{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">de wijze waarop in naderingsluchtverkeersleiding zal worden voorzien en de voor het beoogde gebruik noodzakelijke berekeningen als bedoeld in artikel 10.44, derde lid, van de Wet luchtvaart met betrekking tot de lokale luchtverontreiniging; een onderbouwing voor de aanvraag van een luchthavenregeling; de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de eisen ingevolge artikel 29 van de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag tot wijziging van een luchthavenbesluit respectievelijk luchthavenregeling, met dien verstande dat de aanvrager: alle gegevens indient die afwijken van de situatie die in het geldende besluit respectievelijk de geldende regeling is neergelegd, en verklaart dat alle overige gegevens gelijkluidend zijn aan de gegevens in het geldende besluit respectievelijk de geldende regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien zich wijzigingen voordoen ten aanzien van de gegevens die op grond van het eerste lid zijn overgelegd in het kader van de aanvraag, dan dient binnen drie maanden nadat een wijziging zich voordoet een aanvraag tot wijziging van de luchthavenregeling te worden ingediend die voldoet aan het bepaalde in dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Titel10.3 Instructieregels</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-104\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.4</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregels aan Gedeputeerde Staten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten zijn belast met de voorbereiding van een voorstel over een aanvraag van een luchthavenbesluit voor provinciale staten, met inbegrip van het opstellen van een ontwerpvoorstel en het toepassing geven aan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk11Vaarwegen Titel11.1 Inleidende bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.1</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op de volgende doelen: het veilig en doelmatig gebruik van de provinciale vaarwegen overeenkomstig de functie daarvan voor het openbaar vaarwegverkeer; het beschermen van de provinciale vaarwegen met inbegrip van het belang van het onderhoud of wijziging van de vaarweg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-112\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.2</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Dit hoofdstuk gaat over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot vaarwegen in beheer bij de provincie Flevoland.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor activiteiten die niet vallen onder het beperkingengebied met betrekking tot vaarwegen in beheer bij de provincie Flevoland, geldt dat dit hoofdstuk ook van toepassing is voor activiteiten op/nabij locaties die vallen onder het beheer bij de provincie Flevoland.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Dit hoofdstuk is niet van toepassing op activiteiten door de provincie Flevoland ten behoeve van de aanleg, de wijziging, het beheer en/of onderhoud van de vaarweg, de toezicht en handhaving van de vaarweg of de regeling van het vaarwegverkeer over die vaarweg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-113\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.3</span><span class=\"lf-art-t\">Werkingsgebied Provinciale Vaarwegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in dit hoofdstuk gelden voor het beperkingengebied provinciale vaarwegen waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II bij deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-114\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.4</span><span class=\"lf-art-t\">Normadressaat</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk is van toepassing op degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-115\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.5</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Degene die activiteiten uitvoert in het beperkingengebied van de provinciale vaarwegen, anders dan overeenkomstig de functie daarvan, en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in Artikel 11.1 is verplicht; alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Deze plicht houdt in ieder geval in dat; het voor het vaarwegverkeer noodzakelijke uitzicht op of bij de vaarweg zo min mogelijk wordt belemmerd; geen gevaar wordt veroorzaakt voor de veiligheid of de doorstroming van het vaarwegverkeer; en de vaarweg niet wordt verontreinigd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-116\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.6</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerkvoorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk worden verbonden, met uitzondering van bepalingen over meldingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van bij of krachtens Afdeling 11.2.1, Afdeling 11.2.2, Afdeling 11.2.3 en Afdeling 11.2.4 gestelde regels, tenzij anders is bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Met een maatwerkvoorschrift worden Artikel 11.7, Artikel 11.8, Afdeling 11.3.1 en Afdeling 11.3.2 niet versoepeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-117\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.7</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene regels bij een melding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op Artikel 21.1 gelden de volgende regels bij een melding: een melding vervalt als met de uitvoering van een activiteit binnen zes maanden na het doen van de melding geen start is gemaakt. de melding met alle daarbij behorende gegevens en bescheiden is tijdens de uitvoering van de activiteit op de locatie aanwezig. Op verzoek van het bevoegd gezag wordt deze melding onmiddellijk getoond. de melder van de activiteit stelt tenminste 5 werkdagen voor aanvang van de activiteit de opzichter van de provincie Flevoland hiervan in kennis.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-118\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.8</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene regels bij een omgevingsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit in dit hoofdstuk wordt die alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het oogmerk genoemd in Artikel 11.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een omgevingsvergunning wordt niet geweigerd als door het stellen van voorschriften het te beschermen belang gelijkwaardig kan worden gediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Titel11.2 Regels vaarwegen Afdeling11.2.1 Regels met betrekking tot vaarwegactiviteiten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-119\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.9</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunning vaarwegactiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In het beperkingengebied Provinciale Vaarwegen is het verboden zonder omgevingsvergunning vaarwegverkeeractiviteiten uit te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Deze afdeling is niet van toepassing indien het stremmen of belemmeren van de scheepvaart door of namens het bevoegd gezag het gevolg is van extreem weer of calamiteiten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1110\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.10</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden gebruik te maken van spudpalen in provinciale vaarwegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden te ankeren in de provinciale vaarweg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.11</span><span class=\"lf-art-t\">Stremmen of belemmeren van de scheepvaart</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het vaarwegverkeer wordt alleen gestremd of belemmerd indien is voldaan aan de aanvraag- en publicatievereisten voor een stremming; indien er geen sprake is van hinder: de aanmelding voor stremming dient 1 week voor uitvoering te worden gedaan; er is geen publicatie voor de scheepvaart nodig. indien er sprake is van maximaal 2 uur hinder: de aanmelding voor stremming dient 2 weken voor uitvoering te worden gedaan; de publicatie voor het scheepvaartverkeer dient minimaal 1 week voor uitvoering te worden gepubliceerd. indien er sprake is van maximaal 2 dagen hinder: de aanmelding voor een stremming dient 6 weken voor uitvoering bij de vaarwegbeheerder te worden gedaan; de publicatie voor het scheepvaartverkeer dient minimaal 4 weken voor uitvoering te worden gepubliceerd. indien er sprake is van maximaal 7 dagen hinder: de aanmelding voor een stremming dient 8 weken voor uitvoering te worden gedaan; de publicatie voor het scheepvaartverkeer dient minimaal 6 weken voor uitvoering te worden gepubliceerd. indien er sprake is van maximaal 4 weken hinder: de aanmelding voor een stremming dient 26 weken voor uitvoering te worden gedaan; de publicatie voor het scheepvaartverkeer dient minimaal 13 weken voor uitvoering te worden gepubliceerd. indien er sprake is van meer dan 4 weken hinder: de aanmelding voor een stremming dient 52 weken voor uitvoering te worden gedaan; de publicatie voor het scheepvaartverkeer dient minimaal 39 weken voor uitvoering te worden gepubliceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij evenement zijn afwijkende voorwaarden met betrekking tot het stremmen van de scheepsvaart opgenomen in Artikel 11.30.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1112\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.12</span><span class=\"lf-art-t\">Schepen met afwijkende afmetingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een vaartuig die afwijkt van de toegestane afmetingen/diepgang wordt alleen geschut in die gevallen zoals opgenomen in Bijlage VII en Bijlage VIII en: indien er een aanvaardbare situatie is ten aanzien van de bereikbaarheid door hulpdiensten en de afwikkeling van het verkeer; buiten de bloktijden van 07.00 - 09.00 en 16.00 - 18.00 uur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1113\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.13</span><span class=\"lf-art-t\">Geen bediening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een vaartuig wordt alleen buiten bedientijden bediend in die gevallen zoals opgenomen in Bijlage IX.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1114\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.14</span><span class=\"lf-art-t\">Maximale snelheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De maximale snelheid op de vaarweg is 12 km/h.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een afwijking van de maximale snelheid is alleen toegestaan indien: het gaat om vaartuigen ten behoeve van hulpdiensten; of het gaat om vaartuigen ten behoeve van toezicht en handhaving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1115\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.15</span><span class=\"lf-art-t\">Watersport zonder schip</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Watersport zonder schip is alleen toegestaan indien: de activiteit niet binnen 50 meter van een brug plaatsvindt; de activiteit niet binnen 200 meter van de deuren van een sluis wordt uitgeoefend; of de activiteit niet wordt uitgeoefend in de Oostervaart.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1116\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.16</span><span class=\"lf-art-t\">Betreden sluiscomplexen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is enkel toegestaan een sluiscomplex te betreden indien: dit nodig is voor het passeren met een schip; dit nodig is voor het af- en opzetten van een voertuig door een schip op de daarvoor bestemde locaties; of er sprake is van een acute situatie of calamiteit voor hulpdiensten en hulpverleners.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling11.2.2Algemene regels met betrekking tot activiteiten in het beperkingengebied</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1117\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.17</span><span class=\"lf-art-t\">Verwijderen van werken, objecten en/of schepen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Bij een verruiming of wijziging van een vaarweg waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist, worden bouwwerken, werken die geen bouwwerk zijn of andere objecten, verplaatst of verlegd in het geval ze een belemmering vormen voor de voorbereiding of uitvoering van de werkzaamheden door of namens de vaarwegbeheerder.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien met de rechthebbende geen schriftelijke overeenstemming wordt bereikt over de termijn waarop het bouwwerk, werk of object wordt verplaatst of verlegd, stelt het bevoegd gezag die termijn bij maatwerkvoorschrift vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling11.2.3 Onderhoud en werkzaamheden aan de vaarweg</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1118\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.18</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunning werken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het beperkingengebied Provinciale Vaarwegen is het verboden zonder omgevingsvergunning werken te maken, plaatsen, hebben, wijzigen of verwijderen met betrekking tot de vaarweg, met inbegrip van; het bouwen, in stand houden en slopen van bouwwerken die daarmee samenhangen; het aanleggen, plaatsen, in stand houden en verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn, die daarmee samenhangen; en het wijzigen van de vorm, de loop, de constructie of het profiel van de vaarweg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1119\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.19</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunning kabels en leidingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het beperkingengebied Provinciale Vaarwegen is het verboden zonder omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot het aanleggen, houden, wijzigen en verwijderen van kabels en leidingen te verrichten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1120\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.20</span><span class=\"lf-art-t\">Technische eisen kabels en leidingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Kabels en leidingen moeten voldoen aan de volgende technische eisen: stalen transportleidingsystemen: de NEN 3650; stalen leidingen in kruisingen met belangrijke waterstaatswerken: de NEN 3651; stalen leidingen voor transport van gas, drinkwater en afvalwater, stuiklassen voor buizen en hulpstukken van PE met een dichtheid van tenminste 930 kg/m3: de NEN 7200; eisen, typebeproevingen, markering en kwaliteitsbeheersing voor roosters en deksels voor putten en kolken voor verkeersgebieden: de NEN-EN 124; kabels en leidingen zijn, met inachtneming van de te verwachte gronddruk, berekend op een verkeersbelasting volgens belastingmodel 3 (Load Model 3) conform NEN-EN 1991-2; kabels en leidingen ten behoeve van de riolering een dekking hebben van ten minste 1.00 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De normadressaat dient voorafgaand aan het leggen van een kabel of leiding een KLIC melding te doen en overleg te plegen met de betrokken netbeheerder.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1121\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.21</span><span class=\"lf-art-t\">Gestuurde boringen en persen bij bomen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Bij het leggen van kabels en leidingen nabij bomen wordt onder de bomen door geboord.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Er worden geen boomwortels afgehakt of beschadigd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1122\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.22</span><span class=\"lf-art-t\">Vaarwegkruisingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een kruising van een kabel of leiding met een vaarweg wordt: een mantelbuis gebruikt; een gestuurde boring toegepast; en een onderlinge afstand van ten minste 50 meter aangehouden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1123\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.23</span><span class=\"lf-art-t\">Slopen of verwijderen van kabels en leidingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Kabels en leidingen die niet meer in gebruik zijn worden te allen tijde verwijderd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1124\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.24</span><span class=\"lf-art-t\">Grondwerkzaamheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Grondwerkzaamheden met betrekking tot kabels en leidingen moeten onder de volgende omstandigheden worden uitgevoerd: ontgravingen dienen gescheiden plaats te vinden en aangevuld te worden; ontgravingen dienen na afloop van iedere dag te worden dichtgemaakt of, indien dit niet mogelijk is, dienen ontgravingen veilig te worden afgezet; opengebroken weggedeelten, bestratingen en ander in verband met de werkzaamheden aanwezige obstakels dienen duidelijk te worden gemarkeerd; kabels en leidingen dienen in den droge te worden gelegd of verlegd, zo nodig met behulp van bronbemaling van voldoende capaciteit nabij de verharding tot 0.25 meter beneden de onderkant van de boorbuizen of mantelbuizen; en de bovenste laag van de aanvulling mag geen puin bevatten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1125\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.25</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunning ligplaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In het beperkingengebied Provinciale Vaarwegen is het verboden om zonder een omgevingsvergunning: een ligplaats in te nemen door een schip of drijvend bouwsel; een schip of drijvend bouwsel te meren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod geldt niet voor vaartuigen en drijvende voorwerpen aangemeerd op plaatsen waarbij een van de verkeerstekens E.5 tot en met E.7.1 van bijlage 7 bij het Binnenvaartpolitiereglement en bijlage 7 van het Rijnvaartpolitiereglement zijn geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Een omgevingsvergunning voor de activiteiten in het eerste lid wordt in ieder geval niet verleend: ten behoeve van (semi-) permanente bewoning; ter hoogte van trailerhellingen; binnen 200 meter van sluizen; binnen 50 meter van bruggen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1126\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.26</span><span class=\"lf-art-t\">Ligplaatsen beroepsvaart</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 11.25 - eerste Lid, sub a voor het innemen van een ligplaats door de beroepsvaart wordt enkel toegestaan indien; de beroepsvaart de aanwezige kades en loswallen gebruikt ten behoeve van de naastgelegen bedrijvigheid; en de beroepsvaart tijdelijk gebruik maakt van de aanwezige kades en loswallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1127\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.27</span><span class=\"lf-art-t\">Ligplaatsen recreatievaart</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 11.25, eerste lid sub a voor het innemen van een ligplaats door de recreatievaart wordt enkel toegestaan indien; de ligplaats gelegen is aan een provinciale beheerstrook welke wordt gehuurd bij de provincie; het vaartuig het gebruik van de vaarweg niet belemmert; het vaartuig het beheer en onderhoud door de provincie van de oevers niet belemmert; het vaartuig niet langer is dan de breedte van het perceel waarbij aan de voor- en achterkant van de afmeerlocatie nog 1 meter tussenruimte over blijft; er sprake is van vrij zicht op de watergangen die aantakken op de provinciale vaarwegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is slechts toegestaan één recreatievaartuig af te meren.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Er mag alleen worden afgemeerd in het vaarseizoen van 1 april tot 1 november.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling11.2.4 Gebruik van de vaarweg</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1128\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.28</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunning voorwerpen en objecten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In het beperkingengebied Provinciale Vaarwegen is het verboden zonder omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteiten te verrichten met betrekking tot het storten, plaatsen, leggen, hebben, behouden of wijzigen van voorwerpen en objecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod geldt niet voor activiteiten die betrekking hebben op: het plaatsen, hebben, wijzigingen of verwijderen van verkeertekens en onderborden als bedoeld in artikel 4 van de Scheepvaartverkeerswet; en herdenkingstekens zoals bedoeld in Artikel 11.32.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1129\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.29</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunning borden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In het beperkingengebied Provinciale Vaarwegen is het verboden om zonder omgevingsvergunning borden te plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De voorzieningen zoals bedoeld in het eerste lid; mogen niet vast worden gemaakt aan bestaande bebording en/of OV-masten; mogen niet vast worden gemaakt aan bestaande constructies/steigers/afmeervoorzieningen/bruggen/sluizen etc.; moeten worden geplaatst met een extra 'schoor'; worden alleen op stalen palen bevestigd en met grondankers geplaatst; moeten minimaal 1.80 meter uit de zijkant van de verharding worden geplaatst; moeten zichtbaar zijn vanaf de vaarweg en het zicht op de verkeerstekens mag niet worden belemmerd; en de oevervegetatie/begroeiing mag niet zonder toestemming van de provincie worden verwijderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Voordat het bord wordt geplaatst, dient een KLIC-melding gedaan te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De voorzieningen zoals bedoeld in het eerste lid dienen in een goede staat van onderhoud te verkeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De voorzieningen zoals bedoeld in het eerste lid dienen daarnaast nog aan de volgende eisen te voldoen; voorzieningen mogen niet groter zijn dan 1 m2; voorzieningen mogen niet spiegelen; voorzieningen mogen niet fluoresceren; voorzieningen mogen niet zijn verlicht; en voorzieningen mogen geen bewegende delen bevatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Na verwijdering van de voorzieningen worden de bermen in oorspronkelijke staat teruggebracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1130\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.30</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunning evenementen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het beperkingengebied Provinciale Vaarwegen is het verboden om zonder een omgevingsvergunning een evenement te houden. Een vaarweg wordt ten behoeve van een evenement alleen gestremd indien: bij categorie 1 evenementen met een (inter)nationaal karakter; de stremmingsduur zo kort mogelijk wordt gehouden en er sprake is van een stremmingsduur van eenmalig maximaal 8 uur of 2 keer maximaal 6 uur op een dag waarbij er voor en na of tussen het evenement een periode van minimaal een uur is voor vrije doorvaart voor de scheepvaart in de periode van 1 april - 31 oktober; of de stremmingsduur zo kort mogelijk wordt gehouden en er sprake is van een stremmingsduur van maximaal 10 uur of waarbij er op werkdagen voor en na en in het weekend voor of na afloop van het evenement een periode van minimaal een uur is voor vrije doorvaart voor de scheepvaart in de periode van 1 november - 31 maart. bij categorie 2 evenementen die bepalend zijn voor Flevoland; de stremmingsduur zo kort mogelijk wordt gehouden en er sprake is van een stremmingsduur van eenmalig maximaal 6 uur of 2 keer maximaal 4 uur op een dag waarbij er voor en na of tussen het evenement een periode van minimaal een uur is voor de vrije doorvaart voor de scheepvaart in de periode van 1 april - 31 oktober; of de stremmingsduur zo kort mogelijk wordt gehouden en er sprake is van een stremmingsduur van maximaal 8 uur, of waarbij er op werkdagen voor en na en in het weekend voor of na afloop van het evenement een periode is van vrije doorvaart voor de scheepvaart in de periode van 1 november - 31 maart. bij categorie 3 evenementen die niet bepalend zijn voor Flevoland maar waarbij de organisatie wel een binding heeft met de betreffende vaarweg(en); de stremmingsduur zo kort mogelijk wordt gehouden en er sprake is van een zeer korte stremmingsduur van een eenmalig maximaal 2 uur en voor en afloop van het evenement een periode is van vrije doorvaart voor de scheepvaart van de vaarweg in de periode van 1 april - 31 oktober; of de stremmingsduur zo kort mogelijk wordt gehouden en er sprake is van een korte stremmingsduur van eenmalig maximaal 4 uur en voor en na afloop van het evenement een periode is van vrije doorvaart voor de scheepvaart in de periode van 1 november - 31 maart.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1131\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.31</span><span class=\"lf-art-t\">Meldingsplicht werkzaamheden nabij een sluiscomplex</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In het beperkingengebied Provinciale Vaarwegen is het verboden om zonder een voorafgaande melding werkzaamheden uit te voeren in of nabij een sluiscomplex.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het uitvoeren van werkzaamheden nabij een sluiscomplex wordt enkel toegestaan indien: bij het uitvoeren van de werkzaamheden te allen tijde de Arbowet in acht wordt genomen; en bij het uitvoeren van werkzaamheden ten minste één bhv'er aanwezig is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1132\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.32</span><span class=\"lf-art-t\">Meldingsplicht herdenkingstekens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In het beperkingengebied Provinciale Vaarwegen is het verboden om zonder voorafgaande melding herdenkingstekens te plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de vaarweg wordt een herdenkingsteken; op een deugdelijke wijze geplaatst; zonder knipperende, bewegende of verlichtende delen geplaatst; op minimaal 0.5 meter en maximaal 2 meter boven het maaiveld geplaatst; in de onverharde buitenberm op een afstand van tenminste 1.80 meter uit de kant van de oeverbeschoeiing geplaatst; in geval van meerdere slachtoffers wordt het een gecombineerde herdenkingsteken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het herdenkingsteken wordt na vijf jaar door de melder verwijderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Titel11.3 Gegevens en bescheiden Afdeling11.3.1 Algemene gegevens</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1133\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.33</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden omgevingsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit op basis van dit hoofdstuk worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag en worden die ondertekend en voorzien van: een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en de verwachte datum van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling11.3.2 Aanvullende gegevens en bescheiden voor activiteiten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1134\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.34</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden met betrekking tot vaarwegactiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 11.9 worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: activiteiten met betrekking tot stremmingen van het vaarwegverkeer; aard van de activiteit; datum en periode dat er gestremd gaat worden; en te treffen veiligheidsmaatregelen ten behoeve van het vaarwegverkeer. schepen met afwijkende afmetingen; reden van de aanvraag; afmetingen van het vaartuig; geplande route; datum en periode wanneer gevaren wordt; object(en) die gepasseerd gaan worden; datum en tijd dat de schutting plaats zou moeten vinden; te treffen veiligheidsmaatregelen ten behoeve van het vaarwegverkeer; en te treffen maatregelen ter beperking van schade. schepen die buiten bedientijden worden bediend; reden van de aanvraag; object(en) die gepasseerd gaan worden; datum / tijd dat de schutting plaats zou moeten vinden; te treffen veiligheidsmaatregelen ten behoeve van het vaarverkeer; en motivatie voor de afwijking van de bedientijden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1135\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.35</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden met betrekking tot werken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 11.18 worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling en in aanvulling op Artikel 11.33 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: als het gaat om het bouwen van een werk; een tekening of plattegrond van de betrokken locatie van de activiteit; een tekening van de voorgenomen constructie; een opsomming van de te gebruiken materialen; de te nemen maatregelen ten behoeve van de doorstroming van het vaarwegverkeer; en de verwachte begin- en einddatum van de activiteit. als het gaat om het verwijderen van een werk; de verwachte begin- en einddatum van de activiteit; en de te nemen maatregelen ten behoeve van de doorstroming van het weg- en/of vaar-wegverkeer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1136\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.36</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden met betrekking tot kabels en leidingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 11.19 worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling en in aanvulling op Artikel 11.33 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: een tekening of plattegrond van de betrokken locatie; een tekening van de voorgenomen constructie inclusief maatvoering; een opsomming van de te gebruiken materialen; en de verwachte begin- en einddatum van de activiteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1137\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.37</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden met betrekking tot ligplaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 11.25 worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: ten aanzien van beroepsvaartuigen; naam/titel van het schip; afmetingen van het schip; beoogde afmeerlocatie; en reden van afmeren. ten aanzien van recreatievaartuigen; naam/titel van het schip; afmetingen van het schip; beoogde afmeerlocatie; huurovereenkomst medegebruik provinciale beheerstrook; en huurovereenkomst ligplaats.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1138\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.38</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden met betrekking tot voorwerpen en objecten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 11.28 worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: een tekening of plattegrond van de betrokken locatie van de activiteit; een tekening van de voorgenomen constructie; een opsomming van de te gebruiken materialen; en de verwachte begin- en einddatum van de activiteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1139\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.39</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden met betrekking tot evenementen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 11.30 worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling en in aanvulling op Artikel 11.33 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt over: aard van het evenement; bebordingsplan; datum en periode dat er gestremd gaat worden; en te treffen veiligheidsmaatregelen ten behoeve van het vaarwegverkeer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1140\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.40</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden met betrekking tot een sluiscomplex</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op Artikel 21.1 en Artikel 21.2 worden bij een melding met betrekking tot een sluiscomplex, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt; het object/de objecten; welke activiteiten er worden uitgevoerd; te gebruiken gereedschappen; welke beheersmaatregelen er worden getroffen; en welke beschermingsmiddelen worden gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk12Watersysteem Titel12.1 Algemeen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-121\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.1</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van een robuust regionale watersysteem in Flevoland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-122\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.2</span><span class=\"lf-art-t\">Toedeling vaarwegbeheer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De provincie Flevoland is belast met het vaarwegbeheer op de openbare vaarwegen binnen Flevoland waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">Titel12.2 Omgevingswaarden Afdeling12.2.1 Regionale waterkeringen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-123\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.3</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing en geometrische begrenzing regionale waterkeringen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De regionale waterkeringen zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing indicatief is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het waterschap bepaalt de geometrische begrenzingen nader in de legger bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingswet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-124\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.4</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voor de veiligheid van regionale waterkeringen gelden de omgevingswaarden aangegeven in Bijlage X.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De omgevingswaarden voor elke regionale waterkering worden aangegeven als gemiddelde overschrijdingskans per jaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-125\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.5</span><span class=\"lf-art-t\">Termijn en aard omgevingswaarde</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De algemene vergadering van het waterschap draagt er zorg voor dat de regionale waterkeringen voldoen aan de omgevingswaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De omgevingswaarden voor de veiligheid van regionale waterkeringen zijn resultaatverplichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling12.2.2 Wateroverlast</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-126\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.6</span><span class=\"lf-art-t\">Geometrische begrenzing wateroverlast</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De geometrische begrenzing van het gebied binnen de bebouwde kom, bedoeld in artikel 12.8 en artikel 12.9, is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De geometrische begrenzing van de gebieden zonder omgevingswaarden wateroverlast, bedoeld in artikel 12.8 en artikel 12.9, is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De geometrische begrenzing van het gebied buiten de bebouwde kom, bedoeld in artikel 12.8 en artikel 12.9, is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-127\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.7</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingswaarden wateroverlast</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, gelden de omgevingswaarden bedoeld in Artikel 12.8, Artikel 12.9 en Artikel 12.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De omgevingswaarden voor de bergings- en afvoercapaciteit van regionale wateren zijn inspanningsverplichtingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-128\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.8</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingswaarden wateroverlast binnen bebouwde kom</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor het gebied binnen de bebouwde kom geldt een overstromingskans van ten hoogste 1/100 per jaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-129\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.9</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingswaarden wateroverlast buiten bebouwde kom</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor het gebied buiten de bebouwde kom geldt een overstromingskans van ten hoogste 1/50 per jaar en gemiddeld per deelgebied 1/80 per jaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.10</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijking omgevingswaarden wateroverlast</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van Artikel 12.8 en Artikel 12.9 gelden geen omgevingswaarden wateroverlast ten aanzien van onroerende zaken in de gebieden zonder omgevingswaarden wateroverlast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Titel12.3 Instructieregels Afdeling12.3.1 Gedeputeerde Staten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.11</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoud regionaal waterprogramma</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het regionaal waterprogramma bevat, onverminderd het bepaalde in artikel 4.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, één of meer kaarten met bijbehorende verklaring waarin de hoofdlijnen van het waterbeleid in beeld zijn gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling12.3.2 Waterschap Zuiderzeeland Paragraaf12.3.2.1Wateroverlast</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1212\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.12</span><span class=\"lf-art-t\">Inrichten regionale wateren conform normering wateroverlast</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De algemene vergadering van het waterschap draagt er zorg voor dat de regionale wateren zijn ingericht volgens de in Artikel 12.8 en Artikel 12.9 opgenomen omgevingswaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf12.3.2.2Waterbeheerprogramma</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1213\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.13</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoud waterbeheerprogramma</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het waterbeheerprogramma bevat in aanvulling op artikel 4.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, tenminste: een beschrijving van de bestaande toestand van het watersysteem waarover het beheer zich uitstrekt; het beleid inzake het beheer van het watersysteem gericht op de aan het watersysteem toegekende functies en doelstellingen; één of meer toelichtende kaarten waarop de bestaande en geplande waterstaatswerken zijn aangegeven en waarop een overzicht wordt gegeven van de bestaande en nagestreefde toestand van het watersysteem; een omschrijving van de maatregelen die door de beheerder en/of door derden moeten worden genomen om de in het regionaal waterprogramma en in het waterbeheerprogramma genoemde doelstellingen te bereiken, alsmede de fasering en prioriteitenstelling bij deze maatregelen; een raming van de kosten van de maatregelen, voor zover deze gedurende de planperiode tot stand worden gebracht, een overzicht van de wijze waarop deze worden gedekt, alsmede een indicatie van de kosten van door derden te nemen maatregelen als gevolg van het plan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het waterbeheerprogramma gaat vergezeld van een toelichting waarin tenminste is opgenomen de aan het plan ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van verrichte onderzoeken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1214\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.14</span><span class=\"lf-art-t\">Uitwerking waterbeheerprogramma</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In het waterbeheerprogramma kan worden bepaald dat het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap het waterbeheerprogramma of onderdelen daarvan moet of kan uitwerken volgens in het waterbeheerprogramma gegeven regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het besluit van het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap tot uitwerking van het waterbeheerprogramma maakt deel uit van het waterbeheerprogramma.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1215\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.15</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene voortgangsrapportage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap rapporteert tenminste eenmaal per jaar aan gedeputeerde staten over de voortgang van de uitvoering van het geldende waterbeheerprogramma, de mate waarin de gestelde doelen worden bereikt, de redenen van eventuele afwijkingen en de voorgestelde maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf12.3.2.3Peilbesluiten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1216\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.16</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing verplichte peilbesluiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De algemene vergadering van het waterschap stelt voor de oppervlaktewaterlichamen onder zijn beheer één of meer peilbesluiten vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedeputeerde staten verlenen op verzoek van het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap van het bepaalde in het eerste lid ontheffing ten aanzien van gebiedsdelen waar een regeling van de waterstand redelijkerwijs niet mogelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1217\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.17</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoud van het peilbesluit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het peilbesluit bevat onverminderd het bepaalde in artikel 2.41, lid 3 van de Omgevingswet: een kaart met de begrenzing van de gebieden waarbinnen oppervlaktewateren gelegen zijn waarop het peilbesluit betrekking heeft; en de te handhaven waterstanden, aangegeven in hoogte ten opzichte van NAP, met daarbij aangegeven de perioden en de peilvakken waarvoor de waterstanden gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het peilbesluit gaat vergezeld van een toelichting waarin tenminste zijn opgenomen: de aan het besluit ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de verrichte onderzoeken; en de verwachte grondwaterstanden waarop de gekozen waterstanden gebaseerd zijn en de afwijking ten opzichte van het optimale grond- en oppervlaktewater regime.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1218\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.18</span><span class=\"lf-art-t\">Herziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op een herziening en een wijziging van een peilbesluit zijn Artikel 12.16 en Artikel 12.17 van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf12.3.2.4Legger</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1219\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.19</span><span class=\"lf-art-t\">Legger waterstaatswerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De legger bevat onverminderd het bepaalde in artikel 2.39, lid 1 en 3 van de Omgevingswet in ieder geval: de dwarsprofielen van de regionale waterkeringen, oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden; en een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van de regionale waterkering, oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1220\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.20</span><span class=\"lf-art-t\">Uitzondering leggerplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen voor waterstaatswerken vrijstelling verlenen van de leggerplicht indien deze waterstaatswerken zich naar hun aard of functie niet lenen voor omschrijving van die elementen dan wel van geringe afmetingen zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1221\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.21</span><span class=\"lf-art-t\">Voorbereiding</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op voorbereiding van de legger.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf12.3.2.5Meten en beoordelen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1222\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.22</span><span class=\"lf-art-t\">Verslag toetsing watersysteem</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap brengt, vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de omgevingswaarden, bedoeld in Artikel 12.4, iedere zes jaar verslag uit aan gedeputeerde staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale waterkeringen onder zijn beheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verslag, bedoeld in het eerste lid, bevat een beoordeling van de veiligheid. Die beoordeling geschiedt onder meer in het licht van de omgevingswaarden, technische leidraad, hydraulische randvoorwaarden en voorschriften bedoeld in Artikel 12.4 en Artikel 12.23 en de legger bedoeld in Artikel 12.19.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap brengt, vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 12.8 en artikel 12.9, iedere zes jaar verslag uit aan gedeputeerde staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale wateren onder zijn beheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het verslag, bedoeld in het derde lid, bevat een beoordeling van de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht. Die beoordeling geschiedt onder meer in het licht van de omgevingswaarden en voorschriften bedoeld in artikel 12.8, artikel 12.9 en Artikel 12.24 en de legger bedoeld in Artikel 12.19.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Indien de beoordeling daartoe aanleiding geeft, bevatten de verslagen bedoeld in het eerste en derde lid een omschrijving van de voorzieningen die op een daarbij aan te geven termijn nodig worden geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Gedeputeerde staten kunnen afwijken van de termijn bepaald in het eerste en derde lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1223\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.23</span><span class=\"lf-art-t\">Toetsing regionale waterkeringen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De beoordeling van de veiligheid van regionale waterkeringen bedoeld in Artikel 12.22, tweede lid geschiedt op basis van de door de Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer ontwikkelde Leidraad toetsen op veiligheid regionale waterkeringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De hydraulische randvoorwaarden bedoeld in Artikel 12.22, tweede lid zijn afgeleid van de modellen Hydra-NL.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1224\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.24</span><span class=\"lf-art-t\">Rekenregels normering wateroverlast</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De gemiddelde overstromingskans, bedoeld in Artikel 12.9, wordt per deelgebied bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor de toetsing per deelgebied aan een overstromingskans van gemiddeld 1/80 per jaar, bedoeld in Artikel 12.9, geldt dat het totaal areaal van het gebied met een overstromingskans van lager dan 1/100 per jaar minimaal 1,5 keer zo groot is als het totaal areaal van het gebied met een overstromingskans tussen 1/50 per jaar en 1/80 per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Gebieden die niet voldoen aan de in Artikel 12.8 en Artikel 12.9 voorgeschreven norm onderwerpt het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap aan een technisch oordeel om de oorzaak daarvan te achterhalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Als uit het technisch oordeel, bedoeld in derde lid, blijkt dat sprake is van een knelpunt dan onderzoekt het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap in welke richting maatregelen genomen moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf12.3.2.6Projectprocedure voor waterstaatswerken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1225\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.25</span><span class=\"lf-art-t\">Projectprocedure</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Afdeling 5.2 van de Omgevingswet is van toepassing op de aanleg, verlegging of versterking van regionale waterkeringen als bedoeld in Artikel 12.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedeputeerde staten kunnen afdeling 5.2 van de Omgevingswet van toepassing verklaren op: de aanleg of wijziging van bergingsgebieden in regionale watersystemen, of de aanleg en wijziging van oppervlaktewaterlichamen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het tweede lid is van toepassing indien sprake is van aanleg of wijziging van bovenlokale betekenis en dit met spoed en op gecoördineerde wijze tot stand moet worden gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk13Zwemwater</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-131\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.1</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op de veiligheid en hygiëne van bezoekers van daartoe door gedeputeerde staten aangewezen zwemlocaties in oppervlaktewater.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-132\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.2</span><span class=\"lf-art-t\">Werkingsgebied zwemwater</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in dit hoofdstuk gelden voor de zwemlocaties waarvan de geometrische begrenzing indicatief is vastgelegd in Bijlage II.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-133\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.3</span><span class=\"lf-art-t\">Beheer en onderhoud zwemlocatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De houder van de zwemlocatie draagt zorg voor het beheer en onderhoud van de zwemlocatie gericht op de veiligheid en hygiëne voor de bezoekers.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-134\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.4</span><span class=\"lf-art-t\">Beheersmaatregelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De houder van de zwemlocatie neemt tijdig passende beheersmaatregelen indien sprake is van een situatie die een negatief effect heeft of redelijkerwijs kan hebben op de kwaliteit van de zwemlocatie en op de gezondheid en veiligheid van zwemmers.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De houder van de zwemlocatie informeert onverwijld gedeputeerde staten en de beheerder van het oppervlaktewaterlichaam indien sprake is van een situatie, bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk14Duurzame energie Titel14.1 Windenergie Afdeling14.1.11 Algemeen windenergie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-141\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.1</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerk windenergie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in de titel Windenergie zijn gesteld voor het cyclisch opschalen en saneren van windmolens zodat steeds meer windenergie met minder windmolens kan worden opgewekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-142\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.2</span><span class=\"lf-art-t\">Werkingsgebieden windenergie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De regels voor windenergie zijn gesteld voor het grondgebied van de provincie Flevoland, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een windgebied is een gebied in de provincie waar nieuwe windmolens -onder voorwaarden- mogelijk kunnen worden opgericht en waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het gebied buiten windgebied is het gebied in de provincie dat is gelegen buiten een windgebied en waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Een projectgebied is een gebied waarbinnen voldoende perspectief voor een initiatiefnemer is om een project van opschalen en saneren in zijn geheel te realiseren en waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het gebied binnen windgebied-buiten projectgebied is het gebied dat binnen het windgebied maar tevens buiten een projectgebied is gelegen en waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Een plaatsingszone is een zone binnen een projectgebied voor het plaatsen van nieuwe windmolens en waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-143\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.3</span><span class=\"lf-art-t\">Werkingsgebieden windenergie: aanwijzen en begrenzen projectgebieden, indieningsvereiste aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gedeputeerde staten kunnen in de omgevingsverordening projectgebieden in een windgebied aanwijzen en wijzigen. Het aanwijzen en wijzigen van de begrenzing van een projectgebied kan ambtshalve en op aanvraag plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een aanwijzing of wijziging van de begrenzing van een projectgebied wordt gebaseerd op een (voorstel tot aanpassing van een goedgekeurd) projectplan voor opschalen en saneren opschalen van windmolens. Het (aangepaste) projectplan toont de noodzaak van de aanwijzing of wijziging van de begrenzing aan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-144\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.4</span><span class=\"lf-art-t\">Werkingsgebieden windenergie: aanwijzen en begrenzen plaatsingszones, indieningsvereiste aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gedeputeerde staten kunnen in de omgevingsverordening plaatsingszones in een projectgebied aanwijzen en wijzigen. Het aanwijzen en wijzigen van de begrenzing in een projectgebied kan ambtshalve en op aanvraag plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een aanwijzing of wijziging van de begrenzing van een plaatsingszone wordt gebaseerd op een (voorstel tot aanpassing van een goedgekeurd) projectplan voor opschalen en saneren van windmolens. Het (aangepaste) projectplan toont de noodzaak van de aanwijzing of wijziging van de begrenzing aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling14.1.2 Activiteiten windenergie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-145\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.5</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod wijzing bestaand gebruik windmolens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden het gebruik -waaronder mede bouwen wordt verstaan- van een bestaande windmolen te wijzigen in een ander gebruik, waardoor het provinciaal grondgebied van Flevoland minder geschikt wordt voor het verwezenlijken van het beleid voor opschalen en saneren, inclusief ruimtelijke doelstellingen. Het verbod geldt niet voor gebruik dat nodig is vanwege het normale beheer en onderhoud van een windmolen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder een ander gebruik, als bedoeld in het eerste lid, wordt mede verstaan een vorm van gebruik die op grond van het geldende omgevingsplan is toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Een ander gebruik dat het provinciaal grondgebied van Flevoland minder geschikt maakt voor het verwezenlijken van het beleid voor opschalen en saneren inclusief ruimtelijke doelstellingen omvat in ieder geval: het wijzigen van een windmolen waardoor het vermogen, de levensduur en/of afmeting van de windmolen toeneemt (opschalen) zonder de daarbij behorende sanering; het vervangen van een bestaande windmolen door een nieuwe windmolen op dezelfde locatie danwel nabij die locatie zonder dat aangetoond is dat deze vervanging onderdeel uitmaakt van een project van opschalen en saneren. Daarbij maakt het niet uit of de nieuwe windmolen voor bepaalde of onbepaalde tijd is bedoeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het verbod genoemd in dit artikel geldt zolang en voor zover er nog geen onherroepelijk omgevingsplan is dat in overeenstemming is met het verbod.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-146\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.6</span><span class=\"lf-art-t\">Nieuwe windmolens alleen toegestaan conform een goedgekeurd projectplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Nieuwe windmolens zijn alleen toegestaan als deze passen binnen een door gedeputeerde staten goedgekeurd projectplan voor opschalen en saneren van windmolens dat gelegen is in het windgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een projectplan bevat in ieder geval: een voorstel voor een projectgebied en plaatsingszones; een beschrijving van de ruimtelijke invulling van het plan; inzicht in de haalbaarheid van het plan, waaronder compenserende maatregelen; een planning, waaronder begrepen de fasering van opschalen en saneren; inzicht in de invulling van de financiële participatie en de gebiedsgebonden bijdrage aan kwaliteitscompensatie; het voorstel voor de planparticipatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Per projectgebied wordt een goedgekeurd projectplan voor opschalen en saneren door een initiatiefnemer in zijn geheel uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De initiatiefnemer kan een samenwerkingsverband van meerdere partijen zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-147\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.7</span><span class=\"lf-art-t\">Hardheidsclausule</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ambtshalve of op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van een gemeente kunnen gedeputeerde staten een of meer bepalingen van Titel 14.1 Windenergie buiten toepassing verklaren of daarvan afwijkingen toestaan voor zover toepassing daarvan gelet op het doel en het belang dat de desbetreffende bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard jegens een belanghebbende. Dit kan binnen het grondgebied van de provincie Flevoland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling14.1.3 Instructieregels windenergie Paragraaf14.1.3.1Beoordelingsregels projectplan</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-148\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.8</span><span class=\"lf-art-t\">Projectplan: voorstel voor projectgebied en plaatsingszones</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een projectplan bevat een voorstel voor een projectgebied en plaatsingszones die in het windgebied liggen, weergegeven op een verbeelding met als ondergrond de GBKN 1:10.000.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-149\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.9</span><span class=\"lf-art-t\">Projectplan: eisen ruimtelijke invulling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een projectplan voldoet aan de volgende eisen inzake de ruimtelijke invulling: windmolens worden geplaatst in een opstelling; de rotorbladen draaien in eenzelfde richting; de windmolens hebben eenzelfde verschijningsvorm; de windmolens hebben een maximale ashoogte van 120 meter met daarbij steeds het maximaal haalbare vermogen per windmolen. Indien initiatiefnemer een hogere ashoogte van een windmolen wil voor een hoger vermogen (MW) dient te worden aangetoond dat het maximaal haalbare vermogen per turbine bij een windmolen met as-hoogte van 120 meter ontoereikend is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1410\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.10</span><span class=\"lf-art-t\">Projectplan: eisen bijdrage ten behoeve van het compenseren van de kwaliteit van het gebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een projectplan voldoet aan de volgende eisen inzake de bijdrage ten behoeve van het compenseren van de kwaliteit van het gebied: het projectplan maakt inzichtelijk hoe de beoogde ruimtelijke ontwikkeling inzake windenergie gepaard gaat met het verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in of in de directe omgeving van het projectgebied. de kwaliteitscompensatie kan zien op een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving. het projectplan bevat een voorstel voor de wijze waarop de kwaliteitscompensatie financieel, juridisch en feitelijk wordt geborgd en beschrijft hoe die past binnen de hoofdlijnen van het te voeren ruimtelijk beleid voor het gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De waarde van de kwaliteitscompensatie bedraagt gedurende de gebruikstermijn jaarlijks gemiddeld € 1.050,-- per MW opgesteld vermogen in de betreffende plaatsingszone. Er wordt jaarlijks geÏndexeerd. Indien een kwaliteitscompensatie als bedoeld in het eerste lid niet is verzekerd, wordt het omgevingsplan slechts vastgesteld indien een passende financiële bijdrage in een windmolenparkfonds is verzekerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1411\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.11</span><span class=\"lf-art-t\">Projectplan: eisen aan fasering opschalen en saneren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een projectplan voldoet aan de volgende eisen inzake de fasering van opschalen en saneren:</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle bestaande windmolens binnen het projectgebied worden gesaneerd;</p>\n<p class=\"lf-p\">De sanering wordt zeker gesteld met een bindende overeenkomst met de rechthebbende(n);</p>\n<p class=\"lf-p\">De sanering vindt plaats binnen een half jaar na de ingebruikname van de nieuwe windmolens in de plaatsingszones (saneringstermijn);</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien uit het projectplan blijkt dat het vanwege de economische uitvoerbaarheid noodzakelijk is om af te wijken van de saneringstermijn van een half jaar, kan een te saneren windmolen gedurende een aaneengesloten periode van maximaal vijf jaar gelijktijdig met de nieuwe windmolens in werking blijven, onder de voorwaarde dat zekerheid is gesteld met een bindende overeenkomst waaruit blijkt dat de sanering van de bestaande windmolen binnen die termijn van uiterlijk vijf jaar na ingebruikname is verzekerd;</p>\n<p class=\"lf-p\">De sanering van de windmolens wordt vastgelegd in een uitvoeringsprogramma dat de locatie van de windmolens vermeldt en het tijdstip waarop deze uiterlijk worden gesaneerd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het bepalen van de volgorde van de sanering wordt door initiatiefnemer de beoogde landschappelijke verbetering meegewogen, waarbij het uitgangspunt is dat het saneren van de oudste windmolens en van de windmolens nabij de nieuwe opstelling voorrang krijgt boven het saneren van de jongere windmolens en van de windmolens die verder weggelegen zijn van de nieuwe windmolenopstelling. Het projectplan maakt de gemaakte afweging inzichtelijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1412\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.12</span><span class=\"lf-art-t\">Projectplan: eisen financiële participatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een projectplan voldoet aan de volgende eisen inzake financiële participatie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het projectplan maakt inzichtelijk hoe de omgeving gelegenheid krijgt om financieel te participeren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het projectplan maakt inzichtelijk hoe die financiële participatie per fase op een eerlijke, eenvoudige en evenwichtige wijze wordt uitgewerkt;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Ten aanzien van de financiËle participatie gelden per fase de volgende eisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">In de ontwikkel- en bouwfase biedt initiatiefnemer in ieder geval aan bewoners en ondernemers gevestigd in het projectgebied, de gelegenheid om vanaf de eerste risicodragende (ontwikkel-)fase financieel risicodragend te participeren bij de ontwikkeling van de nieuwe windmolens binnen dat projectgebied;</p>\n<p class=\"lf-p\">In de exploitatiefase biedt initiatiefnemer alle bewoners en ondernemers die gevestigd zijn in Zuidelijk en Oostelijk Flevoland gelegenheid om financieel te participeren in de exploitatie van de nieuwe windmolens (vanaf de fase vanaf ingebruikname);</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt is dat in de exploitatiefase minimaal 2,5% van de initiële totale investeringsomvang door middel van participatie wordt ingevuld;</p>\n<p class=\"lf-p\">Van dit minimumpercentage van 2,5% wordt alleen afgeweken indien de initiatiefnemer kan aantonen dat er een gebrek aan belangstelling voor participatie bestaat dat niet te wijten is aan voldoende participatiemogelijkheden en/of communicatie daarover.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Uitgangspunten bij de financiële participatie zijn in elke fase:</p>\n<p class=\"lf-p\">De risico's en de verwachte financiële rendementen van de participatie worden helder in beeld gebracht;</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt een redelijke vergoeding gegeven voor het risico in relatie tot de potentiele winstgevendheid;</p>\n<p class=\"lf-p\">Participaties zijn vrij verhandelbaar, eventueel na een lock-in periode van maximaal 2 jaar;</p>\n<p class=\"lf-p\">De initiatiefnemer legt de mogelijkheden voor bewoners en ondernemers tot financiële projectparticipatie vast in een overeenkomst met de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1413\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.13</span><span class=\"lf-art-t\">Projectplan: eisen planparticipatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een projectplan maakt inzichtelijk hoe het draagvlak voor en burgerparticipatie bij het initiatief worden verzekerd en hoe de omgeving in een vroeg stadium van de planvorming actief wordt betrokken bij de uitwerking van het initiatief, daaronder in ieder geval doch niet limitatief begrepen de planvorming rond de nieuwe windmolenopstellingen en de mogelijke inrichting van plaatsingszones.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf14.1.3.2Beoordelingsregels werkingsgebieden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1414\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.14</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels aanwijzen en begrenzen projectgebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het aan te wijzen of de te wijzigen begrenzing van een projectgebied maakt deel uit van een goedgekeurd (aangepast) projectplan dat is gelegen in een windgebied;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een aanwijzing of wijziging van de begrenzing van het projectgebied heeft geen onevenredig negatief effect op de projecten voor opschalen en saneren binnen een eventueel resterend deel van het projectgebied en/of binnen de andere aangewezen projectgebieden of op de omgeving;</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Een wijziging van de begrenzing van een projectgebied is noodzakelijk vanwege veranderende omstandigheden, ontwikkelingen in de techniek of regelgeving, bedrijfseconomische redenen en de uitvoeringspraktijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1415\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.15</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels aanwijzen en begrenzen plaatsingszones</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De aan te wijzen of de te wijzigen begrenzing van een plaatsingszone maakt deel uit van een goedgekeurd (aangepast) projectplan voor het desbetreffende projectgebied;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een aanwijzing of wijziging van de begrenzing van een plaatsingszone vindt plaats op basis van een integrale afweging en evenwichtige balans tussen de omgevingskwaliteit, het maatschappelijk draagvlak en het economisch perspectief.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf14.1.3.3Beoordelingsregels omgevingsvergunningen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1416\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.16</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels omgevingsvergunning: tijdelijkheid windmolens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De realisatie van een nieuwe windmolen wordt uitsluitend toegestaan als deze deel uitmaakt van een goedgekeurd projectplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor de realisatie van een nieuwe windmolen binnen het grondgebied van de provincie Flevoland wordt uitsluitend een omgevingsvergunning voor een bepaalde aaneengesloten gebruiksperiode verleend, waarbij in ieder geval de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning worden verbonden: de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde aaneengesloten gebruiksperiode, die maximaal 25 jaar bedraagt; na het verstrijken van de gebruiksperiode als bedoeld in onderdeel a wordt de windmolen verwijderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf14.1.3.4Instructieregels omgevingsplan</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1417\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.17</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregels omgevingsplan: geen windmolens buiten een windgebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsplan sluit uit dat buiten windgebied nieuwe windmolens worden gerealiseerd of dat bestaande windmolens worden opgeschaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1418\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.18</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregels omgevingsplan: windmolens binnen een windgebied-plaatsingszones</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Binnen een windgebied voorziet een omgevingsplan, binnen twee jaar na de goedkeuring van een projectplan, uitsluitend in nieuwe windmolens in een plaatsingszone binnen een projectgebied conform dat projectplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een omgevingsplan mag op een locatie niet meer voorzien in een windmolen, zodra de gebruiksperiode (maximaal 25 jaar) van de omgevingsvergunning voor de betreffende windmolen op die locatie is verstreken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1419\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.19</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregels omgevingsplan: windmolens binnen een windgebied-projectgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen een windgebied voorziet een omgevingsplan, binnen twee jaar na de goedkeuring van een projectplan, in de sanering van alle windmolens binnen een projectgebied conform dat projectplan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1420\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.20</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregels omgevingsplan: windmolens binnen een windgebied-buiten projectgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen een windgebied voorziet een bestemmingsplan in een regeling die tegengaat dat er binnen windgebied-buiten projectgebied nieuwe windmolens worden gerealiseerd of dat bestaande windmolens worden opgeschaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf14.1.3.5Instructieregels hardheidsclausule</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1421\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.21</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels hardheidsclausule</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Er kan binnen het grondgebied van de provincie Flevoland alleen van een of meer bepalingen van titel Windenergie buiten toepassing worden verklaard of afwijking daarvan worden toegestaan, voor zover dit gelet op het doel en het belang dat de desbetreffende bepaling beoogt te beschermen, niet zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard jegens een belanghebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De statencommissie wordt gehoord over een voornemen om een of meer bepalingen van titel Windenergie buiten toepassing verklaren of daarvan afwijkingen toestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Titel14.2 Zonne-energie Afdeling14.2.1 Algemeen zonne-energie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1422\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.22</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerk zonne-energie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in de titel Zonne-energie zijn gesteld om ruimte te bieden aan grondgebonden opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied van Flevoland waarbij de ruimtelijke kwaliteit van het landelijke gebied niet onevenredig wordt aangetast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1423\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.23</span><span class=\"lf-art-t\">Werkingsgebieden zonne-energie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De regels voor grondgebonden opstellingen voor zonne-energie gelden voor het landelijk gebied van Flevoland, zijnde het landzijdige deel van Flevoland met uitzondering van bestaand stedelijk gebied, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een Uitzonderingsgebied voor zonne-energie op agrarische gronden is een gebied voor het realiseren en instandhouden van grondgebonden opstellingen voor zonneenergie op agrarische gronden en waarvan de geometrische begrenzing Is vastgelegd in Bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Uitzondering glastuinbouw i.r.t. zonne-energie in landelijk gebied is het gebied waaraan in een omgevingsplan de functie van glastuinbouw is toegedeeld en waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling14.2.2 Activiteiten ontwikkelruimte zonne-energie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1424\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.24</span><span class=\"lf-art-t\">Werkingsgebieden zonne-energie: aanwijzen uitzonderingsgebieden voor zonne- energie op agrarische gronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Provinciale staten kunnen in de omgevingsverordening uitzonderingsgebieden voor zonne-energie op agrarische gronden aanwijzen en wijzigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een aanvraag tot aanwijzing of wijziging van de begrenzing van een uitzonderingsgebied voor zonne-energie op agrarische gronden gaat vergezeld van een motivering die op basis van de Flevolandse zonneladder en bouwstenen voor zonne-energie zoals opgenomen in het provinciale beleid voor grondgebonden zon de toelaatbaarheid aantoont voor het realiseren van een opstelling voor zonne-energie op de betreffende agrarische gronden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1425\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.25</span><span class=\"lf-art-t\">Ontwikkelruimte zonne-energie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voor de realisatie van grondgebonden opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied van de provincie Flevoland is maximaal 1000 hectare netto beschikbaar. Hiervan is de eerste 500 hectare netto vanaf 15 november 2018 opengesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Na verzending van het evaluatieverslag als bedoeld in Artikel 14.27 kunnen gedeputeerde staten besluiten over de openstelling van de tweede 500 hectare netto ontwikkelruimte voor de realisatie van grondgebonden opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied van de provincie Flevoland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling14.2.3 Instructieregels zonne-energie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1426\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.26</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels omgevingsvergunning: tijdelijkheid grondgebonden opstelling voor zonne-energie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voor de realisatie van grondgebonden opstellingen voor zonne-energie wordt uitsluitend een omgevingsvergunning voor een bepaalde aaneengesloten gebruiksperiode verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Aan een omgevingsvergunning voor grondgebonden opstellingen voor zonne-energie verbindt het bevoegd gezag in ieder geval de volgende voorschriften:</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde aaneengesloten gebruiksperiode, die maximaal 25 jaar bedraagt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Na het verstrijken van de gebruiksperiode als bedoeld in onderdeel a wordt de grondgebonden opstelling voor zonne-energie verwijderd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1427\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.27</span><span class=\"lf-art-t\">Monitoring en evaluatie: zonne-energie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gedeputeerde staten monitoren de ontwikkeling van de in Artikel 14.25, eerste lid en Artikel 14.25, tweede lid genoemde ontwikkel-ruimte voor grondgebonden opstellingen voor zonne-energie en zenden provinciale staten hiervan uiterlijk binnen twee maanden na het vollopen van de afzonderlijke ontwikkelruimtes ter kennisname een evaluatieverslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het evaluatieverslag gaat in ieder geval in op: het verloop van de besluitvormingsprocedures voor grondgebonden opstellingen voor zonne-energie, de locaties waar grondgebonden opstellingen voor zonne-energie worden gerealiseerd, en de toetsing van grondgebonden opstellingen voor zonne-energie aan de bouwstenen van de Structuurvisie zon zoals opgenomen in het Omgevingsprogramma Flevoland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1428\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.28</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregels omgevingsplan zonne-energie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gerekend vanaf 15 november 2018 mag een omgevingsplan voorzien in grondgebonden opstellingen voor zonne- energie tot maximaal 500 hectare netto van het landelijk gebied van de provincie Flevoland’, waarvan de locatie en de omvang zijn aangegeven in de monitor met betrekking tot zonne-energie in het landelijk gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Vanaf het moment dat gelet op de monitor met betrekking tot zonne-energie in het landelijk gebied de eerste 500 hectare netto ontwikkelruimte als bedoeld in Artikel 14.25, eerste lid lid is volgelopen en de tweede 500 hectare netto ontwikkelruimte als bedoeld in Artikel 14.25, tweede lid een aanvang neemt, laat een nieuw(e wijziging van het) een omgevingsplan buiten de aangewezen uitzonderingsgebieden voor zonneenergie op agrarische gronden geen grondgebonden opstelling voor zonne-energie op agrarische gronden toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In afwijking van Artikel 14.28, tweede lid lid mag een nieuw(e wijziging van een) omgevingsplan een grondgebonden opstelling voor zonne-energie toelaten op gietwaterbassins in het gebied Uitzondering glastuinbouw i.r.t. zonne-energie in landelijk gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Vanaf het moment dat gelet op de monitor met betrekking tot zonne-energie in het landelijk gebied de eerste 500 hectare netto ontwikkelruimte als bedoeld In Artikel 14.25, eerste lid is volgelopen en de tweede 500 hectare netto ontwikkelruimte als bedoeld in Artikel 14.25, tweede lid een aanvang neemt mag een omgevingsplan voorzien in grondgebonden opstellingen voor zonne-energie tot in totaal maximaal 1000 hectare netto van het landelijk gebied van de provincie Flevoland, gerekend vanaf 15 november 2018, mits de locatie en de omvang zijn aangegeven in de monitor met betrekking tot zonne-energie in het landelijk gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Een omgevingsplan mag op een locatie niet meer voorzien in grondgebonden opstellingen voor zonne-energie, nadat de gebruiksperiode van de omgevingsvergunning voor de betreffende opstelling op die locatie is verstreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.In afwijking van het Artikel 14.28, vijfde lid mag een omgevingsplan, nadat de gebruiksperiode van de omgevingsvergunning voor de betreffende opstelling op die locatie is verstreken, blijven voorzien in grondgebonden opstellingen voor zonne-energie, indien voor die locatie opnieuw een omgevingsvergunning wordt verleend voor het realiseren van een nieuwe grondgebonden opstelling voor zonne-energie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk15Natuurnetwerk Nederland Afdeling15.1 Algemeen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-151\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel15.1</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerk en toepassingsgebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Dit hoofdstuk geeft regels als bedoeld in artikel 2.31a en 2.44 vierde lid van de Omgevingswet 2.De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op: het begrenzen, aanwijzen en beschermen van op het land gelegen Natuurnetwerk Nederland; het aanwijzen en veiligstellen van de wezenlijke kenmerken en waarden van de begrensde gebieden; het geven van een afwegingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen het Natuurnetwerk Nederland en voorwaarden voor herbegrenzing; het instellen van een registratie voor planologische besluiten bij het wijzigen van het Natuurnetwerk Nederland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-152\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel15.2</span><span class=\"lf-art-t\">Werkingsgebied en aanwijzing gebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De regels in dit hoofdstuk gelden voor het Werkingsgebied natuurnetwerk Nederland, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het Natuurnetwerk Nederland is de locatie, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II en op https://nnn.flevoland.nl/.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Compensatie NNN binnen het zoekgebied Oosterwold is de locatie die is vastgelegd in Bijlage II en op https://nnn.flevoland.nl/.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het kiekendieffoerageergebied is de locatie, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II en op https://nnn.flevoland.nl/.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland zijn vastgelegd op https://nnn.flevoland.nl/.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling15.2 Activiteiten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-153\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel15.3</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging begrenzing: saldobenadering en herbegrenzing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk kunnen alleen worden toegelaten indien de gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland of de wezenlijke kenmerken en waarden kunnen worden gewijzigd: ten behoeve van een combinatie van projecten of handelingen die tevens tot doel heeft de kwaliteit en kwantiteit van het Natuurnetwerk Nederland op gebiedsniveau per saldo te verbeteren, ten behoeve van andere activiteiten dan mogelijk gemaakt op grond van Artikel 15.5, eerste lid, sub b indien: een ingreep onvermijdelijk blijkt, er sprake is van een groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn, en de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. ten behoeve van de herijking van het Natuurnetwerk Nederland, naar aanleiding van wijziging in hogere beleidskaders en wet en regelgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De begrenzing van het Natuurnetwerk of de wezenlijke kenmerken en waarden kunnen worden gewijzigd: ten behoeve van een verbetering van de samenhang van het Natuurnetwerk Nederland, of een betere planologische inpassing van het Natuurnetwerk Nederland, voor zover: de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland worden behouden, en de oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland tenminste gelijk blijft. ten behoeve van een enkelvoudige ontwikkeling, voor zover: de aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden en de samenhang van het Natuurnetwerk Nederland beperkt is, de ontwikkeling per saldo gepaard gaat met een versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland en een vergroting van de oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland, ten behoeve van de aanwijzing compensatie NNN binnen het zoekgebied Oosterwold, ten behoeve van de begrenzing van het kiekendieffoerageergebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De wezenlijke kenmerken en waarden kunnen tevens worden gewijzigd naar aanleiding van natuurlijke ontwikkelingen in het gebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-154\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel15.4</span><span class=\"lf-art-t\">Verzoek wijziging begrenzingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Burgemeesten en wethouders kunnen verzoeken de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland en de wezenlijke kenmerken en waarden te wijzigen ten behoeve van een combinatie van projecten of handelingen als genoemd in Artikel 15.3, tweede lid, onderdeel a of een enkelvoudige ontwikkeling als genoemd in Artikel 15.3, derde lid onderdeel b.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verzoek om wijziging van de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland gaat vergezeld van een toelichting of onderbouwing waarin wordt aangetoond dat: de uitvoering en langdurige instandhouding van de versterking of vergroting van het Natuurnetwerk Nederland is gewaarborgd, de uitvoering van de versterking en vergroting uiterlijk aansluitend aan het realiseren van de enkelvoudige ontwikkeling plaats vindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Wanneer de beoogde ontwikkeling of activiteit ten behoeve waarvan het Natuurnetwerk Nederland is gewijzigd niet of niet geheel plaats vindt verzoeken burgemeester en wethouders tot het geheel of gedeeltelijk intrekken van de wijziging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling15.3 Instructieregels</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-155\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel15.5</span><span class=\"lf-art-t\">Gemeenteraad: Bescherming NNN</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een omgevingsplan, voor zover het betrekking heeft op een gebied binnen of nabij het aangewezen Natuurnetwerk Nederland: strekt mede tot bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van dat gebied, maakt alleen activiteiten mogelijk die per saldo niet leiden tot de achteruitgang van de kwaliteit en oppervlakte van het natuurnetwerk, vermindering van de samenhang tussen die gebieden of tot nadelige gevolgen voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-156\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel15.6</span><span class=\"lf-art-t\">Gedeputeerde Staten: Registratie begrenzing NNN</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gedeputeerde Staten houden een actuele en digitale registratie bij van de besluiten in verband met wijzigingen van het Natuurnetwerk Nederland.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De registratie is gericht op het inzichtelijk maken van een sluitende compensatieboekhouding en het volgen van de uitvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk16Natuurbescherming Titel16.1 Algemeen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-161\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel16.1</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk is van toepassing op: flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in afdeling 11.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; het vellen van houtopstanden en het herbeplanten van grond, als bedoeld in artikel 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; de Natura 2000-activiteiten, bedoeld in afdeling 11.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-162\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel16.2</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De regels over flora- en fauna-activiteiten en Natura 2000-activiteiten zijn gesteld met het oog op de natuurbescherming.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De regels over handelen volgens faunabeheerplan en de uitoefening van de jacht zijn gesteld met het oog op: de natuurbescherming; goed jachthouderschap; het voorkomen en bestrijden van schade door dieren; het waarborgen van de veiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De regels over het vellen en herbeplanten van houtopstanden zijn gesteld met het oog op: de natuurbescherming; de instandhouding van het bosareaal in Nederland; het beschermen van landschappelijke waarden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-163\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel16.3</span><span class=\"lf-art-t\">Werkingsgebied natuurbescherming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in dit hoofdstuk Natuurbescherming gelden voor het grondgebied van de provincie Flevoland, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">Titel16.2 Activiteiten Afdeling16.2.1 Natura 2000-activiteiten (gereserveerd) Afdeling16.2.2 Activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild Paragraaf16.2.2.1Flora- en fauna activiteiten: omgevingsvergunning andere soorten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-164\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel16.4</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerkregel bestrijding van schadeveroorzakende dieren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het verbod, bedoeld in artikel 5.1 tweede lid. aanhef en onder g van de wet in samenhang met artikel 11.54 eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning in het wild levende zoogdieren van de soorten, genoemd in bijlage IX onder A van het Besluit activiteiten leefomgeving, opzettelijk te doden of te vangen geldt niet als deze flora- en fauna-activiteiten door grondgebruikers worden verricht ter voorkoming of bestrijding van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren met betrekking tot de soorten en onder de voorschriften genoemd in Bijlage XI onder A..</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In aanvulling op het eerste lid geldt de vrijstelling uitsluitend: voor handelingen ter voorkoming van in het lopende of daarop volgende jaar dreigende schade; voor de grondgebruiker respectievelijk een door hem op grond van de artikelen 11.44, vijfde lid, 11.52, vijfde lid en 11.58, zesde lid van het Besluit activiteiten leefomgeving aangewezen persoon; op de door de grondgebruiker gebruikte gronden, in of aan door de grondgebruiker gebruikte opstallen, of in het omringende gebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-165\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel16.5</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningvrije activiteiten ruimtelijke inrichting of ontwikkeling bestendig beheer of onderhoud</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verboden, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid van de Omgevingswet, met uitzondering van het verbod tot opzettelijk doden, gelden niet voor soorten genoemd in Bijlage XI onder B ten aanzien van de belangen genoemd in artikel 11.56 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-166\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel16.6</span><span class=\"lf-art-t\">Bescherming vogels tegen landbouwwerkzaamheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De verboden, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid onder g van de Omgevingswet en artikel 11.37, eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden met uitzondering van het verbod tot doden, niet ten behoeve van activiteiten bestemd en geschikt voor de bescherming van vogels, hun nesten en eieren en hun niet vliegvlugge jongen tegen landbouwwerkzaamheden en vee.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De op basis van het eerste lid gevangen niet vliegvlugge jongen worden onmiddellijk na afloop van de landbouwwerkzaamheden bedoeld in het eerste lid weer in vrijheid gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-167\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel16.7</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijstelling amfibieen en ringslangen ter veiligstelling tegen verkeer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De verboden om in het wild levende dieren te vangen en opzettelijk te verstoren, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid onder g van de Omgevingswet en artikel 11.46, eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving, alsmede het verbod om amfibieen te vangen, als bedoeld in arikel 11.54, eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden niet ten aanzien van deze amfibieen en de ringslang indien de betrokken handelingen plaatsvingen ter veiligstelling van deze dieren tegen het verkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De in het eerste lid genoemde vrijstelling geldt slechts voor het vervoer van de dieren over een afstand van ten hoogtste 50 meter vanaf de vangplaats en voor zover de dieren na het vervoeren onmiddellijk weer in vrijheid worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De in het eerste lid genoemde vrijstelling geldt slechts voor het vervoer van de ringslang over een afstand van ten hoogste 100 meter vanaf de vangplaats en voor zover de dieren na het vervoeren onmiddellijk weer in vrijheid worden gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-168\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel16.8</span><span class=\"lf-art-t\">Sluiten van de jacht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gedeputeerde Staten kunnen bij besluit de jacht op wildsoorten beperken of stopzetten in de gehele provincie of een gedeelte daarvan zolang bijzondere weersomstandigheden dat noodzakelijk maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedeputeerde Staten kunnen bij besluit de vrijstelling, bedoeld in artikel 16.4, opschorten als dat noodzakelijk is vanwege bijzondere weersomstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling16.2.3 Activiteiten die houtopstanden betreffen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-169\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel16.9</span><span class=\"lf-art-t\">Activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling is van toepassing op het vellen van houtopstanden en het herbeplanten van grond na het vellen van houtopstanden als bedoeld in afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1610\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel16.10</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerkregel: vrijstelling meldplicht vellen houtopstanden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 11.126, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving is het in het eerste lid van artikel 11.126 geregelde verbod niet van toepassing op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheerders die meer dan 75 ha bos en natuur in de provincie Flevoland beheren en beschikken over een certificaat natuurbeheer afgegeven door de Stichting Certificering SNL, indien de grond, waarop de te vellen houtopstand zich bevindt, binnen drie jaar na velling of teniet gaan op bosbouwkundig verantwoorde wijze wordt herbeplant;</p>\n<p class=\"lf-p\">De vrijstelling als bedoeld onder a is niet van toepassing indien:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een afzonderlijke voorgenomen velling groter is dan 3 hectare;</p>\n<p class=\"lf-p\">De te vellen houtopstand niet ter plaatse wordt herplant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een beheerder die gebruik maakt van de vrijstelling als bedoeld onder a verstrekt gedeputeerde staten voor 1 oktober een overzicht over het voorafgaande jaar met: de omvang en ligging van de grond waarop herplantplicht rust per 1 oktober van het voorgaande jaar en de omvang en ligging van de grond waarop gedurende het voorgaande jaar bos is geveld of anderszins is teniet gegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts is het in artikel 11.126, eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving bepaakde niet van toepassing bij:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het maximaal 1 keer per 4 jaar kappen van verjongingsgaten indien deze groter zijn dan 1,5 maal de boomhoogte en gezamenlijk niet meer oppervlakte beslaan dan 10 procent van het bosperceel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vrijstellen van oevers van bestaande poelen en plassen over een breedte van 30 meter gerekend vanaf de bestaande gemiddelde voorjaarslijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het door natuurlijke ontwikkelingen te niet gaan van houtopstanden in de volgende gevallen: vernatting door natuurlijke processen en/of vernatting als onderdeel van anti- verdrogingsmaatregelen; op natuurlijke wijze teniet gaan van bossen op gronden die van nature geen bosvorming kennen; teniet gaan door vraat van bevers (Castor fiber).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1611\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel16.11</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerkregel: uitzondering op plicht tot herbeplanting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt de plicht tot herbeplanting niet wanneer het gaat om:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het door natuurlijke ontwikkelingen teniet gaan van houtopstanden indien dit het gevolg is van vernatting door natuurlijke processen of vernatting als onderdeel van anti-verdrogingsmaatregelen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Teniet gaan door vraat van bevers (Castor fiber), mits de stobben niet verwijderd worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1612\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel16.12</span><span class=\"lf-art-t\">Afbakening mogelijkheid maatwerkvoorschrift: plicht tot herbeplanting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In afwijking van artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving en met inachtneming van artikel 11.30 van het Besluit activeiten leefomgeving kunnen gedeputeerde staten bij maatwerkvoorschrift toestemming verlenen voor herbeplanting op andere grond dan de grond, bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving, eerste lid, indien:</p>\n<p class=\"lf-p\">De toestemming er niet toe leidt dat de oppervlakte van het oorspronkelijke bos kleiner wordt dan 15 hectare;</p>\n<p class=\"lf-p\">De andere grond is gelegen in de provincie Flevoland;</p>\n<p class=\"lf-p\">Beplanting van andere grond niet ten koste gaat van beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke waarden; onbeplant is en vrij van een herbeplantingsplicht als bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; vrij is van (natuur)compensatieverplichtingen; en geen wettelijke doelstelling kent die aan de herbeplanting in de weg staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij maatwerkvoorschrift kan van het eerste lid worden afgeweken als dit in overeenstemming is met het belang van een doelgerichte of evenwichtige besluitvorming, en naar het oordeel van gedeputeerde staten niet tot onevenredig bezwarende gevolgen zou leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Titel16.3 Handelen volgens faunabeheerplan Afdeling16.3.1 Faunabeheereenheid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1613\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel16.13</span><span class=\"lf-art-t\">Werkgebied en werkwijze faunabeheereenheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Er is één (1) faunabeheereenheid als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid van de Omgevingswet in de provincie Flevoland.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het werkgebied van de faunabeheereenheid omvat het gehele grondgebied van de provincie Flevoland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling16.3.2 Faunabeheerplan</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1614\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel16.14</span><span class=\"lf-art-t\">Eisen aan faunabeheerplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het faunabeheerplan bevat ten minste de volgende algemene gegevens: de omvang van het werkgebied van de faunabeheereenheid; een kaart waarop de begrenzing van het werkgebied van de faunabeheereenheid is aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het faunabeheerplan bevat voor wat betreft populatiebeheer en schadebestrijding ten minste de volgende nadere gegevens: kwantitatieve gegevens over de populatieontwikkeling van de diersoorten ten aanzien waarvan een duurzaam beheer en schadebestrijding noodzakelijk wordt geacht, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar; per diersoort een onderbouwing van de aard en de noodzaak van activiteiten om schade te voorkomen of beperken en een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar, en de perioden in het jaar waarin, deze activiteiten plaatsvinden; een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel b bedoelde belangen in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad, inclusief de getroffen beheermaatregelen waaronder het naar soort onderscheiden aantal gedode dieren; de huidige en gewenste stand van de in onderdeel a bedoelde diersoorten; per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de gewenste stand, bedoeld in onderdeel d, te bereiken en schade te voorkomen; per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de periode, bedoeld in onderdeel c, zijn verricht om het schaden van de in onderdeel b bedoelde belangen te voorkomen, alsmede, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen; voor zover het plan betrekking heeft op het beheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie van de betrokken dieren alsmede de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen; een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel e bedoelde handelingen zullen plaats vinden; voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de in onderdeel e bedoelde handelingen; een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen handelingen zal worden bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het faunabeheerplan bevat voor wat betreft de uitoefening van de jacht de volgende gegevens: kwantitatieve gegevens over de populatieontwikkeling van de diersoorten waarop wordt gejaagd; een overzicht van de gerealiseerde afschotgegevens per diersoort in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1615\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel16.15</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende eisen faunabeheerplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In een faunabeheerplan wordt aangegeven dat het plan een geldigheidsduur van ten hoogste 5 jaar heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De faunabeheereenheid kan het faunabeheerplan gedeeltelijk wijzigen gedurende het in het eerste lid genoemde tijdvak waarvoor het is vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van de faunabeheereenheid de in het eerste lid genoemde geldigheidsduur van het faunabeheerplan met maximaal twaalf maanden verlengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De faunabeheereenheid geeft in het faunabeheerplan het werkingsgebied van het plan weer.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het faunabeheerplan bevat ten minste de volgende algemene gegevens: de omvang van het werkgebied van de faunabeheereenheid; een kaart waarop de begrenzing van het werkgebied van de faunabeheereenheid is aangegeven; kaart werkgebieden van wildbeheereenheden in de provincie.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.In aanvulling op het in artikel 6.2, eerste en tweede lid van het Omgevingsbesluit daaromtrent bepaalde bevat het faunabeheerplan voor wat betreft populatiebeheer en schadebestrijding ten minste de volgende nadere gegevens: kwantitatieve gegevens over de populatieontwikkeling van de diersoorten ten aanzien waarvan een duurzaam beheer en schadebestrijding noodzakelijk wordt geacht, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar; per diersoort een onderbouwing van de aard en de noodzaak van activiteiten om schade te voorkomen of beperken en een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar, en de perioden in het jaar waarin, deze activiteiten plaatsvinden; een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel b bedoelde belangen in de 5 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad, inclusief de getroffen beheermaatregelen waaronder het naar soort onderscheiden aantal gedode dieren; de huidige en gewenste stand van de in onderdeel a bedoelde diersoorten; per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de gewenste stand, bedoeld in onderdeel d, te bereiken en schade te voorkomen; per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de periode, bedoeld in onderdeel c, zijn verricht om het schaden van de in onderdeel b bedoelde belangen te voorkomen, alsmede, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen; voor zover het plan betrekking heeft op het beheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie van de betrokken dieren alsmede de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen; een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel e bedoelde handelingen zullen plaats vinden; voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de in onderdeel e bedoelde handelingen; een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen handelingen zal worden bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Het faunabeheerplan bevat voor wat betreft de uitoefening van de jacht de volgende gegevens: kwantitatieve gegevens over de populatieontwikkeling van de diersoorten waarop wordt gejaagd; een overzicht van de gerealiseerde afschotgegevens per diersoort in de 5 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1616\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel16.16</span><span class=\"lf-art-t\">Reikwijdte faunabeheerplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het faunabeheerplan geldt voor het gehele werkgebied van de faunabeheereenheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1617\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel16.17</span><span class=\"lf-art-t\">Goedkeuring faunabeheerplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Teneinde voor goedkeuring als bedoeld in artikel 8.1, tweede lid van de Omgevingswet in aanmerking te komen, voldoet een faunabeheerplan aan de eisen, opgenomen in Artikel 16.14 en Artikel 16.15 van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een gehele of gedeeltelijke wijziging van het faunabeheerplan als bedoeld in Artikel 16.15, tweede lid en een verzoek als bedoeld in Artikel 16.15, derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Titel16.4 Wildbeheereenheid Afdeling16.4.1 Wildbeheereenheid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1618\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel16.18</span><span class=\"lf-art-t\">Omvang en begrenzing werkgebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Er zijn in Flevoland drie wildbeheereenheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een wildbeheereenheid heeft een aaneengesloten werkgebied met een duidelijke geografische begrenzing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De werkgebieden van de drie wildbeheereenheden zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Noordelijk Flevoland:</p>\n<p class=\"lf-p\">Land: Gemeente Noordoostpolder, Gemeente Urk Water: IJsselmeer Oostelijk Flevoland:</p>\n<p class=\"lf-p\">Land: Gebied ten oosten van de Knardijk Water: Ketelmeer, Randmeren ten oosten van N302 (aquaduct) Zuidelijk Flevoland:</p>\n<p class=\"lf-p\">Land: Gebied ten westen van de Knardijk Water: Flevolands deel Markermeer (inclusief dijk Enkhuizen-Lelystad), Randmeren ten westen N302 (aquaduct)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1619\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel16.19</span><span class=\"lf-art-t\">Jachthouders met jachtakte en verenigd in een wildbeheereenheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Jachthouders met een jachtakte, met een jachtveld dat met het geweer bejaagbaar is, gelegen in het gebied waarover zich de zorg van een wildbeheereenheid uitstrekt, zijn aangesloten bij deze wildbeheereenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De aansluiting zoals bedoeld in het eerste lid heeft de vorm van een lidmaatschap van de vereniging</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1620\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel16.20</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijstelling aansluitplicht wildbeheereenheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verplichting in Artikel 16.19 is niet van toepassing op medewerkers van Staatsbosbeheer, de Vereniging Natuurmonumenten of Stichting Flevolandschap, wanneer het jachtveld in eigendom is van deze organisatie, opvoorwaarde dat deze organisatie zich heeft aangesloten bij een faunabeheereenheid en op grond daarvan deelneemtaan de gegevensverzameling als bedoeld in Artikel 16.21 en de uitvoering van het faunabeheerplan ten aanzien vanwildsoorten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1621\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel16.21</span><span class=\"lf-art-t\">Rapportage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De wildbeheereenheid neemt, in het kader van het faunabeheerplan, deel aan trendtellingen van diersoorten, afschotregistratie en de registratie van dood-gevonden dieren voor het gehele gebied waarover zich de zorg van de wildbeheereenheid uitstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1622\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel16.22</span><span class=\"lf-art-t\">Lidmaatschap en geschillen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het lidmaatschap van een wildbeheereenheid kan worden opgezegd wanneer het lid bij de uitoefening van de jacht niet handelt conform het faunabeheerplan, dit ter beoordeling van het bestuur van de wildbeheereenheid, gehoord het bestuur van de faunabeheereenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De wildbeheereenheid stelt een geschillenregeling in die geschillen behandelt die voortkomen uit bestuursbesluiten zoals bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Titel16.5 Schade door in het wild levende dieren Paragraaf16.5.1Schade</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1623\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel16.23</span><span class=\"lf-art-t\">De aanvraag om tegemoetkoming in schade</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gedeputeerde Staten verstrekken een tegemoetkoming in schade als bedoeld in artikel 15.53 van de Omgevingswet alleen op aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een aanvraag om tegemoetkoming in schade als bedoeld in het eerste lid wordt door de aanvrager bij BIJ12 ingediend binnen zeven werkdagen nadat hij de schade heeft geconstateerd, met gebruikmaking van een daartoe vastgesteld formulier met bijlagen of via een vastgesteld electronische wijze.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Schade welke niet binnen 7 werkdagen na constatering door de aanvrager op het in het tweede lid vermelde formulier met bijlagen bij BIJ12 is ingediend, komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1624\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel16.24</span><span class=\"lf-art-t\">Taxatie van de schade</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De aanvrager zal het gewas, de teelt of de producten, waarop de aanvraag om tegemoetkoming betrekking heeft, niet eerder oogsten of anderszins van zijn bedrijf afvoeren, dan nadat de schade definitief is getaxeerd door de taxateur.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de aanvrager opmerkingen over het formulier \"bevestiging taxatie grondgebruiker\" kenbaar wil maken, zendt hij zijn reactie binnen acht werkdagen per e-mail of per post naar BIJ12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk17Geitenhouderijen Titel17.1 Algemeen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-171\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel17.1</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze titel zijn gesteld met het oog op het verbieden van nieuwvestiging en uitbreiding van geitenhouderijen om daarmee gezondheidseffecten in de omgeving te voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-172\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel17.2</span><span class=\"lf-art-t\">Werkingsgebied geitenhouderijen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in dit hoofdstuk gelden voor het grondgebied van de grondgebied van de provincie Flevoland met uitzondering van de rijkswateren, genoemd in bijlage II onder 1 onder A bij het Omgevingsbesluit en waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">Titel17.2Activiteiten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-173\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel17.3</span><span class=\"lf-art-t\">Tijdelijke Geitenstop</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is met ingang van 2 februari 2019 verboden om een nieuwe geitenhouderij te vestigen of op te richten en daarvoor onder andere: een dierenverblijf voor het houden van geiten op te richten, een bouwwerk, gebouw of gronden voor het houden van geiten in gebruik te nemen, een bouwwerk, gebouw of gronden tijdelijk te gebruiken voor het houden van geiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden voor een bestaande geitenhouderij gelegen binnen twee kilometer van de rand van een woonkern om het aantal geiten uit te breiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De verboden genoemd in het eerste en tweede lid gelden zolang en voor zover er nog geen onherroepelijk omgevingsplan is dat in overeenstemming is met die verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Titel17.3 Instructies omgevingsplan Afdeling17.3.1 Instructieregels omgevingsplan</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-174\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel17.4</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregels omgevingsplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een omgevingsplan sluit de nieuwvestiging van geitenhouderij uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij omgevingsplan worden aangewezen als vrijwaringszone geitenhouderijen de gebieden bestaande uit een zone van twee kilometer van de rand van een woonkern en wordt de geometrische begrenzing daarvan vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Een omgevingsplan sluit de uitbreiding van bestaande geitenhouderijen gelegen binnen twee kilometer van de rand van een woonkern uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De gemeenteraad stelt uiterlijk voor 1 januari 2025 een omgevingsplan vast met inachtneming van de regels uit dit hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk18Ontgassen binnenvaart Titel18.1 Algemeen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-181\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel18.1</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels zijn gesteld om zoveel mogelijk te voorkomen en te beperken van luchtverontreiniging, zodat een goede luchtkwaliteit wordt bereikt en de bescherming van de volksgezondheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-182\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel18.2</span><span class=\"lf-art-t\">Werkingsgebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk is van toepassing op de openbare vaarwegen binnen Flevoland, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">Titel18.2 Activiteiten Afdeling18.2.1 Verbodsbepaling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-183\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel18.3</span><span class=\"lf-art-t\">Verbodsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden om zonder omgevingsvergunning vanaf een binnenschip een milieubelastende activiteit te verrichten, voor zover het gaat om het ontgassen van een ladingtank met restladingdampen van: benzeen (UN-nummer 1114); ruwe aardolie met meer dan 10% benzeen (UN-nummer 1267); aardoliedestillaten N.E.G. met meer dan 10% benzeen of aardolieproducten N.E.G met meer dan 10% benzeen (UN 1268); brandstof voor straalvliegtuigen met meer dan 10% benzeen (UN 1863); brandbare vloeistoffen, N.E.G. met meer dan 10% benzeen (UN 1993), of koolwaterstoffen, vloeibaar met meer dan 10% benzeen (UN 3295).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Van een restladingdamp als bedoeld in het eerste lid, is sprake bij een concentratie van die damp in de ladingtank groter dan of gelijk aan 10% van de onderste explosiegrens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling18.2.2 Afwijking van verbodsbepaling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-184\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel18.4</span><span class=\"lf-art-t\">Voorafgaande belading</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, voor zover het gaat om het ontgassen van een ladingtank met restladingdampen, is niet van toepassing indien kan worden aangetoond dat de drie voorafgaande ladingen in de desbetreffende ladingtank niet bestonden uit stoffen als genoemd in Artikel 18.3, eerste lid of aangewezen krachtens Artikel 18.6, dan wel indien kan worden aangetoond dat de desbetreffende ladingtank bij de voorafgaande belading voor meer dan 95% gevuld was met een andere stof dan vermeld in Artikel 18.3, tweede lid of aangewezen krachtens Artikel 18.6.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-185\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel18.5</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheidsredenen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het gestelde verbod om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, voor zover het gaat om het ontgassen van een ladingtank met restladingdampen, is niet van toepassing, wanneer het ontgassen plaatsvindt: om redenen van drukverevening die om redenen van veiligheid moet plaatsvinden; tijdens of na een calamiteit met het binnenschip, indien het ontgassen om redenen van veiligheid noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling18.2.3 Instructieregels</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-186\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel18.6</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels ontgassen ladingtank</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning voor het ontgassen van een ladingtank met restladingdampen van aangewezen stoffen wordt alleen verleend indien het belang van het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van luchtverontreiniging zich daartegen niet verzet en wordt voldaan aan de in Artikel 18.3 bedoelde concentratie van damp(en).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk19Schaliegas Titel19.1Algemeen schaliegas</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-191\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel19.1</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerk opsporen en winnen schaliegas en schalieolie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels voor schaliegas zijn gesteld om ervoor te zorgen dat bij het opsporen en winnen van schaliegas en schalieolie de provinciale belangen niet worden geschaad.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-192\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel19.2</span><span class=\"lf-art-t\">Werkingsgebied: opsporen en winnen schaliegas en schalieolie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in dit hoofdstuk gelden voor het grondgebied van de provincie Flevoland, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">Titel19.2 Instructieregels schaliegas</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-193\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel19.3</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregels omgevingsplan: opsporen en winnen van schaliegas en schalieolie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In een omgevingsplan dat ziet op het toelaten van het opsporen of winnen van schaliegas en schalieolie wordt in de toelichting op het omgevingsplan basis van onderzoek gemotiveerd dat provinciale belangen niet worden geschaad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk20Kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving Titel20.1 Algemeen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-201\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.1</span><span class=\"lf-art-t\">Reikwijdte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk is van toepassing op de uitvoerings- en handhavingstaak bedoeld in artikel 18.18, tweede lid, en artikel 18.1 van de Omgevingswet door of in opdracht van gedeputeerde staten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-202\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.2</span><span class=\"lf-art-t\">Werkingsgebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in dit hoofdstuk gelden voor het grondgebied van de provincie Flevoland, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">Titel20.2 Instructieregels</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-203\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.3</span><span class=\"lf-art-t\">Betrokkenheid van provinciale staten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Provinciale staten zien toe op de hoofdlijnen van het beleid voor de kwaliteit van de uitvoerings- en de handhavingstaak in het licht van de voor de provincie vastgestelde beleidskaders voor de fysieke leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-204\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.4</span><span class=\"lf-art-t\">Kwaliteitsdoelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten beoordelen de kwaliteit van de uitvoerings- en handhavingstaak in het licht van daarvoor door hen gestelde doelen in de uitvoerings- en handhavingsstrategieën.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-205\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.5</span><span class=\"lf-art-t\">Kwaliteitsborging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Op de uitvoerings- en handhavingstaak door of in opdracht van gedeputeerde staten zijn de in Bijlage XII opgenomen kwaliteitscriteria van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedeputeerde staten rapporteren jaarlijks over de naleving van de kwaliteitscriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Voor zover de kwaliteitscriteria niet zijn of niet konden worden nageleefd, doen gedeputeerde staten daarvan gemotiveerd opgave.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het derde lid is niet van toepassing op de kwaliteitscriteria ten aanzien van de uitvoering en handhaving van activiteiten met betrekking tot installaties als bedoeld in bijlage I, categorie 4, bij de richtlijn industriële emissies en waarop de Seveso-richtlijn van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk21Procedures en Adviseurs Titel21.1 Meldingen en verstrekken van gegevens en bescheiden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel21.1</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene gegevens bij een melding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste: de aanduiding van de activiteit; de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; het adres waarop de activiteit wordt verricht; en de dagtekening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-212\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel21.2</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag worden die ondertekend en voorzien van: de aanduiding van de activiteit; de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; het adres waarop de activiteit wordt verricht; en de dagtekening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-213\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel21.3</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voordat de naam of het adres bedoeld in Artikel 21.1 en Artikel 21.2 wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-214\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel21.4</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden op verzoek van het bevoegd gezag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Op verzoek van het bevoegd gezag worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels en de maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de met de algemene regels te dienen belangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Titel21.2 Adviseurs</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-215\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel21.5</span><span class=\"lf-art-t\">Advies grondwaterbescherming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor een aanvraag om omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in Artikel 4.4, negende Lid en Artikel 4.6, tiende lid ten aanzien van verboden activiteiten in een beschermingsgebied voor grondwater en een waterwingebied zijn adviseur: burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de activiteit plaatsvindt of zal plaatsvinden; de directeur van het waterleidingbedrijf dat grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening onttrekt in Flevoland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Titel21.3 Gecoördineerde voorbereiding</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-216\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel21.6</span><span class=\"lf-art-t\">Gecoördineerde voorbereiding wijziging begrenzing Natuurnetwerk Nederland</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De voorbereiding en bekendmaking van de besluiten tot het wijzigen van de begrenzing van Natuurnetwerk Nederland in de omgevingsverordening als bedoeld in Artikel 15.3 en het vaststellen van het omgevingsplan voor de voorgenomen ontwikkeling worden in voorkomend geval gecoördineerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk22Overgangs- en slotbepalingen Titel22.1 Intrekking oude verordeningen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-221\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.1</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekken verordeningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De volgende verordeningen worden ingetrokken: de Omgevingsverordening Flevoland, het Reglement 2009 voor de Provinciale Omgevingscommissie Flevoland (POCF).</p>\n<p class=\"lf-p\">Titel22.2 Overgangsbepalingen Afdeling22.2.1 Overgangsrecht algemeen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-222\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.2</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht plannen, meldingen, ontheffingen en vergunningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Op procedures op grond van de Omgevingsverordening Flevoland die zijn aangevangen voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening blijft het op dat moment geldende recht van toepassing 2.De op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze verordening geldende besluiten die op grond van de Omgevingsverordening Flevoland of diens voorgangers zijn genomen, blijven van kracht zolang het bevoegde bestuursorgaan niet anders heeft beslist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Meldingen die op grond van de Omgevingsverordening Flevoland of diens voorgangers zijn afgedaan, worden gelijkgesteld met een melding op grond van deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-223\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.3</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht uitvoeringsregelingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Na de inwerkingtreding van deze verordening berusten beleidsregels, voor zover deze op het tijdstip onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening berustten op de Omgevingsverordening Flevoland of diens voorgangers, op deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-224\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.4</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht aanwijzing toezichthouders</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Na de inwerkingtreding van deze verordening berusten besluiten, voor zover deze op het tijdstip onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening berustten op artikel 17.6 van de Omgevingsverordening Flevoland, op artikel 18.6 van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling22.2.2 Overgangsrecht grondwaterbeschermingsgebieden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-225\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.5</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht algemene regels voor boorputten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een melding of een vergunning voor een inrichting op grond van de Grondwaterverordening Flevoland 1996 ondieper dan de aangegeven diepte in Bijlage XIII opgenomen kaart Boringsvrije zone overgangsrecht, die voor 1 september 2007 respectievelijk is ontvangen of verleend, wordt gelijkgesteld met een melding als bedoeld in Artikel 4.17 en Artikel 4.19.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-226\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.6</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht bodemverstoringen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een melding of een vergunning op grond van de Grondwaterverordening Flevoland 1996 voor een inrichting tot een diepte van 20 meter beneden maaiveld die voor 1 september 2007 respectievelijk is ontvangen of verleend wordt gelijkgesteld met een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 4.4, negende lid, en Artikel 4.6, tiende lid, indien voor de inrichting op de in Bijlage XIII opgenomen kaart Boringsvrije zone overgangsrecht een dieptegrens van 10 meter is opgenomen terwijl op grond van kaartnummer G6 van de Provinciale milieuverordening Flevoland een dieptegrens van 20 meter van toepassing was.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een bestaande bodemverstoring tot maximaal 20 meter beneden maaiveld, waarvoor de Grondwaterwet niet gold en binnen twee maanden na 1 september 2007 is gemeld, wordt gelijk gesteld met een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 4.4, negende Lid en Artikel 4.6, tiende lid, indien voor de bodemverstoring op de in Bijlage XIII opgenomen kaart Boringsvrije zone overgangsrecht een dieptegrens van 10 meter is opgenomen terwijl op grond van kaartnummer G6 van de Provinciale milieuverordening Flevoland een dieptegrens van 20 meter van toepassing was.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-227\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.7</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht voor onttrekkingen in derde watervoerende pakket</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Ontheffingen voor boorputten die op 22 december 2009 vallen onder het verbod als bedoeld in artikel 4.7 en 4.11 van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland blijven van kracht tot het moment dat het gebruik van de boorput wordt beëindigd of tot 1 januari 2025.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een boorput gelegen binnen een inrichting die valt onder het verbod van artikel 5.14, eerste lid onder a van de Omgevingsverordening Flevoland wordt gelijkgesteld met een boorput die valt onder het overgangsrecht als bedoeld in het eerste lid, indien: de boorput is opgericht vóór 22 december 2009, en het gebruik daarvan niet na 22 december 2009 is beëindigd, en door wijzigingen in landelijke regelgeving of door wijzigingen van activiteiten de inrichting is gewijzigd van type C in een type A of B zoals bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer en daardoor voor inwerkingtreding van de Omgevingswet is komen te vallen onder het verbod als bedoeld in artikel 5.14, eerste lid onder a van de Omgevingsverordening Flevoland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling22.2.3 Overgangsrecht grondwateronttrekkingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-228\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.8</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht grondwateronttrekkingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De artikelen 4.1149 tot en met 4.1156 van het Besluit activiteiten leefomgeving als ook de regels zoals opgenomen in paragraaf 5.2.2 van deze omgevingsverordening zijn niet van toepassing op een open bodemenergiesysteem waarvoor een vergunning is verleend en waarbij de aanvraag van die vergunning is gedaan voor 1 juli 2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De regels zoals opgenomen in Afdeling 5.2.3 zijn niet van toepassing op open bodemenergiesystemen in het in Artikel 5.12 bedoelde interferentiegebied die geïnstalleerd zijn vóór de datum waarin het interferentiegebied als bedoeld in Artikel 5.12 is aangewezen in de gemeentelijke verordening als bedoeld in artikel 2.2b, eerste lid van het Besluit omgevingsrecht dan wel in het omgevingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Een melding op grond van de Grondwaterverordening Flevoland 1996, gedaan voor 1 september 2007, die betrekking heeft op grondwateronttrekkingen dieper dan de op de in Bijlage XIII opgenomen kaart Boringsvrije zone overgangsrecht aangegeven maximale diepte wordt gelijkgesteld met een vergunning als bedoeld in artikel 6.4 van de Waterwet en daarmee op grond van artikel 4.13 van de Invoeringswet Omgevingswet gelijkgesteld aan een omgevingsvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling22.2.4 Overgangsrecht bescherming landschap</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-229\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.9</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht voor bescherming landschap</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ontheffingen of meldingen die op grond van de Verordening voor de fysieke leefomgeving 2012 en de Verordening fysieke leefomgeving Flevoland zijn afgedaan, worden gelijkgesteld met een omgevingsvergunning als bedoeld in Hoofdstuk 8 van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling22.2.5 Overgangsrecht wegen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.10</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht voor wegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor werken die op 1 september 2007 op grond van een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke toestemming van de provincie Flevoland of haar rechtsvoorgangers aanwezig waren, wordt de door deze verordening vereiste vergunning geacht te zijn verleend respectievelijk de vereiste melding te zijn gedaan als bedoeld in Hoofdstuk 9 van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling22.2.6 Overgangsrecht vaarwegen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.11</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht voor vaarwegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor werken die op 1 september 2007 op grond van een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke toestemming van de provincie Flevoland of haar rechtsvoorgangers aanwezig waren, wordt de door deze verordening vereiste vergunning geacht te zijn verleend respectievelijk de vereiste melding te zijn gedaan als bedoeld in Hoofdstuk 11 van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Titel22.3 Slotbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2212\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.12</span><span class=\"lf-art-t\">Evaluatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten zenden binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze verordening en vervolgens telkens om de vijf jaar, aan provinciale staten een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2213\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.13</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2214\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.14</span><span class=\"lf-art-t\">Citeertitel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening wordt aangehaald als \"Omgevingsverordening provincie Flevoland\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus besloten in de openbare vergadering van 1 november 2023Provinciale Staten van Flevolandgriffier, voorzitter,BijlageIBegripsbepalingen afmeren alle vormen waarbij een schip voor korte of langere tijd aan of dicht langs de oever van de vaarweg ligt, ongeacht waar dit is en op welke manier dit gebeurt (ketting, touw, anker, spudpalen, etc;); agrarische gronden gronden die worden ingezet voor de agrarische bedrijfsvoering ten behoeve het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren met uitzondering van: de (voormalige) agrarische bouwpercelen waar zelfstandige, bij elkaar horende bebouwing is toegelaten en bij de afwezigheid van een expliciet bouwperceel de voor bewoning en daarbij behorende voorzieningen zoals voor stalling en opslag bedoelde gebouwen bij het agrarisch (glastuinbouw) bedrijf; ashoogte van een windmolen de afstand vanaf het aansluitende afgewerkte terrein tot het middelpunt van de as, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein de afstand wordt gemeten vanaf het niveau van het afgewerkte terrein dat direct aansluit op de dichtstbijzijnde weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994; bebouwde kom bebouwde kom, vastgesteld krachtens artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; beheer en onderhoud van een windmolen het normale onderhoud en beheer, met dien verstande dat dit niet mag leiden tot een uiteindelijke (vrijwel) gehele vernieuwing of vervanging van de windturbine; bestaande geitenhouderij een geitenhouderij die op 2 februari 2019 in gebruik is in overeenstemming met het op dat moment geldende bestemmingsplan èn beschikt over de benodigde omgevingsvergunning(en) op grond van de op dat moment geldende Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, dan wel dat daar een ontvankelijke en vergunbare aanvraag voor is ingediend, of een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer is ingediend; bestaande windmolen een windmolen die 12 maart 2015 feitelijk bestaat dan wel mag worden opgericht en gebruikt conform een reeds verleende omgevingsvergunning;</p>\n<p class=\"lf-p\">BIJ12 uitvoeringsorganisatie van de gezamenlijke provincies, zijnde onderdeel van de Vereniging Interprovinciaal Overleg; bijbehorend bouwwerk Uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar wel of niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; boorput een door boring of verdringing gevormde kokervormige al dan niet opgevulde diepte; bord opschriften, aankondigingen, ver- of afbeeldingen, borden, vlaggen, spandoeken, bijbehorende constructies en kennelijk voor deze doeleinden gebezigde transportmiddelen en constructies, in welke vorm dan ook; bronaanpak het beperken of ongedaan maken van verontreiniging van de bodem in verband met het voorkomen of beperken van een inbreng van verontreinigende stoffen naar het grondwater; evenement tijdelijke, niet route-gebonden activiteiten zoals feesten, markten en braderieën; faunabeheerplan Faunabeheerplan als bedoeld in afdeling 16.3.2; gebouw Bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; geitenhouderij het houden van 10 geiten of meer; geluidbron toestel of activiteit in het kader van de ontwikkeling of bestemming van de in een omgevingsplan begrepen gronden; geluidniveau geluidniveau gemeten en berekend volgens voorschriften gegeven bij of krachtens de Omgevingswet; grondgebonden opstellingen voor zonne-energie een samenstel van bouwwerken of een andere constructie voor het opwekken van elektriciteit of warmte door het opvangen van de straling van de zon, geplaatst op het maaiveld of op water; Voor de toepassing van deze titel wordt met een grondgebonden opstelling voor zonne-energie gelijk gesteld, elke opstelling voor zonne-energie in het landelijk gebied, al dan niet op een dak, waarbij de oppervlakte aan zonnepanelen groter is dan één hectare; grondgebruiker degene die gerechtigd is de grond te gebruiken krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; grondwatersanering Het beheren, beperken of ongedaan maken van verontreiniging van het grondwater; infiltreren van water in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater; jacht Bemachtigen, opzettelijk doden of met het oog daarop opsporen van dieren van soorten, genoemd in artikel 8;3, vierde lid, en het doen van pogingen daartoe, in een jachtveld, in overeenstemming met de regels over de uitoefening van de jacht, gesteld op grond van artikel 4;3, eerste lid, onder k; jachthouder Degene die op grond van artikel 8;3 gerechtigd is tot het uitoefenen van de jacht in een jachtveld;</p>\n<p class=\"lf-p\">kwaliteitscriteria de vastgestelde kwaliteitscriteria gegrond op de in landelijke samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkelde en beschikbaar gestelde kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van organisaties die met de uitvoerings- en handhavingstaak zijn belast; ladingtank tank vast verbonden met een binnenvaartschip waarvan de wanden hetzij door de scheepsromp zelf, hetzij door van de scheepsromp onafhankelijke wanden zijn gevormd; ligplaats gelegenheid om een schip af te meren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Natuurnetwerk Nederland stelsel van natuurgebieden van internationaal of nationaal belang dat strekt tot de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten; nazorgvoorziening voorziening ter bescherming van het milieu, bedoeld in artikel 8;49 eerste en tweede lid Wet milieubeheer; omgevingsplan omgevingsplan (inclusief het tijdelijk deel van het omgevingsplan), projectbesluit, gemeentelijke project van publiek belang, omgevingsvergunning voor een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit; ontgassen afvoeren van restladingdamp uit een ladingtank waarbij restladingdampen terecht komen in de open lucht; openbare vaarweg elk binnen de provincie gelegen water dat openstaat voor openbaar scheepvaartverkeer met alle bijbehorende werken, voorzieningen en begroeiingen; opschalen vervangen van een bestaande windmolen door een windmolen met een groter vermogen en/of grotere afmetingen; opschalen en saneren aanpak gericht op het opwekken van meer windenergie met significant minder windmolens binnen Flevoland; prefab betonnen heipaal geprefabriceerde betonpaal met constante dwarsafmeting die middels heien is geïnstalleerd, met uitzondering van palen met verbrede voet en palen geschikt voor de uitwisseling van energie; projectplan door initiatiefnemer opgesteld plan dat uitsluitsel geeft over de wijze en de gronden (gebied) waarop een initiatiefnemer een project voor opschalen en saneren van wil realiseren; provinciaal belang een belang dat de provincie gelet op artikel 2.3 Omgevingswet kan behartigen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Provinciale Archeologische en Aardkundige Kerngebieden de gebieden Rivierduingebied Swifterbant, UNESCO-monument Schokland, Urk en omgeving en Om-geving Kuinderschans en Kuinderburcht die in het Omgevingsprogramma Flevoland zijn aangemerkt als Provinciaal Archeologische en Aardkundige Kerngebieden; reconstrueren het aanbrengen van wijzigingen op of aan een weg, parkeergelegenheid, terrein voor zover dit –al dan niet tijdelijk- voor gemotoriseerd verkeer openstaat, waterweg of spoorweg, die verandering brengt in de bestaande of te verwachten risico’s voor de grondwaterkwaliteit, met uitzondering van het uitvoeren van de gebruikelijke onderhoudswerkzaamheden; regionale waterkering een waterkering, niet zijnde een primaire waterkering als bedoeld in Bijlage E, onderdeel A; van de Omgevingswet, die beveiliging biedt tegen overstroming en die als zodanig is aangewezen in deze verordening; restladingdamp damp die na het lossen in de ladingtank achterblijft; risicobeoordeling grondwater risicobeoordeling grondwater als bedoeld in artikel 6.4 die, bij activiteiten die in staat zijn een bekende historische grondwaterverontreiniging te beïnvloeden, bepaalt of de activiteit leidt tot een onaanvaardbaar verspreidingsrisico van de bekende historische grondwaterverontreiniging; saneren het slopen en afvoeren van een bestaande windmolen tot minimaal een meter onder het maaiveld, waarbij de omgevingsplanregeling zodanig is (gewijzigd) dat herbouw van de windmolen met hetzelfde of een lager vermogen op of nabij de locatie van de gesaneerde windmolen blijvend onmogelijk is gemaakt; schadelijke stoffen stoffen, combinaties van stoffen, preparaten of andere producten, in welke vorm ook, waarvan hetzij in het algemeen, hetzij in het gegeven geval kan worden verwacht dat ze - op of in de bodem gebracht of gerakend - de bodem verontreinigen of kunnen verontreinigen; stoffen chemische elementen, verbindingen daarvan dan wel mengsels van die elementen of verbindingen; taxateur een taxateur die werkzaam is voor een door BIJ12 aangewezen taxatiebureau of een consulent faunazaken van BIJ12; toestel toestel : een toestel dat bij gebruik anders dan door menselijke energie geluidhinder kan veroorzaken, een luchtvaartuig daaronder niet begrepen, waaronder in ieder geval wordt begrepen: een airgun of soortgelijk apparaat en knalapparaat; een toestel om geluid elektrisch versterkt voort te brengen of een ander vergelijkbaar geluidsapparaat al dan niet gekoppeld aan een geluidsversterker, waaronder een muziekinstrument, een omroepinstallatie, een sirene en een hoorn;</p>\n<p class=\"lf-p\">een motorisch aangedreven werktuig met bijbehorende transportmiddelen, te gebruiken bij seismologisch onderzoek, opsporingsonderzoek naar de ontginning van bodemstoffen en de aanleg van kabels en buisleidingen in of op de bodem; een modelvliegtuig, modelboot en modelauto, indien deze wordt aangedreven door een verbrandingsmotor; een vuurwapen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Top-10 Archeologische Locaties de gebieden die een dwarsdoorsnede van de Flevolandse archeologie vertegenwoordigen en die in het Omgevingsprogramma Flevoland zijn aangemerkt als Top-10 Archeologische locatie; uitweg elke rechtstreekse, niet openbare ontsluitingsmogelijkheid naar of vanaf een in deze verordening bedoelde openbare weg; werk een grondwerk, wegenbouwkundig werk, waterbouwkundig werk of bouwwerk; wezenlijke kenmerken en waarden aanwezige natuurwaarden en, voor gebieden die bestemd zijn voor natuur of zijn aangewezen voor natuurdoeleinden, tevens de potentiële natuurwaarden en de daarvoor vereiste milieu condities; windmolen een turbine voorzien van rotorbladen geplaatst op een hoge mast, waarmee de bewegingsenergie van de lucht (wind) wordt omgezet in rotatie-energie voor het opwekken van elektriciteit, inclusief de bij dit bouwwerk behorende (infrastructurele) voorzieningen, met uitzondering van: maximaal 12 prototypes van windmolens op de testlocatie te Lelystad als integraal onderdeel van het kennis- en ontwikkelcentrum voor duurzame energie; solitaire windmolen op bedrijventerreinen in ‘hoofdkernen’ van het stedelijk gebied, zijnde de kernen Almere, Dronten, Emmeloord, Lelystad, Urk en Zeewolde, indien de windmolen overwegend een ander doel dient dan de opwekking van energie; kleine windmolen, waaronder wordt verstaan: windmolen in het stedelijk gebied met (tip)hoogte van maximaal 5 meter ten opzichte van de grond of het dak waarop hij is geplaatst; windmolen met een tiphoogte van maximaal 15 meter ten opzichte van het maaiveld, voor zover hij in het landelijk gebied op een (voormalig agrarisch) bouwperceel staat; woonkern een geïsoleerd rastervierkant of een aaneengesloten gebied van rastervierkanten van 500 x 500 meter waarvan ieder vierkant 25 woonadressen of meer bevat alsmede de (plan)gebiedenwaar de Intergemeentelijke structuurvisie Oosterwold en het bestemmingsplan Wellerwaard -partiële herziening betrekking op hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">BijlageIIOverzicht informatieobjecten bekende historische grondwaterverontreiniging beschermingsgebied voor grondwater Bremerberg 2 meter beschermingsgebied voor grondwater Harderbroek 11 meter beschermingsgebied voor grondwater Harderbroek 14 meter beschermingsgebied voor grondwater Harderbroek 17 meter beschermingsgebied voor grondwater Harderbroek 20 meter beschermingsgebied voor grondwater Harderbroek 8 meter beschermingszone Provinciale Archeologische en Aardkundige Kerngebieden beschermingszone Top-10 Archeologische Locaties binnen windgebied-buiten projectgebied boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 11 meter boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 14 meter boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 17 meter boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 20 meter boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 23 meter boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 26 meter boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 29 meter boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 32 meter boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 35 meter boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 38 meter boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 41 meter boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 44 meter boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 47 meter boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 8 meter bron van een bekende historische grondwaterverontreiniging buiten het margegebied historische grondwaterverontreiniging buiten windgebied Compensatie NNN binnen het zoekgebied Oosterwold gebied binnen de bebouwde kom gebied buiten de bebouwde kom gebieden zonder omgevingswaarden wateroverlast gesloten stortplaatsen grondgebied van de provincie Flevoland grondgebied van de provincie Flevoland met uitzondering van de rijkswateren grondwaterbeschermingsgebieden interferentiegebieden bodemenergiesystemen gemeente Urk invloedgebied stilte kiekendieffoerageergebied landelijk gebied van Flevoland luchthaven gelegen in de provincie Flevoland margegebied historische grondwaterverontreiniging Natuurnetwerk Nederland openbare vaarwegen binnen Flevoland plaatsingszone projectgebied provinciale vaarwegen provinciale wegen regionale waterkeringen stiltegebied Uitzondering glastuinbouw i.r.t. zonne-energie in landelijk gebied Uitzonderingsgebied voor zonne-energie op agrarische gronden waterwingebied Bremerberg 2 meter waterwingebied Fledite 26 meter waterwingebied Fledite 29 meter waterwingebied Fledite 32 meter waterwingebied Harderbroek 11 meter waterwingebied Harderbroek 14 meter Waterwingebied Spiekzand 35 meter windgebied zone beschermingsgebied voor grondwater zone boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland zone waterwingebied</p>\n<p class=\"lf-p\">zwemlocaties pdf: Beoordelingsregels uitwegen.PDF pdf: Geen bediening.PDF pdf: Kaart Boringsvrije zone overgangsrecht.PDF pdf: Kwaliteitscriteria VTH 2.3.PDF pdf: Schepen met afwijkende afmetingen I.PDF pdf: Schepen met afwijkende afmetingen II.PDF BijlageIIIBorden stiltegebied Borden stiltegebied Bijlage bij artikel 3.2, derde Lid BORDEN STILTEGEBIED BijlageIVBorden grondwaterbeschermingsgebieden Borden grondwaterbeschermingsgebieden Bijlage bij Artikel 4.2, vijfde lid BORDEN GRONDWATERBESCHERMINGSGEBIEDEN BijlageVParameters en meetfrequenties onttrekken grondwater en infiltratie water Tabel Parameters en meetfrequenties onttrekken grondwater en infiltratie water Bijlage bij Artikel 5.4 , derde Lid Parameter Afkorting Frequentie bacteriën van de coligroep 4 wekelijks kleur 4 wekelijks zwevende stof SS 4 wekelijks geleidingsvermogen voor elektriciteit 4 wekelijks temperatuur T 4 wekelijks zuurgraad pH 4 wekelijks opgelost zuurstof O2 4 wekelijks bicarbonaat HCO3 4 wekelijks nitriet NO2 4 wekelijks nitraat NO3 4 wekelijks ammonium NH4 4 wekelijks totaal fosfaat Totaal P 4 wekelijks fluoride F 3 maandelijks chloride Cl 4 wekelijks sulfaat SO4 3 maandelijks natrium Na 3 maandelijks ijzer Fe 3 maandelijks mangaan Mn 3 maandelijks chroom Cr 3 maandelijks lood Pb 3 maandelijks koper Cu 3 maandelijks zink Zn 3 maandelijks cadmium Ca 3 maandelijks arseen As 3 maandelijks cyanide CN 3 maandelijks minerale olie 4 wekelijks adsorbeerbaar organisch halogeen AOX 4 wekelijks vluchtig organisch gebonden chloor VOC 4 wekelijks vluchtige aromaten 4 wekelijks polycyclische aromaten PAK 3 maandelijks fenolen 3 maandelijks BijlageVIUitwegen Uitwegen Bijlage bij Artikel 9.12, tweede lid Beoordelingsregels uitwegen.PDF Beoordelingsregels uitwegen Situatietekening 2.1. Principedetail erf- of bedrijfsuitrit op provinciale weg (klinkers) Situatietekening 2.2. Principedetail erf- of bedrijfsuitrit op provinciale weg (asfalt) Situatietekening 2.3. Principedetail kaveluitrit op provinciale weg (klinkers) Situatietekening 2.4. Principedetail kaveluitrit op provinciale weg (asfalt) Situatietekening 2.5. Prinicipedetail kaveluitrit op provinciale weg (grasbeton) Situatietekening 2.5. Prinicpedetail kaveluitrit op provinciale weg (prefab betonplaten) BijlageVIISchepen met afwijkende afmetingen I Schepen met afwijkende afmetingen I Bijlage bij Artikel 11.12 Schepen met afwijkende afmetingen I.PDF</p></div>", "next": 239755}