{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het algemeen bestuur van een waterschap stelt een of meer peilbesluiten vast voor de oppervlaktewateren in de gebieden die deel uitmaken van provincie overschrijdende peilvakken waarvoor een door de provincie Groningen, Overijssel of Friesland opgestelde verplichting geldt als bedoeld in artikel 2.41 van de Omgevingswet.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  10.6</h3>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen in bodem/watersystemen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1017\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.17</span><span class=\"lf-art-t\">Grondwaterregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Gedeputeerde staten houden een register bij waarin activiteiten voor het onttrekken van water uit een grondwaterlichaam en infiltraties in een grondwaterlichaam worden ingeschreven met vermelding van de gegevens die op grond van het tweede lid en Artikel 10.19, eerste lid, worden verstrekt. Voorts worden daarin vermeld de vergunningen, krachtens welke het onttrekken van water of infiltreren van water plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het dagelijks bestuur van de waterschappen verstrekt aan gedeputeerde staten van de provincie of de provincies waarin de onttrekking van grondwater of infiltratie plaatsvindt de gegevens die door toepassing van Artikel 10.18, derde lid, worden verkregen. Voorts wordt een overzicht verstrekt van de vergunningen en meldingen, krachtens welke het onttrekken van grondwater of infiltreren van water plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het dagelijks bestuur maakt voor de uitvoering van het gestelde in het vorige lid gebruik van het Landelijk Grondwaterregister (LGR).</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De in het tweede lid bedoelde gegevens, meldingen en vergunningen worden door het dagelijks bestuur binnen 3 maanden nadat deze door hen zijn ontvangen dan wel zijn verleend, verstrekt aan gedeputeerde staten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1018\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.18</span><span class=\"lf-art-t\">Registratieplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Degene die water onttrekt of infiltreert als bedoeld in artikel 16.1 van het Bal is verplicht: a. de onttrekking op te geven aan gedeputeerde staten van de provincie of de provincies, waarin de onttrekking geschiedt; b. de hoeveelheden water die worden onttrokken, te meten en daarvan aantekening te houden; c. telkenmale in de maand januari of, bij beëindiging van de onttrekking, binnen 1 maand na die beëindiging, aan gedeputeerde staten van de provincie of provincies, waarin de onttrekking geschiedt, opgave te verstrekken van de in het voorafgaande onderscheidenlijk het lopende kalenderjaar per kwartaal onttrokken hoeveelheden water; d. bij de onder c bedoelde opgave kennis te geven van wijzigingen die zich in het voorafgaande onderscheidenlijk het lopende kalenderjaar hebben voorgedaan met betrekking tot de bij de opgave, als bedoeld onder a, verstrekte gegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Gedeputeerde staten kunnen, nadere regels stellen omtrent de wijze van meting en registratie.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het algemeen bestuur van de waterschappen regelt bij waterschapsverordening dat ten minste degene die meer dan 10 m3 water per uur of meer dan 5.000 m3 water per kwartaal onttrekt uit een grondwaterlichaam en degene die water infiltreert in een grondwaterlichaam voor andere doeleinden of in kleinere hoeveelheden dan genoemd in het eerste lid, de gegevens bedoeld in het eerste lid verstrekt aan het dagelijks bestuur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1019\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.19</span><span class=\"lf-art-t\">Ambtshalve inschrijving in het grondwaterregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Gedeputeerde staten kunnen een inrichting en/of infiltratie die niet ingevolge Artikel 10.18 is opgegeven, ambtshalve in het register, genoemd in Artikel 10.17 inschrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien de ambtshalve inschrijving, genoemd in het eerste lid, plaatsvindt in de loop van een kalenderjaar, wordt als datum van de inschrijving aangehouden de datum waarop de onttrekking is aangevangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1020\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.20</span><span class=\"lf-art-t\">Onttrekking van grondwater en infiltratie van water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Bij het beslissen op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de Omgevingswet houden gedeputeerde staten in ieder geval rekening met: a. de thermische en hydrologische effecten op de omgeving; b. de (micro)biologische of chemische veranderingen van de grondwaterkwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Een vergunning als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de Omgevingswet wordt door gedeputeerde staten niet verleend indien: a. er geen sprake is van een hoogwaardige toepassing van het opgepompte water; b. er door het verlenen van de vergunning strijd ontstaat met de belangen van andere reeds verleende vergunningen en toekomstige belangen; c. bij infiltratie deze niet plaatsvindt in dezelfde diepte als waar het grondwater wordt onttrokken; d. voor een industriële onttrekking of de aanleg van een bodemenergiesysteem de locatie van de boring gelegen is binnen een grondwaterbeschermingsgebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1021\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.21</span><span class=\"lf-art-t\">Open bodemenergiesystemen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Bij het beslissen op een aanvraag om vergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 van het Bal houden gedeputeerde staten in ieder geval rekening met: a. de thermische, hydrologische, chemische en biologische effecten die het uitvoeren van de activiteit heeft of kan hebben op de omgeving; b. de (micro)biologische of chemische veranderingen die het uitvoeren van de activiteit heeft of kan hebben op de grondwaterkwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Een vergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 van het BAL wordt niet verleend indien een Temperatuur Opslag-systeem voor middelhoge of hoge temperatuur op een zodanige wijze wordt geïnstalleerd dat de warmte aan de bodem wordt toegevoegd op een diepte die is gelegen boven de zone 'Formatie van Breda' zoals deze is aangegeven in Bijlage 15 bij deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1022\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.22</span><span class=\"lf-art-t\">Gesloten bodemenergiesystemen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het gestelde in paragraaf 4.111 van het Bal, wordt bij het gebruik van een gesloten bodemenergiesysteem ter plaatse van het werkingsgebied 'oranje gebied' een koelmedium toegepast van minimaal drinkwaterkwaliteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1023\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.23</span><span class=\"lf-art-t\">Temperatuur opslagsysteem voor lage temperatuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels opgenomen in de artikelen 4.1152 en 4.1154 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn niet van toepassing op het gebruiken van een temperatuur opslagsysteem voor lage temperatuur indien deze niet dieper wordt aangelegd dan 25 meter beneden maaiveld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1024\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.24</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen de vergunning als bedoeld in Artikel 10.21 tot en met Artikel 10.23 geheel of gedeeltelijk intrekken indien zich omstandigheden en feiten voordoen waardoor de activiteit waarvoor de vergunning is verleend niet langer toelaatbaar worden geacht met het belang van de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de drinkwaterwinning.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  10.7</h3>\n<p class=\"lf-p\">Financiële bepalingen grondwater</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1025\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.25</span><span class=\"lf-art-t\">Instelling commissie van deskundigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten stellen een commissie van deskundigen in die is belast met het adviseren inzake verzoeken als bedoeld in artikel 15.1, eerste lid, van de Omgevingswet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1026\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.26</span><span class=\"lf-art-t\">Procedure advies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Gedeputeerde staten kunnen een verzoek als bedoeld in artikel 15.1, eerste lid, van de Omgevingswet in handen van de commissie van deskundigen stellen. Indien zij de commissie een verzoek voorleggen, zenden zij daarvan een afschrift aan de vergunninghouder of vergunninghouders die zij daarbij betrokken achten. Zij doen daarvan mededeling aan de verzoeker en, in geval het verzoek verband houdt met een door het bestuur van een waterschap verleende vergunning, aan het desbetreffende bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De commissie van deskundigen brengt zo spoedig mogelijk advies uit over de ondervanging of vergoeding van schade dan wel over de overneming van de onroerende zaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De commissie van deskundigen zendt het ontwerp van haar advies toe aan degene op wiens verzoek zij een onderzoek heeft ingesteld en aan de betrokken vergunninghouder of vergunninghouders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1027\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.27</span><span class=\"lf-art-t\">Indienen Zienswijzen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Gedurende 6 weken na de verzending van het ontwerpadvies kunnen de betrokkenen, bedoeld in Artikel 10.26, derde lid, schriftelijk hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen bij de commissie van deskundigen. De commissie stelt degenen die een zienswijze hebben ingediend in de gelegenheid hun zienswijze in persoon of bij gemachtigde op een daartoe door haar te beleggen zitting voor een of meer van haar leden mondeling toe te lichten, daarbij desgewenst bijgestaan door deskundigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Van hetgeen op de zitting, bedoeld in het eerste lid, naar voren wordt gebracht wordt een verslag gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Indien zienswijzen naar voren zijn gebracht stelt de commissie haar advies al dan niet gewijzigd vast en zendt dat gelijktijdig met het verslag van de hoorzitting en haar beschouwingen omtrent de zienswijzen toe aan de betrokkenen, bedoeld in Artikel 10.26, derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Indien geen zienswijzen naar voren zijn gebracht stelt de commissie haar advies binnen 4 weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen in verstreken, vast en zendt dat toe aan de betrokkenen, bedoeld in Artikel 10.26, derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 De in het derde en vierde lid genoemde stukken worden tevens toegezonden aan gedeputeerde staten en, in geval het verzoek, bedoeld in artikel 15.1, eerste lid, van de Omgevingswet, verband houdt met een door het bestuur van een waterschap verleende vergunning, aan het desbetreffende bestuur.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  11</h3>\n<p class=\"lf-p\">Provinciale Infrastructuur</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  11.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11.1</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik / Activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Dit hoofdstuk gaat over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot provinciale infrastructuur in beheer bij de provincie Drenthe.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De artikelen van dit hoofdstuk gelden niet voor activiteiten, door of namens de beheerder van provinciale infrastructuur, in het kader van de aanleg, de wijziging of het beheer van die infrastructuur of de regeling van het verkeer over die infrastructuur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-112\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11.2</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op: a. het behoeden van de staat van provinciale infrastructuur en bijbehorende werken, voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die provinciale infrastructuur, waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die provinciale infrastructuur behoort. b. het behouden en bevorderen van een veilige en doelmatige werking van provinciale infrastructuur en bijbehorende werken, waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die provinciale infrastructuur behoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Taken en bevoegdheden op grond van dit hoofdstuk kunnen ook worden uitgeoefend met het oog op de volgende belangen in het gebied waar de provinciale infrastructuur is gelegen: a. het beschermen van landschappelijke waarden; b. het beschermen van ecologische waarden en natuur; c. het beschermen van cultuurhistorische en archeologische waarden; d. het beschermen van recreatieve en toeristische belangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-113\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11.3</span><span class=\"lf-art-t\">Zorgplichtbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Diegene die een activiteit verricht die betrekking heeft op provinciale infrastructuur en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen bedoeld in Artikel 11.2 Oogmerken, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om de nadelige gevolgen te voorkomen, b. voor zover de nadelige gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze gevolgen zoveel mogelijk te beperken en/of ongedaan te maken, en c. als de nadelige gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. het veilig en doelmatig gebruik en de instandhouding van provinciale infrastructuur wordt verzekerd; b. werkzaamheden op een zodanige wijze worden uitgevoerd dat dat deze geen hinder voor het verkeer kunnen veroorzaken en/of schade aan de provinciale infrastructuur kunnen veroorzaken; c. houtgewas, bomen of takken van bomen zodanig worden geplaatst en/of onderhouden dat deze geen hinder voor het verkeer kunnen veroorzaken en/of schade aan de provinciale infrastructuur kunnen veroorzaken, en d. alle passende maatregelen worden genomen om ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen als bedoeld in lid 2 sub a, b en c te voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-114\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11.4</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagvereisten omgevingsvergunning activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit als bedoeld in dit hoofdstuk, wordt ondertekend en bevat ten minste de volgende gegevens en bescheiden: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van diegene die de activiteit verricht; c. het wegnummer dan wel de aanduiding van de vaarweg en de kilometrering van de locatie waar de activiteit plaatsvindt; d. de datum waarop de activiteit wordt gestart; e. de (geschatte) duur van de activiteit; f. de dagtekening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-115\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11.5</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekken omgevingsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Gedeputeerde Staten kunnen maatwerkvoorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Een omgevingsvergunning kan door Gedeputeerde Staten geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken indien: a. de omstandigheden zodanig zijn veranderd dat het gebruik maken van de omgevingsvergunning ontoelaatbaar nadelige gevolgen heeft voor het te beschermen belang, en door het wijzigen van voorschriften of beperkingen verbonden aan de omgevingsvergunning geen gelijkwaardige bescherming kan worden geboden; b. gedurende twee jaar geen handelingen zijn verricht of als de vergunninghouder kennelijk geen belang meer heeft bij de vergunning; c. de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften en/of beperkingen niet of niet behoorlijk worden nageleefd; d. gebleken is dat de omgevingsvergunning is verleend op basis van door de aanvrager verstrekte onjuiste gegevens; e. in de omgevingsvergunning is bepaald dat zij niet geldt voor de rechtsopvolgers van degene aan wie zij is verleend en de vergunninghouder niet meer degene is die de activiteit waarvoor omgevingsvergunning is verleend uitvoert; f. een voor Nederland verbindend verdrag of besluit van een volkenrechtelijke organisatie, dan wel een wettelijk voorschrift ter uitvoering daarvan, dat tot gevolg heeft.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  11.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Wegen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-116\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11.6</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De geometrische begrenzing van het beperkingengebied met betrekking tot een provinciale weg in beheer bij de provincie Drenthe is opgenomen in het geometrische informatieobject \"provinciale weg\".</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-117\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11.7</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit te verrichten, indien daardoor het veilig en doelmatig gebruik in het geding is, en het vrije zicht in het beperkingengebied van de provinciale weg zodanig wordt belemmerd, dat daardoor de verkeersveiligheid in het gedrang komt of kan komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Als beperkingengebiedactiviteit bedoeld in het eerste lid, voor zover daardoor het veilige en doelmatige gebruik in het geding is en het vrije zicht in het beperkingengebied van de provinciale weg zodanig wordt belemmerd, wordt in ieder geval aangemerkt: a. het maken, aanbrengen, hebben, wijzigen of verwijderen van zowel met de grond verankerde als niet met de grond verankerde werken zoals: kabels en leidingen, duikers, wallen, verhardingen, beplanting; b. het maken, hebben, wijzigen, verplaatsen, veranderen of het gebruik veranderen van met de grond verankerde werken zoals een uitweg; c. het aanbrengen, hebben, wijzigen of verwijderen van zowel met de grond verankerde als niet met de grond verankerde objecten zoals: borden, spandoeken en licht- of geluidgevende voorzieningen; d. het deponeren, hebben of laten liggen van voorwerpen of stoffen van welke aard ook, zoals beplanting, tuin-, blad-, bouw- en sloopafval, grondopslag, bouwmaterialen; e. het innemen van een standplaats ten behoeve van het aanbieden van diensten en/of goederen, zoals ijs- en snackverkoop en de verkoop van bloemen en/of land- of tuinbouwproducten; f. een verkooppunt voor het leveren van energie aan voertuigen of andere goederen in te richten en te hebben, of; g. het plaatsen en hebben van gedenktekens.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  11.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Vaarwegen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-118\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11.8</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De geometrische begrenzing van het beperkingengebied met betrekking tot een provinciale vaarweg in beheer bij de provincie Drenthe is opgenomen in het geometrische informatieobject \"provinciale vaarweg\".</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-119\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11.9</span><span class=\"lf-art-t\">Toedeling beheer vaarwegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 In lijst A, zoals is opgenomen in Bijlage 11, is aangegeven voor welke vaarwegen de provincie is belast met het vaarwegbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In lijst B, zoals is opgenomen in Bijlage 11, is aangegeven welk bestuursorgaan, niet zijnde een bestuursorgaan van het Rijk dan wel de provincie, is belast met het vaarwegbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De vaarwegbeheerder draagt zorg voor het onderhoud van de vaarweg met inachtneming van de minimaal benodigde vaarwegdiepten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1110\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11.10</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het is verboden vaste en/of vloeibare stoffen en/of voorwerpen in een vaarweg te brengen, dan wel vaste en/of vloeibare stoffen en/of voorwerpen op een zodanige wijze op oevers te plaatsen of te hebben, dat deze geheel of gedeeltelijk in een vaarweg kunnen geraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende beperkingengebiedactiviteiten te verrichten met betrekking tot een provinciale vaarweg: a. enig werk aan te brengen, te houden, te veranderen of te verwijderen boven, op, in, onder of binnen een afstand van 10 meter landinwaarts van de vaarweg horizontaal gemeten vanuit de oeverlijn, zoals in ieder geval: kabels en leidingen, beplanting, duikers, oeverconstructies, aanleg- en afmeervoorzieningen; b. veranderingen aan te brengen aan de vaarweg, zoals in ieder geval: verbredingen, verdiepingen; c. het plaatsen dan wel aanbrengen van objecten zoals: borden, spandoeken, vlaggen of licht- en geluidgevende voorzieningen; d. het plaatsen en hebben van gedenktekens.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  12</h3>\n<p class=\"lf-p\">Zwembaden en Zwemlocaties</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-121\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.1</span><span class=\"lf-art-t\">Gelegenheid bieden tot zwemmen of baden in een waterbassin</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Degene die gelegenheid biedt tot zwemmen of baden in een badwaterbassin doet, in afwijking van de artikelen 15.13, 15.31, 15.47 en 15.50 van het Besluit activiteiten leefomgeving, van het voornemen tot het starten van de activiteit tenminste 3 maanden voor aanvang van de activiteit melding aan gedeputeerde staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Degene die gelegenheid biedt tot zwemmen of baden in een waterbassin met een oppervlakte van ten hoogste 2 m2 en een waterdiepte van ten hoogste 0,50 m, hoeft niet te voldoen aan de Afdelingen 15.2 en 15.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Indien in het in het tweede lid genoemde geval sprake is van aerosolvorming, zoals bij een whirlpool of een jacuzzi, dan moet degene die gelegenheid biedt tot zwemmen of baden: a. evenredige maatregelen nemen om besmetting met legionella te voorkomen; b. ten minste éénmaal per 6 maanden het water van dat bassin laten onderzoeken door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025, op de parameter legionella volgens methode NEN-EN-ISO 11731; en c. de aerosolvorming direct uitschakelen en gedeputeerde staten onverwijld in kennis stellen, wanneer uit het in onderdeel b bedoelde onderzoek blijkt dat de concentratie leggionellabacteriën hoger is dan 100 kolonievormende eenheden per liter.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-122\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.2</span><span class=\"lf-art-t\">Zwemlocaties in oppervlaktewater</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De locatiehouder treft maatregelen, op grond van de resultaten van het jaarlijks onderzoek naar de veiligheid van de zwemlocatie, om de veiligheid te waarborgen of te verbeteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De locatiehouder neemt maatregelen om de waterkwaliteitsklasse van de locatie, zoals bedoeld in bijlage II van de Europese zwemwaterrichtlijn 2006/7/EG, ten minste \"aanvaardbaar\" te houden, en neemt evenredige maatregelen om de waterkwaliteitsklasse naar \"goed\" of \"uitstekend\" te krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De locatiehouder draagt er zorg voor dat maatregelen worden getroffen op basis van het zwemwaterprofiel die redelijkerwijs tot diens verantwoordelijkheid kunnen worden gerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De locatiehouder voert beheer en onderhoud uit gericht op de veiligheid en hygiëne van de bezoekers.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 De locatiehouder draagt er zorg voor dat maatregelen worden genomen, als er naar aanleiding van de monitoring uitgevoerd door de beheerder van het oppervlaktewater, zwemwaterverontreinigingen worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 De locatiehouder voert (dagelijks) onderzoek uit naar de omstandigheden in en om de zwemwaterlocatie die een negatief effect kunnen hebben op de veiligheid en hygiëne van de bezoekers.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 De locatiehouder draagt er door middel van afbakening van de zwemzone en het markeren van gevaren zorg voor dat bezoekers niet in aanraking komen met andere vormen van waterrecreatie of gevaarlijke situaties die de veiligheid van de bezoekers in gevaar kunnen brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 De locatiehouder accepteert, op aangeven van gedeputeerde staten, en met het oog op gevaren voor de veiligheid en hygiëne van de bezoekers, tekens (bebording) bij de zwemlocatie om bezoekers te informeren over de lokale situatie, een waarschuwing, negatief zwemadvies of zwemverbod.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  13</h3>\n<p class=\"lf-p\">Provinciale Monumenten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-131\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13.1</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel zorgplicht provinciaal monument</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan verbiedt om ter plaatse van het werkingsgebied ‘voorbeschermd provinciaal monument’: a. het daar aanwezige provinciale monument, zoals omschreven in de redengevende omschrijving, te slopen, vernielen, beschadigen, verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; of b. aan het daar aanwezige provinciale monument, zoals omschreven in de redengevende omschrijving, onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-132\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13.2</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel vergunningplicht provinciale monumenten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Een omgevingsplan verbiedt het om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning: a. een provinciaal monument te slopen, beschadigen, verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; b. een provinciaal monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken, op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht; c. werkzaamheden aan de fundering of riolering van een provinciaal monument te verrichten zonder voorafgaand archeologisch onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Geen omgevingsvergunning is nodig voor normaal onderhoud, voor zover materiaalsoort en kleur niet wijzigen en, indien tuin- of parkaanleg deel uitmaakt van de redengevende omschrijving, voor zover de aanleg niet wijzigt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-133\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13.3</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel aanwijzing vergunningvrije gevallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Een omgevingsplan kan bepalen dat het verbod, bedoeld in Artikel 13.2 Instructieregel vergunningplicht provinciale monumenten, niet geldt voor een activiteit met betrekking tot een monument, voor zover het gaat om: a. noodzakelijke reguliere werkzaamheden die zijn gericht op het behoud van de monumentale waarden, als detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur niet worden gewijzigd; of b. alleen inpandige wijzigingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft; of c. indien tuin- of parkaanleg deel uitmaakt van de redengevende omschrijving, voor zover de aanleg niet wijzigt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-134\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13.4</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel aanvraagvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 22.287, 22.290 tot en met 22.294 van de bruidsschat omgevingsplan (aanvraagvereisten) zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 13.2.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-135\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13.5</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel beoordeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het omgevingsplan bepaalt dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als de activiteit in overeenstemming is met het belang van de monumentenzorg. En rekening houdt met de redengevende omschrijving zoals opgenomen in de bijlage van de omgevingsverordening Drenthe 2023.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het omgevingsplan bepaalt dat bij de beslissing op de aanvraag rekening wordt gehouden met de volgende beginselen: a. het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten; b. het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend vereist is voor het behoud van die monumenten; c. het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden; en d. het conserveren en in stand houden van monumenten waarvan met name de archeologische waarden redengevend zijn, bij voorkeur in situ.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-136\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13.6</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel voorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het omgevingsplan worden aan een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 13.2 de voorschriften verbonden die nodig zijn voor de regel, bedoeld in artikel 13.5. Daarbij bevat het omgevingsplan in ieder geval de bepaling dat: a. als het gaat om een omgevingsvergunning die een gedeeltelijke of volledige verplaatsing inhoudt van een monument dat een bouwwerk is, in ieder geval voorschriften aan de omgevingsvergunning worden verbonden over het treffen van voorzorgsmaatregelen voor het demonteren, het overbrengen en de herbouw van dat bouwwerk op de nieuwe locatie; b. als het gaat om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een monument waarvan met name de archeologische waarden redengevend zijn, in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften aan de omgevingsvergunning kunnen worden verbonden die inhouden:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>een plicht tot:het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in situ kunnen worden behouden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; en 4. het verrichten van een opgraving of een archeologische begeleiding op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet; c. als het gaat om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op de fundering of riolering van een monument, wordt in ieder geval het voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden dat voorafgaand aan de werkzaamheden archeologisch onderzoek wordt verricht.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-137\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13.7</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel aanwijzing adviseurs</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het omgevingsplan bepaalt dat Gedeputeerde staten adviseur zijn voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 13.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het omgevingsplan bepaalt dat de commissie, bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet, adviseur is voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 13.2 en het college van burgemeester en wethouders voor die aanvraag bevoegd gezag is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het omgevingsplan bepaalt dat als het college van burgemeester en wethouders geen bevoegd gezag is voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid, maar adviseur, is de commissie ook adviseur en richt het advies van de commissie zich tot het college van burgemeester en wethouders in plaats van tot het bevoegd gezag.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  14</h3>\n<p class=\"lf-p\">Handhaving en Toezicht</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  14.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Toezicht</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-141\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14.1</span><span class=\"lf-art-t\">Toezicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Met het toezicht op de naleving van het bepaalde in Hoofdstuk 9, Hoofdstuk 10, Hoofdstuk 11 en Hoofdstuk 12 zijn belast de daartoe door gedeputeerde staten aangewezen personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Met de opsporing van overtredingen van het bepaalde in hoofdstukken 11 zijn belast de krachtens de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren en de door gedeputeerde staten aangewezen personen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  14.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Kwaliteitseisen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-142\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14.2</span><span class=\"lf-art-t\">Reikwijdte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening is van toepassing op de uitvoering en handhaving zoals bedoeld in artikel 18.18 van de Omgevingswet door of in opdracht van Gedeputeerde Staten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-143\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14.3</span><span class=\"lf-art-t\">Betrokkenheid van de provinciale staten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Provinciale Staten zien toe op de hoofdlijnen van het beleid voor de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het licht van de voor de provincie vastgestelde beleidskaders voor de fysieke leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-144\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14.4</span><span class=\"lf-art-t\">Kwaliteitsdoelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Gedeputeerde Staten beoordelen de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het licht van daarvoor door hen krachtens artikel 15.5, eerste lid, van het Omgevingsbesluit gestelde doelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De doelen, waar deze gestalte krijgen in de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten, bedoeld in artikel 2, hebben in ieder geval betrekking op: a. de dienstverlening; b. de uitvoeringskwaliteit van diensten en producten; c. de financiën.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-145\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14.5</span><span class=\"lf-art-t\">Kwaliteitsborging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het kwaliteitsniveau voor uitvoering en handhaving is minimaal gelijk aan de explainmodules 2 Op de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten door of in opdracht van Gedeputeerde Staten zijn de in het eerste lid bedoelde kwaliteitscriteria van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Over de naleving van de kwaliteitscriteria doen Gedeputeerde Staten jaarlijks mededeling aan provinciale staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voor zover de kwaliteitscriteria niet zijn of niet konden worden nageleefd, doen Gedeputeerde Staten daarvan gemotiveerd opgave.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  15</h3>\n<p class=\"lf-p\">Slotbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-151\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15.1</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking provinciale omgevingsverordening Drenthe</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De Provinciale Omgevingsverordening Drenthe, vastgesteld bij besluit van provinciale staten van 3 oktober 2018, wordt ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De Provinciale Monumentenverordening Drenthe 2016, vastgesteld bij besluit van provinciale staten van 28 september 2016, wordt ingetrokken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-152\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15.2</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-153\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15.3</span><span class=\"lf-art-t\">Citeertitel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening wordt aangehaald als: Omgevingsverordening Drenthe 2023.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage I Begripsbepalingen ammoniakemissie emissie van ammoniak, uitgedrukt in kg NH3 per jaar bedrijventerrein Cluster van aaneengesloten percelen met een minimumoppervlakte van ten minste 1 hectare bruto dat vanwege zijn bestemming bestemd en geschikt is voor handel, nijverheid, industrie en commerciële en niet-commerciële dienstverlening, met uitzondering van terreinen voor agrarische doeleinden en terreinen voor afvalstort; beeldkwaliteitsplan plan dat eisen en aanbevelingen bevat met betrekking tot inpassing van ruimtelijke ontwikkelingen in relatie tot de karakteristieken en kwaliteiten van een gebied en met betrekking tot stedenbouwkundige en architectonische vorm, massa en (wegen)structuur van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen, met het oogmerk de kwaliteit van die ruimtelijke ontwikkelingen te waarborgen alsmede de wijze waarop deze in hun omgeving worden ingepast en dat juridisch deel uitmaakt van het omgevingsplan waarop het betrekking heeft beplanting opgaande gewassen bestaande uit bomen of struiken, inclusief het wortelstelsel en worteldruk. Beplanting kan het beheer van de provinciale structuur beïnvloeden, bijvoorbeeld doordat wortels deze raken. Beplanting kan het beheer beïnvloeden doordat zichtlijnen worden beperkt boorput met daartoe geschikte werktuigen aangebrachte put, daaronder begrepen een in de grond gecontroleerd en mechanisch aangebrachte sondering bord opschrift, aankondiging, afbeelding, kleurvlak en/of een combinatie daarvan, of ander als bord te gebruiken materiaal, inclusief de bijbehorende vaste of verplaatsbare draag-, bevestigings- en/of steunconstructies boskern een aaneengesloten houtopstand met in totaal een oppervlakte van ten minste 5 hectare bos. Singels en houtwallen die aansluiten op een bos zijn geen onderbreking van de boskern. Een beplanting is aansluitend wanneer er geen onderbrekingen in zitten die groter zijn dan 8 meter van stam tot stam gemeten aan de binnenkant van beide stammen centrumgebied Concentratiegebied met 5 of meer winkels of andere voorzieningen op korte afstand van elkaar, zoals bijvoorbeeld een binnenstad of buurt- en wijkcentrum. gemeentelijke werklocatievisie een beleidsdocument van een gemeente waarin - op basis van een analyse tussen alle gemeenten in een bedrijvenregio afstemming plaatsvindt over minimaal de planningsbehoefte en fasering voor de regionale werklocatie(s) in de desbetreffende gemeente en die de basis vormt voor afspraken met de provincie over de betreffende onderwerpen gewasbeschermingsmiddelen</p>\n<p class=\"lf-p\">hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden grond- of funderingswerken een werk in de bodem, daaronder begrepen het plaatsen of verwijderen van palen, damwanden of folies grondgebonden agrarisch bedrijf agrarisch bedrijf waarvan de exploitatie geheel of grotendeels gebonden is aan aanwezige gronden, met uitzondering van varkens-, pluimvee- en geitenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen intensieve veehouderij agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en die gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, of geitenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van melkrundveehouderij, rundveemesterij waarbij de feitelijke bedrijfsvoering grondgebonden is, vleeskalverhouderij waarbij de feitelijke bedrijfsvoering grondgebonden is, en het biologisch houden van dieren conform de Landbouwkwaliteitswet; kwaliteitscriteria de in landelijke samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkelde en beschikbaar gestelde vigerende kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van organisaties die met de vergunningverlening, toezicht en handhaving van de betrokken wetten zijn belast landgoed een landschappelijk ontwikkeld gebied met één wooneenheid, eventueel in combinatie met ondergeschikte functies, die het voornamelijk door architectonische verbintenis met een landgoedontwerp allure en uitstraling verkrijgt landschappelijk inpassingsplan juridisch bindend plan dat aangeeft op welke wijze inpassing van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in het desbetreffende gebied plaatsvindt. Tot deze inpassing behoren situering van de opstallen en de inrichting van het perceel, waaronder de erfbeplanting ten opzichte van het landschap. Het gaat om bestaande en gewenste karakteristieken en kwaliteiten van het landschap. Een en ander uit zich in een ontwerpgerichte benadering waarin de karakteristieken en kwaliteiten verder worden versterkt Lokaal bedrijventerrein en bedrijventerrein dat:1. plaats biedt aan bedrijven met een lokale oriëntatie om reden van de sociale binding aan de kern en haar directe omgeving (veelal doordat de eigenaar daar in de buurt woonachtig is) vooral qua arbeidsmarkt en qua toelevering- en afnemersrelaties;2. bedrijven huisvest die kleinschalig zijn;3. plaats biedt aan bedrijfsbebouwing die qua kwaliteit, volume en kavelgrootte aansluiten bij de kwaliteit van de directe omgeving;4. geen ruimte biedt voor significant milieubelastende activiteiten (maximaal categorie 3.1 volgens VNG-uitgave 'Handreiking Bedrijven en Milieuzonering'), waarbij geldt dat op basis van duidelijke gemotiveerd uitzonderingsbeleid de vestiging van categorie-4-bedrijven eventueel ook mogelijk is;</p>\n<p class=\"lf-p\">maatschappelijk belang een belang dat educatief, sociaal-medisch, sociaaleconomisch, sociaal-cultureel, recreatief of levensbeschouwelijk van aard is, de duurzaamheid bevordert, dan wel gerelateerd is aan sport of aan openbare dienstverlening maximale emissiewaarde de hoogste ammoniakemissie per dierplaats, die volgens het Besluit activiteiten leefomgeving bij een diercategorie is toegestaan melkrundvee</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>melkvee met bijbehorend vrouwelijk jongvee, dat overwegend wordt gehouden voor de melkproductie, met inbegrip van dieren die in de mestperiode worden gemolken, tijdens de lactatie worden gemest dan wel zijn drooggezet en worden afgemest, en - vrouwelijk vleesvee ouder dan 2 jaar met bijbehorend vrouwelijk jongvee, dat op een met melkvee vergelijkbare manier wordt gehouden voor de vleesproductie en het voortbrengen en zogen van kalveren. melkrundveehouderij veehouderij die uitsluitend of in hoofdzaak gericht is op het bedrijfsmatig houden van melkrundvee neventak activiteiten die niet rechtstreeks tot de bedrijfsvoering van de agrarische hoofdactiviteit behoren en die op basis van de standaardopbrengst (SO) norm daaraan ondergeschikt zijn omgevingsplan omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet; ondergeschikte detailhandel detailhandel die in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht ondergeschikt is aan de op de ingevolge het omgevingsplan/bestemmingsplan toegestane hoofdfunctie (activiteit) en uitsluitend plaatsvindt als niet zelfstandig onderdeel van een onderneming in de vorm van verkoop c.q. levering van ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen, dan wel goederen die in rechtstreeks verband staan met de onderneming. openbare weg hetgeen in artikel 1, eerste lid, sub b, van de Wegenverkeerswet 1994 wordt verstaan onder het begrip ‘wegen’, met uitzondering van die wegen die krachtens de Wegenverkeerswet 1994 alleen openstaan voor voetgangers en fietsers plancapaciteit de directe vestigingsmogelijkheden voor detailhandel die zijn vastgelegd in een juridisch bindend planologisch kader, zoals vastgestelde Omgevingsplannen/bestemmingsplan, uitwerkingsplannen, gebieden zonder omgevingsplan (witte vlekken) en verleende omgevingsvergunningen. redengevende omschrijving De cultuurhistorische waardenstelling en -omschrijving op basis waarvan een provinciaal monument is aangewezen, zoals bekend gemaakt in het Provinciaal blad en opgenomen in de Provinciale monumentenlijst Drenthe, te raadplegen via www.provincialemonumentendrenthe.nl.</div>\n<p class=\"lf-p\">Regionaal bedrijventerrein een bedrijventerrein of locatie voor kantoren die plaats biedt aan bedrijven met een bovenlokale oriëntatie, zowel qua arbeidsmarkt als qua toelevering- en afnemersrelaties, en die is gelegen in een bedrijvenregio dan wel het VAM/MERA-terrein te Wijster betreft Regionale bedrijventerreinenvisie een regionaal beleidsdocument waarin - op basis van een gezamenlijke analyse - tussen alle gemeenten in een bedrijvenregio afstemming plaatsvindt over minimaal de planningsbehoefte en fasering voor de regionale bedrijventerreinen en die de basis vormt voor afspraken met de provincie over de betreffende onderwerpen regionale waterkering een waterkering, niet zijnde een primaire waterkering als bedoeld in de Waterwet, die beveiliging biedt tegen overstroming en die als zodanig is aangewezen in deze verordening ruimte-voor-ruimte regeling regeling ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in landelijk gebied door het verwijderen van landschapsontsierende bebouwing met een bedrijfsmatige of maatschappelijke functie, die geen functie meer heeft en waarvoor ter compensatie van de sloop een of meerdere woning(en) mag (mogen) worden gebouwd vakantiepark een terrein of een plaats van enige omvang, al dan niet geheel of gedeeltelijk met gemeenschappelijke voorzieningen ingericht en blijkens die inrichting en juridische bestemming bedoeld om meerdere recreatiewoningen of campings te plaatsen of geplaatst te houden vrijkomende agrarische bebouwing bebouwing op een bestaand agrarisch bouwperceel dat door (gedeeltelijke) beëindiging van het agrarische bedrijf vrij komt voor invulling met een niet-agrarische functie, dan wel gebouwen die als agrarisch gebouw zijn opgericht met een voormalige overeenkomstige bestemming en ook agrarisch in gebruik zijn geweest, maar inmiddels een niet-agrarische functie hebben waterleidingmaatschappij een bedrijf dat grond- of oppervlaktewater wint met het doel dit te gebruiken voor de bereiding van drinkwater voor de openbare drinkwatervoorziening weidevogel alle grondbroedende vogelsoorten op percelen die in agrarisch gebruik zijn windturbine door wind aangedreven molen die wordt gebruikt voor de productie van elektriciteit Bijlage II Overzicht Informatieobjecten aardkundige waarden beschermingsniveau hoog /join/id/regdata/pv22/2024/30gio297/nld@2024-02-13;69 aardkundige waarden beschermingsniveau middel /join/id/regdata/pv22/2024/30gio295/nld@2024-02-13;69 akkerbouw /join/id/regdata/pv22/2024/30gio309/nld@2024-02-13;69 assen /join/id/regdata/pv22/2024/30gio299/nld@2024-02-13;69</p>\n<p class=\"lf-p\">bebouwd gebied /join/id/regdata/pv22/2024/30gio313/nld@2024-02-13;69 beekdal /join/id/regdata/pv22/2024/30gio208/nld@2024-02-13;69 bergingsgebied /join/id/regdata/pv22/2024/30gio211/nld@2024-02-13;69 bestaand stedelijk gebied /join/id/regdata/pv22/2024/30gio206/nld@2024-02-13;69 coevorden beekdal en ontginningen /join/id/regdata/pv22/2024/30gio199/nld@2024-02-13;69 coevorden beekdalen en ontginningen /join/id/regdata/pv22/2024/30gio205/nld@2024-02-13;69 de monden /join/id/regdata/pv22/2024/30gio198/nld@2024-02-13;69 de reest /join/id/regdata/pv22/2024/30gio301/nld@2024-02-13;69 drentsche aa /join/id/regdata/pv22/2024/30gio201/nld@2024-02-13;69 drentse hoofdvaart /join/id/regdata/pv22/2024/30gio209/nld@2024-02-13;69 emmen, venen en randveenontginningen /join/id/regdata/pv22/2024/30gio202/nld@2024-02-13;69 esdorpenlandschap /join/id/regdata/pv22/2024/30gio283/nld@2024-02-13;69 esdorpenlandschap rond mars en westerstroom /join/id/regdata/pv22/2024/30gio213/nld@2024-02-13;69 esdorpenlandschap vledder en wapserveense aa /join/id/regdata/pv22/2024/30gio212/nld@2024-02-13;69 esgehuchtenlandschap /join/id/regdata/pv22/2024/30gio197/nld@2024-02-13;69 glastuinbouw /join/id/regdata/pv22/2024/30gio217/nld@2024-02-13;69 glastuinbouwgebieden /join/id/regdata/pv22/2024/30gio311/nld@2024-02-13;69 grasland /join/id/regdata/pv22/2024/30gio224/nld@2024-02-13;69 grondgebonden agrarische bedrijvigheid /join/id/regdata/pv22/2024/30gio279/nld@2024-02-13;69 grondwaterbeschermingsgebied /join/id/regdata/pv22/2024/30gio228/nld@2024-02-13;69 grondwaterbeschermingsgebied drentsche aa - spuitvrije zone /join/id/regdata/pv22/2024/30gio223/nld@2024-02-13;69 grondwaterbeschermingsgebied drentsche aa vaarweg /join/id/regdata/pv22/2024/30gio216/nld@2024-02-13;69 harde grens stad en land /join/id/regdata/pv22/2024/30gio222/nld@2024-02-13;69 havelterberg /join/id/regdata/pv22/2024/30gio215/nld@2024-02-13;69 het amsterdamscheveld /join/id/regdata/pv22/2024/30gio271/nld@2024-02-13;69 het esdorpenlandschap rond norg /join/id/regdata/pv22/2024/30gio220/nld@2024-02-13;69 historische infrastructuur /join/id/regdata/pv22/2024/30gio218/nld@2024-02-13;69 hollandscheveld en hoogeveen /join/id/regdata/pv22/2024/30gio281/nld@2024-02-13;69 hondsrug /join/id/regdata/pv22/2024/30gio270/nld@2024-02-13;69 hunzedal en randveen /join/id/regdata/pv22/2024/30gio214/nld@2024-02-13;69 kop van drenthe /join/id/regdata/pv22/2024/30gio263/nld@2024-02-13;69 landbouwgebied /join/id/regdata/pv22/2024/30gio285/nld@2024-02-13;69 landelijk gebied /join/id/regdata/pv22/2024/30gio261/nld@2024-02-13;69</p>\n<p class=\"lf-p\">landgoed overcingel /join/id/regdata/pv22/2024/30gio255/nld@2024-02-13;69 landschap van de kolonien van weldadigheid /join/id/regdata/pv22/2024/30gio254/nld@2024-02-13;69 landschap van de veenkoloniën /join/id/regdata/pv22/2024/30gio289/nld@2024-02-13;69 maatschappij van weldadigheid /join/id/regdata/pv22/2024/30gio303/nld@2024-02-13;69 macrogradiënt /join/id/regdata/pv22/2024/30gio264/nld@2024-02-13;69 meppel en het laagveen rondom /join/id/regdata/pv22/2024/30gio257/nld@2024-02-13;69 nationaal park drentsche aa /join/id/regdata/pv22/2024/30gio267/nld@2024-02-13;69 natuur en open water /join/id/regdata/pv22/2024/30gio315/nld@2024-02-13;69 natuurnetwerk nederland /join/id/regdata/pv22/2024/gio34d92f31-caaa-4d8c-820c-399230e770a8/nld@2024-10-22;324 omgevingswaarde - provinciale weg /join/id/regdata/pv22/2024/30gio245/nld@2024-02-13;69 oranje gebied /join/id/regdata/pv22/2024/30gio319/nld@2024-02-13;69 provinciale vaarweg /join/id/regdata/pv22/2024/30gio243/nld@2024-02-13;69 provinciale weg /join/id/regdata/pv22/2024/30gio247/nld@2024-02-13;69 regionale kering norm 1:100 /join/id/regdata/pv22/2024/30gio268/nld@2024-02-13;69 regionale kering norm 1:200 /join/id/regdata/pv22/2024/30gio269/nld@2024-02-13;69 stiltegebied /join/id/regdata/pv22/2024/30gio250/nld@2024-02-13;69 unesco werelderfgoed koloniën van weldadigheid /join/id/regdata/pv22/2024/30gio262/nld@2024-02-13;69 velden en beekdalen van centraal drenthe /join/id/regdata/pv22/2024/30gio305/nld@2024-02-13;69 verbodszone diepe boring annen breevenen en kruidhaars /join/id/regdata/pv22/2024/30gio248/nld@2024-02-13;69 verbodszone diepe boring assen /join/id/regdata/pv22/2024/30gio252/nld@2024-02-13;69 verbodszone diepe boring hoogeveen holtien en zuidwolde /join/id/regdata/pv22/2024/30gio251/nld@2024-02-13;69 verbodszone diepe boring nietap /join/id/regdata/pv22/2024/30gio242/nld@2024-02-13;69 voor verzuring gevoelig gebied /join/id/regdata/pv22/2024/30gio241/nld@2024-02-13;69 waarde-archeologie 1 /join/id/regdata/pv22/2024/30gio233/nld@2024-02-13;69 waarde-archeologie 2 /join/id/regdata/pv22/2024/30gio238/nld@2024-02-13;69 waarde-archeologie 3 /join/id/regdata/pv22/2024/30gio321/nld@2024-02-13;69 waterwingebied /join/id/regdata/pv22/2024/30gio236/nld@2024-02-13;69 weerdingervenen en roswinkel /join/id/regdata/pv22/2024/30gio234/nld@2024-02-13;69 wegdorpenlandschap van de laagveenontginning /join/id/regdata/pv22/2024/30gio291/nld@2024-02-13;69 wegdorpenlandschap van de veenrandontginning /join/id/regdata/pv22/2024/30gio235/nld@2024-02-13;69 wegpanorama /join/id/regdata/pv22/2024/30gio293/nld@2024-02-13;69</p>\n<p class=\"lf-p\">zonering radioastronomie zone i /join/id/regdata/pv22/2024/30gio240/nld@2024-02-13;69 zonering radioastronomie zone ii /join/id/regdata/pv22/2024/30gio231/nld@2024-02-13;69 Bijlage 1 Kernkwaliteiten Landschap Kernkwaliteiten Landschap Esdorpenlandschap Kenmerken van het landschapstype Het Drents plateau bestaat voornamelijk uit esdorpenlandschap. Dit landschapstype bevat enkele telkens terugkerende onderdelen, namelijk het dorp, de es, het beekdal en de velden/bossen/heide.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het esdorpenlandschap is een agrarisch cultuurlandschap ten voeten uit. Elk onderdeel van het landschap komt voort uit het agrarisch gebruik en is gerelateerd aan het functioneren van de lokale agrarische dorpsgemeenschap, met de boermarken als het oorspronkelijke gezag. De esdorpen vormen vanouds de ontginningsbasis van het landschap. Ze liggen veelal op landschappelijke overgangen van nat (beekdal) naar droog (es/heide/bos).</p>\n<p class=\"lf-p\">Rond de dorpen liggen de landschapsonderdelen die vanouds in het landbouwsysteem elk hun eigen functie hadden. Direct aan de rand van het dorp lagen de 'goorns': kleinschalige, verkavelde gebieden met hagen en singels, waar onder andere groenten voor menselijke consumptie werden verbouwd. Op de hoger gelegen gronden ontwikkelden zich door de eeuwen heen de essen, omzoomd door bosjes, strubben of soms een ringwal. In het lager gelegen beekdal lagen de graslanden, tot aan het begin van de vorige eeuw onverdeeld, de zogenaamde madelanden. Later zijn de beekdalen sterk verkaveld en hebben ze door de aanleg van houtwallen een kleinschalig, besloten karakter gekregen. Buiten de gecultiveerde wereld lag de grote 'woestenij': het veld, de heide.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is een vaak enorm grote ruimte die gebruikt werd om de schapen te weiden. Door ontginning en bebossing (tot ver in onze eeuw) zijn de meeste van deze heidevelden verdwenen.Kenmerken van de nederzettingHet landelijke gebied dringt tot diep in de dorpstructuur door. De brink vormt nu vaak het centrum van het dorp. De brinken waren (zijn) beplant met opgaande bomen, veelal eiken. Rond de brink werden de boerderijen gegroepeerd. Brinken lagen van oorsprong aan de rand van het dorp. De open ruimten worden gevormd door één of meer brinken, erven, kleine akkers en weilanden tussen de bebouwing. Van oudsher is er een functionele samenhang tussen deze ruimten en de bebouwing. Het wegenpatroon is een vervlechting van bochtige wegen, bestaande uit één of enkele doorgaande wegen en enkele minder belangrijke wegen die daarop aansluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nu nog zichtbare klinkerbestrating is hiervoor kenmerkend. Waar het nog gaaf is, maakt het dorpssilhouet de indruk van een hoogstaand bos met daartussen en aan de randen lage dorpsbebouwing. De bebouwing is landelijk van karakter en bestaat vooral uit typische boerderijen die schijnbaar willekeurig geplaatst zijn. Soms steekt een kerktoren of molen boven het silhouet uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kernkwaliteit Als kernkwaliteit worden in ieder geval aangemerkt: de essen: deze voor het esdorpenlandschap kenmerkende open ruimtes zijn veelal omgeven met esrandbeplanting. de beekdalen: onbebouwd gebied met kleinschalige beplantingstructuren en beekdal(rand)beplanting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het provinciaal beleid is gericht op: behoud van de open ruimte en het versterken van esrandbeplanting; behoud van het onbebouwde karakter en het versterken van karakteristieke beekdal(rand)beplanting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Esgehuchtenlandschap Kenmerken van het landschapstype Het Reestdal en omgeving is alom erkend als een bijzonder gaaf deel van het esgehuchten- of hoevenlandschap op de grens van Drenthe en Overijssel. Het kleinschalige gebied langs de Reest wordt gekenmerkt door een aantal kleine nederzettingen (gehuchten), ontstaan op de flanken van het beekdal. Op zandruggen en koppen liggen hier de boerderijen bij kleine (eenmans)essen. Op een aantal plaatsen gaat het beekdal via hei en bos prachtig over in het veld; zeer fraaie en waardevolle plekken. Vooral het westelijk deel van het gebied heeft door de aanwezige havezaten en voorname boerderijen met de daarbij behorende bossen en lanen een uitstraling van allure.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kenmerken van de nederzetting Het esgehuchtenlandschap heeft veel overeenkomsten met het esdorpenlandschap. Het esgehuchtenlandschap is echter kleinschaliger en meer uitgesproken qua hoogteverschillen en steilranden. Het 'dorp' bestaat uit één of enkele verspreid liggen de boerderijen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kernkwaliteit Als kernkwaliteit worden in ieder geval aangemerkt: de eenmansessen: kleine, kenmerkende open ruimten, omgeven met esrandbeplanting; de beekdalen: onbebouwd gebied met haaks liggende, kleinschalige beplantingstructuren en/of beekdal(rand)beplanting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het provinciaal beleid is gericht op: behoud van de open ruimte en het versterken van esrandbeplanting; behoud van het onbebouwde karakter en het versterken van karakteristieke beekdal(rand)beplanting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wegdorpen van de laagveenontginning Kenmerken van het landschapstype Het wegdorpenlandschap van de laagveenontgining, ook wel het 'slagenlandschap', ligt op de laagst gelegen plekken in de provincie Drenthe, waar in de benedenlopen van de beekdalen veen is ontstaan. Kenmerkend zijn de ontginningsassen, de langgerekte lintdorpen (waarvan het karakter en de sfeer grotendeels bepaald worden door bebouwing enwegbeplanting) en de grote, open weidegebieden (met de smalle, langgerekte verkaveling en het slotenpatroon haaks op de ontginningsas). Sommige delen hebben door de kavelgrensbeplanting een min of meer besloten karakter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kenmerken van de nederzetting Het omringende landelijke gebied dringt door in het wegdorp, dat ook wel streekdorp wordt genoemd. Vanaf de hoofdweg is tussen de bebouwing door het landelijk gebied steeds waarneembaar. Het silhouet van het dorp is een langgerekte strook, waarvan de massa wordt gevormd door een aaneenschakeling van forse boerderijen met erfbeplantingen en de dominerende beplanting langs de weg. De beplanting bestaat uit opgaande bomen in een overigens vrij open landschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kernkwaliteit Als kernkwaliteit worden in ieder geval aangemerkt het open weidegebied en de smalle verkaveling met het fijnmazige slotenpatroon. Het provinciaal beleid is gericht op het behouden en versterken van het open karakter en de smalle verkavelingsstructuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wegdorpen van de randveenontginning Kenmerken van het landschapstype De randveenontginningen vormen binnen Drenthe een bijzonder landschapstype. Ze liggen langs de randen van de Veenkoloniën en zijn ontstaan door het ontginnen van de randen van het toenmalige immense hoogveenpakket. Het kleinschalige, meer onregelmatige beeld van dit landschapstype wordt bepaald door de dorpen: langgerekte bebouwingslinten met dwars daarop een smalle, onregelmatig opstrekkende verkaveling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kenmerken van de nederzetting Het omringende landelijke gebied dringt door in het wegdorp. Vanaf de hoofdweg is tussen de bebouwing door het landelijke gebied waarneembaar. Het dorpssilhouet is een langgerekte, smalle, slingerende strook, waarvan de massa wordt gevormd door een onregelmatige aaneenschakeling van forse boerderijen, kleinere boerderijen en woningen met erfbeplantingen. Dominerend is de beplanting van opgaande bomen langs de weg, in een overigens open landschap. Typisch is de ligging op de lichtglooiende rand van een hoogveenontginning en veelal een stroomdal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kernkwaliteit Als kernkwaliteit worden in ieder geval aangemerkt de typische langgerekte en slingerende ontsluitingsstructuur. Veelal is deze aan weerszijden beplant. Het is de hierop dwarsliggende, onregelmatige verkavelingsstructuur die de maat en schaal van de omliggende openheid bepaalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het provinciaal beleid is gericht op het behouden en versterken van de kavelstructuur met de omringende kenmerkende open ruimtes en de ontsluitingsstructuur. Dit gebeurt mede door het behouden van de wegbeplanting langs de hoofdontsluiting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landschap van de Veenkoloniën Kenmerken van het landschap Het meest voorkomende landschapstype in de provincie is het hoogveenontginningslandschap. Dit landschapstype beslaat in totaal ongeveer een kwart van het gehele grondgebied van de provincie. Tot dit landschapstype behoren behalve de Drents-Groningse Veenkoloniën ook het Odoornerveen, Hoogeveen-Hollandscheveld, Smilde en enkele kleinere gebieden bij Dalen en Roden. De meeste veenontginningen in Drenthe zijn onderling verbonden doorkanalenstelsels. Kenmerkend voor deze hoogveengebieden is de strakke orthogonale verkaveling, de bebouwingslinten langs kanalen en monden en de grote, weidse ruimtes met wijken. Elke ontginning heeft bovendien zijn eigen specifieke kenmerken, waaraan de tijd en de manier van ontginning is af te lezen. Zo heeft het gebied rond Hollandscheveld een kleinschalig, besloten karakter met veel verspreid voorkomende bebouwing en bosstroken. In Smilde vormt de Drentse Hoofdvaart de ruggengraat van de ontginning en zijn de Oude Veenkoloniën kleinschaliger dan de Veenkoloniën in de omgeving van Emmen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kenmerken van de nederzetting Afhankelijk van het type dorp (enkellint of dubbellint) en de dichtheid van de bebouwing dringt het landelijk gebied diep of minder diep door in het dorp. Vanaf de hoofdontsluiting is het landelijk gebied in veel gevallen waarneembaar. Kenmerkend is de regelmaat. Het dorpssilhouet is een langgerekte strook waarvan de massa wordt gevormd door een aaneenschakeling van grote boerderijen en woningen met erfbeplantingen. Dominerend is de langgerekte beplanting van opgaande bomen langs de wegen, in een open vlak landschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kernkwaliteit Als kernkwaliteit worden in ieder geval aangemerkt de orthogonale samenhang tussen het systematische ontginningspatroon van grootschalige openheid met kenmerkende wijkenstructuur en de bebouwingslinten met daaruit opgaande percelen. Het provinciaal beleid is gericht op het behouden en versterken van de samenhang en de openheid met de wijken en de rechtlijnige landschapsstructuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landschap van de koloniën van weldadigheid Kenmerken van het landschap De Koloniën van Weldadigheid zijn uniek voor Nederland en verdienen bijzondere aandacht. Hoewel elk van de gebieden zijn eigen karakter en sfeer heeft, hebben de koloniën ook een aantal gemeenschappelijke kenmerken. De hoofdstructuur wordt bepaald door orthogonale ('haakse') lijnen. De (hoofd)ontsluitingswegen worden begeleid door beplanting (lanen) en soms door kanalen of waterlossingen. Langs deze wegen bevindt zich karakteristieke bebouwing, in een ijle of dichtere concentratie. De orthogonale structuur resulteert in karakteristieke boscomplexen en open ruimten met bijbehorend een grootschalige of kleinschalige (veelal blokachtige) verkaveling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kenmerken van de nederzetting Het landelijke gebied dringt door in de nederzetting. Vanaf de hoofdontsluitingen is het landelijk gebied waarneembaar. Het karakter is blokvormig en regelmatig. Vanwege het parkachtige karakter is er geen sprake van een uitgesproken dorpssilhouet. De dorpsstructuur kenmerkt zich door het wegen- en kanalenpatroon. De oorspronkelijke bebouwing is uniek en typisch. Ze staat in één rooilijn en is afgestemd op de functie. Dominerend is de langgerekte met laanbeplanting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kernkwaliteit Als kernkwaliteit worden in ieder geval aangemerkt: de rechtlijnige, structuurbepalende (hoofd)ontsluitingswegen, met daarlangs laanbeplanting; het orthogonale ingenieurslandschap met een blokachtige verkavelingsstructuur waarin bos en open ruimten elkaar afwisselen; de structuur van lintbebouwing en de hiërarchie in de architectuur van de aanliggende bebouwing (veelal haaks op de ontginningsas), met een regelmatige onderlinge afstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het provinciaal beleid is gericht op het behouden en versterken van: de laanbeplanting langs de hoofdontsluiting; de ontginningsstructuur en de afwisseling tussen massa en ruimte; de kenmerkende bebouwingslinten en de onderlinge afstanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Macrogradiënt De geologische ontwikkeling van Drenthe en het menselijk ingrijpen heeft geleid tot reliëfrijke overgangen in het landschap. Deze overgangen versterken de contrasten tussen landschapstypen, we noemen deze overgangen de Macrogradiënt. De macrogradiënt wordt aangemerkt als kernkwaliteit landschap. Ook voor de cultuurhistorie is deze macrogradiënt belangrijk. Prehistorische jagers en historische boeren kozen voor de aanleg van hun jachtkamp of boerennederzetting bij voorkeur een plek uit waar binnen korte afstand meerdere landschappen voorkwamen. Het behouden en versterken van de karakteristieke macrogradiënten (steile overgang van het Drents Plateau en de keileemruggen en stuwwallen naar de lager gelegen gebied, de zogenaamde macrogradiënt) van het Drents Plateau in relatie tot de aangrenzende en lager liggende veengebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wegpanorama Wij hechten waarde aan een zorgvuldige presentatie van Drenthe aan de hoofdinfrastructuur en willen we de karakteristieken van de landschapstypen en het contrast tussen stad en land, gezien vanaf de infrastructuur, zichtbaar houden. Het gaat ons daarbij nadrukkelijk niet om gefixeerde fotomomenten die luttele seconden een blik op het landschap werpen. De essentie van de kernkwaliteit zit in het beleefbaar houden van de afwisseling tussen bebouwd en onbebouwd gebied. Voor de eenduidigheid maken wij geen onderscheid tussen snelweg- en wegpanorama's en hanteren wij enkel het begrip wegpanorama. Deze komen voor langs de doorgaande Rijks- en provinciale wegen. Hieronder vallen de A28, de N33, de N34, de N48, de N381 en de N391.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stads- en dorpsranden Steden en dorpen ontwikkelen zich en groeien. Zo zijn in de loop der tijd nieuwe dorps- en stadsranden ontstaan. Tot voor kort stond 'ontwikkelen' gelijk aan groeien. Omdat het anno nu niet meer vanzelfsprekend is dat dorpen en steden alleen maar groeien, ontstaat een nieuwe context. Stads- en dorpsranden zijn het visitekaartje van de stad, het dorp en het landschap. Het zijn gradiënten (geleidelijke overgangen) in het landschap, die toeristische aantrekkelijke verbindingen tussen onze steden/dorpen en ons landschap vormen. Illustratief zijn de Drentsche Aa (Assen), het Oude Diep (Hoogeveen) en de Reest (Meppel). Deze stadsranden worden begrensd door de landschappelijke waarde die ze vertegenwoordigen en worden om die reden gekoesterd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maar er zijn ook stads- en dorpsranden waar de relatie met het omringende landschap is vervaagd of verdwenen. Hier bestaat het risico dat er zich ontwikkelingen voordoen die afbreuk doen aan de ruimtelijke kwaliteit, waardoor het gebied als 'verrommeld' wordt beleefd. De huidige situatie vraagt om het denken in ruimtelijk-economische oplossingen. Leegstand, verpaupering, versnippering en onaantrekkelijke entrees willen we voorkomen door gezamenlijk met gemeenten deze opgaven integraal te benaderen. Atelier mooi Drenthe heeft het concept 'duurzaam DNA Drenthe' ontwikkeld, dat uitgaat van de cultuurhistorische en landschappelijke karakteristiek van de plek. Dit gedachtegoed inspireert ons om met gemeenten gezamenlijk invulling te geven aan stads- en dorpseigen overgangen tussen stad en platteland.</p>\n<p class=\"lf-p\">We willen daarbij zowel van binnen naar buiten kijken (van stad naar land), als van buiten naar binnen (van land naar stad).Hierbij kunnen de volgende onderwerpen aan de orde komen: het versterken van de ruimtelijke kwaliteit (hoe takt de stad of het dorp aan op het buitengebied); het stimuleren van de mogelijkheden van recreatieve uitloop en medegebruik, in aansluiting op de routestructuren in de omgeving; het realiseren van een natuurlijke verbinding tussen stad en omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Harde grens stad en land De Drentsche Aa (Assen), het Oude Diep (Hoogeveen) en de Reest (Meppel) zijn iconisch voor de ruimtelijke kwaliteit van Drenthe. Deze waarden willen we behouden en versterken. Uitbreiding van de aangrenzende steden achten wij hier onwenselijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 2 Kernkwaliteiten Cultuurhistorie Kernkwaliteiten Cultuurhistorie In deze bijlage zijn de cultuurhistorische kenmerken en structuren beschreven die vanuit beleid (Omgevingsvisie en Cultuurhistorisch Kompas Drenthe) en de Provinciale Omgevingsverordening (POV) van provinciaal belang zijn. De 10 deelgebieden zoals die in de Omgevingsvisie en Cultuurhistorisch Kompas Drenthe zijn beschreven, vormen de basis. Verder zijn er daarbinnen twee beschermingscategorieën mogelijk (zie artikel 3.2). Vandaar dat binnen de 10 gebieden vaak nog een onderverdeling is gemaakt. Daarnaast is voor de historische infrastructuur een gebied opgenomen: deze infrastructuur loopt immers ook buiten de grenzen van de deelgebieden door. Bij elk gebied wordt de beschermingscategorie met een trefwoord aangegeven: hetzij \"betrekken bij\", hetzij \"rekening houden met\" (zie artikel 3.2) Alle beschrijvingen zijn overgenomen uit de Omgevingsvisie/Cultuurhistorisch Kompas Drenthe.</p>\n<p class=\"lf-p\">Legenda (zie GIS-kaart):</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied Deelgebieden Sturingsniveau 0. Historische Infrastructuur Betrekken bij Kop van Drenthe - rijk landschap, rijke dorpen 1A Kop van Drenthe Rekening houden met 1B Het esdorpenlandschap rond Norg Betrekken bij 2. Drentsche Aa -bakens in het beekdal 2A Drentsche Aa Rekening houden met 2B Assen Betrekken bij 3. Hondsrug en Hunzedal - doorgaande wegen door de tijd 3A Hondsrug Rekening houden met 3B Hunzedal en randveen Betrekken bij 4. De Drentse Monden - de economie van de rechte lijn 4A De Monden Rekening houden met 4B Weerdingervenen en Roswinkel Betrekken bij 5. Drentsche Hoofdvaart - vormend land (de mens vormt het land, het land vormt de mens) 5A Maatschappij van Weldadigheid Rekening houden met 5B Drentsche Hoofdvaart Betrekken bij 5C Havelterberg Betrekken bij 5D Esdorpenlandschap Vledder- en Wapserveense Aa Betrekken bij 6. De velden in centraal Drenthe - van nut maken van de stille heide 6A Velden en beekdalen van Centraal Drenthe Betrekken bij 7. Mars en Westerstroom - het keurslijf van de beken 7A Esdorpenlandschap rond Mars- en Westerstroom Betrekken bij 7B Coevorden, beekdal en ontginningen Betrekken bij 8. De Reest en Meppel - alle(s) voer(t) naar Meppel 8A De Reest Betrekken bij 8B Meppel en het laagveen rondom Betrekken bij 9. Het hollandscheveld en Hoogeveen - kruising van richtingen 9AHollandscheveld en Hoogeveen Betrekken bij 10. Emmen en haar venen 10A Het Amsterdamscheveld Betrekken bij 10B Emmen, venen en randveeontginningen Betrekken bij Gebied 0. Historische Infrastructuur - Betrekken bij Dit zijn alle historische beken, waterwegen, kanalen, wijken en wegen die onderdeel uitmaken van het provinciaal belang Cultuurhistorie, maar buiten de deelgebieden vallen. Voor deze gebieden geldt de bescherming 'Betrekken bij'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied 1. Kop van Drenthe - rijk landschap, rijke dorpen Dit gebied wordt gekenmerkt door een centraal deel met een van oorsprong middeleeuws esdorpensysteem en randveenontginningen, gekoppeld aan een hoefijzervormig beekdalstelsel dat via het Peizerdiep afwatert naar het noorden. De oostelijke rand met een reeks van landgoederen die zich in het bijzonder vanaf de 18de eeuw hebben ontwikkeld, is sterk georiënteerd op de stad Groningen. Het beekdal van het Groote en Oostervoortsche Diep is open, breed en scherp begrensd; door zijn hoefijzervorm waarlangs de esdorpen liggen, vormt dit deel een sterke eenheid. De noordelijke benedenloop (het Peizerdiep) wordt geflankeerd door de ontginningslinten van het laaggelegen randveen, die als het ware overlopen in een reeks van veenterpen, en die dezelfde ontstaansperiode hebben. Oostelijk ligt een gordel van landgoederen rond Eelde en Paterswolde, met een karakteristieke afwisseling in open landbouwgronden en besloten park- en bosaanleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deelgebied 1.A: Kop van Drenthe. Rekening houden met.</p>\n<p class=\"lf-p\">Karakteristieken/Omgevingsbeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Licht slingerende linten van de randveenontginningen in een coulissenlandschap met fijnmazige percelering en houtwallen; Roderwolde is daarbij samen met Sandebuur een voorbeeld van een verschoven lint;</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan weerszijden van het Peizerdiep een reeks van veenterpen, deels zichtbaar als lichte verhogingen in het laaggelegen open landschap;</p>\n<p class=\"lf-p\">Landgoederen bij Eelde en Paterswolde:</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijwel aaneengesloten gebied met afwisseling in open landbouwgronden en besloten delen met bos- en parkaanleg;</p>\n<p class=\"lf-p\">Centrale ligging van de hoofdhuizen binnen de parkaanleg en sterke relatie tussen huis en omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambitie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtinggevend voor dit deelgebied is het herkenbaar houden van een oud cultuurlandschap. Dit deelgebied kent onder invloed van de stad Groningen bovendien eigen ontwikkelingen. Daarom willen wij sturen op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het veiligstellen van de karakteristiek van de randveenontginningen, door het behouden van licht slingerende wegdorpen en verder versterken van de houtwalpatronen en de opstrekkende verkaveling in het buitengebied;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beleefbaar houden van het verschoven lint van Sandebuur - Roderwolde en het lint van Peizerwold en de daaraan gekoppelde reeks van veenterpen als bewoningsflanken van het beekdal van het Peizerdiep;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het blijvend zichtbaar onderscheiden van de reeks van landgoederen rond Eelde en Paterswolde. Deze reeks wordt gekenmerkt door een karakteristieke tuin- en parkaanleg, ingebed in landschappelijke structuren, met een variatie in maat en schaal en een doorlopende afwisseling van open en besloten ruimtes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deelgebied 1.B: het esdorpenlandschap rond Norg. Betrekken bij Karakteristieken/omgevingsbeeld Breed hoefijzervormig beekdal, met een open karakter, dat benadrukt en scherp begrensd wordt door een rand van opgaande beplanting;</p>\n<p class=\"lf-p\">Esdorpen met daarbinnen de karakteristieke afwisseling van open en gesloten ruimtes, verspreide bebouwing en doorzichten naar essen en beekdal;</p>\n<p class=\"lf-p\">Diverse boscomplexen, onder andere stuifzandbossen bij Norg, een sterrenbos bij Huize Mensinge en het Norgerholt als oorspronkelijk middeleeuws gebruiksbos.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambitie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtinggevend voor dit deelgebied is het herkenbaar houden van een oud cultuurlandschap. Daarom willen wij sturen op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in stand houden van de karakteristiek van het esdorpenlandschap. Deze karakteristiek uit zich in een zichtbare ruimtelijke samenhang tussen esdorp, es, beekdal en veld, met bijbehorend microreliëf en beplantingselementen als houtwallen, esrandbosjes en middeleeuwse gebruiksbossen. Bovendien kent het esdorpenlandschap een grote tijdsdiepte, wat blijkt uit zichtbare en onzichtbare (pre)historische bewoningssporen als nederzettingen, grafmonumenten en celtic fields. Dit wordt in het bijzonder op het Noordscheveld weerspiegeld;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vasthouden en zorgvuldig doorzetten van de ruimtelijke opzet van de esdorpen. Deze opzet wordt getypeerd door een vrije ordening van bebouwing en boerderijen, afwisseling tussen bebouwde plekken en open ruimtes (in het bijzonder de brinken) en doorzichten naar het omliggende buitengebied;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het behouden van de openheid van de brede beekdalen als contrast met hun scherpe begrenzingen in de vorm van houtwallen en bossen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied 2. Drentsche Aa - bakens in het beekdal De gave beekdalen van de Drentsche Aa zijn de drager van het kleinschalige esdorpenlandschap met de karakteristieke essen, dorpen en beplantingen. Het is een informeel gegroeid, samenhangend landschap dat zijn huidige karakter al min of meer in de middeleeuwen heeft gekregen, maar met een ontwikkelingsgeschiedenis die teruggaat tot in de prehistorie. Dit uit zich in een grote verzameling van hunebedden, grafheuvels, celtic fields, karrensporen, kerktorens, boerderijen en houtwallen. Assen heeft zich ontwikkeld van esgehucht met een klooster tot bestuursstad. De Vaart, de Hoofdlaan (en het Asserbos) vormen daarbij structurerende assen, gericht op het historische centrum, dat met zijn bebouwing de ontwikkeling van geestelijk centrum naar bestuurscentrum weerspiegelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deelgebied 2.A: Drentsche Aa. Rekening houden met Karakteristieken/Omgevingsbeeld De beekdalen van de Drentsche Aa met flankerend esdorpen en essen, gezamenlijk in een sterke ruimtelijke samenhang aanwezig;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een grote dichtheid aan prehistorische bewoningssporen en hiermee samenhangende routes zoals celtic fields, grafmonumenten (hunebedden, grafheuvels, urnenvelden) en karrensporen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Authentieke esdorpen met een karakteristieke opbouw van open ruimten en brinken, verspreid staande bebouwing en doorzichten naar de essen en het beekdal;</p>\n<p class=\"lf-p\">Duidelijk door beplanting begrensde beekdalen met een herkenbare historische percelering en veel houtwallen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Variatie in traditionele boerderijen die de historische ontwikkeling toont van de Drentse boerderijtypen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Kerktorens die van verre zichtbaar zijn als oriëntatiepunt in het landschap en bij Rolde bovendien oriëntatiepunt zijn van een bijzondere historische raaipercelering Ambitie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepalend voor dit deelgebied is een gaaf en kleinschalig cultuurlandschap met een duidelijke samenhang in tijd en ruimte. Om deze gaafheid te bewaken sturen wij op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in stand houden van de karakteristiek van het esdorpenlandschap. Deze karakteristiek uit zich in een zichtbare ruimtelijke samenhang tussen esdorp, es, beekdal en veld met bijbehorend microreliëf en beplantingselementen als houtwallen en esrandbosjes. Bovendien kent het esdorpenlandschap een grote tijdsdiepte, wat blijkt uit vele zichtbare en onzichtbare (pre)historische bewoningssporen als nederzettingen, grafmonumenten en celtic fields;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vasthouden en zorgvuldig doorzetten van de ruimtelijke opzet van de esdorpen. Deze opzet wordt getypeerd door een vrije ordening van bebouwing en boerderijen, afwisseling tussen bebouwde plekken en open ruimtes (in het bijzonder de brinken) en doorzichten naar het omliggende buitengebied;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het behouden en herstellen van de oorspronkelijke beekloop in de beekdalen met hieraan gekoppeld de historische percelering, de houtwallen en houtsingels en de reliëfranden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zichtbaar houden en beter beleefbaar maken van de historische en prehistorische route, waar karresporen, voorden, grafheuvels en andere prehistorische relicten een unieke verzameling archeologische sporen vormen. Dit in het bijzonder op het Balloërveld;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het accentueren van de reeks van kerktorens in het gebied van de Drentsche Aa die, evenals in de Middeleeuwen, als bakens in het weidse landschap een inspiratiebron kunnen zijn voor nieuwe verbindingen en routes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deelgebied 2.b: Assen. Betrekken bij Karakteristieken/Omgevingsbeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ruimtelijke structuur van 2 hoofdassen: de Vaart en de Hoofdlaan, die georiënteerd zijn op het oude bestuurscomplex aan De Brink;</p>\n<p class=\"lf-p\">De historische bebouwingstructuren langs de hoofdassen en het Asserbos met zijn stervormige padenstructuur;</p>\n<p class=\"lf-p\">De villabebouwing (Hertenkamp, Oud Zuid) als uiting van het bestuurs- en voorzieningencentrum.Ambitie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het herkenbaar houden van het historische centrum van Assen met de daarop gerichte assen van de Vaart en de Hoofdlaan met hun karakteristieke bebouwing en het Asserbos.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied 3.: Hondsrug en Hunzedal - doorgaande wegen door de tijd Bepalend voor dit deelgebied zijn drie zones, die parallel aan elkaar liggen en die samenvallen met de ondergrond: de hoge Hondsrug, het lage Hunzedal (beiden ontstaan in de voorlaatste ijstijd) en een reeks randveenontginningen. De hoofdstructuur van de Hondsrug wordt hoofdzakelijk bepaald door een keten van esdorpen en essen van noord naar zuid over de rug, afgewisseld met grote, zich scherp aftekenende bossen. De continue bewoningsgeschiedenis vanaf de prehistorie blijkt uit de grote dichtheid aan hunebedden, grafheuvels en celtic fields, die, net als de esdorpen, zijn verbonden aan doorgaande routes die sinds de prehistorie over de Hondsrug lopen. Het Hunzedal contrasteert als laaggelegen, open en nagenoeg onbebouwd gebied met de Hondsrug. De wegdorpen van de randveenontginningen vormen een langgerekt bewoningslint, dat de grens markeert tussen het Hunzedal en de grootschalige veenkoloniale ontginningen. Richtinggevend voor dit deelgebied is het herkenbaar houden van de overgangen en de grenzen tussen de drie parallelle structuren van de Hondsrug, het Hunzedal en het lint van de randveenontginningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deelgebied 3.A: Hondsrug. Rekening houden met Karakteristieken/Omgevingsbeeld De oorspronkelijke middeleeuwse routes die de dorpen verbinden en die vrijwel intact en functioneel zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">De noord - zuid keten van esdorpen, waarvan de typerende structuren en elementen nog merendeels herkenbaar zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een grote dichtheid aan prehistorische (en historische) bewoningssporen, zoals hunebedden, grafheuvels en celtic fields, waarvan een deel als keten een prehistorische route over de Hondsrug markeert;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reeks van grote boseenheden, vooral staatsboswachterijen, door de rechthoekige vormen en hun massa scherp begrensd en zichtbaar in het landschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambitie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de Hondsrug willen we specifiek sturen op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het behouden van de karakteristiek van het esdorpenlandschap. Deze karakteristiek uit zich in een zichtbare ruimtelijke samenhang tussen esdorp en es, waarbij de esdorpen en essen als een keten op de Hondsrug liggen afgewisseld met scherp begrensde boswachterijen. Bovendien kent het esdorpenlandschap een grote tijdsdiepte, wat blijkt uit vele zichtbare en onzichtbare (pre)historische bewoningssporen als nederzettingen, grafmonumenten en celtic fields;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het benadrukken van het lineair patroon van hunebedden, grafheuvels en andere zichtbare en onzichtbare prehistorische relicten die samenhangen met de prehistorische route over de Hondsrug;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vasthouden en zorgvuldig doorzetten van de ruimtelijke opzet van de esdorpen. Deze opzet wordt getypeerd door een vrije ordening van bebouwing en boerderijen, afwisseling tussen bebouwde plekken en open ruimtes (in het bijzonder de brinken) en doorzichten naar het omliggende buitengebied;</p>\n<p class=\"lf-p\">Deelgebied 3.B: Hunzedal en randveen. Betrekken bij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Karakteristieken/Omgevingsbeeld Hunzedal De openheid en grote schaal van het dal wordt benadrukt door de begrenzingen aan de oostzijde en de westzijde: de bebouwingslinten van de randveenontginningen en de vrij steile rand van de Hondsrug met haar besloten boseenheden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Enkele dwarsverbindingen die de esdorpen verbinden met hun randveenontginningen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Randveenontginningen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Licht slingerend verloop van de doorlopende ontginningsas;</p>\n<p class=\"lf-p\">Lintbebouwing variërend in dichtheid, met doorzichten naar het achterland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambitie We willen hier sturen op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onbebouwd en onbeplant houden van het Hunzedal, waarin de nu aanwezige gehuchten uitzonderingen en verbijzonderingen zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het herkenbaar houden van de lintstructuur van de randveenontginningen met een variatie aan woningen langs de slingerende noord-zuid georiënteerde weg en doorzichten naar het achterland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied 4. De Drentse Monden - de economie van de rechte lijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepalend voor deze Drents-Groninger veenkoloniën is het orthogonale en hiërarchische stelsel van kanalen, monden en wijken, aangelegd voor de veenontginning. Langs de hoofdlijnen ontwikkelden zich na het afgraven de lintdorpen, geplaatst in een rechtlijnig stelsel van verkavelingen met bebouwing, waterwerken en beplanting. Dé richtinggevende lijn is de Semslinie, die begin 17de eeuw als grens met de provincie Groningen is getrokken, tussen de Martinitoren in de stad Groningen en Huis ter Haar bij Musselkanaal. Zowel het Annerveenschekanaal als het Groninger Stadskanaal en het Musselkanaal (vanaf begin 19de eeuw de basis voor de Drentse \"monden\") zijn parallel hieraan aangelegd. In een relatief korte periode is een productielandschap ontwikkeld vanuit een open en leeg veengebied, doorsneden door een enkele veenloop.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deelgebied 4.A: de Monden. Rekening houden met.</p>\n<p class=\"lf-p\">Karakteristieken/Omgevingsbeeld De Semslinie (met het onderliggende Stadskanaal) als ontginningsbasis, met de eindpunten in de stad Groningen en Huis ter Haar; • Een sterk hiërarchisch ruimtelijk stelsel van lijnen en tussenliggende verkavelingen, met hoofdkanalen als ontginningsassen en dwars daarop kleinere waterwegen (dwarsdiepen of wijken);</p>\n<p class=\"lf-p\">Langs kanalen en diepen de lintvormige nederzettingen met achterliggend cultuurland, en met een vaste ritmiek in de verkaveling, achtergrenzen en de plaatsing van bebouwing;</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de linten is een vaste ordening voor bebouwing en infrastructuur, waarbij veelal de boerderijen aan één kanaalzijde staan en de voorzieningen en de woningen aan de andere zijde;</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de linten een duidelijke ritmiek door een vaste maatvoering van kavels en een stelsel van bruggen en sluizen, beplanting en bebouwing die vaak in samenhang aanwezig is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Oldambster boerderijtype is dominant en beeldbepalend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Annerveenschekanaal en Eexterveenschekanaal als één hoofdkanaal met lintbebouwing als ontginningsas;</p>\n<p class=\"lf-p\">De monden als meerdere parallelle ontginningsassen, aangesloten op het Stadskanaal, met onderlinge variaties in enkel- en dubbelkanaalsystemen, waarvan een deel inmiddels gedempt is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambitie Uitgangspunt voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is het accentueren van de hiërarchie in de orthogonale opbouw van de veenkoloniën. Deze hiërarchie bestaat uit het Annerveenschekanaal en de monden als de belangrijkste ontginningsassen met de daar haaks op staande kanalen- en wijkenstructuur. Binnen de veenkoloniën komt deze hiërarchie op verschillende manieren naar voren. Daarbinnen willen wij specifiek sturen op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zichtbaar houden van de ordening en samenhang tussen de ontginningsassen, die tot uitdrukking komt in enkele en dubbele lintdorpen en bebouwde en onbebouwde ontginningsassen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het herkenbaar houden van de ordening en samenhang binnen een lintdorp, zoals boerderijen en woningen die elk aan een zijde van het kanaal staan;</p>\n<p class=\"lf-p\">Deelgebied 4.B: Weerdingervenen en Roswinkel. Betrekken bij Karakteristieken/Omgevingsbeeld Het beekdal van de veenloop ten noorden van Nieuw-Weerdinge als open en onregelmatig gebied tussen de veenkoloniën, begrensd door de Valtherdijk en het Vledderdiep;•Het Weerdingerkanaal (deels gedempt) als hoofdkanaal voor Nieuw-Weerdinge, met een systeem van kruisdiepen en achterdiep;</p>\n<p class=\"lf-p\">Roswinkel als oudere wegontginning met een verschoven bewoningsas op een zandopduiking.Ambitie•Het herkenbaar houden van de ordening en samenhang binnen een lintdorp, zoals boerderijen en woningen die elk aan een zijde van het kanaal staan;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beleefbaar houden van het verschoven lint van Roswinkel, mede door de open ruimte tussen de oude en de nieuwe weg te handhaven;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het benadrukken van de oude veenloop tussen Valthermond en Nieuw-Weerdinge door de afwijkende onregelmatige verkaveling en de duidelijke begrenzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied 5 Drentse Hoofdvaart - vormend land (de mens vormt het land, het land vormt de mens) Kenmerkend voor dit gebied is een onderscheid in drie delen met elk eigen kenmerken, en de Drentse Hoofdvaart die de verschillen tussen noord en zuid weerspiegelt.De twee gebieden van de Maatschappij van Weldadigheid, Frederiksoord/Wilhelminaoord en Veenhuizen, vertonen een grote verwantschap door de orthogonale, hiërarchische opbouw, waarbinnen lijnen, bebouwing en beplanting een sterke onderlinge relatie hebben. De Drentse Hoofdvaart vormt een zelfstandige beelddrager met de inrichting van kanaal en verwante bebouwing, en is als lijn in het noorden de drager van de veenkoloniale lintdorpstruc-tuur, en in het zuiden ondergeschikt aan het omringende esdorpenlandschap.De Havelterberg en zijn omgeving vormt een eigen eenheid, met esdorpen, randveenontginningen en sporen van verschillende tijdlagen, van prehistorie tot Tweede Wereldoorlog.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deelgebied 5.A: Maatschappij van Weldadigheid. Rekening houden met.</p>\n<p class=\"lf-p\">Karakteristieken/Omgevingsbeeld Algemeen: een hiërarchische opbouw van orthogonale lijnen, beplanting en bebouwing in grote samenhang;</p>\n<p class=\"lf-p\">Frederiksoord/Wilhelminaoord als landbouwkolonie met koloniehoeves en voorzieningen aan de hoofdassen, en het onderliggend oudere landgoed Westerbeek;</p>\n<p class=\"lf-p\">Veenhuizen met een ordening rond grote gestichten, werkplaatsen en beambtenwoningen, als justitieel landschap;</p>\n<p class=\"lf-p\">Boschoord, waar binnen de bosaanleg de hoofdassen nog herkenbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambitie:</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Maatschappijen van Weldadigheid van Frederiksoord en Veenhuizen willen wij sturen op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het handhaven en verder versterken van de hiërarchische en orthogonale opbouw van de gebieden, zoals die te zien is in vaarten, wegen, beplanting en bebouwing variërend van dienstwoningen tot directeurswoning;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het behouden van de afwisseling tussen open gebieden en boscomplexen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deelgebied 5.B: Drentse Hoofdvaart. Betrekken bij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Karakteristieken/Omgevingsbeeld De reeks lintdorpen langs de Drentse Hoofdvaart, met doorzichten naar het achterliggende gebied;</p>\n<p class=\"lf-p\">De Drentse Hoofdvaart als beelddrager met een reeks sluizencomplexen, bruggen en bijbehorende historisch verwante bebouwing.AmbitieTen aanzien van de Drentse Hoofdvaart willen wij sturen op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het versterken van het karakter als beelddrager van een ensemble van kanaal, sluis- en brugcomplexen en gerelateerde bebouwing;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beleefbaar houden van de typerende lintbebouwing langs de Drentse Hoofdvaart met doorzichten naar het achterliggende gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deelgebied 5.C: Havelterberg. Betrekken bij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Karakteristieken/Omgevingsbeeld Open beekdalen, met zicht naar de wegdorpen van de randveenontginningen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Esdorpen met intern en extern een ruime opzet en herkenbaarheid van historische uitbreidingen die het landschap insteken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Vele prehistorische sporen als representanten van een continue bewoningsgeschiedenis De Havelterberg als kerngebied met een concentratie van bewoningssporen, van prehistorie tot en met de Tweede Wereldoorlog.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambitie Rond de Havelterberg sturen wij op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beter beleefbaar maken van de lange geschiedenis van de Havelterberg door de vele historische sporen vanaf de prehistorie tot aan de Tweede Wereldoorlog te benadrukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deelgebied 5.D: Esdorpenlandschap Vledder- en Wapserveense Aa. Betrekken bij Karakteristieken/Omgevingsbeeld Open beekdalen, met zicht naar de wegdorpen van de randveenontginningen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het licht slingerende lint met opstrekkende verkaveling van Wapserveen, met karakteristieke eenzijdige bebouwing;</p>\n<p class=\"lf-p\">Grote, scherp begrensde boseenheden als representanten van de jonge ontginningen Esdorpen met intern en extern een ruime opzet en herkenbaarheid van historische uitbreidingen die het landschap insteken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambitie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in stand houden van de karakteristiek van het esdorpenlandschap. Deze karakteristiek uit zich in een zichtbare ruimtelijke samenhang tussen esdorp, es, beekdal en veld, met bijbehorend microreliëf en beplantingselementen als houtwallen en esrandbosjes. Bovendien kent het esdorpenlandschap een grote tijdsdiepte, wat blijkt uit vele zicht-bare en onzichtbare (pre)historische bewoningssporen als nederzettingen, grafmonumenten en celtic fields;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vasthouden en zorgvuldig doorzetten van de ruimtelijke opzet van de esdorpen. Deze opzet wordt getypeerd door een vrije ordening van bebouwing en boerderijen, afwisseling tussen bebouwde plekken en open ruimtes (in het bijzonder de brinken) en doorzichten naar het omliggende buitengebied;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het openhouden van de beekdalen met het zicht op de wegdorpen van de randveenontginningen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het met zorg en aandacht verder versterken van het licht slingerende wegdorp Wapserveen met haar vrijwel eenzijdige bebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied 6: de velden in centraal Drenthe - van nut maken van de stille heide De structuur van dit gebied wordt gedomineerd door de twee grote bos- en heidegebieden van het Dwingelderveld en bij Hooghalen, en door de beekdalen van de Elperstroom en de Westerborkerstroom met de daarbij gelegen esdorpen die al in de middeleeuwen zijn ontstaan. De twee bos- en heidegebieden zijn aangelegd met de karakteristieke padenstructuur van boswachterijen en stuifzandbossen. Maar ze bevatten ook vele sporen van de tijd ervoor en erna, zoals (pre-)historische routes en grenzen en jongere ingrepen uit en na de Tweede Wereldoorlog, zoals de radiotelescoop van Dwingeloo en de sporen van Kamp Westerbork. Bijzonder is de ligging van het (Nationaal Park) Dwingelderveld als oude gemeenschapsgrond te midden van een krans van esdorpen. De smalle en soms duidelijk begrensde beekdalen van de Elper- en Westerborkerstroom hebben een sterke ruimtelijke relatie met de ernaast gelegen dorpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deelgebied 6.A: velden en beekdalen van Centraal Drenthe. Betrekken bij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Karakteristieken/Omgevingsbeeld Aaneengesloten complexen van stuifzandbossen, boswachterijen en heidegebieden met daarbinnen sporen van oude paden, markegrenzen, postwegen en jongere relicten als radiotelescopen en sporen van de Tweede Wereldoorlog;</p>\n<p class=\"lf-p\">Beekdalen van de Elper- en Westerborkerstroom, soms duidelijk begrensd door houtwallen; visuele relatie tussen dorp, es en beekdal door open doorzichten, en dorpsstructuur van open en gesloten ruimtes en verspreide bebouwing;</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de scherp begrensde boseenheden de blokindeling van de boswachterijen of de grilliger padenloop van de stuifzandbossen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een krans van esdorpen rondom het Dwingelderveld en langs de beekdalen met hun structuur van open en gesloten ruimtes, verspreide bebouwing en doorzichten naar het buitengebied;</p>\n<p class=\"lf-p\">In het gebied rond Hooghalen een dichtheid aan prehistorische bewoningssporen en grafmonumenten die deels corresponderen met een oude route die het zuidwesten met het midden van Drenthe verbond;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het herinneringscentrum Westerbork met de sporen van Kamp Westerbork en Schattenberg;</p>\n<p class=\"lf-p\">De radiotelescopen van Dwingeloo en Hooghalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambitie Richtinggevend voor dit deelgebied is het herkenbaar houden van de samenhang van twee bos- en heidegebieden met de nabijgelegen esdorpen. De bos- en heidegebieden van het Dwingelderveld en van Hooghalen zijn een resultante van de ontginning van de woeste gronden rond de esdorpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook het behouden van de samenhang van de esdorpen Elp, Orvelte, Westerbork en Zwiggelte met de naastgelegen beekdalen is bepalend voor de toekomst. Specifiek willen wij sturen op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beleefbaar houden van de karakteristiek van het esdorpenlandschap rond het Dwingelderveld. Deze karakteristiek komt tot uitdrukking in een zichtbare ruimtelijke samenhang tussen de krans van esdorpen rond het Dwingelderveld en in een grote tijdsdiepte van het gebied, zoals dat blijkt uit grafmonumenten, celtic fields en een radiotelescoop;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het herkenbaar houden van de grote tijdsdiepte van de bossen rond Hooghalen. Deze tijdsdiepte is te ervaren in zichtbare en niet zichtbare elementen uit de prehistorie, blokvormige ontginningsstructuren en ingrepen uit de moderne tijd zoals de radiotelescopen en de structuren van de werkverschaffing en Kamp Westerbork;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het instandhouden van de karakteristiek van het esdorpenlandschap bij Elp, Orvelte, Westerbork en Zwiggelte. Deze karakteristiek uit zich in een zichtbare ruimtelijke samenhang tussen esdorp, es en beekdal, met bijbehorend microreliëf en beplantingselementen als houtwallen en esrandbosjes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied 7: Mars- en Westerstroom - het keurslijf van de beken De sterk vertakte beekdalen centraal in dit gebied zijn ordenend voor de organisatie van het esdorpenlandschap dat hier in de Middeleeuwen zijn structuur kreeg: essen, bebouwing en groenlanden liggen dicht op elkaar, waardoor een sterke ruimtelijke relatie bestaat. Dit centrale deel omvat compacte esdorpstructuren binnen de grillige beekdalen. Het gebied eromheen is een jong grootschalig heide- en veenontginningslandschap dat zich kenmerkt door rechte lijnen, waarbinnen Witteveen een specifiek voorbeeld vormt. Naast open ruimtes bevat het jongere landschap ook scherp begrensde boseenheden. Coevorden heeft zich als marktplaats en vestingstad ontwikkeld op de plek waar een aantal waterlopen samenkomen. Vanaf Coevorden loopt het tracé van de historische postweg naar Groningen. Elementen van de vesting zijn in de binnenstad nog steeds afleesbaar en structurerend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deelgebied 7.A: esdorpenlandschap rond Mars- en Westerstroom. Betrekken bij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Karakteristieken/Omgevingsbeeld Essen, beekdal en dorpskernen liggen dicht bijeen gegroepeerd binnen de ruimte van beekdal;</p>\n<p class=\"lf-p\">Visuele relatie dorp, es en beekdal door open doorzichten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Beekdalen met percelering en houtwallen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de dorpen afwisseling open en gesloten ruimtes, verspreide bebouwing;</p>\n<p class=\"lf-p\">Variatie in traditionele boerderijen die de historische ontwikkeling toont.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambitie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepalend voor dit deelgebied is het zichtbaar houden en verder versterken van de karakteristieke compacte structuren van dit esdorpenlandschap, zoals die tot uitdrukking komt in een centrale positie van de dorpen ingeklemd tussen het beekdal en de essen. Daarom willen wij specifiek sturen op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in stand houden van de karakteristiek van het esdorpenlandschap. Deze karakteristiek uit zich in een zichtbare ruimtelijke samenhang tussen esdorp, es, beekdal en veld, met bijbehorend microreliëf en beplantingselementen als houtwallen en esrandbosjes;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vasthouden en doorzetten van de ruimtelijke, meer langgerekte opzet van de esdorpen door zorgvuldig om te gaan met de vrije ordening van bebouwing en boerderijen, de afwisseling tussen bebouwde plekken en open ruimtes (in het bijzonder de brinken) en doorzichten naar het omliggende buitengebied;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het blijvend zichtbaar onderscheiden van de beekdalen door het grillige verloop en de kleinschaligheid te benadrukken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Deelgebied 7.B: Coevorden, beekdal en ontginningen. Betrekken bij Karakteristieken/Omgevingsbeeld Visuele relatie dorp, es en beekdal door open doorzichten; • Binnen de esdorpen afwisseling open en gesloten ruimtes, verspreide bebouwing; •Ontginningen zijn open en doorsneden door rechte lijnen -in de vorm van wegen en beplanting; • Oranjekanaal als rechte ontginningsas; • Witteveen als gepland ontginningsdorp, met huizen en boerderijen in vaste ritmiek en plaatsing aan het lint. • Grote boseenheden, door rechte lijnen begrensd en doorsneden, met daarbinnen (restanten van) heidegebieden•Coevordeno Centrum met radiaal stratenpatroon en kasteel met motte;o Herkenbaarheid van de loop van de vestingwerken, in water en stedenbouwkundige structuren;o Tracé van de historische postweg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambitie Wij willen sturen op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in stand houden van de karakteristiek van het esdorpenlandschap. Deze karakteristiek uit zich in een zichtbare ruimtelijke samenhang tussen esdorp, es, beekdal en veld, met bijbehorend microreliëf en beplantingselementen als houtwallen en esrandbosjes;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in stand houden van het karakter van Coevorden als vestingstad, zowel ondergronds als bovengronds, met alle onderdelen die daaraan refereren, zoals de motte, het kasteel, bastions, kazernes, wapenopslagplaats en radiale wegenstructuren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het herkenbaar houden van de scherpe belijningen van de heideontginningen, waarbij binnen die belijningen variatie kan plaatsvinden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verder versterken van de oorspronkelijke ritmiek van bebouwing in de linten van Witteveen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied 8. De Reest en Meppel - alle(s) voer(t) naar Meppel Bepalend voor de hoofdstructuur van dit gebied is de waaier van waterlopen waartussen de randveenontginningen liggen met hun bebouwingslinten. Waar de waterlopen samenkomen heeft Meppel zich vanaf de middeleeuwen ontwikkeld als handelsstad en doorvoerhaven. De randveenontginningen kenmerken zich door bewonings- en ontginningsassen op smalle zandruggen, met van daaruit smalle, zeer lange verkavelingsstroken, en veelal een jongere 2de bewoningsas, zoals bij Ruinerwold. Bij Kolderveen en Nijeveen zijn enkele middeleeuwse griften (turfkanalen) nog aanwezig. De grillige loop van de Reest is authentiek gebleven als grensrivier met Overijssel, met aan weerszijden zandkoppen waarop losse erven en esgehuchten zich aftekenen als eilanden in een open uitgestrekt beekdal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deelgebied 8.A De Reest. Betrekken bij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Karakteristieken/omgevingsbeeld De Reest met grillig verloop, daarlangs groenlanden en zandkopjes, structurerend voor het hoevenlandschap;</p>\n<p class=\"lf-p\">Wijds en open beekdal met daarin erven en esgehuchten met opgaande beplantingsranden als eilanden in die openheid;</p>\n<p class=\"lf-p\">Kleinschaligheid van ontginningseenheden doordat bij elk erf eigen es en groenland hoort;</p>\n<p class=\"lf-p\">Van oost naar west een verschuiving van sober naar rijk, door enkele landgoederen, en door een overgang van sobere besloten erven en nutstuinen naar boerenerven met aangebouwde voorhuizen en siertuinen in Engelse landschapsstijl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambitie Wij sturen op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het veilig stellen van het esgehuchtenlandschap van het Reestdal door het benadrukken van de samenhang tussen de erven, essen en groenlanden en de karakteristieke erf- en esbeplanting die de erven en essen markeert in het verder open beekdal van de Reest Deelgebied 8.B: Meppel en het laagveen rondom. Betrekken bij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Karakteristieken/Omgevingsbeeld Licht slingerend verloop van linten, met een variatie in bebouwingsdichtheid en doorzichten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verschoven linten, zeer lange, smalle opstrekkende verkaveling en tussen de linten openheid;</p>\n<p class=\"lf-p\">In Ruinerwold eenzijdige en traditionele bebouwing langs de oude noordelijke as, en tweezijdige en eclectische, rijkversierde bebouwing langs het tweede bewoningslint op de oude dijk;</p>\n<p class=\"lf-p\">In Kolderveen en Nijeveen drie middeleeuwse griften (Kolderveensche Ooster- en Westergrift en de Nijeveense Grift) in noord-zuid richting nog goed herkenbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meppel Vormende middeleeuwse water- en wegenlopen in het centrum grotendeels aanwezig of herkenbaar;</p>\n<p class=\"lf-p\">De Drentse Hoofdvaart buiten Meppel als sterke zelfstandige beelddrager met haar sluizencomplexen en aanverwante bebouwing;</p>\n<p class=\"lf-p\">De bebouwingsstructuren in het centrum veelal functioneel gekoppeld aan de markt- en havenfunctie, waarbij hoge verwachtingen van interne en ondergrondse sporen van de middeleeuwse stad;</p>\n<p class=\"lf-p\">Villawijken en -park, tuinwijken en havenbebouwing uit de periode 1860-1940 als representanten van de economische bloei en van stedenbouwkundige concepten uit die tijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambitie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Leidend in dit deelgebied is een samenloop van verschillende waterlopen waartussen en waarlangs verschillende ontwikkelingen hebben plaatsgevonden. Wij willen sturen op:•Het zichtbaar houden van de middeleeuwse griften bij Kolderveen en Nijeveen;• Het in stand houden van het oude en het nieuwere lint van Ruinerwold en de ligging ervan in de omgeving. Dit doen wij door het herkenbaar houden van de verschillen in positionering, weginrichting en architectuur, door het vasthouden aan de verkavelingsstructuren en door het open houden van de ruimte tussen de twee bebouwingslinten Gebied 9. Het Hollandscheveld en Hoogeveen - kruising van richtingen De structuur van dit gebied heeft geen duidelijke drager. Dit komt door de relatief complexe en kleinschalige aanpak van de oudere veenontginningen, vanaf de 17de eeuw. De (verlengde) Hoogeveensche Vaart vormt de basis en verbindende schakel in de veenontginningen. De structuur hiervan is nog steeds herkenbaar aan de \"opgaanden\", die als ontginningsas dienden, en aan de verschillende kavelrichtingen van de -vele- ontginningsblokken, die aan de achtergrenzen bij elkaar komen. Hoogeveen heeft zich ontwikkeld als stedelijke kern vanuit het kruispunt van twee belangrijke vaarten: de (verlengde) Hoogeveense Vaart en de inmiddels gedempte Zuidwoldiger Opgaande.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deelgebied 9.A :Hollandscheveld en Hoogeveen. Betrekken bij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Karakteristieken/Omgevingsbeeld Ontginningsassen als lijnen georiënteerd op en verbonden met de (Verlengde) Hoogeveensche Vaart;</p>\n<p class=\"lf-p\">Centraal groot 'blok' met daaromheen uitwaaierend (latere) blokken, onderling herkenbaar door de assen en de verschillende kavelrichtingen die 'botsen' bij de achtergrenzen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bossen bij Hollandscheveld die de smalle kavelstructuur en -richting volgen, met rafelige begrenzingen Hoogeveen \"Het Kruis\" als ontstaanspunt herkenbaar in het kruispunt van twee -gedempte- vaarten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Noordelijk daarvan herkenbare historische percelering en bebouwingsstructuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambitie Richtinggevend voor dit deelgebied is het behouden van het onderscheid tussen de verschillende ontginningsblokken in het veengebied. Dit is vooral zichtbaar te maken op de grenzen van de blokken. Wij willen dan ook sturen op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik maken van de randen en contrasten tussen de verschillende ontginningsblokken bij nieuwe ontwikkelingen, en in het bijzonder de achtergrenzen van de ontginningsblokken, waar verschillende kavelrichtingen bij elkaar komen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zichtbaar houden van de plaatsing van de bospercelen van het bos bij Hollandscheveld binnen de oude perceelstructuren, en het in stand houden van de rafelige, verspringende randen van dit bos.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied 10. Emmen en haar venen - planmatige ontwikkeling Bepalend in dit gebied is de positie van Emmen als naoorlogse stad, in een veengebied dat vrij laat is ontgonnen en nog de concrete sporen toont van de machinale veenontginningen. Emmen, oorspronkelijk een esdorp op een uitloper van de Hondsrug, bezit rondom de oude kern een krans van woonwijken en industriegebieden, die representatief zijn voor de opeenvolgende fasen in het naoorlogse planningsdenken. Daarbuiten zijn in het gebied van het Amsterdamscheveld de verschillende facetten en fasen van de machinale veenontginning in één gebied zichtbaar. De zuidelijke strook langs de grens met Duitsland heeft een eigen karakter, gevormd door de randveenontginningen en hun wegdorpen en de esgehuchten. Samengevat is karakteristiek voor het geheel: de veelzijdigheid van ruimtelijke inrichting in fasen en in tijd, met structuren van esdorpen, veenontginningen, wegdorpen en naoorlogse planning; de verschillende zones die zich door hun autonome ontwikkeling sterk van elkaar onderscheiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deelgebied 10.A: Het Amsterdamscheveld. Betrekken bij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Karakteristieken/Omgevingsbeeld Rond het Amsterdamscheveld en het Bargerveen zijn verschillende fasen van veen ontginning zichtbaar door strakke interne ontginningslijnen, aan de randen rafelige grenzen tussen wel en niet afgegraven en in cultuur gebracht hoogveen, machinale sporen in het veen en de turfstrooiselfabriek en gerelateerde dorpsbebouwing bij het gebied van Van Griendtsveen.Ambitie Het zichtbaar houden van de machinale veenwinning en veenverwerking op het Amsterdamscheveld en het Bargerveen, zowel in het landschap als in de bebouwing;</p>\n<p class=\"lf-p\">Deelgebied 10.b: Emmen, venen en randveenontginningen. Betrekken bij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Karakteristieken Meervoudig systeem van kanalen en wijken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Licht slingerend verloop van de weg als ontginningsas parallel aan het Schoonebekerdiep;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een onderscheid tussen oost en west in lintdorpen en esgehuchten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een opstrekkende verkaveling vanuit het lint.</p>\n<p class=\"lf-p\">Emmen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstructuur van naoorlogse uitleg met de functiescheiding wonen, werken, recreatie en verkeer daarbinnen;</p>\n<p class=\"lf-p\">De naoorlogse woonwijken Emmermeer, Angelslo en Emmerhout als gave representanten van stedenbouwkundige concepten;</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwezigheid van (restanten van) esdorpstructuren van (het centrum van) Emmen, Barge en Westenesch en prehistorische sporen die de route van Coevorden naar Groningen over de Hondsrug weerspiegelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambitie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepalend voor dit deelgebied is de stad Emmen als naoorlogse groeikern op de rand van de Hondsrug met een omringend veengebied. In dit deelgebied willen we specifiek sturen op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het behouden van de kenmerkende stedenbouwkundige concepten van de naoorlogse wijken van Emmen als representanten van opeenvolgende fasen in het denken over wonen en de stad;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij nieuwe ontwikkelingen van Emmen consequent vasthouden aan het wijkontwerp als totaalbeeld en als uitdrukking van een vernieuwend denkbeeld over de wijze van wonen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het benadrukken van het lineair patroon van hunebedden, grafheuvels en andere zichtbare en onzichtbare prehistorische relicten die samenhangen met de prehistorische route over de Hondsrug;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het herkenbaar houden van de lintstructuur van de randveenontginningen met een variatie aan bebouwing langs de slingerende oost-west georiënteerde wegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 3 Kernkwaliteiten Aardkundige Waarden Kernkwaliteiten Aardkundige Waarden Hoog beschermingsniveau Instandhouding van de macrogradient, bodemopbouw, reliëf en gradiëntsituaties. De aardkundige kenmerken zijn normerend voor wat mogelijk is. Van gemeenten verwachten wij dat deze gebieden in omgevingsplannen via een dubbelfunctie beschermd worden. Waterbeheer, terrein- en landschapsbeheer moeten zodanig zijn dat de kenmerken in stand worden gehouden. Ontgronding ten behoeve van zandwinning is niet toegestaan. Aanleg van nieuwe infrastructuur moet worden vermeden. Normaal landbouwkundig gebruik is mogelijk, echter, verandering van inrichting en beheer, zoals diepploegen en egalisatie zijn verboden. Aanleg van drainage is alleen mogelijk wanneer dit niet leidt tot aantasting van de aardkundige kenmerken van gebieden en eenheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelhoog beschermingsniveau De kenmerken, het reliëf en de bodemopbouw zijn richtinggevend voor wat mogelijk is. Ook voor deze gebieden verwachten wij van de gemeenten een bescherming via een dubbelbestemming in de bestemmingsplannen. Bij ontwikkelingen ten behoeve van infrastructuur, natuur- en wateropgaven dient een goede afweging te worden gemaakt. Het zorgvuldig en verantwoord omgaan met de aardkundige waarden moet vertrekpunt zijn bij de planvorming. Daarnaast dient het in stand houden van de kenmerken richting te geven aan de inrichtingsmaatregelen. Aantasting van bodemopbouw en reliëf moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. Waar dit niet mogelijk is verwachten wij dat de informatiewaarde van de bodem wordt vastgelegd middels boorbeschrijvingen en foto's. Normaal landbouwkundig gebruik is mogelijk. Daarentegen is diepploegen en egalisatie verboden. En is aanleg van drainage alleen mogelijk wanneer dit niet leidt tot aantasting van aardkundige kenmerken van het hoofdlandschap. Ontgronding ten behoeve van kleinschalige zandwinning is niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Generiek beschermingsniveau het behoud van de lokale identiteit en beleving van het landschap geven sturing aan de afweging, waarbij de kenmerken van deze gebieden en elementen inspiratie, inhoud en betekenis kunnen geven aan ontwikkelingen. Van gemeenten verwachten wij dat zij hieraan inhoud geven. Bijvoorbeeld door een inventarisatie van de aardkundige waarden met een lokale betekenis en het opstellen van een beeldkwaliteitsplan. Bij ontwikkelingen met ingrepen in de bodem verwachten wij een goede analyse van de aardkundige waarden. Doel is om in de planvoorbereiding de bodemopbouw en het reliëf zoveel mogelijk te behouden, waar dit niet mogelijk is verwachten wij dat de informatiewaarde van bodem wordt vastgelegd. Dit geldt o.a. voor de aanleg van infrastructuur of de omzetting van landbouw in natuur. Normaal landbouwkundig gebruik is mogelijk. Voor ontgronding ten behoeve van kleinschalige zandwinning of landbouwkundige verbetering dient een afweging van belangen te worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 4 Kernkwaliteiten Koloniën van Weldadigheid Kernkwaliteiten Koloniën van Weldadigheid Nadere uitwerking van bovenstaande kernkwaliteiten De nadere uitwerking van de kernkwaliteiten is opgenomen in Hoofdstuk 3 van het nominatiedossier “Koloniën van Weldadigheid” op grond waarvan UNESCO op 26 juli 2021 de Koloniën van Weldadigheid heeft aangewezen als Werelderfgoed. Hieruit zijn voor de POV Drenthe de volgende uitwerkingen gedistilleerd:Ad a. de typologie van vrije en onvrije koloniën, als resultante van een allesomvattend systeem gericht op de opvang, disciplinering en vorming van kolonisten;De uitzonderlijke en universele waarde (OUV) zit hem in de samenhangende ruimtelijke verschijningsvorm van het verschijnsel van de binnenlandse kolonie voor armoedebestrijding met landbouw:a. In het uitzonderlijke en vroege sociale experiment vanuit de Verlichting met binnenlandse landbouwkoloniën voor armoedebestrijding die veel internationale belangstelling trokken en de internationale navolging in de instellingszorg. Enb. in het landschap van de binnenlandse landbouwkolonie met een sociaal doel, dat haar bewoners aanzette tot rationeel en productief gedrag vanwege de ruimtelijke en functionele organisatie van landschap en bebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het UNESCO Werelderfgoed Koloniën van Weldadigheid bestaat uit drie aaneengesloten gebieden: Frederiksoord-Wilhelminaoord (Drenthe/Friesland), Wortel (België) en Veenhuizen (Drenthe). Dit zijn de Koloniën waar het oorspronkelijke cultuurlandschap bewaard is gebleven en het beste kan worden begrepen. Alle onderdelen bestaan uit een combinatie van landschapslagen die samen de bloeiperiode van het Koloniemodel laten zien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor verschillende doelgroepen (enerzijds families/individuen, of anderzijds groepen) werden binnenlandse landbouwkoloniën voor armoedebestrijding aangelegd met een verschillend type ruimtelijke typologie: vrije en onvrije Koloniën. De ontwikkeling daarvan kent twee tijdslagen. De typologie van vrije en onvrije Koloniën kan als volgt schematisch worden weergegeven:</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit schema zijn de verschillende landschapstypen van een vrije kolonie (type α: bovenste twee plaatjes) en een onvrije kolonie (type ß, onderste twee plaatjes) schematisch verbeeld. De linkerzijde toont de situatie uit de eerste fase (1818-1859), de rechterzijde de twee fase (1860 tot 1918).Type α, vrij, (Frederiksoord-Wilhelminaoord) wordt gekarakteriseerd door evenwijdige lintbebouwing met ritmisch geordende koloniewoningen aan rechte wegen met achterliggende landbouwpercelen. Centraal en nabij kruisingen van wegen bevinden zich gezamenlijke voorzieningen zoals directiegebouwen, scholen, werkplaatsen en kerken. Pijl A toont de overgang naar de tweede fase (na 1859) binnen dit patroon met meer verdichting door toevoeging van nieuwe grotere boerderijen en voorzieningen als rusthuizen.Type ß, onvrij, (Veenhuizen) wordt gekarakteriseerd door een ruimer opgezette ordening met een hoofdontginningslijn langs de hoofdvaart, en daarnaast vierkante gestichten met daar omheen geordende grotere boerderijen. Door middel van pijl C is aangegeven hoe in de tweede fase (na 1859 en binnen de bestaande ordening) dienstwoningen aan het bestaande wegen- en kanalenpatroon zijn toegevoegd. Ook ontstaan er nieuwe gestichten en boerderijen nabij of in plaats van oude gestichten. Het geometrische, rechthoekige patroon wordt hierbij doorgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad b. de structuur van het landschap, die representatief is voor het experiment van armoedebestrijding en de doorontwikkeling daarvan;De landschappen van de Koloniën van Weldadigheid zijn aangelegd als systeem om armoede te bestrijden met binnenlandse landbouwkoloniën voor diverse doelgroepen. De ontwikkeling ervan heeft plaatsgevonden in twee hoofdfasen:1. de fase van aanleg (1818-1859).2. de fase van verdere evolutie, staatsinstellingen en privatisering (1860-1918). De uitzonderlijke en universele waarde van het landschap komt tot uiting in de 'attributen' die de materialisatie van de uitzonderlijke en universele waarde vormen.De 'attributen' zijn:a. De basistypologie van het landschap: de karakteristieke landschapstypologie van de Koloniën van Weldadigheid in de periode 1818-1918, met representatieve landschapslagen, die de functionele en ruimtelijke samenhang illustreren.b. De structuur van het kolonielandschap: alle individuele elementen van het orthogonale grid: wegen, beplante lanen, waterwegen, het toegepaste maatsysteem en de plek van de gebouwen in het grid. Representatieve bebouwing en beplanting individuele gebouwen, ensembles en beplanting die representatief is voor dit panoptische model van een landbouwkolonie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitwerking attributen per kolonie op hoofdlijn per component in Drenthe:Component A Frederiksoord-Wilhelminaoord1. Basistypologie vrije Kolonie van Weldadigheid: Landschapstype α1 en α22. Structuur: Wegen en bomenlanen, Hoofdwegen/lanen, Secundaire wegen/lanen, Waterstructuren, Vaarten, Sloten, Toegepast maatsysteem, Percelen van 2,4 ha, later 2,8 ha, deels 50 ha3. Representatieve bebouwing en bijbehorende beplanting: Koloniehuisjes, Dienstwoningen/ambtenarenwoningen, Werkplaatsen, Collectieve boerderijen en vrijboerhoeves, Gebouwen van de Maatschappij van Weldadigheid, Religieuze gebouwen, Ouderenhuisvesting, Scholen, BegraafplaatsenComponent C Veenhuizen1. Basistypologie onvrije Kolonie van Weldadigheid: Landschapstype ß 1 en ß 22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Structuur: Wegen en bomenlanen, Hoofdwegen/lanen, Secundaire wegen/lanen, Waterstructuren, Vaarten, Wijken, Toegepast maatsysteem 750, 375 en 25 meter3. Representatieve bebouwing en bijbehorende beplanting: Gestichten, Dienstwoningen, Werkplaatsen, Boerderijen, Religieuze gebouwen, Centrale voorzieningen, Sluizen, BegraafplaatsenUitwerking op kaart:Op de kaarten in Hoofdstuk 3 van het nominatiedossier is de wijze waarop de uitzonderlijke universele waarde zijn weerslag heeft in bovengenoemde fysieke elementen en in samenhang, concreet aangeduid. Op kaarten M 3.1 en M 3.3 zoals hieronder opgenomen. Het complete nominatiedossier met daarin deze kaarten, is te vinden via [https://www.kolonienvanweldadigheid.eu/nominatiedossier].kaart M 3.1 Attributes: representatieve buildings and planting, Component Part A: FREDERIKSOORD-WILHELMINAOORD kaart M 3.3 Attributes: representatieve buildings and planting, Component part C: VEENHUIZEN Volledige uitwerking attributen in lijsten: 'List of all attributes of the component parts'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad c. de structuur en het karakter van de beschermde dorpsgezichten Frederiksoord, Wilhelminaoord en Veenhuizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de aanwijzingsbesluiten uit 2008 en 2009; https://www.gemeentewesterveld.nl/Inwoners/Bouwen_en_verbouwen/Bestemmingsplannen/Vastgesteld/Beschermd_dorpsgezicht_Frederiksoord_Wilhelminaoordhttps https://www.gemeentenoordenveld.nl/ruimtelijkeplannen/NL.IMRO.1699.2010BP022-vg02/rb_NL.IMRO.1699.2010BP022-vg02_3.pdf Bijlage 5 Provinciale Vrijstellingenlijst Provinciale Vrijstellingenlijst In artikel 4.1, eerste lid, van de Omgevingsverordening worden de soorten in Bijlage 5 bij de POV vrijgesteld van de vergunningplicht voor de in dat artikel genoemde belangen. De vrijstelling als bedoeld betreft de volgende soorten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aardmuis Microtus agrestis Bastaardkikker (oude naam: middelste groene kikker) Pelophylax klepton esculenta (oude naam: Rana esculenta) Bosmuis Apodemus sylvaticus Bruine kikker Rana temporaria Dwergmuis Micromys minutus Dwergspitsmuis Sorex minutus Egel Erinaceus europeus Gewone bosspitsmuis Sorex Araneus Gewone pad Bufo bufo Haas Lepus europeus Huisspitsmuis Crocidura russula Kleine watersalamander Lissotriton vulgaris (oude naam: Triturus vulgaris) Konijn Oryctolagus cuniculus Meerkikker Pelophylax ridibundus (oude naam: Rana ridibunda) Ondergrondse woelmuis Pitymys subterraneus Ree Capreolus capreolus Rosse Woelmuis Clethrionomy glareolus Tweekleurige bosspitsmuis Sorex coronatus Veldmuis Microtus arvalis Vos Vulpes vulpes Woelrat Arvicola terrestris Hieronder staan de individueel behandelde soorten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Amfibieën Alpenwatersalamander (Ichthyosaura [Mesotriton] alpestris) De alpenwatersalamander was in de Flora- en faunawet opgenomen als 'tabel-II soort'. De soort werd dus op populatieniveau beschermd. In de Wet natuurbescherming is de soort opgenomen op de bijlage behorend bij artikel 3.10 Wet natuurbescherming.De alpenwatersalamander komt in Nederland in het zuiden en oosten voor, vaak in de buurt van bos en/of houtwallen. Hij heeft een voorkeur voor zandige leemgronden, waar hij voorkomt in beboste gebieden (loofbos) of kleinschalige landschappen met heggen en struwelen. De alpenwatersalamander is niet kieskeurig i.v.m. zijn voortplantingsbiotoop. In het voorjaar is hij in allerlei typen water te vinden, zolang het niet snel stromend of rijk aan vis is. Alpenwatersalamanders overwinteren op het land.</p>\n<p class=\"lf-p\">In februari trekken ze naar het water. Anders dan zijn naam doet vermoeden komt de alpenwatersalamander ook in Drenthe voor. Met name in en om Assen is de alpenwatersalamander behoorlijk algemeen. Vanuit Assen breidt de soort zich langzaam uit over de rest van Drenthe. In Rheebruggen bevindt zich een uitgezette populatie die zich daar goed lijkt te handhaven. De soort is niet bedreigd en de staat van instandhouding dan ook gunstig.Kanttekening hierbij is de recente intrede van ranavirussen (o.a. CMTV - Common Midwife Toad Virus) die in korte tijd tot massale sterfte van amfibieën kunnen leiden. In Nederland zijn nog geen met ranavirussen besmette alpenwatersalamanders gevonden, maar in andere landen (Spanje) is dit wel het geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een nieuwe bedreiging voor salamanders wordt gevormd door een recent ontdekte schimmel -Bsal- (zie 2.2. bij kleine watersalamander). Verspreiding alpenwatersalamander in Drenthe. Bron: NDFFConclusie AlpenwatersalamanderDe alpenwatersalamander wordt niet op de provinciale vrijstellingslijst geplaatst om de volgende redenen: De alpenwatersalamander komt in Drenthe sterk lokaal voor (met name Assen en omgeving). De soort doet het goed en lijkt zich zelfs enigszins uit te breiden. Incidenteel is sprake van problemen met de alpenwatersalamander in relatie tot ruimtelijke ontwikkelingen. De huidige beschermde status zal dan ook gehandhaafd blijven (beleidsarm).Kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris)De kleine watersalamander was onder de Flora- en faunawet op de landelijke vrijstellingslijst opgenomen.De kleine watersalamander is de meest algemene salamander in Nederland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij komt veel voor in sloten en poelen. De kleine watersalamander stelt weinig eisen aan zijn biotoop. Hij komt zowel voor in stadstuinen als in kleinschalige cultuurlandschappen en bos- en heidegebieden. Het voortplantingsbiotoop bestaat uit allerlei soorten ondiep stilstaand en zwak stromend water.De ecologische atlas van de Nederlandse amfibieën en reptielen (Creemers en van Delft, 2009) geeft aan dat kleine watersalamander in Nederland zeer algemeen voorkomt en niet bedreigd is. De Nederlandse populatie vertoont een matige toename. Daar waar nog geen met ranavirussen besmette alpenwatersalamanders zijn gevonden is dat wel het geval bij kleine watersalamanders. Ranavisussen hebben ook in Drenthe al her en der geleid tot grote sterfte onder kleine watersalamanders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bekend voorbeeld is de uitbraak van het virus in 2010 in het Dwingelderveld[1] . Een nieuwe bedreiging van de salamanders doemt op in de vorm van een schimmel (Batrachochytrium salamandrivorans - Bsal) die in korte tijd hele populaties kan uitroeien. De voor Nederland unieke populatie vuursalamanders in Limburg is als gevolg van deze schimmel zo goed als verdwenen. Vooralsnog is deze schimmel alleen nog maar in Duitsland, België, Limburg en Gelderland aangetroffen[2] maar de kans dat ook de rest van Nederland hier mee te maken zal krijgen is aannemelijk.[1] Kik et al., 2011[2] Spitzen-van der Sluis et al. 2016 Verspreiding kleine watersalamander in Drenthe. Bron: NDFF Conclusie Kleine watersalamander De kleine watersalamander wordt wel op de provinciale vrijstellingslijst geplaatst om de volgende redenen: De kleine watersalamander komt in Drenthe algemeen voor en heeft een groot verspreidingsgebied. De staat van instandhouding is gunstig en er is sprake van een matige toename. Om die reden stond de kleine watersalamander dan ook op de landelijke vrijstellingslijst van de Flora- en faunawet. Vooralsnog is er geen aanleiding om hiervan af te wijken. Net als voor alpenwatersalamander geldt ook voor de kleine watersalamander dat virus- en schimmelepidemieën op de loer liggen die zeer ingrijpende consequenties kunnen hebben voor de staat van instandhouding van deze soort. Goede monitoring is daarom voor kleine watersalamander noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoogdieren Egel (Erinaceus europaeus) Onder de voormalige Flora- en faunawet was de egel opgenomen op de landelijke vrijstellingslijst.De egel heeft een brede verspreiding over Nederland. In alle provincies komt de egel voor. Egels prefereren kleinschalig, afwisselend landschap met veel structuur. In open landschappen is de egel veel minder algemeen. Egels voelen zich vooral thuis in het buitengebied maar zijn ook binnen de bebouwde kom aan te treffen. Tuinen met voldoende structuur zijn geliefde plaatsen om te overwinteren.De trend van de egelpopulatie is over de periode 1980-2015 onzeker. Uit het veld is aangegeven dat sprake is van een afname van de egel. De gegevens uit de NDFF lijken echter een ander beeld te geven.De voornaamste oorzaak van mortaliteit is het verkeer. Dit beeld wordt bevestigd door de kaart uit de voorlopige zoogdierenatlas van Drenthe waar het zwaartepunt van de waarnemingen ligt bij op of langs wegen gevonden (dode) egels. Andere bedreigingen zijn het verlies aan leefgebied en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Voor een soort die insecten, slakken, wormen etc. eet, zorgen gewasbeschermingsmiddelen voor een afname van het voedselaanbod en de aanwezigheid van toxische stoffen in de prooien. Verspreiding egel in Drenthe. Bron: NDFF Conclusie Egel De egel wordt op de provinciale vrijstellingslijst geplaatst met de kanttekening dat ambtelijk geadviseerd zal worden nader onderzoek te doen naar de staat van instandhouding. Hieronder wordt de motivatie hiervoor uiteengezet.Het verkeer is ook in Drenthe de hoofdoorzaak van sterfte onder egels. Doordat de egel vrijwel overal in Drenthe te vinden is en ook nog frequent wordt waargenomen bestaat de indruk dat het wel goed gaat met de egel. Vanuit het veld zijn echter signalen te horen die minder positief zijn over de egelstand. Als tuindier zorgt de toenemende 'verharding' van tuinen voor minder leefgebied en het gebruik van gewas beschermende middelen zorgt voor minder aanbod van insecten, het hoofdvoedsel van egels.</p>\n<p class=\"lf-p\">De oorzaken van fluctuaties in de egelstand die in het verleden zijn onbekend[1].Nog steeds is de egel een algemeen voorkomende soort, met een groot verspreidingsgebied maar fluctuaties in de egelstand zijn echter legio. De goede staat van instandhouding is dan ook onzeker. Meer onderzoek naar de specifieke oorzaken van deze fluctuaties is nodig om beter begrip te krijgen van gedrag en ontwikkeling van de egel. Egels komen overal voor, zowel in het buitengebied als binnen de bebouwde kom. Het niet plaatsen van de egel op de provinciale vrijstellingslijst zou betekenen dat voor nagenoeg alle ruimtelijke ingrepen onderzoek nodig is naar het voorkomen en de staat van instandhouding van de egel.Het is verantwoord om de egel, in navolging van de voormalige Flora- en faunawet, op de lijst van vrij te stellen soorten te zetten.</p></div>", "next": 239087}