{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Conform het Limburgse principe ‘Versterken bebouwd én landelijk gebied’ willen we steden en dorpen compact houden en stedelijke functies zoveel mogelijk in bestaand bebouwd gebied concentreren. Daarna is het Verwevingsgebied het meest in aanmerking komende gebied voor eventuele uitbreiding van stedelijke functies die niet in het bestaand bebouwd gebied terecht kunnen. Denk daarbij aan de ‘straatjes erbij’ aansluitend aan de zones Stedelijk gebied of Landelijke kern of een deel van de realisatie van nieuwe bedrijventerreinen (conform planningsopgave, uitgaande van optimale benutting van de mogelijkheden in bestaand bebouwd gebied). Energiefuncties kunnen hier ook een plek krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inzet is steeds om vrijkomende agrarische bebouwing zoveel mogelijk opnieuw te gebruiken voor andere vormen van (emissiearme) landbouw. Mits onderbouwd, kan in de verwevingsgebieden ruimte geboden worden voor passende niet-agrarische herbestemmingen. Die moeten dan wel passen binnen de visie op de betreffende (nieuwe) functie. Aandacht daarbij vraagt dat voor sommige functies de ruimte in de markt beperkt is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Karakter en begrenzing zone Het Verwevingsgebied grenst direct aan een groot deel van het bebouwd gebied. Bij het bepalen van de begrenzing van het Verwevingsgebied in de POVI zijn we als vertrekpunt uitgegaan van een zone van: ● 500 m rondom de zone Stedelijk gebied ● 100 m rondom de zone Landelijke kernen ● 50 m rondom de zone Werklocaties; uitsluitend waar het stedelijke dienstenterreinen betreft of op basis van maatwerk bij werklocaties die doorsneden worden door infrastructuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">In gesprek met de gemeenten heeft optimalisatie plaatsgevonden, mede o.b.v. de zienswijzen van o.m. gemeenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toekomstige uitbreidingen van stedelijke functies in het Verwevingsgebied zullen niet leiden tot aanpassingen van de begrenzing van het Verwevingsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot het Verwevingsgebied behoren ook bebouwingsclusters gelegen in het landelijk gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het areaal verwevingsgebied is ca. 16.900 ha.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdlijnen instrumentenmix De Verwevingsgebieden zijn gebieden waar de nodige gemeentelijke belangen spelen. T.a.v. milieu- en gezondheidsaspecten als geur- en fijnstof ligt het voortouw bij gemeenten, binnen kaders en regels van het Rijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de realisatie van straatjes erbij, en inrichting van stad-landzones zijn bij uitstek gemeentelijke aangelegenheden. Deze gebieden worden door gemeenten vaak aangeduid als overgangsgebieden, kernrandzones of stadsrandzones. Gemeenten en Provincie zijn in het Verwevingsgebied dan ook belangrijke partners.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het Verwevingsgebied kunnen maatregelen worden genomen voor beekherstel, wateropvang, waterberging en het tegengaan van wateroverlast etc. En worden stimulerende instrumenten ingezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Omgevingsverordening wordt een motiveringsplicht opgenomen voor nieuwe ontwikkelingen of ingrepen in het Verwevingsgebied, voor zover daar kaartlagen behorende tot de Groenblauwe landbouwzone onder doorlopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze motiveringsplicht geldt niet voor overgangsgebieden rondom kwetsbare Natura 2000 - gebieden totdat er op basis van gebiedsgerichte onderzoeken en gebiedsprocessen is bepaald welke regels hier gaan gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Omgevingsverordening bevat daarnaast een natuurcompensatieplicht die geldt voor alle acht kaartlagen van de Groenblauwe landbouwzone, ook indien deze onder Verwevingsgebied doorlopen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-346\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.4.6</span><span class=\"lf-art-t\">Zonering Stedelijk gebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Visie op de zone Het stedelijk gebied is het gebied waar wonen, werken, voorzieningen, onderwijs en culturele activiteiten geconcentreerd zijn. Een goed functionerend stedelijk gebied draagt bij aan levendigheid en aantrekkelijkheid van Limburg. En is van betekenis voor de economie en de aantrekkelijkheid als vestigingsplaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten zijn primair aan zet voor de inrichting van het stedelijk gebied, waaronder woningbouw, lokale infrastructuur, detailhandel en stedelijk groen en water. In een aantal gevallen spelen daarbij ook provinciale belangen en ambities. Denk hierbij aan regionale infrastructuur, Limburg Centraal, de OV-concessie en regionale waterveiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Karakter en begrenzing zone Het Stedelijk gebied wordt gekarakteriseerd door een stedenbouwkundig samenspel van bebouwing voor hoofdzakelijk wonen. Het omvat naast woongebieden ook detailhandel, horeca, voorzieningen, sport- en dagrecreatieve terreinen, infrastructuur (wegen, energie, data), stedelijk groen en water.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het stedelijk gebied van Limburg omvat bebouwde gebieden van de Westelijke Mijnstreek, Heerlen, Brunssum, Landgraaf en Kerkrade en de steden Maastricht, Venlo, Roermond, Weert en Venray, met uitzondering van de gebieden aangewezen als werklocaties. Na vaststelling van de POVI gaan we met gemeenten in gesprek over de criteria voor het benoemen van gebieden als stedelijk gebied, mogelijk resulterend in aanpassingen in de aanduiding en begrenzing. Besluitvorming daarover vindt conform afgesproken procedures plaats in GS/PS.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanduiding van het stedelijk gebied is overeenkomstig POVI 2021/ Omgevingsverordening, de begrenzing is geactualiseerd daar waar uitbreidingen van het stedelijk gebied hebben plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het areaal van dit gebied is ca. 15.100 ha.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdlijnen instrumentenmix Veel instrumenten en bevoegdheden liggen bij de gemeenten. Waar provinciale belangen en ambities aan de orde zijn zetten we heel diverse instrumenten in. Gezamenlijke programma's zoals Limburg Centraal, financiële instrumenten, een actieve rol als wegbeheerder en juridische instrumenten als de OV-concessieverlening. In de Omgevingsverordening nemen we onder meer regels op voor waterveiligheid langs beken en kleine rivieren (waar de Provincie vanwege waterveiligheidsrisico’s in bepaalde situaties beperkingen oplegt aan de realisatie van nieuwe woningbouw) en grondwaterbescherming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Normering wateroverlast De normering wateroverlast in de Omgevingsverordening is gerelateerd aan de begrenzing van onder meer Stedelijk gebied. We zullen samen met betrokken partijen de gevolgen van de actualisatie van die begrenzing in beeld brengen. Op basis daarvan wordt de Omgevingsverordening waar nodig aangepast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-347\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.4.7</span><span class=\"lf-art-t\">Zonering Landelijke kernen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Visie op de zone De landelijke kernen zijn de woongebieden in het landelijk gebied. De leefbaarheid en vitaliteit van deze kernen is belangrijk. Een aantal kernen vervult op sommige terreinen een regionale verzorgende functie met onderwijs, zorg, cultuur, winkels en werklocaties. De zorg voor een goede kwaliteit van de leefomgeving en een goede bereikbaarheid zijn hier belangrijke uitgangspunten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Karakter en begrenzing zone De landelijke kernen worden gekarakteriseerd door een aaneengesloten gebied van groepen van gebouwen met een samenhangend stratenpatroon in gebruik voor hoofdzakelijk wonen, dat niet als stedelijk gebied wordt aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het omvat naast woongebieden ook detailhandel, horeca, voorzieningen, sport- en dagrecreatieve terreinen, infrastructuur (wegen, energie, data), groen en water. Om een kern te kwalificeren als landelijke kern dient er sprake te zijn van een samenhangend stratenpatroon én een sociaal-ruimtelijke eenheid. Deze sociaal-ruimtelijke eenheid komt tot uiting in de aanwezigheid van een samenspel van onderstaande elementen: minimaal 20-25 woningen; dichtheid; aanwezige voorzieningen; ruimtelijk historische en/of lokale context die maakt dat een landelijke kern een specifieke functie verzorgt voor het omliggend gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">De begrenzing van landelijke kernen is in deze POVI op basis van de genoemde criteria geactualiseerd. De aanduiding als landelijke kern is een aanduiding is vanuit het ruimtelijke provinciale beleid met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het areaal van dit gebied is ca. 12.900 ha.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdlijnen instrumentenmix Veel instrumenten en bevoegdheden voor landelijke kernen liggen bij de gemeenten. Waar provinciale belangen en ambities aan de orde zijn zetten we heel diverse instrumenten in. Bijvoorbeeld financiële instrumenten, een actieve rol als wegbeheerder en juridische instrumenten als de OV-concessieverlening. In de Omgevingsverordening nemen we onder meer regels op voor waterveiligheid langs beken en kleine rivieren (waar de Provincie vanwege waterveiligheidsrisico’s in bepaalde situaties beperkingen oplegt aan de realisatie van nieuwe woningbouw) en grondwaterbescherming.</p>\n<p class=\"lf-p\">We zullen samen met betrokken partijen de gevolgen van de actualisatie van die begrenzing in beeld brengen. Op basis daarvan wordt de Omgevingsverordening waar nodig aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">De normering wateroverlast in de Omgevingsverordening is gerelateerd aan de begrenzing van onder meer Landelijke kernen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-348\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.4.8</span><span class=\"lf-art-t\">Zonering Werklocaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Visie op de zone De zone Werklocaties is bij uitstek het vestigingsmilieu voor het bedrijfsleven en dus essentieel voor de economische basis van de provincie. Overigens vinden veel bedrijven met weinig impact op hun omgeving prima een plek in het stedelijk gebied of landelijke kernen, gemengd met woonfuncties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Karakter en begrenzing zone Deze zone omvat bedrijventerreinen en stedelijke dienstenterreinen. Stedelijke dienstenterreinen zijn met name grootschalige kantoren- en detailhandelslocaties, maar deze terreinen kunnen ook ruimte bieden aan bijvoorbeeld inpandige voorzieningen voor dagrecreatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot de zone Werklocaties rekenen we ook solitaire bedrijfskavels groter dan 1 hectare. Deze categorie omvat niet de locaties voor agrarische bedrijven of bedrijven uit de sector vrijetijdseconomie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot maakt ook het luchthaventerrein van Maastricht-Aachen Airport (MAA) onderdeel uit van deze zone.</p>\n<p class=\"lf-p\">De begrenzing van de zone werklocaties is overeenkomstig de POVI2021/Omgevingsverordening, en gebaseerd op het onderliggende REBIS-bestand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het areaal van dit gebied is ca. 10.200 ha.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdlijnen instrumentenmix In Omgevingsverordening zijn instructieregels opgenomen m.b.t. de vestigingsmogelijkheden voor detailhandel, kantoren en bedrijventerreinen. Daarnaast worden instructieregels uitgewerkt voor bedrijventerreinen van provinciaal belang en minimale milieucategorieën.</p>\n<p class=\"lf-p\">We zullen samen met betrokken partijen de gevolgen van de actualisatie van die begrenzing in beeld brengen. Op basis daarvan wordt de Omgevingsverordening waar nodig aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">De normering wateroverlast in de Omgevingsverordening is gerelateerd aan de begrenzing van onder meer Werklocaties.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-349\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.4.9</span><span class=\"lf-art-t\">Toelichting bij de zoneringen en themakaarten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">● De beschrijvingen van de zeven zones zijn globaal, ze passen bij het schaalniveau van een provinciale omgevingsvisie. De mate van detail verschilt bovendien per zone. Verspreid binnen de zones liggen ook andere functies. Bijvoorbeeld woningen, campings, natuurgebiedjes en landschapselementen. Netwerken (mobiliteit, infrastructuur, energie-infrastructuur, drinkwaternetwerken, data) lopen door alle zones heen. ● De op de kaart weergegeven begrenzingen zijn exact. Dat is mede het gevolg van de introductie van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) waardoor ook in de provinciale kaarten van de POVI tot op perceelniveau kan worden ingezoomd. ● De begrenzing van de Overgangsgebieden rondom kwetsbare Natura 2000-gebieden heeft een voorlopig karakter. Op een later tijdstip, op basis van onderzoek en gebiedsprocessen wordt de begrenzing van de Overgangsgebieden definitief gemaakt. ● Bij de beoordeling van initiatieven door ons altijd rekening worden gehouden met de feitelijke situatie, met uitzondering van die situaties waarin de daadwerkelijke situatie het gevolg is van illegaal handelen. ● De begrenzing van de zones kan soms agrarische kavels doorsnijden. De begrenzing is immers bepaald op basis van de opgaven (op provinciaal schaalniveau), niet op basis van kadastrale situatie. Dit betekent dat in zo'n kavel verschillende regimes van toepassing zijn. We vertrouwen erop, zoals ook past bij de rolverdeling, dat gemeenten daar in hun motivering rekening mee zullen houden en tot een maatwerk-beoordeling komen. ● Voor de functies die rechtstreeks toegestaan zijn in de vigerende omgevingsplannen heeft deze Omgevingsvisie geen directe gevolgen. ● Naast de genoemde zeven algemene zones bevat de POVI-kaarten voor specifieke thema's of belangen. Voorbeelden zijn grondwaterbeschermingsgebieden, beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg, stiltegebieden, ontwikkelingsgebied glastuinbouw etc.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-35\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Instrumenten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een sterke provinciale rol vraagt om effectieve instrumenten. We beschikken hiervoor over een ruim instrumentarium. In de instrumentenkist zitten drie soorten instrumenten:</p>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Communicatief instrumentarium: Uitvoeringsstrategieën, overleg en afspraken met en lobby richting het Rijk en (internationale) partners. Overleg en afspraken met gemeenten, waterschap, bedrijfsleven en maatschappelijke partners. Voorbeeldprojecten, educatie en voorlichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Financieel instrumentarium: Afhankelijk van het doel kan financieel instrumentarium ingezet worden. De wijze waarop de afweging plaatsvindt, is vastgelegd in Sturen in Samenwerking (SIS 3.0, SIS 4.0 in voorbereiding). Uiteenlopend van subsidieverlening tot risicodragende participaties in gebiedsontwikkelingen en gebouwen, de verdeling en inzet van doeluitkeringen van het Rijk, grondaankoop.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Juridisch instrumentarium: De Omgevingswet biedt proactieve en reactieve publiekrechtelijke instrumenten, waaronder het projectbesluit, de Omgevingsverordening, de instructie en de reactieve interventie. Daarnaast zijn er instrumenten gebaseerd op specifieke sectorale wetgeving naast de Omgevingswet. Ook beschikken we over privaatrechtelijke instrumenten, zoals overeenkomsten. We verlenen en handhaven vergunningen in het kader van verschillende wetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afbeelding instrumenten omgevingswet De omgevingsverordening is een belangrijk instrument om de omgevingsvisie juridisch bindend te laten doorwerken. Hetzij in de vorm van rechtstreeks werkende regels richting burgers en bedrijven, hetzij in de vorm van instructieregels voor gemeenten of waterschap. De vaststelling van de omgevingsverordening is een bevoegdheid van Provinciale Staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het projectbesluit is gericht op het mogelijk maken van complexe projecten met een publiek provinciaal belang, maar ook van een privaat initiatief van provinciaal belang, waarbij private doelen en overheidsdoelen samenvallen. Het nemen van een projectbesluit is een bevoegdheid van Gedeputeerde Staten. Een voornemen om een procedure voor een projectbesluit te starten wordt vooraf sonderend met Provinciale Staten besproken. Mochten Gedeputeerde Staten in het kader van de uitvoering van een projectbesluit over moeten gaan tot onteigening van landbouwgrond, dan zullen zij een landbouweffectrapportage uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij hebben diverse rollen en instrumenten tot onze beschikking om te opereren op de grond- en vastgoedmarkt. Daarbij is grond- en vastgoed voor ons een middel om provinciale doelen en opgaves te verwezenlijken. In de kaderstellende Nota Grond- en vastgoedbeleid is opgenomen welke rollen en instrumenten we hebben en hoe wordt afgewogen of en wanneer deze worden ingezet. Daarbij is opgenomen dat situationeel de rol- en instrumentkeuze wordt afgewogen middels een afwegingskader.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatschappelijke behoefte, prioriteit en urgentie, risico’s en rol zijn van invloed op de vraag welk instrument het beste kan worden ingezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaak zal dat een mix van instrumenten zijn. Basisprincipes voor het bepalen van de instrumentele inzet zijn (conform Omgevingwet) subsidiariteit en proportionaliteit. Het subsidiariteitsbeginsel, ook wel ‘decentraal, tenzij’ genoemd, betekent dat het laagste overheidsniveau de meeste taken en bevoegdheden rond de fysieke leefomgeving krijgt (voor zover het gaat om taken die de overheid moet oppakken).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een belangrijke voorwaarde voor een provinciale interventie is dat er sprake is van provinciaal belang. Het provinciaal belang is per thema in deze POVI vastgelegd. Bij de inzet van een instrument geven we (conform de wettelijke vereiste) aan waarom gemeenten dit niet doelmatig en doeltreffend kunnen. Hiervan zal onder meer sprake zijn indien: ● er grote economische belangen voor Limburg spelen; ● de behartiging van het provinciaal belang vraagt om een gemeentegrensoverschrijdende toepassing van bevoegdheden vraagt; ● de behartiging van het belang doorkruist kan worden door tegenstrijdige of overlappende belangen van gemeenten; ● we ons landelijk hebben gecommitteerd om een bepaald doel te bereiken; ● uitvoering van het beleid door gemeenten leidt tot vertraging of versnippering.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Omgevingswet zijn overigens al tal van specifieke taken en bevoegdheden bij ons neergelegd. Een onderbouwing van de inzet van provinciaal instrumentarium als bovengenoemd is dan niet nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proportionaliteit betekent dat een bestuursorgaan zijn bevoegdheden proportioneel toepast. Dat wil zeggen: voor zover dat nodig is voor de uitoefening van zijn taken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Relevant voor het beantwoorden van deze vraag is onder meer: ● het vertrouwen in een ‘zachte verankering’ (samenwerking – bestuurlijk overleg – bestuursovereenkomst); ● de beschikbaarheid van financiële middelen (subsidie); ● de verwachting van de mate waarin financiële prikkels werken (subsidie); ● de bereidheid bij gemeenten tot zelfbinding (programma’s); ● de wenselijkheid/noodzaak om projecten snel en gecoördineerd tot stand te brengen (projectbesluiten); ● de wenselijkheid/noodzaak van juridische afdwingbaarheid en handhaving (omgevingsverordening).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onze algemene volgorde van werken is om eerst in dialoog met partners de diagnose te stellen en afspraken te maken (zonder publiekrechtelijke instrumenten). Vervolgens gaan we over tot het toepassen van het publiekrechtelijke instrumentarium in samenwerking met (in ieder geval) de relevante publieke partners. In het uiterste geval gaan we over tot het inzetten van het publiekrechtelijke instrumentarium, als dat vanuit provinciaal belang nodig wordt geacht.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  4</h3>\n<p class=\"lf-p\">Ruimtelijke Kwaliteit</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-41\"><span class=\"lf-art-num\">§ 4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Provinciaal belang ruimtelijke kwaliteit en landschap</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit hebben grote invloed op het vestigingsklimaat voor bewoners en bedrijven, op onze toeristische mogelijkheden en ons bodem- water- en natuurlijk systeem. Tegelijkertijd is onze omgeving een drager van de Limburgse cultuur (historie) en identiteit en bieden landschappelijke karakteristieken oplossingen voor tal van sectorale en provinciale opgaven. Inzet op het ontwikkelen en beschermen van ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit draagt daarmee ook bij aan de versterking van de sociaaleconomische positie van Limburg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanwege de toenemende complexiteit en samenhang van de ruimtelijke opgaven, en onze rol en belang daarin, vragen we structureel meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit en inzet van ontwerp. Niet alleen om aanwezige kwaliteiten en waarden als vertrekpunt te nemen, maar ook om nieuwe kwaliteiten en waarden toe te voegen. Gelet op het belang van de landschappelijke waarden van het Nationaal Landschap Zuid-Limburg en de Groenblauwe Landbouwzone voor de Limburgse identiteit is behoud en versterking van deze landschappelijke waarden, in het bijzonder de kernkwaliteiten van deze gebieden, van provinciaal belang.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-42\"><span class=\"lf-art-num\">§ 4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Opgave ruimtelijke kwaliteit en landschap</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor een goede omgevingskwaliteit zijn ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit essentieel. Limburg is een groene provincie met landschappen die vaak veel karakteristieke kernkwaliteiten bezitten. Dat komt mede dankzij de mix van bijzondere aardkunde, rijke cultuurhistorie en de hieruit voortvloeiende interessante mix van stedelijk en landelijk gebied, met waardevolle natuurgebieden en bedrijvigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het landschap vertelt het verhaal (de biografie) van Limburg en draagt hiermee in sterke mate bij aan de Limburgse identiteit. Ook heeft het landschap van oudsher veel natuurwaarden; het is dooraderd met houtkanten, hagen, beekjes, poelen en andere cultuurhistorische elementen. De afgelopen decennia is het landgebruik in Limburg echter ingrijpend veranderd, net als op veel plaatsen in Nederland. Daardoor zijn het unieke karakter van het Limburgse landschap en de ruimtelijke kwaliteit onder druk komen te staan. Daarnaast zijn er ook nieuwe kwaliteiten ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vraag hoe we ons landschap herkenbaar en aantrekkelijk houden, wordt met de toenemende druk steeds urgenter. Het landschap is namelijk het substraat voor de grote opgaven van deze tijd, zoals het opvangen van klimaatverandering, verduurzamen van de landbouw, de woonopgave en de energietransitie. Het tweede principe in deze omgevingsvisie is dan ook niet voor niets: recht doen aan de kenmerken en identiteiten van gebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">We hebben dit thema via twee lijnen uitgewerkt voor de zoneringen Verwevingsgebied, Groenblauwe landbouwzone en Primair Landbouwgebied: ● één aanpak gericht op ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit in het landelijk gebied; ● één aanpak gericht op de bescherming van landschappelijke kernkwaliteiten en elementen in specifieke gebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Via de (transitie van de) nationale parken en grensparken zien wij aanvullend kansen om (grensoverschrijdend) verbinding te leggen tussen de maatschappelijke opgaven in karakteristieke Limburgse landschappen en de samenleving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-43\"><span class=\"lf-art-num\">§ 4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Ambitie ruimtelijke kwaliteit en landschap</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een overkoepelende ambitie voor heel Limburg is om alle maatschappelijke opgaven en transities te benutten voor een ruimtelijke kwaliteitsimpuls, door deze zoveel mogelijk te laten aansluiten bij de identiteit, kenmerken en biografie van een gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ambitie die daarnaast voor heel Limburg geldt, is het versterken van natuur- en cultuurelementen in de directe woon- en werkomgeving, en het vergroten van de gezondheid en het welbevinden van bewoners en bezoekers. Dat doen we door het ondersteunen en benutten van vrijwilligers en burgerinitiatieven voor natuur en landschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een specifieke ambitie voor het Nationaal Landschap Zuid-Limburg (NLZL) en de Groenblauwe Landbouwzone is het behouden van de landschappelijke kernkwaliteiten van deze landschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een specifieke ambitie voor het landelijk gebied is het aanleggen en herstellen van de groenblauwe dooradering (10% in 2050), ter versterking van de Basiskwaliteit Natuur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-44\"><span class=\"lf-art-num\">§ 4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Ruimtelijke kwaliteit/passend ontwikkelen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-441\"><span class=\"lf-art-num\">§ 4.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Inleiding ruimtelijke kwaliteit/passend ontwikkelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ruimtelijke kwaliteit willen we realiseren door nieuwe initiatieven in de fysieke leefomgeving te verbinden met de bestaande kenmerken en identiteiten van onze (historische) cultuur- en natuurlandschappen. Dat betekent niet alleen het koesteren en beschermen van bestaande kwaliteiten, maar juist ook het versterken en vernieuwen van deze kwaliteiten door ze ontwikkelingsgericht in te zetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door nieuwe initiatieven zorgvuldig in te passen en aan te sluiten op de karakteristieken en biografie van een gebied, kan het karakter en het onderscheid met andere gebieden versterkt worden. Het is daarbij de kunst om vormen van grondgebruik, bebouwingsvormen en infrastructuur zo te ordenen dat naast het karakter ook de samenhang in het gebied wordt versterkt en nieuwe kwaliteiten (kunnen) ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om recht te kunnen doen aan de kenmerken en identiteit van de vele Limburgse gebieden, maken we onderscheid tussen twaalf gebiedstypen gebaseerd op het Landschapskader Noord- en Midden-Limburg en het Handvat Kernkwaliteiten Zuid-Limburg. Dit is een reeds gekende, geaccepteerde en toegepaste gebiedsindeling. Elk gebied hebben we voorzien van een gebiedspaspoort, dat de karakteristieken en kenmerken van het gebied beknopt weergeeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullend zijn voor een aantal ontwikkelingen ontwerpbeginselen uitgewerkt in tekst en beeld. De ontwerpbeginselen geven een eerste indicatie voor contextueel ontwerp, groen raamwerk, zichtlijnen en open ruimte, positionering en verschijningsvorm. Maat en schaal van ontwikkelingen zijn daaraan toegevoegd. Met de gebiedspaspoorten en de ontwerpbeginselen geven we op een abstract, provinciaal niveau inzicht in de bestaande kenmerken en identiteiten. Ze bieden inspiratie en handvatten voor ruimtelijke ontwerpkeuzes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om meer inzicht te krijgen in het cultuurhistorische verhaal van onze landschappen wordt een gebiedsbiografie ontwikkeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-442\"><span class=\"lf-art-num\">§ 4.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Ruimtelijke kwaliteit als gezamenlijke opgave</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het behouden en creëren van ruimtelijke kwaliteit is een werkproces. Een ontwerpende aanpak, met creatieve inbreng en vormgeving, helpt daarbij. Ruimtelijke kwaliteit gaat daarmee niet zozeer over wat 'mooi' is, maar over goed ontwerp: passend, logisch, robuust, degelijk onderzocht, sterk verankerd in de omgeving en goed gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werken aan ruimtelijke kwaliteit is een gezamenlijke opgave van overheden, maatschappelijke partners en private ontwikkelaars. Wij borgen de landschapskarakteristiek en ruimtelijke kwaliteit in de grote programma’s: ● Provinciale Energie Strategie (PES) ● Provinciaal Waterprogramma ● Waterveiligheid en Ruimte Limburg (WRL) ● Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) ● Limburgs Offensief Stikstof ● Mobiliteit ● Woonopgave Deze programma’s veranderen het landschap. We zullen dus vanaf het begin van deze programma’s, in afstemming met de gemeenten, heldere afspraken maken over de gewenste kwaliteit van het landschap. Die kwaliteit bewaken we in elke planfase, inclusief uitvoering en beheer. Daarbij zullen we gebruikmaken van de methodiek van de Kwaliteitsestafette.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor gebiedsontwikkelingen binnen het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) in de Maasvallei zien we ons als hoeder van de ruimtelijke kwaliteit. In verschillende Maasprojecten is onze inzet om de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mede op verzoek van gemeenten nemen we initiatief om met gemeenten te komen tot actualisatie van het Landschapskader en het Handvat waarbij we onder andere gebruik maken van de Monitor Landschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op een ruimtelijk initiatief met een omvang groter dan 50m2 gelegen in het landelijk gebied hebben gemeenten een motiveringsplicht m.b.t. ruimtelijke kwaliteit. Gemeenten dienen in de toelichting op nieuwe omgevingsplannen of omgevingsplanactiviteiten aan te geven hoe de ontwikkeling zich in positieve zin verhoudt tot de omgevingskenmerken en identiteiten van de gebieden. Daarbij, ter inspiratie, gebruikmakend van de gebiedspaspoorten en ontwerpbeginselen en/of andere ruimtelijke- en landschappelijke kwaliteitskaders (betreffen geen toetsingskaders).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-443\"><span class=\"lf-art-num\">§ 4.4.3</span><span class=\"lf-art-t\">De gebiedspaspoorten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hieronder geven we per gebied een korte samenvatting. De volledige uitwerking van de gebiedspaspoorten zijn in bijlage 6 te vinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-444\"><span class=\"lf-art-num\">§ 4.4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Gebiedspaspoort - Beeklandschap</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het beeklandschap bestaat uit natuurlijke en aangepaste beken, zoals rechtgetrokken beken. Hoewel ze variëren in loop en vorming, spelen beken een belangrijke structurerende rol in de Limburgse landschappen. De waterlopen hebben met hun dalen en afzettingen de ruimtelijke structuur en het landgebruik sterk beïnvloed. Verdere kenmerken zijn in bijlage 6 te vinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-445\"><span class=\"lf-art-num\">§ 4.4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Gebiedspaspoort - Bos- en mozaïeklandschap</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het bos- en mozaïeklandschap bestaat uit bossen, heide, venen, zandvlaktes en oude weides en akkers, met graslanden, heide en stuifduinen. Het is een besloten gebied met weinig bebouwing en beperkte vergezichten. De waarde komt voort uit de beleving en de relatie met de aardkundige situatie en cultuurhistorische elementen zoals landgoederen. Door de aanwezigheid van veel opgaand groen heeft dit landschapstype een geheel eigen karakter. Verdere kenmerken zijn in bijlage 6 te vinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-446\"><span class=\"lf-art-num\">§ 4.4.6</span><span class=\"lf-art-t\">Gebiedspaspoort - Droge heideontginning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De droge heideontginningen waren de eerste grootschalige heideontginningen op zandgronden en vormen nu grootschalige landbouwgebieden. In de 19e eeuw werden vooral de droge, hogere zandgronden ontgonnen. Na 1900 volgden de lager gelegen natte gebieden (zie natte heideontginning). Ze behoren tot de jonge ontginningen en ontstonden in fasen. Verdere kenmerken zijn in bijlage 6 te vinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-447\"><span class=\"lf-art-num\">§ 4.4.7</span><span class=\"lf-art-t\">Gebiedspaspoort - Flauwe hellingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De flauwe hellingen liggen op de overgang van steile hellingen naar de dalbodem. Vanwege het flauwe reliëf is dit gebiedstype in tegenstelling tot de steile hellingen doorgaans wel agrarisch ontgonnen. Kenmerkend voor dit gebiedstype is de relatieve openheid van de flauwe hellingen, doorsneden door meer besloten, groene dalen. Verdere kenmerken zijn in bijlage 6 te vinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-448\"><span class=\"lf-art-num\">§ 4.4.8</span><span class=\"lf-art-t\">Gebiedspaspoort - Kampen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De kampen vormen een kleinschalig, afwisselend gebied bestaande uit boerderijen, weilanden, akkers en landschapselementen. Het afwisselende patroon van landgebruik en groene elementen heeft te maken met de ontginningsgeschiedenis en het eeuwenlange agrarische gebruik. Kampen liggen vaak aan de randen van de oudere velden, op de overgang naar de voormalige heide. Tegenwoordig zijn veel van de karakteristieke kenmerken van de kampen niet meer zichtbaar. Verdere kenmerken zijn in bijlage 6 te vinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-449\"><span class=\"lf-art-num\">§ 4.4.9</span><span class=\"lf-art-t\">Gebiedspaspoort - Natte heideontginningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De natte heideontginningen zijn natte zandgronden, ontgonnen na 1900, waarbij vooraf grote investeringen in ontwatering werden gedaan. Deze ontginningen zijn planmatiger en grootschaliger dan droge heideontginningen. Na 1900 werden ook lagere gebieden ontgonnen en bemest, met een open landschap vergelijkbaar met veenontginningen, maar met dekzand als grondslag. Kenmerkend voor de eerste fase van deze ontginningen was grootschalige bosaanplant (later omgezet naar akkerland of weiland). Verdere kenmerken zijn in bijlage 6 te vinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-4410\"><span class=\"lf-art-num\">§ 4.4.10</span><span class=\"lf-art-t\">Gebiedspaspoort - Plateau-ontginningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De plateau-ontginningen is een relatief vlak tot glooiend gebied. Het plateau kent een lange geschiedenis van agrarisch gebruik (akkers en boomgaarden) en bewoning in lintdorpen. Kenmerkend is de aanwezigheid van kleinschalige landschapselementen rond de kernen en de relatieve openheid van het agrarische buitengebied, soms met vergezichten. Vanwege de latere ontginning heeft het plateau van Koningsbosch een rationeler karakter dan andere plateaus. Verdere kenmerken zijn in bijlage 6 te vinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-4411\"><span class=\"lf-art-num\">§ 4.4.11</span><span class=\"lf-art-t\">Gebiedspaspoort - Rivierdal</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het rivierdal, gevormd door de Maas, is de belangrijkste structuurdrager van het Limburgse landschap. Het strekt zich uit van enkele honderden meters tot zes kilometer breed langs de Maas en zijrivieren zoals de Roer en de Niers. Kenmerkend voor dit gebiedstype zijn hooilanden, graslanden, oude bouwlanden en een mix van oude en nieuwe stads- en dorpskernen, evenals stedelijke ontwikkelingen. Verdere kenmerken zijn in bijlage 6 te vinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-4412\"><span class=\"lf-art-num\">§ 4.4.12</span><span class=\"lf-art-t\">Gebiedspaspoort - Steile hellingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De steile hellingen liggen veelal aan de randen van een plateau. Vanwege de steile ligging is de agrarische ontginning van dit gebiedstype vaak tot een minimum beperkt gebleven. Kenmerkend voor dit gebiedstype is de aanwezigheid van besloten hellingbossen en de afwezigheid van bebouwing en wegen. Verdere kenmerken zijn in bijlage 6 te vinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-4413\"><span class=\"lf-art-num\">§ 4.4.13</span><span class=\"lf-art-t\">Gebiedspaspoort - Tussenterrassen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De tussenterrassen bevinden zich op de overgang van het rivierdal naar de hoger gelegen gebiedstypen, zoals de hellingen en de plateaus. Kenmerkend voor deze gebieden is het licht glooiende karakter van het reliëf en de openheid van het buitengebied, waarbij lijnvormige groenstructuren zich beperken tot de erven, linten en wegen. Verdere kenmerken zijn in bijlage 6 te vinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-4414\"><span class=\"lf-art-num\">§ 4.4.14</span><span class=\"lf-art-t\">Gebiedspaspoort - Veenontginningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De veenontginningen zijn grootschalige, planmatige gebieden waar vaak eerder al veen werd gewonnen. Vaak bevatten de gronden nog veenresten. Deze ontginningen, die in dezelfde periode als heideontginningen plaatsvonden, zijn meer planmatig van aard, omdat ze door ontginningsmaatschappijen werden uitgevoerd. Kenmerkend zijn de openheid, regelmatige verkaveling en lange rechte wegen. Verdere kenmerken zijn in bijlage 6 te vinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-4415\"><span class=\"lf-art-num\">§ 4.4.15</span><span class=\"lf-art-t\">Gebiedspaspoort - Velden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een veld of geclusterde velden zijn relatief grote bolle akkers, vaak met een middeleeuwse ontginningsgeschiedenis. Kenmerkend voor dit gebiedstype is de onlosmakelijke combinatie van een open middengebied met daaromheen groenstructuren en bebouwing (kern- en lintbebouwing), waarbij er altijd doorkijkjes richting het open middengebied zijn. Verdere kenmerken zijn in bijlage 6 te vinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-4416\"><span class=\"lf-art-num\">§ 4.4.16</span><span class=\"lf-art-t\">Ontwerpbeginselen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor diverse actuele ontwikkelingen zijn ontwerpbeginselen uitgewerkt. Toegepast op de specifieke gebiedskenmerken, geven de ontwerpbeginselen een eerste indicatie voor contextueel ontwerp, groen raamwerk, zichtlijnen en open ruimte, positionering en verschijningsvorm. Met deze ontwerpbeginselen bieden we gemeenten en initiatiefnemers inspiratie en praktische ontwerphandvatten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-45\"><span class=\"lf-art-num\">§ 4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Bescherming</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-451\"><span class=\"lf-art-num\">§ 4.5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Bescherming - Inleiding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om de landschappelijke kwaliteiten van het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid Limburg (NLZL) en de Groenblauwe landbouwzone blijvend te behouden, hebben we een beschermingsbeleid uitgewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontwikkelingen binnen de ruimte van het beleid voor de verschillende thema’s zijn mogelijk, mits de kernkwaliteiten behouden blijven of versterkt worden. De kernkwaliteiten van het landschap zijn de waarden die zorgen voor herkenbaarheid en onderscheid van de landschapstypen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten hebben de motiveringsplicht om in de toelichting op nieuwe omgevingsplannen of omgevingsplanactiviteiten aan te geven hoe met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten in de betreffende gebieden wordt omgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Specifiek voor de bescherming van waardevolle cultuurhistorische landschapselementen, in het bijzonder holle wegen en graften wordt in de Omgevingsverordening Limburg een verbodsbepaling opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kernkwaliteiten in het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg zijn: ● het reliëf; ● het contrast tussen de open- en beslotenheid; ● het groene karakter; ● het cultuurhistorisch erfgoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kernkwaliteiten in de Groenblauwe Landbouwzone zijn: ● het groene karakter; ● het visueel-ruimtelijk karakter; ● het cultuurhistorisch erfgoed; ● het reliëf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-452\"><span class=\"lf-art-num\">§ 4.5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het landschap van Zuid-Limburg is zo uniek dat het sinds 2005 de status draagt van Nationaal Landschap. Jaarlijks bezoeken zo'n 13 miljoen mensen het Nationaal Landschap Zuid-Limburg (NLZL). Daarvan bezoekt 70% Zuid-Limburg specifiek voor het landschap. We vinden het belangrijk dat voor het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid Limburg gewerkt wordt aan het behoud, beheer, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke kernkwaliteiten. Daarvoor hebben we het Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doel van het handvat is om informatie over de kernkwaliteiten van NLZL eenduidig te ontsluiten en praktisch toepasbaar te maken ter ondersteuning van het integraal ontwerpen van een ruimtelijke ontwikkeling. Het handvat bestaat uit twee onderdelen: een GIS-viewer en een naslagwerk waarin de informatie uit de GIS-viewer gebundeld is en verdiepende informatie wordt geboden over bepaalde onderwerpen. Deze informatie is ook op te vragen in de viewer. Hieronder staan de kernkwaliteiten van het NLZL en de locatie waar ze op kaart nader zijn aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kernkwaliteit Wat (de belangrijkste aspecten) Nadere ruimtelijke duiding Reliëf Steilere hellingen, steilranden, graften, holle wegen, droogdalen, grubben, beekdalen, bron- en kwelzones, vochtige laagten, breuktreden, overgangen Maasterrassen, geologische ontsluitingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie: Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg Open-besloten karakter Openheid op plateaus, kleinschaligheid rondom dorpen, op hellingen en in (droog)dalen. Maar ook grootschalige openheid vs. kleinschaligheid, doorzichten, zichtassen, panorama’s, coulissen, kamers, lanen en opgaand groen, compositie, kleur en materiaal, vorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie: Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg Groene karakter Bronbossen, beken, hellingbossen, kalkgraslanden, heischrale graslanden, moerassen, bronnen, zinkflora, mantel- en zoomvegetaties, hellingen met veel graften, grubben en holle wegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie: Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg Cultuurhistorisch erfgoed Verwachte en reeds bekende archeologische waarden, mottes, kastelen, historische bouwkunst, historisch geografische elementen en patronen zoals wegen- en kavelpatronen, verdedigingswerken, ondergrondse kalksteengroeves, heggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie: Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-453\"><span class=\"lf-art-num\">§ 4.5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Kernkwaliteiten Groenblauwe Landbouwzone</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Groenblauwe landbouwzone omvat voor een groot deel de landschappelijke, op het watersysteem gebaseerde hoofdstructuur van Limburg, aangevuld met landbouwkundige gebieden grenzend aan het groene karakter van Limburg. Het zijn veelal langgerekte aaneengesloten gebieden, gekenmerkt door een opeenstapeling van landschappelijke kernkwaliteiten. Dat uit zich in een divers grondgebruik en verschillende landschappelijke verschijningsvormen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieronder zijn de kernkwaliteiten van de Groenblauwe Landbouwzone uitgeschreven, met de locatie waar ze op kaart nader zijn aangegeven. Voor een toelichting, zie Groenblauwe Landbouwzone.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kernkwaliteit Wat (de belangrijkste aspecten) Nadere ruimtelijke duiding Groene karakter Noord- en Midden-Limburg Heggen, hagen, boomgaard, laan, schraalland, heide, grasland, bos.</p>\n<p class=\"lf-p\">Specifiek per landschapstype in Landschapskader Noord- en Midden-Limburg, deel A, hoofdstuk 4 onder 'Natuurlijk' Zie: Atlas Limburg, Landschapskader Noord en Midden-Limburg; Kaart 4. Groen karakter Groene karakter Zuid-Limburg Bronbossen, beken, hellingbossen, kalkgraslanden, heischrale graslanden, moerassen, bronnen, zinkflora, mantel- en zoomvegetaties, hellingen met veel graften, grubben en holle wegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie: Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg Zie: Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg Visueel-ruimtelijk karakter Noord- en Midden-Limburg O.a. grootschalige openheid vs. kleinschaligheid, doorzichten, zichtassen, panorama’s, coulissen, kamers, lanen en opgaand groen, compositie, kleur en materiaal, vorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Specifiek per landschapstype in Landschapskader Noord- en Midden-Limburg, deel A, hoofdstuk 4 onder 'Visueel-ruimtelijk' Zie: Atlas Limburg Landschapskader Noord- en Midden-Limburg; Kaart 3 Visueel-ruimtelijk karakter Zuid-Limburg Openheid op plateaus, kleinschaligheid rondom dorpen, op hellingen en in (droog)dalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie: Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg Zie: Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg Cultuurhistorisch erfgoed O.a. verwachte en reeds bekende archeologische waarden, mottes, kastelen, historische bouwkunst, historisch geografische elementen en patronen zoals wegen- en kavelpatronen, historische kernen, verdedigingswerken, ondergrondse kalksteengroeves, heggen Cultuurhistorisch erfgoed Noord- en Midden-Limburg Zie Landschapskader Noord- en Midden-Limburg, deel A, hoofdstuk 4 onder 'Cultuurhistorie' Zie: Atlas Limburg Landschapskader Noord- en Midden-Limburg; Kaart 2 Cultuurhistorisch erfgoed Zuid-Limburg Zie: Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg Zie: Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg Reliëf Noord- en Midden-Limburg O.a. aardkundige waarden, dikke eerdlagen, geomorfologische landvormen, randen en breuken, steilere hellingen, steilranden, holle wegen, droogdalen, beekdalen, bron- en kwelzones, vochtige laagten, breuktreden, overgangen Maasterrassen, geologische ontsluitingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Landschapskader Noord- en Midden-Limburg, deel A, hoofdstuk 4 onder 'Landschapskenmerken' en 'Natuurlijk' Zie: Atlas Limburg Landschapskader Noord- en Midden-Limburg; Kaart 1 Reliëf Zuid-Limburg O.a. steilere hellingen, steilranden, holle wegen, droogdalen, grubben, beekdalen, bron- en kwelzones, vochtige laagten, breuktreden, overgangen Maasterrassen, geologische ontsluitingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie: Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg Zie: Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-454\"><span class=\"lf-art-num\">§ 4.5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Landschapselementen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-4541\"><span class=\"lf-art-num\">§ 4.5.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Landschapselementen - Inleiding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Landschapselementen zijn natuurlijke of door de mens gecreëerde structuren die een belangrijke rol spelen in de ruimtelijke kwaliteit en identiteit van het Limburgse landschap. Ze kunnen variëren van houtwallen en heggen tot waterlopen en historische wegenstructuren. Historisch gezien werd het landschap gekenmerkt door een fijnmazig netwerk van hagen, graften, holle wegen, houtkanten en waterlopen, die de samenhang tussen natuur, landbouw en bebouwing versterkten en belangrijke functies hadden in het gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast hun esthetische en cultuurhistorische waarde dragen landschapselementen bij aan klimaatadaptatie, waterbeheer en biodiversiteit. Daarom streven we naar een netwerk van groene en blauwe structuren, waarbij in 2050 10% van het landelijk gebied groenblauw dooraderd is. Dat draagt bij aan een klimaatbestendig landschap en sluit aan bij bredere natuurhersteldoelen zoals de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) en de Kaderrichtlijn Water (KRW) en aan het versterken van de Basiskwaliteit Natuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veel landschapselementen fungeren als ecologische verbindingen, die essentieel zijn voor het behoud van soorten en habitats binnen Natura 2000-gebieden. Door deze structuren te behouden en te versterken, dragen we bij aan de instandhouding van beschermde soorten en het versterken van de ecologische samenhang in Limburg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het herstel en de uitbreiding van structuren zoals heggen, houtwallen, beekdalen en andere landschapselementen, versterkt de samenhang tussen natuur, landbouw en waterbeheer. Dat realiseren we door: ● de aanleg en het herstel van landschapselementen te stimuleren, waarin we doelstapeling opzoeken met natuur- klimaat- en waterdoelen; ● het beheren van en zorgdragen voor het landschap door beheervergoedingen voor agrariërs en andere partijen, en het beheren van landschapselementen op onze eigen gronden; ● zorg te dragen voor goede monitoring van de aanwezige landschapselementen op het gebied van kwantiteit en kwaliteit; ● het stimuleren van maatschappelijke betrokkenheid door het ondersteunen van vrijwilligersgroepen; ● het beschermen van waardevolle cultuurhistorische landschapselementen, in het bijzonder holle wegen en graften.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-4542\"><span class=\"lf-art-num\">§ 4.5.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Holle wegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Holle wegen zijn oude paden die door eeuwenlange erosie en gebruik diep in het landschap zijn uitgesleten. Vaak begeleid met natuurlijk begroeiing op de steile binnenwanden. Ze zijn met name te vinden in heuvelachtige gebieden en vormen daar karakteristieke elementen van het landschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze wegen hebben meerdere functies: ● Biodiversiteit: De beschutte ligging en gevarieerde vegetatie maken holle wegen tot waardevolle biotopen voor flora en fauna. Ze fungeren als verbindingszones binnen het landschap en dragen bij aan de biodiversiteit. ● Waterbeheer: Holle wegen kunnen een waterafvoerende functie hebben. ● Cultuurhistorisch: Ze getuigen van oude transportroutes en traditionele landgebruiksvormen. Ze vormen een belangrijk onderdeel van het erfgoed van Limburg. ● Recreatief: Veel holle wegen worden gebruikt als wandel- en fietspaden. Hun karakteristieke uitstraling en afwisselende omgeving verhogen de recreatieve waarde van het landschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beschermen van holle wegen is belangrijk om erosie te beperken en de biodiversiteit en het cultuurhistorisch landschap te versterken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-4543\"><span class=\"lf-art-num\">§ 4.5.4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Graften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Graften zijn terrasvormige landschapselementen die voornamelijk voorkomen op hellingen en dienen om erosie tegen te gaan en landbouwgrond te beschermen. Ze bestaan uit opeenvolgende hagen of houtwallen die haaks op de hellingrichting zijn gelegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangrijke functies van graften zijn: ● Biodiversiteit: Goed beheerde graften zorgen voor veel biodiversiteit en zijn een belangrijk verbindend element voor veel planten en dieren. ● Waterbeheer: Graften zijn erosieremmend. Door hun opbouw dragen graften bij aan het vasthouden van grond en het tegenhouden van het afstromen van water. ● Cultuurhistorisch: Ze geven reliëf aan het landschap en zijn illustrerend voor de cultuur- en landschapsgeschiedenis van Zuid-Limburg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beschermen van graften is belangrijk om erosie te beperken en de biodiversiteit en het cultuurhistorisch landschap te versterken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij stimuleren en beschermen het graftenlandschap via subsidies, beheerafspraken en samenwerking met agrariërs en natuurorganisaties.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-46\"><span class=\"lf-art-num\">§ 4.6</span><span class=\"lf-art-t\">Nationale parken en Grensparken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Nationale Parken Limburg heeft drie door het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) aangemerkte Nationale Parken: ● Nationaal Park De Meinweg ● Nationaal Park De Maasduinen ● Nationaal Park De Groote Peel Via het nationale Beleidsprogramma Nationale Parken 2024-2030 werken de parken, vanuit kansen uit de omgeving, aan de doorontwikkeling naar robuuste natuur- en landschapsgebieden met onthaalfunctie. Daarbij zien wij kansen voor verbinding met de gebiedsgerichte opgaven rond natuur, water en landbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grensparken Onze landschappen houden niet op bij de provinciegrenzen. Daarom investeren wij in samenwerking en projecten met een grensoverschrijdend karakter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij werken grensoverschrijdend samen in de grensparken: ● Drielandenpark (3LP) ● Grenzeloos Bocageland ● RivierPark Maasvallei ● GrensPark Kempen~Broek ● Grenspark Maas-Swalm-Nette De parken helpen ons bij het werken aan grensoverschrijdende kansen en opgaven met een positieve impact op het landschap, bijvoorbeeld rondom recreatie, water, natuur en landbouw. Tevens bieden de parken extra kansen op Europese subsidies.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  5</h3>\n<p class=\"lf-p\">Natuur</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-51\"><span class=\"lf-art-num\">§ 5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Provinciaal belang natuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">● Het in stand houden en waar mogelijk versterken van de biodiversiteit. ● Het realiseren van een robuust natuur-, bos- en waternetwerk en een groen dooraderd landelijk gebied. ● De maatschappelijke verankering en beleefbaarheid van natuur. ● Het evenwichtig beheer van dier- en plantensoorten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit doen we vanuit de rol op het vlak van natuur die de Provincie op grond van de Omgevingswet vervult. Deze rol omvat de verantwoordelijkheid voor de begrenzing en bescherming van het Limburgse deel van het Nationale Natuurnetwerk (NNL), voor Natura 2000-gebieden en soortenbescherming (door het treffen van maatregelen én als bevoegd gezag voor het verlenen van omgevingsvergunningen) en voor de bescherming van houtopstanden. Daarnaast heeft de provincie specifieke verantwoordelijkheden, onder meer ten aanzien van faunabeheer en het beheer van invasieve exotische dier- en plantensoorten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-52\"><span class=\"lf-art-num\">§ 5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Opgave natuur</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-521\"><span class=\"lf-art-num\">§ 5.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Opgave natuur algemeen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Limburg kent een uniek landschap en prachtige natuurgebieden. We beschikken over waardevolle natuur die qua biodiversiteit uniek is in Nederland. Dat is een belangrijke troef. Onze natuurgebieden zijn leefgebied voor ontelbare planten en dieren, maar zijn ook voor ons eigen welzijn en onze gezondheid van belang. Onze natuur is ook economisch waardevol. Ze vormt een belangrijke vestigingsfactor en heeft een sterke aantrekkingskracht op toeristen en recreanten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De natuur is echter niet vanzelfsprekend. Door de hoge bevolkingsdichtheid, vergaande verstedelijking, het intensief en grootschalig landgebruik en de hiermee gepaard gaande emissies, versnippering, verdroging en verstoring, komen de natuur en de biodiversiteit steeds meer onder druk te staan. Ook de energietransitie kan een negatief effect hebben op de biodiversiteit. De afname van biodiversiteit is groot, vooral in het landelijk gebied buiten de natuurgebieden. Door klimaatverandering veranderen daarnaast de temperaturen en weersomstandigheden, wat onder meer zorgt voor een verhoogd risico op natuurbranden. Al deze factoren hebben effect op onze Natura 2000-gebieden en op de natuur hierbuiten. Ook wordt de biodiversiteit bedreigd door invasieve exoten die hier zijn gekomen door toedoen van de mens.</p>\n<p class=\"lf-p\">De natuurgebieden in Limburg, waaronder de Natura 2000-gebieden, kennen een aantal factoren die de kwaliteit van deze gebieden onder druk zet. Het gaat daarbij om: ● stikstofdepositie; ● waterkwaliteit en -kwantiteit; ● het natuurareaal; ● verbindingen tussen gebieden; ● de kwaliteit van de gebieden zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit zijn drukfactoren waarmee we aan de slag zijn. We dragen bij aan het bereiken van de gunstige staat van instandhouding van Europees beschermde soorten en habitats op landelijk niveau (Vogel- en Habitatrichtlijn, VHR). Dat vraagt om doelbereik binnen Natura 2000-gebieden, maar ook om het ontwikkelen van natuurareaal buiten deze gebieden, onder meer in het Natuurnetwerk Limburg (NNL). Als we de unieke natuur en biodiversiteit in Limburg willen behouden, moeten we deze beschermen, met zorg beheren en waar nodig herstelmaatregelen nemen. Investeringen in natuur en natuurherstel zijn bovendien noodzakelijk om duurzame economische ontwikkelingen mogelijk te kunnen blijven maken. De inzet op het gebied van natuurbeleid kan dan ook niet los worden gezien van het vinden van een oplossing voor de huidige stikstofcrisis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Limburg kent verschillende professionele organisaties, burgerinitiatieven, vrijwilligers en vrijwilligersorganisaties die zich inzetten voor behoud van natuur en landschap en die willen zorgen voor de eigen leefomgeving. Ook zijn er boeren en particulieren die een belangrijke bijdrage leveren via (agrarisch) natuur- en landschapsbeheer (ANLb) en natuurinclusieve landbouw. Daarnaast is er steeds meer aandacht voor de positieve effecten van groen in en om de stad op welzijn en gezondheid. In het Limburgs Natuurprogramma 2023-2030 wordt uitgewerkt hoe met deze opgaven wordt omgegaan. In het beleidskader Perspectief voor het landelijk gebied hebben we aangegeven waar we ons de komende jaren op concentreren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-522\"><span class=\"lf-art-num\">§ 5.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Ruimte en robuustheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor het behouden en herstellen van natuur en biodiversiteit zijn ruimte en robuustheid nodig. Voor zowel natuur als landbouw, wonen, energieopwekking, economie, water en recreatie geldt dat we te maken hebben met een toenemende ruimtevraag. Daarin zal gezamenlijk naar een balans gezocht moeten worden. De meeste Limburgse natuurgebieden, waaronder de Natura 2000-gebieden, vormen samen het Natuurnetwerk Limburg (NNL) – het Limburgse deel van het Natuurnetwerk Nederland. Ook buiten het Natuurnetwerk Limburg bevinden zich belangrijke natuurwaarden die beschermd en versterkt moeten worden. Het gaat daarbij onder meer over de aan het agrarisch cultuurlandschap gebonden natuurwaarden en over natuur in bebouwd gebied en Verwevingsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van het Natuurpact met het Rijk hebben we de opgave om extra natuur te realiseren: de ontwikkelopgave van het Natuurnetwerk Nederland. Conform de afspraken dient deze opgave in 2027 gerealiseerd te zijn. Hoewel versnellingsmaatregelen zijn ingezet, is het zeker dat deze deadline niet gehaald wordt. Daarover treden we samen met andere provincies in overleg met het Rijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het behoud van de kwaliteiten in het Natuurnetwerk Limburg en vooral de daartoe behorende Natura 2000-gebieden, is het van belang dat de abiotiek op orde wordt gebracht met systeemherstel binnen én buiten de natuurgebieden. Dat kan door inrichting en beheer, door het voldoende robuust maken van het Natuurnetwerk Limburg, door ecologische verbindingen en door goede overgangen naar de omliggende gebieden. Dat is uitgewerkt in deze POVI in met name de Groenblauwe landbouwzone.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-523\"><span class=\"lf-art-num\">§ 5.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Opgave Bossen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Klimaatakkoord kent een uitgewerkte opgave uit de Nationale Bossenstrategie, voor het beter beheren van het bestaande bosareaal en het aanleggen van nieuwe bossen. Dat draagt bij aan het realiseren van de CO2-doelstellingen. Een deel van deze opgave wordt in Limburg gerealiseerd; hiertoe is de Limburgse aanpak Bossen door Gedeputeerde Staten vastgesteld in december 2022. In het beleidskader Perspectief voor het landelijk gebied is afgesproken deze zonder bestuurlijke verankering en/of rijksmiddelen niet als een harde opgave te beschouwen. Deze opgave wordt vooral vanuit gebiedsprocessen met initiatieven van onderop ingevuld. Deze opgave landt binnen en buiten het Natuurnetwerk Limburg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-524\"><span class=\"lf-art-num\">§ 5.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Basiskwaliteit Natuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het huidig beleid richt zich met voorrang op het herstel van natuur in (Europees) beschermde natuurgebieden. Maar ook de kwaliteit buiten de natuurgebieden is achteruitgegaan. Voor een gezonde leefomgeving en een veerkrachtige natuur is het belangrijk dat de natuurkwaliteit in heel de provincie op een basisniveau wordt gebracht. Een niveau waarbij algemene soorten zoals konijn, pinksterbloem en gewone pad algemeen kunnen blijven. Deze Basiskwaliteit Natuur is een voorwaarde om de doelen voor natuurbehoud en herstel in (Europees) beschermde natuurgebieden te halen. Per 2024 is de Europese Natuurherstelverordening van kracht; deze geldt binnen Natura 2000-gebieden, maar ook hierbuiten. De Europese Natuurherstelverordening kent rechtstreeks werkende doelstellingen, zoals 30% herstel van areaal en natuurkwaliteit per 2030 en doelen voor stedelijk groen en bestuivers.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-525\"><span class=\"lf-art-num\">§ 5.2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Opgave stikstof natuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Stikstof houdt het land én Limburg in de greep. Stikstof is een van de cruciale drukfactoren voor de natuur en biodiversiteit in Limburg. Vergunningverlening in vrijwel alle sectoren zit op slot als we geen geborgde maatregelen nemen om verslechtering van de Natura 2000-gebieden te stoppen en uiteindelijk de instandhoudingsdoelen voor deze gebieden te behalen. Om vergunningverlening weer op gang te krijgen, moeten de maatregelen voldoende geborgd zijn. De maatregelen moeten daarvoor in uitvoering zijn. Het effect van deze maatregelen moet vooraf duidelijk uitgewerkt én zeker zijn. Deze effecten moeten worden gemonitord en maatregelen moeten worden bijgestuurd indien dat nodig is om het benodigde effect te bereiken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-526\"><span class=\"lf-art-num\">§ 5.2.6</span><span class=\"lf-art-t\">Natuurbrandpreventie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een grootschalige onbeheersbare natuurbrand kan, naast een groot veiligheidsprobleem, ook een desastreuze impact hebben op de over een lange periode ontwikkelde natuur. De natuurbrandgevoeligheid is onder meer in kaart gebracht in de Klimaateffectatlas. Compartimentering en omvorming van naald- naar loofbomen (revitalisering) dragen bij aan aan natuurbrandpreventie. Mede op basis van nationale afspraken en wetgeving zullen wij met de regionale partners de gezamenlijk aanpak en rolverdeling bij natuurbrandpreventie verder invullen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-53\"><span class=\"lf-art-num\">§ 5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Wat we doen voor natuur</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-531\"><span class=\"lf-art-num\">§ 5.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Kwaliteits- en kwantiteitsimpuls natuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">We willen de biodiversiteit in stand houden en waar mogelijk versterken door het realiseren van een robuust grensoverschrijdend natuur- en waternetwerk van goede kwaliteit én door het realiseren van een groen dooraderd landelijk gebied. Wij zijn gehouden aan het behalen van de doelstellingen uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR). De Europese Natuurherstelverordening zorgt voor de verplichting om een Nationaal Natuurherstelplan op te stellen, dat in september 2026 gereed moet zijn. Wij dragen bij aan het opstellen van het plan om te bereiken dat dit goed aansluit bij de eigenheid van de Limburgse natuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er worden afspraken gemaakt over wat een landelijk gunstige staat van instandhouding inhoudt voor beschermde soorten, beschermde habitats en van de Rode Lijst-soorten. Het is onze wettelijke taak om daarvoor de noodzakelijke maatregelen te nemen, maar een belangrijke randvoorwaarde is duidelijkheid over de rijksbijdrage in de financiering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de biodiversiteitsdoelen te behalen, waaronder het bereiken van de Natura 2000-gebieden, zetten we in op meerdere sporen. Het primaire spoor is een kwaliteitsimpuls in de bestaande natuur van het Natuurnetwerk Limburg, vooral in Natura 2000-gebieden. Onderdeel van de kwaliteitsimpuls is dat we middels beheersubsidies willen sturen op de kwaliteit van alle natuur in het Natuurnetwerk Limburg, voor zover deze niet in beheer is bij andere overheden. We gaan daarbij met veldcontroles strenger toezien op de kwaliteit van het gevoerde natuurbeheer. Daarnaast kiezen we voor een hoogwaardige kwalitatieve inrichting van de nieuwe natuur in het Natuurnetwerk Limburg, met voldoende ambitieuze natuurdoeltypen. We breiden het natuurareaal uit om het Natuurnetwerk Limburg te voltooien en om een bijdrage te leveren aan het bereiken van de gunstige staat van instandhouding van Europees beschermde natuur op landelijk niveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede spoor is dat we aanvullend op het Natuurnetwerk Limburg inzetten op het realiseren van doelen in de Groenblauwe landbouwzone en het Verwevingsgebied, waar het ruimtelijk gebruik bijdraagt aan het in stand houden en herstellen van de biodiversiteit. Dat omvat onder meer het stimuleren en realiseren van ecologische verbindingszones. Vanuit een samenhangende, gebiedsgerichte aanpak streven we naar slimme combinaties van natuur met andere functies rond natuurgebieden. In de periode tot 2050 zetten we de benodigde tussenstappen om de VHR-doelen te bereiken, en leggen we dwarsverbanden met onder meer de stikstofaanpak, kwaliteitsslag Natuur, de Limburgse Aanpak Bossen, de energietransitie en de (natuurinclusieve) landbouw. De Programmatische Aanpak Grote Wateren van het Rijk geeft in het Maasdal een belangrijke impuls aan het realiseren van de VHR-doelen. Waar mogelijk combineren we het realiseren van VHR-doelen met de realisatie van de ontwikkelopgave van het Natuurnetwerk Limburg.</p>\n<p class=\"lf-p\">We streven ernaar de abiotische omstandigheden voor het Natuurnetwerk Limburg en vooral de Natura 2000-gebieden te herstellen. We verbeteren de water-, bodem- en milieucondities door bijvoorbeeld de overbelasting met stikstof aan te pakken. Dat doen we in samenhang met onze stikstofaanpak. Daarvoor onderscheiden we overgangsgebieden rondom kwetsbare Natura 2000 - gebieden binnen de Groenblauwe Landbouwzone.Voor het realiseren van onze opgaven en ambities zoeken we, naast de inzet van beschikbare eigen middelen, naar financiële ondersteuning vanuit het Rijk en Europa.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-532\"><span class=\"lf-art-num\">§ 5.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Faunabeheer en soortenbescherming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de actieve soortenbescherming ligt de nadruk op soorten met een internationaal instandhoudingsdoel én op de bedreigde soorten van de Rode Lijst. Prioriteit hebben soorten die binnen Nederland alleen of in belangrijke mate in Limburg voorkomen. Bij het nemen van maatregelen gaan we uit van de leefgebiedenbenadering. Dat betekent dat we soorten vooral beschermen door hun leefgebieden te beschermen. Op deze manier profiteert niet één specifieke soort, maar een groep soorten die in hetzelfde type leefgebied voorkomt. Door klimaatverandering is niet uit te sluiten dat leefgebieden van soorten veranderen, verschuiven of verdwijnen, waardoor populaties van soorten afnemen of verdwijnen en andere soorten zullen verschijnen. Over de mate waarin dat zal optreden en de precieze gevolgen van dit proces in Limburg, is vooralsnog weinig bekend. Voor zover bekend en relevant houden we daarmee rekening in beleidsprogramma’s, bij planvorming en bij het nemen van natuurherstelmaatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij inzet van provinciale instrumenten in het faunabeheer kiezen we ervoor om populaties van wilde dieren zodanig te beheren dat schade voorkomen of beperkt wordt. We hanteren daarbij een escalatieladder, waarbij we het gebruik van preventieve middelen (zoals rasters) stimuleren en waarbij het doden van dieren het laatste middel is. We kiezen voor planmatig faunabeheer met een breed maatschappelijk draagvlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft invasieve exotische soorten geven wij uitvoering aan de EU Exotenverordening, waarbij we het voorzorgsbeginsel hanteren bij nieuwe (nog niet wijdverspreide) populaties invasieve uitheemse soorten en wij het initiatief en de regierol nemen om deze zo snel mogelijk uit de natuur te verwijderen. We vragen terreinbeheerders, terreineigenaren en beheerders van de openbare ruimte om actief bij te dragen aan het verwijderen en/of beheersbaar houden van wijdverspreide invasieve uitheemse soorten en gebiedsgericht samen te werken. Dat wordt verder uitgewerkt in een geactualiseerd plan van aanpak invasieve exoten als onderdeel van het provinciaal Natuurprogramma. Voor een aantal provinciale zorgsoorten wordt bekeken of regelgeving in de omgevingsverordening wenselijk en mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het beheer van plantensoorten die op grote schaal zorgen voor problemen in de landbouw worden afspraken gemaakt in een convenant. Daarbij wordt rekening gehouden met de waarde van deze planten voor de biodiversiteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-533\"><span class=\"lf-art-num\">§ 5.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Natuurinclusieve samenleving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Limburgse Natuurprogramma 2023-2030 zet in op behoud en versterking van de biodiversiteit in een natuurinclusieve samenleving. We hebben daarvoor drie programmalijnen die voortbouwen op het gevoerde natuurbeleid en dit versterken, verbreden en doelgerichter en efficiënter maken. We streven ernaar om burgers en andere partijen deelgenoot te maken in het bereiken van natuurdoelen. We streven naar een natuurinclusieve samenleving, waarbij natuur sterk verankerd is in de samenleving en dicht bij de woonomgeving voor jong en oud te beleven is. Bij ruimtelijke en economische ontwikkelingen streven we naar natuurinclusiviteit. Dat wil zeggen dat er rekening wordt gehouden met de natuurwaarden en dat deze waar mogelijk worden versterkt. Voor bestuivers en stedelijk groen sluiten we aan bij de opgaven uit de Europese Natuurherstelverordening. Ons college en de colleges in de diverse gemeenten krijgen ruimte om hun eigen prioriteiten, accenten en financiële speelruimte te bepalen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-534\"><span class=\"lf-art-num\">§ 5.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Geborgde aanpak stikstof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vanuit een geborgde aanpak nemen we per Natura 2000-gebied maatregelen die bijdragen aan een geborgde daling van stikstofdepositie en aan natuurherstel. We treffen generieke maatregelen die zorgen voor een daling van de stikstofdeken, waar nodig borgen we die in de omgevingsverordening. Voor de emissie van stallen is dit reeds het geval. Daarnaast nemen we gebiedsgericht de (bron)maatregelen die nodig zijn om de benodigde daling van de stikstofdepositie te realiseren. Hierbij dragen alle sectoren naar rato bij. Met een programmatische aanpak pakken we per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied de stikstofopgave op en nemen de maatregelen die bijdragen aan een geborgde daling van stikstofdepositie en aan natuurherstel. Naast generieke maatregelen kijken we per gebied welke maatregelen en instrumenten nodig zijn om deze dalende lijn te halen en te borgen. Dat wordt gedaan met de betrokken stakeholders die gebiedskennis hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per gebied nemen we ook de natuurherstellende en -verbeteringsmaatregelen die nodig zijn. Deze maatregelen zijn erop gericht om op dit moment – met een overschot aan stikstofdepositie – de verslechtering te stoppen en de beschermde natuurwaarden uiteindelijk te herstellen en in stand te houden. Het betreft een combinatie van systeemherstellende maatregelen (zoals hydrologische verbeteringen), herstelmaatregelen (zoals veenherstel) en intensievere beheermaatregelen (intensiever maaien of begrazen, waar dit niet strijdig is met overige kwetsbare natuurwaarden).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Programma Limburgs Offensief Stikstof (LOS) (dat gericht is op stikstofreductie en natuurherstel) benoemt een breed pakket aan mogelijke generieke én gebiedsgerichte maatregelen. Die maatregelen lopen uiteen van bijvoorbeeld natuurherstel, (vrijwillige) bedrijfsbeëindiging, provinciaal grondbeleid, landinrichting, voortzetting en aanscherping van de provinciale stalregeling, agrarisch natuurbeheer tot hydrologische maatregelen (bv peilverhoging). In het Programma LOS wordt ook aangekondigd dat, na onderbouwing, aanvullende beperkingen kunnen gaan gelden voor zaken als het gebruik van dierlijke mest en kunstmest, gewasbescherming, beregening en drainage in overgangsgebieden; zodra dit gebiedsgericht onderbouwd is, en rekening houdend met haalbaarheid en betaalbaarheid (waaronder middelen voor nadeelcompensatie) en met reële termijnen waarbinnen sectoren zich kunnen aanpassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van gebiedsgerichte onderzoeken en gebiedsprocessen zullen per Natura 2000-gebied de precieze maatregelpakketten worden bepaald en ook de precieze grenzen van de overgangsgebieden waar deze maatregelen gaan gelden. Dit wordt vertaald in nadere regels in de verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onze grensligging brengt extra uitdagingen met zich mee. De depositie van stikstof uit het buitenland is groot. Ook de belasting van het oppervlaktewater via instroom van beken uit het buitenland is fors. Het behalen van de doelen is hierdoor ook afhankelijk van de inspanningen van onze buren. We willen de verantwoordelijkheid voor ons eigen provinciale aandeel op ons nemen en het overleg intensiveren om tot een grensoverschrijdende aanpak te komen. Dit doen we zelfstandig en ook samen met het Rijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de zonering “Primair Landbouwgebied”, houden we nadrukkelijk en zoveel mogelijk rekening met de positie van agrariërs en stellen we de mogelijkheden voor agrariërs centraal. Op het moment dat de agrarische onderneming moet of wil verhuizen - bijvoorbeeld vanuit de Groenblauwe landbouwzone - naar “primair landbouwgebied” gaan we voor maatwerk. Daarmee wordt bedoeld dat als VAB’s / bestaande gebieden echt niet geschikt zijn dat er mogelijkheden gezocht moeten worden in nieuwe gebieden binnen primair landbouwgebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-535\"><span class=\"lf-art-num\">§ 5.3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Maatregelen in samenhang en samenwerking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">We kiezen een samenhangende benadering voor functies als landbouw, natuur, water, energieopwekking, veiligheid en gezondheid, recreatie en toerisme. We zetten ook in op samenhang met onder meer de beheerplannen Natura 2000 en uitvoeringsprogramma’s op provinciaal niveau en rijksniveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij scherpen ons pachtbeleid voor nieuwe pachtcontracten in de Groenblauwe landbouwzone aan. Hier stimuleren we regeneratieve, natuurinclusieveen biologische landbouw. Daar waar dit bijdraagt aan natuur- en waterdoelen, staan we het gebruik van niet-biologische gewasbeschermingsmiddelen in principe niet toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de biodiversiteit in het bebouwd gebied te beschermen, zoeken we de samenwerking met de gemeenten. De gemeenten stellen soortmanagementplannen op die de staat van instandhouding van bedreigde diersoorten borgen en de basis vormen voor vergunningverlening voor verduurzaming van gebouwen en ruimtelijke ontwikkelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het nemen van natuurmaatregelen en het doorontwikkelen van het Natuurnetwerk Limburg en de Groenblauwe landbouwzone, zoeken we de grensoverschrijdende samenwerking op. Voorbeelden van succesvolle grensoverschrijdende samenwerking zijn te vinden in het GrensPark Kempen~Broek, RivierPark Maasvallei, het Drielandenpark, Landschapspark Grenzeloos Bocageland en Grenspark Maas-Swalm-Nette.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Nationale Parken en het Nationaal Landschap Zuid-Limburg vormen van oudsher een bijzonder onderdeel van de Limburgse natuur. Wij ondersteunen het proces van de regio’s en gebiedspartners om de Nationale Parken Maasduinen, Meinweg en De Groote Peel vanuit het door Rijk en provincies vastgestelde beleid te transformeren tot een bredere samenwerking in regionale landschappen. Het doel daarvan is om met de parken en hun omgeving de natuur-, landschaps- en overige gebiedskwaliteiten, natuurbeleving, verbinding met de samenleving en herkenbaarheid te versterken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij ondersteunen initiatieven op het gebied van burgerparticipatie, zoals groene burgerinitiatieven door bewoners, scholen en zorginstellingen. Groene initiatieven op het vlak van leefbaarheid dragen bij aan een beter binnenstedelijk klimaat, klimaatadaptatie en de realisatie van afspraken in het Klimaatakkoord, zoals de aanplant van bomen. Daarnaast verhoogt stadsnatuur het welzijn in de steden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-536\"><span class=\"lf-art-num\">§ 5.3.6</span><span class=\"lf-art-t\">Instrumentarium natuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">We blijven de natuur beschermen door regels in de omgevingsverordening en door het maken van zorgvuldige afwegingen bij het verlenen van omgevingsvergunningen en maatwerkvoorschriften. Dat vanuit onze taak als bevoegd gezag op grond van de Omgevingswet. We streven naar harmonisatie met andere provincies en het Rijk waar het gaat over regels die gelden voor de bescherming van natuur, tenzij het nodig is om specifieke regels te stellen, rekening houdend met de Limburgse situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">We continueren de ruimtelijke bescherming van natuur in de omgevingsverordening, ook buiten het Natuurnetwerk Limburg, waarbij we aantasting door nieuwe ontwikkelingen tegengaan. Wanneer natuurwaarden desondanks verdwijnen, stellen we compensatie verplicht, waarbij het uitgangspunt is dat de oppervlakte, kwaliteit en samenhang van het natuurnetwerk minimaal gelijk blijven en dat de initiatiefnemer zelf hiervoor zorgdraagt. We herzien daarbij de werkwijze en laten deze beter laten aansluiten bij de rolverdeling tussen provincie en gemeente in de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar nodig zetten we gebiedsspecifiek juridisch bindende instrumenten in voor de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden, bijvoorbeeld met een kwalitatieve verplichting en maatwerkvoorschriften met nadeelcompensatie. Inzet van deze instrumenten is maatwerk en we kiezen daarbij niet voor onteigening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om duidelijkheid te geven waar in de toekomst maatregelen zijn te verwachten die kunnen leiden tot gevolgen voor het grondgebruik, zoals hogere grondwaterstanden, zijn in deze omgevingsvisie overgangsgebieden rondom kwetsbare Natura 2000 - gebieden onderdeel van de Groenblauwe landbouwzone. Het zijn gebieden waarin we landbouw willen stimuleren die rekening houdt met de opgaven voor natuur, landschap en water, bijvoorbeeld met de inzet van middelen vanuit het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), het Deltaplan Hoge Zandgronden (DHZ) en het agrarisch natuurbeheer (ANB) en overige rijksgelden (SPUK (Specifieke Uitkering)Natuur 1 en 2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Er geldt vanuit de Omgevingsverordening Limburg een motiverings- en natuurcompensatieplicht voor de kaartlagen van de Groenblauwe landbouwzone met uitzondering van de Overgangsgebieden rondom kwetsbare Natura 2000 gebieden, waar geen motiveringsplicht van toepassing is. Deze motiverings- en natuurcompensatieplicht is ook van toepassing daar waar deze kaartlagen doorlopen onderliggend aan Verwevingsgebieden. Voor uitgebreidere toelichting zie paragraaf 5.6.2. alsmede paragraaf Algemene zonering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de programmatische aanpak stikstof zijn de natuurdoelanalyses (NDA's) het vertrekpunt. We verlagen de stikstofdepositie door (generieke) bronmaatregelen en doelsturing, en we verbeteren de kwaliteit van natuurgebieden door in te zetten op versnelling van extra natuurherstel en hydrologische maatregelen. De hydrologische maatregelen voor de instandhouding van de Natura 2000-gebieden dienen volgens de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) uiterlijk in 2027 genomen te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">We stellen per Natura 2000-gebied overgangsgebieden vast in verband met de opgave voor soorten en habitattypen. Daarbij zijn de hydrologie (verdroging en waterkwaliteit) en stikstof de belangrijkste drukfactoren die de ligging van de overgangsgebieden bepalen. Per gebied is daarmee de ecologische onderbouwing het uitgangspunt, waarbij tevens rekening wordt gehouden met natuurlijke grenzen, de drukfactoren en de abiotische omstandigheden. Voor het oplossen van de drukfactoren kiezen we in de overgangsgebieden voor maatwerk maatregelen die per gebied kunnen verschillen. Onderzoek en een daarop gebaseerd gebiedsproces kunnen leiden tot het aanscherpen van de begrenzing van de overgangsgebieden en zullen duidelijk maken welke maatregelen en instrumenten ingezet moeten worden. In bijlage 9 is uitgelegd hoe de begrenzing van elk van de kaartlagen van de Groenblauwe landbouwzone is bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het opnemen van maatregelen in de Groenblauwe landbouwzone en het verwevingsgebied voor het behalen van doelen wordt rekening gehouden met de haalbaarheid en betaalbaarheid, inclusief de financiële gevolgen voor betrokkenen, en met reëele termijnen waarbinnen sectoren zich kunnen aanpassen. Waarbij wordt gestreefd naar een evenwichtige verdeling van lasten, en waar aan de orde, gebruik wordt gemaakt van wettelijk beschikbare instrumenten, zoals nadeelcompensatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-537\"><span class=\"lf-art-num\">§ 5.3.7</span><span class=\"lf-art-t\">Monitoring natuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Monitoring en evaluatie zijn nodig om te bepalen of natuurdoelen en maatregelen nog effectief en realistisch zijn en of bijstellingen nodig zijn. Monitoring is een wettelijke verplichting in verband met de rapportage aan de Europese Commissie over de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR). Ook de Europese Natuurherstelverordening stelt monitoring verplicht. We verbeteren met een landelijk afgestemde aanpak de monitoring van de kwaliteit van de natuur, de condities voor behoud en herstel van instandhouding van habitats en soorten, en de effectiviteit van het maatregelenpakket van de beheerplannen Natura 2000.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-54\"><span class=\"lf-art-num\">§ 5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Natuurnetwerk Limburg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Natuurnetwerk Limburg (NNL) is het Limburgse deel van het Nationaal Natuurnetwerk. Het Natuurnetwerk Limburg beslaat circa 53.000 hectaren. Dit netwerk heeft een belangrijke functie voor de biodiversiteit. Binnen het Natuurnetwerk Limburg wordt ingezet op een verbetering van de kwaliteit en bescherming van de natuur, met een bijzonder accent op bedreigde Limburgse dier- en plantensoorten. Het fungeert daarnaast als belangrijke zone voor extensief recreatief medegebruik en als drager van de landschappelijke structuur, samen met het cultureel erfgoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het Natuurnetwerk Limburg liggen 24 Natura 2000-gebieden. Ook in de directe omgeving in aangrenzende provincies en landen zijn Natura 2000-gebieden aanwezig. Het terugdringen van de stikstofbelasting vanuit de omgeving staat hier onder meer centraal. Ook onderdeel van het Natuurnetwerk zijn de Nationale Parken Maasduinen, Meinweg en De Groote Peel. Er wordt ook door het Rijk ingezet op verbreding van de agenda en gebiedsafbakening van de Nationale Parken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het Natuurnetwerk vragen ook de natte natuurgebieden bijzondere aandacht vanwege de grote waterafhankelijkheid van de natuur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-55\"><span class=\"lf-art-num\">§ 5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Natura 2000-gebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Natura 2000-gebieden (circa 17.000 hectaren) maken bijna volledig deel uit van het Natuurnetwerk Limburg (NNL). Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze Natura 2000-gebieden worden bepaalde dieren, planten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit (soortenrijkdom) te behouden. Hier ligt de absolute nadruk op de natuurwaarden: het zo spoedig mogelijk en verantwoord bereiken van een gunstige staat van instandhouding van de soorten en habitats, waarop de aanwijzing als Natura 2000-gebied is gebaseerd. De beheerplannen van de Natura 2000-gebieden in Limburg beschrijven wat daarvoor nodig is. Vanuit Europa geldt een strenge wet- en regelgeving die gericht is op beheer en bescherming van de natuurwaarden. In 1979 is de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Nederland heeft de Europese Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn vertaald in wetgeving: de Wet natuurbescherming 2017 (Wnb), die sinds 1 januari 2024 is opgegaan in de Omgevingswet. In Zuid-Limburg liggen de Natura 2000-gebieden deels ondergronds, in mergelgroeven die leefgebied vormen voor vleermuizen. Deze ondergrondse delen zijn apart zichtbaar gemaakt op de kaart Natura 2000-gebieden ondergrondse kalksteengroeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anno 2022 hebben wij, naast de beheerplannen, natuurdoelanalyses (NDA) gemaakt. Natuurdoelanalyses worden uitgevoerd vanwege de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn), waarin wordt beschreven dat we de natuur beschermen en de stikstofuitstoot reduceren. De NDA’s zijn onafhankelijk beoordeeld door de Ecologische Autoriteit die advies uit heeft gebracht over de vraag hoe de maatregelen in de NDA’s kunnen worden verbeterd. In de Natura 2000-beheerplannen is op grond van de huidige inzichten beschreven welke maatregelen in en rond het Natura 2000-gebied gepland zijn om de natuurdoelen dichterbij te brengen. Vanwege de ernst van de problematiek (bijvoorbeeld verdroging, stikstofdepositie en vermesting) zijn de natuurdoelen niet binnen één planperiode te realiseren. Nieuwe inzichten en kennis uit onderzoeken worden toegepast om het pakket maatregelen iedere 6 jaar aan te vullen of bij te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">We werken via diverse programma's, subsidies en regelingen aan het verbeteren van de omgevingskwaliteit van de Natura 2000-gebieden. Stikstof en verdroging zijn de belangrijkste drukfactoren. In de omgevingsverordening regelen we de vermindering van stikstofemissie van stallen. Op het tegengaan van verdroging wordt verder ingegaan onder het thema Water.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-56\"><span class=\"lf-art-num\">§ 5.6</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke kaartlagen – natuur</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-561\"><span class=\"lf-art-num\">§ 5.6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Ecologische verbindingszones — Groenblauwe landbouwzone en Verwevingsgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ecologische verbindingszones (EVZ) verbinden belangrijke natuurgebieden met elkaar en zorgen ervoor dat soorten zich kunnen verspreiden en dat er uitwisseling is tussen deelpopulaties. In de actualisatie van de Groenblauwe landbouwzone in de POVI worden ecologische verbindingszones gespecificeerd als aparte kaartlaag. Dit zorgt voor duidelijkheid en maakt concrete toetsing en realisatie mogelijk. De kaartlaag Ecologische verbindingszones bestaat uit Ecologische Verbindingszones - Concreet begrensd, deels al gerealiseerde verbindingszones zoals ecoducten. Daarnaast zijn er Ecologische Verbindingszones - Zoekgebied begrensd voor nieuwe verbindingen. In bijlage 9 is uitgelegd hoe de begrenzing van elk van de kaartlagen van de Groenblauwe landbouwzone is bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ecologische verbindingszones dragen bij aan de duurzame staat van instandhouding van populaties door uitwisseling tussen deelpopulaties mogelijk te maken. Dit maakt de populaties minder kwetsbaar voor klimaatverandering, ziekten en plagen. Verbindingszones en ontsnipperingsmaatregelen (faunapassages en wildwaarschuwingssystemen) dragen – in lijn met de Europese Natuurherstelverordening – ook bij aan het opheffen barrières in zoetwaterecosystemen, bosverbindingen, grensoverschrijdende verbindingen en landschapsverbindingen in agrarisch cultuurlandschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast dragen ontsnipperingsmaatregelen (faunapassages en wildwaarschuwingssystemen) en alternatieve routes in de vorm van ecologische verbindingszones bij aan het verminderen van aanrijdingen met dieren en daarmee het vergroten van de verkeersveiligheid. Om deze maatregelen duurzaam te laten functioneren, is het nodig om de uitloopzones eromheen en de zones tussen passages te vrijwaren van ontwikkelingen die de functionaliteit ervan kunnen aantasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten slotte dragen ecologische verbindingszones bij aan het vergroten van klimaatrobuustheid: ze functioneren als ontsnappingsroute en refugium tijdens perioden van extreme klimatologische omstandigheden. Dit is van levensbelang voor bijvoorbeeld poelgebonden amfibieën, die tijdens een periode van droogte via een natte corridor naar geschikt habitat kunnen trekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Potentiële EVZ in Limburg zijn naar aanleiding van het beleidskader Perspectief voor het Landelijk Gebied in kaart gebracht. Wetenschappelijk onderzoek (deels modelmatig), literatuur en expertoordeel zijn gebruikt om tot een nieuwe kaartlaag te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als provincie nemen we maatregelen om ecologische verbindingszones en ontsnippering te realiseren of te versterken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kaartlaag is onderverdeeld in zeven categorieën waarin het streefbeeld voor de betreffende EVZ is beschreven. Het gaat om de volgende categorieën: ● Beekdal - Ecologische verbindingszones: corridor bestaande uit een waterloop (stromende beek, rivier of stilstaand water) met plas-dras/moeras-situaties en oevers op de flanken begeleid door ruigtes, struweel, bomen of extensief grasland. ● Verbinding met landschapselementen - Ecologische verbindingszones: landschapszone met afwisselend open agrarisch landschap en kleinschalig landschap met vochtige weilanden, ruigten, houtwallen, singels, bosjes en dergelijke. ● Bosverbinding - Ecologische verbindingszones: mozaïeklandschap bestaande uit bosjes en struweel. Overige elementen zijn bijvoorbeeld (vochtige) weilanden en ruigten. ● Kleinschalig landschap met poelen - Ecologische verbindingszones: corridor met stapstenen, ingebed in kleinschalig landschap. Natte elementen zijn essentieel (met name poelen). ● Kleinschalig landschap met schrale elementen - Ecologische verbindingszones: corridor met stapstenen, ingebed in kleinschalig landschap. Schrale elementen zijn essentieel, zoals plekken met zand, ruigtes, open plekken in bos en heideterreintjes. ● Open landschap met schrale elementen - Ecologische verbindingszones: corridor met bloem- en kruidenrijke graslanden, soms afgewisseld met kale zandige of steenachtige (kalk, grind, mijnsteen) ondergrond. ● Open akkerlandschap – Ecologische verbindingszones: corridor die leefgebieden van de Europese hamster verbindt. Het behoud van akkerbouw, in het bijzonder de teelt van graan en aangepast agrarisch natuurbeheer zijn van belang. Nieuwe bebouwing en opgaande houtige beplanting kunnen leiden tot het verstoren van het functioneren van de verbinding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-562\"><span class=\"lf-art-num\">§ 5.6.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overgangsgebieden rondom kwetsbare Natura 2000 gebieden - Groenblauwe landbouwzone enVerwevingsgebieden We streven ernaar de abiotische omstandigheden voor het Natuurnetwerk Limburg (NNL) en vooral de Natura 2000-gebieden te herstellen. We verbeteren de water-, bodem- en milieucondities door bijvoorbeeld de overbelasting met stikstof aan te pakken en door het hydrologisch systeem te herstellen. Deze maatregelen kunnen het meest effectief genomen worden in de overgangsgebieden rondom kwetsbare Natura 2000 - gebieden. Maatregelen gericht op systeemherstel binnen het Natura 2000-gebied kunnen ook effecten hebben in de omgeving van het natuurgebied, bijvoorbeeld door het verhogen van grondwaterstanden. In de overgangsgebieden kunnen deze effecten worden opgevangen door het stimuleren van aangepast grondgebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Via de natuurdoelanalyses (NDA's) zijn knelpunten zoveel mogelijk in beeld gebracht. Een aantal te nemen maatregelen is bekend, maar veel maatregelen vergen eerst nog onderzoek. Het grootste deel van deze opgaven zal leiden tot het nemen van maatregelen in gebieden rond de kwetsbare Natura 2000-gebieden. Om duidelijkheid te geven waar hier in de toekomst maatregelen zijn te verwachten die kunnen leiden tot gevolgen voor het grondgebruik, zoals hogere grondwaterstanden, zijn in deze Omgevingsvisie overgangsgebieden rond de kwetsbare Natura 2000-gebieden als onderdeel van de Groenblauwe landbouwzone aangewezen. Het zijn gebieden waarin we een landbouw willen stimuleren die rekening houdt met de opgaven voor natuur, landschap en water, bijvoorbeeld met de inzet van middelen vanuit het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), het Deltaplan Hoge Zandgronden (DHZ) en het Agrarisch Natuurbeheer (ANB) en overige rijksgelden (SPUK (Specifieke Uitkering) Natuur 1 en 2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de programmatische aanpak stikstof zijn de natuurdoelanalyses (NDA's) het vertrekpunt. We verlagen de stikstofdepositie door (generieke) bronmaatregelen en doelsturing en we verbeteren de kwaliteit van natuurgebieden door in te zetten op versnelling van extra natuurherstel en hydrologische maatregelen. De hydrologische maatregelen voor de instandhouding van de Natura 2000-gebieden dienen volgens de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) uiterlijk in 2027 genomen te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per kwetsbaar Natura-2000 gebied zijn overgangsgebieden vastgesteld in verband met de opgave voor soorten en habitattypen, Daarbij zijn de hydrologie (verdroging en waterkwaliteit) en stikstof de belangrijkste drukfactoren die de ligging van overgangsgebieden bepalen. Per gebied is daarmee de ecologische onderbouwing uitgangspunt geweest, waarbij tevens rekening is gehouden met natuurlijke grenzen, de drukfactoren en de abiotische omstandigheden. In bijlage 9 is uitgelegd hoe de begrenzing van elk van de kaartlagen van de Groenblauwe landbouwzone is bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het oplossen van de drukfactoren kiezen we in de overgangsgebieden voor maatwerk maatregelen die per gebied kunnen verschillen. Onderzoek en een daarop gebaseerd gebiedsproces kunnen leiden tot het aanscherpen van de begrenzing van de overgangsgebieden en zullen duidelijk maken welke maatregelen en instrumenten ingezet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zeven van de acht onderliggende kaartlagen van de Groenblauwe landbouwzone geldt de vereiste voor gemeenten om nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en ingrepen in deze zone te motiveren. Die vereiste is vastgelegd in een instructieregel in de Omgevingsverordening. Die motiveringsplicht is toegespitst op de kaartlaag (of -lagen) die op de betreffende plek van toepassing is/ zijn, en daarmee op de specifieke opgaven en doelen waarmee in dat deelgebied rekening gehouden moet worden (maar ook waarmee niet). Dat geldt ook daar waar de kaartlagen doorlopen onder Verwevingsgebieden. Voor elke kaartlaag omvat die motiveringsvereiste in elk geval ook de impact op de landschappelijke kernkwaliteiten en de impact op het NNL.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de Overgangsgebieden rondom kwetsbare Natura 2000-gebieden zal, in afwijking van het bovenstaande, in de Omgevingsverordening geen specifieke motiveringsvereiste worden opgenomen. Voor deze overgangsgebieden zullen op een later moment op basis van gebiedsgerichte onderzoeken en gebiedsprocessen in het kader van het Programma Limburgs Offensief Stikstof (LOS) nadere regels in de verordening worden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar sprake is van overlap van de Overgangsgebieden met andere kaartlagen geldt de motiveringsplicht voor die andere lagen uiteraard wel. Bovendien zal voor nieuwe ontwikkelingen met mogelijk significante effecten op Natura 2000-gebieden een natuurvergunning nodig zijn, in dat kader is ook een motivering vereist van de impact van de beoogde ingreep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Omgevingsverordening bevat daarnaast een natuurcompensatieplicht die geldt voor alle acht kaartlagen van de Groenblauwe landbouwzone.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-57\"><span class=\"lf-art-num\">§ 5.7</span><span class=\"lf-art-t\">Extensiveringsgebieden veehouderij met milieubelastende activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de actuele omgevingsverordening zijn extensiveringsgebieden intensieve veehouderij van toepassing. Deze gebieden zijn in 2005 gedefinieerd ter bescherming van de verzuringsgevoelige natuurgebieden (stikstofproblematiek). Daarnaast is ook het stroomvoerend winterbed van de Maas, waarbinnen op basis van de Beleidslijn Ruimte voor de Rivier slechts onder zéér strikte voorwaarden een zeer beperkte uitbreiding mogelijk is, begrensd als extensiveringsgebied. In deze gebieden is uitbreiding of nieuwvestiging van een veehouderij met milieubelastende activiteit niet toegestaan en moet uitbreiding of vormverandering gemotiveerd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De extensiveringsgebieden hebben overlap met de huidige Groenblauwe landbouwzone en de nieuw voorgestelde overgangsgebieden rondom kwetsbare Natura 2000-gebieden hierbinnen, maar ook met de overige zones, zoals het primair Landbouwgebied. Wij gaan het regime en de ligging van de extensiveringszones herzien, zodat effectiever op het doel kan worden gestuurd, namelijk de reductie van de stikstofuitstoot. Wij doen dit mede in het kader van de maatregelen die in het kader van het Limburgs Offensief Stikstof worden genomen. Vooruitlopend op de herziening kiezen we ervoor om de extensiveringsgebieden uit de zone Primair landbouwgebied te halen. Dit is in de kaarten aangepast.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  6</h3>\n<p class=\"lf-p\">Water</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-61\"><span class=\"lf-art-num\">§ 6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Water inleiding</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-611\"><span class=\"lf-art-num\">§ 6.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Water algemeen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De beschikbaarheid van voldoende water van een goede kwaliteit en bescherming tegen een teveel aan water zijn belangrijke voorwaarden voor een goed en veilig leven in Limburg. Voldoende water van een goede kwaliteit is nodig voor ons drinkwater, ons voedsel, onze natuur, energie en economie. Maar we moeten ook beschermd zijn tegen een teveel aan water.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit themahoofdstuk Water geven we invulling aan ons waterdoel: het realiseren van een duurzaam, robuust en ecologisch gezond watersysteem dat kan omgaan met wateroverlast en droogte, en dat voorziet in voldoende water van goede kwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze Provinciale Omgevingsvisie (POVI) bevat de fysiek ruimtelijke onderdelen van ons waterbeleid, die bijdragen aan het bovengenoemde doel. We leveren via het waterbeleid in deze omgevingsvisie ook een belangrijke bijdrage aan de instandhoudingsdoelstellingen van onze Natura 2000-gebieden en daarmee aan de oplossing van het stikstofprobleem. Ook zetten we alles op alles om, mede met behulp van de keuzes die we in deze omgevingsvisie maken en voor zover dat binnen onze verantwoordelijkheden en onze mogelijkheden ligt, invulling te geven aan de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Ten eerste om daarmee een bijdrage te leveren aan het duurzame en gezonde watersysteem. Ten tweede om te voorkomen dat de KRW-doelen niet gehaald zullen worden en we hier de negatieve gevolgen van gaan ondervinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het thema Water is, in navolging van het Provinciaal Waterprogramma en het beleidskader voor het landelijk gebied onderverdeeld in vijf onderdelen, die samen invulling geven aan de bovengenoemde doelstelling: ● De Maas ● Voldoende water ● Waterveiligheid, wateroverlast en regionale normering ● Waterkwaliteit en de Kaderrichtlijn Water ● (Grond)water voor drinkwater Deze omgevingsvisie vormt de basis voor het op te stellen Provinciaal Waterprogramma 2028-2033.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-612\"><span class=\"lf-art-num\">§ 6.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Rekening houden met het veranderende klimaat</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het klimaat verandert. We krijgen te maken met langere droge perioden en hevigere regenbuien. Het is belangrijk dat we kunnen omgaan met dit veranderende klimaat. Dat betekent rekening houden met mogelijke droogte en wateroverlast in onze ruimtelijke ordening. Daarom hebben we in de Omgevingsverordening Limburg een motiveringsverplichting voor klimaatadaptatie opgenomen. Daarin is voorgeschreven dat bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling (waarvoor het ruimtelijk plan moet worden aangepast) wordt aangegeven hoe wordt omgegaan met wateroverlast en watertekort, en wat de invloed van het plan hierop is. Daarbij verwijzen we naar de beschikbare informatie over dit onderwerp die moet worden gebruikt, zoals de stresstestkaarten en de Onderlegger water en bodem. Water en bodem wordt daarmee meer sturend in de ruimtelijke ordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het waterschap en gemeenten werken we samen met het Rijk aan de (bovenregionale) stresstesten die inzicht geven in wateroverlast, overstroming, droogte en hittestress. Met het waterschap hebben we daarnaast de onderlegger Water en Bodem opgesteld, die inzicht geeft in het water- en bodemsysteem en de hierbij behorende risico’s. De kansen op en risico’s van overstroming van de rivieren zijn op overstromingskaarten weergegeven in de Atlas Leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Rijk heeft het Ruimtelijk afwegingskader klimaatadaptieve gebouwde omgeving opgesteld om locatiekeuzes te ondersteunen. Daarnaast kan de Landelijke maatlat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving worden gebruikt om de inrichting en bouwwijze klimaatadaptief te maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-613\"><span class=\"lf-art-num\">§ 6.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Aanpassen aan het veranderende klimaat</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">We moeten meer rekening houden met het veranderende klimaat in de ruimtelijke ordening. Rekening houden alléén is echter niet voldoende om goed en veilig te kunnen leven in Limburg. We zullen maatregelen moeten nemen om onze omgeving aan te passen en om ons watersysteem op orde te brengen. We zullen ruimte moeten bieden aan het water en onze steden, dorpen en landerijen deels anders moeten inrichten. Daarbij laten we het water meer sturend zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor ons watersysteem willen we aansluiten bij de beekdalbrede benadering die in het Provinciaal Waterprogramma 2022-2027 is beschreven. Op de langere termijn zien we dat als toekomstbeeld. In het algemeen willen we de sponswerking van het landschap verbeteren. Ruimte voor water in beekdalen en natte laagten en een duurzame inrichting van de beekdalen is daarom het uitgangspunt. We streven naar herstel van de natuurlijke werking van het watersysteem. In deze omgevingsvisie hebben we de beekdalen en natte laagten in de Groenblauwe landbouwzone opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wateroverlast kan, bij extreme neerslag, veranderen in gevaar voor de waterveiligheid. In deze omgevingsvisie hebben we de gebieden aangegeven waar gevaar kan optreden. We willen dat daar veilig gewoond en geleefd kan worden. Waterveiligheid en het voldoen aan de normen voor wateroverlast vinden wij een provinciaal belang.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-614\"><span class=\"lf-art-num\">§ 6.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">De waterkwaliteit verbeteren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De waterkwaliteit van zowel het oppervlaktewater als het grondwater staat onder druk. We vinden te veel nutriënten, gewasbeschermingsmiddelen, PFAS, medicijnresten en andere stoffen die er niet in thuishoren. De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) vraagt van ons om in 2027 maatregelen te hebben genomen om de waterkwaliteit op orde te brengen. De tijd dringt en we zetten, binnen onze mogelijkheden, alles op alles om de kwaliteit van het water te verbeteren. In deze omgevingsvisie hebben we daarvoor onder meer overgangsgebieden rondom kwetsbare Natura 2000 - gebieden en beekdalen opgenomen. Een goede waterkwaliteit en het voldoen aan de Kaderrichtlijn Water vinden wij een provinciaal belang.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-615\"><span class=\"lf-art-num\">§ 6.1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Voldoende drinkwater borgen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ons drinkwater staat onder druk. We verwachten een toename van het drinkwatergebruik, maar zien gelijktijdig dat het steeds meer inspanning vraagt om voldoende schoon water als grondstof voor dit drinkwater te verkrijgen. In deze omgevingsvisie zetten we daarom in op een betere bescherming van onze drinkwaterbronnen en reserveren we ruimte voor nieuwe toekomstige winningen. Tegelijkertijd vragen we aandacht voor de wettelijke zorgplicht die alle overheden hebben, direct of indirect, voor ons drinkwater. Voldoende en schoon water en drinkwater vinden wij een provinciaal belang.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-62\"><span class=\"lf-art-num\">§ 6.2</span><span class=\"lf-art-t\">De Maas</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-621\"><span class=\"lf-art-num\">§ 6.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">De Maas - inleiding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Maas heeft het landschap van Limburg grotendeels gevormd en verbindt onze provincie van zuid naar noord. De Maas geeft ons een bron van drinkwater, maakt transport over water mogelijk, zorgt voor de welkome aanvoer van water, biedt een prachtig landschap voor ontspanning, recreatie en toerisme, en vormt een verbindingszone voor onze natuur. De Maas zorgt echter ook voor een aantal maatschappelijke opgaven: overstromingen die tot grote schade leiden, verminderde afvoer van water in de zomer en een waterkwaliteit die nog niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-622\"><span class=\"lf-art-num\">§ 6.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Onze inzet op de Maas</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De hoofdverantwoordelijkheid voor de grote rivieren in Nederland, waaronder de Maas, ligt op nationaal niveau. Het veiligheidsniveau voor overstromingen langs de grote rivieren wordt op nationaal niveau bepaald. Het waterschap is ervoor verantwoordelijk om de bewoners in de bedijkte gebieden te beschermen tegen overstromingen, conform dit nationaal bepaalde veiligheidsniveau (omgevingswaarden voor dijktrajecten, opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving). In verschillende Maasprojecten werkt het Rijk samen met het waterschap, gemeenten en ons om Limburg beter te beschermen tegen hoogwater, waarbij onze inzet is om hierbij de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Één van de uitgangspunten die wij hierbij hanteren is: ruimte voor water waar het kan en bescherming door middel van kades en dijken waar dit moet. Het landschap van de Maas is uniek. Dijken, die in de rest van Nederland vaak gemeengoed zijn, passen niet altijd in dat landschap. Daarom zoeken we waar nodig naar innovatieve oplossingen en naar maatwerk dat past bij het lokale karakter. De zelfsluitende kering van Steyl is zo’n voorbeeld van een innovatieve maatwerkoplossing. Voor dergelijke oplossingen is meestal aanvullende financiering nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de rivierverruimende maatregelen werken, heeft het laatste hoogwater van 2021 uitgewezen. Maatregelen zoals het Grensmaasproject en de gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum, met nevengeulen en grote weerdverlagingen, hebben gezorgd voor een substantiële waterstandsverlaging. Daardoor bleven woonkernen vrij van overstromingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanwege de verwachting dat de hoogwaterpieken door klimaatverandering in de toekomst verder stijgen, willen we de Maas nog meer ruimte geven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-623\"><span class=\"lf-art-num\">§ 6.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Ontwikkelruimte in de Maasvallei</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de Maasvallei dient rekening te worden gehouden met wateroverlast en overstromingen. Het buitendijkse deel van de Maasvallei is onderhevig aan regelmatige overstromingen. Dicht bij de rivier gebeurt dit op sommige plekken vrijwel jaarlijks, verder van de rivier af soms maar eens in tientallen jaren. Het Rijk heeft het overstroombare deel van de Maasvallei begrensd als ‘het rivierbed’. Op dit moment horen de meeste binnendijkse gebieden ook nog tot dit rivierbed, maar wanneer de dijken aan de nieuwe normen voldoen (uiterlijk in 2050), dan vervalt deze aanduiding daar. Het rivierbed is onderdeel van de Groenblauwe Landbouwzone van deze omgevingsvisie. Het heeft een functie om het water af te voeren en te bergen. Dat betekent ook dat nieuwe ontwikkelingen hier slechts beperkt mogelijk zijn. Enerzijds omdat er kans is op slachtoffers en schade door overstromingen, anderzijds omdat de doorstroming van het water en het bergend vermogen voor het water in stand moeten blijven. Via de Maasprojecten zetten we ons in om meer ruimte voor de rivier te realiseren. Dit draagt bij aan een robuust en toekomstbestendig watersysteem. Conform landelijke richtlijnen heeft Waterschap Limburg in de waterschapsverordening zogenaamde \"profielen van vrije ruimte\" vastgelegd om toekomstige dijkversterkingen mogelijk te houden. In dit gebied gelden daarom beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen. \"</p>\n<p class=\"lf-p\">De ruimtelijke mogelijkheden in dit gebied worden gereguleerd via de Beleidslijn Grote Rivieren van het Rijk. In februari 2025 heeft het Rijk deze beleidslijn aangescherpt, waarbij de ontwikkelingsmogelijkheden verder zijn ingeperkt. Onze visie is dat de Maasvallei niet zo ver op slot moet, maar dat er meer ontwikkelingsruimte moet zijn in lijn met de doelstellingen voor dit gebied. Daarbij is onderscheid te maken in de binnendijkse gebieden die beschermd zijn tegen hoogwater en buitendijkse gebieden waar afvoercapaciteit behouden moet blijven en de waterveiligheid een belangrijk aandachtspunt is. Wij zullen dit bij het Rijk blijven bepleiten en zetten ons via de Maasprojecten in om meer ruimte voor de rivier te realiseren, waardoor waterstandsdaling optreedt. Door deze waterstandsdaling neemt de overstromingskans af en kunnen we een passende ontwikkelingsruimte langs de Maas creëren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-624\"><span class=\"lf-art-num\">§ 6.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Maasprojecten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">We participeren de komende periode in een aantal grootschalige Maasprojecten: ● Verlaging dam Lateraalkanaal ● Ruimte voor de Maas bij Oeffelt ● Lob van Gennep ● Groene rivier Well ● Baarlo - Hout-Blerick ● Vierwaarden (Venlo en omgeving) ● Zuidelijk Maasdal (Maastricht en omgeving) ● Thorn-Wessem Dat zijn projecten waar we mogelijkheden zien voor een combinatie van het verhogen van de waterveiligheid, ruimte voor de rivier en de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Daarnaast onderzoeken we de mogelijkheden om een Maasproject voor Roermond en omgeving op te starten. Het Grensmaasproject zal in 2027, na twintig jaar werk aan de rivier, worden voltooid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de genoemde grote, ruimtelijke Maasprojecten werkt het waterschap aan de verbetering van dijken langs de Maas, om uiterlijk in 2050 te voldoen aan de normen voor deze zogenaamde primaire waterkeringen, opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Wij zijn bij deze projecten betrokken vanwege de ruimtelijke aspecten en streven ook hierbij, samen met het waterschap, een vergroting van de ruimtelijke kwaliteit na. Wij hebben bij deze projecten een wettelijke coördinerende rol en moeten de projectbesluiten uiteindelijk goedkeuren om deze formele rechtskracht te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het programma Ruimte voor de Rivier 2.0 (voorheen Programma Integraal Riviermanagement – IRM) ontwikkelt het Rijk een toekomstige aanpak van de grote rivieren in Nederland: de Rijntakken en de Maas. Deze aanpak is gericht op het opvangen van de naar verwachting hoger wordende afvoerpieken en op het tegengaan van de ongewenste, voortschrijdende daling van de bodem van deze rivieren. Samen met waterschap en gemeenten zijn wij bij dit project betrokken voor de Limburgse Maas, en werken eraan om aan alle belangen in de Maasvallei tegemoet te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In verband daarmee werken we met het Rijk ook aan de ontwikkeling van de natuur van de grote rivieren in de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW). De Gemeenschappelijke Maas is een hotspot in dit programma. We vinden het belangrijk dat de rivierdynamiek die door het Grensmaasproject terugkeerde behouden blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">In 2023-2024 hebben de samenwerkende overheden in het gebied langs de Maas het “Panorama Maasvallei” opgesteld. Het Panorama Maasvallei is na een intensief en participatief proces in mei 2024 vastgesteld door de leden van het Bestuurlijk Platform Maasvallei als een gezamenlijk werk- en inspiratiedocument. In dit document zijn op basis van een bureaustudie en inbreng van deze overheden zeven ambities voor de ruimtelijke inrichting van de Maasvallei geformuleerd en beeldend toegelicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zeven ambities uit het Panorama Maasvallei zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het natuurlijk systeem van de Maas als leidende structuur;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ruimte voor water, mèt kwaliteit;</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een florerend, samenhangend Natuurnetwerk;</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toekomstbestendige landbouw voor een gezonde bodem, op de juiste plek;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoog, droog en groen wonen en werken;</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klimaatrobuuste, duurzame bedrijvigheid en infra, in balans met andere functies;</p>\n<p class=\"lf-p\">7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gevarieerd, beleefbaar landschap, van uitloop- tot rustgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij zullen in de lopende en toekomstige inrichtingsprojecten in de Maasvallei deze ambities -voor zover mogelijk en opportuun- laten doorwerken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-625\"><span class=\"lf-art-num\">§ 6.2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Drinkwater uit de Maas</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Maas heeft een belangrijke rol in de drinkwatervoorziening. Van de Nederlandse Maas zijn zowel mensen in Limburg als in de Randstad (onder andere Rotterdam en Den Haag) afhankelijk voor hun drinkwater. In Limburg is ongeveer 25% van ons drinkwater afkomstig uit de Maas. Bij Beegden wordt het water vanuit de Maas in het bassin van de Lange Vlieter binnengelaten. Vanuit dit bassin wordt het in het drinkwaterproductiebedrijf van de Waterleiding Maatschappij Limburg (WML) tot drinkwater gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kwaliteit van het Maaswater is daarom van groot belang voor ons drinkwater. De laatste jaren zien we steeds vaker vervuilingen van het Maaswater. Zo zeer zelfs, dat WML moet besluiten tot een innamestop. Door steeds lagere afvoeren komen de verontreinigingen in hogere concentraties in het water voor. Een schonere Maas, met een sterk verbeterde waterkwaliteit, is dan ook van groot belang voor de continuïteit van onze drinkwatervoorziening, maar ook voor landbouw en natuur. Er wordt immers via de Peelkanalen Maaswater in Noord-, en Midden-Limburg binnengelaten om bij droogte de waterlopen aan te vullen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-626\"><span class=\"lf-art-num\">§ 6.2.6</span><span class=\"lf-art-t\">De Maas als drainagebasis</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naast een belangrijke bron voor de drinkwatervoorziening vormt de Maas ook de drainagebasis voor een groot deel van Limburg. Dat betekent dat een verlaging van het Maaspeil, bijvoorbeeld door werkzaamheden in de Gemeenschappelijke Maas, gevolgen kan hebben voor de grondwaterstand in de omgeving en de daaraan gekoppelde belangen, zoals hydrologisch gevoelige natuurgebieden. Ook veranderingen in het peil van de Zandmaas hebben gevolgen voor de grondwaterstand. Dat is ook gebleken bij de peilverhogingen in de stuwpanden Grave en Sambeek enkele jaren geleden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-627\"><span class=\"lf-art-num\">§ 6.2.7</span><span class=\"lf-art-t\">Waterkwaliteit van de Maas</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Rijk is verantwoordelijk voor de waterkwaliteit van de Maas en voor het bereiken van de doelstellingen van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) voor de Maas. De waterkwaliteit van de Maas is voor Limburg echter van groot belang en daarom zien wij hier ook een rol voor ons. Waar wij kunnen, zullen wij ons inzetten voor een verbetering van de waterkwaliteit van de Maas.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat zullen we doen door ons in te zetten voor het regionale systeem, waarvoor we samen met het waterschap verantwoordelijk zijn. De Limburgse beken komen immers uit in de Maas. We zullen als onderdeel van het Aanvalsplan Waterkwaliteit helpen riooloverstorten te verminderen en indirecte en directe lozingsvergunningen waarvoor we verantwoordelijk zijn herzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">We spreken ook het Rijk aan op de nutriëntenlast en op de mest- en gewasbeschermingsregelgeving. Het grootste deel van het Maaswater is echter afkomstig uit het buitenland – uit Frankrijk, Duitsland en België. Wij zullen ons samen met het Rijk, het waterschap en de regionale en lokale partners in de overleggen met het buitenland richten op de verbetering van de waterkwaliteit en de uitvoering van de KRW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door het veranderende klimaat zal het Maaswater warmer worden. Door industrieel gebruik als koel- of proceswater kan het Maaswater verder opwarmen. Deze opwarming is onwenselijk voor het bereiken van de ecologische doelen van de KRW. Dat is een aandachtspunt bij vergunningverlening door het Rijk voor het gebruik van Maaswater voor koelwaterdoeleinden of proceswater.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-628\"><span class=\"lf-art-num\">§ 6.2.8</span><span class=\"lf-art-t\">Watertekorten in de Maas</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Door het extremer wordende weer, met in de zomer vaker langere perioden met droogte, moeten we rekening houden met perioden met minder afvoer van de Maas. Dat kan schadelijk zijn voor zowel de drinkwatervoorziening, natuur, landbouw en industrie als de scheepvaart. Het Rijk, als beheerder van de Maas, zoekt naar mogelijkheden om meer water vast te houden in het Maasdal, bijvoorbeeld door het verhogen van de waterstand of door water tijdelijk op te slaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij onderschrijven het streven om de waterafvoer in de zomer op peil te houden. Bij de keuze voor maatregelen spelen naast het waterbelang ook andere belangen een rol, zoals natuur, landschap, economie en recreatie en toerisme. De voeding van de Maas is afkomstig van vele grotere en kleinere beken en beekjes in Frankrijk, België, Duitsland en Nederland. Als het lukt om zowel in Limburg als in het buitenland meer water langer vast te houden en te laten infiltreren in het grondwatersysteem, kan er voor droge perioden meer water beschikbaar komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij zullen ons samen met het Rijk, het waterschap en de regionale en lokale partners in de overleggen met het buitenland richten op de verbetering van het internationale Maaswatersysteem en het langer vasthouden van water, onder meer voor de voeding van de Maas. Deze aanpak is er ook op gericht om pieken in de afvoer te verminderen, waardoor de kans op overstromingen wordt verkleind.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-629\"><span class=\"lf-art-num\">§ 6.2.9</span><span class=\"lf-art-t\">De Maas als transportweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Maas en de kanalen zijn een belangrijke vaarweg en transportroute, en de Maasplassen zijn belangrijk voor de waterrecreatie. De Limburgse havens leveren een belangrijke bijdrage aan het transport in Limburg. Zonder hoofdvaarweg - Maasroute en vaarwegen zouden onze wegen overvol raken. Voldoende water is nodig om de Maas bevaarbaar te houden, vooral in drogere periodes. Ook daarvoor is het beter vasthouden van het water voor de zomer van belang.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-6210\"><span class=\"lf-art-num\">§ 6.2.10</span><span class=\"lf-art-t\">Ruimte voor nieuwe grote watervragers langs de Maas</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vanuit de energietransitie is er vraag naar locaties met voldoende water voor de mogelijke vestiging van energiebedrijven, zoals waterstofcentrales. Daarbij is water nodig als koelwater of proceswater. Gezien de sterke fluctuerende watertoevoer in de Maas, met naar verwachting in de zomer steeds vaker lage peilen, verwachten wij dat hier, afhankelijk van de grootte van de vraag, slechts beperkte mogelijkheden voor zijn. De Maas zal in de zomer steeds vaker simpelweg te weinig water kunnen aanvoeren. Daarnaast zullen deze zogenaamde grote watervragers concurreren met de andere functies, zoals de drinkwatervoorziening, waarbij we in Limburg voor circa 25% gebruik maken van Maaswater. Daarom zien we in de Maas maar beperkt ruimte voor nieuwe (permanente) grote watervragers. Er zal dan ook goed moeten worden afgewogen voor welke watervragers we ruimte kunnen bieden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-63\"><span class=\"lf-art-num\">§ 6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Voldoende water</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-631\"><span class=\"lf-art-num\">§ 6.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Voldoende water - inleiding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">We willen in Limburg kunnen beschikken over voldoende water van een goede kwaliteit. Voldoende water voor ons drinkwater, voor de landbouw en voor de natuur. Maar ook voor de scheepvaart, de industrie, de recreatie en onze beken. Door klimaatverandering, met meer hitte en langere perioden van droogte, zullen we in de zomer over minder water kunnen beschikken. Terwijl door onze sociaaleconomische ontwikkeling en het daarbij behorende watergebruik de vraag nog juist toeneemt. Zeker in warme zomers. Voldoende water van goede kwaliteit voor alle functies, zal niet overal meer vanzelfsprekend zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">We hebben in Nederland en in Limburg ons jarenlang gericht op het ontginnen van gronden voor nieuwe functies als landbouw en wonen. Om deze functies mogelijk te maken is de ontwatering op deze gronden hierop aangepast. Droogte is voor natuur en landbouw een toenemend probleem, maar ook ons grond- en drinkwater kan op termijn onder druk komen te staan. Door klimaatverandering krijgen we te maken met steeds langere droge periodes en daarmee watertekorten. Een deel van deze tekorten kunnen we wellicht opvangen door meer water vast te houden, te bergen en door te besparen op ons gebruik. Maar we zullen ook moeten leren omgaan met te weinig water. We kunnen droogte of de gevolgen van droogte nooit helemaal voorkomen. Het vergroten van de waterbeschikbaarheid in Limburg vraagt dus om een integrale en flexibele aanpak, waarbij we ook rekening houden met de risico’s op wateroverlast door de toenemende en steeds heviger wordende regenbuien.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-632\"><span class=\"lf-art-num\">§ 6.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Ruimte om water vast te houden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Meer water vasthouden betekent vooral dat we het gevallen water zoveel mogelijk gebruiken om ons grondwatersysteem aan te vullen in plaats van het via de sloten, beken en rivieren af te voeren. Eenmaal afgevoerd met de Maas, is het niet meer voor ons beschikbaar. Het grondwater is langer beschikbaar dan het oppervlaktewater omdat grondwater langzamer door het watersysteem stroomt dan oppervlaktewater. De grondwatervoorraad is ook belangrijk voor ons drinkwater. Meer water vasthouden betekent ook het verhogen van de grondwaterstanden en waar mogelijk het beperken van ontwatering en afwatering. Ons landschap en watersysteem moeten als een spons kunnen functioneren: water vasthouden wanneer het valt en het weer beschikbaar maken in droge perioden. Om water zoveel mogelijk vast te kunnen houden, is ruimte nodig. Ruimte waar het water tijdelijk geborgen kan worden in de grond of in het watersysteem. Ruimte om water te kunnen laten infiltreren in de bodem en ruimte in beekdalen, natte laagten en overgangsgebieden rondom kwetsbare Natura 2000 - gebieden om een hoog waterpeil aan te houden. In deze omgevingsvisie geven we de deelgebieden (kaartlagen) aan waar we deze ruimte willen behouden en waar we de sponswerking van ons landschap en ons watersysteem willen verbeteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een belangrijke maatregel om water vast te houden en de sponswerking te verbeteren, is het verbeteren van de bodem. Meer organische stof in de bodem betekent dat de bodem meer water kan vasthouden en zorgt ervoor dat water, zeker bij grover organisch materiaal, beter kan infiltreren in de bodem. Via het programma bodemverbetering stimuleren we de verhoging van het organische stofgehalte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-633\"><span class=\"lf-art-num\">§ 6.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Ambitie waterbeschikbaarheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het doel is om de waterbeschikbaarheid in Limburg te vergroten. Het hebben van voldoende water van goede kwaliteit voor alle functies, is niet overal meer mogelijk. Het vraagt om een afweging tussen functies. We willen dat in 2050 het watersysteem voldoende weerbaar is tegen droogte en watertekorten. Dat betekent dat de gebruikers en functies van het watersysteem in Limburg bewust zijn van en beter voorbereid zijn op watertekorten/droogte. Voor waterbeschikbaarheid betekent dat niet alleen het compenseren van de verwachte toegenomen verdroging in 2050, die ontstaat door klimaatverandering, maar ook dat we meer water gaan vasthouden, meer water gaan opslaan voor later gebruik en besparen op ons watergebruik waardoor we minder water gaan onttrekken. Door het meer vasthouden, meer bergen en minder onttrekken van water, vergroten we de waterbeschikbaarheid in Limburg.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambitie voor waterbeschikbaarheid hebben we samen met de betrokken Limburgse partijen vastgelegd in een Convenant voldoende zoetwater dat in maart 2026 is ondertekend. Concreet betekent dit dat we de grondwaterstanden met 10 tot 50 cm willen verhogen. Lokaal wordt daarbij bekeken wat mogelijk is en wat nodig is voor het bereiken van de doelen, rekening houdend met specifieke kenmerken van het gebied, zoals landschap, bodem, grondwaterstanden en grondgebruik. Hierbij houden we rekening met wateroverlast en het zoveel mogelijk voorkomen hiervan. Daarnaast willen we de totale watervraag verminderen met 20% in Limburg. Huishoudens, industrie en landbouw zullen allemaal hun bijdrage moeten leveren op het besparen op het watergebruik.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-634\"><span class=\"lf-art-num\">§ 6.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Convenant voldoende water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">We gaan met alle Limburgse partijen aan de slag om invulling te geven aan de ambitie waterbeschikbaarheid en om te zorgen dat er maatregelen worden genomen. Dat betekent dat we meer water gaan vasthouden en minder water gaan onttrekken. We gaan dat samen doen met onze Limburgse partners.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afspraken en maatregelen om de waterbeschikbaarheid te vergroten, leggen we vast in het Convenant Voldoende Zoetwater. Om deze ambitie in 2050 te kunnen realiseren, maken we gebruik van perioden van zes jaar. In elke periode maken we afspraken over welke maatregelen we nemen, monitoren we de effecten hiervan en volgen we de ontwikkeling van het klimaat. De uitkomsten bepalen samen met de toekomstige ontwikkeling van het klimaat welk beleid en welke maatregelen we zo nodig moeten aanpassen voor de volgende periode. We gaan door te meten en registreren bekijken hoe we het inzicht in het gebruik van grondwater, waaronder door agrarische onttrekkingen, kunnen vergroten .</p>\n<p class=\"lf-p\">We ondersteunen maatregelen financieel om meer water vast te houden via onder meer het Deltaplan Hoge Zandgronden (DHZ) en het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB). Dit doen we bij voorkeur in de Groenblauwe landbouwzone en de grondwaterbeschermingsgebieden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-635\"><span class=\"lf-art-num\">§ 6.3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Ruimte voor nieuwe grote watervragers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">We zien dat het klimaat verandert en de extremen toenemen. Dat heeft gevolgen voor de beschikbaarheid van het water. In droge perioden zal er in de nabije toekomst te weinig water beschikbaar zijn voor alle functies die water nodig hebben. Dat is al zichtbaar in het oppervlaktewater, waarbij de Maas en de beken in een droge zomer maar beperkt water voeren of zelfs droogvallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook zien we dat het grondwater in droge perioden diep wegzakt. Het diepe grondwater in de Roerdalslenk kent een afnemende stijghoogte. Dat betekent dat hier, op grond van de Kaderrichtlijn Water (KRW), geen ruimte meer is voor een toename van het gebruik. Rond verschillende natuurgebieden zijn beperkingen in de mogelijkheden van grondwatergebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook zullen we maatregelen moeten nemen om over voldoende drinkwater te kunnen blijven beschikken. In het algemeen zullen we de komende jaren een forse inspanning moeten leveren om over voldoende water voor alle functies te blijven beschikken. Voor nieuwe grote watervragers is daarbij eigenlijk maar op een beperkt aantal plaatsen zeer beperkt ruimte. Dat betekent dat we goed moeten afwegen aan welke nieuwe grote watervragers we ruimte willen bieden en waar we dit doen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-636\"><span class=\"lf-art-num\">§ 6.3.6</span><span class=\"lf-art-t\">Grondwaterafhankelijke Natura 2000-gebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">We hebben in Limburg 17 grondwaterafhankelijke Natura2000-gebieden. We zijn verantwoordelijk voor het in goede staat van instandhouding brengen van deze gebieden. De Kaderrichtlijn Water (KRW) vraagt van ons om deze gebieden uiterlijk 2027 hydrologisch op orde te hebben. De meeste maatregelen daarvoor in de Natura 2000-gebieden zelf zijn al genomen. De hydrologische situatie is daarmee vaak wel verbeterd, maar nog niet voldoende. Voor veel gebieden betekent dit dat er maatregelen buiten de gebieden moeten worden genomen, zoals ontwatering verminderen, onttrekkingen verminderen en (grond)waterstanden verhogen. We voeren onderzoeken uit naar de daarvoor benodigde maatregelen en gaan deze in gebiedsprocessen inbrengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze omgevingsvisie geven we een kaartlaag overgangsgebieden rondom kwetsbare Natura 2000 - gebieden aan. Dat zijn de gebieden rond kwetsbare Natura2000-gebieden waar we grondgebruikers met behulp van subsidies als Agrarisch Natuurbeheer (ANB), Deltaplan Hoge Zandgronden (DHZ) en het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) gaan stimuleren om tot een landbouw te komen die rekening houdt met de opgaven van natuur, landschap en water. We gaan in deze gebieden via onderzoeken en een gebiedsproces maatregelen nemen om de hydrologische toestand in de Natura2000-gebieden te verbeteren. Indien nodig worden er dan ook regels opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg. De verwachting is dat deze gebieden natter zullen worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-637\"><span class=\"lf-art-num\">§ 6.3.7</span><span class=\"lf-art-t\">Landbouw beregening uit grondwater</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">We kennen in Limburg een standstill voor beregeningsputten. Dat betekent dat er geen putten meer bij mogen komen. Wanneer er toch behoefte is aan een nieuwe put, dient er tegelijkertijd een andere put te worden afgesloten. Dit standstil-principe, dat is opgenomen in de omgevingsverordening, handhaven we zolang we nog niet voldoende maatregelen hebben genomen om over voldoende water te beschikken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-638\"><span class=\"lf-art-num\">§ 6.3.8</span><span class=\"lf-art-t\">Hydrologische bufferzone grondwaterafhankelijke natuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Rond verschillende grondwaterafhankelijke natuurgebieden zijn hydrologische bufferzones grondwaterafhankelijke natuur gelegd. Het doel van deze bufferzones is om de invloed van agrarische onttrekkingen en door ons vergunde onttrekkingen op de hydrologisch kwetsbare natuurgebieden en Natura 2000-gebieden te beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze bufferzones geldt op basis van een instructieregel uit onze provinciale omgevingsverordening niet alleen het standstill-beleid voor agrarische onttrekkingen, dat in heel Limburg geldt, maar ook een afwaartse beweging: een nieuwe onttrekking moet verder weg van het natuurgebied worden geplaatst dan de uit gebruik genomen onttrekking die hij vervangt. Daarnaast wordt de hydrologische zone ook door ons gebruikt in de vergunningverlening voor grotere onttrekkingen. De effecten van deze onttrekking dienen de buitengrens van de hydrologische bufferzone niet te overschrijden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-639\"><span class=\"lf-art-num\">§ 6.3.9</span><span class=\"lf-art-t\">Waterberging bebouwd gebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In bebouwd gebied – Stedelijk gebied, Landelijke kernen en Werklocaties – is het van belang om water op te vangen, vast te houden, af te koppelen en te infiltreren. Dat om zowel een bijdrage te leveren aan de waterbeschikbaarheid als om bij te dragen aan de voorkoming van wateroverlast.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Stedelijk gebied, Landelijke kernenen werklocaties adviseren we om zoveel mogelijk regenwater af te koppelen, ruimte te bieden voor waterberging en infiltratie, en afdekking van de grond te voorkomen, mitigeren of compenseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">We vragen om stedelijk gebied en werklocaties te vergroenen en de verstening te verminderen. Dat draagt ook bij aan het tegengaan van hittestress en aan de biodiversiteit. We vragen om regenwater zoveel mogelijk van het riool af te koppelen. Daarvoor kan het stroomschema verantwoord omgaan met hemelwater worden gebruikt. Voor nieuwbouw kan de maatlat klimaatadaptieve bebouwde omgeving als basis worden gebruikt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-6310\"><span class=\"lf-art-num\">§ 6.3.10</span><span class=\"lf-art-t\">Waterberging landelijk gebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">We geven in deze omgevingsvisie in de verschillende gebieden en deelgebieden aan hoe we de doelstelling ‘voldoende water’ willen realiseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">We geven en behouden ruimte voor water en waterberging in de deelgebieden beekdalen en natte laagten van de hoofdzonering Groenblauwe Landbouwzone en Verwevingsgebied. We stimuleren daar een landbouw die rekening houdt met de opgaven van natuur, landschap en water, het vasthouden van water en de verbetering van de sponswerking met behulp van subsidieregelingen als Agrarisch Natuurbeheer (ANB), Deltaplan Hoge Zandgronden (DHZ) en het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB).</p></div>", "next": 239291}