{"html": "<div class=\"lf-doc\"><h4 class=\"lf-art\" id=\"a-312\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.12</span><span class=\"lf-art-t\">Sluitingstijden seksinrichtingen; aanwezigheid; toegang</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is de exploitant en de leidinggevende verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven: op zondag tot en met donderdag tussen 01.00 en 07.00 uur; op vrijdag en zaterdag tussen 02.00 en 07.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het bevoegd bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde en het woon- of leefklimaat voor één of meer seksinrichtingen of categorieën van seksinrichtingen de in het eerste lid genoemde sluitingstijden, al dan niet tijdelijk, beperken dan wel andere sluitingstijden vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting gesloten moet zijn voor bezoekers.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het is de exploitant en de leidinggevende verboden personen die nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt toe te laten of te laten verblijven in een seksinrichting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-313\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.13</span><span class=\"lf-art-t\">Adverteren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in advertenties voor een seksbedrijf: geen vermelding op te nemen van het telefoonnummer, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, onder e, van het nummer, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, onder i, en van de bedrijfsnaam; vermelding op te nemen van een ander telefoonnummer dan bedoeld onder a, en als het een prostitutiebedrijf betreft, onveilige seks aan te bieden of te garanderen dat prostituees die voor of bij het betreffende bedrijf werken, vrij zijn van seksueel overdraagbare aandoeningen; andere foto’s te gebruiken dan van de daadwerkelijk in het seksbedrijf werkzame prostituées.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf3.2Regels voor alle prostitutiebedrijven en prostituees</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-314\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.14</span><span class=\"lf-art-t\">Leeftijd en verblijfstitel prostituee</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is een exploitant verboden een prostituee voor of bij zich te laten werken die: nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt; in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is een prostituee verboden werkzaam te zijn voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een prostitutiebedrijf is verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-315\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.15</span><span class=\"lf-art-t\">Bedrijfsplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een prostitutiebedrijf beschikt over een bedrijfsplan, waarin in ieder geval wordt beschreven welke maatregelen de exploitant treft: op het gebied van hygiëne; ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het zelfbeschikkingsrecht van de prostituees; ter bescherming van de gezondheid van de klanten; ter voorkoming van strafbare feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De door de exploitant te treffen maatregelen, bedoeld in het eerste lid, sub a en b waarborgen dat: de hygiëne in een seksinrichting voldoet aan de algemene een exploitant in zijn bedrijfsvoering en inrichting van de werkruimten treft voor gezonde en veilige werkomstandigheden voor prostituees; in de werkruimten te allen tijde voldoende condooms met een CE-markering voor gebruik beschikbaar zijn; in de werkruimten voor de prostituees een goed functionerende alarmvoorziening aanwezig is; de prostituee zich regelmatig kan laten onderzoeken op seksueel overdraagbare aandoeningen en door de exploitant voldoende geïnformeerd is over de mogelijkheden van een dergelijk onderzoek; de prostituee niet gedwongen wordt zich geneeskundig te laten onderzoeken; de prostituee vrij is in de keuze van de arts(en) die zij wil bezoeken; de prostituee klanten en diensten kan weigeren zonder dat dat voor haar andere werkzaamheden gevolgen heeft; de prostituee niet verplicht kan worden om zonder condoom te werken; de prostituee kan weigeren alcohol of drugs te gebruiken zonder dat dat voor haar werkzaamheden gevolgen heeft; aan de voor de exploitant werkzame leidinggevende voldoende professionele eisen op het gebied van agressiebeheersing en bedrijfshulpverlening worden gesteld en waar nodig wordt gezorgd voor scholing hierin; de exploitant zich een oordeel vormt over de mate van zelfredzaamheid van de prostituee voordat deze voor of bij hem gaat werken, teneinde vast te stellen of zij voldoet aan de eisen die hij hiervoor in zijn bedrijfsplan heeft opgenomen; de exploitant voor elke voor of bij hem werkzame prostituee kan aantonen onder welke verhuur- of arbeidsvoorwaarden zij haar diensten aanbiedt; de exploitant of leidinggevende zich er regelmatig van vergewist dat de prostituee niet door derden gedwongen wordt tot prostitutie en dat hij in dit kader informatie van hulpverleningsinstanties ter beschikking stelt; de exploitant aan de voor of bij hem werkzame prostituees informatie ter beschikking stelt over de mogelijkheden om hulp te krijgen als een prostituee wil stoppen met haar werk in de prostitutie; er voldoende toezicht plaatsvindt op het prostitutiebedrijf; de overlast aan de omgeving van de onder het seksbedrijf vallende seksinrichtingen beperkt wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het bedrijfsplan wordt overgelegd bij de aanvraag om een vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De exploitant meldt een voorgenomen wijziging van het bedrijfsplan onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan. De wijziging wordt na goedkeuring van het bevoegde bestuursorgaan als onderdeel van het bedrijfsplan aangemerkt, als deze voldoet aan de eisen die overeenkomstig het eerste en tweede lid aan een bedrijfsplan worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De rechten voor prostituees, die worden gewaarborgd op grond van het tweede lid, worden op schrift gesteld en in een voor haar begrijpelijke taal uitgereikt aan elke prostituee die werkzaam is voor of bij de exploitant.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.In de seksinrichting wordt in ten minste twee talen en voor de klant goed zichtbaar bekend gemaakt dat een prostituee klanten en diensten mag weigeren en mag weigeren alcohol of drugs te gebruiken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-316\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.16</span><span class=\"lf-art-t\">Minimale verhuurperiode werkruimte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-317\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.17</span><span class=\"lf-art-t\">Verdere verplichtingen van de exploitant en leidinggevende prostitutiebedrijf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De exploitant of de leidinggevende is aanwezig gedurende de uren dat het prostitutiebedrijf daadwerkelijk wordt uitgeoefend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De exploitant van een prostitutiebedrijf draagt er zorg voor dat: de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees redelijkerwijs hun eigen werktijden kunnen bepalen; er een deugdelijke bedrijfsadministratie wordt gevoerd waarin de actuele gegevens zijn opgenomen van in ieder geval: de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees; de verhuuradministratie; met betrekking tot alle voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees, documentatie die ten grondslag ligt aan de vorming van het oordeel over de mate van zelfredzaamheid, bedoeld in artikel 3.15, tweede lid, onder l; de werkroosters van de leidinggevenden. de bedrijfsadministratie met inachtneming van de wettelijke termijnen wordt bewaard en te allen tijde beschikbaar is voor toezichthouders; medewerkers van de gemeentelijke gezondheidsdienst en van andere door de burgemeester of het college aangewezen instellingen worden toegelaten tot seksinrichtingen als ze voornemens zijn voorlichtings- en preventieactiviteiten uit te voeren of voorlichtingsmateriaal te verspreiden; onverwijld bij de politie wordt gemeld ieder signaal van mensenhandel of andere vormen van dwang en uitbuiting; onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan wordt gemeld als gedurende ten minste één maand geen gebruik gemaakt zal worden van de vergunning. Deze melding vermeldt de reden en de verwachte duur; gedaan wordt wat nodig is voor een goede gang van zaken binnen het prostitutiebedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf3.3Raam- en straatprostitutie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-318\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.18</span><span class=\"lf-art-t\">Raamprostitutie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is een prostituee verboden: a.zich vanuit een gebouw of vanuit de toegang naar een gebouw aan klanten die zich op of aan de weg bevinden beschikbaar te stellen; en b.passanten hinderlijk te bejegenen of zich aan passanten op te dringen dan wel zich ongekleed of vrijwel ongekleed achter het raam van een seksinrichting of in de toegang tot een seksinrichting op te houden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-319\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.19</span><span class=\"lf-art-t\">Straatprostitutie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zich op of aan de weg of op, aan of in een andere vanaf de weg zichtbare plaats, niet zijnde een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend, op te houden met het kennelijke doel prostitutie of het verrichten van seksuele handelingen in het kader van prostitutie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-320\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.20</span><span class=\"lf-art-t\">Handhaving straatprostitutie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op de naleving van het verbod bedoeld in artikel 3.19 kan door een politieambtenaar of toezichthouder het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4 Overige bepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-321\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.21</span><span class=\"lf-art-t\">Verbodsbepalingen klanten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is een klant verboden seksuele handelingen te verrichten met een prostituee van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat zij werkzaam is voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een prostitutiebedrijf is verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere voor publiek toegankelijke plaats gebruik te maken van de diensten van een prostituee.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verbod, bedoeld in het tweede lid, geldt niet in een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-322\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.22</span><span class=\"lf-art-t\">Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk tentoon te stellen, aan te bieden of aan te brengen als het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het eerste lid is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-323\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.23</span><span class=\"lf-art-t\">Sekswinkels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk4Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 1 Geluidhinder en verlichting</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-41\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Definities</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer; inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het Besluit; houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; paracommerciële rechtspersoon: een rechtspersoon als bedoeld in artikel 1 Drank- en Horecawet; collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting; geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende inrichting; onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing collectieve festiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4.5 van deze verordening gelden niet voor ten hoogste twaalf door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor ten hoogste twaalf door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer delen van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit direct als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het geluidsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan de in de tabel opgenomen waarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.00-19.00 uur 19.00-2.00 uur LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen 65 dB(A) 50 dB(A) LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 50 dB(A) 35 dB(A) LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen 75 dB(A) 65 dB(A) LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 60 dB(A) 50 dB(A) 6.Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek -hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4.5 van deze verordening- uiterlijk om 02.00 uur beëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.De geluidsnorm als bedoeld in het vijfde lid is inclusief onversterkte muziek. De bedrijfsduurcorrectie en de muziektoeslag worden buiten beschouwing gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.De in het vijfde lid genoemde geluidswaarde op de gevel geldt ook bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.De collectieve festiviteit ziet uitsluitend op activiteiten in het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-43\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving incidentele festiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is een inrichting, niet zijnde een inrichting van een paracommerciële rechtspersoon, toegestaan maximaal tien incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4.5 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting het college op de dag waarop de festiviteit plaatsvindt, het college daarvan in kennis heeft gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is een inrichting, niet zijnde een inrichting van een paracommerciële rechtspersoon, toegestaan om tijdens maximaal tien incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting het college op de dag waarop de festiviteit plaatsvindt, daarvan in kennis heeft gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het is een inrichting van een paracommerciële rechtspersoon toegestaan maximaal 6 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4.5 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting het college op de dag waarop de festiviteit plaatsvindt, daarvan in kennis heeft gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het is een inrichting van een paracommerciële rechtspersoon toegestaan om tijdens maximaal 6 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting het college op de dag waarop de festiviteit plaatsvindt, daarvan in kennis heeft gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het geluidsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan de in de tabel opgenomen waarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.00-19.00 uur 19.00-2.00 uur LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen 65 dB(A) 50 dB(A) LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 50 dB(A) 35 dB(A) LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen 75 dB(A) 65 dB(A) LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 60 dB(A) 50 dB(A) 6.Op de dagen als bedoeld in het eerste en derde lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek -hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4.5 van deze verordening- uiterlijk om 02.00 uur beëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.De geluidsnorm als bedoeld in het vijfde lid is inclusief onversterkte muziek. De bedrijfsduurcorrectie en de muziektoeslag worden buiten beschouwing gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.De in het vijfde lid genoemde geluidsnorm op de gevel geldt ook bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.De incidentele festiviteit, artikel 4.3, ziet uitsluitend op activiteiten in het bebouwde gedeelte van de inrichting. Voor de buitenruimte geldt artikel 4.3a.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-43a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.3a</span><span class=\"lf-art-t\">Geluid tijdens collectieve en incidentele festiviteiten in de buitenruimte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ontheffing van de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 4.2, eerste lid en 4.3, eerste lid geldt ten hoogste 3 keer per jaar voor het niet bebouwde deel van de inrichting tot 23.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het geluidsniveau gedurende 1 minuut (LAr,LT) veroorzaakt door muziek- en zanggeluid afkomstig van het niet bebouwde deel van de inrichting mag tussen 9.00 en 23.00 uur op een afstand van 10 meter van de geluidsbron niet meer bedragen dan 85 dB(A).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De geluidsnormen als bedoeld in het tweede lid zijn inclusief onversterkte muziek. De bedrijfsduurcorrectie en de muziektoeslag worden buiten beschouwing gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het college kan voor het gestelde in het tweede lid ontheffing verlenen. Het college kan aan deze ontheffing voorschriften verbinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-44\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden incidentele festiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-45\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Onversterkte muziek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gelet op artikel 2.18, eerste lid onder f en krachtens artikel 2.18, vijfde lid, van het Besluit wordt onversterkte muziek tussen 23.00 uur en 7.00 uur niet buiten beschouwing gelaten bij het bepalen van het geluidsniveau van een inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-45a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.5a</span><span class=\"lf-art-t\">Geluidhinder in de openlucht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden buiten een inrichting in de openlucht een geluidsapparaat, toestel of machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan terreinen of wateren aanwijzen waar het verbod niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, toestellen of machines, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op: het maximale geluidsniveau; de situering van geluidsbronnen; de frequentie en tijden van gebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit of de provinciale milieuverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-46\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.6</span><span class=\"lf-art-t\">Overige geluidhinder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten of te laten verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod geldt niet voor 0-evenementen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Besluit of de provinciale milieuverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-47\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.7</span><span class=\"lf-art-t\">Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-48\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.8</span><span class=\"lf-art-t\">Routering (nachtelijk rijverbod)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer met een vrachtauto, als bedoeld in artikel 1, onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, waarvan het ledig gewicht vermeerderd met het laadvermogen meer bedraagt dan 3.500 kg of die met inbegrip van de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,40 meter, tussen 23.00 en 07.00 uur op een andere dan door het college aangewezen weg te rijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-49\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.9</span><span class=\"lf-art-t\">Geluidhinder door handelingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer handelingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden te verrichten of te laten verrichten tussen 23.00 en 07.00 uur op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, of de provinciale milieuverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2 Afvalstoffen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-439\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.39</span><span class=\"lf-art-t\">Straatvegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-440\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.40</span><span class=\"lf-art-t\">Natuurlijke behoefte doen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-441\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.41</span><span class=\"lf-art-t\">Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-442\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.42</span><span class=\"lf-art-t\">Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de open lucht of buiten de weg, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4.46 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet ruimtelijke Ordening of de provinciale verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-443\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.43</span><span class=\"lf-art-t\">Stankoverlast door gebruik van meststoffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-444\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.44</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-445\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.45</span><span class=\"lf-art-t\">Graffiti</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Onverminderd het bepaalde in artikel 2.56, tweede lid, is de rechthebbende op een (gedeelte van een) onroerende zaak die vanaf de weg zichtbaar is, verplicht om binnen zeven werkbare werkdagen na het aanbrengen van graffiti, de graffiti te (laten) verwijderen of anderszins aan het oog te onttrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het gebod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Woningwet.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5 Kamperen buiten kampeerterreinen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-446\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.46</span><span class=\"lf-art-t\">Definitie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-447\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.47</span><span class=\"lf-art-t\">Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, het exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: natuur en landschap; of een stadsgezicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-448\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.48</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing kampeerplaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Artikel 4.47, eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 4.47, vierde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk5Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 1 Parkeerexcessen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Definities</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt verstaan onder: parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990). voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; weg: de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b, van de WVW 1994;</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Voertuigen van autobedrijf en dergelijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: tien of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 100 meter met als middelpunt het hart van het bedrijfsgebouw of zijn woning; de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Te koop aanbieden van voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-54\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Defecte voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voertuig: waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden of, dat niet is voorzien van een voor het rijden met een zodanig voertuig wettelijk verplicht kenteken, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-55\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Voertuigwrakken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert, op de weg te parkeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-56\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.6</span><span class=\"lf-art-t\">Kampeermiddelen en andere voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben; op de weg te parkeren bij, voor, naast of achter een bewoond perceel op zodanige wijze, dat daardoor het uitzicht vanuit dat perceel voor de bewoners op hinderlijke wijze wordt belemmerd; op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a en b.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de provinciale wegenverordening of de provinciale landschapsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-57\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.7</span><span class=\"lf-art-t\">Reclamevoertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-58\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.8</span><span class=\"lf-art-t\">Grote voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het tweede lid is voorts niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het college kan ontheffing verlenen van de verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-59\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.9</span><span class=\"lf-art-t\">Uitzicht belemmerende voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-510\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.10</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-510a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.10a</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren anders dan op de rijbaan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een voertuig te parkeren op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-511\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.11</span><span class=\"lf-art-t\">Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Dit verbod is niet van toepassing op: de weg; voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam; voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod..</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-512\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.12</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast van fietsen of bromfietsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen: onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan; of langer dan vier weken aaneengesloten onbeheerd te laten staan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2 Collecteren</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-513\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.13</span><span class=\"lf-art-t\">Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder een inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan het aanvaarden van geld of goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verbod geldt niet voor een inzameling of werving die wordt gehouden: in besloten kring; door een organisatie die is opgenomen op het landelijke collecte- en wervingsrooster van het Centraal Bureau Fondsenwerving. door een andere, door het college aangewezen instelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De aanvraag voor een vergunning kan uitsluitend worden gedaan door een organisatie die erkend is door het Centraal Bureau Fondsenwerving of een ANBI-status heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De aanvraag moet uiterlijk twee weken voor de inzameling of werving worden gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.1 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3 Venten</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-514\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.14</span><span class=\"lf-art-t\">Definitie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder venten wordt niet verstaan: het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet; het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5.17.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-515\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.15</span><span class=\"lf-art-t\">Ventverbod</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden te venten: bij scholen, ziekenhuizen en andere verzorgende instellingen en op de weekmarkt dan wel op andere door het college aangewezen openbare plaatsen; op maandag tot en met zaterdag vóór 09.00 uur en na 21.00 uur en op zondag vóór 12.00 uur en na 18.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod is niet van toepassing op; situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet; het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-516\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.16</span><span class=\"lf-art-t\">Venten met gedrukte stukken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4 Standplaatsen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-517\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.17</span><span class=\"lf-art-t\">Definitie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan: het vanaf een vaste plaats op of aan de weg te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder standplaats wordt niet verstaan: een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2.26.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-518\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.18</span><span class=\"lf-art-t\">Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning worden geweigerd als: de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand; of een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid heeft een geldigheidsduur van één jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-519\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.19</span><span class=\"lf-art-t\">Toestemming rechthebbende</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-520\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.20</span><span class=\"lf-art-t\">Afbakeningsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Artikel 5.18, eerste lid, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement Zuid-Holland.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De weigeringsgrond van artikel 5.18, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5 Snuffelmarkten</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-521\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.21</span><span class=\"lf-art-t\">Snuffelmarkten en dergelijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen (verplaatst naar artikel 2.26, lid 2, onder e).</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6 Openbaar water</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-522\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.22</span><span class=\"lf-art-t\">Beschadigen van waterstaatwerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-522a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.22a</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwerpen op, in of boven openbaar water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder vergunning van het college een voorwerp, niet zijnde een voorwerp als bedoeld in het tweede lid of een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin voorzien wordt door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterwet, het bepaalde bij of krachtens de Waterschapswet, de provinciale vaarwegenverordening, de Binnenhavenverordening Vlaardingen 2010 of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-522b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.22b</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod op magneetvissen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden in of bij openbaar water te baggeren, te dreggen of te vissen naar voorwerpen en/of stoffen met behulp van magneten of enige techniek met vergelijkbare werking.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verbod is niet van toepassing op politie, Defensie en Waterschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-523\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.23</span><span class=\"lf-art-t\">Reddingsmiddelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel, dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-524\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.24</span><span class=\"lf-art-t\">Zwemverbod</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden in openbare wateren c.q, waterpartijen te baden of te zwemmen binnen 25 meter van bruggen, sluizen of andere dergelijke constructies.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan (gedeelten van) openbare wateren aanwijzen waar het verboden is te zwemmen of te baden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-525\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.25</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheid op het water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-526\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.26</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast aan vaartuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 7 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-526a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.26a</span><span class=\"lf-art-t\">Definities</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt verstaan onder: motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, onder z, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid onder e, van de Wegenverkeerswet 1994. weg: hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-527\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.27</span><span class=\"lf-art-t\">Crossterreinen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: het voorkomen of beperken van overlast; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproduktie sportmotoren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-528\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.28</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking verkeer in natuurgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: het voorkomen van overlast; de bescherming van natuur- of milieuwaarden; de veiligheid van het publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d.bedoelde personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het verbod is voorts niet van toepassing: op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen; binnen de bij of krachtens de provinciale verordening ‘Stiltegebieden’ aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als ‘toestel’.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 8 Verbod vuur te stoken</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-529\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.29</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; sfeervuren, zoals terrashaarden en vuurkorven, op eigen terrein met een maximale afmeting van 0,50 x 1,00 x 0,50 m (lxhxb), voor zover geen afvalstoffen worden verbrand; vuur voor koken, bakken en braden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan perioden, tijden of gebieden aanwijzen wanneer of waar het gestelde in het tweede lid, onder c verboden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het college kan van het verbod als bedoeld in het eerste lid ontheffing verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en de fauna.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1º of 3º, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale milieuverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 9 Handelsreclame</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-530\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.30</span><span class=\"lf-art-t\">Reclameborden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder vergunning van het college de weg of een weggedeelte te gebruiken voor het plaatsen van voorwerpen op of boven de weg/het weggedeelte en het bevestigen ervan aan of rond objecten, met het doel om handelsreclame te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid, kan uitsluitend worden verleend aan degene aan wie de gemeente de concessie van diensten voor de exploitatie van de reclameborden heeft verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd indien al een vergunning ingevolge het eerste lid is verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het college kan beleidsregels vaststellen omtrent de weigeringsgronden, bedoeld in het vierde lid. Voor zover beleidsregels worden vastgesteld betreffen deze in ieder geval het maximaal aantal locaties, de plaats van deze locaties en de wijze van plaatsing of bevestiging van de voorwerpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.4 kan het college aan de vergunning voorschriften verbinden in ieder geval met betrekking tot de in de beleidsregels genoemde onderwerpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.De vergunning bedoeld in het eerste lid heeft dezelfde geldigheidsduur als de concessie.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 kan het college de vergunning intrekken indien de overeenkomst tot concessieverlening is beëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 10 Straatnaamborden, huisnummers en dergelijke</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-531\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.31</span><span class=\"lf-art-t\">Gedoogplicht aanduidingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-532\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.32</span><span class=\"lf-art-t\">Verwijdering e.d. aanduidingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk6Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Sanctiebepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de daarbij op grond van artikel 1.4 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie:</p>\n<p class=\"lf-p\">2.1 Samenscholing en ongeregeldheden: lid 1, lid 2 en lid 3;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2 Aanwijzing overlastgebied: lid 2;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen: lid 1;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.11 Het zonder melding plaatsen van voorwerpen op, aan of boven de weg in strijd met de publieke functie ervan: lid 1;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.16 Winkelwagentjes: lid 1, lid 2 en lid 3;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.18 Openen straatkolken en dergelijke;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.20 Rookverbod in bossen en natuurterreinen: lid 1 en lid 2;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.21 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp: lid 1;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.23 Voorzieningen voor verkeer en verlichting: lid 1;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.25a (Slaap)verblijf op de weg, in voertuigen en in kampeermiddelen;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.27 Evenementenvergunning: lid 1 en lid 7;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.32a 0-evenementen: lid 1;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.32c Openbare orde en veiligheid: lid 2 en lid 3;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.34 (Tijdelijke) Exploitatievergunning openbare inrichting: lid 1;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.36 Eisen exploitant en leidinggevende: lid 2;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.37 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en leidinggevende: lid 1 en lid 2;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.41 Sluitingstijden: lid 1, lid 2, lid 3 en lid 10 2.44 Aanwezigheid in gesloten openbare inrichting: lid 1 en lid 2;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.45 Glazen drinkgerei: lid 1 en lid 2;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.45a Verbod verkoop bier in blik voor openbare inrichtingen;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.46 Handel binnen openbare inrichtingen: lid 2;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.47 Ordeverstoring: lid 1 en lid 2;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.48 Geldigheidsduur vergunning: lid 4;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.48a Beëindiging exploitatie: lid 2;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.49b Regulering paracommerciële rechtspersonen; lid 1 tot en met lid 7;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.49c Sluitingstijden paracommerciële rechtspersonen: lid 1 en lid 2;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.49d Verbod extreme prijsacties horeca;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.54 Sluiting overlastgevende voor het publiek openstaande gebouwen: lid 3, lid 4 en lid 5;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.55 Betreden gesloten woning of lokaal: lid 1 en lid 2;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.56 Plakken en kladden: lid 1, lid 2, lid 5 en lid 7;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.62 Uitnodigen of aanlokken tot ontuchtige handelingen: lid 1 en lid 2;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.64 Verboden drankgebruik: lid 1, lid 2 en lid 3;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.67a Messen en andere voorwerpen als wapen;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.67b Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.69a Overig hinderlijk gedrag;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.70 Bespieden en heimelijk fotograferen/filmen van personen; lid 1, lid 2 en lid 3;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.72 Het aanlijnen en het laten verblijven van honden: lid 1;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.73 Verontreiniging door honden: lid 1 en lid 4;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.74 Gevaarlijke en hinderlijke honden: lid 2, lid 3, lid 4 en lid 5;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.78a Bedelarij 2.85 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen: lid 1;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.86 Afsteken van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling: lid 1 en lid 2;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.86a Carbid schieten 2.87 Drugshandel op straat;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.88 Verzamelingen van personen in verband met drugs: lid 1 en lid 3;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.90 Weggooien van spuiten en dergelijke;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.91 Wijkverbod: lid 5;</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3 Vergunning seksbedrijf: lid 1;</p>\n<p class=\"lf-p\">3.10 Melding gewijzigde omstandigheden;</p>\n<p class=\"lf-p\">3.12 Sluitingstijden, aanwezigheid, toegang: lid 1 tot en met lid 3;</p>\n<p class=\"lf-p\">3.13 Adverteren;</p>\n<p class=\"lf-p\">3.14 Leeftijd en verblijfstitel prostituee;</p>\n<p class=\"lf-p\">3.15 Bedrijfsplan: lid 4 tot en met 6;</p>\n<p class=\"lf-p\">3.17 Verdere verplichtingen van de exploitant en leidinggevende prostitutiebedrijf;</p>\n<p class=\"lf-p\">3.18 Raamprostitutie;</p>\n<p class=\"lf-p\">3.19 Straatprostitutie;</p>\n<p class=\"lf-p\">3.21 Verbodsbepalingen klanten;</p>\n<p class=\"lf-p\">3.22 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke: lid 1 en lid 3;</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2 Collectieve festiviteiten: lid 5;</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3 Kennisgeving incidentele festiviteiten: lid 1, lid 2, lid 5 en lid 6;</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6 Overige geluidhinder: lid 1;</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7 Geluidhinder door bromfietsen en dergelijke;</p>\n<p class=\"lf-p\">4.8 Routering (nachtelijk rijverbod): lid 1;</p>\n<p class=\"lf-p\">4.9 Geluidhinder door handelingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden: lid 1;</p>\n<p class=\"lf-p\">4.41 Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen;</p>\n<p class=\"lf-p\">4.42 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, enz.: lid 1 en lid 2;</p>\n<p class=\"lf-p\">4.44 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame;</p>\n<p class=\"lf-p\">4.45 Graffiti: lid 1;</p>\n<p class=\"lf-p\">4.47 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen: lid 1;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke: lid 3;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3 Te koop aanbieden van voertuigen: lid 1;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4 Defecte voertuigen;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5 Voertuigwrakken: lid 1;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6 Kampeermiddelen en andere: lid 1;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7 Reclamevoertuigen: lid 1;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8 Grote voertuigen: lid 1 en lid 2;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9 Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen: lid 1;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11 Aantasting groenvoorziening door voertuigen: lid 1;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.12 Overlast van fiets en bromfiets;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.13 Inzameling van geld en goederen: lid 1;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.15 Ventverbod: lid 1;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden: lid 1 5.19 Toestemming rechthebbende;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.22 Beschadigen van waterstaatwerken en bruggen; lid 1;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.23 Reddingsmiddelen;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.27 Crossterreinen: lid 1;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.28 Beperking verkeer in natuurgebieden: lid 1;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.29 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken: lid 1 en lid 3;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.30 Reclameborden: lid 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de daarbij op grond van artikel 1.4 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie:</p>\n<p class=\"lf-p\">2.7 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen: lid 1;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.10 Straatmuzikant: lid 1 en lid 2;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.17 Hinderlijke beplanting of voorwerp;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.45b Lachgasverbod openbare inrichting;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.51 Kennisgeving exploitatie;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.53 Verschaffing gegevens nachtregister;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.57 Vervoer plakgereedschap en dergelijke: lid 1;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.58 Vervoer inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen voor winkeldiefstal: lid 1 en lid 3;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.60 Hinderlijk gedrag op of aan de weg: lid 1;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.60a Hinderlijk voetballen en dergelijke;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.63 Bouwmaterialen op of aan de weg;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.66 Verboden gedrag bij of in gebouwen: lid 1 en lid 2;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.67 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.68 Neerzetten van fietsen en dergelijke;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.69 Overlast van fiets of bromfiets op markt- en kermisterrein en dergelijke;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.75 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren: lid 2;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.76 Loslopend vee: lid 1;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.77 Bijen: lid 1;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.78 Voederverbod (stads)duiven: lid 1 en lid 2;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.89a Lachgasverbod;</p>\n<p class=\"lf-p\">4.39 Straatvegen;</p>\n<p class=\"lf-p\">4.40 Natuurlijke behoefte doen:</p>\n<p class=\"lf-p\">5.24 Zwemverbod: lid 1;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.25 Veiligheid op het water: lid 1;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.26 Overlast aan vaartuigen: lid 1 en lid 2;</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Overtreding van het bepaalde in de artikelen:</p>\n<p class=\"lf-p\">2.80 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister: lid 1;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.81 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht; wordt gestraft overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 437 en 437ter van het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.In afwijking van het eerste tot en met het derde lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.13, derde lid, en artikel 2.14, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s gestelde regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.1a</span><span class=\"lf-art-t\">Boetebepaling bestuurlijke boete</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Overtreding door een natuurlijke persoon of rechtspersoon van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde of de op grond van artikel 1.4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen kan worden beboet met een bestuurlijke boete:</p>\n<p class=\"lf-p\">2.7, lid 1, 2.10, leden 1 en 2, 2.10a, leden 1 en 3, 2.11, lid 1, 2.13, lid 1, 2.14, lid 1, 2.16, leden 1, 2 en 3, 2.17, 2.18, 2.20, lid 1 sub a en sub b, 2.21, lid 1, 2.25a, 2.27 lid 1, 2.34, lid 1, 2.36, lid 2, 2.37, leden 1 en 2, 2.41, leden 1 en 10, 2.44, leden 1 en 2, 2.46, lid 2, 2.47, leden 1 en 2, 2.49c, leden 1 en 2, 2.55, leden 1 en 2, 2.56, leden 1, 2, 5 en 7, 2.57, lid 1, 2.60 leden 1a, 1b en 2, 2.64, leden 2 en 3, 2.66, leden 1a, 1b en 2, 2.67, 2.68, 2.69, 2.69a, 2.70, leden 1 en 2, 2.72 lid 1, 2.73 leden 1 en 5, 2.74, leden 1, 4 en 5, 2.75 lid 1, 2.76, lid 1, 2.77, leden 1a en 1b, 2.78, leden 1 en 2, 2.85, lid 1, 2.86, leden 1 en 2, 2.86a leden 2 en 3, 2.89 (slechts voor art. 3 Opiumwet), 3.18, 3.19, 3.20, 3.21, 4.6, lid 1, 4.40, 4.41, 4.42, lid 1, 4.47, lid 1, 5.2, leden 3a en 3b, 5.3, lid 1, 5.4, 5.5, lid 1, 5.6, leden 1a, 1b en 1c, 5.7, lid 1, 5.8, leden 1 en 2, 5.9, lid 1, 5.10a, 5.11, lid 1, 5.12, 5.13, 5.15, lid 1, 5.18, lid 1, 5.22, 5.22a, 5.23, 5.24, 5.25, lid 1, 5.26, lid 1, 5.27, lid 1, 5.28, lid 1, 5.29, leden 1 en 3, en 5.30, lid 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij overtreding door een natuurlijke persoon van een voorschrift als genoemd in lid 1 van dit artikel is de hoogte van de bestuurlijke boete gelijk aan het bedrag dat in de bijlage is vermeld bij het betreffende voorschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Bij overtreding door een rechtspersoon van een voorschrift als genoemd in lid 1 van dit artikel wordt de hoogte van de bestuurlijke boete die geldt voor een natuurlijk persoon vermenigvuldigd met factor twee.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-62\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Toezichthouders</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast de medewerkers van het team Veiligheid, Toezicht en Handhaving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen belasten met dit toezicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Onverminderd het eerste en tweede lid zijn de ambtenaren van politie bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafverordening, eveneens belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-63\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Binnentreden woningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-64\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.4</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Deze verordening treedt in werking op de dag na de dag waarop zij is bekendgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Op dat moment worden de Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2014 en de 1e, 2e, 3e, 4e, 5e en 6e Wijzigingsverordeningen Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2014 ingetrokken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-65\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.5</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Besluiten die van kracht waren op grond van de APV 2014 en waarvoor deze verordening overeenkomstige bepalingen kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening verleende vergunning voor de uitoefening van een bedrijf dat op grond van artikel 3.2 van deze verordening wordt aangemerkt als seksbedrijf en die op het tijdstip van inwerkingtreding niet is ingetrokken of vervallen, wordt gelijkgesteld met een vergunning als bedoeld in artikel 3.4 van deze verordening met een geldigheidsduur van 28 weken, gerekend vanaf het tijdstip van de inwerkingtreding van deze verordening. Als binnen deze periode een aanvraag als bedoeld in artikel 3.4 van deze verordening is gedaan, blijft deze vergunning van kracht totdat op de aanvraag is beslist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De artikelen 3.4, eerste lid, en 3.13 van de Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019 zijn gedurende 28 weken na inwerkingtreding van deze verordening niet van toepassing op de uitoefening van een seksbedrijf dat voor het tijdstip van inwerkingtreding, rechtmatig zonder vergunning werd uitgeoefend en sindsdien onafgebroken is voortgezet. Als binnen deze periode een aanvraag als bedoeld in artikel 3.4 van de Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019 is gedaan, dan zijn deze artikelen niet van toepassing tot het moment dat op de aanvraag is beslist.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Artikel 3.14, eerste lid, aanhef onder a is niet van toepassing ten aanzien van personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening aantoonbaar werkzaam zijn als prostituee voor of bij een prostitutiebedrijf: aan welk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een vergunning voor de uitoefening van dat bedrijf verleend was die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening niet is ingetrokken of vervallen, of dat voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening rechtmatig zonder vergunning werd uitgeoefend en sindsdien onafgebroken is voortgezet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-66\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.6</span><span class=\"lf-art-t\">Citeertitel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening wordt aangehaald als Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van de griffier, de voorzitter, Bijlagealsbedoeld in artikel 6.1A van deze verordening APV artikel Onderwerp Boete in euro’s 2.7, lid 1 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 140 (bijlage Bboor) 2.10, leden 1 en 2 Straatartiest en straatmuzikant 190 (bijlage Bboor) 2.10a, leden 1 en 3 Draaiorgel 190 2.11, lid 1 Voorwerpen op, aan of boven de weg 230 (bijlage Bboor) 2.13, lid 1 Aanleggen, beschadigen, opbreken en veranderen van een weg 230 (bijlage Bboor) 2.14, lid 1 Maken, veranderen van een uitweg 230 (bijlage Bboor) 2.16, lid 1 Winkelwagentjes (rechthebbende op een bedrijf) 95 2.16, leden 2 en 3 Winkelwagentjes (gebruiker) 95 (bijlage Bboor) 2.17 Hinderlijke beplanting of voorwerp 95 2.18 Openen straatkolken e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">95 2.20, lid 1, sub a Rookverbod in bossen en natuurterreinen 140 (bijlage Bboor) 2.20, lid 1, sub b Rookverbod in bossen en natuurterreinen (brandende voorwerpen) 280 (bijlage Bboor) 2.21, lid 1 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp 95 (bijlage Bboor) 2.25a (Slaap)verblijf op de weg, in voertuigen en in kampeermiddelen 140 2.27, lid 1 Vergunningplicht evenement 95 (bijlage Bboor) 2.34, lid 1 Exploitatievergunning horeca-inrichting 95 2.36, lid 2 Exploitatie horeca-inrichting, niet meer voldoen aan eisen Drank- en Horecawet 95 2.37, lid 1 Toezicht in horeca-inrichting (afwezigheid ondernemer of leidinggevende) 415 2.37, lid 2 Toezicht in de horeca-inrichting (voorkomen strafbare feiten) 415 2.41, leden 1 en 10 Sluitingstijden 280 (bijlage Bboor) 2.44, lid 1 Aanwezigheid bezoekers in door burgemeester gesloten horeca-inrichting 95 2.44, lid 2 Toelating bezoekers in door burgemeester gesloten horeca-inrichting 280 2.46, lid 2 Handel in horeca-inrichting 95 2.47, leden 1 en 2 Ordeverstoring en aanzegging 95 2.49c, leden 1 en 2 Sluitingstijden inrichtingen van paracommerciële rechtspersonen 140 2.55 lid 1 Betreden gesloten woning of lokaal (art. 174a Gemeentewet 95 2.55, lid 2 Betreden gesloten woning of lokaal (art. 13b Opiumwet) 95 2.56, lid 1 Plakken en kladden (algemeen) 140 (bijlage Bboor) 2.56, lid 2 Plakken en kladden (aanplakbiljet; met bepaalde stoffen) 140 (bijlage Bboor) 2.56, lid 5 Plakken en kladden (handelsreclame) 140 (bijlage Bboor) 2.56, lid 7 Plakken en kladden (tonen schriftelijke toestemming) 95 2.57, lid 1 Vervoer plakgereedschap e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">140 (bijlage Bboor) 2.60, lid 1a Hinderlijk gedrag op of aan de weg (klimmen op beeld, monument etc.) 95 (bijlage Bboor) 2.60, lid 1b Hinderlijk gedrag op of aan de openbare weg (zich ophouden, overig) 140 (bijlage Bboor) 2.60, lid 2 Verblijf op aangewezen plaatsen waar dit is verboden 140 (bijlage Bboor) 2.64, leden 2 en 3 Verboden drankgebruik 95 (bijlage Bboor) 2.66, lid 1a Hinderlijk gedrag in portiek of poort 95 (bijlage Bboor) 2.66, lid 1b Hinderlijk gedrag in, op of tegen raamkozijn of drempel 95 (bijlage Bboor) 2.66, lid 2 Hinderlijk gedrag in voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van een gebouw 95 (bijlage Bboor) 2.67 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze ophouden verontreinigen voor een ander doel gebruiken dan waarvoor ruimte is bestemd 140 (bijlage Bboor) 140 (bijlage Bboor) 95 (bijlage Bboor) 2.68 Neerzetten van fietsen e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">45 (bijlage Bboor) 2.69 Parkeren van fiets of bromfiets op markt/kermisterrein e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">45 (bijlage Bboor) 2.69a Overig hinderlijk gedrag 95 2.70, lid 1 Bespieden van personen (kennelijke bedoeling) 140 (bijlage Bboor) 2.70, lid 2 Bespieden van personen 140 (bijlage Bboor) 2.72, lid 1a Loslopende honden op kinderspeelplaats e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">140 (bijlage Bboor) 2.72, lid 1b Loslopende honden op een weg binnen de bebouwde kom 95 (bijlage Bboor) 2.72, lid 1c Loslopende honden op een aangewezen plaats buiten de bebouwde kom 95 (bijlage Bboor) 2.72, lid 1d Loslopende honden niet voorzien van halsband of ander identificatiekenmerk 95 (bijlage Bboor) 2.73, lid 1 Verontreiniging door honden 140 (bijlage Bboor) 2.73, lid 5 Opruimmiddel bij zich dragen en niet tonen op eerste vordering 95 (bijlage Bboor) 2.74, lid 1 Gevaarlijke honden aanlijngebod en muilkorfgebod 240 (bijlage Bboor) 2.74, lid 4 Gevaarlijke honden microchip 240 (bijlage Bboor) 2.74, lid 5 Hinderlijk gedrag hond; blaffen of janken 140 2.75, lid 1 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 140 (bijlage Bboor) 2.76, lid 1 Loslopend vee 140 2.77, lid 1a Bijen (bij woningen of gebouwen) 95 2.77, lid 1b Bijen (bij de weg) 95 2.78, leden 1 en 2 Voederverbod duiven 95 2.85, lid 1 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk zonder vergunning 240 2.86, lid 1 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling (aangewezen gebied) 100 (bijlage Bboor) 2.86, lid 2 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling (schade, overlast e.d.) 100 (bijlage Bboor) 2.89 Openlijk drugsgebruik (slechts artikel 3 Opiumwet) 95 3.18 Raamprostitutie 240 3.19 Straatprostitutie 240 3.20 Handhaving straatprostitutie 380 3.21 Verbodsbepalingen klanten 240 4.6, lid 1 Overige geluidhinder 140 (bijlage Bboor) 4.40 Natuurlijke behoefte doen 140 (bijlage Bboor) 4.41 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen 95 4.42, lid 1 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen 140 4.47, lid 1 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 140 5.2, lid 3a Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. (op de weg) 140 5.2, lid 3b Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. (gebruik weg als werkplaats) 140 5.3, lid 1 Te koop aanbieden van voertuigen 240 5.4 Defecte voertuigen 95 5.5, lid 1 Voertuigwrakken 95 5.6, lid 1a Kampeermiddelen e.a. (langer dan drie achtereenvolgende dagen) 95 5.6, leden 1b en 1c Kampeermiddelen e.a. (in strijd met belemmering uitzicht of uiterlijk aanzien gemeente) 95 5.7, lid 1 Parkeren van reclamevoertuigen 240 5.8, lid 1 Parkeren van grote voertuigen (strijd met uiterlijk aanzien gemeente) 95 5.8, lid 2 Parkeren van grote voertuigen (verdeling beschikbare parkeerruimte) 95 5.9, lid 1 Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen 95 5.10a Parkeren anders dan op de rijbaan 95 5.11, lid 1 Aantasting groenvoorziening door motorvoertuigen met twee of meer dan twee wielen 140 (bijlage Bboor) 5.11, lid 1 Aantasting groenvoorziening door bromfietsen of snorfietsen</p>\n<p class=\"lf-p\">95 (bijlage Bboor) 5.11, lid 1 Aantasting groenvoorziening door fietsers, bestuurders van gehandicaptenvoertuigen met of zonder motor en overige weggebruikers 55 (bijlage Bboor) 5.12 Overlast van fiets of bromfiets op aangewezen plaatsen 45 (bijlage Bboor) 5.13 Inzameling van geld of goederen 140 (bijlage Bboor) 5.15, lid 1 Venten op verboden plaats of tijd 140 5.18, lid 1 Een standplaats innemen zonder vergunning 140 5.22 Beschadigen van waterstaatswerken 95 5.22a Voorwerpen op, in of boven openbaar water 95 5.23 Reddingsmiddelen 140 5.24 Zwemverbod 95 5.25, lid 1 Veiligheid op het water 140 (bijlage Bboor) 5.26, lid 1 Overlast aan vaartuigen 95 (bijlage Bboor) 5.27, lid 1 Gemotoriseerd verkeer op crossterreinen 95 5.28, lid 1 Beperking verkeer in natuurgebieden door motorvoertuigen met twee of meer dan twee wielen 140 (bijlage Bboor) 5.28, lid 1 Beperking verkeer in natuurgebieden door bromfietsen of snorfietsen 95 (bijlage Bboor) 5.28, lid 1 Beperking verkeer in natuurgebieden voor fietsers, bestuurders van gehandicaptenvoertuigen met of zonder motor en overige weggebruikers 55 (bijlage Bboor) 5.29, leden 1 en 3 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 280 (bijlage Bboor) 5.30, lid 1 Reclameborden 240 (bijlage Bboor) TOELICHTING OP DE ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING VLAARDINGEN 2019</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemene toelichting Hoofdstuk 1 van de Algemene plaatselijke verordening (APV) bevat een aantal procedurevoorschriften en een aantal algemene bepalingen. Het aantal procedurevoorschriften is beperkt. De reden hiervoor is dat de Algemene wet bestuursrecht (Awb) algemene regels geeft betreffende de aanvraag, de behandeling en de verlening van een vergunning of ontheffing. De APV bevat slechts formele regels indien: een afwijking van de hoofdregel in de Awb noodzakelijk is; de regels een aanvulling vormen op de hoofdregel in de Awb; deze regels facultatief zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van de toepassing en uitvoering van de APV worden verschillende soorten besluiten genomen, te weten: algemeen verbindende voorschriften, namelijk daar waar het bestuursorgaan op grond van de verordening de bevoegdheid heeft om nadere regels te stellen; besluiten van algemene strekking, bijvoorbeeld gebiedsaanwijzingen op basis van een APV-bepaling; beleidsregels, ter invulling van op de verordening gebaseerde beleidsvrijheid; beschikkingen, het verlenen of weigeren van vergunningen of ontheffingen die op basis van de APV verplicht zijn voordat een bepaalde activiteit kan worden ondernomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle hier genoemde besluiten zijn besluiten in de zin van de Awb. In artikel 1:3 van de Awb wordt het begrip “besluit” immers als volgt omschreven: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-220\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Definities</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn in de desbetreffende afdeling of paragraaf definities opgenomen. Zie met name de afdelingen: “geluid- en lichthinder”, en “parkeerexcessen”. Deze definities kunnen afwijken van de in artikel 1.1 opgenomen definities. Zie de definitie van “weg” in de afdeling “parkeerexcessen”. Over de in artikel 1.1 opgenomen definities kan het volgende worden opgemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwde kom De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is (of kan) beperkt (zijn) tot de bebouwde kom. Voor het begrip “bebouwde kom” kan aangesloten worden bij de aanwijzing van Gedeputeerde Staten van de bebouwde kom krachtens artikel 27, lid 2, van de Wegenwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bevoegd gezag In dit artikel is met de term “bevoegd gezag” aangehaakt bij de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Die is van toepassing op de vergunning voor aanleg of veranderen van een weg (artikel 2.13) en het maken e.d. van een uitweg (artikel 2.14). De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder d. van de Wabo, en de vergunning voor het maken van een uitweg in artikel 2.2, eerste lid onder e.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot toestemmingsverlening niet bij het college van burgemeester en wethouders, maar bij het college van Gedeputeerde Staten en in enkele gevallen bij een minister. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie verder ook de toelichting bij de artikelen 2.13 en 2.14 van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast komt in de APV op verschillende plaatsen de term “bevoegd bestuursorgaan” voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het college van burgemeester en wethouders, ofwel de burgemeester. De Wabo brengt hierin geen verandering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwwerk Deze omschrijving verwijst naar artikel 1 van de Bouwverordening: “elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebouw Deze omschrijving verwijst naar artikel 1, onder c, van de Woningwet: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelsreclame In het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de vrijheid van meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband met het bepaalde in het eerste lid, dat zich volgens constante jurisprudentie verzet tegen een vergunningsstelsel voor de verspreiding van gedrukte stukken en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan een vergunningsstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel niet in de weg. Onder het begrip “reclame” dient te worden verstaan: iedere vorm van openbare aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken tot “handelsreclame” heeft de in het vierde lid geformuleerde uitzondering slechts betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zin des woords en omvat zij elk aanbod van goederen en diensten maar is zij niet van toepassing op reclame voor ideële doeleinden. Dit betekent niet dat handelsreclame helemaal niet beschermd wordt. Voorschriften voor handelsreclame zullen de toets aan artikel 10 EVRM en artikel 19 IV moeten kunnen doorstaan. Deze verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een vergunningsstelsel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Openbare plaats Hiervoor is aangehaakt bij de Wom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1, eerste lid, van de Wom bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek. Deze definitie kent dus twee criteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de memorie van toelichting zeggen “dat in beginsel een ieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats \"open staat\" betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de plaats”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen “openbare plaatsen”. Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip “openbare plaats”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op bestemming of vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door de gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”, aldus de memorie van toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 16).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wom zijn: openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de definitie van het begrip “openbare plaats” ook een aantal “besloten plaatsen” als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet kan omvatten, is in artikel 1, tweede lid, van de Wom expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 11-13 en nr. 6).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook hetgeen over het begrip “openbare plaats” is aangegeven in de toelichting op artikel 2.4, Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Openbaar water Een “openbaar water” in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ieder water, dat voor enig gebruik open staat voor het publiek. “Openbaar” is hier dus synoniem aan “feitelijk voor het publiek toegankelijk”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechthebbende Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Weg De meeste van de in deze verordening opgenomen bepalingen hebben betrekking op (verboden) gedragingen “op of aan de weg”. De in artikel 1.1 gegeven omschrijving van “weg” is ruimer dan die van de Wegenwet en die van de Wegenverkeerswet 1994 (en die van de verschillende provinciale wegenreglementen). Uit de begripsomschrijving van “openbare plaats” blijkt dat de weg maakt daar onderdeel van uitmaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te onderscheiden zijn de volgende definities van het begrip “weg”:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de “(openbare) weg” in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de wetgever heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte. Een van de grondbeginselen van de Wegenwet is dat het verkeer op wegen die openbaar zijn in de zin van deze wet, het onbetwistbaar recht van vrij gebruik heeft (behoudens bepaalde beperkingen; zie hierna);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de “weg” in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van de weg in te grijpen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>de voor het publiek toegankelijke open plaatsen: een begrip dat - onder uiteenlopende formuleringen - voorkomt in verschillende artikelen van het Wetboek van Strafrecht en in de algemene plaatselijke verordeningen. De volgorde is die van eng naar ruim: “openbare wegen” zijn ook “wegen die voor het openbaar verkeer open staan”, maar niet alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen zijn openbaar. Tot de “voor het publiek toegankelijke plaatsen” kunnen de “openbare wegen” en de overige “voor het openbaar verkeer openstaande wegen” gerekend worden, maar het begrip is daarmee niet uitgeput.</div>\n<p class=\"lf-p\">Over de vier onderdelen van de omschrijving van het begrip “weg” in artikel 1.1 kan het volgende worden opgemerkt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 1 Ten einde verwarring te voorkomen wordt door de verwijzing de letterlijke tekst van artikel 1 WVW 1994 overgenomen. In artikel 1, eerste lid, onder B, zijn wegen gedefinieerd als: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten. Ook de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen worden daaronder begrepen geacht. Om iedere twijfel weg te nemen is een expliciete verwijzing naar parkeerterreinen gehandhaafd. Hiermee worden bedoeld: alle als zodanig herkenbare parkeerterreinen die - al dan niet tegen betaling - toegankelijk zijn voor het publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2 Door opneming van de woorden “al dan niet met enige beperking” is buiten kijf gesteld, dat bepaalde voorwaarden voor de toegankelijkheid, zoals de betaling van entreegeld, er niet aan af doen dat gesproken kan worden van “weg”, indien de desbetreffende plaats in feite voor het publiek toegankelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdelen 3 en 4 In de onderdelen 3 en 4 wordt een onderscheid gemaakt tussen stoepen, trappen, portieken enz., die “uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimten toegang geven” (onder 3) en andere stoepen en trappen enz. (onder 4). De eerstbedoelde categorie valt alleen onder het begrip “weg” indien deze niet afsluitbaar zijn. Daarmee worden galerijen in portiekgebouwen enz. uitgezonderd gehouden van het begrip “weg”, óók indien het hek of de deur niet is afgesloten (“afsluitbaar”).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de onder 4 bedoelde categorie speelt de mogelijkheid van afsluiting op zich geen rol; het feitelijk voor het publiek toegankelijk zijn, bepaalt of de APV van toepassing is. Bij deze categorie moet gedacht worden aan afsluitbare winkelpassages. In winkelcentra vindt men steeds meer kleine, veelal overdekte straatjes die voor het doorgaande verkeer nauwelijks een functie hebben. Sommige van deze bewust smal gehouden doorgangen of “passages” worden gedurende de avond en nachtelijke uren afgesloten, omdat het uitoefenen van toezicht alsdan onmogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter verklaring van de zinsnede “die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is” wordt het volgende vermeld. Op de wegen in de zin van de Wegenwet kan het publiek vrijelijk vertoeven omdat het rechtens daartoe bevoegd is. In het bijzonder heeft de zakelijk gerechtigde op de betrokken weg niet de mogelijkheid hierin verandering te brengen. Bij andere wegen heeft de term “openbaar” slechts de betekenis van “feitelijk voor het publiek toegankelijk”. Het publiek heeft toegang tot deze wegen krachtens gedogen van de zakelijk gerechtigde. Mits hij zich niet bij overeenkomst ter zake heeft gebonden, is de zakelijk gerechtigde naar burgerlijk recht te allen tijde bevoegd in het gebruik van de weg door het publiek wijziging te brengen dan wel dit gebruik te beëindigen. Het mag duidelijk zijn dat in het geval de zakelijk gerechtigde het publiek de toegang ontzegt, op de desbetreffende weg de APV niet (meer) van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op of aan de weg Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden) gedragingen “op of aan de weg”. De term “aan de weg” duidt begripsmatig op een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen. Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt of afspeelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook treinstations vallen buiten het bereik van de APV. Artikel 27 van de Spoorwegwet en de daarop gebaseerde Algemeen Reglement Vervoer regelen het bevoegd gezag inzake veiligheid, orde en rust op en om stations. Tegenwoordig hebben veel stations echter ook een doorloopfunctie, en zijn er bijvoorbeeld winkels in aanwezig. Dan zijn deze doorgangen in stations weliswaar geen weg, maar wel openbare plaats.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-221\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Awb is dat in het wettelijk voorschrift de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Zo kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is. In dit artikel is de beslistermijn vastgesteld op acht weken. Dit is gelijk aan de maximum beslistermijn die in artikel 4:13, tweede lid, wordt gesteld. Uiteraard kan ook gekozen worden voor een andere, kortere, beslistermijn of zelfs voor per type besluit verschillende beslistermijnen. Dit laatste doet bij uitstek recht aan het algemeen beginsel van de (Awb-)wetgever dat elke termijn redelijk moet zijn. Tijdig beslissen is een rechtsplicht voor elk bestuursorgaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgewerkt. Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de beslistermijn biedt dan uitkomst. Ook deze termijn is op acht weken gesteld (tweede lid). Artikel 4:14 Awb verplicht tot kennisgeving aan de aanvrager van dit verlengingsbesluit. In het besluit wordt gemotiveerd aangegeven waarom het niet mogelijk is om binnen acht weken een beslissing op de aanvraag te nemen. Indien de aanvrager meent dat de verlenging niet redelijk is, kan hij daartegen in bezwaar en beroep gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid In het derde lid is de mogelijkheid opgenomen om in de verordening voor bepaalde vergunningen een andere beslistermijn dan acht weken vast te stellen. Dit is van belang bij aanvragen om vergunningen waarvoor adviezen van meerdere instanties nodig zijn en waarvoor de in het eerste lid genoemde termijn van acht weken (met verlenging van acht weken) niet toereikend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van deze mogelijkheid is o.a. gebruik gemaakt bij de exploitatievergunningen voor horecabedrijven (artikel 2.38) en seksbedrijven (artikel 3.3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dienstenrichtlijn Op vergunningprocedures voor wat betreft diensten is artikel 13 van de Dienstenrichtlijn van toepassing. Het derde lid bepaalt dat de aanvraag binnen een redelijke, vooraf vastgestelde termijn wordt behandeld. De acht wekentermijn van artikel 1.2 voldoet daaraan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 13, derde lid, van de Dienstenrichtlijn bepaalt voorts dat de beslistermijn eenmaal door de bevoegde instantie mag worden verlengd, indien dit gerechtvaardigd wordt door de complexiteit van het onderwerp. Dit houdt in dat voor verlenging een stevige motivering is vereist met gebruikmaking van dit criterium. De verlenging en duur ervan worden met redenen omkleed vóór het verstrijken van de oorspronkelijke termijn ter kennis van de aanvrager gebracht. Het derde lid is een implementatie van deze verplichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontvangstbevestiging Indien de Dienstenrichtlijn van toepassing is, wordt op grond van artikel 13, vijfde lid de ontvangst van elke vergunningaanvraag zo snel mogelijk bevestigd. De ontvangstbevestiging moet de volgende informatie bevatten: de beslistermijn, de beschikbare rechtsmiddelen en, indien van toepassing, de vermelding dat bij het uitblijven van een antwoord binnen de gespecificeerde termijn de vergunning geacht wordt te zijn verleend. Het gaat hier om toepassing van de lex silencio positivo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bevoegde instantie bevestigt eveneens de ontvangst van een melding die een dienstverrichter krachtens wettelijk voorschrift bij een bevoegde instantie dient te verrichten, indien door het doen van die melding en een bij wettelijk voorschrift bepaald tijdsverloop een voorwaarde wordt vervuld voor toegang tot of de uitoefening van een dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opschorting van de termijn Op grond van de Dienstenrichtlijn gaat de termijn pas in op het tijdstip waarop alle documenten zijn ingediend. Artikel 13, zesde lid bepaalt dat wanneer een aanvraag onvolledig is, de aanvrager zo snel mogelijk wordt meegedeeld dat hij aanvullende documenten moet verstrekken, en, in voorkomend geval, welke gevolgen dit heeft voor de in artikel 13, derde lid, bedoelde termijn. Hiermee wordt bedoeld dat moet worden meegedeeld dat de termijn pas aanvangt als de gevraagde documenten zijn ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze regeling wijkt af van die van artikel 4:15 Awb: de termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag waarop het bestuursorgaan krachtens artikel 4:5 de aanvrager uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de aanvraag is aangevuld, loopt de termijn weer verder door.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wabo De tekst van het eerste lid is in overeenstemming gebracht met die van artikel 3.9, eerste lid van de Wabo. Inhoudelijk is er niets veranderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vierde lid is toegevoegd omdat artikel 3.9, tweede lid van de Wabo bepaalt dat de beslistermijn niet met acht, maar slechts met zes weken kan worden verlengd. De wegaanlegvergunning (art 2.13) en de uitwegvergunning (artikel 2.14) vallen onder de Wabo. De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder d. van de Wabo. De vergunning voor het maken van een uitweg is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder d van de Wabo.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Wabo kan ook van toepassing zijn op het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, namelijk als het gaat om het opslaan van roerende zaken (artikel 2.10). De ontheffing voor het opslaan van roerende zaken is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder j en k, van de Wabo.</p>\n<p class=\"lf-p\">De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning of ontheffing die onder de Wabo valt, staan in de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor, Staatscourant 2010-5162). De algemene indieningsvereisten staan in artikel 1.3 Mor.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-13-222\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Indiening aanvraag (vervallen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling is in 2016 vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wetgever heeft in de Algemene wet bestuursrecht een sluitend systeem neergelegd voor de afhandeling van aanvragen: die worden ingewilligd of geweigerd. In artikel 4:5 van de Awb is daarop één uitzondering gemaakt: een aanvraag die zo gebrekkig is dat die moet worden aangevuld voor ze kan worden afgehandeld kan buiten behandeling worden gelaten. Wel moet de aanvrager de kans krijgen om de aanvraag aan te vullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat systeem past niet dat bij gemeentelijke verordening een aanvullende grond wordt geïntroduceerd waarmee een aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten. Daarom is artikel 1.3 geschrapt. In plaats van buiten behandeling laten zal een aanvraag die onredelijk laat wordt ingediend waardoor een goede beoordeling niet mogelijk is, worden afgewezen. Zie in dit verband de toelichting bij artikel 1.8.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-14-223\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften en beperkingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorschriften verbonden aan een vergunning of ontheffing, mogen uitsluitend strekken ter bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste van vergunning of ontheffing is gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1.6 is deze intrekkingsbevoegdheid vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vraag of bij niet-nakoming van vergunningsvoorschriften bestuursdwang kan worden toegepast, wordt in het algemeen bevestigend beantwoord. Wanneer bij het creëren van een vergunning- of ontheffingsplicht de formulering wordt gebruikt “het is verboden om…te doen zonder vergunning/ontheffing van…of in afwijking daarvan” dan is een bepaling als in het tweede lid niet nodig. Het handelen in strijd met een vergunnings- of ontheffingsvoorschrift is dan immers ook verboden en levert dus een overtreding op waartegen met een last onder bestuursdwang kan worden opgetreden. Deze formulering wordt alleen gebruikt in artikel 2.13 (omgevingsvergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg) en artikel 2.27 (evenementenvergunning).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij vergunningen of ontheffingen die een omgevingsvergunning zijn o.g.v. artikel 2.2 van de Wabo, is noch de formulering “of in afwijking daarvan”, noch een bepaling à la artikel 1.4 tweede lid nodig. De reden is dat artikel 2.3, aanhef en onder c, van de Wabo het handelen in strijd met een vergunningsvoorschrift al heeft verboden. Het gaat om de artikelen 2.13 (omgevingsvergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg) en 2.14 (maken, veranderen van een uitweg).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor alle andere vergunningen of ontheffingen op basis van de APV is het tweede lid van artikel 1.4 wel nodig. Handelen in strijd met een dergelijke vergunning of ontheffing levert dan strijd op met artikel 1.4, tweede lid jo. het vergunningsvoorschrift. Daartegen kan met bestuursdwang worden opgetreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dienstenrichtlijn Artikel 10 van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels gebaseerd moeten zijn op criteria die ervoor zorgen dat de bevoegde instanties hun beoordelingsbevoegdheid niet op willekeurige wijze uitoefenen. Die criteria zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; evenredig met die reden van algemeen belang; duidelijk en ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar bekendgemaakt; transparant en toegankelijk. Ook de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning worden verbonden, dienen hieraan te voldoen. Zie voor wat onder dwingende reden van algemeen belang en evenredigheid wordt verstaan: de algemene toelichting en het commentaar onder artikel 1.8. Op grond van het vijfde lid van artikel 10 wordt de vergunning pas verleend nadat na een passend onderzoek is vastgesteld dat aan de vergunningsvoorwaarden is voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Dienstenwet (Wet van 12 november 2009 tot implementatie van Europese regelgeving betreffende het verkeer van diensten op de interne markt) zijn in de artikelen 28 tot en met 36 de bepalingen opgenomen die zijn toegespitst op de situatie in Nederland.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de in deze APV opgenomen algemene strafbepaling (artikel 6.1) wordt overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde met straf bedreigd. Daardoor staat ook straf op het overtreden van aan een vergunning of ontheffing verbonden voorschriften.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-224\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Karakter van vergunning of ontheffing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een vergunning wordt persoonlijk genoemd, als die alleen of vooral is verleend vanwege de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling dit uitdrukkelijk bepaalt of dit uit de aard van de vergunning voortvloeit. Een voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is de vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet. Deze wet bepaalt dat voor het verkrijgen van een vergunning de nodige diploma’s moeten zijn gehaald. Een persoonlijke vergunning is ook de standplaatsvergunning. Dit vanwege het persoonlijke karakter van de ambulante handel en omdat het aantal aanvragen om vergunning het aantal te verlenen vergunningen meestal verre overtreft. Het zou onredelijk zijn als een standplaatsvergunning zonder meer kan worden overgedragen aan een ander terwijl een groot aantal aanvragers op de wachtlijst staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Een vergunning is persoonsgebonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid De exploitatievergunningen voor de openbare inrichtingen waarvoor de sluitingstijden uit artikel 2.41, tweede lid gelden (de zogenaamde nachtzaken), hebben tevens een zaaksgebonden karakter. Hiervoor is gekozen omdat het wenselijk is regulerend te kunnen optreden ten aanzien van de locatie van deze nachtzaken. De bestaande nachtzaken hebben een groot vloeroppervlak en hoge bezoekersaantallen. De nachtzaken liggen geconcentreerd in het horecaconcentratiegebied. Andere locaties zijn, gelet op de inzet van de politie, niet gewenst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-16-225\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.6</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste lid genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een facultatief karakter (“kan”). Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften leiden tot intrekking van de vergunning. Met name het rechtszekerheid- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid tot wijziging en intrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder d wordt grondslag geboden om een vergunning in te trekken als die langere tijd niet is gebruikt, bijvoorbeeld bij het innemen van een standplaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of te wijzigen, dient het de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun bedenkingen in te dienen (artikel 4:8 Awb).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-17-226\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.7</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunning of ontheffing voor onbepaalde tijd</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.7 bepaalt dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Dit vloeit mede voort uit artikel 11 van de Dienstenrichtlijn, dat stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen hebben, tenzij: a. de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden; b. het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang; c. een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over punt b.: Uit de Europese Dienstenrichtlijn volgt dat een vergunning in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Maar wanneer het aantal vergunningen logischerwijs beperkt is, bijvoorbeeld omdat de gemeente geen onbeperkt grondgebied heeft, mag de markt juist niet gesloten blijven voor nieuwe aanbieders omdat de bestaande aanbieders voor onbepaalde tijd alle beschikbare vergunningen in handen hebben. In dat geval moet geregeld een transparante en onpartijdige “herverdeling” van de schaarse vergunningen worden georganiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over punt c: Als gemeenten een vergunning voor bepaalde tijd verlenen, moeten zij beargumenteren waarom deze beperking nodig is en de evenredigheidstoets kan doorstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sommige vergunningen lenen zich uit de aard alleen voor verlening voor bepaalde tijd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een evenementenvergunning of een standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de jaarwisseling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de betekenis van “een dwingende reden van algemeen belang” de toelichting onder artikel 1.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.6 bepaalt dat bij gewijzigde omstandigheden de vergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken. Het ligt ook daarom in de rede dat een vergunning voor onbepaalde duur blijft gelden indien de omstandigheden niet wijzigen. Pas bij gewijzigde omstandigheden dient de vergunning opnieuw te worden bezien. Ook daarbij wordt rekening gehouden met de noodzaak- en proportionaliteitseis. Bij geringe wijziging van omstandigheden die geen gevolgen hebben voor het algemeen belang, kan de vergunning niet worden gewijzigd of ingetrokken. De noodzaak daarvoor ontbreekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 02-11-2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2927) blijkt dat voor onbepaalde tijd verleende vergunningen zich niet altijd verdragen met het formele gelijkheidsbeginsel. Bij schaarse vergunningen (meer aanvragers dan beschikbare vergunningen) kan immers het gevolg zijn dat de markt voor nieuwe aanbieders feitelijk ontoegankelijk wordt. Met dit tweede lid wordt duidelijk gemaakt dat onbepaalde tijd en schaarse vergunningen zich niet met elkaar verdragen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-18-227\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.8</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is naar de weigeringsgronden gekeken. Ter bevordering van de systematiek en duidelijkheid binnen de APV is ervoor gekozen om in Hoofdstuk I algemene weigeringsgronden te benoemen. In de afzonderlijke vergunningstelsels zijn de betreffende artikel(led)en vervallen. Alleen als er voor een vergunning andere weigeringsgronden gelden dan de in artikel 1.8 genoemde, worden die in het betreffende artikel genoemd. In een enkel geval (horeca-exploitatievergunningstelsel en vergunning voor seksinrichting) is van artikel 1.8 afgeweken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 1.8 stond “het daartoe bevoegde gezag”. Na de aanpassing aan de Wabo heeft de term “bevoegd gezag” de betekenis: bestuursorgaan als bedoeld in de Wabo gekregen (zie artikel 1.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 1.8 gaat het om het bevoegd gezag in de zin van de Wabo én om ofwel burgemeester en wethouders ofwel de burgemeester: bestuursorgaan dus.</p>\n<p class=\"lf-p\">Europese Dienstenrichtlijn Vergunningen De vergunningstelsels van de APV zijn gescreend aan de Europese Dienstenrichtlijn. Het gaat daarbij om de volgende stelsels: de evenementenvergunning, horecaexploitatievergunning, vergunning voor een seksinrichting, standplaatsvergunning, en een gebiedsaanwijzing in geval van straatartiesten en de reclameborden. Gokactiviteiten zijn van de werking van de Europese Dienstenrichtlijn uitgezonderd, zodat de speelautomatenvergunning niet onder het regime valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meldingen Het begrip vergunningstelsel in de zin van de Dienstenrichtlijn is breder dan wij dit kennen Daaronder vallen ook meldingsplichten. Onder vergunning verstaat de Dienstenrichtlijn immers: elke procedure die voor een dienstverrichter of afnemer de verplichting inhoudt bij een bevoegde instantie stappen te ondernemen ter verkrijging van een formele of stilzwijgende beslissing over de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit (artikel 4 lid 6). Hieruit volgt dat een melding wordt aangemerkt als een vergunning. Andere voorbeelden van een ‘vergunning’ zijn: verklaringen van geen bezwaar; verplichting zich in te schrijven in een register etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vestiging of tijdelijke overschrijding Bij het screenen van de APV aan de Dienstenrichtlijn is het volgende in ogenschouw genomen. In theorie bestaan er drie verschillende regimes: voor de ‘vestiger’, de ‘tijdelijke grensoverschrijder’ en de Nederlandse dienstverrichter.</p>\n<p class=\"lf-p\">De richtlijn staat toe dat er onderscheid wordt gemaakt tussen deze drie categorieën. Het zou in theorie kunnen dat de overheid aan een Nederlandse dienstverlener zwaardere eisen stelt dan aan een buitenlandse ’tijdelijke grensoverschrijder’, maar dit is in de praktijk en vanuit het oogpunt van rechtsgelijkheid niet wenselijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij achten het op dezelfde gronden evenmin gewenst een onderscheid aan te brengen tussen verschillende soorten van dienstverleners (tijdelijke grensoverschrijders, vestigers en dus ook Nederlandse dienstverleners). Anders zou de dienstverlener die zich vanuit een andere lidstaat hier vestigt een bevoorrechte positie hebben ten opzichte van degene die de grens overschrijdt om zijn diensten aan te bieden of beide dienstverleners ten opzichte van de eigen onderdanen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen in het geval van prostitutie is daarop een uitzondering gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet alleen de eis van het hebben van een vergunning geldt voor hen gelijkelijk, maar ook de gronden om een vergunning te weigeren zijn voor de drie categorieën aanvragers dezelfde. Daarom zijn de weigeringsgronden algemeen geformuleerd zodat ze gelden voor interne én internationale verhoudingen. Er is aangesloten bij het lichtste regime van de richtlijn (artikel 16): de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu.</p>\n<p class=\"lf-p\">De richtlijn geldt niet voor het verkopen van goederen. Dit is immers geen dienst. Bij standplaatsvergunningen kan er echter zowel sprake zijn van een vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen en/of voor het verlenen van diensten. Ook in dit geval zou rechtsongelijkheid kunnen ontstaan doordat de verkoper niet, maar de dienstverlener wel onder de richtlijn valt. Daarom is in de APV geen onderscheid gemaakt tussen verkoop en dienstverlening voor wat betreft de weigeringsgronden Enkele voorheen gehanteerde weigeringsgronden komen niet meer als zodanig voor in de richtlijn. De vraag waar deze dan wel onder vallen kan als volgt worden beantwoord Overlast Vanouds is de APV een openbare orde en overlastverordening. Het begrip ‘overlast’ komt in het recht van de Europese Gemeenschappen (hierna: EG-recht) bij de toetsing van uitzonderingen op het vrij verkeer niet voor. Ook de Dienstenrichtlijn spreekt niet over overlast. Het milieubegrip omvat echter alle soorten van overlast die gerelateerd zijn aan de omgeving/het milieu. Te denken valt aan geluidsoverlast, geurhinder, overlast veroorzaakt door stof, afval e.d. Overlast, veroorzaakt door vuurwerk, valt eveneens onder bescherming van het milieu of zelfs gezondheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verkeersveiligheid De verkeersveiligheid valt aan te merken als een dwingende reden van algemeen belang als bedoeld in artikel 9 (rule of reason). Maar ook is er sprake van een belang dat te scharen valt onder de volksgezondheid, als het voorkomen van verkeersslachtoffers het te beschermen belang betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veiligheid van personen en gezondheid Deze gronden op grond waarvan voorheen een evenementenvergunning kon worden geweigerd, bijvoorbeeld bij het uitbreken van mond- en klauwzeer (gezondheid), kunnen als een belang van volksgezondheid worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zedelijkheid Het begrip zedelijkheid valt onder het begrip openbare orde, zoals dit wordt uitgelegd in overweging 41. Te denken valt aan de bescherming van de menselijke waardigheid of in het geval van dierenmishandeling (bijvoorbeeld gansslaan, palingtrekken of zwijntjetik) betreft onder het belang van dierenwelzijn. Ook andere dwingende redenen dan de openbare orde kunnen een zedelijkheidsaspect’ hebben. Bij seksinrichtingen is zedelijkheid nog als een zelfstandige weigeringsgrond opgenomen omdat het om ‘vestiging’ gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorzieningenniveau bij standplaatsen In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de gemeente ten behoeve van de consument als een openbare orde-belang aangemerkt. De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hoewel het concurrentiebelang maakt dat een appellant als belanghebbende kan worden aangemerkt en dit belang vrijwel altijd een rol speelt bij de beslissing om een zaak aan te spannen, is het reguleren van concurrentie geen belang van de overheid. Bijvoorbeeld: ABRvS 26-03-2014, ECLI:NL:RVS:2014:1101, m.n. rechtsoverweging 7.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsvergunningen waar (mede) diensten worden verleend niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten. Het blijft echter nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren bij een standplaats voor het verkopen van goederen (zie artikel 5.18, derde lid, onder b). Daarop is de richtlijn immers niet van toepassing Détournement de pouvoir Gemeenten dienen zich er van bewust te zijn dat zij een vergunningaanvraag niet kunnen weigeren op een andere grond dan de grondslag van het vergunningstelsel. Dit zou immers in strijd zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000 In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) dient bij de aanvraag om een vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot vergunningverlening kan worden overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000 schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het rechtmatige verblijf blijkt. Artikel 8.3, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000) bepaalt dat een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8 van de Vw 2000 geen aanspraak kan maken op de toekenning van vergunningen en ontheffingen door bestuursorganen van o.m. gemeenten, voor zover die betrekking hebben op standplaatsen, markten, venten, collecteren, evenementen of beroepsmatige dan wel bedrijfsmatige activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering Een weigering dient vanzelfsprekend voldoende gemotiveerd te zijn. Gemotiveerd moet worden welke weigeringsgrond van toepassing is en waarom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid De wetgever heeft in de Awb een sluitend systeem neergelegd voor de afhandeling van aanvragen: die worden ingewilligd of geweigerd. In artikel 4:5 van de Awb is daarop één uitzondering gemaakt: een aanvraag die zo gebrekkig is dat die moet worden aangevuld voor ze kan worden afgehandeld kan buiten behandeling worden gelaten. Wel moet de aanvrager de kans krijgen om de aanvraag aan te vullen. Gemeenten kunnen bij verordening geen aanvullende gronden stellen waarmee een aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten, zoals voorheen was gedaan in artikel 1.3 ten aanzien van aanvragen die werden ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig had.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is echter zinvol – voor zowel de gemeente als de aanvrager – om te beginnen met een inhoudelijke toetsing van een aanvraag als door het (late) tijdstip van indienen van de aanvraag een – volledige en – goede beoordeling hiervan niet redelijkerwijs mogelijk is vóór de beoogde datum van de activiteit waarvoor de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft. Een vergunning of ontheffing zal in dergelijke gevallen niet (tijdig) verleend kunnen worden. Zie in dit verband ook artikel 3:2 van de Awb. Een (snelle) weigering schept (snel) duidelijkheid voor de aanvrager en voorkomt een onnodige inspanning aan de kant van de gemeente. Het tweede lid biedt nu een weigeringsgrondslag voor dergelijke gevallen, voor zover de betreffende aanvraag is ingediend minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-19-228\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.9</span><span class=\"lf-art-t\">Positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen (lex silencio positivo)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen De lex silencio positivo (lsp), ook bekend als de van rechtswege verleende beschikking, is een juridische constructie die bijdraagt aan het voorkomen en bestrijden van overschrijding van beslistermijnen door de overheid. Het effect van de lsp is dat een beschikking van rechtswege positief luidt als een overheidsinstantie niet binnen de voorgeschreven beslistermijnen een besluit op een aanvraag heeft genomen. Op die manier is het toepassen van de lsp één van de middelen om tijdige dienstverlening te stimuleren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder het begrip “beschikking” vallen niet alleen vergunningen, maar ook bepaalde meldingen, vrijstellingen en ontheffingen. Wanneer hierna over vergunningen wordt gesproken, worden hiermee ook meldingen, vrijstellingen en ontheffingen bedoeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussen de vergunningen in de APV kan het volgende onderscheid worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergunningen die betrekking hebben op diensten en onder de Europese Dienstenrichtlijn vallen. Op deze vergunningen is de lsp ingevolge de Dienstenrichtlijn en de Dienstenwet per 1 januari 2012 automatisch van kracht geworden, tenzij in de regelgeving staat aangegeven dat er een dwingende reden van algemeen belang geldt en dat de lsp in dat geval niet van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor vergunningen die niet onder de Dienstenrichtlijn vallen is de lsp niet automatisch van kracht. Op deze vergunningen moet ingevolge artikel 4.20a e.v. Algemene wet bestuursrecht, de lsp expliciet van toepassing worden verklaard. Voor elke vergunning in de APV is bekeken of het wenselijk is de lsp in te voeren. Wanneer er geen dwingende redenen waren om een vergunning niet onder de lsp te laten vallen, is de lsp van toepassing verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Resteren de vergunningen die niet onder de Dienstenrichtlijn vallen en waarvoor invoering van de lsp niet wenselijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.9 zelf is vervallen omdat er voor gekozen is bij ieder daarvoor in aanmerking komend artikel de lsp al dan niet van toepassing te verklaren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-110-229\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.10</span><span class=\"lf-art-t\">Geen positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de algemene toelichting bij artikel 1.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.10 zelf is vervallen omdat er voor gekozen is bij ieder daarvoor in aanmerking komend artikel de lsp al dan niet van toepassing te verklaren.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 2 Openbare orde</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 1 Bestrijding van ongeregeldheden</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemene toelichting In deze afdeling zijn bepalingen opgenomen die bedoeld zijn om zowel het gebruik als de bruikbaarheid van de weg in goede banen te kunnen leiden en de openbare orde te waarborgen. De diverse functies van de straat, onder andere voor demonstraties, optochten en feesten, vraagt om een scheiding dan wel regulering van het gebruik.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21-230\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Samenscholing en ongeregeldheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Het begrip ‘samenscholing’ is ontleend aan artikel 186 WvSr: “Hij die opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegd gezag gegeven bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het karakter heeft van bijvoorbeeld een betoging. Gelet op de Wet openbare manifestaties moeten dit soort samenscholingen van de werking van dit artikel uitgezonderd worden. In het vijfde lid is dit dan ook gebeurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste lid is een verbod op vechten opgenomen. Een dergelijk verbod voorziet in een leemte in de handhaving van de openbare orde, in die gevallen waarbij op grond van openlijke geweldpleging, eenvoudige mishandeling en deelneming aan een vechtpartij (artikel 141, 300 en 306 Wetboek van Strafrecht) niet kan worden opgetreden. Als twee personen vechten, er geen sprake is van letsel en er geen aangifte wordt gedaan, kan de politie niet optreden met het gevolg dat daders zonder sanctie worden heengezonden. Dit is onwenselijk, omdat elke vorm van geweld onacceptabel is. Vechten op straat draagt bij aan subjectieve onveiligheidsgevoelens van winkelend en uitgaanspubliek, die getuigen zijn van een vechtpartij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook is het slecht voor het imago van de stad. Door het vechtverbod kan de politie optreden tegen lichtere vormen van geweldpleging. Bovendien gaat er een preventieve werking vanuit. Het vechtverbod komt niet in plaats van strafrechtelijk optreden. Dit laatste blijft uitgangspunt. Om te voorkomen dat een persoon een boete kan ontlopen door alsnog aangifte te doen, kan ook een boete worden opgelegd als uit nader onderzoek blijkt dat geen sprake is van overtreding van het strafrecht, maar wel voldoende aannemelijk is geworden dat is gevochten. Ten slotte zijn er situaties denkbaar dat bij een vechtpartij bestaande uit meerdere personen, het uiteindelijk niet lukt de bewijsvoering voor openlijke geweldpleging rond te krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te voorkomen dat ook deze personen zonder sanctie moeten worden heengezonden, kan een boete voor vechten op basis van de APV alleen worden opgelegd nadat uit onderzoek uitdrukkelijk is gebleken dat de betrokkenen niet op basis van geweldpleging of andere strafrechtelijke gedragingen kunnen worden vervolgd en voldoende aannemelijk is dat is gevochten. Door het vechtverbod kan de politie optreden bij vechtpartijen die met name in het uitgaansgebied in de weekenden plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid In het tweede lid wordt aan de burger de verplichting opgelegd om zich op bevel van een politieambtenaar te verwijderen van de weg bij (dreigende) ongeregeldheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegdheid van de politie om bevelen te geven volgt uit artikel 2 Politiewet. Artikel 2.1, tweede lid APV bevat het geven van een bevel in een concreet geval. Overtreding van een dergelijk bevel wordt strafbaar gesteld via opname van artikel 2.1, tweede lid in artikel 6.1 van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook in het proces-verbaal en de tenlastelegging moet het niet opvolgen van het politiebevel worden vervolgd op grond van overtreding van artikel 2.1 jo. artikel 6.1 APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de politiebevelen ex artikel 2.1 APV blijven uiteraard ook de bevelen van de burgemeester in het kader van diens openbare ordebevoegdheden mogelijk. Bevelen van de burgemeester, bijvoorbeeld op grond van de Gemeentewet, of aanwijzingen in het kader van de Wet Openbare Manifestaties die de politie in mandaat uitvoert en die niet worden opgevolgd, kunnen nog steeds strafbaar worden gesteld op grond van artikel 184, eerste lid Wetboek van Strafrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geweld tegen hulpverleners De laatste jaren is het hinderen van hulpverleners, met name brandweer en ambulancepersoneel een toenemend probleem. Hoewel het een pijnlijke constatering is dat de politie soms nodig is om mensen wier beroep het is om anderen te helpen hun werk te laten doen, biedt dit artikel wel een handvat om verwijderingsbevelen te geven en om diegenen die daaraan niet voldoen te vervolgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op deze wijze kan tijdig gericht tegen het probleem opgetreden worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid De term “bevoegd gezag” is vervangen door “bevoegd bestuursorgaan”.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22-231\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing overlastgebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid In het eerste lid van dit artikel wordt de burgemeester de bevoegdheid gegeven om gebieden aan te wijzen waar naar zijn oordeel de openbare orde ernstig wordt bedreigd of verstoord. Die verstoring of bedreiging kan samenhangen met het gebruik van of de handel in harddrugs, maar er zijn ook andere omstandigheden denkbaar op grond waarvan kan worden geconstateerd dat de openbare orde in een gebied in gevaar is. Te denken valt bijvoorbeeld aan de aanwezigheid van een groep jongeren waardoor omwonenden zich onveilig of zelfs bedreigd voelen. Het aanwijzen van een gebied als overlastgebied gebeurt indien sprake is van structurele overlast die de openbare orde in dat gebied aantast of bedreigt. Er kan dus geen gebied aangewezen worden als overlastgebied wanneer er sprake is van incidentele overlast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid In het verlengde van de aanwijzing van een gebied als overlastgebied regelt dit artikellid ook dat in een overlastgebied een samenscholingsverbod geldt, voor zover samenscholing leidt tot een verstoring van de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Het derde lid van dit artikel regelt dat de aanwijzing wordt ingetrokken zodra de burgemeester van oordeel is dat de openbare orde in het gebied voldoende is hersteld.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2 Betoging</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-23-232\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Optochten (vervallen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zie de toelichting bij de artikelen 2.26 e.v.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-24-233\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is een uitwerking van enkele artikelen uit de Wet openbare manifestaties (Wom).</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 1 van de Wom wordt in het eerste lid “openbare plaats” gedefinieerd als: een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek. In het tweede lid is bepaald dat daaronder niet is begrepen: een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (een kerk, moskee, synagoge of een ander gebouw dat met name wordt gebruikt voor godsdienstige of levensbeschouwelijke doelen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de artikelen 3 en 4 Wom volgt dat de gemeenteraad moet bepalen of, en zo ja, voor welke activiteiten een kennisgeving is vereist en daarbij enkele procedurebepalingen moet vaststellen. Artikel 5 Wom kent de burgemeester de bevoegdheid toe om naar aanleiding van een kennisgeving voorschriften en beperkingen te stellen of een verbod te geven; artikel 6 Wom kent hem een aanwijzingsbevoegdheid toe, terwijl artikel 7 Wom bepaalt dat hij bevoegd is aan de organisatoren van de desbetreffende activiteit de opdracht te geven deze te beëindigen en uiteen te gaan. Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op andere dan openbare plaatsen kent artikel 8 Wom de burgemeester o.a. de bevoegdheid toe opdracht te geven deze te beëindigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De APV kent alleen een kennisgevingseis voor betogingen. De overige activiteiten zijn ongereguleerd gebleven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunten Wet openbare manifestaties De Wom beoogt een eenvormige regeling te geven voor de activiteiten die onder de bescherming van de artikelen 6 en 9 Grondwet vallen. Het gaat daarbij om betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging voor zover die op openbare plaatsen gehouden worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Wom heeft betrekking op collectieve uitingen. Van een collectieve uiting kan volgens de regeling al sprake zijn wanneer daaraan meer dan twee personen deelnemen (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5 pagina 8). Individuele uitingsvormen zijn buiten de regeling gebleven. Zowel artikel 6 als artikel 9 Grondwet maken het mogelijk ook deze onder de Wom te brengen, maar de wetgever acht dat niet nodig. Overigens vallen individuele uitingen wel onder de bescherming van artikel 7 Grondwet. Het eerste lid van artikel 7 verbiedt expliciet een voorafgaand verlof ten aanzien van schriftelijke uitingen, ook als die uitingen godsdienstig of levensbeschouwelijk van aard zijn. Niet-schriftelijke uitingen van gedachten of gevoelens worden beschermd krachtens het derde lid van artikel 7 Grondwet. De inhoud mag niet aan voorafgaand verlof onderworpen zijn, maar de vorm waarin zij geopenbaard worden wel. De wetgever heeft de bevoegdheid tot beperking van de onderhavige grondrechten aan de gemeenten opgedragen. Argumenten hiervoor zijn: de regeling van onder andere de betoging houdt nauw verband met de plaatselijke openbare orde. De gemeenten hebben hiermee in de loop der jaren waardevolle ervaringen opgedaan.</p></div>", "next": 239961}