de aanleg van de weg nodig is gelet op het verkeerskundige probleem of de ontwikkelingen die plaatsvinden; van de keuze van het tracé gelet op de verrichte onderzoeken; van de maatregelen voor de inpassing van de weg waarbij de ontwikkeling in samenhang wordt bezien met zijn omgeving om een grotere kwaliteitswinst voor meerdere ruimtelijke functies, waaronder natuur en landschap, te bereiken; van de noodzaak voor een aan de weg gerelateerde voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de bouw of aanleg van een parkeervoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 In geval van samenloop met een ander werkingsgebied geldt dat het bestemmingsplan rekening houdt met de opgenomen regels.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3.6 Vitaal platteland</h3>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf3.6.1Veehouderij</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-347\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.47</span><span class=\"lf-art-t\">Tijdelijk verbod geitenhouderij</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bepaalt voor geitenhouderijen dat de vestiging van, de uitbreiding van, de omschakeling naar en een toename van de oppervlakte dierenverblijf voor geiten is uitgesloten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-348\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.48</span><span class=\"lf-art-t\">Veehouderij in Stedelijk gebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Een bestemmingplan van toepassing op Stedelijk gebied bepaalt dat: uitbreiding van, vestiging van en omschakeling naar een veehouderij zijn uitgesloten; een toename van de bestaande oppervlakte van gebouwen, met uitzondering van de bestaande bedrijfswoning, is uitgesloten; een toename van de bestaande oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is uitgesloten; binnen gebouwen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de grond gehouden mogen worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar een tweede bouwlaag gebruikt mag worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Als bestaande oppervlakte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de oppervlakte die: op 21 september 2013 legaal aanwezig was; of mag worden gebouwd krachtens een vóór 21 september 2013 verleende omgevingsvergunning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-349\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.49</span><span class=\"lf-art-t\">Veehouderij in Landelijk gebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in een uitbreiding van, een vestiging van of een omschakeling naar een veehouderij, als: is geborgd dat ter plaatse alleen een zorgvuldige veehouderij is toegestaan; het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt; de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar is in de omgeving; mestbewerking is uitgesloten tenzij dit ten behoeve van ter plaatse geproduceerde mest is; is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; de landschappelijke inpassing tenminste 10% van de omvang van het bouwperceel omvat; de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording bevat dat een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Er is sprake van een zorgvuldige veehouderij als is voldaan aan de Nadere regels zorgvuldige veehouderij, zoals door gedeputeerde staten vastgesteld op grond van artikel 5.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Een bestemmingsplan kan in afwijking van het eerste lid voorzien in mestvergisting voor samenwerkende melkrundveehouderijen tot ten hoogste 25.000 ton per jaar als: de locatie goed is ontsloten; de op- , overslag en verwerking van producten niet in de openlucht plaatsvindt; in het geval dat de mest na vergisting ter plaatse verder wordt bewerkt ten minste 50 % van het volume van de mest wordt omgezet in loosbaar water.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-350\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.50</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende regels nieuw dierenverblijf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Een bestemmingplan van toepassing op een veehouderij in Landelijk gebied bepaalt dat: een toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen een bouwperceel alleen is toegestaan als: maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij; de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar is in de omgeving; is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling. binnen gebouwen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de grond gehouden mogen worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar een tweede bouwlaag gebruikt mag worden; bij een gebruikswijziging van een aanwezig gebouw, gericht op het in gebruik nemen als dierenverblijf, toepassing wordt gegeven aan onderdeel a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Voor de toepassing van dit artikel geldt als dierenverblijf hetgeen gebruikt mag worden voor het houden van landbouwhuisdieren krachtens een omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, bedoeld in artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Er is sprake van maatregelen die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij als is voldaan aan de Nadere regels zorgvuldige veehouderij, zoals door gedeputeerde staten vastgesteld op grond van artikel 5.11.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-351\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.51</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijkende regels Beperkingen veehouderij</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 In afwijking van artikel 3.49 Veehouderij in Landelijk gebied, eerste lid aanhef, en artikel 3.50 Aanvullende regels nieuw dierenverblijf, eerste lid onder a, geldt binnen Beperkingen veehouderij dat: uitbreiding van, vestiging van en omschakeling naar een veehouderij zijn uitgesloten; een toename van de bestaande oppervlakte van gebouwen, met uitzondering van de bestaande bedrijfswoning, is uitgesloten; een toename van de bestaande oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Als bestaande oppervlakte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de oppervlakte die: op 21 september 2013 legaal aanwezig of in uitvoering waren; of gebouwd mogen worden krachtens een vóór 21 september 2013 verleende omgevingsvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Het eerste lid is niet van toepassing als er sprake is van een grondgebonden veehouderij die voldoet aan de voorwaarden zoals opgenomen in de Nadere regels zorgvuldige veehouderij.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-352\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.52</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende regels stalderen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Stalderingsgebied regelt dat een toename van de oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren binnen een bouwperceel alleen is toegestaan als bij de aanvraag voor de bouw van een dierenverblijf voor hokdieren of bij een gebruikswijziging van een aanwezig gebouw naar een dierenverblijf voor hokdieren, bewijs is overlegd dat: binnen het Stalderingsgebied dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd; de te saneren oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren bedraagt: ingeval van sloop, tenminste 120% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen; ingeval van herbestemming, ten minste 200% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen; voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een provinciale saneringsregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Voor de toepassing van dit artikel geldt als bestaande oppervlakte dierenverblijf het gebouw, inclusief inpandige voorzieningen, dat gebruikt mag worden voor het houden van hokdieren krachtens een omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, bedoeld in artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer .</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Het te saneren dierenverblijf bedoeld in het eerste lid onder a. voldoet aan de volgende voorwaarden: het betreft een legaal opgericht dierenverblijf; het dierenverblijf is voorafgaand aan 17 maart 2017 drie jaar onafgebroken bedrijfsmatig gebruikt voor het houden van hokdieren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Het bewijs dat aan de voorwaarden van het eerste lid is voldaan, wordt uitgegeven door of namens gedeputeerde staten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-353\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.53</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijkende omvang veehouderij</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan de uitbreiding van een zorgvuldige veehouderij boven de 1,5 hectare mogelijk maken in één of meer van de volgende situaties: de veehouderij beschikt blijvend over voldoende grond voor een veebezetting van 2 GVE per hectare grond of minder; er sprake is van het opheffen van een overbelaste situatie waarbij: er elders feitelijk en juridisch een bouwperceel voor een veehouderij wordt opgeheven en de bedrijfsbebouwing wordt gesloopt; de eenmalige uitbreiding van het bouwperceel ten hoogste de oppervlakte van het opgeheven bouwperceel bedraagt; het bouwperceel na uitbreiding ten hoogste 2,5 hectare bedraagt. dit noodzakelijk is voor de ontwikkeling van een zorgvuldige veehouderij vanwege een vernieuwend bedrijfsconcept, als: de noodzaak daartoe blijkt uit een advies van door Gedeputeerde Staten benoemde deskundigen; het bestemmingsplan borgt dat het vernieuwende bedrijfsconcept deel uitmaakt van de zorgvuldige veehouderij. bij een voorloperbedrijf op het gebied van de zorgvuldige veehouderij is eenmalig een uitbreiding van het bestaande bouwperceel mogelijk met 0,5 hectare als: de veehouderij door het treffen van maatregelen zoals benoemd in de Nadere regels Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij een score van ten minste 8,5 haalt; de maatregelen van dien aard zijn dat deze permanent bijdragen aan het karakter van zorgvuldige veehouderij en in het bestemmingsplan zijn vastgelegd; het bouwperceel na uitbreiding ten hoogste 2 hectare bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Er is sprake van een overbelaste situatie als bedoeld in het eerste lid onder b indien: er vanwege de cumulatieve uitstoot van milieubelastende stoffen een aanzienlijke overschrijding bestaat van vastgestelde normen in landelijke regelgeving of in deze verordening, gericht op het borgen van een goed woon- en leefklimaat, of er vanwege de cumulatieve uitstoot van milieubelastende stoffen een aantasting van in de nabijheid gelegen ecologische waarden plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan bepalen dat de omvang van het bouwperceel met ten hoogste 0,5 hectare wordt vergroot, waardoor het bouwperceel ten hoogste 2 hectare bedraagt, indien: de veehouderij vanwege de bedrijfsvoering in overwegende mate is aangewezen op de opslag van ruwvoer; de ruimte binnen het bouwperceel niet aanwezig is; het bestemmingsplan borgt dat deze 0,5 hectare uitsluitend gebruikt wordt ten behoeve van voorzieningen -geen gebouwen zijnde- voor de opslag van ruwvoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf3.6.2Grondgebonden teelten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-354\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.54</span><span class=\"lf-art-t\">Grondgebonden teeltbedrijf in Landelijk gebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de ontwikkeling van een teeltbedrijf op een bestaand bouwperceel of in de uitbreiding van een bouwperceel waarbij: de bouw of uitbreiding van een teeltondersteunende kas is toegestaan tot ten hoogste 5.000 m2; de bouw of uitvoering van permanente teeltondersteunende voorzieningen is toegestaan tot ten hoogste 3 hectare.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 In afwijking van het eerste lid, onder b, kan een bestemmingsplan de bouw of uitvoering van meer dan 3 hectare permanente teeltondersteunende voorzieningen toelaten als: dit past bij het ontwikkelingsperspectief van het gebied, waarbij ook een mogelijke functie van het gebied voor klimaatadaptieve maatregelen is betrokken; de percelen niet in Aardkundig waardevol gebied liggen; de effecten van de ontwikkeling op het water- en bodemsysteem en omliggende waarden worden afgewogen; maatregelen worden getroffen en geborgd waardoor de ontwikkeling bijdraagt aan een waterrobuuste inrichting van het gebied en een verstoring van de hydrologische situatie ter plaatse wordt gemitigeerd; en juridisch en financieel is geborgd dat de voorzieningen na afloop van het gebruik worden verwijderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 In afwijking van artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik, eerste lid, onder c, kan een bestemmingsplan dat van toepassing is op Landelijk gebied voorzien in permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwperceel van het teeltbedrijf, als: de voorzieningen geconcentreerd worden en aansluiten op een bouwperceel; dit past binnen het ontwikkelingsperspectief van het gebied, waarbij ook een mogelijke functie van het gebied voor klimaatadaptieve maatregelen is betrokken; is voldaan aan artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap; en is voldaan aan de voorwaarden uit het eerste of tweede lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-355\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.55</span><span class=\"lf-art-t\">[vervallen]</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf3.6.3Glastuinbouw</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-356\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.56</span><span class=\"lf-art-t\">Glastuinbouwbedrijven in Gemengd landelijk gebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een bestemmingsplan van toepassing op Gemengd landelijk gebied: bepaalt dat vestiging van en omschakeling naar een glastuinbouwbedrijf niet zijn toegestaan; kan bepalen dat uitbreiding van een bestaand glastuinbouwbedrijf is toegestaan tot ten hoogste 3 hectare netto glas als is aangetoond dat de uitbreiding noodzakelijk is om de continuïteit van het glastuinbouwbedrijf voor langere termijn te waarborgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-357\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.57</span><span class=\"lf-art-t\">Glastuinbouwbedrijven in de Groenblauwe mantel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een bestemmingsplan van toepassing op de Groenblauwe mantel bepaalt dat uitbreiding van, vestiging van of omschakeling naar een glastuinbouwbedrijf niet is toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf3.6.4Overig-agrarisch bedrijf</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-358\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.58</span><span class=\"lf-art-t\">Overig-agrarisch bedrijf in Gemengd landelijk gebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een bestemmingsplan van toepassing op Gemengd landelijk gebied kan voorzien in uitbreiding van, vestiging van of omschakeling naar een overig-agrarisch bedrijf tot een omvang van ten hoogste 1,5 hectare bouwperceel, als de toelichting een verantwoording bevat dat de ontwikkeling noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-359\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.59</span><span class=\"lf-art-t\">Overig-agrarisch bedrijf in Groenblauwe mantel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een bestemmingsplan van toepassing op Groenblauwe mantel voor een overig-agrarisch bedrijf: bepaalt dat de vestiging van een overig-agrarisch bedrijf is uitgesloten; kan bepalen dat omschakeling naar een overig-agrarisch bedrijf tot ten hoogste 1,5 hectare bouwperceel is toegestaan, als dit bijdraagt aan een afname van de uitstoot van ammoniak, geur en fijnstof in het gebied; kan voorzien in een uitbreiding van een bestaand overig-agrarisch bedrijf tot ten hoogste 1,5 hectare bouwperceel als dit noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf3.6.5Agrarisch gerelateerde bedrijven</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-360\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.60</span><span class=\"lf-art-t\">Bestaand agrarisch-technisch hulpbedrijf / agrarisch-verwant bedrijf in Landelijk gebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bevat regels voor een bestaand agrarisch-technisch hulpbedrijf of een bestaand agrarisch-verwant bedrijf die: de bestaande planologische gebruiksactiviteit vastleggen; bepalen dat de omvang ten hoogste 1,5 hectare bedraagt; een toename van de gebruiksoppervlakte voor mestbewerking uitsluiten; kunnen voorzien in een redelijke uitbreiding, als dat past binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; hoe de uitbreiding bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-361\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.61</span><span class=\"lf-art-t\">Vestiging agrarisch-technisch hulpbedrijf / agrarisch-verwant bedrijf in Gemengd landelijk gebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Gemengd landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een agrarisch-technisch hulpbedrijf of een agrarisch-verwant bedrijf als: de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving qua omvang, effect op omliggende functies en ontsluiting past in de omgeving; de ontwikkeling niet leidt tot splitsing van het bouwperceel; is verzekerd dat overtollige bebouwing wordt gesloopt; mestbewerking is uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Als een binnen de omgeving passende omvang van een agrarisch-technisch hulpbedrijf of een agrarisch-verwant bedrijf geldt een bouwperceel van ten hoogste 1,5 hectare.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf3.6.6Afwijkende regels voor specifieke gebieden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-362\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.62</span><span class=\"lf-art-t\">Voorrangsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in deze paragraaf heeft voorrang op de overige bepalingen van afdeling 3.6 Vitaal platteland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-363\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.63</span><span class=\"lf-art-t\">Glastuinbouw-vestigingsgebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een bestemmingsplan van toepassing op Glastuinbouw-vestigingsgebied : bepaalt dat nieuwvestiging, vestiging, uitbreiding van en omschakeling naar een glastuinbouwbedrijf is toegestaan; onderbouwt dat de vestiging van overige functies de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van het vestigingsgebied niet belemmeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-364\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.64</span><span class=\"lf-art-t\">Glastuinbouw-doorgroeigebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Glastuinbouw-doorgroeigebied bepaalt: dat vestiging en omschakeling naar een glastuinbouwbedrijf is uitgesloten; tot welke omvang uitbreiding van glastuinbouwbedrijven is toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan bepalen dat vestiging en omschakeling naar een glastuinbouwbedrijf is toegestaan als het plan onderbouwt dat: dit noodzakelijk is vanwege de sanering van een glastuinbouwbedrijf elders waarbij verzekerd is dat het glastuinbouwbedrijf planologisch, juridisch en feitelijk wordt opgeheven; of dit voortvloeit uit een herschikking van glastuinbouwbedrijven binnen het doorgroeigebied die bijdraagt aan een verbetering van de omgevingskwaliteit in het gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Als het voor een bestaand glastuinbouwbedrijf in het doorgroeigebied niet mogelijk is om aansluitend op het bestaande bouwperceel uit te breiden, kan voor die uitbreiding binnen het gebied een nieuw bouwperceel worden aangewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Als er in een Doorgroeigebied samenloop bestaat met de instructieregels opgenomen in paragraaf 3.2.3 Natuur Netwerk Brabant, zijn de bepalingen uit die paragraaf van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-365\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.65</span><span class=\"lf-art-t\">Teeltondersteunende kassen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een bestemmingsplan van toepassing op Teeltondersteunende kassen kan als dat noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering binnen het bouwperceel voorzien in de bouw van Teeltondersteunende kassen tot een omvang van ten hoogste 1,5 hectare netto glas, als het bestemmingsplan bepaalt dat omschakeling en doorgroei naar een zelfstandig glastuinbouwbedrijf is uitgesloten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-366\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.66</span><span class=\"lf-art-t\">Teeltgebied Zundert</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Teeltgebied Zundert kan binnen een bouwperceel voorzien in de bouw van kassen tot een omvang van ten hoogste drie hectare netto.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 In afwijking van artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik, eerste lid, onder c, kan een bestemmingsplan van toepassing op Teeltgebied Zundert voorzien in permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten een bouwperceel, als deze voorzieningen worden geconcentreerd en aansluiten op een bouwperceel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-367\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.67</span><span class=\"lf-art-t\">Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een bestemmingsplan van toepassing op een Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf voorziet in een passende herbestemming op de locaties waar de volgende regelingen zijn toegepast:</p>\n<p class=\"lf-p\">Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV);</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidieregeling Beëindiging Intensieve Veehouderijen (BIV);</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidieregeling sanering glastuinbouwbedrijven in kwetsbare gebieden (GTB);</p>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatsingsregeling Intensieve Veehouderij (VIV);</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidieregeling urgentiegebieden Noord-Brabant 2016 (SUN); [vervallen] Paragraaf3.6.7Ontwikkeling van niet agrarische functies</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-368\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.68</span><span class=\"lf-art-t\">Wonen in Landelijk gebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bepaalt dat: alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan; zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Een bestemmingsplan kan bij een bestaande woning de vestiging van een andere functie toelaten, als: dit past binnen de voorwaarden die voor die functie zijn opgenomen in deze paragraaf; in geval nieuwe bebouwing wordt opgericht, er elders feitelijk en juridisch een gelijkwaardige oppervlakte aan gebouwen is gesloopt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-369\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.69</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijkende regels wonen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied kan een bestemmingsplan voorzien in: de bouw van een woning ter vervanging van een bestaande woning binnen het bouwperceel, als is verzekerd dat: de bestaande woning feitelijk wordt opgeheven; overtollige bebouwing wordt gesloopt. een inpandige splitsing van een beeldbepalende woonboerderij als: een fysieke tegenprestatie wordt geleverd aan het versterken van de omgevingskwaliteit vergelijkbaar met de tegenprestatie voor een ruimte voor ruimtekavel; en de beeldbepalende woonboerderij wordt behouden; de vestiging van of de splitsing in meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing als dat bijdraagt aan het behoud of herstel van deze bebouwing. in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, als is verzekerd dat: er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt; overtollige bebouwing wordt gesloopt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-370\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.70</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijkende regels bedrijfswoningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 In afwijking van artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied kan een bestemmingsplan voorzien in de nieuwbouw van ten hoogste één bedrijfswoning binnen het bouwperceel van een op grond van deze verordening toegelaten bedrijf als de toelichting een verantwoording bevat dat: de noodzaak vanwege de aard van de bedrijfsvoering aanwezig is; de noodzaak van deze nieuwbouw niet het gevolg is van een eerder aanwezige, inmiddels afgestoten bedrijfswoning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Voor een grootschalig verblijfsrecratief bedrijf zijn onder overeenkomstige toepassing van het eerste lid ten hoogste twee bedrijfswoningen toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Een bestemmingsplan kan voorzien in het gebruik van een bestaande burgerwoning als bedrijfswoning, als de woning binnen het bouwperceel van het bedrijf wordt gebracht en daarmee een ruimtelijke eenheid vormt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-371\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.71</span><span class=\"lf-art-t\">Bestaande niet-agrarische functie in Landelijk gebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bevat regels voor een bestaande niet-agrarische functie die: de bestaande planologische gebruiksactiviteit vastleggen; een toename van de gebruiksoppervlakte voor mestbewerking uitsluiten; kunnen voorzien in een redelijke uitbreiding, als dat past binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; hoe de uitbreiding bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-372\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.72</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijking bestaande lawaaisport</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking op artikel 3.71 Bestaande niet-agrarische functie in Landelijk gebied geldt voor lawaaisport dat een beperkte uitbreiding alleen mogelijk is binnen Gemengd landelijk gebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-373\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.73</span><span class=\"lf-art-t\">Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; overtollige bebouwing wordt gesloopt; de vestiging heeft geen betrekking op: een kantoor met baliefunctie; lawaaisport; mestbewerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-374\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.74</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijkende regels niet-agrarisch bedrijf mestbewerking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 In afwijking van artikel 3.71 Bestaande niet-agrarische functie in Landelijk gebied en artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied, kan een bestemmingsplan van toepassing op Gemengd Landelijk Gebied op een bestaand bouwperceel voorzien in een toename van de gebruiksoppervlakte voor mestbewerking of de vestiging van mestbewerking als: het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt; de mest met pijpleidingen wordt aangevoerd vanaf de locatie waar de mest wordt geproduceerd; ten minste 50 % van het volume van de mest wordt omgezet in loosbaar water; de op- , overslag en verwerking van producten niet in de openlucht plaatsvindt; de mestbewerking vanuit het oogpunt van een veilige en gezonde leefomgeving en gelet op artikel 3.5 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit inpasbaar is in de omgeving; de locatie niet in Beperkingen Veehouderij ligt; de landschappelijke inpassing ten minste 15 % van de omvang van het bouwperceel bedraagt; de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording bevat dat een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Als gebruiksoppervlakte voor mestbewerking geldt de bestaande oppervlakte voor mestbewerking van bebouwing en de bestaande oppervlakte in gebruik voor mestbewerking van onbebouwde grond.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-375\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.75</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende regels voor vrije-tijds voorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 In geval er sprake is van een watergebonden voorziening kan het bestemmingsplan onder overeenkomstige toepassing van artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied nieuwvestiging mogelijk maken, als elders een bouwperceel is gesaneerd en de daarop aanwezige bebouwing van ten minste gelijke omvang, met uitzondering van de bedrijfswoning, is gesloopt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 In geval een bestemmingsplan de vestiging van verblijfsrecreatie, waaronder de bouw van een recreatiewoning, toestaat, geldt in aanvulling op artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied, tweede lid dat het bestemmingsplan borgt dat: het terrein en de woningen bedrijfsmatig worden beheerd; permanente bewoning is uitgesloten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-376\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.76</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijkende regels omvang vrije-tijds voorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 lIn afwijking van artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied kan een bestemmingsplan van toepassing op Gemengd landelijk gebied een andere omvang toelaten voor een vrije-tijds voorziening als: dat past in de ontwikkelingsrichting van het gebied als bedoeld in het eerste lid van voornoemd artikel; ter uitvoering van artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap elders leegstaand vastgoed binnen Landelijk gebied is gesloopt van een omvang die ten minste gelijk is aan de oppervlakte van de bebouwing die boven de 1 hectare wordt toegestaan; de ontwikkeling in samenhang met andere doelen voor het gebied en de directe omgeving wordt uitgevoerd, waarbij ook kwaliteitswinst voor andere functies, waaronder natuur, wordt bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Als de afwijkende omvang leidt tot bovenlokale effecten, waaronder een grote publieksaantrekkende werking, geldt in aanvulling op het eerste lid dat: de ontwikkeling draagvlak heeft in de regio; is voorzien in een goede ontsluiting van de voorziening; het initiatief buiten de Nieuwe Hollandse waterlinie ligt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3.7 Maatwerkbepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-377\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.77</span><span class=\"lf-art-t\">Ontwikkelingsrichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Voor de toepassing van de maatwerkbepalingen in deze afdeling geldt dat het bestemmingsplan een onderbouwing bevat dat de ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. Een ontwikkelingsrichting wordt opgesteld met toepassing van de basisprincipes, bedoeld in paragraaf 3.1.2, en gaat in ieder geval in op de volgende aspecten: welke activiteiten en functies vanuit een gebiedsgerichte benadering passen in de omgeving; welke effecten de ontwikkeling van die activiteiten en functies heeft op andere aspecten, waaronder een veilige en gezonde leefomgeving, de te beschermen waarden, bedoeld in afdeling 3.2 Basis op orde, mobiliteit, agrarische ontwikkeling, stedelijke ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; op welke wijze de omgevingskwaliteit in het gebied versterkt kan worden, mede gericht op de toepassing van artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap; en op welke wijze de sloop van overtollige bebouwing wordt gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Bij het opstellen van een ontwikkelingsrichting worden deskundigen betrokken op het gebied van omgevingskwaliteit, onder wie een deskundige die bij de provincie Noord-Brabant werkzaam is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-378\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.78</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Een bestemmingsplan kan voor een concreet initiatief nieuwvestiging mogelijk maken als: de ontwikkeling volledig tot doel heeft een versterking te geven van de omgevingskwaliteit en voor dat doel de middelen genereert; de realisering van de onder a bedoelde versterking van omgevingskwaliteit niet op een andere wijze is verzekerd; de ontwikkeling door meerwaardecreatie aanzienlijk bijdraagt aan algemene belangen zoals sloop van overtollige bebouwing, de aanleg van natuur en bos, de verbetering van het woon- en leefklimaat, het terugdringen van de emissie van milieuhinderlijke stoffen of het behoud van cultuurhistorische waarden; de ontwikkeling en de versterking van omgevingskwaliteit passen binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in artikel 3.77; is onderbouwd dat de activiteit volhoudbaar is naar de toekomst, bezien vanuit duurzaamheid en economisch oogpunt; de ontwikkeling past binnen de uitgangspunten, belangen en doelen die deze verordening beoogt te beschermen; en bij de uitwerking van het plan deskundigen worden betrokken op het gebied van omgevingskwaliteit, onder wie een deskundige die bij de provincie Noord-Brabant werkzaam is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De bijdrage aan het versterken van omgevingskwaliteit betreft maatwerk waarbij in ieder geval de volgende aspecten in acht worden genomen en juridisch vastgelegd: als de activiteit de realisatie van een woning betreft: wordt de woning opgericht op een aanvaardbare locatie in Landelijk gebied; is de fysieke tegenprestatie, die is gericht op het versterken van omgevingskwaliteit, qua omvang gelijk aan de tegenprestatie voor een ruimte-voor-ruimtekavel; en is in overleg met de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte onderzocht of de ontwikkeling van een ruimte-voor-ruimtekavel tot de mogelijkheden behoort; als de ontwikkeling mede tot doel heeft een milieubelastende activiteit te saneren, alle daarvoor aanwezige rechten en toestemmingen, waaronder de verleende vergunningen, zijn ingetrokken; als de activiteit de ontwikkeling van een nieuw landgoed betreft: heeft het landgoed ten minste een omvang van10 hectare; bestaat 50% van het landgoed uit gerealiseerde natuur binnen het Natuur Netwerk Brabant; wordt de fysieke tegenprestatie ingezet voor de ontwikkeling van natuur; is de bebouwing van allure en qua omvang passend bij de uitstraling van het landgoed; wordt de bebouwing geconcentreerd opgericht buiten het Natuur Netwerk Brabant; zijn naast landgoedwoningen ook andere bij een landgoed passende gebruiksactiviteiten mogelijk, waaronder zorg; en is de openbaarheid van het landgoed verzekerd. als de ontwikkeling plaatsvindt binnen een Cultuurhistorisch waardevol gebied ter behoud van een waardevol cultuurhistorisch complex, zoals beschreven op de Cultuurhistorische Waardenkaart, is de fysieke tegenprestatie gericht op behoud of versterking van de aldaar benoemde waarden en kenmerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Er is sprake van een aanvaardbare locatie voor de ontwikkeling van een woning als: de locatie in een bebouwingsconcentratie ligt; of de ontwikkeling een logische afronding geeft van Stedelijk gebied of een bebouwingsconcentratie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Bij de toepassing van dit artikel zijn de volgende bepalingen niet van toepassing: artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik, onder a; artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap; en artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied, eerste lid, onder a.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-379\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.79</span><span class=\"lf-art-t\">Ruimte-voor-ruimtekavel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Een bestemmingsplan kan voorzien in een of meerdere ruimte-voor-ruimtekavels in Stedelijk gebied of Landelijk gebied als deze ontwikkeling: door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte plaatsvindt, gelet op de in het verleden behaalde aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit; op een aanvaardbare locatie plaatsvindt als bedoeld in artikel 3.78, derde lid; en past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in artikel 3.77.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Als uit door Gedeputeerde Staten bijgehouden gegevens blijkt dat de in het verleden gedane investering in omgevingskwaliteit is terugverdiend, is het eerste lid niet meer van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Bij de toepassing van dit artikel zijn de volgende bepalingen niet van toepassing: artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik, onder a; artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap; en artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied, eerste lid, onder a.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-380\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.80</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerk voor collectieve woonvormen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan op een bestaand bouwperceel voorzien in de ontwikkeling van een collectieve woonvorm als: dit kleinschalig van karakter is en niet leidt tot een stedelijke ontwikkeling; dit past binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in artikel 3.77; een afweging heeft plaatsgevonden vanuit mobiliteit waaronder de bereikbaarheid van voorzieningen; dit past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; er aantoonbare meerwaarde is voor de omgevingskwaliteit, zoals de ontwikkeling van natuur, het treffen van klimaatmaatregelen, duurzaam bouwen of een bijdrage aan een circulaire samenleving; er sprake is van sociale innovatie, waaronder zelfrealisatie, en sociaal-maatschappelijke kwaliteit, zoals het vergroten van zelfredzaamheid, sociale cohesie en toegankelijkheid voor kwetsbare groepen; het concept feitelijk en juridisch is geborgd, waarbij ook een eventuele tijdelijke behoefte aan de collectieve woonvorm wordt betrokken; het concept bezien vanuit duurzaamheid en economisch perspectief ook op termijn uitvoerbaar is; de stedenbouwkundige- en landschappelijke inrichting rekening houdt met de omgevingskwaliteit en structuren in het gebied en de naaste omgeving; bij uitbreiding van het bestaande ruimtebeslag er elders feitelijk en juridisch een gelijkwaardige omvang aan gebruiksruimte en gebouwen is gesaneerd; en bij de uitwerking van het plan deskundigen worden betrokken op het gebied van omgevingskwaliteit, onder wie een deskundige die bij de provincie Noord-Brabant werkzaam is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-368-164\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.68</span><span class=\"lf-art-t\">Wonen in Landelijk gebied, eerste lid, onder a is niet van toepassing op dit artikel</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-381\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.81</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerk voor verplaatsing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Een bestemmingsplan kan nieuwvestiging mogelijk maken in Landelijk gebied als: dat past binnen de uitgangspunten, belangen en doelen die deze verordening beoogt te beschermen; op een andere locatie aanzienlijke omgevingskwaliteitswinst wordt bereikt doordat het bouwperceel van een vergelijkbare gebruiksactiviteit met een gelijke omvang aan bebouwing als die mogelijk wordt gemaakt, feitelijk en juridisch volledig wordt opgeheven; en zowel de ontwikkeling van de bouw- en gebruiksactiviteit als het feitelijk opheffen van de gebruiksactiviteit elders, passen binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in artikel 3.77.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Bij de toepassing van het eerste lid worden deskundigen betrokken op het gebied van omgevingskwaliteit, onder wie een deskundige die bij de provincie Noord-Brabant werkzaam is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-36-166\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.6</span><span class=\"lf-art-t\">Zorgvuldig ruimtegebruik, eerste lid, onder a is niet van toepassing op dit artikel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk4Instructieregels aan waterschappen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4.1 Omgevingswaarden</h3>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf4.1.1Regionale waterkeringen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-41\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheidsnorm waterkerend vermogen regionale waterkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Voor een Regionale waterkering is de veiligheidsnorm binnen het werkingsgebied op de kaart aangegeven als de gemiddelde overschrijdingskans per jaar van de hoogste hoogwaterstand die deze regionale waterkering veilig moet kunnen keren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Voor een compartimenteringskering geldt als veiligheidsnorm het behoud van het bestaand waterkerend vermogen, het feitelijk profiel, zoals vastgelegd in de legger.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Bij de bepaling van het waterkerend vermogen bedoeld in het eerste lid wordt rekening gehouden met de waterstanden in relatie tot de overschrijdingskans, zoals weergegeven in de Regeling maatgevende hoogwaterstanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 De norm, bedoeld in het eerste en tweede lid, geldt als resultaatsverplichting voor het waterschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf4.1.2Normering wateroverlast</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Norm wateroverlast Stedelijk gebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt binnen Stedelijk gebied, als norm een overstromingskans van:</p>\n<p class=\"lf-p\">1/100 per jaar voor gebieden die in een ruimtelijk plan bestemd zijn voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen;</p>\n<p class=\"lf-p\">1/10 per jaar voor overige gebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De norm, bedoeld in het eerste lid, betreft een inspanningsverplichting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-43\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijkende norm wateroverlast Stedelijk gebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt binnen Afwijkende norm wateroverlast Stedelijk gebied als norm een overstromingskans 1/150 per jaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-44\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Norm wateroverlast buiten Stedelijk gebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt buiten Stedelijk gebied, als norm een overstromingskans van:</p>\n<p class=\"lf-p\">1/100 per jaar voor gebieden met de ruimtelijke bestemming hoofdinfrastructuur en spoorwegen;</p>\n<p class=\"lf-p\">1/50 per jaar voor glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw;</p>\n<p class=\"lf-p\">1/25 per jaar voor akkerbouw;</p>\n<p class=\"lf-p\">1/10 per jaar voor grasland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Voor bebouwing die is gelegen buiten Stedelijk gebied geldt de norm van het omringende landgebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 De norm, bedoeld in het eerste lid, betreft een inspanningsverplichting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-45\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijkende norm wateroverlast buiten Stedelijk gebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt binnen het gebied Afwijkende norm wateroverlast buiten Stedelijk gebied de binnen het werkingsgebied opgenomen overstromingskans als norm voor landgebruik en bebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De norm, bedoeld in het eerste lid, betreft een inspanningsverplichting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-46\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.6</span><span class=\"lf-art-t\">Normvrij gebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen Normvrij gebied geldt geen verplichting voor het waterschap om een genormeerd beschermingsniveau te bieden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4.2 Toedeling beheer</h3>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf4.2.1Watersystemen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-47\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.7</span><span class=\"lf-art-t\">Toedeling watersysteembeheer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het waterschap is belast met het beheer van het watersysteem, gelet op de taakomschrijving opgenomen in het reglement van het betreffende waterschap op grond van de Waterschapswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf4.2.2Provinciale vaarwegen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-48\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.8</span><span class=\"lf-art-t\">Toedeling beheer Provinciale vaarweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Waterschap Brabantse Delta is belast met de uitvoering van het beheer over de Provinciale vaarweg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het dagelijks bestuur van waterschap Brabantse Delta is belast met het nautisch beheer over de provinciale vaarwegen, volgens de bepalingen bij of krachtens de Scheepvaartverkeerswet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-49\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.9</span><span class=\"lf-art-t\">Beheerdoelstelling Provinciale vaarweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Waterschap Brabantse Delta legt de hoedanigheid van de wateren als vaarweg, de scheepvaartklasse als opgenomen binnen het werkingsgebied Provinciale vaarweg en het profiel vast in de legger.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-410\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.10</span><span class=\"lf-art-t\">Opdracht tot regeling en bestuur Provinciale vaarweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Het algemeen bestuur van waterschap Brabantse Delta stelt bij verordening regels in het belang van de instandhouding, bruikbaarheid en bescherming van de Provinciale vaarweg, evenals de daartoe behorende werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Bij het vaststellen van de verordening, bedoeld in het eerste lid, neemt het bestuur de doelstellingen, bedoeld in artikel 4.9 in acht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Toepassing van het eerste lid geschiedt mede in het belang van het watersysteembeheer of de bescherming van de landschappelijke, ecologische of andere natuurwetenschappelijke waarden van het gebied waarin een vaarweg is gelegen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-411\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.11</span><span class=\"lf-art-t\">Toezicht beheer Provinciale vaarweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het toezicht op de naleving van artikel 4.10 Opdracht tot regeling en bestuur Provinciale vaarweg zijn belast de bij besluit van het dagelijks bestuur van waterschap Brabantse Delta aan te wijzen personen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4.3 Waterbeheer</h3>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf4.3.1Samenhangend regionaal waterbeheer</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-412\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.12</span><span class=\"lf-art-t\">Doorwerking gebiedsbegrenzing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij het vaststellen van regels met betrekking tot handelingen in een watersysteem of beschermingszone als bedoeld in artikel 78 Waterschapswet, houdt het algemeen bestuur rekening met de begrenzing van de Attentiezone waterhuishouding en de daarbinnen gelegen natte natuurparels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf4.3.2Waterbeheerplan</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-413\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.13</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende bepalingen waterbeheerplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Het waterbeheerplan bevat in aanvulling op artikel 4.6 Waterwet, ten minste: de beschrijving van het watersysteem waarover het beheer zich uitstrekt; het beleid inzake het beheer van de watersystemen gericht op de aan de watersystemen toegekende functies en doelstellingen; de beschrijving van de maatregelen met prioriteitstelling en fasering, zodat de gestelde doelen zijn te realiseren; een raming van de kosten van de, gedurende de planperiode, te nemen maatregelen, inzicht in de dekking van de kosten en een indicatie van het verloop van de op te leggen omslagen dan wel heffingen in de planperiode; het gewenste grond- en oppervlaktewaterregime voor de aan het oppervlaktewater en het freatisch grondwater toegekende functies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het waterbeheerplan is voorzien van een toelichting waarin ten minste is opgenomen: de aan het plan ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de eventueel uitgevoerde onderzoeken; een overzicht van de strategische doelstellingen in het regionaal waterplan, die worden gerealiseerd door het uitvoeren van de in het eerste lid onder c genoemde maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf4.3.3Legger</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-414\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.14</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende bepalingen Legger waterstaatswerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De legger bevat in aanvulling op artikel 5.1, eerste lid, Waterwet in ieder geval: het lengteprofiel en dwarsprofielen van de primaire- en regionale waterkeringen; het dwarsprofiel van de oppervlaktewaterlichamen onder beheer van het waterschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Op de overzichtskaart, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, Waterwet, is ten aanzien van de primaire waterkeringen het profiel van vrije ruimte aangeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-415\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.15</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijstelling leggerplicht voor oppervlaktewaterlichamen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Oppervlaktewaterlichamen met een maatgevende afvoer van minder dan 30 liter per seconde zijn vrijgesteld van de in artikel 5.1 Waterwet bedoelde verplichtingen met betrekking tot omschrijving van de vorm, afmeting en constructie van het oppervlaktewaterlichaam en het dwarsprofiel, bedoeld in artikel 5.1 eerste lid onder b, Waterwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Vrij meanderende oppervlaktewaterlichamen zijn vrijgesteld van de in artikel 5.1 Waterwet bedoelde verplichtingen met betrekking tot omschrijving van de vorm en afmeting van het betreffende oppervlaktewaterlichaam. De ondersteunende kunstwerken, die deel uitmaken van vrij meanderende oppervlaktewaterlichamen met een maatgevende afvoer van 30 liter per seconde of meer, worden wel omschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Het waterschap maakt een overzichtskaart met daarop: de oppervlaktewaterlichamen, bedoeld in het eerste lid, weergegeven als lijnelement; de vrij meanderende oppervlaktewaterlichamen, bedoeld in het tweede lid, weergegeven door een zone waarbinnen het oppervlaktewaterlichaam zich feitelijk kan bevinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 De verplichting bedoeld in het derde lid geldt niet voor oppervlaktewaterlichamen met een maatgevende afvoer van minder dan 10 liter per seconde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf4.3.4Peilbesluit</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-416\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.16</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing gebieden voor peilbesluiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het algemeen bestuur van het waterschap stelt een of meer peilbesluiten vast voor de aangewezen gebieden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-417\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.17</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvulling inhoud peilbesluit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Het peilbesluit bevat in aanvulling op artikel 5.2, tweede lid, van de Waterwet een kaart met de begrenzing van het gebied waarbinnen de oppervlaktewaterlichamen gelegen zijn waarop het peilbesluit betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het peilbesluit gaat vergezeld van een toelichting waarin tenminste zijn opgenomen: de aan het besluit ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de verrichte onderzoeken; een aanduiding van de veranderingen van de waterstanden ten opzichte van een geldend peilbesluit, dan wel de bestaande situatie in het geval dat er nog geen peilbesluit geldt; een aanduiding van de gevolgen van de te handhaven waterstanden voor de diverse belangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-418\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.18</span><span class=\"lf-art-t\">Herziening peilbesluit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het algemeen bestuur van het waterschap draagt zorg dat een peilbesluit actueel is en beziet ten minste eens in de tien jaar of aanpassing nodig is.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4.4 Projecten en informatievoorziening</h3>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf4.4.1Projectprocedure voor waterstaatswerken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-419\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.19</span><span class=\"lf-art-t\">Verzoek projectprocedure</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Het dagelijks bestuur van het waterschap kan aan Gedeputeerde Staten verzoeken hoofdstuk 5, paragraaf 2 van de Waterwet, van toepassing te verklaren op: projectplannen voor de aanleg, verlegging of versterking van regionale waterkeringen; projectplannen voor de aanleg of wijziging van bergingsgebieden in regionale watersystemen; projectplannen voor de aanleg en wijziging van waterstaatswerken in verband met beekherstel en verdrogingsbestrijding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 In een verzoek als bedoeld in het eerste lid geeft het dagelijks bestuur aan: wat de bovenlokale betekenis is van het project en waarom het met spoed en op gecoördineerde wijze tot stand moet worden gebracht; welke besluiten nodig zijn ter uitvoering van het projectplan, bedoeld in artikel 5.8 van de Waterwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf4.4.2Informatieplichten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-420\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.20</span><span class=\"lf-art-t\">Verslag veiligheidsnorm waterkeringen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Het dagelijks bestuur van het waterschap brengt vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de veiligheidsnorm, bedoeld in artikel 4.1 Veiligheidsnorm waterkerend vermogen regionale waterkering, periodiek verslag uit aan Gedeputeerde Staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale waterkeringen onder zijn beheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het verslag bevat een beoordeling van de veiligheid, waarbij onder meer de veiligheidsnorm, de hydraulische randvoorwaarden en de legger worden betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Indien de beoordeling daartoe aanleiding geeft, bevat het verslag een omschrijving van de voorzieningen die op een daarbij aan te geven termijn nodig worden geacht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-421\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.21</span><span class=\"lf-art-t\">Verslag norm wateroverlast</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Het dagelijks bestuur van het waterschap brengt vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de normen voor wateroverlast, bedoeld in paragraaf 4.1.2 Normering wateroverlast, periodiek verslag uit aan Gedeputeerde Staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale wateren onder zijn beheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het verslag bevat een beoordeling van de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht, waarbij de normen wateroverlast en de legger worden betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Indien de beoordeling daartoe aanleiding geeft, bevat het verslag een omschrijving van de voorzieningen die op een daarbij aan te geven termijn nodig worden geacht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-422\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.22</span><span class=\"lf-art-t\">Voortgangsrapportage ten behoeve van het toezicht op een samenhangend en doelmatig regionaal waterbeheer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Het dagelijks bestuur van het waterschap rapporteert jaarlijks aan Gedeputeerde Staten over de uitvoering van het regionale waterbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De rapportage, bedoeld in het eerste lid, bevat informatie over de voortgang van de uitvoering van het waterbeheerplan, de mate waarin de gestelde doelen worden bereikt, de redenen van eventuele afwijkingen en de voorgestelde maatregelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-423\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.23</span><span class=\"lf-art-t\">Informatieplicht actuele tekortkomingen van waterkeringen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Het dagelijks bestuur van het waterschap informeert Gedeputeerde Staten jaarlijks voor 1 oktober over de bekende actuele tekortkomingen in het stelsel van primaire en regionale keringen en de te nemen maatregelen ter voorbereiding op een doeltreffend optreden bij gevaar als bedoeld in hoofdstuk 5, paragraaf 5 van de Waterwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 In de informatie, bedoeld in het eerste lid, geeft het dagelijks bestuur aan of er tijdelijke of bijzondere maatregelen aan de orde zijn totdat de verbeteringswerken voor de desbetreffende keringen zijn afgerond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk5Instructieregels aan Gedeputeerde Staten</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5.1 Wijzigingsbevoegdheid</h3>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf5.1.1Wijziging van de regels</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene wijzigingsbevoegdheid regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten zijn bevoegd de regels van deze verordening te wijzigen in de volgende gevallen: er is sprake van een kennelijke onvolkomenheid of onduidelijkheid in de tekst, mits dit geen beleidsinhoudelijke wijziging ten gevolge heeft; er bestaat strijdigheid met een wet, een algemene maatregel van bestuur of anderszins een wettelijke maatregel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke wijzigingsbevoegdheid regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten zijn bevoegd tot wijziging van de regels in de volgende gevallen: artikel 2.3 Verboden activiteiten Waterwingebied, tweede lid: als dat vanwege het belang van de bescherming van het grondwater nodig is kunnen (potentieel) gevaarlijke stoffen worden toegevoegd of verwijderd. paragraaf 2.1.3 Grondwaterbeschermingsgebied: als dat vanwege het belang van de bescherming van het grondwater nodig is kunnen: (potentieel) gevaarlijke stoffen worden toegevoegd aan of verwijderd uit artikel 2.7, tweede lid, en artikel 2.10, derde lid; verboden locatiegebonden milieubelastende activiteiten worden toegevoegd aan artikel 2.9. artikel 2.38 Verbod varend ontgassen in Ontgassingsvrijgebied: als dat vanwege het belang van de bescherming van het milieu nodig is, kunnen stoffen worden toegevoegd aan het eerste lid. afdeling 2.6 Natuur: artikel 2.52 Vrijstelling soorten: indien nodig kunnen soorten worden toegevoegd aan of verwijderd uit aan het eerste lid; artikel 2.58 Vrijstelling schadeveroorzakende soorten: indien nodig kunnen soorten, handelingen, belangen en middelen alsmede de daaraan verbonden voorwaarden worden toegevoegd of gewijzigd; artikel 2.59 Vrijstelling overlast veroorzakende soorten binnen de bebouwde kom: indien nodig kunnen soorten, handelingen, belangen en middelen alsmede de daaraan verbonden voorwaarden worden toegevoegd of gewijzigd. paragraaf 2.7.1 Natura 2000, gehoord de commissie van deskundigen: artikel 2.70 Lijst met systemen, zodra wijzigingen in de Rav-lijst, de Wabo of het Activiteitenbesluit milieubeheer daartoe aanleiding geven;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 2 Technische eisen huisvestingssystemen, indien de ontwikkelingen in emissiereducerende technieken of het regionale N-depositieniveau daartoe aanleiding geven. artikel 3.67 Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf: als dat nodig is vanwege de openstelling van een nieuwe regeling, kan een nieuwe regeling worden toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf5.1.2Aanpassing van de werkingsgebieden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging grenzen van werkingsgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Gedeputeerde Staten zijn bevoegd de in deze verordening opgenomen grenzen van een werkingsgebied te wijzigen als één of meer van de volgende gevallen zich voordoet: de wijziging is nodig voor een doelmatige uitvoering; de wijziging draagt bij aan het doel waarvoor het werkingsgebied is opgenomen; de wijziging past binnen de uitgangspunten en basisprincipes van deze verordening; er is sprake van kennelijke onjuistheden in de begrenzing; de begrenzing van een gebied is niet langer in overeenstemming met een bestemmingsplan dat overeenkomstig artikel 3.8, derde lid, Wet ruimtelijke ordening is vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 In aanvulling op het eerste lid geldt voor een wijziging van de grenzen van het Natuur Netwerk Brabant dat: een wijziging van de grens van Natura2000 niet is toegestaan; de wijziging tot doel heeft de ecologische samenhang van het Natuur Netwerk Brabant te verbeteren; de kwalitatieve en kwantitatieve ambities van het Natuur Netwerk Brabant worden behouden of versterkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 In aanvulling op het eerste lid geldt voor een wijziging van de grenzen van Attentiezone Waterhuishouding dat de beoogde ontwikkeling waarvoor de wijziging nodig is, geen nadelig effect heeft op de waterhuishouding ter plaatse.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 In aanvulling op het eerste lid geldt voor een wijziging van de grenzen van Verstedelijking Afweegbaar dat: dit past binnen de regionale afspraken als bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; dit nodig is vanwege een stedelijke ontwikkeling die tot een duidelijke verbetering van de stedenbouwkundige of landschappelijke kwaliteit leidt; de gewenste uitbreidingsrichting aanvaardbaar is of de behoefte aan de uitbreidingsrichting is vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 In aanvulling op het eerste lid geldt voor een wijziging van de grenzen van Beperkingen Veehouderij dat: het een ondergeschikte wijziging van het gebied betreft; is aangetoond dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat mede gelet op aspecten vanuit milieu en volksgezondheid; er geen aantasting van in de nabijheid gelegen ecologische waarden plaatsvindt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-54\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzen Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten zijn bevoegd een nieuwe locatie toe te voegen aan het werkingsgebied Sanerings- En Verplaatsingslocatie agrarische bedrijven als bedoeld in artikel 2.76 en artikel 3.67 Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf ingeval er vanwege de openstelling van een regeling nieuwe saneringslocaties ontstaan waarvoor een passende herbestemming geboden is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-55\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzen Rust- en foerageergebied voor ganzen en smienten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten zijn bevoegd Rust- En Fourageergebied Ganzen En Smienten aan te wijzen en te wijzigen voor ganzen en smienten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-56\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.6</span><span class=\"lf-art-t\">Wijzigen scheepvaartklassen Provinciale vaarweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten zijn bevoegd de scheepvaartklassen die voor het werkingsgebied Provinciale vaarweg zijn opgenomen, te wijzigen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5.2 Nadere regels</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-57\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.7</span><span class=\"lf-art-t\">Regeling maatgevende hoogwaterstanden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten zijn bevoegd tot het vaststellen van de Regeling maatgevende hoogwaterstanden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-58\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.8</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels provinciale wegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels vaststellen voor: het veranderen van de provinciale weg; het gebruiken van de provinciale weg anders dan voor verkeersdoeleinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-59\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.9</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels natuurbescherming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Gedeputeerde Staten stellen nadere regels vast voor agrarische beregening over het inrichten, in stand houden, veranderen of in bedrijf hebben van een installatie voor de onttrekking van grondwater voor de beregening van grasland, akkerbouw, vollegronds tuinbouw en vollegronds boomteelt waarbij: op basis van objectieve gegevens en onderzoek vaststaat dat er geen significante effecten voor Natura 2000- gebieden optreden; of, een passende beoordeling over het beleid van de waterbeheerder heeft plaatsgevonden waaruit blijkt dat de natuurlijke kenmerken van de Natura- 2000-gebieden niet worden aangetast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Gedeputeerde staten kunnen, ter beperking van het risico voor het behoud van de vogelstand en de zorg voor dierwelzijn, nadere eisen stellen aan de wijze waarop de handelingen als bedoeld in artikel 2.58 Vrijstelling schadeveroorzakende soorten en artikel 2.59 Vrijstelling overlast veroorzakende soorten binnen de bebouwde kom worden uitgevoerd alsmede aan de kwaliteiten en/of opleiding van de in dat artikel bedoelde ecologisch terzake deskundige.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-510\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.10</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels cultuurhistorische- en aardkundige waarden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen nadere regels vast waarin zij voor de toepassing van deze verordening het volgende beschrijven: de aardkundige waarden en kenmerken van de aangewezen gebieden als onderdeel van de Aardkundig Waardevolle Gebiedenkaart Noord-Brabant; de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de aangewezen gebieden als onderdeel van de Cultuurhistorische Waardenkaart.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-511\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.11</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels zorgvuldige veehouderij</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Gedeputeerde Staten stellen nadere regels vast voor de ontwikkeling van zorgvuldige veehouderij over: de inzet van maatregelen die bijdragen aan de ontwikkeling naar zorgvuldige veehouderij; de voorwaarden waaraan een grondgebonden veehouderij moet voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 In de nadere regels kunnen Gedeputeerde Staten ook voorwaarden stellen welke maatregelen betrokken worden bij de afweging of een grotere omvang van een bouwperceel mogelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-512\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.12</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels gebiedsgericht maatwerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Gedeputeerde Staten kunnen in afwijking van hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten nadere regels vaststellen, in het geval dat: er een bijzondere situatie is die om een gebiedsgerichte benadering vraagt; dit bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies als bedoeld in artikel 3.5 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit; de ontwikkeling waarvoor de regels worden gesteld geen afbreuk doet aan de doelen waarvoor de regels zijn gesteld; dit past binnen de kernwaarden en ambities zoals opgenomen in de Omgevingsvisie; binnen Natuur Netwerk Brabant in ieder geval toepassing wordt gegeven aan het vereiste van compensatie als opgenomen in artikel 3.22 Compensatie; voor veehouderij geldt dat: de ontwikkeling aantoonbaar bijdraagt aan de transitie naar zorgvuldige veehouderij; er geen toename is van de oppervlakte dierenverblijf binnen het gebied waarvoor de nadere regels worden gesteld; de ontwikkeling draagvlak heeft; is aangegeven van welke regels afwijking wordt beoogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 In het geval nadere regels zijn vastgesteld treden deze regels in de plaats van de regels uit hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5.3 Maatwerk in concreet geval</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-513\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.13</span><span class=\"lf-art-t\">Hardheidsclausule</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Gedeputeerde Staten kunnen in een bijzonder geval de algemene regels, vastgesteld bij of krachtens hoofdstuk 2 Rechtstreeks werkende regels voor activiteiten, buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover, gelet op de betrokken belangen, toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard en als het doel waarvoor de regels is vastgesteld hierdoor niet wordt geschaad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het eerste lid is niet van toepassing op: de verplichting tot het doen van een melding, de verplichting tot het doen van een aanvraag van een vergunning, of de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, Wet ruimtelijke ordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 [vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-514\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.14</span><span class=\"lf-art-t\">Ontheffing van algemene regels uit hoofdstuk 2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de regels in hoofdstuk 2 Rechtstreeks werkende regels voor activiteiten als dit in de regels is aangegeven en het belang waarvoor de regel is gesteld zich daar niet tegen verzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Aan een ontheffing worden de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het belang waarvoor de regel, waarvan ontheffing wordt verleend, is gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Gedeputeerde Staten kunnen een ontheffing wijzigen of intrekken als: de houder van de ontheffing daarom verzoekt; het gebruik maken van de ontheffing ontoelaatbaar nadelige gevolgen heeft voor het belang dat beschermd wordt en deze gevolgen door het verbinden van aanvullende beperkingen en voorschriften niet in voldoende mate kunnen worden beperkt of voorkomen; of gedurende drie jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de ontheffing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-515\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.15</span><span class=\"lf-art-t\">Ontheffing van instructieregels uit hoofdstuk 3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van de regels in hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten van deze verordening, voor zover de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met die regels te dienen provinciale belangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De aanvraag bedoeld in het eerste lid maakt deel uit van het overleg bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waarbij in de toelichting van dat bestemmingsplan worden opgenomen: een beschrijving van de mogelijke gevolgen van de ontheffing voor het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing wordt gevraagd; een of meer verbeeldingen op kaart met een zodanige mate van nauwkeurigheid dat een duidelijk inzicht wordt verkregen van de plaats waarop de ontheffing betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Gedeputeerde Staten kunnen een ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken als binnen twee jaar, te rekenen van de datum van de ontheffing, geen bestemmingsplan is vastgesteld met gebruikmaking van de ontheffing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5.4 Regionaal samenwerken</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-516\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.16</span><span class=\"lf-art-t\">Instellen regionaal omgevingsoverleg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Gedeputeerde Staten organiseren samen met gemeenten, regio's en waterschappen ten minste tweemaal per jaar een regionaal omgevingsoverleg met als doel te komen tot samenhangende afspraken over klimaatadaptatie, energietransitie, duurzame verstedelijking en bereikbaarheid, een duurzame concurrerende economie en zorgvuldig ruimtegebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het overleg sluit aan bij het schaalniveau van bestaande regionale samenwerkingsverbanden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-517\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.17</span><span class=\"lf-art-t\">Werkwijze regionaal omgevingsoverleg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De deelnemers aan het regionale omgevingsoverleg werken een zorgvuldige en transparante werkwijze uit gericht op samenwerken en het maken van afspraken over de ontwikkeling en uitvoering van een integraal omgevingsbeleid waarbij in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: de voorbereiding van het overleg; het besluitvormingsproces; de rollen en verantwoordelijkheden van de deelnemers aan het omgevingsoverleg; de beschikbaarstelling van de afspraken; een monitoringssysteem rondom de voortgang van de uitvoering van de afspraken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-518\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.18</span><span class=\"lf-art-t\">Prognoses</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Gedeputeerde Staten stellen in overleg met de regio's ten minste eens per bestuursperiode relevante prognoses en analyses op, zoals in ieder geval een bevolkings- en woningbehoefteprognose, een prognose voor de ruimtebehoefte aan bedrijventerreinen en een trendanalyse van de mobiliteitsontwikkeling, die richting gevend zijn voor de gezamenlijk te maken afspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De prognoses en analyses houden rekening met het principe van concentratie van verstedelijking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-519\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.19</span><span class=\"lf-art-t\">Regionale omgevingsagenda</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Het regionale overleg stelt tenminste eens per bestuursperiode een Regionale omgevingsagenda op met daarin: de gezamenlijke ambities en hoofdopgaven binnen het fysieke domein in de betreffende regio; de inbreng vanuit de regio voor de Regionale omgevingsagenda als opvolger van de Mirtgebiedsagenda en uitvoeringsinstrument van de nationale omgevingsvisie; het schaalniveau waarop de gezamenlijke ambities en hoofdopgaven worden uitgewerkt, zoals bovenregionaal, Brabantstad, (sub-) regionaal, integrale gebiedsopgaven; afspraken over het monitoren en verstrekken van relevante informatie ten behoeve van de monitoring door partijen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De Regionale omgevingsagenda is leidend bij de verdere uitwerking en bespreking van opgaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 In geval er geen overeenstemming wordt bereikt over het toe te passen schaalniveau stellen Gedeputeerde Staten dit vast, gehoord de mening van de deelnemers aan het regionaal overleg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-520\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.20</span><span class=\"lf-art-t\">Uitwerking Regionale omgevingsagenda</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De uitwerking van de gezamenlijke ambities en hoofdopgaven in integrale gebiedsontwikkelingen en concrete programmering vindt plaats op een schaal die past bij de ruimtelijk-functionele relaties van de opgave zoals opgenomen in de Regionale omgevingsagenda.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Gedeputeerden Staten maken jaarlijks -uiterlijk 31 december- ten minste afspraken over: duurzame verstedelijking en bereikbaarheid binnen het netwerk van de (sub-)regionaal samenwerkende steden en dorpen, in samenhang met de opgaven met betrekking tot klimaatadaptatie, energietransitie, mobiliteit, economische structuurversterking, sociale veerkracht en zorgvuldig ruimtegebruik; de prioritaire integrale gebiedsopgaven in de betreffende (sub-)regio's en de gezamenlijke aanpak hiervan, die liggen in gebieden waar meerdere urgente transitieopgaven uit de provinciale omgevingsvisie samenkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 De afspraken over duurzame verstedelijking, als bedoeld in het tweede lid over de ontwikkeling, herbestemming en/of transformatie van locaties voor wonen, werken en voorzieningen: maken duidelijk hoe het (sub-)regionale woningbouwprogramma en de behoefte aan werklocaties, zowel in kwantitatieve, kwalitatieve als ruimtelijke zin, de komende jaren worden ingezet; zijn gericht op zorgvuldig ruimtegebruik en op een realistische, flexibele en vraaggerichte planning en programmering van woningbouw, werklocaties en voorzieningen; zijn er op gericht overprogrammering te voorkomen en gaan waar nodig in op deprogrammering; worden gemaakt, rekening houdend met (toekomstige) binnenstedelijke transformatieopgaven en het aanpakken en voorkomen van leegstand; de werkwijzen die gehanteerd worden, de voorwaarden waaraan voldaan moet worden, en het (sub)regionale besluitvormingsproces dat doorlopen wordt om nieuwe locaties voor wonen, werken en voorzieningen te ontwikkelen of bestaande locaties van functie te laten veranderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Periodiek, ten minste eens per bestuursperiode, maken partijen in de (sub-)regio afspraken over de toepassing van artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap en worden de resultaten met elkaar besproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 Er is sprake van een afspraak wanneer er overeenstemming is tussen provincie, gemeenten en waterschappen in de betreffende regio.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 6 In het geval partijen niet tot overeenstemming komen, stellen Gedeputeerde Staten de afspraken vast, gehoord de mening van deelnemers aan de Regionale omgevingsagenda.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5.5 Instellen adviesorganen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-521\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.21</span><span class=\"lf-art-t\">Advisering ontgrondingenvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten wijzen adviseurs aan, niet zijnde bestuursorganen, die in de gelegenheid worden gesteld advies uit te brengen met betrekking tot de voorbereiding van een beschikking betreffende verlening, weigering, wijziging of intrekking van een ontgrondingenvergunning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-522\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.22</span><span class=\"lf-art-t\">Advisering veehouderij</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen een commissie van onafhankelijke deskundigen in voor advies over: aanpassingen van , waarbij zij beoordeelt of deze al dan niet overeenstemmen met de meest actuele versie van de Rav-lijst; situaties, zowel ad hoc als structureel, waarin de Rav-lijst niet voorziet of sprake is van interpretatieverschillen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5.6 Overige verplichtingen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf5.6.1Registratieverplichtingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-523\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.23</span><span class=\"lf-art-t\">Grondwaterregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Gedeputeerde Staten houden een register bij waarin inrichtingen voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water, bedoeld in artikel 6.4 Waterwet worden ingeschreven met vermelding van de gegevens die op grond van artikel 6.11 Waterbesluit worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 In het register, bedoeld in het eerste lid, worden ook de op grond van artikel 6.4 Waterwet verleende vergunningen vermeld krachtens welke het onttrekken van water of infiltreren van water plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Gedeputeerde Staten kunnen een inrichting voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water, bedoeld in artikel 6.4 Waterwet ambtshalve inschrijven in het grondwaterregister als de inrichting: niet overeenkomstig artikel 6.11, eerste lid, Waterbesluit is gemeld; of overeenkomstig artikel 6.11, eerste lid, Waterbesluit moet worden gemeld aan een ander bestuursorgaan dan Gedeputeerde Staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Als datum van inschrijving wordt aangehouden 1 januari van het jaar waarin de ambtshalve inschrijving plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf5.6.2Bebordingsplicht</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-524\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.24</span><span class=\"lf-art-t\">Bebording Gebied bescherming waterwinning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Gedeputeerde Staten dragen er zorg voor dat het gebied dat is aangewezen ten behoeve van de waterwinning als zodanig goed zichtbaar is aangeduid door middel van borden, waarvan het model door Gedeputeerde Staten wordt vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De borden bedoeld in het eerste lid worden geplaatst langs alle verharde openbare wegen en vaarwegen die tot het gebied toegang geven dan wel daaraan grenzen, op of nabij de grens van het gebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-525\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.25</span><span class=\"lf-art-t\">Bebording stiltegebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Gedeputeerde Staten dragen er zorg voor dat het gebied dat is aangewezen ter voorkoming of beperking van geluidhinder als zodanig goed zichtbaar is aangeduid door middel van borden, waarvan het model door Gedeputeerde Staten wordt vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De borden bedoeld in het eerste lid worden geplaatst langs alle verharde openbare wegen en vaarwegen die tot het gebied toegang geven dan wel daaraan grenzen, op of nabij de grens van het gebied.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5.7 Monitoring en evaluatie</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-526\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.26</span><span class=\"lf-art-t\">Evaluatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten zenden periodiek een verslag aan Provinciale Staten over de doeltreffendheid en de effecten van deze verordening in de praktijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-527\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.27</span><span class=\"lf-art-t\">Monitoring N-depositie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Gedeputeerde Staten doen jaarlijks verslag van de ontwikkeling van de N-depositie op Natura 2000-gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Bij de verslaggeving wordt in ieder geval aandacht gegeven aan: de volumeontwikkeling in de veehouderij; de mate van toepassing van emissiearme stalsystemen; de mate waarin de beleidsdoelstelling met betrekking tot de depositieafname bereikt wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-528\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.28</span><span class=\"lf-art-t\">Rapportage uitvoering financiële compensatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op artikel 3.24 Financiële compensatie stellen Gedeputeerde Staten jaarlijks een rapportage vast waarin: verantwoording wordt gegeven over de bestedingen uit het compensatiefonds van het afgelopen jaar; een prioritering wordt gegeven aan de realisatie van het Natuur Netwerk Brabant voor het toekomstige jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk6Procedurele bepalingen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6.1 Algemene bepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Procedure bij ambtshalve wijziging werkingsgebied en nadere regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Gedeputeerde Staten geven toepassing aan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht bij de voorbereiding en ambtshalve wijziging van de grenzen van een werkingsgebied, als bedoeld in paragraaf 5.1.2 Aanpassing van de werkingsgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Gedeputeerde Staten geven toepassing aan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht bij de voorbereiding van nadere regels, als bedoeld in afdeling 5.2 Nadere regels.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-62\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Procedure grenswijziging werkingsgebied op verzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 In het geval dat burgemeester en wethouders het voornemen hebben om een verzoek tot wijziging van de grens van een werkingsgebied te doen ten behoeve van een ruimtelijke ontwikkeling, maakt dit voornemen deel uit van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van een bestemmingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het ontwerp besluit bevat de volgende gebiedsaanduidingen: gebiedsaanduiding: overig – in Interim omgevingsverordening toe te voegen [naam gebiedscategorie]; gebiedsaanduiding: overig – in Interim omgevingsverordening te verwijderen[naam gebiedscategorie]; gebiedsaanduiding - vanwege natuurcompensatie te realiseren natuur, beheertype [landelijke code], indien van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Een verzoek wordt na afloop van de terinzagelegging bedoeld in artikel 3:11 Algemene wet bestuursrecht, bij Gedeputeerde Staten ingediend en gaat vergezeld van een beschrijving waaruit blijkt dat is voldaan aan de in deze verordening gestelde voorwaarden waaronder wijziging van de begrenzing mogelijk is en, in voorkomende gevallen, van naar voren gebrachte zienswijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Gedeputeerde Staten beslissen binnen vier weken na ontvangst van een verzoek als bedoeld eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 Een bestemmingsplan ten behoeve waarvan de gemeente een verzoek om wijziging van de begrenzing heeft gedaan, wordt vastgesteld nadat Gedeputeerde Staten hebben besloten tot wijziging van de begrenzing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-63\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststellen elektronisch formulier</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen ten behoeve van het indienen van aanvragen en documenten een elektronisch formulier vaststellen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6.2 Ontheffing</h3>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf6.2.1Ontheffing rechtstreeks werkende regels hoofdstuk 2</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-64\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.4</span><span class=\"lf-art-t\">Ontheffing algemeen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Een aanvraag voor ontheffing of wijziging van een eerder verleende ontheffing gebaseerd op bepalingen als opgenomen in hoofdstuk 2 Rechtstreeks werkende regels voor activiteiten wordt ingediend met gebruikmaking van een door Gedeputeerde Staten daartoe vastgesteld elektronisch formulier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Een aanvraag bevat in ieder geval: waarvan ontheffing wordt verzocht; een of meer kaarten op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de plaats waar de activiteit plaatsvindt; een beschrijving van de activiteit alsmede de noodzaak daarvan; de potentiele gevolgen van de ontheffing gelet op het belang dat de regel beoogd te beschermen; de maatregelen om ongewenste gevolgen te voorkomen dan wel te beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Een beschrijving van de activiteit bevat voor zover van toepassing tevens gegevens over de constructie, afmetingen en het gebruik van installaties of andere werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Op de voorbereiding van het besluit op de aanvraag is Titel 4.1 Algemene wet bestuursrecht van toepassing, behoudens in geval de aanvraag: een ondergeschikte wijziging van een eerder verleende ontheffing betreft; een nadere uitwerking van een eerder verleende ontheffing betreft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-65\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.5</span><span class=\"lf-art-t\">Ontheffing stortplaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 6.4 Ontheffing algemeen, bevat de aanvraag voor ontheffing van de regels, bedoeld in paragraaf 2.3.3 Stortplaatsen: een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en toestemmingen om het voorgenomen gebruik en, indien van toepassing, de aanleg van nazorgvoorzieningen te kunnen realiseren; de naam en het adres van eenieder die een zakelijk of persoonlijk recht heeft op de percelen waar de ontheffing betrekking op heeft; de maatregelen die worden getroffen om: de aanleg van eventuele additionele nazorgvoorzieningen te realiseren; de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen; aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen; anderszins de uitvoering van de nazorg niet te belemmeren te voorkomen dat de uitvoering van de nazorgvoorzieningen anderszins wordt belemmerd. de wijze van evaluatie van en rapportage over de uitvoering van onder c. bedoelde maatregelen. een hergebruikplan met daarin een beschrijving: van het voorgenomen gebruik van de gesloten of voormalige stortplaats en van het gebied waarin eventuele additionele nazorgvoorzieningen zijn gelegen; op welke wijze wordt voldaan aan de Beleidsnota Hergebruik gesloten stortplaatsen van 22 juni 2004.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf6.2.2Ontheffing instructieregels uit hoofdstuk 3</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-66\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag ontheffing instructieregels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De aanvraag om ontheffing van instructieregels, bedoeld in hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten van deze verordening maakt onderdeel uit van het overleg bij de voorbereiding van een bestemmingsplan en wordt ingediend met gebruikmaking van een door Gedeputeerde Staten daartoe vastgesteld elektronisch formulier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De aanvraag bevat: een beschrijving van de mogelijke gevolgen van de ontheffing voor het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing wordt gevraagd; een of meer verbeeldingen op kaart met een zodanige mate van nauwkeurigheid dat een duidelijk inzicht wordt verkregen van de plaats waarop de ontheffing betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Op de voorbereiding van een ontheffing is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing met dien verstande dat deze voorbereiding onderdeel uitmaakt van de voorbereiding van het bestemmingsplan waarop het verzoek betrekking heeft. Burgemeester en wethouders sturen na afloop van de termijn van tervisielegging de tegen het voornemen ingebrachte zienswijzen onverwijld toe aan Gedeputeerde Staten, vergezeld van hun oordeel daaromtrent.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Gedeputeerde Staten beslissen binnen vier weken na ontvangst van de bescheiden, bedoeld in het derde lid en maken dit besluit bekend via een openbare kennisgeving langs elektronische weg.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6.3 Vergunning en melding</h3>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf6.3.1Vergunning</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-67\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.7</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekken en wijziging van een vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen een vergunning als bedoeld in paragraaf 2.5.1 Provinciale weg intrekken of wijzigen als één van de volgende situaties zich voordoet: er onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; een verandering in omstandigheden of inzichten dit rechtvaardigt; de voorschriften of beperkingen verbonden aan een vergunning niet worden nagekomen; van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen de gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen 12 maanden; de houder van de vergunning dit verzoekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-68\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.8</span><span class=\"lf-art-t\">Buiten toepassing blijven van de lex silencio positivo</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op vergunningen bedoeld in:</h3>\n<p class=\"lf-p\">paragraaf 2.3.2 Ontgronden paragraaf 2.5.1 Provinciale weg Paragraaf6.3.2Melding</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-69\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.9</span><span class=\"lf-art-t\">Startmelding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Een startmelding wordt ingediend met gebruikmaking van het door Gedeputeerde Staten daartoe vastgestelde elektronisch formulier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De startmelding wordt ingediend ten minste twee weken voordat tot de activiteit waarop de startmelding betrekking heeft, wordt overgegaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-610\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.10</span><span class=\"lf-art-t\">Melding algemeen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Een melding wordt ingediend met gebruikmaking van het door Gedeputeerde Staten daartoe vastgesteld elektronisch formulier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De melding bevat: een beschrijving van de activiteit waarop de melding betrekking heeft; een of meer kaarten op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de plaats waar de activiteit zal plaatsvinden; de noodzaak voor de activiteit; inzicht dat wordt voldaan aan de regels uit deze verordening die gelden voor deze activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 De melding wordt gedaan tenminste acht weken voordat de activiteit waarop de melding betrekking heeft, wordt gestart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Gedeputeerde Staten delen de indiener binnen acht weken na ontvangst van de melding mede of met een melding kan worden volstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 De mededeling bedoeld in het vierde lid kan omvatten: de periode waarin van de melding gebruik mag worden gemaakt; een besluit tot het stellen van aanvullende voorschriften op de regels die gelden voor de activiteit ingevolge deze verordening; de plicht om de start van de werkzaamheden vooraf te melden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 6 Met de activiteit mag eerst worden gestart nadat Gedeputeerde Staten hebben aangegeven dat met de melding kan worden volstaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-611\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.11</span><span class=\"lf-art-t\">Melding bodemsanering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt gebruik gemaakt van het door Gedeputeerde Staten vastgestelde elektronische formulier voor de indiening van: een melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid Wet bodembescherming; het saneringsplan; het saneringsverslag; het nazorgplan; een melding als bedoeld in paragraaf 2.3.1 Bodemsanering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-612\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.12</span><span class=\"lf-art-t\">Eisen vellingsmelding houtopstanden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 In afwijking van artikel 6.10 Melding algemeen wordt een melding als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, Wet natuurbescherming ten minste vier weken en niet langer dan één jaar voorafgaand aan de velling gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 In aanvulling op artikel 6.10 Melding algemeen, tweede lid bevat de melding de volgende gegevens: de oppervlakte van de velling of, in geval van rijbeplanting, het aantal bomen; de boomsoort waarop de velling betrekking heeft; de leeftijd van de houtopstand; de reden van de velling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Er kan ontheffing worden gevraagd van de in het eerste lid genoemde termijn onder overeenkomstige toepassing van artikel 6.4 Ontheffing algemeen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6.4 Overige besluiten</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-613\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.13</span><span class=\"lf-art-t\">Bodemsanering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 4.1 Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing op:</h3>\n<p class=\"lf-p\">de voorbereiding van een beschikking ernst en spoed; het instemmen met een saneringsplan; het instemmen met een saneringsverslag; het instemmen met een nazorgplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Voor de toepassing van titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht worden als een aanvraag tot het nemen van een beschikking aangemerkt: de indiening van het rapport van het nader onderzoek; het doen van een melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, Wet bodembescherming; de indiening van het saneringsplan; de indiening van het saneringsverslag; de indiening van het nazorgplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 In afwijking van het eerste lid, is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing op de voorbereiding van een beschikking ernst en spoed, het instemmen met een saneringsplan of het instemmen met een nazorgplan als ten minste twee van de volgende gevallen van toepassing zijn: er is eerder sprake geweest van klachten, hinder of onrust met betrekking tot de verontreinigingslocatie; de locatie ligt in een door Gedeputeerde Staten aangewezen bijzonder gebied, kwetsbaar gebied of stiltegebied, waarbij andere belanghebbenden aanwezig kunnen zijn; er is sprake van een geval van ernstige verontreiniging die met spoed moet worden gesaneerd op grond van artikel 29, eerste lid juncto artikel 37, eerste lid, Wet bodembescherming; er is sprake van een actueel blootstellingsrisico op een vrij toegankelijk terrein; de beschikbaarheid van openbare wegen en voorzieningen wordt beperkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-614\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.14</span><span class=\"lf-art-t\">Regionaal waterplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Op de totstandkoming van een regionaal waterplan als bedoeld in artikel 4.4 Waterwet is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat eenieder zienswijzen tegen het ontwerp plan kan inbrengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 In het regionaal waterplan kan worden bepaald dat Gedeputeerde Staten het regionaal waterplan of onderdelen daarvan moeten of kunnen uitwerken volgens de in het regionaal waterplan gegeven regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Het besluit van Gedeputeerde Staten tot uitwerking van het regionaal waterplan maakt deel uit van het regionaal waterplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk7Regels inzake faunabeheer en vaarwegbeheer</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 7.1 Faunabeheer</h3>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf7.1.1Faunabeheereenheid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.1</span><span class=\"lf-art-t\">Werkgebied faunabeheereenheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Er is één faunabeheereenheid, bedoeld in artikel 3.12, eerste lid, Wet natuurbescherming, in de provincie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het werkgebied bevat het volledige grondgebied van de provincie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-72\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.2</span><span class=\"lf-art-t\">Bestuurssamenstelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Het bestuur wordt voorgezeten door een onafhankelijke voorzitter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De voorzitter wordt met instemming van Gedeputeerde Staten door het bestuur benoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 De maatschappelijke organisaties, bedoeld in artikel 3.12, tweede lid, Wet natuurbescherming, behoeven de instemming van Gedeputeerde Staten voor hun deelname aan het bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Het bestuur stelt een bestuursreglement vast dat ten minste bevat: een beschrijving van de procedure voor benoeming van: de onafhankelijk voorzitter; de bestuursleden. de zittingsperiode van de bestuursleden en de onafhankelijk voorzitter; een beschrijving van de wijze waarop het bestuur haar maatschappelijke verantwoordelijkheid in transparantie vormgeeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 Het bestuursreglement, bedoeld in het vierde lid, behoeft de instemming van Gedeputeerde Staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 6 Gedeputeerde Staten kunnen één adviseur benoemen die de vergaderingen van het bestuur kan bijwonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 7 Het bestuur stelt een huishoudelijk reglement vast dat is gericht op: de uitvoering van de loketfunctie; de procedure voor machtigingen; monitoring.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 8 Gedeputeerde Staten kunnen nadere eisen stellen aan: het bestuursreglement; het huishoudelijk reglement.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-73\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.3</span><span class=\"lf-art-t\">Taken en verantwoordelijkheden faunabeheereenheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Naast het vaststellen van een faunabeheerplan, bedoeld in artikel 3.12, derde lid, Wet naturbescherming, heeft de faunabeheereenheid tot taak: het coördineren van de uitvoering van het vastgestelde faunabeheerplan of de faunabeheerplannen; het faciliteren van de mogelijkheid om te komen tot het bestrijden en voorkomen van belangrijke schade aan de in de Wet natuurbescherming genoemde belangen; het organiseren en coördineren van tellingen van de in het wild levende dieren, conform het faunabeheerplan; het bijhouden van een actueel register van wildbeheereenheden als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, Wet natuurbescherming, waarin ook de begrenzing van de werkgebieden van deze eenheden is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De faunabeheereenheid is verantwoordelijk voor de informatievoorziening aan de achterban van alle in haar bestuur vertegenwoordigde organisaties over ten minste: de taken en bevoegdheden van de faunabeheereenheid; de aan de faunabeheereenheid toegestane handelingen; de actuele regelgeving op het gebied van faunabeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Gedeputeerde Staten kunnen, naast de taken in het eerste en tweede lid, ter uitvoering van het provinciale faunabeleid, aan de faunabeheereenheid extra uitvoerende taken toekennen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-74\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.4</span><span class=\"lf-art-t\">Jaarlijks verslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Het jaarlijks verslag van de faunabeheereenheid, bedoeld in artikel 3.12, achtste lid, Wet natuurbescherming, bevat ten minste: cijfermatige rapportages over de uitvoering van de vrijstellingen, opdrachten, ontheffingen en de uitvoering voor de jacht voor soorten waar het faunabeheerplan betrekking op heeft; een overzicht van populatieontwikkelingen die een risico kunnen vormen voor de belangen, bedoeld in de artikelen 3.3, vierde lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4°, 3.8, vijfde lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 3° en 3.10, tweede lid, onder b tot en met h, Wet natuurbescherming, of die een risico vormen voor de gunstige staat van instandhouding van een soort; inzicht in de ontwikkeling van schade veroorzaakt door diersoorten beschreven in het faunabeheerplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Gedeputeerde Staten kunnen nadere eisen stellen aan de inhoud van het verslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf7.1.2Faunabeheerplan</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-75\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.5</span><span class=\"lf-art-t\">Geldigheidsduur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Een faunabeheerplan heeft een geldigheidsduur van ten hoogste 6 jaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De faunabeheereenheid kan het faunabeheerplan wijzigen gedurende het tijdvak waarvoor het is vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 De wijziging, bedoeld in het tweede lid, behoeft de goedkeuring van Gedeputeerde Staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van de faunabeheereenheid de geldigheidsduur, genoemd in het eerste lid, met maximaal 24 maanden verlengen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-76\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.6</span><span class=\"lf-art-t\">Reikwijdte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Een faunabeheerplan kan mede betrekking hebben op het grondgebied van een andere faunabeheereenheid dan de faunabeheereenheid in de provincie Noord-Brabant, voor zover het de situatie betreft, bedoeld in artikel 3.12, derde lid, tweede volzin, van de Wet natuurbescherming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Onverminderd het bepaalde in artikel 3.12, derde lid, van de Wet natuurbescherming heeft een faunabeheerplan betrekking op een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 5.000 hectare.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-77\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.7</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene eisen faunabeheerplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Een faunabeheerplan bevat in ieder geval de volgende gegevens: de omvang van het totale werkgebied van de faunabeheereenheid in hectares; een kaart waarop de begrenzing van het werkgebied van de faunabeheereenheid is aangegeven; een beschrijving van de samenhang tussen populatiebeheer, schadebestrijding en de uitoefening van de jacht; een beschrijving van de aard en omvang van de handelingen die zijn verricht in de periode waarin het voorafgaande faunabeheerplan geldig was; een beschrijving van de aard en de omvang van de handelingen die zullen worden verricht gedurende de geldigheidsduur van het faunabeheerplan, onderscheiden per diersoort; een vermelding van de perioden van het jaar waarin de handelingen waarop een faunabeheerplan betrekking heeft zullen plaatsvinden; een vermelding van de criteria op basis waarvan wildbeheereenheden handelingen waarop een faunabeheerplan betrekking heeft kunnen verrichten; kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten, ten aanzien waarvan binnen de provincie een duurzaam beheer of schadebestrijding noodzakelijk wordt geacht, gebaseerd op uitgevoerde (trend)tellingen, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebieden gedurende het jaar; een overzicht van de gedode dieren, onderverdeeld naar diersoort en representatieve gebieden, in de looptijd van het voorgaande faunabeheerplan binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid; voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de in onderdeel f bedoelde handelingen; een omschrijving van de wijze waarop de gunstige staat van instandhouding van de soorten waarop het plan betrekking heeft gewaarborgd zal worden, voor zover de maatregelen binnen de competentie van de faunabeheereenheid vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het bepaalde in het eerste lid, onder d en i, geldt niet voor soorten waarvoor in de voorgaande periode geen faunabeheerplan gold.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Gedeputeerde Staten kunnen nadere eisen stellen met betrekking tot: de in een faunabeheerplan op te nemen gegevens; de wijze waarop het faunabeheerplan tot stand komt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-78\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.8</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende eisen met betrekking tot de beperking van de omvang van populaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Met betrekking tot soorten waarvoor binnen de provincie duurzaam beheer van de populatie gewenst of noodzakelijk is, waaronder ook wordt verstaan het in omvang beperken van de populatie of populaties, bevat een faunabeheerplan, naast hetgeen de Wet natuurbescherming en artikel 7.7 Algemene eisen faunabeheerplan verlangen, ten minste de volgende gegevens: een onderbouwing van de noodzaak van populatiebeheer, bestaande uit een onderbouwing van één of meerdere belangen, als bedoeld in de artikelen 3.3, vierde lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4°, 3.8, vijfde lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 3° en 3.10, tweede lid, onder b tot en met h, Wet natuurbescherming die zouden worden geschaad indien niet tot beheer zou worden overgegaan; de huidige stand van de in de aanhef bedoelde diersoorten waarvoor een ontheffing is verleend, in relatie tot de toekomstige en gewenste stand; een beschrijving wanneer sprake is van een verslechtering van de staat van instandhouding, de wijze waarop monitoring plaatsvindt teneinde dat te voorkomen en de te treffen maatregelen als dit zich voordoet; een beschrijving van de mate waarin de onder a bedoelde belangen in de periode waarop het voorgaande faunabeheerplan betrekking had zijn geschaad, inclusief de getroffen maatregelen en het naar soort onderscheiden, aantal gedode dieren; een omschrijving van de voorgenomen handelingen en de noodzaak van deze handelingen om de gewenste stand te bereiken en ernstige dan wel belangrijke schade te voorkomen; per diersoort een beschrijving van de handelingen die, in de periode waarop het voorgaande faunabeheerplan betrekking had, zijn verricht om het schaden van de onder a genoemde belangen te voorkomen; een onderbouwde inschatting van de effectiviteit van de voorgenomen handelingen en een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van deze handelingen zal worden bepaald; voor zover het plan betrekking heeft op populatiebeheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie alsmede de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het bepaalde in het eerste lid, onder d en f, geldt niet voor soorten waarvoor in de voorgaande periode geen faunabeheerplan gold.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-79\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.9</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende eisen met betrekking tot schadebestrijding op basis van vrijstellingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot soorten die binnen de provincie, voor zover dit het werkgebied van de faunabeheereenheid omvat, schade veroorzaken of dreigen te veroorzaken en waarvoor op grond van deze verordening vrijstelling is verleend, bevat een faunabeheerplan, naast hetgeen de Wet natuurbescherming en artikel 7.7 Algemene eisen faunabeheerplan verlangen, ten minste de volgende gegevens: een beschrijving van de wijze waarop de planmatigheid en de coördinatie van de uitvoering van schadebestrijding onder de vrijstelling, bedoeld in paragraaf 2.6.2 Schade- en overlastbestrijding, is gewaarborgd; voor zover daarover redelijkerwijs gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de mate waarin de belangen, op grond waarvan de vrijstelling is verleend, in de periode waarin het voorafgaande faunabeheerplan geldig was zijn geschaad, inclusief de getroffen beheermaatregelen waaronder het naar soort onderscheiden aantal gedode dieren, kwantitatieve gegevens over het effect van die handelingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-710\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.10</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende eisen met betrekking tot schadebestrijding op basis van een ontheffing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Met betrekking tot soorten die binnen de provincie, voor zover dit het werkgebied van de faunabeheereenheid omvat, schade veroorzaken of dreigen te veroorzaken en waarvoor ontheffing is vereist, bevat een faunabeheerplan, naast hetgeen de Wet natuurbescherming en artikel 7.7 Algemene eisen faunabeheerplan verlangen, ten minste de volgende gegevens: een onderbouwing van de noodzaak van schadebestrijding, waaronder een onderbouwde verwachting van de mate waarin de belangen, bedoeld in de artikelen 3.3, vierde lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4°, 3.8, vijfde lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 3° en artikel 3.10, tweede lid, onder b tot en met h, Wet natuurbescherming, zouden worden geschaad indien niet tot schadebestrijding zou worden overgegaan; een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel a bedoelde belangen, in de periode waarin het voorafgaande faunabeheerplan geldig was, zijn geschaad, inclusief de getroffen beheermaatregelen waaronder het naar soort onderscheiden aantal gedode dieren, alsmede, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van het effect van die handelingen; in geval wordt gekozen voor de handeling doden, een beschrijving waarom alternatieve handelingen of handelwijzen niet tot een bevredigend resultaat zullen leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het eerste lid, onder b, geldt niet voor soorten waarvoor in de voorgaande periode geen faunabeheerplan gold.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-711\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.11</span><span class=\"lf-art-t\">Eisen met betrekking tot de jacht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Inzake de jacht bevat het faunabeheerplan ten minste: de gegevens, genoemd in artikel 7.7, eerste lid, onder a tot en met i; in samenhang met de gegevens, genoemd in artikel 7.7, eerste lid, onder c, een beschrijving van de maatschappelijke belangen die worden gediend met de uitoefening van de jacht; een omschrijving van de 'redelijke stand van het aanwezige wild', bedoeld in artikel 3.20, derde lid, Wet natuurbescherming, onderverdeeld naar wildsoort per representatief gebied; een beschrijving van de maatregelen die door jachthouders op het niveau van een wildbeheereenheid of de wildbeheereenheden worden getroffen indien, als gevolg van de in het faunabeheerplan beschreven jacht, de redelijke stand van het aanwezige wild of de aanwezige wildsoorten negatief wordt beïnvloed; een beschrijving van de wijze waarop jachtaktehouders de gegevens, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, Wet natuurbescherming, verstrekken aan de faunabeheereenheid; een beschrijving van de ontwikkeling van de populatie op basis van trendgegevens.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-712\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.12</span><span class=\"lf-art-t\">Goedkeuring</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Om voor goedkeuring als bedoeld in artikel 3.12, zevende lid, Wet natuurbescherming in aanmerking te komen, voldoet een faunabeheerplan aan de eisen die voortvloeien uit de Wet natuurbescherming en het bepaalde in deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een wijziging van het faunabeheerplan als bedoeld in artikel 7.5, tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf7.1.3Wildbeheereenheid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-713\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.13</span><span class=\"lf-art-t\">Oppervlakte en begrenzing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De zorg van een wildbeheereenheid strekt zich uit over een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 5.000 hectare.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het werkgebied van een wildbeheereenheid strekt zich niet uit tot het werkgebied van een andere wildbeheereenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Een wildbeheereenheid kan, in overeenstemming met andere betrokken wildbeheereenheden, de begrenzingen van haar werkgebied wijzigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Het werkgebied van een wildbeheereenheid is volledig gelegen binnen het grondgebied van de provincie Noord- Brabant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 De wildbeheereenheid draagt er zorg voor dat de juiste begrenzing van het werkgebied wordt gemeld aan de faunabeheereenheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-714\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.14</span><span class=\"lf-art-t\">Statuten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De wildbeheereenheden dragen er zorg voor dat de verenigingsstatuten zodanig zijn geformuleerd dat deze met betrekking tot de doelstellingen overeenkomen met de eisen uit de Wet natuurbescherming.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-715\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.15</span><span class=\"lf-art-t\">Tellingen en registratie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De wildbeheereenheid coördineert voor haar werkgebied, ter uitvoering van het bepaalde in het faunabeheerplan, de (trend)tellingen van in het wild voorkomende diersoorten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De wildbeheereenheid draagt zorg voor een gecoördineerde uitvoering van de verplichting, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, Wet Natuurbescherming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Het eerste en tweede lid worden uitgevoerd conform het door Gedeputeerde Staten goedgekeurde faunabeheerplan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-716\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.16</span><span class=\"lf-art-t\">Informatieverstrekking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De wildbeheereenheid verstrekt op verzoek van de faunabeheereenheid de nodige informatie aan de faunabeheereenheid over de uitvoering van het faunabeheerplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De wildbeheereenheid informeert haar leden op adequate wijze over: regelgeving; de uitvoering van de aan de wildbeheereenheid toegestane handelingen; ecologische feiten; ontwikkelingen op het gebied van faunabeheer.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 7.2 Vaarwegbeheer</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-717\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.17</span><span class=\"lf-art-t\">Toedeling beheer vaarwegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De volgende vaarwegen en havens betreffen provinciale vaarwegen in beheer van de provincie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Mark;</p>\n<p class=\"lf-p\">Mark-Vlietkanaal;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dintel;</p>\n<p class=\"lf-p\">Roode Vaart;</p>\n<p class=\"lf-p\">Roosendaalsche en Steenbergse vliet (inclusief de Steenbergse en Heense haven).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De volgende vaarwegen en havens worden toebedeeld aan het genoemde bestuursorgaan, voor zover gelegen binnen Stedelijk gebied:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeente Breda: het deel van de Mark Bovenstrooms van de Singel tot aan hectometerpaal 0,0 en de overige wateren in Breda, inclusief de Krouwelaar, Belcrum en de Nieuwe Haven;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeente Eindhoven: Eindhovens Kanaal en het Beatrixkanaal;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeente Halderberge: Jachthaven Oudenbosch;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeente Helmond: Traverse Helmond, inclusief industriehaven;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeente 's-Hertogenbosch: Industriehaven 's-Hertogenbosch, Aa, Dommel, Singelgracht, Traverse 's-Hertogenbosch en de overige wateren in 's-Hertogenbosch;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeente Moerdijk: Leeman, Nolleke Sas;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeente Oss: Industriehaven Oss (Burg. Jansenhaven en Burg. van Veldhuizenhaven), Burgemeester Deelenkanaal;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeente Roosendaal: Schipbeek / Halsegat / Oude Haven;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeente Waalwijk: Kerkvaart, Capelsche Haven, Binnen- en Buitenhaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk8Financiële bepalingen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 8.1 Kosten en schade vanwege rechtstreeks werkende regels</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-81\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.1</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is van toepassing: op de totstandkoming van beschikkingen van Gedeputeerde Staten op grond van artikel 15.21 juncto artikel 15.20 en op grond van artikel 15.22 Wet milieubeheer met betrekking tot de vergoeding van kosten of schade door het van toepassing worden van de regels in hoofdstuk 2 Rechtstreeks werkende regels voor activiteiten; op de totstandkoming van beschikkingen van Gedeputeerde Staten op grond van de artikelen 26 en 28 en waar relevant artikel 29 a van de Ontgrondingenwet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.2</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag om vergoeding van kosten of schade bevat tenminste de volgende gegevens: de regels waardoor de aanvrager zich voor kosten ziet gesteld, dan wel schade lijdt; de aard en de omvang van de kosten dan wel de schade; de wijze waarop de kosten of de schade naar het oordeel van de aanvrager vergoed moet worden en, als een vergoeding in geld wordt gewenst, het bedrag dat naar zijn oordeel voor vergoeding in aanmerking komt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-83\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.3</span><span class=\"lf-art-t\">Deskundigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Gedeputeerde Staten kunnen deskundigen aanwijzen die zijn belast met het adviseren inzake het geven van een beschikking als bedoeld in artikel 8.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Gedeputeerde Staten kunnen het advies inwinnen van de deskundigen, bedoeld in het eerste lid, omtrent een aanvraag om vergoeding of omtrent het voornemen tot een toekenning daarvan uit eigen beweging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Als toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, wordt de aanvrager van de beschikking in de gelegenheid gesteld aan die deskundigen zijn aanvraag toe te lichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Als Gedeputeerde Staten voornemens zijn uit eigen beweging een beschikking te geven, wordt degene tot wie de beschikking zal zijn gericht, in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen omtrent het voornemen aan de deskundigen kenbaar te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 Als de aanvraag om vergoeding of het voornemen tot de toekenning daarvan uit eigen beweging betrekking heeft op kosten dan wel schade en deskundigen zijn aangewezen die zijn belast met het adviseren inzake de toekenning van die vergoeding, wordt de betrokken grondwateronttrekker in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen over die aanvraag of dat voornemen aan die deskundigen kenbaar te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 6 De deskundigen brengen advies uit inzake: de vraag of de kosten zijn gemaakt, dan wel de schade is geleden door het van toepassing worden van bepalingen van deze verordening; de omvang van de kosten dan wel de schade;</p></div>", "next": 239965}