{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Tweede lidVoor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het tweede lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Zie uitgebreid daarover onder het kopje Afbakeningsbepalingen in de Algemene Toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">JurisprudentieIs het desbetreffende winkelbedrijf vergunningplichtig op basis van de milieuregelgeving, dan kunnen voorschriften met betrekking tot winkelwagentjes worden verbonden aan de milieuvergunning. KB 12 6 1985, WO RvS 1985, nr. V 60 en Gst. 6802, 10 (Haarlem).</p>\n<p class=\"lf-p\">De algemene voorwaarden die aan de ontheffing inzake gebruik van winkelwagentjes worden verbonden, bevatten o.a. een verplichting de wagentjes uit te rusten met een muntmechanisme. Dit beleid is niet op zich zelf zodanig onjuist of onredelijk te achten dat reeds daarom een onevenredig nadeel voor verzoekster aanwezig moet worden geacht. De bedoelde voorwaarde strekt er onmiskenbaar toe de van rondslingerende winkelwagentjes ondervonden overlast te beperken. Wnd Vz.ARRS, 01 12 1981, OB 44127, III.2.2.7, nr. 49; NG 1982, nr. 7, p. 103 e.v., ARRS 17 06 1983, AB 1983, 511 m.nt. JHvdV (APV Weert).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2152\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.5.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hinderlijke beplanting of voorwerpHet is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert ToelichtingIndien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 Gemeentewet, een last opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien. Indien iemand een dergelijke last krijgt opgelegd, is geen kapvergunning vereist. Artikel 4.3.2, tweede lid, onder g, geeft namelijk aan dat het verbod om zonder vergunning van het college een houtopstand te vellen of doen vellen niet geldt in die gevallen dat dit gebeurt in het kader van een opgelegde last.</p>\n<p class=\"lf-p\">JurisprudentieTuin afgeschermd met lattenscherm en coniferen. Het college vond het belang van privacy zwaarder wegen dan het belang van de verkeersveiligheid. De Afdeling is van oordeel dat de belemmering van het uitzicht van beperkte betekenis is omdat het lattenscherm een open constructie kent. De weigering bestuursdwang uit te oefenen tegen de coniferen blijft echter niet in stand omdat de Afdeling van oordeel is dat de coniferen bij het uitrijden van de inrit het zicht geheel ontnemen. ARRS 10 12 1993, JG 94.0138.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2153\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.5.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Rookverbod in bossen en natuurterreinenHet is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende de door het college aangewezen periode Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voorzover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3°, van het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voorzover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende, als tuin ingerichte, erven.</p>\n<p class=\"lf-p\">ToelichtingHet verbod heeft tot doel bosbranden te voorkomen en beschadiging van eigendommen tegen te gaan. Het verbod kan niet zover strekken dat het roken in de gebouwen en in de bijbehorende tuinen die in een bos of natuurgebied liggen, niet meer mogelijk is. De periode waarin het rookverbod geldt zou van 1 maart tot 1 november kunnen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">AfbakeningVoor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het derde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Zie uitgebreid daarover onder het kopje Afbakeningsbepalingen in de Algemene Toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 429, aanhef en onder 3 , van het Wetboek van Strafrecht is bepaald: Met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft: hij die door gebrek aan de nodige omzichtigheid of voorzorg gevaar voor bos-, heide-, helm-, gras- of veenbrand doet ontstaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2154\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.5.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gevaarlijk of hinderlijk voorwerpHet is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg Het verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.</p>\n<p class=\"lf-p\">ToelichtingAfbakeningVoor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het vierde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Zie uitgebreid daarover onder het kopje Afbakeningsbepalingen in de Algemene Toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">SchrikdraadMet betrekking tot schrikdraad kan het volgende opgemerkt worden. Ten aanzien van de veiligheid, de goede constructie en de keuring van elektrische schrikdraadinstallaties bevatte het Veiligheidsbesluit elektrische schrikdraden (VBES), KB van 2 november 1948, Staatsblad 1482, een aantal bepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadat het VBES eerst onder de werking van de Arbeidsomstandighedenwet (artikel 47 ARBO-wet) is gebracht is het ingetrokken per 1 juli 1997 in verband met de inwerkingtreding van het Arbeidsomstandighedenbesluit (15 januari 1997, Stb. 60). Het Arbeidsomstandighedenbesluit geeft geen technische eisen specifiek gericht op schrikdraadinstallaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elektrische schrikdraadinstallaties worden inmiddels ook door particulieren gebruikt ter bescherming van hun (volks)tuin, volière en dergelijke tegen dieven. Aan de deugdelijkheid daarvan zijn geen eisen gesteld. Wanneer daaraan behoefte bestaat kunnen in de APV dergelijke eisen opgenomen worden die zijn ontleend aan het VBES.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorschriften die het college aan de vergunning kan verbinden, kunnen afgeleid worden van de eisen die het VBES stelde, waarbij in ieder geval voorgeschreven zou moeten worden dat daar waar de schrikdraden van een weg af aangeraakt kunnen worden er voldoende waarschuwingsborden aangebracht moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.1.5.4 gaat niet verder dan het stellen van een afstandsvereiste voor het aanbrengen van schrikdraad en puntdraad.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2155\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.5.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorzieningen voor verkeer en verlichtingDe rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende zijn besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">ToelichtingAfbakeningVoor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het derde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Zie uitgebreid daarover onder het kopje Afbakeningsbepalingen in de Algemene Toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het derde lid genoemde uitzonderingen hebben betrekking op situaties waarbij het desbetreffende specifieke belang, waterstaatswerken, verkeerslichtinstallatie, trafohuisjes en dergelijke, zich verzetten tegen het aanbrengen van allerlei voorzieningen daarop.</p>\n<p class=\"lf-p\">In beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor het gebruik van de desbetreffende onroerend zaak al dan niet tijdelijk beperkt wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van het onderhavige artikel geconstrueerd worden. Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2156\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.5.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Objecten onder hoogspanningslijnHet is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">ToelichtingTen behoeve van de aanleg van hoogspanningslijnen wordt in bestemmingsplannen een strook grond als zodanig bestemd en worden tevens gebruiksvoorschriften opgesteld waarmee aantasting van deze bestemming voorkomen moet worden. Hierbij kan gedacht worden aan voorschriften over de hoogte van toe te laten gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook sluit het desbetreffende elektriciteitsbedrijf overeenkomsten met de eigenaren van de gronden waarop en waarover de hoogspanningsmasten en leidingen staan of lopen. Deze overeenkomsten beperken, uiteraard tegen een schadevergoeding, de zakelijke rechten van de eigenaren. Zij bevatten dan ook altijd voorwaarden met betrekking tot het gebruik van de gronden onder de hoogspanningslijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een bestemmingsplan ontbreekt, bijvoorbeeld voor de bebouwde kom, dan bevat artikel 2.1.5.6 een publiekrechtelijke basis om overtreding van deze bepaling, waardoor een zeer gevaarlijke situatie ontstaat, zo nodig met bestuursdwang recht te kunnen zetten. Wel moeten de voorschriften, bijvoorbeeld de hoogte van toe te laten gebouwen, i.c. twee meter, uit bestemmingsplan en APV op elkaar afgestemd zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling is het complement op artikel 2.5.19 model-Bouwverordening (MBV). Artikel 2.5.19 MBV verbiedt het bouwen onder hoogspanningslijnen. Artikel 2.1.5.6 APV vult dit verbod aan voor andere objecten, zoals bijvoorbeeld houtgewas, door te bepalen dat deze niet hoger mogen zijn dan twee meter.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2157\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.5.7</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheid op het ijsHet is verboden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale vaarwegenverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">ToelichtingAfbakeningVoor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het tweede lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Zie uitgebreid daarover onder het kopje Afbakeningsbepalingen in de Algemene Toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 2: Toezicht op evenementenArtikel 2.2.1 BegripsomschrijvingIn deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: film- en theatervoorstellingen in gebouwen; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5.2.4 van deze verordening; kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; activiteiten als bedoeld in artikel 2.1.2.1 en 2.3.2.1 en volgende van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder evenement wordt mede verstaan: een herdenkingsplechtigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148 Wegenverkeerswet 1994 of indien artikel 5.4.1 van deze verordening van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting Eerste lidOp grond van deze definitie wordt onder evenement verstaan: het voor publiek geven van een vertoning op of aan de weg, met uitzondering van een straatartiest; het voor publiek muziek ten gehore brengen op of aan de weg, met uitzondering van een straatartiest; een feest geven op of aan de weg; een wedstrijd houden op of aan de weg; (zie ook toelichting kopje Wedstrijden) het houden van een schaatstocht; film- en theatervoorstellingen in de openlucht; circus; kermis; vuurwerkevenement (groot vuurwerk); houseparty; enz.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook een vechtevenement, meestal aangeduid als een kooigevecht, is aan te merken als een evenement en niet als een sportwedstrijd; zie Ledenbrief nr. 97/192.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is in artikel 2.2.1 is gekozen voor de zgn. negatieve benaderingsmethode ten aanzien van de definiëring van het begrip evenement. Uitgaande van een algemeen geldend criterium ('namelijk elke andere voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak') wordt vervolgens een aantal evenementen opgesomd dat niet onder de werking van de bepalingen valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de eerste plaats is dit het geval bij film- en theatervoorstellingen in gebouwen. Deze voorstellingen worden niet als evenement aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast gelden de bepalingen niet voor waren- en snuffelmarkten. Indien het college op grond van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet een (waren-)markt heeft ingesteld, kan de gemeenteraad hiervoor regels vaststellen in een marktverordening. Uitgebreide informatie over markten is te vinden onder de toelichting bij artikel 5.2.4 en in de modelmarktverordening van de VNG. Snuffelmarkten zijn specifiek geregeld in artikel 5.2.4 van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Wet op de kansspelen kent een eigen toezichtsregime.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dansen in een DHW-inrichting is uitgezonderd van het evenementenbegrip omdat dit bezwaarlijk als een evenement kan worden gezien. Een andere, meer incidenteel plaatsvindende activiteit dan het gelegenheid geven tot dansen (bijv. het optreden van een band, een houseparty of een kooigevecht) kan wel als evenement worden aangemerkt. Zie Lbr 92/78.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betogingen, samenkomsten en vergaderingen zijn al geregeld in de WOM. Zie voor een toelichting op de WOM onder artikel 2.1.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder f zijn ten slotte van de evenementenbepaling uitgezonderd artikel 2.1.2.1 (Optochten) en 2.3.2.1 (Speelgelegenheden).Dit gebeurt uiteraard om dubbele regelgeving te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het mag duidelijk zijn dat indien een gemeentebestuur van mening is dat bepaalde, niet in de begripsomschrijving uitgezonderde, evenementen van de vergunningplicht behoren te worden vrijgesteld, deze evenementen als uitzondering kunnen worden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">VertoningHet derde lid van artikel 7 Grondwet bepaalt onder andere dat voor het openbaren van gedachten of gevoelens niemand voorafgaand verlof nodig heeft wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Dit verzet zich tegen een voorafgaand verlof van de overheid wegens de inhoud van de uitingen, maar staat niet in de weg aan een vergunningsplicht voor het verspreiden van deze uitingen. Aan de inhoud van de uitingen zal echter geen grond mogen worden ontleend aan deze uitingen bepaalde voorschriften te verbinden. Uitingen kunnen worden verboden ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Soms kan een vertoning ook deel uitmaken van een betoging (Vz.ARRS 30-05-1983, AB 1984, 85). Zo'n vertoning valt onder de regeling van artikel 2.1.2.2 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">WedstrijdenVoor wedstrijden op of aan de weg is een vergunning van de burgemeester vereist, krachtens het bepaalde in het eerste lid van artikel 2.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wedstrijden met voertuigen op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) zijn op grond van artikel 10, eerste lid, WVW 1994 verboden. Het eerste lid van artikel 148 WVW 1994 bepaalt echter dat van dat verbod ontheffing kan worden verleend. Het verlenen van die ontheffing geschiedt: voor wegen onder beheer van het Rijk, door de minister van Verkeer en Waterstaat; voor andere wegen, door gedeputeerde staten; in afwijking hiervan wordt de ontheffing verleend door het college, indien de wegen waarvoor de ontheffing wordt gevraagd, alle gelegen zijn binnen een gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1, onder al, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 geeft aan wat onder voertuigen moet worden verstaan: fietsen, bromfietsen, invalidenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ontheffing kan het college voorschriften verbinden om binnen redelijke grenzen een veilig verloop van de wedstrijd te waarborgen. Op basis van de WVW 1994 mogen ook milieumotieven een rol spelen bij het reguleren van het verkeer. In artikel 2, tweede en derde lid, WVW 1994 worden onder meer de volgende motieven worden genoemd: het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade; het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden; het bevorderen van een doelmatig of zuinig energiegebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een wedstrijd onder auspiciën van een sportbond plaatsvindt, zal deze sportbond in veel gevallen zelf reglementen hebben opgesteld die de organisator van de wedstrijd moet naleven. Het niet naleven kan tuchtrechtelijke gevolgen voor de organisator hebben, bijvoorbeeld uit de bond gezet worden. De veiligheidseisen die de sportbonden stellen, zijn veelal voldoende om een veilig verloop van de wedstrijd in beginsel mogelijk te maken. Het college kan deze voorschriften van de sportbonden ook een publiekrechtelijk karakter geven door ze als voorschriften in de vergunning op te nemen. Indien geconstateerd wordt dat de organisator deze voorschriften vervolgens niet naleeft en de sportbond zelf ook niet ingrijpt, kan uiteindelijk via een administratiefrechtelijke sanctie het houden van die wedstrijd alsnog verboden worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een wedstrijd wordt gehouden met voertuigen op wegen als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994 dan is zijn de artikelen 2.2.1 en volgende niet van toepassing (zie artikel 2.2.1, vierde lid). Vindt echter een wedstrijd met een motorvoertuig of bromfiets plaats op een terrein dat niet behoort tot een weg als hier bedoeld, dan moet daarvoor een vergunning verkregen zijn van de burgemeester op grond van artikel 2.2.1, eerste lid. Voor wedstrijden met voertuigen op speciaal daarvoor aangewezen terreinen kan artikel 5.4.1. van toepassing zijn. Op grond van de artikelen 2.2.1 en volgende geldt voor andere wedstrijden op of aan de weg eveneens een vergunningplicht. Hierbij moet gedacht worden aan bijvoorbeeld 'vossenjachten', droppings e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">SchaatstochtenHet karakter van grote delen van de gemeente leent zich, bij voldoende en betrouwbaar ijs, uitstekend voor het houden van schaatstochten. Uit de ervaringen is gebleken, dat er enorme aantallen bezoekers naar de gemeente komen om aan de een of andere tocht deel te nemen. Daar komt bij dat de routes, welke bij uitstek geschikt zijn voor het houden van schaatstochten, veelal via allerlei smalle bevroren wateren lopen. Voorts zijn de oevers van de landerijen vaak begroeid, zodat het uitzicht op een aantal punten minimaal is. Bovendien is het zo dat een uitgezette (geveegde c.q. begaanbare) route nogal eens smal is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarenboven is het zo dat er ook veel in ongeorganiseerde vorm wordt geschaatst. Al deze redenen maken het noodzakelijk om het organiseren van schaatstochten aan een vergunning te binden, zodat een goede onderlinge afstemming mogelijk is. Uit een oogpunt van openbare orde en veiligheid kunnen er aan de vergunning voorschriften worden verbonden. Hoewel het veelal om tochten zal gaan waaraan vele personen deelnemen is, in het kader van het vergunningvereiste, bewust niet gekozen voor een minimum aantal waaronder het aanvragen van een vergunning niet nodig is. Immers heel gemakkelijk kan een schaatstocht, waaraan in beginsel slechts weinig mensen deelnemen, uitgroeien tot een meer omvangrijk evenement. Ook kan een dergelijke tocht samenvallen met een tocht waarvoor wel een groot aantal deelnemers wordt verwacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">JurisprudentieHet weigeren van een vergunning ten behoeve van het houden van evangelisatie activiteiten op het Museumplein in Ede is toegestaan wegens verstoring van de openbare orde en veiligheid. Vz.ARRS 06 08 1991, AB 1992, 53 m.nt. PJB, AA 1992, 10 m.nt. P.W.C. Akkermans, JG 92.0003 m.nt. L.J.J. Rogier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het door geblinddoekte personen proberen om in aanwezigheid van publiek met een sabel de hals van een van tevoren gedode gans af te slaan (zgn. gansslaan) is een vertoning in de zin van artikel 39, lid 1 APV Eijsden. Dit artikel is opgenomen in hoofdstuk III betreffende de openbare orde. Bij de afweging van belangen met betrekking tot de vergunningverlening moet derhalve in ieder geval het belang van de openbare orde worden betrokken. In casu gegronde reden voor vrees voor verstoring van de openbare orde, in aanmerking genomen de emoties rond het evenement en de escalatie daarvan. ABRS 26-08-1987, AB 1988, 263.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het vooruitzicht stellen van een beloning in de vorm van prijzen e.d. maakt de activiteit tot een wedstrijd. Rb Maastricht 15 2 1977, VR 1977, 91.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lidVoor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde gedraging moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. Naar aanleiding van uitspraken van de ABRS in 2002 betreffende de uitleg van de afbakeningsbepaling van artikelen van de APV is daarom de term ‘voorzover’ veranderd in ‘voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door’. De APV behoudt daardoor zijn aanvullendewerking. Zie hierover meer onder het kopje Afbakeningsbepalingen in de Algemene toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rol van de burgemeesterDe bevoegdheid van de burgemeester in het kader van het toezicht op evenementen stoelt op artikel 174 Gemeentewet. In het derde lid van artikel 174 Gemeentewet is aangegeven dat de burgemeester belast is met de uitvoering van verordeningen voorzover deze betrekking hebben op het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Het begrip 'toezicht' is ruimer dan alleen de handhaving van de openbare orde. Het gaat hier ook om de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de burger in incidentele gevallen en op bepaalde plaatsen. Indien de burgemeester de uitvoering van zijn toezichthoudende taak wil overlaten aan ambtenaren dan kunnen deze bevoegdheden worden gemandateerd overeenkomstig afdeling 10.1.1. Awb.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-222\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">EvenementHet is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen; de zedelijkheid of gezondheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting VoorschriftenDe vraag of de burgemeester bevoegd is voorschriften te verbinden aan het houden van een evenement moet bevestigend worden beantwoord. Wij hebben hier immers te maken met een hem toekomende vrije beschikkingsbevoegdheid. Voor de toelaatbaarheid van de voorschriften geldt een aantal voorwaarden:</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorschriften mogen niet in strijd zijn met enige wettelijke regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorschriften moeten redelijkerwijs nodig zijn in verband met het voorkomen van aantasting van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorschriften mogen niet in strijd komen met enig beginsel van behoorlijk bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie verder artikel 1.4 van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenementen op de openbare wegHennekens heeft in GS, 148 (1998) 7076, p. 281-288, een opstel geschreven met als titel Evenementen op de openbare weg. Hierin is hij uitgebreid ingegaan op de verhouding tussen het normale gebruik van een openbare weg en het gebruik daarvan voor het houden van een evenement. Eerst worden enkele opmerkingen gemaakt over de evenementenvergunning als grondslag voor het besluit om een (gemeentelijke) openbare weg af te sluiten voor het houden van een evenement, waarna de vraag wordt beantwoord wie bevoegd is om tot zo'n wegafsluiting te besluiten en wat de gevolgen daarvan zijn. Daarbij wordt o.a. aandacht besteed aan de openbaarheid van de weg en de regeling van wegafsluitingen in en krachtens de Wegenverkeerswet 1994. Vervolgens wordt ingegaan op de vragen of het heffen van entreegeld voor het bezoeken van het evenement al dan niet geoorloofd is, wie bevoegd is tot entreeheffing en of de gemeente waar het evenement gehouden wordt, een vermakelijkhedenbelasting mag heffen. Tot slot komt kort de reikwijdte van de evenementenvergunning ter sprake. Eén en ander wordt toegelicht met jurisprudentie.</p>\n<p class=\"lf-p\">KermissenDe beoordeling van de veiligheid van installaties die vallen onder het Besluit veiligheid attractie- en speeltoestellen, behoort op grond van dat besluit tot de verantwoordelijkheid van de regionale Inspecties Gezondheidsbescherming van het Staatstoezicht op de volksgezondheid van het ministerie van VWS. De toetsing van de 'veiligheid van personen of goederen' door de burgemeester zal zich daarom meer richten op de veiligheid van personen of goederen op en rond het evenemententerrein, de plaats van de attracties ten opzichte van elkaar enz. Voor vragen over kermissen kunnen gemeenten terecht bij de Vereniging van gemeentelijke Kermisbeheerders (VGKS).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000 schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het rechtmatig verblijf blijkt. Zie voor overige informatie over dit onderwerp onder het kopje Vreemdelingen onder de Algemene toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">JurisprudentieHet toekennen van de bevoegdheid tot het verlenen van een evenementenvergunning aan de burgemeester is niet in strijd met artikel 162 van de Gemeentewet. De Afdeling oordeelt dat zo'n bevoegdheidstoekenning in lijn is met het bepaalde in artikel 174 Gemeentewet. Een stelsel (een van dit model afwijkende regeling in de verordening 'Evenementen' van de gemeente Den Haag) waarbij voor een evenement een naar tijd en plaats bepaalde algemene evenementenvergunning wordt afgegeven aan een organisator, die binnen de in de vergunning aangegeven grenzen en voor de in de vergunning al opgenomen activiteiten op privaatrechtelijke grondslag zonder bemoeienis van de burgemeester overeenkomsten sluit, waarmee verder invulling wordt gegeven aan het evenement, is toegestaan. ABRS 11-03-1999, H01.98.1109, JG 99.0129 m.nt. M. Geertsema.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een limitatieve omschrijving van het begrip 'evenement' kan in de praktijk tot problemen aanleiding geven. ARRS 12 08 1985, Gst. 1986, 6805, 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motorcrosswedstrijden op zondag. Trainingswedstrijden voor 13.00 uur. Schending van de zondagsrust? Pres. Rb Utrecht 6-6-1995, JG 95.0316 m.nt. A.B. Engberts, KG 1995, 292.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergunning voor houden van festivals. Ruime uitleg begrip 'openbare orde'. Pres. Rb Groningen 11 08 1995, Gst. 1996, 7030, 3 m.nt HH.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kooigevecht is niet een sportwedstrijd maar een evenement. Weigering vergunning op grond van veiligheid van personen en de goede zeden. Pres. Rb 's Hertogenbosch 14 2 1997, KG 1997, 106. Het is primair aan de burgemeester om invulling te geven aan het begrip zedelijkheid als bedoeld in de APV. Weigering op grond van zedelijkheid is toegestaan. Geen sprake van gevaar voor veiligheid van personen. Aldus uitspraak in hoger beroep, ABRS 25-08-2000, AB 2001, 337, JG 00.0205 m.nt. G.H.M. van der Horst, Gst. 2000, 7131, 3 m.nt. HH, JB 2000, 273. Gebruik perceel voor evenementen, o.a. schuurfeesten in strijd met de bestemming. Dat evenementen elk slechts een of een enkele maal per jaar worden georganiseerd, doet daar niet aan af. Slechts in bijzondere omstandigheden afzien van handhavend optreden (op verzoek van belanghebbende). ABRS 02-04-1999, Gst. 1999, 7103, 4 m.nt. P.J.H.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge artikel 174 van de Gemeentewet is de burgemeester - en niet het college - bevoegd om geluidsvoorschriften op te nemen in de evenementenvergunning. ABRS 13-12-1999, JG 00.0055 m.nt. M. Geertsema, Gst. 2000, 7116, 3 m.nt. HH.</p>\n<p class=\"lf-p\">Organisatie van circus op plein met parkeerbestemming. Pres. Rb Leeuwarden 06-09-2001, LJN-nr. AD3917: er doen zich geen weigeringsgronden voor op grond van artikel 2.1.5.1 en 2.2.2 APV. Ook strijdigheid met het bestemmingsplan biedt geen grondslag voor weigering vergunning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-223\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">OrdeverstoringHet is verboden bij een evenement de orde te verstoren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 3: Toezicht op openbare inrichtingen Algemene toelichting afdeling 2.3, Toezicht op openbare inrichtingenExploitatie horeca-inrichtingenOp grond van de hierna volgende bepalingen kan worden afgewogen of voor de exploitatie van een horeca-inrichting vergunning moet worden verleend, rekening houdend met de openbare orde en het woon- en leefklimaat, en of ter bescherming van diezelfde motieven aan de vergunning voorschriften moeten worden verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op horecabedrijven zijn naast de regels van deze paragraaf nog vele andere regels van toepassing. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan de Drank- en Horecawet, de Wet milieubeheer en Wet op de stads en dorpsvernieuwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Drank en HorecawetDe Drank- en Horecawet regelt de uitoefening van het horecabedrijf en de verstrekking anders dan om niet van alcoholhoudende drank, vanuit sociaal-hygiënische en sociaal-economische motieven. De wet regelt niet de verstrekking van alcoholhoudende drank vanuit openbare orde motieven en ziet evenmin op de verstrekking van alcoholvrije drank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet milieubeheerOp horecabedrijven zijn de regels van de Wet milieubeheer (Wm) van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meer in het bijzonder gelden daarvoor de regels van het Besluit horeca , sport en recreatie inrichtingen milieubeheer, een op artikel 8.40 van de Wet milieubeheer (Wm) gebaseerde amvb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om onder de werking van het Besluit te vallen moet er sprake zijn van een horeca- , sport- of recreatie-inrichting die behoort tot een in het Inrichtingen en vergunningenbesluit milieubeheer genoemde categorie(Ivb).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo zijn op grond van categorie van bijlage I van het Ivb vergunningplichtig: hotels, restaurants, pensions, cafe's, cafetaria's snackbars discotheken en aanverwante inrichtingen. Dit houdt in dat de inrichting op basis van artikel 1.1., derde lid, van de Wm is aangewezen als een inrichting die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken en dat de inrichting vergunningplichtig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze vergunningplicht geldt echter niet voor inrichtingen die zijn aangewezen in een besluit op grond van artikel 8.40 van de Wm. Dit betreft dus onder andere het hiervoor genoemde Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer. De hierin genoemde inrichtingen zijn niet vergunningplichtig , maar dienen te voldoen aan de algemene regels die het Besluit stelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Besluit heeft betrekking op wat plaatsvindt binnen het horecabedrijf, daartoe behorende terrassen en de directe omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeentelijke verordeningArtikel 121 van de Gemeentewet biedt gemeenten verordenende bevoegdheid zolang deze niet in strijd is of komt met een hogere wettelijke regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de opzet van het Besluit is getracht geen aspecten te regelen die reeds in andere kaders worden gereguleerd. Vanuit dit gezichtspunt wordt in het Besluit expliciet vermeld dat het voor gemeenten ruimte overlaat om overlast betreffende de openbare orde tegen te gaan met behulp van een gemeentelijke verordening. In het Besluit wordt aangegeven dat daarbij gedacht wordt aan overlast door bezoekers van horecagelegenheden, de gebruikers en bezoekers van sport- en recreatie-inrichtingen, geluidhinder door vrachtwagens, bromfietsen enzovoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de gekozen opzet is de afbakening tussen enerzijds de Wm (vergunningplichtig of vallend onder het Besluit) en anderzijds plaatselijke verordeningen duidelijker geworden. De direct aan de inrichting gerelateerde vormen van verstoring van het milieu vallen onder het toepassingsgebied van de Wm. De voorschriften van het Besluit richten zich in beginsel ook op de indirecte gevolgen, die de inrichting kan veroorzaken, voorzover deze liggen in de macht van de houder van de inrichting. De andere gevolgen die een bedrijf of een collectief van bedrijven direct of indirect met zich mee kan brengen en die een aantasting van de openbare orde of het woon- of leefklimaat mogelijk maakt, worden in de model APV gereguleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jurisprudentie APVEen gemeentelijke verordening waarin een vergunningstelsel is opgenomen dat specifiek regels stelt ten behoeve van coffeeshops is in strijd met de Opiumwet. Rb Amsterdam 16 januari 1998 en 19 januari 1998, AB 1998, 222 en 223 m.nt. FM; Rb Dordrecht 3 juli 1998, JG 98.0202; Pres. Rb Rotterdam 16 juli 1998, JG 98.0203 en Pres. Rb Zutphen 14 september 1998, JG 98.0204 m.nt. W.A.G. Hillenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester is bevoegd tot bestuursdwang, dit vergt wel zorgvuldigheid bewijsvoering. Afvoeren van gedooglijst is geen gedoogbesluit. LJN-nr. AO7469, JG 04.0105, m. nt. A.L. Esveld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Weigering om af te wijken van beleidsregels om een nog niet gevestigde coffeeshops te gedogen is een Awb-besluit. Rechtbank Assen, 03/527BESLU, JG 04.0104 m. nt. A.L. Esveld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Intrekken gedoogverklaring brengt niet-ontvankelijk verklaring met zich mee, zolang niet feitelijk handhavend is opgetreden. LJN-nr. AO6089, JG 04.0079, m. nt. A.L. Esveld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitoefening bestuursdwangbevoegdheid is mogelijk, het ontbreken van vastgesteld en gepubliceerd coffeeshopbeleid doet daar niet aan af. LJN-nr. AO2883, JG 04.0110, m. nt. A.L. Esveld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Exploitant horeca-inrichting verantwoordelijk voor handelingen in zijn inrichting met betrekking tot handel in softdrugs. Inrichting gesloten. LJN-nr. AI0787, JG 03.0168, m. nt. T. van der Reijt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sluiting woning op grond van art. 174a Gemeentewet om andere reden dan drugsoverlast toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">LJN-nr. AF5325, JG. 03.0126, m. nt. T. van der Reijt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verspreiding via internet van cannabismenulijsten is volgens de Opiumwet openbaarmaking . LJN-nr. AO6423, JG 04.0130 m. nt. A.L. Esveld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Persoonlijke verwijtbaarheid speelt geen rol bij de vraag of zich een situatie voordoet die tot sluiting van de inrichting noopt. LJN-nr. AP0405, JG 04. september, m. nt. A.L. Esveld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een hennepkwekerij van 89 planten in een woning leidt niet tot ontbinding van het huurcontract. LJN-nrs. AQ9905 en AQ9850, JG 04. oktober, m. nt. A.L. Esveld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedsontzegging i.v.m. met overlast, die te maken heeft met de handel in en het gebruik van verdovende middelen, zijn gerechtvaardigd door het algemeen belang in een democratische samenleving. LJN-nr. AP8138, JG 04.0132 m. nt. A.L. Esveld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderverhuren van een kamer in een woning t.b.v. een hennepkwekerij leidt tot ontbinding huurcontract. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, rolnr. C0201144/HE, JG 04. oktober, m. nt. A.L. Esveld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aankondiging bevel tot sluiting op grond van artikel 13b Opiumwet is geen besluit in de zin van de Awb. Rechtbank Groningen, AWB 03/90 GEMWT VEN, JG. 03.0064, m. nt. T. van der Reijt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jurisprudentie Drank- en HorecawetBEM! niet ontvankelijk. Sommige horecaondernemers ondervinden economische last van de horeca-activiteiten van verenigingen, buurthuizen e.d. (zogenoemde paracommerciële inrichtingen). Gemeenten moeten op grond van de Drank- en Horecawet (DHW) voorwaarden stellen om e.e.a. in goede banen te leiden. Op 1 januari 2000 is de Stichting Bevordering Eerlijke Mededinging horeca-activiteiten (afgekort: BEM!) gestart met het beteugelen van oneerlijke mededinging vanwege paracommerciële inrichtingen door gemeenten en paracommerciële inrichtingen er op te wijzen dat gemeenten voorwaarden moeten stellen en dat de inrichtingen deze moeten naleven. De horecaondernemers deden dat liever niet zelf omdat zij repercussies vreesden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De BEM! was speciaal voor (het uitdelen van waarschuwingen en) het voeren van processen opgericht omdat de ABRS bepaalde (onder meer in de uitspraak van 19 februari 1996, R03.93.2171, AB 1996, 241) dat de landelijke vereniging Koninklijk Verbond van Ondernemers in het Horeca- en Aanverwante Bedrijf \"Horeca Nederland\" te Woerden niet ontvankelijk was. De Afdeling oordeelde toen dat met artikel 3a (thans artikel 4) van de (DHW) is beoogd het zogenoemd paracommercialisme te beteugelen ten faveure van reguliere horecaondernemers - een belang dat zich naar zijn aard in beginsel leent voor een collectieve behartiging ervan op plaatselijk of regionaal niveau. De Afdeling achtte dit belang niet zodanig van aard dat Horeca Nederland zich dit als landelijk opererende vereniging - binnen het kader van haar zeer algemene doel - kan aantrekken. De Afdeling constateert nu dat het doel van de BEM! op zichzelf voldoende specifiek is maar dat de belangen die de BEM! wil behartigen toch plaatselijke of hooguit regionale kwesties betreffen. Dat kunnen de horecaondernemers volgens de Afdeling zelf wel doen, ook al vrezen zij eventuele repercussies. De BEM! is volgens de Afdeling daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terzijde wordt vermeld dat de minister van VWS in de Alcoholnota (TK 2000-2001, 27565, nr. 2) aangeeft voornemens te zijn de bepalingen over het paracommercialisme te schrappen vanwege het feit dat bepalingen die zijn ingegeven uit economische overwegingen niet in een volksgezondheidwet als de DHW thuis horen. ABRS 22-05-2002, 200103867/1, LJN-nr. AE2813, JG 02.0129 m.nt. A.L. Esveld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevolmachtigde als leidinggevende horecabedrijf geaccepteerd, in tegenstelling tot huidige praktijk. LJN-nr. AG1744, JG 04.0078 m.nt. A.L. Esveld.</p>\n<p class=\"lf-p\">24 Internetcomputers trekken een zelfstandige stroom bezoekers, strijd met de Drank- en Horecawet. LJN-nr.AO 8501, JG 04.0103 m.nt. A.L. Esveld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 1: Toezicht op horecabedrijvenArtikel 2.3.1.1 BegripsomschrijvingenOnder horecabedrijf wordt in deze paragraaf verstaan: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Onder een horecabedrijf worden in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder horecabedrijf als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: een bij dit bedrijf behorend terras en de andere aanhorigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een terras in de zin van deze paragraaf is een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder houder wordt in deze paragraaf verstaan: degene die een horecabedrijf exploiteert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf verstaat niet onder bezoekers: de gezinsleden van de houder, alsmede zijn elders wonende bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad; de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede personen bedoeld in artikel 438, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht; de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">ToelichtingDe omschrijving van het begrip 'horecabedrijf' sluit zoveel mogelijk aan bij de Drank- en Horecawet en hoofdstuk 3 van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">De sluitingsbepalingen van deze paragraaf betreffen de gedeelten van de inrichting, waarin de eigenlijke horecawerkzaamheden worden uitgeoefend: een op het trottoir gesitueerd terras behoort wel tot de inrichting, de zich boven de inrichting bevindende woning van de houder niet. Ook sportkantines, sociëteiten, clublokalen, verenigingsgebouwen e.d. zijn als inrichting aan te merken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het besloten karakter van een horecabedrijf kan de veronderstelling wekken dat de in de APV opgenomen sluitingstijden niet van toepassing zijn op dat bedrijf: immers, volgens de jurisprudentie kan een gemeentelijke verordening geen activiteiten betreffen die elk karakter van openbaarheid missen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit laatste kan niet worden gezegd van activiteiten die een weerslag hebben op een openbaar belang, waarvan ook sprake is bij besloten horecabedrijven. De sluitingsuurbepaling ziet niet op activiteiten binnen het bedrijf, maar op de (nadelige) invloed die daarvan uitgaat op de omgeving: bijvoorbeeld in de vorm van overlast van komende en gaande bezoekers (het aan en afrijden van auto's, het slaan met portieren, claxonneren, menselijk stemgeluid e.d.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het behoeft geen betoog dat, naast de houder van het horecabedrijf, een aantal categorieën van personen moet worden uitgezonderd van het begrip bezoekers: om te beginnen diens gezinsleden en elders wonende bloed en aanverwanten, maar ook de personen die in de inrichting nachtverblijf houden en als zodanig zijn vermeld in het daartoe bestemde register (zie hiervoor de toelichting bij artikel 2.3.2.1 e.v.) en de personen die wegens dringende redenen in de inrichting aanwezig moeten zijn (zoals in de inrichting werkzame personeelsleden, of personen die de tapinstallatie onderhouden of herstellen).</p>\n<p class=\"lf-p\">JurisprudentieEen café is geen discotheek! LJN-nr. AO9751, JG 04.0133 m.nt. A.L. Esveld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2312\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.1.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Exploitatievergunning horecabedrijfHet is verboden op nader door de burgemeester aangewezen plaatsen of voor nader door de burgemeester aangewezen categorieën horecabedrijven zonder vergunning van de burgemeester een horecabedrijf te exploiteren De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het eerste lid indien de vestiging of de exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het eerste lid geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">De exploitatie van een horecabedrijf moet zodanig geschieden dat daardoor de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.</p>\n<p class=\"lf-p\">ToelichtingEerste lidOm de openbare orde te handhaven en ter beperking van hinder en overlast voor de woon- en leefomgeving zijn diverse instrumenten voorhanden. Onder andere de Wet Milieubeheer en de sluitingsbepalingen in de APV bieden mogelijkheden op te treden tegen horecaoverlast. Daarnaast biedt een exploitatievergunningenstelsel de mogelijkheid bij de vestiging van een horecabedrijf vooraf te toetsen of een bedrijf past in het karakter van een straat of buurt. Door middel van een preventieve toets kan de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf mogelijk worden beschermd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanuit een oogpunt van vermindering van administratieve lasten voor bedrijven en gelet op de afweging naar de noodzaak, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van een instrument is ervoor gekozen de exploitatievergunning niet verplichtend voor te schrijven voor ieder horecabedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3.1.2, eerste lid, geeft de burgemeester de bevoegdheid plaatsen in de gemeente of bepaalde categorieën horecabedrijven aan te wijzen waarvoor de exploitatievergunningplicht wel geldt. Indien de burgemeester van oordeel is dat de horecaoverlast in een bepaald gebied of bij bepaalde soorten horecabedrijven dermate groot is en een extra instrument noodzakelijk is, dan kan hij van zijn aanwijzingsbevoegdheid gebruik maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergunningverlening dient ingevolge artikel 174 van de Gemeentewet te geschieden door de burgemeester. In dit artikel is bepaald dat de burgemeester is belast met de uitvoering van verordeningen voorzover deze betrekking hebben op het toezicht op de voor het publiek openstaande gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidIn de praktijk komt het regelmatig voor, dat bij de beoordeling van een vergunningaanvraag noch de openbare orde noch het woon- en leefklimaat zich tegen verlening verzetten, terwijl het geldende bestemmingsplan vestiging van een horecabedrijf ter plaatse niet toelaat. Het is dan moeilijk uit te leggen dat de exploitatievergunning moet worden verleend, maar dat daarvan geen gebruik gemaakt kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe is strijd met het bestemmingsplan als imperatieve weigeringsgrond opgenomen. Blijkens jurisprudentie is dit aanvaardbaar omdat een dergelijke bepaling geen zelfstandige planologische regeling bevat. Weliswaar brengt het tweede lid mee dat de burgemeester treedt in een beoordeling van het geldende bestemmingsplan, maar dit laat de bevoegdheid van het college bij de toepassing van het geldende bestemmingsplan onverlet. Van een doorkruising van de Woningwet of de Wet op de Ruimtelijke Ordening is geen sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde en vierde lidMet het oog op de bescherming van de openbare orde en de woon en leefomgeving kan ook het aantal horecabedrijven aan een maximum worden gebonden (maximumstelsel). Het is dan geoorloofd een vergunning te weigeren indien het woon en leefklimaat in de betrokken straat of buurt door de vestiging van een nieuw horecabedrijf zou worden aangetast. Blijkens jurisprudentie acht de Afdeling op zichzelf aannemelijk, dat aantasting van de woon- en leefsituatie wordt veroorzaakt door de cumulatieve effecten van het totale aantal inrichtingen (in casu bordelen) in die gemeente. Volgens de Afdeling laat dat echter onverlet, dat het bevoegd orgaan per inrichting dient aan te tonen of aannemelijk te maken, dat en in hoeverre de aanwezigheid dan wel de wijze van exploitatie van de betrokken inrichting de leef- en woonsituatie in de omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig beïnvloedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eenzelfde redenering geldt voor de wijze waarop de rechter oordeelt over de weigering van een vergunning voor een horecabedrijf in het belang van de openbare orde. De Afdeling heeft vaker bepaald, dat het als een openbare ordebelang kan worden beschouwd dat het aantal te verlenen vergunningen kan worden gemaximeerd; te denken valt bijvoorbeeld aan de beoordeling van het gemeentelijk standplaats en ventvergunningenbeleid. Volgens deze opvatting kan het aantal te verlenen vergunningen worden beperkt tot een vastgesteld maximumaantal, indien door een veelheid van horecabedrijven (in de straat of de wijk) de openbare orde in gevaar wordt gebracht. Wèl dient in ieder afzonderlijk geval te worden aangetoond of aannemelijk gemaakt dat van zo'n gevaar in concreto daadwerkelijk sprake is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangrijk hulpmiddel bij een dergelijk beleid kan een horecanota of een vergelijkbaar beleidsstuk zijn, waarin gemotiveerd het maximumaantal te verlenen vergunningen is vermeld of horecaconcentratie of horecastiltegebieden zijn aangewezen. Ook een leefmilieuverordening op basis van de Wet op de stads en dorpsvernieuwing kan als hulpmiddel dienen, omdat daaruit het karakter van de straat of de wijk blijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiteraard zal een dergelijk beleid moeten sporen met het voor het betreffende gebied van kracht of in voorbereiding zijnde bestemmingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het algemeen mag de burgemeester afwijzend beslissen op een aanvraag om een vergunning, indien verlening niet strookt met het op de verordening gebaseerde beleid. Niettemin zal de burgemeester steeds moeten nagaan, of bijzondere omstandigheden nopen tot het maken van een uitzondering op dit beleid: iedere vergunningaanvraag moet immers zelfstandig en met inachtneming van de betrokken belangen te worden beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De exploitatievergunning is primair een overlastvergunning: zij biedt de mogelijkheid preventief te toetsen, of de exploitatie van een horecabedrijf zich al dan niet verdraagt met het woon- en leefklimaat en de openbare orde ter plaatse. Daarbij is van belang in welke mate van het bedrijf zelf overlast te duchten is, maar ook in welke mate de komst van het bedrijf de leefbaarheid en het karakter van de buurt zal aantasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het Besluit horeca- , sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer worden algemene regels gesteld ter bescherming van het milieu voor wat zich afspeelt in het horecabedrijf en de directe omgeving daarvan. Daarnaast kunnen, indien deze algemene regels niet voldoen, gelet op artikel 5 van dat Besluit in verband met voorschrift 4.1.4 uit de bijlage bij dat Besluit nadere eisen worden gesteld voor: het aanbrengen van technische voorzieningen binnen de inrichting; de periode van openstelling van de gehele inrichting of een terras; de situering van een terras; het in acht nemen van gedragsregels die binnen de inrichting in acht moeten worden genomen, waaronder regels voor aan en afrijdend verkeer en komende en gaande bezoekers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een nadere toelichting op dit besluit wordt verwezen naar de toelichting op artikel 4.1.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Krachtens artikel 1.4 van de model APV kunnen voorschriften worden verbonden aan de exploitatievergunning. Denkbaar is dat die betrekking hebben op dezelfde onderwerpen als hiervoor genoemd, indien daarmee wordt beoogd de openbare orde of de woon- en leefomgeving te beschermen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid In beginsel is het mogelijk zonder voorafgaande toestemming een horecabedrijf te exploiteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij wijze van 'ondergrens' geeft het vijfde lid als rechtstreekse norm dat de exploitatie van het horecabedrijf de woon- en leefsituatie in de omgeving of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig mag beïnvloeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien nodig met het oog op de naleving van de in het vijfde lid opgenomen norm, kan bestuursdwang worden aangezegd of een dwangsom worden opgelegd (afdeling 5.3 resp. 5.4 van de Algemene wet bestuursrecht).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullend lid: verplichte verklaring omtrent gedragOp basis van artikel 1.5 is de vergunning persoonsgebonden. Dat is bij deze exploitatievergunning niet zonder reden. De persoon van de exploitant speelt een belangrijke rol in de wijze van exploitatie en dus ook in de wijze waarop deze exploitatie het woon- en leefklimaat en de openbare orde beïnvloedt. Om die reden kan het raadzaam zijn om de verplichting op te nemen voor de vergunningaanvrager om een recente verklaring omtrent gedrag over te leggen. Dit zou kunnen door een nieuw lid aan dit artikel toe te voegen, dat als volgt luidt:</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het eerste lid indien de houder geen verklaring omtrent gedrag overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven.Een verklaring omtrent het gedrag (VOG) wordt aangevraagd bij de gemeente waar men staat ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie. Het Centraal Orgaan VOG geeft de verklaring namens de Minister van Justitie af.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van de Wet BIBOB, (Bevordering integriteitsbeoordelingen openbaar bestuur) is het aan te raden dit artikellid op te nemen. Indien toepassing wordt gegeven aan de mogelijkheden van de Wet BIBOB, zal de gemeente eerst zelf al het mogelijke moeten doen om de integriteit en achtergrond van de vergunningaanvrager te onderzoeken. Een belangrijk hulpmiddel kan daarbij de verklaring omtrent het gedrag zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000 schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het rechtmatig verblijf blijkt. Zie voor overige informatie over dit onderwerp onder het kopje Vreemdelingen onder de Algemene toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">JurisprudentieStrijd met het bestemmingsplan is als weigeringsgrond aanvaardbaar. ABRS 24 03 1997, AB 1997, 201 m.nt. FM, Gst. 1997, 7058, 4 m.nt. HH, JG 97.0165 m.nt. E.M.H. Franssen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aannemelijk is dat de aantasting van de woon en leefsituatie wordt veroorzaakt door de cumulatieve effecten van het totale aantal inrichtingen. ARRS 22-05-1987, AB 1988, 240; ARRS 08 01 1988, AB 1988, 417; ABRS 24 01 1995, Gst. 1995, 7011, 3, JG 95.0200.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aannemelijk is dat woon- en leefklimaat nadelig wordt beïnvloed door de uitbreiding van een horeca-inrichting waardoor de bezoekerscapaciteit wordt vergroot. ABRS 20-05-1997, R03.93.1560, JU 982016 (VNG-databank).</p>\n<p class=\"lf-p\">Weigering van vergunning voor coffeeshop die niet voldoet aan de in het beleid gestelde afstandsnorm van 200 (respectievelijk 250) meter van scholen of jongerencentra is terecht. Vz.ABRS 10-06-1997, H01.97.0530, JU 981013 (VNG-databank) en Vz.ABRS 20-02-1998, H01.97.1514, JU 981015 (VNG-databank).</p>\n<p class=\"lf-p\">De Afdeling bestuursrechtspraak ziet in een besluit gebaseerd op artikel 2.3.1.3 model-APV over het door de burgemeester opheffen van de vergunningplicht geen algemeen verbindend voorschrift ABRS 23-11-1999, JB 2000, 23 m.nt. J.M.E. Derks, Gst. 2000, 7112, 6 m.nt. HH. Het gevaar van \"verboden delegatie\" aan de burgemeester bestond hier niet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2313\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">TerrasvergunningHet is verboden zonder vergunning van de burgemeester bij een horecabedrijf een terras te hebben</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester kan de vergunning weigeren: indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het terras; indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; indien het terras c.q. het hebben van het terras in strijd is met daarvoor vastgestelde beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de toepassing van de in het tweede lid, onder a., genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van het terras.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of het Provinciaal wegenreglement.</p>\n<p class=\"lf-p\">ToelichtingEerste lidUit artikel 2.3.1.2, eerste lid, blijkt dat horecabedrijven zonder voorafgaande toestemming mogen worden geëxploiteerd, tenzij er op grond van een nader aanwijzingsbesluit van de burgemeester voor het exploiteren van een horecabedrijf een vergunningplicht geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het exploiteren van een terras bij een horecabedrijf geldt dat in alle gevallen een terrasvergunning van de burgemeester is vereist. Horeca-activiteiten op een terras zullen veel sneller effecten hebben op de openbare orde en de woon- en leefomgeving dan activiteiten binnen een horecabedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om het onderscheid tussen beide situaties goed duidelijk te maken is ervoor gekozen het exploiteren van een horecabedrijf en het exploiteren van een terras in twee artikelen te regelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid, AfbakeningVoor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het zevende lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Zie uitgebreid daarover onder het kopje Afbakeningsbepalingen in de Algemene Toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000 schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het rechtmatig verblijf blijkt. Zie voor overige informatie over dit onderwerp onder het kopje Vreemdelingen onder de Algemene toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">JurisprudentieVoorschrift in terrasvergunning, waarbij op dagen dat er evenementen zijn aan het gebruik van de weg voor dat doel prioriteit wordt gegeven, dient doelmatig gebruik en beheer van de weg. ABRS 17 06 1997, JG 98.0027 98.0027, Gst. 1998, 7067, 2 met noot van HH.</p>\n<p class=\"lf-p\">De WRO staat het opnemen van voorwaarden in de vergunning op grond van de APV ter bescherming van het woon- en leefklimaat niet in de weg ABRS 24-04-2001, JG 01.0124 m.nt. A.L. Esveld, ABkort 2001, 330, MenR 2001, 143K.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een terras is een bij een voor het publiek openstaand gebouw behorend erf in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet. Ingevolge het eerste lid van dit artikel is de burgemeester onder meer belast met het toezicht op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Ingevolge het derde lid van dit artikel is de burgemeester belast met de uitvoering van de verordeningen voor zover deze betrekking hebben op dat toezicht. De burgemeester – en niet het college – is dus bevoegd om terrasvergunningen te verlenen. ABRS 05-06-2002, JG 02.0128 m.nt. M. Geertsema. In dezelfde zin: ABRS 13-11-2002 (Nijmegen), nr. 200202419, LJN-nr. AF0269.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester heeft terecht vergunning verleend voor de exploitatie van een terras van bepaalde afmetingen en aan deze vergunning in verband met het belang van de verkeersveiligheid een voorwaarde inzake wijze van bediening verbonden. LJN-nr. AF0274, JG 03.0023 m.nt. A.L. Esveld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college is niet bevoegd tot het nemen van besluiten op aanvragen om terrasvergunningen. LJN-nr. AF0261, JG 03.0022 m.nt. A.L. Esveld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2314\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.1.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Sluitings- en openingstijdenHet is de houder van een horecabedrijf verboden dit voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers te laten verblijven tussen 06.00 en 09.00 uur Voor de bij een horecabedrijf behorend terras gelden de volgende sluitingstijden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de locaties Markt, Kerkstraat, Oosterstraat, Doelenstraat, Woldpromenade, Gasthuisstraat, Scholestraat en het gebied gelegen tussen Meppelerweg 9a en Stationsstraat 8: in de maanden juli en augustus: op maandag en dinsdag tussen 24.00 en 09.00 uur; op woensdag tot en met zondag tussen 01.00 en 09.00 uur; in de overige maanden tussen 24.00 en 09.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de overige locaties in de binnenstad van Steenwijk en andere delen van de gemeente: op maandag tot en met vrijdag tussen 23.00 en 09.00 uur; op zaterdag en zondag tussen 24.00 en 09.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">ToelichtingEerste lidGrondslag voor de in de APV opgenomen sluitingsbepalingen is artikel 149 Gemeentewet. De gemeenteraad kan verplichte sluitingstijden voor horecabedrijven vaststellen in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het beschermen van het woon en leefklimaat e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bevoegdheid houdt ook in dat een afwijkende sluitingsplicht kan worden vastgesteld voor de zondag. Sommigen concluderen uit artikel 7 van de Zondagswet dat de gemeenteraad niet bevoegd is een speciaal voor de zondag geldende sluitingsregeling vast te stellen. Volgens HR 22-07-1960, AB 1961, p. 15, belet dit artikel de raad echter niet om voor de zondag een afwijkende regeling te treffen voor de sluitingstijden van cafés e.d. mits de grond voor de afwijking van de voor de andere dagen geldende regeling niet gelegen is in het bijzondere karakter van de zondag. Volgens de Hoge Raad beoogt de Zondagswet naar haar strekking niet de gemeentelijke wetgever te beperken in zijn bevoegdheid om ter afwering van verstoring van de openbare orde voorzieningen te treffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In onze gemeente waren tot 1 augustus 2005 geen verplichte sluitingsuren voor horecabedrijven in de APV opgenomen. Door het soms oneigenlijk gebruik van het vrije sluitingstijdenregime bleek enige regulering van de sluitings- en openingstijden van horecabedrijven gewenst. De gedachte achter de vrije sluitingstijden was en is nog steeds het beter kunnen reguleren van de openbare orde en het verkleinen van de kans op overlast in de woonomgeving, doordat horecabezoekers niet allemaal gelijktijdig maar geleidelijk aan huiswaarts keren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doel van de vrije sluitingstijden is nooit geweest een min of meer continue bedrijfsvoering en dus alcoholverstrekking mogelijk te maken. Door middel van het opnemen van een beperkte sluitingsregeling in de APV wordt het principe van de vrije sluitingstijden zoveel mogelijk in stand gelaten. Tegelijkertijd kunnen eventuele excessen, zoals het niet sluiten van een horecabedrijf aan het einde van de nacht of de organisatie van afterparties, worden voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">UitvoeringHet onderscheid tussen regelgeving en uitvoering heeft in het kader van de sluitingsuren van inrichtingen aanleiding gegeven tot menige jurisprudentie van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State. In de uitspraak van 2 september 1983, AB 1984, 245 m.nt. JHvdV (Oploo, Sint Anthonis en Ledeacker) stond de vraag centraal of de burgemeester bevoegd was een permanante ontheffing te verlenen van het verbod uit de APV. De Afdeling heeft over de bevoegdheidsafbakening tussen de raad en burgemeester aangegeven dat de gemeenteraad in het APV artikel in het geheel geen grenzen stelt aan de ontheffingsbevoegdheid van de burgemeester. Noch uit de tekst van het APV artikel, noch anderszins, blijkt dat de ontheffing bijvoorbeeld slechts in bijzondere omstandigheden of in incidentele gevallen door de burgemeester mag worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De visie van verweerder dat hij zich op het terrein van de gemeentelijke wetgever zou bewegen, zou naar het oordeel van de Afdeling slechts opgaan indien hij aan alle inrichtingen in de gemeente onbeperkt ontheffing van het in het desbetreffende APV-artikel vervatte verbod zou verlenen. In dat geval zou verweerder immers de door de gemeenteraad vastgestelde sluitingsuren als vermeld in artikel 56 (2.3.1.4), eerste lid, APV in feite ter zijde stellen. De Afdeling kan daarom niet inzien waarom de burgemeester de bevoegdheid zou missen het verzoek om ontheffing in te willigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Sluitingsuren terrassenDe sluitingstijden voor terrassen waren versnipperd geregeld. Voor een aantal straten in de binnenstad van Steenwijk waren de sluitingstijden geregeld in de door de burgemeester op 12 november 2002 vastgestelde beleidsregels voor het hebben van terrassen. Voor de overige locaties in de binnenstad van Steenwijk en andere delen van de gemeente waren de sluitingstijden opgenomen in artikel 2.3.1.4 van de APV. Naast de versnipperde regeling gelden er voor de terrassen ook verschillende sluitingsregimes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de duidelijkheid te vergroten zijn de sluitingstijden voor terrassen nu gebundeld in één APV-bepaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lidAfbakeningVoor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het derde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Zie uitgebreid daarover onder het kopje Afbakeningsbepalingen in de Algemene Toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1 kan vergunningplichtig zijn ingevolge de Wet milieubeheer (Wm) of onder de werking van het Besluit horeca , sport en recreatie inrichtingen milieubeheer vallen. Aan een krachtens de wet te verlenen vergunning kunnen eveneens voorschriften worden verbonden dan wel nadere eisen worden gesteld ter voorkoming van de indirecte gevolgen van de inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De sluitingsbepalingen van de APV gelden derhalve niet voorzover de op de Wm gebaseerde voorschriften van toepassing zijn. Wat betekent dit voor de reikwijdte van de APV bepalingen? De Wm beoogt een uitputtende regeling te geven ter voorkoming of beperking van alle nadelige gevolgen van het milieu door het in werking zijn van krachtens die wet aangewezen inrichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteraad is niet bevoegd die regeling bij verordening aan te vullen, indien daarmee wordt beoogd dezelfde belangen te beschermen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raad kan dus niet aanvullend via de APV gevaar, schade of hinder of andere belangen die onder het begrip 'bescherming van het milieu' vallen, tegengaan die wordt veroorzaakt door een inrichting die vergunningplichtig is ingevolge de Wm. Zie hiervoor ook de algemene toelichting bij deze paragraaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">JurisprudentieEen in naam besloten club die wel in hoge mate voor het publiek toegankelijk is, moet voldoen aan de sluitingstijden van de APV. Vz.ARRS, 21 12 1992, Gst. 1993, 6073, 4 m.nt. HH, JG 93.0260.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terughoudend beleid ten aanzien van nachtvergunningen voor horecabedrijven. ABRS 08-02-1994, JG 94.0252 , Gst. 1994, 6999, 4 m.nt. HH.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in exploitatievergunningen voor een niet-alcoholverstrekkend) horecabedrijf opgenomen mededeling omtrent de openingstijden van het horecabedrijf is geen besluit in de zin van art. 1:3, lid 1, van de Awb. Openingstijden vloeien namelijk rechtstreeks voort uit de APV. LJN-nr. AE8980, JG 03.0024 m.nt. A.L. Esveld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Herhaalde overtreding van sluitingtijd leidt tot onmiddellijke sluiting horecabedrijf. LJN-nr. AM5381, JG 04.0102 m.nt. A.L. Esveld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2315\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.1.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verruiming en beperking openingstijden en tijdelijke sluitingDe burgemeester kan vrijstelling verlenen van het in artikel 2.3.1.4, eerste lid, gestelde openingsuur voor categorieën horecabedrijven, waarvan de reguliere bedrijfsvoering, gelet op de aard van het horecabedrijf, zich mede richt op het tijdstip tussen 06.00 en 09.00 uur De burgemeester kan, als naar zijn oordeel van een bijzondere omstandigheid of van een bijzonder horecabedrijf sprake is, middels een ontheffing de volgens artikel 2.3.1.4 geldende tijden van geopend zijn van een horecabedrijf of terras verruimen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of ter bescherming van het woon- en leefklimaat de volgens artikel 2.3.1.4 geldende tijden van geopend zijn van een of meer horecabedrijven of terrassen al dan niet tijdelijk beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of ter bescherming van het woon- en leefklimaat tijdelijk algehele sluiting van een of meer horecabedrijven bevelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het derde en vierde lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting In artikel 2.3.1.5 zijn alle bepalingen gebundeld die op een of andere manier een afwijking betekenen van de geldende sluitingstijden. De afwijking kan inhouden een verruiming of beperking van de openingstijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lidHet algemeen verbod in artikel 2.3.1.4, eerste lid, om tussen 06.00 en 09.00 uur geopend te zijn kan voor bepaalde categorieën horecabedrijven ongewenste effecten hebben. Zo kunnen sommige horecabedrijven door het openingstijdstip van 09.00 uur in hun bedrijfsuitoefening worden beperkt. Hiervan kan sprake zijn bij horecabedrijven met een ontbijtfunctie, zoals hotels of waarvan de bedrijfsvoering zich meer in het bijzonder richt op de ochtenden, zoals bijvoorbeeld de stationsrestauratie. Om deze bedrijven niet onevenredig in hun openingstijden te beperken kan de burgemeester bepaalde categorieën horecabedrijven vrijstellen van het algemeen verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidDe burgemeester is bevoegd in bijzondere omstandigheden ontheffing van de sluitingstijden te verlenen. Bij een bijzondere omstandigheid kan worden gedacht aan een bijzondere festiviteit, zoals Carnaval e.d. of een horecabedrijf dat zich richt op marktkooplieden tijdens week- of jaarmarkten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadrukkelijk is de ontheffingsmogelijkheid niet bedoeld voor het verruimen van de openingstijd van horecabedrijven, waarvan de bedrijfsactiviteiten zich in hoofdzaak richten op het nachtelijk uitgangsleven, zoals discotheken, café e.d. om op die manier de organisatie van bijvoorbeeld afterparties mogelijk te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde en vierde lid Artikel 174 van de Gemeentewet vormt de grondslag voor de bevoegdheid om de openingstijden van een of meer horecabedrijven al dan niet tijdelijk te beperken of om tijdelijk een of meer horecabedrijven te sluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanleiding voor al dan niet tijdelijke beperking of tijdelijke sluiting moet zijn gelegen in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of de bescherming van het woon- en leefklimaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegdheid kan een individueel karakter hebben en zich beperken tot een horecabedrijf, maar kan zich ook uitstrekken tot meer of alle in de gemeente aanwezige horecabedrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegdheid in het derde lid kan om een permanente dan wel tijdelijke beperking gaan. De bevoegdheid in het vierde lid gaat niet verder dan het tijdelijk kunnen sluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afbakening Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het tweede lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Zie uitgebreid daarover onder het kopje Afbakeningsbepalingen in de Algemene Toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lidEen horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1 kan vergunningplichtig zijn ingevolge de Wet milieubeheer (Wm) of onder de werking van het Besluit horeca , sport en recreatie inrichtingen milieubeheer vallen. Aan een krachtens de wet te verlenen vergunning kunnen eveneens voorschriften worden verbonden dan wel nadere eisen worden gesteld ter voorkoming van de indirecte gevolgen van de inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De sluitingsbepalingen van de APV gelden derhalve niet voorzover de op de Wm gebaseerde voorschriften van toepassing zijn. Wat betekent dit voor de reikwijdte van de APV bepalingen? De Wm beoogt een uitputtende regeling te geven ter voorkoming of beperking van alle nadelige gevolgen van het milieu door het in werking zijn van krachtens die wet aangewezen inrichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteraad is niet bevoegd die regeling bij verordening aan te vullen, indien daarmee wordt beoogd dezelfde belangen te beschermen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raad kan dus niet aanvullend via de APV gevaar, schade of hinder of andere belangen die onder het begrip 'bescherming van het milieu' vallen, tegengaan die wordt veroorzaakt door een inrichting die vergunningplichtig is ingevolge de Wm. Zie hiervoor ook de algemene toelichting bij deze paragraaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde lid Hoewel de wetgever er bij de invoering van de Wet 'Damocles' (artikel 13b van de Opiumwet dat op 21 april 1999 in werking is getreden) vanuit is gegaan dat gemeentelijke regelingen (overlast- of exploitatieverordeningen) hun geldigheid behouden omdat het onderwerp van de gemeentelijke regeling een ander is, lijkt het raadzaam door middel van het bepaalde in het tweede lid buiten twijfel te stellen dat niet in dezelfde situaties kan worden opgetreden als waarvoor artikel 13b Opiumwet is bedoeld. Voor meer informatie zie de uitgave van het Steun- en informatiepunt drugs en veiligheid (SIDV) onder de titel 'De wet 'Damocles', bestuursdwangbevoegdheid in artikel 13b Opiumwet' (VNG-uitgeverij, Den Haag 1999).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor meer informatie en jurisprudentie ook de website van het SIDV, www.sidv.nl .</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 13 juli 2002 is de Wet Victor in werking getreden (Staatsblad 2002, 348). Deze wet houdt in dat het college de bevoegdheid krijgt om de eigenaar van een pand dat is gesloten op grond van de APV, artikel 13b Opiumwet of artikel 174a Gemeentewet aan te schrijven om het pand in gebruik te geven aan een andere persoon of instelling, dan wel om verbeteringen aan te brengen. Als de verstoring van de openbare orde of de verkoop van drugs niet langdurig achterwege blijft, kan in het uiterste geval zelfs overgegaan worden tot onteigening.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Wet Victor is ook bepaald dat sluitingen op grond van artikel 13b Opiumwet en artikel 174a Gemeentewet moeten worden ingeschreven in de openbare registers. Conform artikel 3:16 BW. Merkwaardig genoeg geldt deze inschrijvingsplicht niet voor de sluitingen op grond van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">JurisprudentieVerhouding tussen sluitingstijden zoals vastgesteld door de raad op grond van de verordening en door de burgemeester voor het concrete geval. Vz.ARRS 30-03-1993, JG 94.0094 m.nt. A.B. Engberts.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sluitingstijden in de APV stellen geen grenzen aan de bevoegdheid van de burgemeester om ontheffing te verlenen. ARRS 02-09-1983, AB 1984, 245 m.nt. JHvdV. De ontheffing van de burgemeester mag geen permanent karakter hebben en niet alle in de gemeente aanwezige inrichtingen betreffen. ARRS 19-01-1984, AB 1984, 491 m.nt. JHvdV.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester stelde terecht eis aan garderobefunctie café bij ontheffing sluitingstijd. LJN-nr. AF2496, JG 03.0063 m.nt. A.L. Esveld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleid op basis waarvan coffeeshops, in tegenstelling tot andere horecabedrijven, vanaf 20.00 uur gesloten moeten zijn is noch in strijd met de Winkeltijdenwet noch anderszins onredelijk. Een coffeeshop is geen winkel. Hij is immers in hoofdzaak ingericht als een bedrijf waar gekochte waren ter plaatse worden genuttigd. Rb Breda, 03-12-1997, JG 98.0025, AB 1998, 76 m.nt. FM.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 174 van de Gemeentewet geeft aan de burgemeester reeds een sluitingsbevoegdheid. Wenselijk om ook in de APV een sluitingsbepaling op te nemen. ARRS 15 06 1984, AB 1985, 96 m.nt. JHvdV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sluitingsmaatregel heeft geen punitief karakter en is niet onevenredig zwaar. ABRS 23 05 1995, AB 1995, 475 m.nt. LJJR.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sluitingsbevel zonder tijdsbepaling voldoet niet aan artikel 221 gemeentewet (oud). Vz.ARRS 26-08-1992, AB 1993, 104, JG 93.0116 , en ABRS 05-07-1996, JG 96.0266.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terechte sluiting voor onbepaalde tijd van coffeeshop die het nuloptiebeleid overtreedt. Vz.ABRS 05-091997, Gst. 1998, 7069, 4 m.nt. HH.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terechte sluiting van horecagelegenheid voor de duur van een jaar wegens handel in harddrugs. Vz.ABRS 22-04-1998, K01.97.0213 (ongepubliceerd). Persoonlijke verwijtbaarheid van de exploitant daarbij (bij handel in harddrugs) is niet van belang. ABRS 29-04-1997, R03.93.4839, JU 982015 (VNG-databank), ABRS 27-06-1997, R03.93.5408, JU 98201 (VNG-databank), en ABRS 04-07-2001, AB 2001, 6 m.nt. JGB/AES.Terechte sluiting van twee horeca-inrichtingen en intrekking van de exploitatievergunningen wegens smokkel van illegalen. Aantasting van de openbare orde. Pres. Rb Rotterdam 5 september 1997, JG 97.0209.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij uitoefening sluitingsbevoegdheid hoeft burgemeester geen strikte strafrechtelijke bewijsregels in acht te nemen. ABRS 06-021997, JG 97.0075. Sluiting is geen 'criminal charge' als bedoeld in artikel 6 EVRM. Inzage in geanonimiseerde getuigenverklaringen en politierapporten is dan ook niet strijdig met het 'fair trial'-beginsel. ABRS 11-061998, AB 1998, 297 m.nt. FM. In bestuursrechtelijk geding moeten wel de juistheid van de feiten en zorgvuldigheid van het besluit kunnen worden getoetst. Pres. Rb Breda, 27 januari 1998, JG 98.0096.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terechte sluiting van een discotheek op grond van artikel 2.3.1.5 van de APV van Zaanstad, nu is gebleken dat de situatie rond het gebruik van partydrugs uit een oogpunt van te beschermen gezondheidsbelangen onbeheersbaar is. Pres. Rb Haarlem 16 november 2001, LJN-nr. AD5792.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2316\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.1.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanwezigheid in gesloten horecabedrijfHet is bezoekers van een horecabedrijf verboden gedurende de tijd dat dit bedrijf krachtens artikel 2.3.1.4 of ingevolge een op grond van artikel 2.3.1.5 genomen besluit gesloten dient te zijn, zich daarin of aldaar te bevinden ToelichtingDe in de vorengenoemde artikelen opgenomen sluitingsbepalingen richten zich tot de houder van de inrichting: hij dient zijn bedrijf gesloten te houden gedurende de tijden, die hem bij of krachtens die bepalingen zijn opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3.1.6 richt zich daarentegen tot de (potentiële) bezoeker van de inrichting. Indien deze zich met goedvinden van de houder in de inrichting bevindt gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn, overtreedt hij artikel 2.3.1.6. Indien echter daarvoor de toestemming van de houder ontbreekt en de bezoeker zich niet op diens eerste vordering verwijdert, overtreedt hij artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht (lokaalvredebreuk).</p>\n<p class=\"lf-p\">Beide artikelen zijn naast elkaar bestaanbaar: artikel 2.3.1.6 strekt tot handhaving van een publiekrechtelijke regeling, terwijl artikel 138 Wetboek van Strafrecht ziet op de bescherming van de rechten die aan de eigendom verbonden zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2317\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.1.7</span><span class=\"lf-art-t\">OrdeverstoringHet is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">ToelichtingDeze bepaling geeft een verbod om de orde in horecabedrijven te verstoren, dat zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zwarte lijstAls op individuele bezoekers gericht instrument ter handhaving van de openbare orde in het algemeen en van de orde in inrichtingen in het bijzonder, heeft enkele malen het verschijnsel 'zwarte lijst' de publiciteit gehaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Al uit HR 02-06-1924,NJ 1924, p. 901, AB 1924, p. 410, blijkt dat een verbod om personen in een tapperij te laten verblijven die zich aan alcoholhoudende drank plegen te buiten te gaan, de openbare orde betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">In ARRS 19-06-1984, AB 1985, 215 komt aan de orde hoe het hanteren van de zwarte lijst zich verhoudt tot de internationale verdragen en tot de huishouding van de gemeente. Kort gezegd oordeelde de Afdeling dat, mede gezien de achtergrond van het bestreden besluit en het feit dat het verbod slechts deels betrekking heeft op het verblijf van appellant in het jongerencentrum waar deze als vrijwilliger werkzaam was, het gehanteerde middel evenredig is te achten tot het daarmee beoogde doel, te weten de bescherming van de openbare orde, en dat het genomen besluit noodzakelijk kan worden geacht ter bescherming van dat belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het instrument van de zwarte lijst wordt weinig toegepast. Indien gewenst, zou in de APV de volgende bepaling kunnen worden opgenomen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is de houder van een inrichting, als bedoeld in artikel 2.3.1.1, eerste lid, verboden in die inrichting toe te laten of te laten verblijven niet tot zijn gezin behorende personen, die naar het oordeel van de burgemeester misbruik van alcoholhoudende drank plegen te maken en wier namen als zodanig schriftelijk door de burgemeester aan die houder zijn opgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is aan een persoon wiens naam ingevolge het bepaalde in het eerste lid door de burgemeester aan de houders van inrichtingen, als bedoeld in artikel 2.3.1.1, eerste lid, is opgegeven, verboden zich in een dergelijke inrichting te bevinden nadat hij schriftelijk door de burgemeester van dit verbod in kennis is gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens Ktr. Tilburg 22 maart 1989, NJ 1989,- 585, is een toegangsverbod van onbepaalde duur strijdig met artikel 5 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. In verband daarmee verdient het aanbeveling bovenstaande modelbepaling uit te breiden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod in het tweede lid geldt voor een bepaalde periode, die niet langer is dan een jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">JurisprudentieInstrument van de zwarte lijst wordt toelaatbaar geacht. Wnd. Vz.ARRS 16 09 1982, AB 1983, 38, en Wnd. Vz.ARRS 30 03 1983, KG 1983, 195.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2318\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.1.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college als bevoegd bestuursorgaanIndien een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1 geen inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt niet de burgemeester, maar het college op als bevoegd bestuursorgaan ten behoeve van artikel 2.3.1.2 tot en met 2.3.1.5 ToelichtingHet begrip 'horecabedrijf' als omschreven in artikel 2.3.1.1, eerste lid, ziet ook op inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals besloten sociëteiten en gezelligheidsverenigingen (zie ook onder artikel 2.3.1.1). Gelet op artikel 174 van de Gemeentewet is in dat geval niet de burgemeester maar het college het bevoegde bestuursorgaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is bij de wijziging in 2002 hernummerd van 2.3.1.10 in 2.3.1.8. Het oude artikel 2.3.1.8 (Toegang ambtenaren van politie) is in 2002 geschrapt, omdat de toezichthoudende bevoegdheden van de controlerende (politie)functionarissen nu geregeld zijn in hoofdstuk 5, afdeling 2, van de Awb. Het oude artikel 2.3.1.9 (zakelijk karakter van de vergunning) is bij ledenbrief 97/144 geschrapt. In dit artikel was de overdraagbaarheid van de exploitatievergunning geregeld. In praktijk bleek dat de persoon van de exploitant een belangrijke rol speelt in de vraag in hoeverre een horecabedrijf het woon- en leefklimaat aantast, dan wel nadelige invloed heeft op de openbare orde. Dit geldt des te meer voor de coffeeshops, die ook onder het stelsel van een overlastvergunning voor horecabedrijven vallen. Door het vervallen van artikel 2.3.1.9 is de exploitatievergunning persoonlijk van aard geworden (artikel 1.5).</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 2: Toezicht op speelgelegenhedenAlgemene toelichting paragraaf 2, Toezicht op speelgelegenhedenInleidingOp 1 juni 2002 is de nieuwe Wet op de kansspelen in werking getreden. In deze wet is het beleid opgenomen dat veel gemeenten reeds voerden. Deze gemeenten maakten onderscheid naar hoog- en laagdrempelige inrichtingen. De belangrijkste redenen voor de wijziging zijn het voorkomen en tegengaan van problematisch speelgedrag en gokverslaving en het voorkomen en tegengaan van illegaliteit en criminaliteit. De oorspronkelijke gedeelde verantwoordelijkheid van lokale en rijksoverheid is in stand gelaten. Dit houdt in dat de rijksoverheid vooral de randvoorwaarden bepaalt, onder andere door het verlenen van exploitatievergunningen (art. 30h Wet op de kansspelen), het toelaten van typen speelautomaten en het aangeven van de soort locaties waar speelautomaten mogen worden opgesteld. De daadwerkelijke invulling van het speelautomatenbeleid vindt op lokaal niveau plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Titel Va van de Wet op de kansspelen regelt tot in de finesses het systeem van exploitatie- en aanwezigheidsvergunningen waardoor het legaal exploiteren van kansspelautomaten mogelijk wordt gemaakt. Grote lokale verschillen in beleid laat de regeling niet toe. De gemeentelijke wetgever bezit op grond van artikel 30c, eerste lid, onder c van de wet de vrijheid om bij verordening te bepalen of, en zo ja hoeveel, speelautomatenhallen krachtens een vergunning van de burgemeester zijn toegelaten. Zou de gemeenteraad geen gebruik wensen te maken van de verordenende bevoegdheid dan heeft dit tot gevolg dat de burgemeester voor de vestiging en exploitatie van een speelautomatenhal geen vergunning kan verlenen. Deze beslissing komt in feite neer op een algeheel verbod tot het exploiteren van speelautomatenhallen. De hogere wetgever laat de gemeenteraad hierin geheel vrij.</p>\n<p class=\"lf-p\">In verband met de harmonisatie van de regelgeving omtrent kansspelen en speelautomatenhallen van de voormalige gemeenten, is besloten om de genoemde regelgeving op te nemen in de Algemene Plaatselijke Verordening. De voormalige gemeente Steenwijk had dit op deze wijze geregeld. Er is gekozen om hier aansluiting bij te zoeken uit praktische oogpunt. Uit de praktijk is gebleken dat in veel gevallen de Algemene Plaatselijke Verordening standaard op het bureau ligt of in de kast staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">VergunningenstelselDe regulering van speelautomaten berust in de wet op een onderling verbonden vergunningenstelsel. Alleen toegelaten speelautomaten mogen in de handel worden gebracht, geëxploiteerd en in de daartoe aangewezen inrichtingen worden opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Exploitatievergunning Voor de exploitatie, dat wil zeggen het bedrijfsmatig en als eigenaar gebruiken of aan een ander in gebruik geven van een of meer speelautomaten, is een door genoemde minister af te geven exploitatievergunning vereist ingevolge artikel 30h, eerste lid. De exploitant vervult in het systeem een sleutelpositie. Alle opgestelde speelautomaten dienen (zie artikel 30d, eerste lid) in eigendom aan een exploitant toe te behoren. Te allen tijde moet uit zijn administratie af te leiden zijn waar de aan hem toebehorende speelautomaten zijn opgesteld. Daarnaast mag een exploitant, ingevolge artikel 30t, eerste lid, onder b, slechts speelautomaten exploiteren die overeenstemmen met het toegelaten model. Daarmee rust op de exploitant de verplichting er voor te waken dat de speelautomaten blijvend in overeenstemming zijn met het toegelaten model.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanwezigheidsvergunning Voor de opstelling van speelautomaten in bij de wet, in artikel 30c, eerste lid, aangewezen inrichtingen is een aanwezigheidsvergunning vereist, af te geven door de burgemeester.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip speelautomaatDe omschrijving van het begrip speelautomaat wordt gegeven in artikel 30 van de wet. Uit de tekst 'ingericht voor de beoefening van een spel' blijkt dat wisselautomaten, verkoopautomaten en jukeboxen niet onder de regeling vallen en uit de tekst 'bestaat uit een door de speler in werking gesteld mechanisch, elektrisch of elektronisch proces' evenmin biljarts, tafelvoetbalspelen en dergelijke apparatuur. Artikel 30 maakt een onderscheid tussen de verschillende typen automaten. Een speelautomaat die geen behendigheidsautomaat is, wordt als kansspelautomaat aangemerkt. Kenmerkend voor een behendigheidsautomaat is, dat de automaat zo moet zijn ingericht dat het spelproces ook nadat het in werking is gesteld, zodanig door de speler kan worden beïnvloed dat het van zijn inzicht en behendigheid bij het gebruik van de daartoe geboden middelen afhangt of en in welke mate de speelduur verlengd of het recht op gratis spellen verkregen wordt. Dit wordt in artikel 16 van het Speelautomatenbesluit uitgewerkt. Het Speelautomatenbesluit is de citeertitel van de algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van de regeling van titel Va van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">In beginsel vallen alle behendigheids- en kansspelautomaten onder de wet, tenzij ingevolge artikel 30a, een afwijkende regeling geldt. Buiten het toepassingsgebied van de wettelijke bepalingen zijn de navolgende soorten speelautomaten gebracht: behendigheidsautomaten die zonder enige inworp door de speler of een derde in werking kunnen worden gesteld en waarvan het spelresultaat niet kan leiden tot de onmiddellijke uitkering van prijzen of premies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedacht moet hierbij worden aan allerlei vormen van computerspelletjes waarvoor vele programma's in de handel zijn en die door een druk op de knop en niet door het inwerpen van geld in werking worden gesteld. speelautomaten die worden gebruikt of bestemd zijn om te worden gebruikt ter gelegenheid van kermissen (zie art. 30a, tweede lid juncto art. 30b, tweede lid, onder a van de wet).</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwezigheidsvergunningDe wet geeft een beperkt aantal plaatsen aan waar, op basis van een aanwezigheidsvergunning, speelautomaten mogen worden opgesteld (art. 30c, eerste lid). Een vergunning voor het aanwezig hebben van een of meerdere speelautomaten kan slechts worden verleend voor: een laagdrempelige inrichting; een hoogdrempelige inrichting; een speelautomatenhal.</p>\n<p class=\"lf-p\">In art. 30 wordt uitgelegd wat onder hoog- dan wel laagdrempelige inrichtingen moet worden verstaan. Daarnaast is in art. 30c, vierde lid, bepaald dat als in een laagdrempelig inrichting een voldoende afgescheiden ruimte is, waar een bedrijf als bedoeld in art. 3 Drank- en Horecawet wordt uitgeoefend, deze ruimte als hoogdrempelig kan worden aangemerkt. Voor de duidelijkheid wordt hier vermeld dat in een speelautomatenhal geen alcoholhoudende dranken mogen worden verkocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitzonderingen op het vereiste van een aanwezigheidsvergunning voor speelautomaten met de navolgende bestemming:</p>\n<p class=\"lf-p\">Speelcasino's Voor het aanwezig hebben van speelautomaten in een speelcasino, dat volgens de Wet op de kansspelen wordt geëxploiteerd, wordt een vergunning verleend door de Minister van Economische Zaken, ingevolge artikel 30z.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kermissen Voor de speelautomaten op kermissen geldt de bepaling opgenomen bij artikel 30a, tweede lid, juncto artikel art. 30b, tweede lid onder a van de Wet op de kansspelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Speelautomaten bestemd voor de verkoop Ingevolge artikel 30b, tweede lid, onder b, van het Wet op de kansspelen is geen aanwezigheidsvergunning vereist voor speelautomaten uitsluitend ten behoeve van het verkopen of van het krachtens een exploitatievergunning aan anderen in gebruik geven ten behoeve van hun bedrijf. Hiermee zijn bedoeld de showroomexemplaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bescherming van jeugdigenHet is personen onder de 18 jaar wettelijk verboden om op kansspelautomaten te spelen (30g, tweede lid van de wet). Op basis van het eerste lid van art. 30g is het de vergunninghouder verboden om personen onder de 18 jaar op een kansspelautomaat te laten spelen. Als er kansspelautomaten in een speelautomatenhal staan opgesteld geldt voor deze hal een toegangsverbod voor jongeren onder de 18 jaar (art. 15 Speelautomatenbesluit). Ter controle van de leeftijd van de bezoekers geldt er bij de toegang van de hal een identificatieplicht. Tezamen met het verbod kansspelautomaten in laagdrempelige inrichtingen te plaatsen wordt hiermee geprobeerd te voorkomen dat jongeren te eenvoudig met kansspelautomaten in aanraking komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Weigerings- en intrekkingsgronden van de aanwezigheidsvergunningDe weigerings- en intrekkingsgronden zijn onderverdeeld in imperatieve en facultatieve gronden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Weigeringsgronden, artikel 30e Wet op de kansspelen Imperatieve weigeringsgronden Een aanwezigheidsvergunning moet door de burgemeester worden geweigerd: als door het verlenen van de vergunning wordt afgeweken van hetgeen bepaald is in artikel 30c van de wet. Dus als het geen laag- of hoogdrempelige inrichting of een speelautomatenhal betreft waar speelautomaten mogen worden geplaatst. Of als het maximum aantal vergunningen voor die inrichting al is verleend of als in een laagdrempelige inrichting een ruimte onvoldoende is afgesloten van de hoogdrempelige om een zelfstandige eenheid te vormen waardoor toch kansspelautomaten mogen worden opgesteld; als niet wordt voldaan aan de eisen die gesteld zijn ten aanzien van het zedelijk gedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Facultatieve weigeringsgrondenDe vergunning kan door de burgemeester worden geweigerd: als de aanvrager van de vergunning een van de bepalingen uit Titel Va van de wet in de drie jaren voorafgaande aan het moment van aanvraag heeft overtreden; als er ernstige vrees is dat het verlenen van de vergunning ernstig gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Intrekkingsgronden, artikel 30f Wet op de kansspelen Intrekking is toegestaan als de burgemeester dit van tevoren aan de vergunninghouder heeft gemeld. De burgemeester moet dit voornemen melden bij aangetekende brief aan de vergunninghouder, met daarin vermeld de redenen van de intrekking. Bovendien moet hij, of een daartoe aangewezen ambtenaar, de vergunninghouder in de gelegenheid hebben gesteld zijn verhaal te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Imperatieve intrekkingsgrondenDe aanwezigheidsvergunning moet worden ingetrokken door de burgemeester, als: de gegevens die zijn verstrekt bij de aanvraag van de vergunning onjuist of onvolledig blijken en als op de aanvraag anders zou zijn beslist als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend zouden zijn geweest. De burgemeester kan, voor hij de vergunning op deze grond intrekt, een termijn stellen waarbinnen de vergunninghouder de gelegenheid krijgt deze kwestie alsnog recht te zetten; een inrichting geen geldige vergunning bezit die daarvoor vereist is, zoals een vergunning ingevolge artikel 3 van de Drank- en Horecawet voor hoog- en laagdrempelige inrichtingen; niet (meer) wordt voldaan aan de eisen omtrent zedelijk gedrag door de aanvrager, bedrijfsleiders of beheerders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voordat de burgemeester overgaat tot intrekken van de vergunning, kan hij een termijn stellen waarbinnen de vergunninghouder alsnog aan de gestelde eisen kan voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Facultatieve intrekkingsgrondenOp grond van artikel 30f kan een aanwezigheidsvergunning worden ingetrokken als: een vergunninghouder bepalingen uit titel Va heeft overtreden. Ook voor deze intrekkingsgrond kan de burgemeester, voor hij de vergunning intrekt, een termijn stellen waarbinnen de vergunninghouder de gelegenheid krijgt alsnog tot naleving van de bepalingen over te gaan. Gemeenten hebben meer vrijheid gekregen ten aanzien van het intrekken van de aanwezigheidsvergunning. Per geval kan bekeken worden of de ernst van de overtreding de intrekking van de vergunning rechtvaardigt; gegronde vrees is dat het van kracht blijven van de vergunning ernstig gevaar zou opleveren voor de openbare orde en veiligheid of zedelijkheid. Alleen indien er in dit geval sprake is van dringende omstandigheden kan de vergunning direct worden ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">RechtsbeschermingTegen besluiten die op grond van titel Va zijn genomen, waardoor men rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen, is ingevolge artikel 30v beroep opengesteld bij het college van beroep voor het bedrijfsleven (CBB). Ingevolge art. 7:1 Algemene wet bestuursrecht dient degene die van de mogelijkheid gebruik wil maken om tegen het besluit beroep in te stellen bij de administratieve rechter, i.c. het CBB, alvorens beroep op een administratieve rechter in te stellen, eerst tegen dat besluit bezwaar te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sancties, toezichtAfgezien van de bestuurlijke sancties voorziet de wet ook in een strafrechtelijk sanctiesysteem. Dit wordt geregeld in de artikelen 31 en 32 van de Wet op de kansspelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders kunnen op grond van artikel 30w, tweede lid, van de wet ambtenaren aanwijzen die zijn belast met het toezicht op de naleving van het verbod, bedoeld in artikel 30b, alsmede van de door de burgemeester aan de vergunning verbonden voorschriften. De personen die zijn aangewezen voor het toezicht krijgen hiervoor op grond van art. 30x verschillende bevoegdheden toegekend, zodat zij hun functie naar behoren kunnen uitoefenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2321\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">BegripsbepalingenIn deze paragraaf wordt verstaan onder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijk gelegenheid waarin anders dan om niet de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet: de Wet op de kansspelen; speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a, van de Wet; behendigheidsautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder b, van de Wet; kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet; hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet; laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet; speelautomatenhal: een inrichting, bestemd om het publiek gelegenheid te geven een spel door middel van speelautomaten te beoefenen, als bedoeld in artikel 30c, eerste lid, onder c, van de Wet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2322\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.2.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">SpeelgelegenhedenHet is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder c, van de Wet vergunning is verleend; speelgelegenheden waarvoor de minister van Justitie of de Kamer van koophandel en fabrieken bevoegd is vergunning te verlenen; speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet, of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet te verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester weigert de vergunning indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">ToelichtingEerste lidHet begrip ‘speelgelegenheid’ als omschreven in het eerste lid, betreft iedere openbare gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. De houder van een café waarin bezoekers het kaartspel kunnen beoefenen, hoeft niet zonder meer over vergunning te beschikken maar slechts indien de mogelijkheid daartoe bewust met enig winstoogmerk wordt geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidDe vergunningplicht geldt het (doen) exploiteren van een speelgelegenheid. Artikel 2.3.3.2 heeft een ander motief dan de Wet op de kansspelen. Dit artikel heeft namelijk het beschermen van de openbare orde en het woon- en leefklimaat als doel. Oogmerk van de Wet op de kansspelen is het in goede banen leiden van kansspelen, waarbij de consument beschermd dient te worden en gokverslaving en criminaliteit moeten worden tegengegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Wet op de kansspelen geeft de burgemeester noch het college de bevoegdheid om een illegale speelgelegenheid te sluiten. In de praktijk is dit evenwel vanwege de negatieve uitstraling en het illegale karakter van de speelgelegenheid vaak wel wenselijk. Daarom is in dit artikel een vergunningsplicht opgenomen, met in het tweede lid de mogelijkheid om de vergunning te weigeren als naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid. Als een speelgelegenheid geen vergunning heeft, heeft de burgemeester volgens artikel 125 van de Gemeentewet de bevoegdheid bestuursdwang toe te passen. In artikel 1.6 APV zijn voorwaarden opgenomen waaronder de vergunning kan worden ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 7 januari 2003 heeft de rechtbank Maastricht bepaald dat de burgemeester bevoegd is tot toepassing van bestuursdwang in geval van een casino zonder vergunning ex artikel 2.3.3.2 APV, een illegaal casino dus. Er was een vergunning, maar vast staat dat deze was ingetrokken onder meer vanwege een geconstateerde overtreding van de Wet op de Kansspelen en daarmee van overtreding van artikel 2.3.3.2 APV. Daarna is geconstateerd dat in het pand een illegaal casino werd geëxploiteerd. Daarmee stond dus vast dat zonder vergunning een speelgelegenheid werd geëxploiteerd, zodat bestuursdwang kon worden toegepast. Ook werd bepaald dat er geen sprake was van een besloten bijeenkomst in verenigingsverband, omdat een ieder tegen betaling van een betrekkelijk gering bedrag lid kon worden en mee kon spelen. Rb Maastricht 07-01-2003, nr. 01/1750 en 01/1251 GEMWT I, LJN-nr. AF 2782.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 17 juli 2002 heeft de president van de rechtbank Arnhem in voorlopige voorziening een uitspraak gedaan over de sluiting van een illegale speelgelegenheid op basis van de APV van de gemeente Groesbeek. De gemeente Groesbeek heeft een uitgebreide paragraaf opgenomen in de APV over speelgelegenheden, waarin het vergunningensysteem veel verder is uitgewerkt dan in de model-APV. Er worden onder meer eisen aan de exploitant gesteld en er zijn meer weigeringsgronden opgenomen. Er was tot nu toe nog geen rechterlijke uitspraak over de verbindendheid van deze bepalingen. In deze uitspraak kwam uitsluitend de vraag aan de orde of er sprake was van een speelgelegenheid met een besloten karakter. Dat er sprake was van een speelgelegenheid was niet in discussie. De voorzieningenrechter oordeelde dat er wel sprake was van een voor het publiek toegankelijke inrichting en dat de burgemeester van de gemeente Groesbeek de bevoegdheid had bestuursdwang toe te passen. Deze voorzieningenrechter is dus kennelijk van mening dat de APV Groesbeek verbindend moet worden geacht, hoewel er niet expliciet aandacht aan wordt besteed in de uitspraak. Pres. Rb. Arnhem 17-07-2002, 02/1400, LJN-nr. AE5840. Er is hoger beroep ingesteld bij de Raad van State.</p>\n<p class=\"lf-p\">JurisprudentieInmiddels is er een uitspraak van de Raad van State op 29 januari 2003 over een gelegenheid waarin een internetgokzuil is geplaatst. De Raad van State gaat ervan uit, en dit was ook niet in geschil, dat er dan sprake is van een speelgelegenheid in de zin van dit artikel. Appellant exploiteerde zonder dat zij over de vereiste vergunning beschikte, en de burgemeester is op grond van artikel 125, derde lid, Gemeentewet bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang. ABRS 29-01-2003, 200202981/1, LJN-nr. AF 3507. Zie ook Rb Arnhem, 11-03-2002, JG 02.0152 m.nt. T.J. van der Reijt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn ook enkele uitspraken van de strafrechter geweest waarin de exploitant van een internetgokzuil en een exploitant van een inrichting waarin een internetgokzuil is geplaatst zijn veroordeeld tot een boete.</p>\n<p class=\"lf-p\">Internetgokzuil in inrichting maakt dat er sprake is van speelgelegenheid, burgemeester kan handhavend optreden. ABRS 29-01-2003, 200203981/1, LJN-nr AF3507, Rb Almelo11-03-2002, JG 02.0152 m.nt. T.J. van der Reijt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester kan bestuursdwang toepassen in geval er sprake is van een speelgelegenheid, in dit geval een illegaal casino, zonder vergunning. Rb Maastricht 07-01-2003, 01/17050 en 01/1751 GMWT I, LJN-nr. AF2782.</p>\n<p class=\"lf-p\">Speelgelegenheid door een vereniging waarvan tegen betaling van een gering bedrag een ieder lid kan worden, heeft geen besloten karakter, burgemeester kan optreden indien er geen vergunning is. Rb Arnhem 17-07-2002, 00/3094 en 00/3095 AW, LJN-nr. AF5840.- Speelgelegenheid wordt in casu niet als besloten aangemerkt, dus kan bestuursdwang worden toegepast ogv APV Groesbeek. Rb Arnhem 17-07-2002, 02/1400, LJN-nr. AE5840.</p>\n<p class=\"lf-p\">Speelgelegenheid wordt in casu niet als besloten aangemerkt, dus kan bestuursdwang worden toegepast o.g.v. APV Groesbeek. Rechtbank Arnhem 17-07-2002, 02/1400, LJN-nr. AE5840.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelegenheid bieden tot winnen van prijzen en premies middels internetgokzuilen is strafbaar feit, Ec.politierechter Zutphen, 17-05-2002, 06/035799-01, LJN-nr. AE4680 en Rb. Arnhem, ec. kamer, 20-12-2001, 05/087842-00, LJN-nr. AD8104.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000 schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het rechtmatig verblijf blijkt. Zie voor overige informatie over dit onderwerp onder het kopje Vreemdelingen onder de Algemene toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Speelautomaten Artikel 2.3.2.3 Voorschriften/beperkingen vergunningAan vergunningen tot het aanwezig hebben van speelautomaten in inrichtingen als bedoeld in artikel 30c, eerste lid, onder a en b van de Wet worden voorschriften en beperkingen verbonden, met dien verstande dat: in ieder geval uit de vergunning blijkt of die betrekking heeft op kansspel- en/of behendigheidsautomaten; de geldigheidsduur van de vergunning ten hoogste twaalf maanden bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In hoogdrempelige inrichtingen zijn vier speelautomaten toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In laagdrempelige inrichtingen zijn vier speelautomaten toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting In de gewijzigde Wet op de kansspelen is bepaald dat in hoogdrempelige inrichtingen maximaal twee kansspelen zijn toegestaan. Van dit aantal kan dus niet worden afgeweken. Wel moet er een keuze gemaakt worden ten aanzien van het maximum aantal te plaatsen speelautomaten (behendigheids- en kansspelautomaten). In de voormalige gemeenten IJsselham en Brederwiede werd geen onderscheid gemaakt naar hoog- en laagdrempelige inrichtingen en naar kansspel- en behendigheidsautomaten. In deze gemeenten was vastgesteld dat in een inrichting maximaal twee speelautomaten mochten worden geplaatst. In de voormalige gemeente Steenwijk was geregeld dat in laagdrempelige inrichtingen maximaal vier behendigheidsautomaten aanwezig mochten zijn. In een hoogdrempelige inrichting waren maximaal één kansspel en eventueel drie behendigheidsapparaten toegestaan. In eerste instantie werd de raad destijds voorgesteld om drie speelautomaten toe te staan, maar op verzoek van de raad is dat uitgebreid naar vier. Omdat uit de praktijk geen problemen zijn gebleken, wordt de raad voorgesteld om in hoog- en laagdrempelige inrichtingen maximaal vier speelautomaten toe te staan. Hierbij is het goed om te weten dat behendigheidsapparaten in principe geen verslavend effect hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begin 2002 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB) een aantal uitspraken gedaan, waarin ten aanzien van hoog- en laagdrempelige inrichtingen een interpretatie wordt gegeven over de wijziging van de Wet op de Kansspelen d.d. 1 november 2000 ten gevolge van de ingrijpende wijziging van de Drank- en Horecawet. Het gaat hierbij vooral over de begrippen \"inrichting\" en \"horecalokaliteit\" en de gevolgen voor hoog- en laagdrempelige inrichtingen. Het CBB overweegt - in tegenstelling tot wat uit de wetsgeschiedenis blijkt en tot nu toe uit de jurisprudentie is gebleken - “dat er wel sprake is van een materiële wijziging van de Wet” en niet slechts van een technische. Dit kan verstrekkende consequenties hebben voor de gemeentelijke praktijk, vooral voor de wijze van formulering van besluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het CBB toetst de vraag of er sprake is van een hoogdrempelige inrichting op een wetstechnische manier. Er dient slechts beoordeeld te worden of er sprake is van een horecalokaliteit in de zin van de Drank- en Horecawet en of er zich in deze horecalokaliteit zelf geen andere activiteiten afspelen waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend. (Een horecalokaliteit in de zin van de Drank- en Horecawet is een van een afsluitbare toegang voorziene lokaliteit, onderdeel uitmakend van een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, in ieder geval bestemd voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse.) Moeilijk is te bepalen wat een andere zelfstandige activiteit is. Hierover is veel jurisprudentie, zie hieronder onder het kopje jurisprudentie. Er moet in ieder geval gedacht worden aan het afhalen van etenswaren, dansen, zaalverhuur, bowlen of kegelen en het serveren van kleine etenswaren. Waar precies de grens ligt tussen ondersteunende activiteiten en zelfstandige activiteiten is een sterk feitelijk oordeel en zal van geval tot geval moeten worden bekeken, gerelateerd aan de jurisprudentie. In welke omgeving de horecalokaliteit ligt, is, in tegenstelling tot de oude jurisprudentie, niet meer van belang. Ook een horecalokaliteit op een camping of in een sporthal of dorpshuis kan hoogdrempelig zijn. Deze benadering leidt tot de vreemde consequentie dat bijvoorbeeld een seksinrichting als laagdrempelig wordt aangemerkt en een sportkantine (soms) als hoogdrempelig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 17 juli 2002 heeft het CBB geoordeeld dat een horecalokaliteit, gelegen in een sportcomplex, niet per definitie laagdrempelig is. De sporthal zelf maakt geen onderdeel uit van de inrichting. Er dient beoordeeld te worden of de horeca-inrichting zelf hoogdrempelig is. Het feit dat het café voornamelijk gericht is op bezoekers van het sportcomplex, staat daar, aldus het CBB, los van. Ook het feit dat het café in belangrijke mate bezocht wordt door bezoekers beneden de 18 jaar staat er volgens het CBB niet aan in de weg dat de lokaliteit niet tevens in belangrijke mate gericht kan zijn op bezoekers van boven de 18 jaar en dat is het wettelijk criterium. (CBB 17-07-2002, JG 02.0153 , m.nt. T.J. van der Reijt) Samengestelde inrichtingenIndien er sprake is van een laagdrempelige horeca-inrichting, waarbinnen zich een horecalokaliteit als bedoeld in artikel 1 lid 1 van de Drank- en Horecawet bevindt, dient te worden onderzocht of de laagdrempelige gedeelten vanaf de openbare weg bereikt kunnen worden via deze horecalokaliteit. Als dit het geval is, dan is (op grond van artikel 30c lid 4 van de Wet op de Kansspelen) de horecalokaliteit alsnog laagdrempelig en is het niet toegestaan kansspelautomaten te plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het CBB heeft in enkele uitspraken begin 2002 opnieuw een lijn uitgezet over wanneer er sprake is van hoog- of laagdrempelige inrichtingen en van samengestelde inrichtingen. Uit deze uitspraken van het CBB is een stappenplan af te leiden, dat dient te worden doorlopen bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een hoogdrempelige inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij één afgesloten ruimte. is er een vergunning volgens de Drank- en Horecawet? staat het café- en restaurantbezoek op zichzelf? zijn de activiteiten in belangrijke mate gericht op personen ouder dan 18?</p>\n<p class=\"lf-p\">Is aan alle vereisten voldaan dan is er sprake van een hoogdrempelige inrichting, waarin twee kansspelautomaten zijn toegestaan. Is aan een van de eisen niet voldaan, dan is er sprake van een laagdrempelige inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij meerdere ruimten in een gebouw. is er sprake van een afzonderlijke horecalokaliteit in het gebouw, dan wel van meerdere lokaliteiten waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, die tezamen een besloten ruimte vormen binnen het gebouw? wordt voor de afzonderlijke horecalokaliteit, dan wel voor het geheel van de lokaliteiten die tezamen de horeca-inrichting vormen, voldaan aan de stappen onder A?</p>\n<p class=\"lf-p\">Is aan alle eisen voldaan, dan is er sprake van een hoogdrempelige inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een horecalokaliteit in de zin van artikel 1 lid 1 van de Drank- en Horecawet binnen een laagdrempelige horeca-inrichting. worden de stappen genoemd onder A. bevestigend beantwoord? zo nee: er is geen sprake van een hoogdrempelige inrichting. zo ja: zijn de overige ruimten van de laagdrempelige inrichting mogelijk door het publiek te bereiken via deze horecalokaliteit? (artikel 30c lid 4 Wet op de Kansspelen). zo ja: er is géén sprake van een hoogdrempelige inrichting in de zin van de Wet op de Kansspelen, kansspelautomaten zijn niet toegestaan zo nee: er is sprake van een hoogdrempelige inrichting in de zin van de Wet op de Kansspelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">JurisprudentieHet verstrekken van lunches tussen 12.00 uur en 15.30 uur, dat speciaal op een reclamebord wordt aangekondigd en waarvoor een aparte lunchkaart is, vormt een laagdrempelige activiteit. CBB 11-04-2003, AWB 02/1474, LJN-nr. AF7697.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een deur die slechts niet op slot mag vanwege brandveiligheidsvoorschriften, maakt dat het mogelijk is via het eetcafé de snackbar te betreden. Geen kansspelautomaten toegestaan. CBB 29-01-2003, AWB 02/697, LJN-nr. AF3782.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing in een zogenaamd “feestcafé”-vergunning voor twee kansspelautomaten onvoldoende gemotiveerd, omdat geen aandacht is besteed aan de stelling dat er geen sprake meer was van exploitatie van een disco. De motivering had betrekking dienen te hebben op de feitelijke gang van zaken in de inrichting. Gemeente moet opnieuw besluiten. CBB 29-01-2003, AWB 02/969, LJN-nr. AF3780.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een inrichting die zich als lunchcafé afficheert, gelegen is bij een markt en een sterk accent legt op kleine etenswaren, hetgeen ook uit de omzetcijfers blijkt, is laagdrempelig. CBB 22-01-2003, AWB 02/1277, LJN-nr. AF 4096.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hotellobby, waarin zich bar, eetgelegenheid en hotelreceptie bevindt, is laagdrempelig, want de hotelreceptie trekt zelfstandige stroom bezoekers. Ook het feit dat hotelgasten door een verbindingsdeur met een pasje naar de kamers kunnen, maakt de ruimte laagdrempelig. Vz. CBB 31-12-2002, AWB 02/1501, 02/1702, LJN-nr AF3234.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bar/foyer in multifunctioneel vergadercentrum laagdrempelig, omdat het publiek van buitenaf de zalen kan bereiken. Geen samengestelde inrichting. CBB 23-12-2002, AWB 02/838, LJN-nr. AF3251.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichting met restaurant met snackbar laagdrempelig, en restaurantgedeelte niet als hoogdrempelig aan te merken, omdat er één Drank- en Horecavergunning is, het personeel vanuit dezelfde ruimte beide gedeelten bedient en de toiletten (die ook bestemd zijn voor bezoekers van de snackbar met bijbehorend terras) slechts te bereiken zijn via het restaurantgedeelte. CBB 20-12-2002, AWB 02/1523, LJN-nr. AF3248.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eetcafé dat zich hoofdzakelijk richt op het winkelend publiek en openingstijden die gelijklopen met winkelcentrum en waar overdag voornamelijk koffie, thee, fris, kleine gerechten en lunches worden geserveerd is laagdrempelig. CBB 20-12-2002, AWB 02/1493, LJN-nr. AF3245.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eetcafé met kleine kaart naast driecomponentenmaaltijden tot 17.00 uur laagdrempelig in zin van de Wet op de Kansspelen, Vz.CBB 23-10-2002, AWB02/1647, LJN-nr. AF1167.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vergunning tot het aanwezig hebben van speelautomaten kan slechts worden verleend aan de natuurlijke of rechtspersoon, die houder is van een vergunning ingevolge artikel 3 van de Drank- en Horecawet, dan wel inschrijfplichtig en ingeschreven is bij het bedrijfsschap Horeca en Catering. CBB 9 oktober 2002 AWB 01/963, 01/964, 01/ 965. LJN-nr. AF0354.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichting waar floorshows en stripteaseshows worden gegeven laagdrempelig en seksinrichting laagdrempelig. CBB 18-09-2002, AWB 02/559, LJN-nr. AF1844 en CBB 19-06-2002, AWB02/25, LJN-nr. AE6041.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omzetpercentage van kleine etenswaren in een eetcafé op zichzelf niet bepalend voor de vraag of er sprake is van een zelfstandige stroom bezoekers. Meer van belang is de combinatie van het aanbod en de ligging, namelijk in een winkelcentrum. CBB 21-08-2002, AWB02/84, LJN-nr. AE7051.</p>\n<p class=\"lf-p\">Weigering van aanwezigheidsvergunning voor twee kansspelautomaten in café is in strijd met motiveringsbeginsel. CBB 26-07-2002, AWB01/536, LJN-nr. AE7541.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sportkantine niet per definitie laagdrempelig. CBB 17-07-2002, AWB01/822, JG 02.0153 m.nt. T.J. van der Reijt, LJN-nr. AE 7540.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bowlingbaan niet gescheiden van bargedeelte. Hoewel de bowlingactiviteiten slechts 20% van de omzet genereert, is er toch sprake van een zelfstandige stroom van bezoekers. CBB 10-07-2002, AWB 02/300, LJN-nr. AE6038.</p>\n<p class=\"lf-p\">Café bij supermarkt niet per definitie laagdrempelig. Voor beantwoording van de vraag of van hoog- dan wel laagdrempelige inrichting sprake is, is beslissend de wijze waarop de inrichting feitelijk op basis van de verleende vergunningen functioneert en geëxploiteerd wordt. CBB 19-06- 2002, AWB02/236, LJN-nr. AE6040.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deur die fungeert als nooduitgang voor het publiek tussen hoogdrempelig (café) en laagdrempelig (kegelbaan) gedeelte van dezelfde inrichting, met ieder hun eigen ingang, maakt dat de kegelbaan door het publiek kán worden bereikt via de ingang van het café. Daarom geen kansspelautomaten toegestaan. CBB 01-03-2002, AWB01/399 29010, JG 02.0070 m.nt. T.J. van der Reijt, LJN-nr. AE0468.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen sprake van afzonderlijke horecalokaliteit in een inrichting met een afhaalgedeelte en een café verbonden via een gemeenschappelijke bar waarachter het personeel beide gedeelten van de inrichting kan bedienen. Eén horecalokaliteit met meerdere activiteiten, kansspelautomaten niet toegestaan. CBB 22-02-2002, AWB01/903 29011, JG 02.0068 , m.nt. T.J. van der Reijt, LJN-nr. AD9635.</p>\n<p class=\"lf-p\">Steeds geheel of gedeeltelijk geopende harmonicawand tussen café en zaalgedeelte is niet voldoende om te spreken van twee afzonderlijke horecalokaliteiten. In café geen kansspelautomaten toegestaan. CBB 15-02-2002, AWB01/482 29010, JG 02.0069 m.nt. T.J. van der Reijt, LJN-nr. AD9977.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dorpshuis is niet in zijn geheel aan te merken als - laagdrempelige - inrichting in de zin van de Wet op de kansspelen. In ieder geval behoren de was- en kleedruimten, gezien de definitie conform de Drank- en Horecawet per 1 november 2000, niet tot de inrichting. CBB 13-02-2002, AWB01/616, JG 02.0065 m.nt. T.J. van der Reijt, LJN-nr. AD9636.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samengestelde inrichting in de zin van de Wet op de kansspelen. Aanwezigheid van een voor het publiek toegankelijke deur tussen snackbar en café. In het geval er slechts één deur is vanaf de openbare weg naar de snackbar, waarna kan worden doorgelopen naar het café, is dat niet voldoende motivering om een vergunning kansspelautomaten te weigeren. CBB 13-02-2002, AWB01/668, JG 02.0066 m.nt. T.J. van der Reijt, LJN-nr. AD9630.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samengestelde inrichting in de zin van de Wet op de kansspelen. Van belang is of het publiek gebruik kán maken van de deur aan de openbare weg van het café/restaurant om de overige - laagdrempelige - ruimten in de inrichting te bezoeken. Nabijheid camping niet van doorslaggevende betekenis bij vraag of kansspelautomaten zijn toegestaan. CBB13-02-2002, AWB01/582 29010, JG 02.0067 m.nt. T.J. van der Reijt, LJN-nr. AD9589.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nachtbar/dancing is laagdrempelig. CBB 13-08-2001, AWB 01/537 29010, JG 01.0180 , m.nt. A.L. Esveld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Seksclub niet hoogdrempelig. CBB 16-07-2001, AWB 01/347 29010, JG 01.0156 , m.nt. A.L. Esveld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Salsaclub is laagdrempelig. CBB 16-07-2001, AWB 01/378 29010, JG 01.0181 , m.nt. A.L. Esveld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bieden van de mogelijkheid tot het afhalen van eten vormt laagdrempelige activiteiten die een zelfstandige betekenis hebben. Broodjes, broodjes shoarma en soepen zijn niet als volledige maaltijd aan te merken. CBB 15-11-2000, AWB 00/73 29010, JG 01.0125 , m.nt. A. L. Esveld.- Het niet tijdens de gehele openingstijd serveren van maaltijden die voldoen aan de definitie van het begrip maaltijd, maakt een inrichting laagdrempelig. CBB 08-03-2000, AWB 99/715 29010, JG 00.0083 , m.nt. A.L. Esveld.</p></div>", "next": 239684}