{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">86[Toelichting: Deze intentieverklaring dient voor 1 juni 2014 ingediend te worden. In de intentieverklaring geeft het schoolbestuur aan dat zij voornemens is een inspanning te verrichten op bijvoorbeeld samenwerking in ontwikkeling doorlopende leerlijn, ontwikkeling van visie op cultuureducatie, activiteiten die bijdragen aan de deskundigheid van leerkrachten, vakdocenten en educatief medewerkers op het gebied van cultuureducatieactiviteiten die de relatie tussen school en en de lokale culturele omgeving versterken.] indien aanwezig, een overzicht van scholen die zich financieel en inhoudelijk committeren aan het gemeentelijk cultuureducatieplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">87[Toelichting: Hierbij is sprake van een ontwikkelmodel: aan deze voorwaarde moet voor 1 juni 2014 zijn voldaan.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4167\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.16.7</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.17 Cultuurmakelaars</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4171\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.17.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. cultuurmakelaar: een onafhankelijke adviseur, die ten dienste staat of in opdracht van culturele organisaties of gemeenten werkt;</p>\n<p class=\"lf-p\">88[Toelichting: De cultuurmakelaar wordt onder andere ingezet om contacten tussen de culturele organisaties te intensiveren, de deskundigheid van culturele organisaties te verbeteren, vernieuwend aanbod te onderzoeken en ondersteuning te bieden in het organiseren van cultuurprojecten.] b. culturele organisatie: een organisatie met een culturele doelstelling, die werkzaam is op ten minste één van de volgende disciplines: muziek, theater, beeldende kunst, erfgoed, literaire cultuur, cultuureducatie, podiumkunsten, volkscultuur en amateurkunst en ten minste twee jaar is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel; c. cultuurdisciplines: hieronder worden de volgende disciplines verstaan: muziek, theater, beeldende kunst en vormgeving, podiumkunsten, film, nieuwe media en literaire cultuur; d. samenwerkingsverband: de samenwerking tussen gemeenten of culturele organisaties, waarbij sprake is van financiële betrokkenheid bij de activiteit van alle betrokken partijen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4172\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.17.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor een cultuurmakelaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4173\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.17.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een aanvraag voor subsidie moet voldoen aan de volgende criteria: de aanvrager is een samenwerkingsverband van ten minste twee Overijsselse gemeenten, waarbij één van de gemeenten de aanvrager is; of een samenwerkingsverband van ten minste drie culturele organisaties, werkzaam in ten minste twee Overijsselse gemeenten, waarbij één van de culturele organisaties de aanvrager is; werkterrein van de cultuurmakelaar bevindt zich binnen de provinciegrenzen van Overijssel; de activiteiten van de cultuurmakelaar hebben betrekking op ten minste drie cultuurdisciplines binnen het werkterrein van de cultuurmakelaar;</div>\n<p class=\"lf-p\">89[Toelichting: Hiermee wordt beoogd dat de cultuurmakelaar als onafhankelijke intermediair op een breed cultureel terrein wordt ingezet met meerdere cultuurdisciplines.] er is aantoonbaar voor ten minste 50% voorzien in de co-financiering van de totale subsidiabele kosten;</p>\n<p class=\"lf-p\">90[Toelichting: Hierbij wordt een intentieverklaring van de partners die co-financieren geleverd.] de cultuurmakelaar wordt ingezet voor ten minste vier uur per gemeente per week voor een periode van twee aaneensluitende jaren; de inzet van de cultuurmakelaar bedraagt maximaal 24 uur per aanvraag; de gevraagde en te verlenen subsidie per aanvraag bedraagt ten minste € 25.000; als de subsidie een steunmaatregel is dan moet het voldoen aan artikel 2 van de de-minimisverordening.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Aanvullend op het eerste lid moet een subsidie voor een activiteit die zich afspeelt in de gemeenten Deventer, Enschede, Hengelo of Zwolle aan het criterium voldoen dat de cultuurmakelaar in ten minste één andere Overijsselse gemeente dan de gemeenten Deventer, Enschede, Hengelo of Zwolle voor ten minste vier uur per week wordt ingezet.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4174\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.17.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 55.000 per aanvraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4175\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.17.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van 1.1.5 eerste lid bedraagt het uurtarief van de cultuurmakelaar maximaal € 75 per uur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4176\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.17.6</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In afwijking van artikel 1.2.2 geldt dat een aanvraag kan worden ingediend: vanaf 1 januari 2013 en ontvangen moet zijn uiterlijk op 1 april 2013; vanaf 1 oktober 2014 en ontvangen moet zijn uiterlijk op 1 december 2014.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>[vervallen]</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4177\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.17.7</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidieverlening</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier ‘Cultuurmakelaars'.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid overlegt de aanvrager bij zijn aanvraag voor subsidie: een projectplan waarin is opgenomen een functieprofiel van de gewenste cultuurmakelaar, het aantal benodigde uren, de duur van de projectperiode, en een voorstel voor de regeling van het formeel werkgeverschap van de cultuurmakelaar een activiteitenplan met daarin het aantal, de aard en de frequentie van de activiteiten die worden uitgevoerd door de cultuurmakelaar, en de eventuele samenwerkingsafspraken tussen de vragende partijen over de taken en de inhoudelijke aansturing van de cultuurmakelaar; het ‘format Intentieverklaring Samenwerking Cultuurmakelaars' waarin de samenwerkende partners verklaren financieel aan het project bij te dragen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4178\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.17.8</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4179\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.17.9</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgrond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op 1.3.1 weigeren Gedeputeerde Staten een subsidie indien de financiering als bedoeld onder artikel 4.17.3 eerste lid onder sub d, een door de gemeente ontvangen provinciale subsidie is.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.18 Cultuurparticipatie</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4181\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.18.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. cultuurparticipatie: actief deelnemen aan kunst en cultuur op de volgende deelgebieden: beeldende kunst, volkscultuur, podiumkunsten, erfgoed, muziek en literatuur; b. amateurkunst: het actief beoefenen van kunst uit passie, liefhebberij of engagement, zonder daarmee primair in het levensonderhoud te willen voorzien; c. receptieve activiteit: activiteit waarbij de doelgroep passief kijkt of luistert naar kunst- of cultuuruitingen;</p>\n<p class=\"lf-p\">91[Toelichting: Hierbij gaat het bijvoorbeeld om een tentoonstelling in een museum, een concert, film, toneel- of dansvoorstelling.] d. innovatieve activiteiten: activiteiten op het gebied van amateurkunst of cultuurparticipatie die nieuw zijn voor de aanvrager met als doel de inhoudelijke of organisatorische innovatie of innovatie op het gebied van cultureel ondernemerschap te stimuleren;</p>\n<p class=\"lf-p\">92[Toelichting: Uit de aanvraag moet blijken dat de aanvrager een nieuw doel heeft, een nieuwe vorm van ondernemerschap ontplooit, een nieuwe doelgroep aanboort of een nieuwe artistiek inhoudelijke keuze maakt, ten opzichte van eerdere projecten of zijn reguliere werkzaamheden.] e. artistiek inhoudelijke kwaliteit: de artistiek-inhoudelijke kwaliteit van een activiteit moet blijken uit een gedegen artistieke of inhoudelijke invulling, een haalbaar organisatorisch plan voorzien van een begroting en een doordachte en realistische doelgroepbenadering; f. cultureel ondernemerschap: de aanvrager maakt gebruik van instrumenten en technieken uit de commerciële wereld om zoveel mogelijk kunstzinnig, artistiek-cultureel, zakelijk en maatschappelijk rendement te halen uit een activiteit; g. culturele ontwikkeling deelnemers: het vergroten van de interesse in cultuur en de mate waarin actief wordt deelgenomen aan culturele activiteiten van en door deelnemers; h. deelnemers: personen die actief deelnemen aan een culturele activiteit; i. marketingplan: in een marketingplan staat beschreven hoe de aanvrager de doelgroep(en) gaat benaderen en waarom dit op die manier gebeurt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4182\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.18.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten die aantoonbaar bijdragen aan de toename en ontwikkeling van cultuurparticipatie of amateurkunst en de culturele ontwikkeling van de deelnemers, in combinatie met ten minste twee van de volgende activiteiten: a. activiteiten die artistiek inhoudelijke innovatie beogen op het gebied van cultuurparticipatie, door samenwerkingen tussen verschillende amateurkunstdisciplines of samenwerkingen tussen de amateurkunstsector en professionele sector; b. innovatieve activiteiten ter verbetering van de deskundigheid van een culturele organisatie op het gebied van ledenwerving, vrijwilligersbeleid, publieksbereik, fondsenwerving, marketing en communicatie;</p>\n<p class=\"lf-p\">93[Toelichting: Het gaat hierbij om het borgen en verbreden van kennis en de know how van een organisatie op de genoemde gebieden.] c. innovatieve activiteiten op het gebied van cultureel ondernemerschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">94[Toelichting: Beoogd wordt dat culturele organisaties op een voor hen nieuwe wijze gebruik maken van instrumenten en technieken uit de commerciële wereld. Daarbij kun je denken aan crowdfunding, crowdsourcing of samenwerkingen met het bedrijfsleven. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4183\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.18.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie moet voldoen aan de volgende criteria: a. de aanvrager is een rechtspersoon; b. de activiteit vindt plaats binnen de provinciegrenzen van Overijssel; c. er is aantoonbaar voor ten minste 35% door de aanvrager of andere partijen dan de provincie Overijssel voorzien in de co-financiering van de totale subsidiabele kosten; d. de gevraagde en de te verlenen subsidie bedraagt ten minste € 5.000; e. de activiteit wordt afgerond uiterlijk 18 maanden na ontvangstdatum van de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">95[Toelichting: De aanvrager dient rekening te houden met het feit dat de termijn waarbinnen de activiteit moet zijn afgerond al begint te lopen op de datum van ontvangst van de aanvraag.] f. als de subsidie een steunmaatregel is dan moet het voldoen aan artikel 2 van de de-minimisverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4184\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.18.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 40% van de totale kosten van de subsidiabele activiteiten met een maximum van € 20.000.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4185\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.18.5</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In afwijking van artikel 1.2.2. geldt dat een aanvraag kan worden ingediend: vanaf 1 februari en ontvangen moet zijn uiterlijk op 1 april van het betreffende kalenderjaar; vanaf 1 september en ontvangen moet zijn uiterlijk op 1 november voor 19:00 uur van het betreffende kalenderjaar.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een onvolledige aanvraag kan na sluitingsdatum alleen volledig worden gemaakt voor zover het geen inhoudelijke aanvulling of wijziging van de aanvraag betreft.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4186\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.18.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De aanvraag voor subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het aanvraagformulier Cultuurparticipatie 2013 t/m 2016.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De aanvrager overlegt, in afwijking van artikel 1.2.1. tweede lid, bij zijn aanvraag voor subsidie: een projectplan waarin is omschreven: het doel van de activiteit; de artistiek inhoudelijke kwaliteit van de activiteit; de wijze waarop de activiteiten als bedoeld in 4.18.2 sub a, b of c worden bereikt; het aantal deelnemers; een gespecificeerde begroting, de geraamde kosten met dekkingsplan, geraamde opbrengsten inclusief een eventuele bijdrage van de deelnemers; een marketingplan betreffende de publieksgroep of -groepen die de aanvrager met het project wil bereiken en de marketinginstrumenten die worden ingezet.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4187\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.18.7</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4188\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.18.8</span><span class=\"lf-art-t\">Volgorde van behandeling</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedeputeerde Staten plaatsen de subsidieaanvragen in een prioriteitsvolgorde en verlenen de subsidie in volgorde van vastgestelde prioriteit voor zover het subsidieplafond dat toelaat.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De prioriteitsvolgorde als bedoeld in het eerste lid wordt bepaald op basis van de score die de activiteit behaalt voor de onderdelen zoals genoemd in scoretabel 1.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Bij gelijke score bepaalt de mate waarin wordt aangetoond dat er sprake is van co-financiering van partijen en de mate waarin deelnemers/publiek financieel bijdragen aan de activiteit de rangorde.</div>\n<p class=\"lf-p\">Scoretabel 1 Onderdeel Cijfer Weging Score 1 De mate waarin er sprake is van artistiek inhoudelijke kwaliteit Matig (1) Goed (2) Uitstekend (3) 20% (cijfer) x 0,2 = score 1 2 De mate waarin sprake is van een culturele ontwikkeling bij de deelnemers Matig (1) Goed (2) Uitstekend (3) 20% (cijfer) x 0,2 = score 2 3 De mate waarin sprake is van samenwerking tussen organisaties Matig (1) Goed (2) Uitstekend (3) 15% (cijfer) x 0,15 = score 3 4 De mate waarin sprake is van verbetering van de deskundigheid van de betrokken culturele organisaties Matig (1) Goed (3) Uitstekend (4) 15% (cijfer) x 0,15 = score 4 5 De mate waarin sprake is van cultureel ondernemerschap Matig (1) Goed (3) Uitstekend (4) 15% (cijfer) x 0,15 = score 5 6 De hoeveelheid deelnemers/publiek die een project bereikt Matig (1) Goed (3) 15% (cijfer) x 0,15 = score 6 Totale score = score 1 + score 2 + score 3 + score 4 + score 5 + score 6</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4189\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.18.9</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgrond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.3.1 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie: a. voor boekuitgaven, geluidsdragers, films of dvd's, aanschaf van audiovisuele middelen, muziekinstrumenten, kleding/uniformen, tentoonstellingen, congressen of beurzen; b. activiteiten met een receptieve doelstelling; c. activiteiten gericht op het ontwikkelen van cultuureducatief aanbod in het primair onderwijs; d. activiteiten op het gebied van de media met een journalistieke en informatieve invulling; e. activiteiten die gericht zijn op het realiseren van een beeld of geluidregistratie van bijvoorbeeld concerten en voorstellingen; f. activiteiten die primair gericht zijn op of plaatsvinden binnen het kunstvakonderwijs met inbegrip van de mbo-kunstopleidingen en de particuliere opleidingen; g. activiteiten die tot doel hebben subsidie te verwerven voor investeringen in bedrijfsmiddelen of bouwkundige voorzieningen;</p>\n<p class=\"lf-p\">96[Toelichting: Zoals bijvoorbeeld (pop)podia of tribunes.] h. activiteiten die primair gericht zijn op het realiseren van reguliere scholingsactiviteiten voor professionals; i. activiteiten die gefinancierd kunnen worden uit het reguliere taakstellingbudget van aanvragers; j. indien de aanvrager voor de activiteit al subsidie heeft ontvangen op basis van deze paragraaf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-41810\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.18.10</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de resultaten en de methodiek van het gesubsidieerde project overdraagbaar zijn aan andere partijen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.19 Erfgoed ‘Het verhaal van Overijssel'</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4191\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.19.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. archeologie: Overijsselse materiële overblijfselen van de menselijke geschiedenis die zich onder de grond bevinden. Ook grafheuvels, hunebedden, mottes en vergelijkbare overblijfselen van menselijk handelen in het verleden worden tot archeologie gerekend; b. cultureel erfgoed: Overijsselse gebouwen en bouwwerken die vanuit het verleden zijn overgebleven, die het waard zijn om behouden te blijven en die bijdragen aan de karakteristieke identiteit van het gebied; c. gebundelde aanpak: ten minste twee eigenaren nemen deel aan de activiteit; d. restauratiewerkzaamheden: noodzakelijke renovatiewerkzaamheden aan gevels, daken of cultuurhistorische elementen; e. streekcultuur: de Overijsselse gewoonten, gebruiken, tradities en rituelen uit het verleden, die voor mensen van nu betekenis hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">97[Toelichting: Hieronder wordt tevens immaterieel erfgoed verstaan.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4192\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.19.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor:</p>\n<p class=\"lf-p\">98[Toelichting: Het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd richt zich op ten minste één, en bij voorkeur meerdere, van de thema's archeologie, cultureel erfgoed of streekcultuur/immaterieel erfgoed. Het verbinden van meerdere thema's versterkt het project en levert daarom ook een hogere score op bij het bepalen van de prioriteitsvolgorde van de aanvragen.] a. activiteiten ter verbetering van de zichtbaarheid en toegankelijkheid van de archeologie, inclusief aardkundige waarden; b. de uitvoering van restauratiewerkzaamheden, inclusief voorbereidende werkzaamheden, aan cultureel erfgoed binnen een gebundelde aanpak. De restauraties dienen een substantiële bijdrage te leveren aan behoud, herstel of ontwikkeling van de karakteristieke identiteit van het gebied; c. activiteiten op het gebied van streekcultuur die: het verhaal en de geschiedenis achter een plek, karakteristiek gebouw of archeologische vondst uitdragen; of bijdragen aan het uitdragen en behouden van streektaal en streekcultuur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4193\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.19.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie moet voldoen aan de volgende criteria: a. de aanvrager is een rechtspersoon; b. de activiteit wordt uiterlijk 18 maanden na verzenddatum van de subsidiebeschikking afgerond; c. de gevraagde en te verlenen subsidie bedraagt ten minste € 7.500; d. de activiteit wordt uitgevoerd of begeleid door een deskundige uit het veld; e. als de subsidie een steunmaatregel is dan moet het voldoen aan artikel 2 van de de-minimisverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4194\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.19.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 40% van de subsidiabele kosten met maximum van € 100.000 per aanvraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4195\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.19.5</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In afwijking van artikel 1.2.1 geldt dat een aanvraag voor subsidie kan worden ingediend: vanaf 1 maart en ontvangen moet zijn uiterlijk op 1 april voor 19.00 uur van het betreffende kalenderjaar; vanaf 1 september en ontvangen moet zijn uiterlijk op 1 oktober voor 19.00 uur van het betreffende kalenderjaar.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een onvolledige aanvraag voor subsidie kan na sluitingsdatum alleen volledig worden gemaakt voor zover het geen inhoudelijke aanvulling of wijziging van de aanvraag betreft.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4196\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.19.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij de aanvraag voor subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Erfgoed \"Het Verhaal van Overijssel\".</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.2.1 bij de aanvraag tevens een projectplan waarin is uitgewerkt: welke subsidiabele activiteiten in het project aan elkaar worden verbonden; hoe de activiteit vorm geeft en bijdraagt aan het publieksbereik en de versterking van de identiteit van Overijssel; welke organisatie(s), met welke deskundigheid en ervaring, betrokken wordt/worden bij het project.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4197\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.19.7</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4198\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.19.8</span><span class=\"lf-art-t\">Volgorde van behandeling</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedeputeerde Staten plaatsen de subsidieaanvragen in prioriteitsvolgorde. Gedeputeerde Staten verstrekken de subsidie in volgorde van de vastgestelde prioriteit, voor zover het subsidieplafond dat toelaat.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De prioriteitsvolgorde als bedoeld onder het eerste lid wordt bepaald op basis van scoretabel 1.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Bij gelijke score bepalen de hoogte van de eigen bijdrage , zijnde het percentueel ten opzichte van de totale subsidiabele kosten, en het aantal betrokken partijen de rangorde.</div>\n<p class=\"lf-p\">99[Toelichting: De prioriteitsvolgorde wordt bepaald aan de hand van de totale score die het programma behaalt. Hierover adviseert de provinciale Monumentencommissie. Voor het berekenen van de score wordt Scoretabel 1 gebruikt.] Scoretabel 1 Onderdeel Cijfer Weging Score Het aantal subsidiabele activiteiten dat het project aan elkaar verbindt 1, 2 of 3 40% (Cijfer) x 0,4 = score 1 De mate van publieksbereik en de versterking van de Overijsselse identiteit matig (1), goed (3), uitstekend (4) 30% (Cijfer) x 0,3 = score 2 De mate van verankering van de betrokken deskundigheid bij het project matig (1), goed (3), uitstekend (4) 30% (Cijfer) x 0,3 = score 3 Totale score = score 1 + score 2 + score 3</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4199\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.19.9</span><span class=\"lf-art-t\">Adviescommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvragen worden voorgelegd aan de provinciale Monumentencommissie, die advies uitbrengt en de aanvragen in een prioriteitsvolgorde plaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">100[Toelichting: De commissie kan op het terrein streekcultuur/immaterieel erfgoed aanvullend advies inwinnen bij het Nederlands Centrum voor Volkscultuur en Immaterieel Erfgoed. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-41910\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.19.10</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgrond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.3.1 wordt de subsidie geweigerd indien: a. het een aanvraag betreft voor enkel het uitbrengen van een boek; b. de aanvrager voor de activiteit al subsidie heeft ontvangen op basis van dit Uitvoeringsbesluit.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.20 Restauratie Rijksmonumenten</h3>\n<p class=\"lf-p\">101[Toelichting: Met ingang van 2012 heeft het Rijk middelen voor de restauratie van rijksmonumenten overgedragen aan de provincies. Overijssel ontvangt hiervoor jaarlijks een bedrag van € 1.249.181. Met het Rijk is afgesproken dat deze middelen worden aangevuld. Deze regeling is staatssteunproof. De Nationale Monumentenregeling kan gebruikt worden voor steun monumenten. Steunmaatregelen op basis van deze regeling hoeven niet aangemeld te worden bij de Europese Commissie. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4201\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.20.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze regeling wordt verstaan onder: a. Brim: Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten; b. herbestemmingsopgave: cultureel erfgoed krijgt door aanpassing aan nieuwe functies en economische dragers een duurzame bestemming; c. herbouwwaarde: kosten om een beschermd monument of zelfstandig onderdeel in zijn geheel opnieuw te vervaardigen, met dezelfde constructie, materiaalsoorten en detaillering, zoals blijkt uit de voor het monument afgesloten verzekeringspolis of een door een verzekeraar geaccepteerde taxatie; d. inspectierapport: rapport dat de technische of fysieke staat van een beschermd monument of zelfstandig onderdeel beschrijft, en dat is opgesteld door een ter zake deskundige persoon of instantie; e. POM: een professionele organisatie voor monumentenbehoud zoals bedoeld in hoofdstuk 3 van de Subsidieregeling instandhouding monumenten; f. rijksmonument: een van rijkswege beschermd monument of zelfstandig onderdeel, niet zijnde een groen monument als bedoeld in de Subsidieregeling instandhouding monument hoofdstuk 1 artikel 1.a of archeologisch monument als bedoeld in de Monumentenwet 1988 hoofdstuk 1 artikel 1.c, en niet zijnde een woonhuis; g. Sim: de Subsidieregeling instandhouding monumenten zoals gepubliceerd in de Staatscourant van 9 oktober 2012; h. woonhuis: beschermd monument of zelfstandig onderdeel dat in oorsprong is vervaardigd voor bewoning of dat thans voor meer dan de helft van de oppervlakte voor bewoning in gebruik is, met dien verstande dat niet als woonhuizen worden aangemerkt: gebouwen die deel uitmaken van een geregistreerd museum, kerkgebouwen, kastelen, paleizen, het hoofdhuis van buitenplaatsen, landhuizen, gebouwen van liefdadigheid, molens, gemalen, agrarische gebouwen en watertorens.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4202\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.20.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de restauratie van een rijksmonument.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4203\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.20.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie moet voldoen aan de volgende criteria: a. de aanvrager is de eigenaar van het rijksmonument; b. het rijksmonument bevindt zich binnen de Overijsselse provinciegrenzen; c. de subsidiabele kosten voor rijksmonumenten, niet zijnde molens, bedragen ten minste 6% van de herbouwwaarde;</p>\n<p class=\"lf-p\">102[Toelichting: De Sim, de instandhoudingsregeling van het Rijk, richt zich op planmatig onderhoud. Daarbij wordt gebruik gemaakt van een rekenmodel dat stelt dat een investering voor sober onderhoud in beginsel gelijk is aan 0,5 % van de herbouwwaarde per jaar. Omdat de Sim subsidie verstrekt voor een zesjarig instandhoudingsplan komt dit neer op 3% van de herbouwwaarde in zes jaar. De provinciale regeling richt zich op restauraties die het reguliere onderhoudswerk overstijgen. Hierbij wordt uitgegaan van restauratiewerkzaamheden die niet binnen twee onderhoudsperiodes kunnen worden gerealiseerd. Dat betekent dat de restauratieopgave voor de provinciale subsidieregeling groter moet zijn dan 6% van de herbouwwaarde.] d. de subsidiabele kosten voor rijksmonumentale molens bedragen ten minste € 120.000;</p>\n<p class=\"lf-p\">103[Toelichting: De Sim, de instandhoudingsregeling van het Rijk, maakt voor het berekenen van de onderhoudskosten aan molens geen gebruik van de herbouwwaarde. Deze methode volstaat bij molens niet, omdat de bewegende onderdelen van molens harder slijten dan \"gewone\" monumenten. De subsidiabele kosten voor molens in de Sim zijn daarom voor zesjarig onderhoud vastgesteld op maximaal € 60.000. De provinciale regeling zich richt op restauratiewerkzaamheden die niet binnen twee onderhoudsperiodes kunnen worden gerealiseerd. Dat betekent dat de restauratieopgave voor molens voor de provinciale subsidie groter moet zijn dan € 120.000. ] e. de restauratie wordt uitgevoerd door, of in samenwerking met, een aantoonbaar deskundig restauratiebedrijf; f. op de restauratie wordt ten minste één leerlingplaats voor een leerling in de restauratiebouw gerealiseerd;</p>\n<p class=\"lf-p\">104[Toelichting: Om ook in de toekomst vakkundig en kwalitatief hoogstaand restauratiewerk mogelijk te maken is het noodzakelijk dat restauratieleerlingen worden opgeleid voor dit specialistische vak. Zonder de benodigde praktijkervaring is het succesvol afronden van een leertraject niet mogelijk. De provincie hecht er daarom aan dat op projecten die subsidie ontvangen voor restauratie voor ten minste één leerling in de restauratiebouw een leerlingplaats wordt gerealiseerd. Indien de aard van de werkzaamheden de inzet van leerlingen uitsluit overlegt de aanvrager hierover een verklaring van het restauratiebedrijf. Gedeputeerde Staten kunnen deze verklaring ter beoordeling aan de provinciale Monumentencommissie voorleggen.] g. de exploitatie van het rijksmonument is voor ten minste vijf jaar gegarandeerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4204\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.20.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 70% van de subsidiabele kosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4205\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.20.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.1.5. eerste lid is voor de berekening van de subsidiabele kosten artikel 4 van de Sim van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4206\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.20.6</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In afwijking van artikel 1.2.2 geldt dat een aanvraag voor subsidie kan worden ingediend vanaf 1 juni en ontvangen moet zijn uiterlijk op 1 augustus voor 19:00 uur van het betreffende kalenderjaar.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een onvolledige aanvraag voor subsidie kan na sluitingsdatum alleen volledig worden gemaakt voor zover het geen inhoudelijke aanvulling of wijziging van de aanvraag betreft.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4207\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.20.7</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij de aanvraag voor subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier ‘Restauratie Rijksmonumenten';</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.2.1 bij de aanvraag tevens: een inspectierapport, niet ouder dan twee jaar; een restauratieplan waarin tevens is opgenomen: een actuele begroting die gespecificeerd is in hoeveelheden, manuren, materialen, stelposten en onderaannemers; een lijst van restauratiebedrijven die worden uitgenodigd om offerte uit te brengen voor de uitvoering van het restauratieplan; een document waarin aannemelijk wordt gemaakt dat de exploitatie van het rijksmonument voor een periode van ten minste vijf jaar is gegarandeerd; een verzekeringspolis waaruit de herbouwwaarde van het rijksmonument blijkt, of voor zover geen verzekering is afgesloten of de herbouwwaarde niet uit de verzekeringspolis blijkt, een door een verzekeraar geaccepteerde taxatie van de herbouwwaarde. Deze bepaling geldt niet voor molens. voor zover het een zelfstandig onderdeel betreft dat is aan te merken als een zelfstandige bouwkundige eenheid of als een toren van een kerkgebouw, een tekening waarop het zelfstandig onderdeel duidelijk is weergegeven ten opzichte van aangrenzende zelfstandige onderdelen; indien rijkssubsidie is ontvangen of is aangevraagd in het kader van de Brim of de Sim, een kopie van de subsidiebeschikking danwel de ontvangstbevestiging van de subsidieaanvraag; indien voor het monument een laagrentende lening via het Nationaal Restauratiefonds is afgesloten een kopie van de akte van lening.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4208\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.20.8</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4209\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.20.9</span><span class=\"lf-art-t\">Volgorde van behandeling</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedeputeerde Staten plaatsen de subsidieaanvragen in een prioriteitsvolgorde. Gedeputeerde Staten verstrekken de subsidie in volgorde van de vastgestelde prioriteit, voor zover het subsidieplafond dat toelaat.</div>\n<p class=\"lf-p\">105[Toelichting: Bij het bepalen van de volgorde van behandeling hanteren Gedeputeerde Staten een prioriteitsvolgorde waarbij punten kunnen worden toebedeeld op basis van een aantal kenmerken van de aanvraag. Investeren in een restauratie heeft pas zin als er planmatig onderhoud aan het rijksmonument wordt uitgevoerd. Aanvragers krijgen dan ook voorrang wanneer ze een aanvraag hebben ingediend bij een instandhoudingsregeling van het Rijk.Een eigenaar die maximaal leent via het Nationaal Restauratiefonds toont de bereidheid te investeren in het onderhoud van het monument. Ook deze aanvragers krijgen voorrang.] 2. De prioriteitsvolgorde als bedoeld in het eerste lid wordt op basis van scoretabel 1 bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">106[Toelichting: Instandhouding van monumenten is een van de hoofdactiviteiten van de POM's. Met het rijk is afgesproken om zorg te dragen voor de POM's vanwege hun bijzondere rol bij het behoud van monumenten. In deze regeling vertaalt zich dat door per POM aan maximaal twee aanvragen een punt in de scoretabel toe te kennen.Scoretabel 1 Onderdeel; Cijfer ; Het rijksmonument is eigendom van een POM (per POM kunnen maximaal twee aanvragen aanspraak maken op een punt. Indien de POM meer aanvragen indient, dient zij zelf een onderlinge prioritering aan te geven); 1; Voor het rijksmonument is in het kader van de Brim of de Sim subsidie ontvangen, danwel aangevraagd; 1; Voor het rijksmonument is een laagrentende lening via het Nationaal Restauratiefonds afgesloten; 1; Het rijksmonument maakt onderdeel uit van een herbestemmingsopgave; 1; De gevraagde subsidie bedraagt 70% van de subsidiabele kosten; 1; De gevraagde subsidie ligt tussen de 69 en 50% van de subsidiabele kosten; 2; De gevraagde subsidie ligt tussen de 49 en 30 % van de subsidiabele kosten; 3; De gevraagde subsidie ligt tussen de 29 en 1 % van de subsidiabele kosten; 4; Totaalscore is de optelsom van toegekende punten; ];</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Bij gelijke score bepaalt de hoogte van het eigen aandeel de rangorde, waarbij het hoogste eigen aandeel, percentueel ten opzichte van de totale subsidiabele kosten, voorrang krijgt.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42010\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.20.10</span><span class=\"lf-art-t\">Adviescommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvragen worden voorgelegd aan de provinciale Monumentencommissie, die advies uitbrengt en de aanvragen in een prioriteitsvolgorde plaatst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42011\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.20.11</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgrond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.3.1 wordt de subsidie geweigerd indien de exploitatie van het rijksmonument voor een periode van ten minste vijf jaren niet aannemelijk kan worden gemaakt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.21 Herbestemming cultureel erfgoed</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.21.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. cultureel erfgoed: Overijsselse gebouwen en bouwwerken die vanuit het verleden zijn overgebleven, die het waard zijn om behouden te blijven en die bijdragen aan de karakteristieke identiteit van het gebied;</p>\n<p class=\"lf-p\">107[Toelichting: Te denken valt aan: industrieel erfgoed (fabrieken of fabriekscomplexen bestaande uit gebouwen, installaties en infrastructuur die van cultuurhistorische en architectonische waarde zijn), agrarisch erfgoed (boerenerven, bestaande uit gebouwen en beplanting, die van cultuurhistorische en landschappelijke waarde zijn, het gaat om vrijgekomen of vrijkomende agrarische bebouwing), religieus erfgoed, militair erfgoed etc.] b. herbestemming: geven van een nieuwe functie aan cultureel erfgoed of een belangrijk deel daarvan; c. transformatieplan: verkenning en beschrijving van de mogelijkheden van functieverandering in vrijkomend of vrijgekomen cultureel erfgoed, die bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit en een nieuwe toekomst en exploitatie kunnen bieden. Het transformatieplan wordt opgesteld aan de hand van de \"checklist transformatieplan cultureel erfgoed\".</p>\n<p class=\"lf-p\">108[Toelichting: Het transformatieplan wordt opgesteld aan de hand van de \"checklist transformatieplan cultureel erfgoed\". Deze is in te zien via de provinciale website www.overijssel.nl/erfgoed. De checklist bestaat uit een vijftal onderdelen:- inzicht in de financiële aspecten van een mogelijke herbestemming. Voordat gestart wordt met het opstellen van het transformatieplan, wordt eerst de financiële ruimte in beeld gebracht om zo de kaders waarbinnen een schetsontwerp wordt opgesteld scherp te krijgen. Dit om te voorkomen dat het eindresultaat een transformatieplan oplevert dat voor de betrokken partijen onbetaalbaar blijkt te zijn. In deze eerste stap wordt gekeken naar gemaakte en te maken kosten, mogelijke opbrengsten van de nieuwe bestemming en mogelijke financieringen voor herbestemming (is er eigen kapitaal, zijn er subsidies of fondsen beschikbaar, kan er, eventueel laagrentend, geleend worden etc);- hierna worden de bestaande situatie en de cultuurhistorische waarde van het gebouw en de directe omgeving in beeld gebracht;- het onderdeel ‘architectuurverkenning en verkenning van de mogelijkheden van functieverandering' is het creatieve deel van het transformatieplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan zijn dat er nog geen duidelijk beeld bestaat over de toekomstige functie. Het ligt dan voor de hand diverse alternatieve functies te bestuderen. Is de toekomstige functie wel bekend dan beperkt de opgave zich tot de vraag of de beoogde functie op een zodanige wijze kan worden gerealiseerd, dat er sprake zal zijn van cultuurhistorische en ruimtelijke kwaliteit; - een goede inrichting van de omgeving van het erfgoed draagt ook bij aan de ruimtelijke kwaliteit. Een terreinontwerp is daarom een wezenlijk onderdeel van het transformatieplan; - tenslotte gaat het transformatieplan ook in op belangrijke uitvoeringsaspecten, bijvoorbeeld op planologisch en financieel gebied. De mate van detaillering van deze ontwerpopgaven uit het transformatieplan kan worden omschreven als schetsplan of schetsontwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens is een overzicht opgenomen van de processtappen die bij de opstelling van een transformatieplan moeten worden gezet. Voor het opstellen van een transformatieplan kan de aanvrager een professionele procesbegeleider , die aantoonbare ervaring heeft op dit gebied, inschakelen.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4212\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.21.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de volgende activiteiten: a. het opstellen van een transformatieplan; b. het uitvoeren van een herbestemming op basis van een transformatieplan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4213\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.21.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 4.21.2 sub a voldoet aan de volgende criteria: a. de activiteit heeft betrekking op een in cultuurhistorisch opzicht waardevol gebouw of bouwwerk; b. [vervallen]; c. ontwerpende partijen van het transformatieplan zijn professionals met relevante expertise.</div>\n<p class=\"lf-p\">109[Toelichting: Het transformatieplan dient te worden uitgevoerd door een ontwerper/architect en landschapsarchitect die beschikt over een gedegen ontwerpkwaliteit. Voor diverse onderdelen van het transformatieplan kan hij/zij de hulp inroepen van andere deskundigen, bijvoorbeeld een cultuurhistoricus, een financieel deskundige, een constructeur of een stedenbouwkundige.Voor het opstellen van een transformatieplan kan de aanvrager een professionele procesbegeleider die aantoonbare ervaring heeft op dit gebied, inschakelen. ] 2. Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 4.21.2 sub b voldoet aan de volgende criteria: a. de activiteit is gebaseerd op een transformatieplan als bedoeld in artikel 4.21.1 sub c en bevat alle in de \"Checklist transformatieplan cultureel erfgoed\" opgenomen onderdelen; b. de noodzakelijke vergunningen zijn verkregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">110[Toelichting: Voordat een aanvraag voor subsidie voor een project ter uitvoering van het transformatieplan wordt aangevraagd, dient uit vooroverleg met de desbetreffende gemeente te blijken dat er naar verwachting geen planologische bezwaren tegen het project zullen zijn. De noodzakelijke vergunningen moeten zijn verkregen. ] 3. Als de subsidie een steunmaatregel is dan moet het voldoen aan artikel 2 van de de-minimisverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4214\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.21.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 4.21.2 sub a bedraagt 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 20.000 per transformatieplan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 4.21.2 sub b bedraagt 40% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 100.000 per transformatieplan.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4215\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.21.5</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.2 kan een subsidieaanvraag ingediend worden vanaf 1 maart 2013.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4216\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.21.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij de aanvraag voor subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier ‘Herbestemming cultureel erfgoed'.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.2.1 bij de aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 4.21.2 sub a tevens: a. kaarten en fotomateriaal van het betreffende erfgoed en het gebied waarin het is gelegen; b. een beknopte toelichting over de aanwezige cultuurhistorische waarden; c. documenten waaruit blijkt dat de desbetreffende gemeente instemt met het opstellen van het transformatieplan; d. informatie over opleiding en ervaring van de deskundigen die het transformatieplan zullen opstellen en begeleiden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.2.1 bij de aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 4.21.2 sub b tevens het opgestelde transformatieplan.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4217\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.21.7</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4219\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.21.9</span><span class=\"lf-art-t\">Adviescommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen de subsidieaanvraag om advies voorleggen aan de provinciale Monumentencommissie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42110\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.21.10</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgrond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.3.1 wordt de subsidie als bedoeld in artikel 4.21.2 sub a geweigerd indien de te verlenen subsidie gestapeld wordt met een andere subsidie voor het opstellen van een transformatieplan of het uitvoeren van een haalbaarheidsonderzoek ten behoeve van herbestemming.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.21.11</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.4.1 en 1.4.2 dient de subsidieontvanger: a. binnen drie maanden na subsidieverlening te zijn gestart met het opstellen van het transformatieplan; b. het transformatieplan binnen één jaar na de start te hebben afgerond.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.22 Renovatie buitenpodia</h3>\n<p class=\"lf-p\">111[Toelichting: Met de regeling wordt beoogd vier buitenpodia door een bijdrage in de kosten van renovatie voor Overijssel te behouden en actief gebruik ervan mogelijk te maken. De regeling sluit zoveel mogelijk aan bij de procedurevoorschriften zoals die in Hoofdstuk 1 van dit Uitvoeringsbesluit. Daarin opgenomen bepalingen over bijvoorbeeld de aanvraagprocedure, subsidiabele kosten, BTW en dergelijke gelden dus ook voor deze regeling. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4221\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.22.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. buitenpodia: de vier podia die door Gedeputeerde Staten in deze regeling als van provinciaal belang worden aangemerkt, te weten het openluchttheater Bostheater te Ommen, het openluchttheater Universiteit Twente te Enschede, openluchttheater Het Lommerrijk te Luttenberg en het Openluchttheater Nijverdal te Nijverdal.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4222\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.22.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de renovatie van vier buitenpodia in Overijssel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4223\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.22.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie moet voldoen aan de volgende criteria: a. De aanvrager betreft de eigenaar van een buitenpodium als genoemd onder artikel 4.22.1 lid a. b. Het betreft een uitvoeringsgereed plan. c. De activiteit betreft de renovatie van een buitenpodium als genoemd onder artikel 4.22.1 lid a.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4224\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.22.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 50% van de renovatiekosten per buitenpodium als genoemd onder artikel 4.22.1 lid a, met de volgende maximale subsidies per buitenpodium: a. Openluchttheater Bostheater te Ommen: € 80.000,-- b. Openluchttheater Universiteit Twente te Enschede: € 105.000,-- c. Openluchttheater Het Lommerrijk te Luttenberg: € 13.000,-- d. Openluchttheater Nijverdal te Nijverdal: € 7.000,--</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4225\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.22.5</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.2. geldt dat een aanvraag voor een subsidie ontvangen dient te zijn voor 1 mei 2013.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.23 Product Markt Partner Combinaties (PMPC'S) Toerisme Overijssel</h3>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 4.23.1 Algemeen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42311\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.23.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze subparagraaf en de subparagrafen 4.23.2 en 4.23.3 wordt verstaan onder: a. Product Markt Partner Combinatie (PMPC): combinaties van vrijetijdseconomische producten of diensten die door samenwerkende ondernemers of organisaties uit de regio uit, binnen of buiten de vrijetijdsector, ontwikkeld zijn voor, en afgestemd zijn op de wensen van, specifieke bezoekers of bewoners van de provincie Overijssel; b. toeristische A-merken: de A-merken WaterReijk, IJsseldelta, Vechtdal, Salland en Twente of de Hanzesteden zoals bedoeld in de nota Economisch beleid: De kracht van Overijssel 2012-2015; c. toeristische onderneming: een onderneming die valt onder de volgende bedrijfsgroepen van de standaardbedrijfsindeling 2008 versie 2012 van het Centraal Bureau voor de Statistiek: i. 55.1 Hotels e.d. ii. 55.2 Verhuur van vakantiehuisjes en appartementen; jeugdherbergen en vakantiekampen iii. 55.3 Kampeerterreinen iv. 55.9 Overige logiesverstrekking v. 91.02.1 Musea vi. 91.04 Dieren- en plantentuinen; natuurbehoud vii. 93.15 Watersport viii. 93.21 Pret- en themaparken; kermisattracties ix. 93.29.1 Jachthavens. d. onderneming: de natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, gericht op het maken van winst; e. organisatie: het geheel van productiefactoren, procedures en mensen die samenwerken om bepaalde doelstellingen te bereiken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42312\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.23.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie op grond van de subparagrafen 4.23.2 en 4.23.3 moet voldoen aan de volgende criteria: a. de aanvrager is een toeristische onderneming of een organisatie werkzaam in ten minste één van de sectoren natuur, cultuur, sport of zorg; b. de PMPC versterkt de vrijetijdseconomische producten of diensten van één of meerdere toeristische A-merken; c. de PMPC bestaat uit tenminste twee samenwerkende ondernemingen of organisaties, waarvan ten minste één een toeristische onderneming is; d. als de subsidie een steunmaatregel is moet de subsidie voldoen aan artikel 2 van de de-minimisverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42313\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.23.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks het subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42314\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.23.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Volgorde van behandeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.1.3 geldt dat indien op de dag dat het subsidieplafond wordt bereikt en er meer dan één aanvraag is ontvangen, Gedeputeerde Staten een aanvraag voor subsidie uit het WaterReijk of Noordoost Twente prioriteit geven op de eventuele overige aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 4.23.2 Businesscase PMPC</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42321\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.23.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze subparagraaf wordt verstaan onder businesscase : een document met de informatie die benodigd is om een gemotiveerde beslissing te nemen over het wel of niet realiseren van een PMPC. Een businesscase bevat in ieder geval een beschrijving van de doelstellingen van een PMPC, een markt- en concurrentieanalyse, de benodigde investeringen, de consequenties van het al dan niet uitvoeren ervan, een analyse van de risico's, een kosten-batenanalyse en een verdienmodel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42322\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.23.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het opstellen van een businesscase ten behoeve van een PMPC.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42323\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.23.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 4.23.1.2. moet een aanvraag voor subsidie voldoen aan de volgende criteria: a. de businesscase wordt opgesteld door een adviesbureau met relevante ervaring, aangetoond aan de hand van referenties; b. de projectperiode bedraagt maximaal 12 maanden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42334\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.23.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt 70% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 7.000 per businesscase.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42325\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.23.2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig artikel 1.1.5 vierde lid zijn uitsluitend kosten derden subsidiabel.</p>\n<p class=\"lf-p\">112[Toelichting: In dit artikel is geregeld dat kosten derden subsidiabel zijn. Dit zijn de kosten die rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit toe te rekenen zijn én die op factuur aantoonbaar aan derden verschuldigd zijn. Subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 1.1.5 eerste tot en met derde lid zijn niet subsidiabel. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42326\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.23.2.6</span><span class=\"lf-art-t\">Stukken bij de aanvraag voor subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier 'Product Markt Partner Combinaties (PMPC's) toerisme Overijssel- Businesscase';</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De aanvrager overlegt in afwijking van artikel 1.1.2 tweede lid bij de aanvraag voor subsidie de volgende stukken: a. door de aanvrager en adviesbureau getekende offerte of een overeenkomst, waaruit de subsidiabele kosten en de projectperiode blijken; b. indien de aanvrager een onderneming is een de-minimisverklaring.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42327\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.23.2.7</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgrond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.3.1 wordt de subsidie geweigerd als: a. de subsidiabele kosten minder dan € 2.500 bedragen; b. er subsidie is verstrekt op basis van paragraaf 5.9.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 4.23.3 Realisatie PMPC</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42331\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.23.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de realisatie van een PMPC.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42332\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.23.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 4.23.1.2 moet een aanvraag voor subsidie voldoen aan de volgende criteria: a. de PMPC past ten minste binnen één van de voor toerisme genoemde thema's: Cultuurparels, Plezier varen, Puur genieten of Beleving Routestructuren; b. de totale subsidiabele kosten zijn ten minste € 50.000; c. de projectperiode bedraagt maximaal 27 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">113[Toelichting: De definitie van projectperiode is gegeven in artikel 1.1.1 sub k. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42333\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.23.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 200.000 per aanvrager.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.23.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De aanvrager maakt bij de aanvraag voor subsidie gebruik van het aanvraagformulier ‘Product Markt Partner Combinaties (PMPC's) Toerisme Overijssel- Realisatie PMPC'.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De aanvrager overlegt aanvullend op artikel 1.1.2 tweede lid de volgende stukken: a. een businesscase als bedoeld in artikel 4.23.2.1; b. indien de aanvrager een onderneming is een de-minimisverklaring.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42335\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.23.3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschot</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.3.3 tweede lid wordt bij de verlening van de subsidie geen voorschot verstrekt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.24 Initiatieven van Onderop ‘Sociaal Kapitaal Overijssel'</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4241\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.24.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. fysieke maatregelen: maatregelen die tastbaar en zichtbaar zijn in de leefomgeving; b. initiatief van onderop: een initiatief waarbij een groep van ten minste twee inwoners van Overijssel het initiatief neemt; c. sociale kwaliteit: het begrip sociale kwaliteit bevat vier componenten die in samenhang aanwezig zijn, te weten: i. sociale cohesie: het geheel van sociale relaties en de kwaliteit van deze relaties tussen mensen in de samenleving, gebaseerd op gedeelde normen en waarden, sociale verbanden en identiteiten; ii. sociaal-economische zekerheid: de mate waarin mensen kunnen beschikken over materiële en immateriële bronnen om zo optimaal mogelijk te kunnen participeren; iii. eigen kracht: het versterken en ontwikkelen van eigen capaciteiten en het versterken van zelfredzaamheid; iv. maatschappelijke participatie: de mate waarin mensen toegang hebben tot of deel uit maken van sociale relaties in het economische, sociale en culturele leven. d. niet fysieke maatregelen: alle maatregelen die niet vallen onder de definitie van fysieke maatregelen als bedoeld onder sub a.</p>\n<p class=\"lf-p\">114[Toelichting: De subsidiabele kosten voor niet fysieke maatregelen hebben betrekking op het proces om een activiteit te realiseren of bekendheid te geven. Dit kunnen bv. kosten voor inhuur van ee procesbegeleider of voor het opzetten van een marketingstrategie zijn. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4242\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.24.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen een subsidie verstrekken voor een initiatief van onderop die bijdraagt aan de sociale kwaliteit in Overijssel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4243\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.24.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie moet voldoen aan de volgende criteria: a. de aanvrager is een rechtspersoon of een groep van natuurlijke personen; b. de activiteit past binnen het provinciaal beleid zoals verwoord in het coalitieakkoord ‘Kracht van Overijssel 2011-2015'; c. de activiteit vindt plaats in de provincie Overijssel; d. het resultaat van de activiteit kan aantoonbaar drie jaar lang, na het einde van de projectperiode, geëxploiteerd worden; e. de benodigde vergunningen zijn verkregen; f. als de subsidie een steunmaatregel is moet de subsidie voldoen aan artikel 2 van de de-minimisverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4244\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.24.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie voor fysieke maatregelen of voor een combinatie tussen fysieke en niet-fysieke maatregelen bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 100.000 per aanvraag.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie voor uitsluitend niet-fysieke maatregelen bedraagt maximaal 80% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 100.000 per aanvraag.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4245\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.24.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks het subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4246\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.24.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De aanvrager maakt bij de aanvraag voor subsidie gebruik van het aanvraagformlier ‘Initiatieven van onderop ‘Sociaal Kapitaal Overijssel'.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.2.1 bij de aanvraag voor subsidie de volgende stukken: a. een exploitatiebegroting voor ten minste drie jaren, voor de periode na afloop van de projectperiode; b. indien de aanvraag een groep van natuurlijke personen betreft, een machtigingsverklaring waaruit blijkt dat de aanvrager gemachtigd is om als subsidieaanvrager en als subsidieontvanger op te treden.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4247\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.24.7</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In afwijking van artikel 1.2.2 geldt dat een aanvraag voor een subsidie ingediend kan worden vanaf 12 juli 2013 en ontvangen moet zijn uiterlijk op 1 september 2013 voor 19.00 uur.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een onvolledige aanvraag voor subsidie kan na sluitingsdatum alleen volledig worden gemaakt voor zover het geen inhoudelijke aanvulling of wijziging van de aanvraag betreft.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4248\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.24.8</span><span class=\"lf-art-t\">Volgorde van behandeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">115[Toelichting: Het in de beoordeling van de aanvraag meenemen van informatie die dateert van na de sluiting van de aanvraagtermijn verdraagt zich niet met de gelijktijdige onderlinge beoordeling en rangschikking van de ingediende aanvragen die in het tendersysteem centraal staat. Uit de aard van het tendersysteem vloeit derhalve voort dat vóór de sluiting van de aanvraagtermijn alle voor die beoordeling en rangschikking relevante gegevens moeten zijn overlegd en dat na de sluitingsdatum geen rekening kan worden gehouden met informatie die neerkomt op een wijziging of aanvulling van de aanvraag. Bij onvolledigheid van de aanvraag na de sluitingsdatum is er alleen ruimte voor het herstel van kleinigheden zoals een handtekening, een bankrekeningnummer, kamer van koophandel gegevens e.d., het moet gaan om informatie die niet inhoudelijk betrekking heeft op de beoordelingscriteria zoals opgenomen in deze subsidieparagraaf. De volledigheid/juistheid van de aanvraag is de verantwoordelijkheid van de aanvrager. ] 1. In afwijking van artikel 1.1.3 plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen in een prioriteitsvolgorde. Gedeputeerde Staten verstrekken subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit voor zover het subsidieplafond dit toelaat.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De prioriteitsvolgorde als bedoeld in het eerste lid wordt bepaald op basis van scoretabel 1, waarbij de subsidieaanvragen met een hogere score prioriteit krijgen. Aan de hand van scoretabel 1 wordt berekend welke totale score de subsidieaanvraag behaalt voor de volgende onderdelen: a. de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de sociale kwaliteit; b. de gevraagde subsidie ten opzichte van de totale begroting; c. realiteitsgehalte van de exploitatiebegroting.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Bij een gelijke score bepaalt de relatieve hoogte van de private financiële bijdrage ten opzichte van de publieke bijdrage op de begroting de rangorde, waarbij het percentage van de subsidieaanvraag waar de private financiële bijdrage groter is een hogere prioriteit krijgt.</div>\n<p class=\"lf-p\">116[Toelichting: Onder private bijdrage wordt verstaan de financiële bijdragen van bedrijven, organisaties en natuurlijke personen, niet zijnde overheden. De ureninzet van vrijwilligers kan niet worden gekapitaliseerd en wordt dus niet meegenomen in de begroting. Publieke bijdragen zijn bijdragen van (semi)overheden. ] Scoretabel 1 Onderdeel Cijfer Weging Score 1. Mate waarin de activiteit bijdraagt aan de sociale kwaliteit matig (1), goed (3), uitstekend (4) 50% Cijfer x 0,5 = score 1 2. Hoogte van de gevraagde subsidie ten opzichte van de totale begroting in de investeringskosten</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de gevraagde subsidie is minder dan 25% van de totale begroting (4)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de gevraagde subsidie is minder dan 50% van de totale begroting (3);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de gevraagde subsidie is meer dan 50% van de totale begroting (1) 25% Cijfer x 0,25 = score 2 3. Realiteitsgehalte van de exploitatiebegroting matig (1), goed (3), uitstekend (4) 25% Cijfer x 0,25 = score 3 Totale score = score 1 + score 2 + score 3</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4249\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.24.9</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.4.1 en artikel 1.4.2 moet de subsidieotvanger binnen zes maanden na datum van subsidieverlening gestart zijn met de subsidiabele activiteit en deze activiteit binnen twaalf maanden na datum van subsidieverlening hebben afgerond.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42410\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.24.10</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgrond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.1.3 wordt de subsidie geweigerd indien voor de subsidiabele activiteit reeds een subsidie is verstrekt op basis van deze paragraaf of één of meerdere van de volgende paragrafen: paragraaf 5.4 Ontwikkeling van woonzorgzones, paragraaf 5.5 Kulturhusen of paragraaf 5.6 Dorpsplanplus (DOP+).</p>\n<p class=\"lf-p\">117[Toelichting: De subsidie is niet bedoeld voor structurele exploitatiekosten van een activiteit, daarom wordt een tweede aanvraag op basis van deze paragraaf geweigerd. ]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 5 Bijzondere bepalingen Wonen en leefomgeving</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5.1 Effectuering Ruimtelijk Beleid</h3>\n<p class=\"lf-p\">118[Toelichting: De provincie Overijssel kent een subsidiemogelijkheid voor projecten die bijdragen aan de hoofdpunten van het provinciaal ruimtelijk beleid zoals dit is vastgelegd in de Omgevingsvisie Overijssel. Het provinciaal belang bij het project is maatgevend voor het al dan niet verstrekken van een subsidie. Subsidie kan worden verleend in de kosten van uitbesteding van voorbereidend onderzoek, visievorming en/of planontwikkeling met betrekking tot concrete ruimtelijke projecten of ruimtelijke voorzieningen. Uitvoeringskosten zoals bouw- en sloopkosten, evenals investeringen, exploitatiekosten en overhead zijn uitdrukkelijk uitgesloten van subsidie. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-511\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder externe kosten: de kosten van uitbesteding van de ruimtelijke activiteiten van een project.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-512\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor onderzoek, visie- en planontwikkeling van ruimtelijke projecten die van provinciaal belang zijn op het gebied van ruimtelijke ordening en wonen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-513\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.1.2 moet voldoen aan de volgende criteria:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De aanvraag moet passen binnen de centrale beleidsambities en onderwerpen van provinciaal belang zoals vastgelegd in de Omgevingsvisie Overijssel;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De aanvraag is afkomstig van een Overijsselse gemeente of een rechtspersoon, die zich krachtens hun statuten inzetten voor de bevordering van de ruimtelijke ordening in Overijssel;</div>\n<p class=\"lf-p\">119[Toelichting: De doelstelling van deze regeling laat geen ruimte voor particuliere initiatieven, omdat alleen projecten met een algemeen en publiek belang kunnen worden nagestreefd.] 3. Als de subsidie een steunmaatregel is dan moet het voldoen aan artikel 2 van de de-minimisverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-514\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">120[Toelichting: In de kostenverdeling komt de verhouding van de belangen, evenals het draagvlak, van partijen tot uitdrukking. Het is dan ook niet logisch om als provincie méér dan de helft van de kosten van een project van derden voor haar rekening te nemen. Daarom is daar een maximum aan gesteld van 50%. Dit maximum wordt uitsluitend verleend in gevallen dat de aanvrager niet op een andere wijze in (een deel van) de kosten kan voorzien (geen medefinancier(s) voor het project heeft). Is er wél sprake van medefinancier(s), dan kunnen de kosten dus over meer partijen worden verdeeld. Dit moet tot uitdrukking komen in de begroting van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd. Zo'n begroting is uitgangspunt voor de bepaling van de hoogte van de subsidie. ] De subsidie bedraagt maximaal 50% van de externe kosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-515\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">121[Toelichting: Het gaat bij deze subsidieparagraaf in de regel om zeer complexe projecten. De aanvraag voor subsidie kan dan ook bij de aanvrager in de routing achterlopen op de start van het project. Dat die momenten niet altijd samenvallen of in de goede volgorde plaatsvinden, doet niet af aan het belang van het project als geheel. Daarom wordt een project, en de daarbij behorende kosten, als één geheel gezien, en in totaliteit beoordeeld en gefaciliteerd. ] 1. Overeenkomstig artikel 1.1.5 vierde lid zijn alleen de kosten derden subsidiabel.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van artikel 1.1.6 sub c zijn kosten die gemaakt zijn voordat de aanvraag is ontvangen wel subsidiabel.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-516\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1.6</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5.2 Samen bouwen aan de toekomst van Overijssel</h3>\n<p class=\"lf-p\">122[Toelichting: Ter uitwerking van de Provinciale Omgevingsvisie 2010-2019 hebben Gedeputeerde Staten en Burgemeester en Wethouders van de Overijsselse gemeenten prestatieafspraken gemaakt over een breed pakket van onderwerpen op het gebied van bouwen en wonen. De prestatieafspraken zijn in samenwerking met gemeenten opgesteld en zijn in de eerste helft van 2010 ondertekend. Gedeputeerde Staten en de Burgemeester en Wethouders hebben afspraken gemaakt over de volgende beleidsthema's:1Ruimtelijke kwaliteit: stimulansen voor ruimtelijke kwaliteit (cultureel erfgoed, stedenbouwkundige en architectonische ontwerpen, overgang stad en platteland en verruiming van de openbare ruimte), 2Energie &amp; duurzaamheid (energiebesparing bij de sociale sector, stimuleringsregeling particuliere sector, loket voor begeleiding particulieren, pilotprojecten), 3Woningbouwprogramma (minimaal en maximaal aantal woningen, maximale bestemmingsplancapaciteit), 4Binnenstedelijke vernieuwing (percentage binnenstedelijk en uitleg, herstructurering, bodem, geluid), 5Wonen, zorg en welzijn (realisatie van woonservicegebieden en huisvesting bijzondere doelgroepen), 6Geluid, 7Bodem en 8Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO).</p>\n<p class=\"lf-p\">Met deze subsidieregeling wordt uitvoering gegeven aan de afspraken die gemaakt zijn op het gebied van:1binnenstedelijke vernieuwing, 2wonen, zorg en welzijn, 3geluid. Voor de prestatieafspraken onderdeel Energie &amp; duurzaamheid is paragraaf 8.2 Energiebesparingsfonds woningen Overijssel, van toepassing.] Subparagraaf 5.2.1 Algemeen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder prestatieovereenkomst: prestatieafspraken Wonen 2010-2015, waarin Gedeputeerde Staten en Burgemeester en Wethouders van een gemeente in de provincie Overijssel afspraken hebben gemaakt met betrekking tot de beleidsthema's; ruimtelijke kwaliteit, energie &amp; duurzaamheid, binnenstedelijke vernieuwing, wonen zorg en welzijn, geluid, bodem en Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5212\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere bepalingen over aanvraag van gemeenten</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een ondertekende prestatieovereenkomst geldt als aanvraag voor een subsidie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De indieningstermijn uit artikel 1.2.2 is niet van toepassing indien de aanvraag bij ondertekende prestatieovereenkomst wordt ingediend.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5213\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Jaarlijkse voortgangsrapportage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente overlegt jaarlijks vóór 1 mei een schriftelijke voortgangsrapportage met betrekking tot de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten, aan de hand van de verplichte rapportage indicatoren zoals genoemd in bijlage 1 van de prestatieovereenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval van subsidieverlening ex artikel 5.2.2.3 doet de gemeente hierbij tenminste een opgave van het aantal gereed gemelde woningen bij het Centraal bureau voor de Statistiek (CBS).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5214\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond voor de subparagrafen vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.2.2 Binnenstedelijk vernieuwing</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5221\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze subparagraaf wordt verstaan onder: a. feitelijk bebouwd gebied: een gebied dat per 1 januari 2010 in de provincie Overijssel geheel is omsloten door binnenstedelijke bebouwing(sranden); b. transformatie: aanpassen- of vervangen van bestaande bebouwing met/door een andere functie dan een woonfunctie naar een woonfunctie; c. ISV I: Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing I, periode 2000 t/m 2004; d. ISV II: Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing II, periode 2005 t/m 2009; e. Bouwimpuls: de subsidieregeling Bouwimpuls Overijssel vastgesteld bij besluit van Gedeputeerde Staten van 1 november 2006, kenmerk RWB/2005/3061 en ingetrokken bij besluit van Gedeputeerde Staten van 15 december 2009, kenmerk 2009/0123586; f. Tijdelijke stimuleringsregeling woningbouw: subsidieregeling Tijdelijke stimuleringsregeling woningbouwprojecten vastgesteld bij besluit van Gedeputeerde Staten van 22 september 2009, kenmerk 2009/0123586; g. woning: een binnen feitelijk bebouwd gebied tot bewoning bestemd gebouw dat, vanuit bouwtechnisch oogpunt gezien, is bestemd voor permanente bewoning door één particulier huishouden; h. Primos: Prognose-, Informatie- en Monitoringssysteem 2007, bevolkingsprognose opgesteld door ABF research in opdracht van het ministerie van VROM.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5222\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het realiseren van woningen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5223\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">123[Toelichting: De gemeente kan subsidie ontvangen voor de realisatie van binnenstedelijke nieuwbouwwoningen. Binnenstedelijk betekent dat de woningen worden gerealiseerd op locaties binnen de contouren van feitelijk bebouwd gebied per 1 januari 2010. Locaties aan de rand van de kern, Vinex-locaties en uitleggebieden vallen hier niet onder. Vinex locaties zijn locaties die zijn aangewezen om op korte termijn een groot aantal woningen te realiseren (Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra). Deze locaties bevinden zich buiten de bestaande bebouwde omgeving. Uitleggebieden zijn gebieden waar de functie verandert in een woon- en/of werkfunctie en daarmee een nieuw stuk stad of dorp wordt ontwikkeld buiten diens bestaande bebouwingscontouren. Meestal heeft het gebied vóór de ontwikkeling een agrarische- of een natuur bestemming. Niet subsidiabel zijn woningen die gerealiseerd worden als onderdeel van een project waarvoor Gedeputeerde Staten een subsidie hebben verstrekt in het kader van ISV I of II, de Bouwimpuls en/of de Tijdelijke stimuleringsregeling woningbouw. ] Een aanvraag voor subsidie voor het realiseren van woningen voldoet aan de volgende criteria: a. de woningen worden gerealiseerd binnen feitelijk bebouwd gebied; b. voor de woning is geen subsidie verleend op grond van ISV I, ISV II de Bouwimpuls of Tijdelijke stimuleringsregeling woningbouw.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5224\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">124[Toelichting: Gedeputeerde Staten verstrekken een subsidie van maximaal € 5.000,-- per gerealiseerde en gereed gemelde woning. De gemeente moet de woningen gereed moet melden vóór 31 december 2014.De subsidie voor de activiteit zoals genoemd in artikel 5.2.2.2 bedraagt maximaal € 5.000,-- per bij het CBS gereed gemelde woning. ] De subsidie bedraagt € 5.000,-- per gerealiseerde en per bij het CBS gereed gemelde woning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5225\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschotverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">125[Toelichting: Voorschot bij verlening bedraagt 20% van de verleende subsidie. Dit wordt als volgt berekend: In de prestatieafspraken staat vermeld wat het aantal binnenstedelijk te realiseren woningen zijn. Stel dat dit 200 woningen zijn, dan bedraagt de subsidie 200 x €5.000,-- = € 1000.000,--. Het eerste voorschot is dan 20% van € 1.000.000,-- is € 200.000,--. Jaarlijks dient de gemeente voor 31 december een voortgangsrapportage in, waarin de gemeente onder andere rapporteert over het aantal gereed gemelde woningen bij het CBS. Naar aanleiding van deze opgave kunnen Gedeputeerde Staten een aanvullend voorschot verstrekken. Stel dat uit de voortgangsrapportage over 2010 blijkt dat de gemeente 20 woningen heeft gereed gemeld in 2010, dan bedraagt het tweede voorschot 20 x 5.000,-- is € 100.000,--. ] 1. In afwijking van artikel 1.3.3 derde lid verstrekken Gedeputeerde Staten de aanvrager in het jaar 2010 een voorschot van 20% van de verleende subsidie.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Jaarlijks ontvangt de gemeente, nadat de voortgangsrapportage als bedoeld in artikel 5.2.1.3 is ontvangen, een aanvullend voorschot. Het aanvullend voorschot is gelijk aan de gereed gemelde woningen in het jaar waarover wordt gerapporteerd, maal € 5.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het totaal van het eerste voorschot ex artikel 5.2.2.5 eerste lid en de aanvullende voorschotten ex artikel 5.2.2.5 tweede lid bedraagt maximaal het verleende subsidiebedrag.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Het aanvullend voorschot wordt uitbetaald binnen dertien weken nadat de jaarlijkse voortgangsrapportage is ontvangen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5226\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.2.6</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen van de subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de artikelen 1.4.1 en 1.4.2 heeft de gemeente de woningen gereed gemeld bij het CBS vóór 31 december 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.2.3 Wonen, zorg en welzijn</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5231\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze subparagraaf wordt verstaan onder: a. realisatiekosten: kosten die worden gemaakt voor de uitvoering van de projecten van het uitvoeringsplan; b. uitvoeringsplan: een door de gemeente vastgesteld projectplan met projecten ten behoeve van de realisatie van de ambitie met betrekking tot een woonservicegebied, zoals vermeld in paragraaf ‘wonen zorg en welzijn' van de prestatieovereenkomst; c. beleidsvisie: een door de gemeente vastgesteld document waarin de gemeente een definitie formuleert van een woonservicegebied en formuleert op welke wijze de woonservicegebieden vorm zullen worden gegeven; d. woonservicegebied: een door de gemeente in haar beleidsvisie over wonen en zorg vastgestelde definitie voor een gebied, waarin optimale condities worden geschapen langer zelfstandig wonen mogelijk maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5232\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: a. het opstellen van een visie, inclusief definitie woonservicegebied en een uitvoeringsplan; b. de realisatiekosten van de uitvoering van de projecten van het uitvoeringsplan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5233\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor de realisatiekosten van de uitvoering van projecten in het uitvoeringsplan moet voldoen aan de volgende criteria: a. de gemeente heeft een beleidsvisie en een uitvoeringsplan vastgesteld door Burgemeester &amp; Wethouders; b. het uitvoeringsplan bevat een planning met een opleverdatum vóór 31 december 2014.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5234\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">126[Toelichting: De subsidie voor de activiteit zoals genoemd in artikel 5.2.3.2 is bepaald aan de hand van de verdeelsleutel op basis van het percentage 65 plussers binnen de gemeente op 1 januari 2015 conform PRIMOS 2007. ] De subsidie bedraagt maximaal het bedrag dat genoemd is in de prestatieovereenkomst, onder paragraaf Wonen, zorg en welzijn, voor het opstellen van de visie, inclusief definitie woonservicegebied en de realisatie van de projecten uit het uitvoeringsplan tezamen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5235\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschotverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">127[Toelichting: Voorschot bij verlening bedraagt 10% van de verleende subsidie. Dit wordt als volgt berekend: In de prestatieafspraken staat vermeld wat het maximale subsidie voor het onderdeel ‘Wonen, zorg en welzijn bedraagt. Stel dat dit € 100.000,-- is, dan bedraagt het eerste voorschot bij subsidieverlening € 10.000,--, te gebruiken voor het opstellen van het uitvoeringsplan. Het aanvullende voorschot wordt bepaald aan de behaalde resultaten blijkend uit de jaarlijkse voortgangsrapportage. Gedeputeerde Staten bepalen zelf wat het aanvullende voorschot zal zijn. ] 1. In afwijking van artikel 1.3.3 derde lid verstrekken Gedeputeerde Staten de aanvrager in het jaar 2010 een voorschot van 10% van de verleende subsidie.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Jaarlijks ontvangt de gemeente, op basis van de voortgangsrapportage als bedoelt in artikel 5.2.1.3, een aanvullend voorschot te bepalen door Gedeputeerde Staten. Het totaal van het eerste voorschot en de aanvullende voorschotten bedraagt maximaal het verleende subsidiebedrag.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het aanvullende voorschot wordt uitbetaald binnen dertien weken nadat de jaarlijkse voortgangsrapportage is ontvangen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5236\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.3.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">128[Toelichting: De gemeente moet de prestatieafspraken aanvullen met een beleidvisie en uitvoeringsplan ten aanzien van realisatie van woonservicegebieden. Naar aanleiding van dit uitvoeringsplan kunnen Gedeputeerde Staten een subsidie verstrekken aan realisatiekosten van het uitvoeringsplan, die het langer zelfstandig wonen mogelijk maken in enigerlei vorm van een woonservicegebied. Een woonservicegebied biedt allerlei voorzieningen en of aanpasbare woningen die geschikt zijn voor zorgbehoevenden bijvoorbeeld: levensloopbestendige of 0-trede woningen. Het budget mag voor maximaal 10% worden ingezet voor het opstellen van de visie en het uitvoeringsplan. Van de overige 90 % mag de subsidie voor maximaal 25% worden ingezet voor het nemen van sociale maatregelen. Het resterende budget dient te worden ingezet voor fysieke maatregelen. Gedeputeerde Staten hebben een format opgesteld dat per project ingevuld dient te worden en als bijlage met het uitvoeringsplan wonen en zorg meegestuurd dient te worden. Dit kan gedownload worden van de website van de provincie Overijssel: www.overijssel.nl/subsidie. ] De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 5.2.1.2 een beleidvisie en een uitvoeringsplan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5237\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.3.7</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen van de subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de artikelen 1.4.1 en 1.4.2 dient het uitvoeringsplan gerealiseerd te zijn vóór 31 december 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.2.4 Geluid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5241\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze subparagraaf wordt verstaan onder: a. A-lijst woningen: woningen die als gevolg van het wegverkeerslawaai in 1986 een geluidsbelasting op de gevel van meer dan 65 dB(A) ondervonden, niet zijnde woningen langs spoor/rijkswegen. b. uitvoeringsplan: een plan van aanpak ten behoeve van de uitvoering van de in de prestatieafspraken geformuleerde ambitie zoals vermeld in paragraaf ‘geluid' van de prestatieovereenkomst. c. saneren: maatregelen die getroffen worden aan de gevel van de woning om de geluidsbelasting terug te brengen tot onder 65 dB(A).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5242\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">129[Toelichting: Sanering betekent het verminderen van geluidhinder door gevelisolatie of andere maatregelen die het geluidsniveau op de gevel naar beneden brengen. Bij A-lijst woningen gaat het om woningen die niet zijn gelegen aan spoorwegen en/of Rijkswegen. ] Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het saneren van A-lijst woningen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5243\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie voor het saneren van A-lijst woningen moet voldoen aan het volgende criterium: er is een uitvoeringsplan dat een omschrijving bevat van de saneringsmaatregelen voor de te saneren A-lijst woningen en een planning met een uiterste opleveringsdatum van 31 december 2014.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5244\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie voor de activiteit zoals genoemd in artikel 5.2.4.2 bedraagt maximaal 100% van de kosten van de geluidssanering voor de te saneren woningen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5245\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">130[Toelichting: De gemeente dient voor de aanvraag voor subsidie de prestatieafspraken aan te vullen met een uitvoeringsplan geluidsanering. Het gaat hierbij om geluidssanering van A-lijst woningen. ] In afwijking van artikel 5.2.1.2 gelden de prestatieafspraken pas als aanvraag indien de gemeente een uitvoeringsplan en een overzicht met de te saneren A-lijst woningen overlegt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5246\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.4.6</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen van de subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de artikelen 1.4.1 en 1.4.2 geldt dat uitvoeringsplan wordt gerealiseerd vóór 31 december 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.2.5 Bodem 131[Toelichting: Het doel van de subsidie is een financiële oplossing te bieden als bodemverontreiniging een knelpunt vormt bij stedelijke ontwikkeling. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5251\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze subparagraaf wordt verstaan onder: a. Wet: Wet bodembescherming b. Nader onderzoek: onderzoek met betrekking tot de vraag of een geval van verontreiniging een geval van ernstige verontreiniging is op grond van artikel 1 van de Wet; c. Saneringsplan: saneringsplan zoals bedoeld in artikel 39 van de Wet; d. Saneren/sanering: het beperken en zoveel mogelijk ongedaan maken van verontreiniging en de directe gevolgen daarvan of van dreigende verontreiniging van de bodem op grond van artikel 1 van de Wet. e. Onderzoekskosten: de werkelijk gemaakte kosten ten behoeve van het uitvoeren van Nader onderzoek of ten behoeve van het opstellen van een saneringsplan. f. Subsidiabele saneringskosten: de werkelijk gemaakte kosten voor de uitvoering van de sanering, overeenkomstig het saneringsplan, die voor subsidie in aanmerking komen. Voor subsidie komen in aanmerking de in Bijlage 7, behorende bij artikel 9, eerste lid, en 10, eerste lid, van de Regeling financiële bepalingen bodemsanering 2005 opgesomde kosten, met uitzondering van de sloopkosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">132[Toelichting: Sloopkosten zijn niet subsidiabel. De reden hiervoor is dat slopen hoe dan ook noodzakelijk is om de stedelijke vernieuwing te realiseren. ] g. Bodemfunctieklasse: bij regeling van de Minister van Infrastructuur en milieu vastgestelde indeling van bodemfuncties in de categorieën, bedoeld in artikel 55, eerste lid van het Besluit bodemkwaliteit</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5252\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen voor de volgende activiteiten op stedelijke vernieuwingslocaties subsidie verstrekken: a. de uitvoering van een nader onderzoek, b. het opstellen van een saneringsplan en c. voor de uitvoering van een sanering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5253\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.2.5.2. moet voldoen aan de volgende criteria:</div>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag is ingediend door een gemeente die zelf geen bevoegd gezag is inzake de Wet bodembescherming;</p>\n<p class=\"lf-p\">133[Toelichting: In Overijssel zijn de gemeenten Almelo, Deventer, Enschede, Hengelo en Zwolle zelf bevoegd gezag voor de Wet bodembescherming. ] De betreffende locatie moet zich bevinden binnen feitelijk bebouwd gebied per 01-01-2010;</p>\n<p class=\"lf-p\">134[Toelichting: Een gebied gelegen in de provincie Overijssel dat per 1 januari 2010 geheel is omsloten door binnenstedelijke bebouwing(sranden). ] Er is geen sprake van een locatie die een waterbodem betreft;</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is geen sprake van een aanpak van een locatie die valt onder een brancheafspraak;</p>\n<p class=\"lf-p\">135[Toelichting: Voor bepaalde categorieën van verontreinigde locaties zijn landelijk brancheafspraken gemaakt, zoals voor Gasfabrieksterreinen, VINEX-locaties en in gebruik zijnde en blijvende bedrijfsterreinen. Onderzoek en sanering op deze locaties wordt niet met onderhavige middelen gesubsidieerd. ] Er is geen sprake van een ingebruik zijnd en blijvend bedrijfsterrein zoals bedoeld in artikel 55a van de Wet;</p>\n<p class=\"lf-p\">136[Toelichting: Onder in gebruik zijnd- en blijvend bedrijfsterrein wordt verstaan een terrein dat meer dan 5 jaar na de verleningsbeschikking in gebruik blijft als bedrijfsterrein. ] De verontreiniging moet voor 1987 ontstaan zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">137[Toelichting: Ontstaan voor 1987: In het Uitvoerings- en toetsingskader bodem is toegelicht wanneer sprake is van een historische verontreiniging (voor 1987) en wanneer sprake is van een nieuwe verontreiniging. Voor een nader onderzoek geldt dat het vermoeden moet bestaan dat de verontreiniging voor 1987 is ontstaan. ] Er zijn aantoonbare maximale inspanningen verricht om te komen tot cofinanciering in de onderzoeks- of saneringskosten zoals bedoeld in artikel 1.1.1. sub c.</p>\n<p class=\"lf-p\">138[Toelichting: Onder cofinanciering wordt verstaan dat andere partijen dan de aanvrager bijdragen in de kosten van de gesubsidieerde activiteit. Het is de bedoeling dat zoveel mogelijk geld uit de markt wordt gehaald: Er dient inzicht te worden gegeven in wat de gemeente, de projectontwikkelaar en de aansprakelijke partij(en) aan de onderzoeks- of saneringskosten bijdragen en welke inspanningen de gemeente heeft gepleegd om tot deze bijdrage te komen. ] 2. Indien subsidie wordt aangevraagd als bedoeld in artikel 5.2.5.2. sub a dient in aanvulling op het eerste lid sprake te zijn: van een locatie waar stedelijke vernieuwing beoogd wordt; van een redelijk vermoeden van een geval van ernstige verontreiniging.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Indien subsidie wordt aangevraagd als bedoeld in artikel 5.2.5.2. sub b of c dient in aanvulling op het eerste lid: de sanering noodzakelijk te zijn om een geplande stedelijke vernieuwing mogelijk te maken; sprake te zijn van een geval van ernstige verontreiniging op grond van artikel 1 van de Wet waarvan de sanering noodzakelijk is omdat de locatie niet voldoet aan de voor de stedelijke vernieuwing noodzakelijke bodemfunctieklasse Wonen; geen sprake te zijn van het ontgraven van een voormalige stortplaats, tenzij aannemelijk is gemaakt dat er geen geschikte mogelijkheden zijn om de stortplaats bij het herontwikkelen van de locatie te betrekken.</div>\n<p class=\"lf-p\">139[Toelichting: Een voormalige stortplaats is een stortplaats die voor 1996 is gesloten. Het bodemsaneringsbudget is in principe niet bedoeld om stortplaatsen te ontgraven en dan weer elders te storten. Alleen indien een stortplaats de gewenste ontwikkeling blokkeert en er geen alternatief is om de locatie te herontwikkelen met instandhouding van de stortplaats kan worden overwogen toch subsidie te verstrekken. Wel willen wij bijvoorbeeld stimuleren dat een voormalige stortplaats als onderdeel van een ontwikkeling verantwoord wordt afgedekt of dat in het kader van de nazorg na herinrichting peilbuizen worden geplaatst ter monitoring van het grondwater. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5254\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 5.2.5.2. sub a bedraagt ten hoogste 50% van de onderzoekskosten die zijn gebaseerd op de begrote onderzoekskosten zoals genoemd in de offerte.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 5.2.5.2. sub b en sub c bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele saneringskosten die zijn gebaseerd op de begrote saneringskosten zoals genoemd in de offerte.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5255\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.2. moet een aanvraag voor subsidie zijn ontvangen uiterlijk op 1 mei 2013.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5256\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.5.6</span><span class=\"lf-art-t\">Bij aanvraag in te dienen gegevens</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De aanvrager overlegt in afwijking van artikel 1.2.1. tweede lid bij de aanvraag: de gekozen offerte voor de werkzaamheden waarin een planning is opgenomen betreffende de start van de werkzaamheden; het dekkingsvoorstel voor de geoffreerde onderzoeks- of saneringskosten; een verslag van hoe de gemeente is gekomen tot cofinanciering van de onderzoeks- of saneringskosten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien subsidie wordt aangevraagd als bedoeld in artikel 5.2.5.2. sub c dient in aanvulling op het eerste lid te worden overlegd: het concept-saneringsplan voor de te saneren locatie; stukken waaruit voldoende aannemelijk is dat de plannen met betrekking tot stedelijke vernieuwing zullen worden gerealiseerd.</div>\n<p class=\"lf-p\">140[Toelichting: Deze stukken zijn noodzakelijk voor de beoordeling van het criterium genoemd in artikel 5.2.5.3 lid 3 sub a. Een dergelijk stuk is bijvoorbeeld het Raadsbesluit over de plannen op die locatie. Tijdens vooroverleg met de provincie kan de locatie getoetst worden aan de criteria van deze subsidieverordening. Met de uitkomst van dit vooroverleg kan het Raadsbesluit onderbouwd worden. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5257\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.5.7</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5258\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.5.8</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van behandeling van de aanvragen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten verdelen het beschikbare bedrag naar evenredigheid over de subsidieaanvragen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5259\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.5.9</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de artikelen 1.4.1. en 1.4.2. zijn de werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend binnen een jaar na verlening van de subsidie conform de daarvoor in de Wet opgenomen voorschriften aangevangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52510\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.5.10</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschotverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.3.3. tweede lid kunnen Gedeputeerde Staten de subsidieontvanger op verzoek bij eerste subsidieverlening een voorschot van 10% van het verleende subsidiebedrag verlenen. Het aanvullende voorschot van 70% wordt uitgekeerd na aanvang van gesubsidieerde werkzaamheden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52511\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.5.11</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien subsidie is aangevraagd als bedoeld in artikel 5.2.5.2. sub c overlegt de aanvrager in aanvulling op artikel 1.5.2. tweede lid of artikel 1.5.3. tweede lid bij de aanvraag tevens een voorontwerp bestemmingsplan voor de betreffende locatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52512\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.5.12</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling van de subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In afwijking van artikel 1.5.1. worden subsidies tot € 25.000 ambtshalve vastgesteld.</div>\n<p class=\"lf-p\">141[Toelichting: Uitgangspunt is dat subsidies tot € 25.000 direct worden vastgesteld. Hiervan wordt in dit artikel afgeweken. In dit geval verlenen Gedeputeerde Staten wel eerst subsidie en wordt de subsidie ambtshalve vastgesteld (zonder aanvraag van de subsidieontvanger). Een verleningsbesluit is nodig om verplichtingen op te leggen die de subsidieontvanger bij de uitvoering van de activiteit moet naleven. ] 2. Ambtshalve vaststelling vindt plaats binnen 22 weken na afloop van de activiteiten of het tijdvak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.2.6 Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5261\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO): een groep particulieren, georganiseerd in een vereniging of stichting, die in eigen met beheer, met zelfgekozen partners, zonder winstoogmerk voor eigen gebruik, een (woning-) bouwproject ontwikkelt en realiseert.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5262\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken aan: a. een groep particulieren voor activiteiten ter voorbereiding van een eigen woningbouwproject. b. een gemeente voor het inhuren van externe deskundigheid dat leidt tot vergroting van interne deskundigheid en/of voor het stimuleren van concrete activiteiten zoals genoemd in sub a.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5263\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.2.6.2. sub a moet voldoen aan de volgende criteria: a. de groep particulieren is aantoonbaar georganiseerd in een vereniging of stichting; b. het woningbouwproject van de groep particulieren bestaat uit minimaal 3 woningen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5264\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.6.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5265\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.6.5</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie voor de activiteit zoals genoemd in artikel 5.2.6.2. sub a bedraagt maximaal € 2.500,-- per woning tot maximaal € 25.000,-- per project.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie voor de activiteit zoals genoemd in artikel 5.2.6.2. sub b bedraagt maximaal 50% van de kosten tot maximaal € 10.000,--.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5266\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.6.6</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Overeenkomstig artikel 1.1.5 vierde lid zijn alleen kosten derden subsidiabel.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van artikel 1.1.6 sub c zijn de voorbereidingskosten subsidiabel, indien op het moment van de aanvraag voor de subsidie de feitelijke bouw van het CPO project waarvoor subsidie wordt aangevraagd nog niet is gestart.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5267\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.6.7</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.5.2. wordt een subsidie van € 25.000,-- direct vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5268\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.6.8</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij aanvraag</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier ‘CPO'.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In aanvulling op artikel 1.2.1 overlegt de aanvrager bij de aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 5.2.6.2 sub a tevens: een oprichtingsakte van de vereniging of stichting; een verklaring van de vereniging of stichting getekend door alle afzonderlijke particulieren die zich verbonden hebben aan het project; een opdrachtverlening welke aansluit bij de begrote kosten in het aanvraagformulier.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5269\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.6.9</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgrond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.3.1 wordt de subsidie geweigerd indien de aanvrager voor de activiteit al subsidie heeft ontvangen op basis van deze paragraaf.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5.3 Ruimtelijke kwaliteit</h3>\n<p class=\"lf-p\">[Ingetrokken]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5.4 Ontwikkelen van woonzorgzones (pMJP 4.1.2)</h3>\n<p class=\"lf-p\">142[Toelichting: De gemeenten worden, via subsidie voor de ontwikkeling van woonzorgzones, ondersteund in het proces bij het opstellen van integrale woonplannen, waarin naast het wonen ook de terreinen zorg en welzijn dienen te worden meegenomen. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-541\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. woonzorgzones: een wijk of een dorp, of een deel daarvan, waarin optimale condities zijn geschapen voor wonen met zorg en welzijn, tot en met niet-planbare 24-uurs zorg; b. proceskosten: eenmalige activiteiten en kosten die gelieerd zijn aan het proces; c. pMJP: het provinciale meerjarenprogramma voor het landelijk gebied zoals bedoeld in artikel 4 van de Wet Inrichting Landelijk Gebied; d. gebiedsprogramma: jaarlijks voortschrijdend meerjarenprogramma voor de periode 2007 tot en met 2013 tot uitvoering van het pMJP in een gebied. Het programma wordt vastgesteld door Gedeputeerde Staten in overleg met gemeenten en waterschappen in een gebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-542\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: a. het opstellen van een masterplan woonzorgzones waarin aangegeven is waar de zones in de gemeente worden ontwikkeld; b. proceskosten in verband met het ontwikkelen van een woonzorgzone.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-543\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag voor subsidie voldoet aan de volgende criteria: a. de aanvrager is een Overijsselse gemeente; b. de aanvraag voldoet aan de bepalingen genoemd in paragraaf 9.1;</p>\n<p class=\"lf-p\">143[Toelichting: In paragraaf 9.1 ligt de basis voor de beoordeling van subsidieaanvragen in het kader van het pMJP en het gebiedsprogramma.] c. er is sprake van cofinanciering door andere gemeenten of participanten; d. de ontwikkeling van woonzorgzones sluit aan op en wordt nader uitgevoerd in het kader van het gemeentelijk woon-/welzijnbeleid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-544\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">144[Toelichting: Het moet gaan om proceskosten en dus niet om fysieke kosten. Zo zijn bijvoorbeeld kosten van bouwmateriaal voor woonzorgcomplexen uitgesloten. ] De subsidie bedraagt maximaal € 42.667,-- per gemeente, waarvan maximaal 50% aangewend wordt voor proceskosten als bedoeld in artikel 5.4.2 sub b.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-545\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5.5. Kulturhusen (pMJP 4.1.1)</h3>\n<p class=\"lf-p\">145[Toelichting: De kern van deze regeling is het geven van een impuls aan de vitaliteit en leefbaarheid in (kleine) kernen door het investeren in basisvoorzieningen. We spreken van een impuls indien door de investering nieuwe activiteiten of voorzieningen kunnen worden toegevoegd en/of nieuwe doelgroepen gebruik kunnen maken van de voorzieningen.Deze subsidieregeling is vraaggericht opgesteld en geeft geen voorwaarden aan ten aanzien van de spreiding van voorzieningen over de gemeenten of provincie. Dit houdt in, dat in één gemeente meerdere kulturhusen gesubsidieerd kunnen worden.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-551\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. kulturhus: een openbaar toegankelijke voorziening, waarin diensten worden aangeboden op minimaal drie van de gebieden van welzijn, sport, cultuur, educatie, zorg, maatschappelijke dienstverlening en commerciële dienstverlening; b. haalbaarheidsonderzoek: een onderzoek naar de financiële en inhoudelijke haalbaarheid van de bouw, verbouw en exploitatie van een kulturhus; c. pMJP: het provinciale meerjarenprogramma voor het landelijk gebied zoals bedoeld in artikel 4 van de Wet Inrichting Landelijk Gebied; d. gebiedsprogramma: jaarlijks voortschrijdend meerjarenprogramma voor de periode 2007 tot en met 2013 tot uitvoering van het pMJP in een gebied. Het programma wordt vastgesteld door Gedeputeerde Staten in overleg met gemeenten en waterschappen in een gebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-552\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">146[Toelichting: Een Kulturhus hoeft niet perse te bestaan uit één gebouw, maar kan ook bestaan uit meerdere gebouwen, een openluchtlokatie of een combinatie daarvan. Het concept kulturhus dient dan tot uitdrukking te komen door de gezamenlijke programmering en gezamenlijk beheer, waarbij onverminderd de criteria uit artikel 5.5.3 van kracht blijft. Sectorale basisvoorzieningen, zoals bijvoorbeeld de renovatie of aanpassing van peuterspeelzalen of een verenigingsgebouw van een tennisvereniging komen op basis van deze definitie niet voor subsidiëring in aanmerking. Reguliere onderhouds- en exploitatiekosten, waaronder (aanvullende) maatregelen die op basis van wettelijke bepalingen moeten worden genomen, komen nadrukkelijk niet voor subsidie in aanmerking. Kulturhusen waarin in het verleden reeds een bijdrage is verstrekt door de provincie Overijssel ten behoeve van de bouw of verbouw, komen niet nogmaals in aanmerking voor een subsidie. ] Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: a. een haalbaarheidsonderzoek; b. de bouw of verbouw van een kulturhus; c. experimenten die bijdragen aan kennis en ervaring voor het ontwikkelen van toekomstbestendige kulturhusen; d. het leveren van een extra impuls aan de gezamenlijke programmering of het gezamenlijke beheer van een kulturhus.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-553\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een aanvraag voor een subsidie voor een haalbaarheidonderzoek als bedoeld in artikel 5.5.2 sub a voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een Overijsselse gemeente; er is aantoonbaar voorzien in cofinanciering, in ieder geval door de aanvragende gemeente; het haalbaarheidsonderzoek moet inzicht geven in de volgende aspecten: de financiële haalbaarheid van de bouw/verbouw; de exploitatie van het kulturhus in de eerste 5 jaren na realisatie van de bouw of verbouw; mate van burgerparticipatie en draagvlak onder de lokale bevolking in de voorbereidende fase, opstartfase en exploitatiefase; afstemming tussen behoeften van de lokale bevolking op (middel)lange termijn en aanbod van het te verbouwen of op te richten kulturhus; indien er sprake is van verbouwing van een bestaande voorziening wordt aangetoond dat er substantieel nieuwe activiteiten worden ontplooid of dat nieuwe doelgroepen worden bereikt of dat, zonder deze impuls, voorzieningen uit de kern dreigen te verdwijnen. de aanvraag voldoet aan de bepalingen genoemd in paragraaf 9.1.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een aanvraag voor een subsidie voor de bouw en verbouw van een kulturhus als bedoeld in artikel 5.5.2 sub b voldoet aan de volgende criteria: de aanvraag voldoet aan de bepalingen genoemd in paragraaf 9.1; de aanvrager is een Overijsselse gemeente; het kulturhus ligt in een kern, niet zijnde de stadskern van Zwolle, Deventer, Enschede, Hengelo en Almelo; er is aantoonbaar voorzien in cofinanciering, tenminste door de aanvragende gemeente; er is een haalbaarheidsonderzoek bijgevoegd als bedoeld in artikel 5.5.2 sub a en deze is op alle genoemde punten positief;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Een aanvraag voor experimenten als bedoeld in artikel 5.5.2 sub c voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een rechtspersoon; het project is innovatief; de resultaten van het project zijn overdraagbaar aan andere kulturhusen. In het projectplan wordt aangegeven hoe de projectuitvoerder actief zal bijdragen aan deze overdracht; bij experimenten met commerciële partijen dient het project aantoonbaar een bijdrage te leveren aan de duurzame exploitatie van kulturhusen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Een aanvraag voor gezamenlijk beheer of gezamenlijke programmering als bedoeld in artikel 5.5.2. sub d voldoet aan de volgende criteria:</div>\n<p class=\"lf-p\">147[Toelichting: Het ontwikkelen van gezamenlijk beheer of gezamenlijke programmering kan bijvoorbeeld worden aangetoond door het oprichten van een Stichtingsbestuur met statuten, het vrijmaken van medewerkers voor het opzetten en ontwikkelen van een gezamenlijk beheer of gezamenlijke programmering, een gezamenlijke (meerjarige) begroting, enz. Het indienen van een gezamenlijk activiteitenplan alleen is niet voldoende. Wij adviseren tijdens het haalbaarheidsonderzoek specifiek aandacht te besteden aan de mogelijkheden voor het ontwikkelen van een gezamenlijk beheer en/of gezamenlijke programmering.] de aanvrager is een rechtspersoon; de activiteiten dragen aantoonbaar bij aan het ontwikkelen van gezamenlijk beheer en/of gezamenlijke programmering van het betrokken kulturhus; er is in het verleden geen provinciale subsidie van 500.000 gulden ontvangen voor het betreffende kulturhus.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-554\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 5.5.2 sub a en d, bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met als maximum subsidiebedrag € 25.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 5.5.2. sub b, bedraagt driemaal de gemeentelijke bijdrage, tot maximaal 50% van de subsidiabel kosten met als maximale subsidie € 100.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 5.5.2. sub c, bedraagt maximaal € 40.000,--.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-555\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Voor subsidie als bedoeld in artikel 5.5.2 sub a geldt dat: in aanvulling op artikel 1.1.5 eerste lid alleen de directe loonkosten inclusief sociale lasten, maar exclusief overhead, subsidiabel zijn. in afwijking van artikel 1.1.6 sub a eigen apparaatskosten subsidiabel zijn indien de gemeente zelf het haalbaarheidsonderzoek uitvoert. De gemeente toont dan expliciet aan dat deze uren specifiek gemaakt zijn ten behoeve van de pMJP-prestatie en anders niet zouden zijn gemaakt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Voor subsidie als bedoeld in artikel 5.5.2 sub b geldt: in afwijking van artikel 1.1.5 dat de investeringskosten in bouw of verbouw van het kulturhus en met de bouw of verbouw samenhangende aard- en nagelvaste inventaris, en onkosten(vergoedingen) die gemaakt worden door of voor vrijwilligers subsidiabel zijn. in aanvulling op artikel 1.1.6 zelfwerkzaamheid bij de (ver)bouw niet subsidiabel is.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-556\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5.6</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5.6 Dorpsplanplus (DOP+)</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-561\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onder een dorpsplanplus wordt verstaan een dorpsagenda met een uitvoeringsplan. In de agenda staan de wensen en behoeften voor de komende jaren. Het uitvoeringsplan is een lijst van uitvoeringsgerede projecten die voortkomen uit de agenda.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-562\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">148[Toelichting: Daar waar de gemeente verantwoordelijk is voor het lokale beleid ten aanzien van welzijn en leefbaarheid, kan de provincie meerwaarde leveren door de verknoping van het lokale met het regionale/provinciale beleid en de bevordering van een integrale aanpak van maatschappelijke knelpunten. Hiertoe is in samenwerking met de provinciale steuninstellingen de DOP+-regeling ontwikkeld om op basis van burgerparticipatie knelpunten en kansen aan te pakken. ] Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het maken van een integraal dorpsplan via de DOP+-regeling, waarin samenhangende knelpunten of kansen binnen een dorpskern worden aangepakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-563\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">149[Toelichting: Conform de bestuurlijke afspraken is het provinciebeleid complementair aan het gemeentelijke beleid. Dit impliceert dat de provincie slechts dan financiert wanneer de gemeente achter het DOP+ staat. Gezien de verantwoordelijkheid en taken van de gemeente heeft een DOP+ ook alleen zin wanneer de gemeente bereid is een bijdrage te leveren. ] Een aanvraag voor subsidie moet voldoen aan de volgende criteria: a. Aanvrager is een Overijsselse gemeente. b. Het dorpsplan heeft betrekking op een kern tussen 500 en 4.000 inwoners.</p>\n<p class=\"lf-p\">150[Toelichting: De integrale dorpsplannen hebben het doel om de lokale dynamiek te behouden en te versterken. Daarbij is het van belang dat gekeken wordt naar de haalbaarheid van de te ontwikkelen visie en uitvoeringsprogramma. Om te voorkomen dat het proces te complex wordt en het schaalniveau zich niet leent voor toepassing van de dop+ systematiek, wordt vooralsnog vastgehouden aan de norm van min. 500 en max. 4.000 inwoners.] c. Met behulp van de hiertoe ontwikkelde Toolkit wordt de bevolking uitgedaagd en gestimuleerd een bijdrage te leveren aan het dorpsplan en de uitvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">151[Toelichting: De Toolkit is een verzameling van beproefde methodieken, die door de Overijsselse steuninstellingen is ontwikkeld en waarmee een grote mate van burgerparticipatie wordt gewaarborgd. Indien geen gebruik gemaakt wordt van één van deze methoden dient aannemelijk gemaakt te worden dat eenzelfde mate van burgerparticipatie met de wel gebruikte methode is bereikt.] d. Het resultaat van de DOP+ is een korte ontwikkelingsvisie met een uitvoeringsprogramma (UP). Toelichting: Het UP bestaat uit een aantal uitvoeringsgerede projecten. Dat wil zeggen dat het projectvoorstel is voorzien van een probleemeigenaar (trekker), financieringsplan, plan van aanpak en tijdpad. Tevens dienen de projecten obstakelvrij te zijn of op korte termijn te kunnen worden gemaakt. e. De dop+-systematiek betreft een integrale aanpak, waarbij de sociale, economische en fysieke pijlers in kaart zijn gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">152[Toelichting: De provinciale meerwaarde vertaalt zich in het integraal benaderen van de meervoudige problematiek. Dit betekent dat de aanpak zich richt op knelpunten en kansen op zowel fysiek, economisch, sociaal als cultureel vlak.] f. Er wordt specifieke expertise ingezet voor het aanpakken van knelpunten en kansen uit elk van de drie pijlers.</p>\n<p class=\"lf-p\">153[Toelichting: Bewoners bepalen in onderling overleg welke knelpunten er binnen hun dorpsgemeenschap liggen. Tevens geven zij aan in welke richting zij naar oplossingen willen zoeken. Ingehuurde expertise vanuit diverse disciplines levert de bouwstenen en mogelijkheden om hen hierbij in staat te stellen daadwerkelijk keuzes te kunnen maken. Als de gemeente eigen uren opvoert, zal expliciet moeten worden aangetoond dat deze uren specifiek zijn gemaakt tbv de pMJP-prestatie (en anders niet zouden zijn gemaakt). Werkzaamheden die ook het algemeen belang dienen of als regulier/gangbaar kunnen worden aangemerkt, zijn niet subsidiabel. Alleen de directe kosten (loon/salaris incl. sociale lasten, maar excl. overhead) kunnen als subsidiabele kosten worden aangemerkt. Wij merken voor de volledigheid op dat gemeenten, indien zij zelf het dop+ traject uitvoeren, onverminderd moeten voldoen aan artikel 8.116 lid 3.] g. Gedurende vier jaar of tot de uitvoering van het UP is afgerond wordt er een aantoonbare inspanning geleverd om het UP uit te voeren. De gemeente dient binnen een jaar na oplevering van het DOP+ een tussenrapportage in over de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van het DOP+.</p>\n<p class=\"lf-p\">154[Toelichting: De DOP+-visie behelst het uitgangspunt dat de provincie middelen beschikbaar stelt (maximaal 2/3 tot een maximum van € 35.000,--. De subsidie is bedoeld voor planvorming, voor aanjagen van de uitvoering (bij voorkeur door een externe projectleider.. Vaak blijven plannen liggen omdat er niet direct een probleemeigenaar voorhanden is. De projectleider spreekt partijen aan om er voor te zorgen dat projecten doorgang (blijven) vinden.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-564\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.6.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 67% van de subsidiabel kosten tot een maximum subsidiebedrag van € 35.000,-- per integraal dorpsplan en wordt besteed aan het bij artikel 5.6.3, onder sub f en sub g, bedoelde inzet van expertise en het nazorgtraject.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-565\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.6.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5.7 Herstructurering van bedrijventerreinen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-571\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. Bedrijventerrein: een terrein van minimaal één hectare, dat in gebruik is door twee of meer bedrijven uit de sectoren industrie, nijverheid en/of commerciële en niet-commerciële dienstverlening. Daaronder niet begrepen een terrein dat in overwegende mate bestemd is voor kantoren, detailhandel of horeca.</p>\n<p class=\"lf-p\">155[Toelichting: Het moet gaan over een terrein ouder dan tien jaar gerekend vanaf het moment van eerste bedrijfsvestiging. Het betreffende bedrijventerreinen moet voorts opgenomen zijn in het Meerjarenprogramma Vitale Bedrijvigheid 2009-2015.] b. Kwaliteitsscan: een systematische beoordeling van de aanwezige kwaliteit op een bedrijventerrein, als onderdeel van het kwaliteitsscoresysteem.</p>\n<p class=\"lf-p\">156[Toelichting: Een kwaliteitsscan vindt plaats door middel van een systematische beoordeling van de aanwezige kwaliteit op een bedrijventerrein. De scan is een onderdeel van het kwaliteitsscoresysteem. Dit systeem wordt door Gedeputeerde Staten als een gekwalificeerd systeem beschouwd. Deze moet zijn geborgd in een onafhankelijke stichting. De scan vindt plaats in opdracht van het gemeentebestuur. Door middel van objectieve en toetsbare criteria volgen vanuit de toepassing van dit systeem, de scores met betrekking tot de kwaliteit op de diverse relevante aspecten. Dit leidt tot het geven van één of meer sterren, naar analogie van het hotel-classificatiesysteem. Vervolgens worden door middel van een kansenkaart aanbevelingen gedaan en de concrete activiteiten benoemd, die moeten worden getroffen om een hogere en duurzamere kwaliteit van het bedrijventerrein te bereiken. Dit instrument scherpt de discussies aan tussen de gemeente en de ondernemers over het te bereiken kwaliteitsniveau van een bedrijventerrein. Voorafgaand aan de opstelling van een herstructureringsplan, vindt de scan plaats als nul-meting. Na uitvoering van het herstructureringsproject wordt de kwaliteit als gevolg van de genomen maatregelen, opnieuw met een scan bepaald. Hiermee vindt monitoring van de kwaliteit plaats.] c. Herstructureringsplan: het plan bevat de visie(s) met betrekking tot de herstructurering van het betreffende bedrijventerrein. Het is de nadere uitwerking op uitvoeringsniveau, van de te nemen concrete activiteiten in de publieke ruimte en het daarbij behorende financieringsplan en de planning.</p>\n<p class=\"lf-p\">157[Toelichting: Een herstructureringsplan komt tot stand in overleg tussen het gemeentebestuur en de ondernemers of de ondernemersvereniging. Het plan wordt door het gemeentebestuur vastgesteld. Het plan is (mede) gebaseerd op de daaraan voorafgaande kwaliteitsscan. Het plan bevat de visie(s) met betrekking tot de herstructurering van het betreffende bedrijventerrein. Het aspect duurzaamheid, waaronder ruimtewinst, maar ook het aspect ruimtelijke kwaliteit, wordt in het plan zichtbaar gemaakt. Het herstructureringsplan is de nadere uitwerking op uitvoeringsniveau, van de te nemen concrete activiteiten en het daarbij behorende financieringsplan (inclusief kosten, c.q. exploitatiebegroting). Als het herstructureringsplan zowel werkzaamheden in de publieke ruimte als in de private sector omvat, dan worden deze in samenhang in het plan beschreven en in samenhang uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het plan bevat voorts een overzicht van subsidieabel geachte kosten, waarover - via vooroverleg tussen gemeente en provincie - overeenstemming bestaat. Dit overzicht dient ter bepaling van de prestaties in de beschikking tot subsidieverlening. Het overzicht is tevens basis voor de beoordeling van geleverde prestaties ten behoeve van de vaststelling van de subsidie. Uit het plan blijkt dat alle bij het herstructureringsproject betrokken partijen de uitvoering ervan onderschrijven. Het herstructureringsplan bevat voorts een plan van aanpak om het met de herstructurering bereikte kwaliteitsniveau te borgen. Dat kan zijn door middel van afspraken tussen gemeente en bedrijven over beheer en onderhoud, het structureel beheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook kan dat plaatsvinden door middel van parkmanagement. Als het herstructureringsplan ook werkzaamheden bevat in de private sector, dan worden de werkzaamheden in de publieke ruimte en die in de private sector in samenhang in het herstructureringsplan beschreven en in samenhang uitgevoerd. Voor zover (de) initiatiefnemer(s) bij het project een betrokkenheid wensen van de HMO, bevat het herstructureringsplan de gemotiveerde reden(en) hiertoe.] d. Publieke ruimte: de fysieke ruimte die het domein is van de overheid en door haar wordt beheerd. e. Structuurvisie: een gemeentelijke structuurvisie op basis van de nieuwe Wet op de ruimtelijke ordening (nWro). De paragraaf Bedrijventerreinen bevat een samenhangende en zorgvuldige beleidsvisie voor de lange termijn voor bedrijventerreinen. f. Herstructurering: alle eenmalige ingrepen op een bedrijventerrein waarvan de economische functie behouden blijft, die tot doel hebben veroudering van het terrein als geheel te bestrijden, en die niet tot het reguliere onderhoud gerekend worden. g. Monitoring Kwaliteitsscan: na uitvoering van het herstructureringsproject wordt de kwaliteit als gevolg van de genomen maatregelen opnieuw met een scan bepaald. Deze monitoringscan heeft een vergelijkbare systematiek als de kwaliteitscan. Hiermee vindt monitoring van de kwaliteit plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">158[Toelichting: Voor deze scan geldt ook dat deze volgens de door de provincie Overijssel gehanteerde kwaliteitsscoresystematiek wordt uitgevoerd. De Monitoring Kwaliteitscan is gekoppeld aan de aanvraag voor vaststelling van de subsidie voor het uitvoeren van het herstructureringsplan. De monitor maakt inzichtelijk welke maatregelen zijn genomen inzake de herstructurering ten aanzien van de sterrenkwalificatie zoals vastgesteld in de nul-meting. Met de uitkomst van de monitor is het voor alle stake-holders (gemeente, ondernemers, provincie etc.) inzichtelijk wat de herstructurering heeft opgeleverd. Voor deze scan vervalt de subsidiemogelijkheid, omdat de kosten ervan geheel voor rekening van de provincie komen. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-572\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de kwaliteitsverbetering van bestaande bedrijventerreinen, opgenomen in het meerjarenprogramma Vitale Bedrijvigheid 2009-2015, betreffende de volgende activiteiten: a. het uitvoeren van een kwaliteitsscan;</p>\n<p class=\"lf-p\">159[Toelichting: De uitvoering van de kwaliteitsscan komt voor subsidiëring in aanmerking als deze op grond van de regeling vereist is. Vereist in die zin dat deze vooraf moet gaan aan een herstructureringsplan waarvoor subsidie wordt gevraagd. De scan wordt uitgevoerd conform de systematiek van het kwaliteitsscoresysteem. Het gaat hier om de eerste nul-meting, ter voorbereiding van de opstelling van het herstructureringsplan. Voor die scan kan subsidie worden aangevraagd. Ook moet er een (monitoring)scan worden uitgevoerd, nadat het herstructureringsproject is afgerond. Voor deze scan geldt ook dat deze volgens de door de provincie Overijssel gehanteerde kwaliteitsscoresystematiek wordt uitgevoerd. De monitoringsscan is gekoppeld aan de aanvraag voor vaststelling van de subsidie voor het uitvoeren van het herstructureringsplan. Voor deze scan vervalt de subsidiemogelijkheid, omdat de kosten ervan geheel voor rekening van de provincie komen.] b. het opstellen van een herstructureringsplan;</p>\n<p class=\"lf-p\">160[Toelichting: Het herstructureringsplan is (mede) gebaseerd op de kwaliteitscan. In de toelichting op het begrip herstructureringsplan wordt op de bedoeling en inhoud van het plan ingegaan.] c. het uitvoeren van een herstructureringsplan;</p>\n<p class=\"lf-p\">161[Toelichting: Een herstructureringsproject mag geen eindeloos aantal jaren doorlooptijd hebben. De termijnen vereisen van initiatiefnemers een voortdurende actieve opstelling met betrekking tot de doorlooptijd van het proces. Om die reden is ook subsidie voor procesmanagement mogelijk gemaakt. De maximale termijn voor de uitvoering van een herstructureringsproject is vastgesteld op 6 jaar. ] d. project- en procesmanagement.</p>\n<p class=\"lf-p\">162[Toelichting: Het onderdeel project- en procesmanagement vormt in de praktijk nogal eens een zwakke schakel. Hierdoor komen herstructureringsprojecten niet van de grond, of hebben een erg lange doorlooptijd. Om ook hierin verbetering te brengen bieden Gedeputeerde Staten de mogelijkheid om hiervoor een subsidie te verkrijgen.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-573\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.7.2 sub a moet voldoen aan het criterium dat het alleen de door de provincie Overijssel gehanteerde kwaliteitsscoresystematiek betreft.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.7.2 sub b moet voldoen aan de volgende criteria:</div>\n<p class=\"lf-p\">Het herstructureringsplan moet gebaseerd zijn op een actuele kwaliteitsscan;</p>\n<p class=\"lf-p\">De opstelling van de kwaliteitsscan en de opstelling, respectievelijk de uitvoering van het herstructureringsplan lopen niet teveel in tijd uiteen;</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.7.2 sub c, moeten voldoen aan de volgende criteria: er moet een door het gemeentebestuur vastgesteld herstructureringsplan aan de uitvoering van de herstructurering van het bedrijventerrein ten grondslag liggen. Het herstructureringsplan is in overeenstemming met de provincie opgesteld; de kosten voor werkzaamheden, als vermeld in het herstructureringsplan, hebben uitsluitend betrekking op werkzaamheden in de publieke ruimte; de begroting van de werkzaamheden van de uitvoering van het herstructureringsplan is na de verlening van de provinciale subsidie sluitend; met de uitvoeringswerkzaamheden van het herstructureringsplan moet zijn begonnen binnen 9 maanden na de vaststelling van het herstructureringsplan; over de voortgang van de uitvoering van de werkzaamheden van het herstructureringsplan rapporteert het gemeentebestuur eenmaal per jaar aan Gedeputeerde Staten; de uitvoering van de werkzaamheden van het herstructureringsplan zijn afgerond binnen 6 jaar na verlening van de subsidie. Na afronding moet een (monitoring)scan worden uitgevoerd.</div>\n<p class=\"lf-p\">163[Toelichting: Onder \"met de uitvoeringswerkzaamheden moet zijn begonnen\", wordt het volgende verstaan. De werkzaamheden moeten niet alleen zijn aanbesteed en gegund, maar ook daadwerkelijk zijn gestart. Die start mag geen pro forma karakter hebben, maar moet werkzaamheden betreffen, die een fysieke betekenis hebben en een continu karakter. Bodemonderzoek valt daar bij voorbeeld niet onder.] 4. Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.7.2 sub d is gericht op de activiteiten als bedoeld in artikel 5.7.2 eerste lid, sub b en c.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.7.2 sub b, c en d kan worden ingediend door gemeenten die een paragraaf Bedrijventerreinen in de gemeentelijke structuurvisie hebben opgenomen, dan wel een ander document met een gelijkwaardige status.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-574\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie voor het uitvoeren van een kwaliteitsscan als bedoeld in artikel 5.7.2 sub a bedraagt 50% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 5.000,-- per kwaliteitsscan per bedrijventerrein.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie voor het opstellen van het herstructureringsplan als bedoeld in artikel 5.7.2 sub b bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 50.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De subsidie voor het uitvoeren van het herstructureringsplan als bedoeld in artikel 5.7.2 sub c bedraagt € 50.000,-- per ha van het totale herstructureringsproject, als opgenomen in het herstructureringsplan. De subsidie bedraagt in totaal ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 500.000,-- per bedrijventerrein.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De subsidie voor project- en procesmanagement als bedoeld in artikel 5.7.2 sub d bedraagt 50% van de kosten met een maximum van € 50.000,--.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-574a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7.4a</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-575\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.1.6 zijn de volgende kosten niet subsidiabel: a. interne kosten; b. verrekenbare belastingen, BTW, heffingen of lasten, waaronder kosten van aanleg/herstel/vervanging van riolering; c. rente, bank, financierings- en gerechtskosten, geldboetes en sanctiekosten; d. afschrijvingskosten; e. kosten van planschade; f. kosten van werkzaamheden die verband houden met bodemsanering; g. kosten van werkzaamheden die tot het reguliere onderhoud worden gerekend; h. de aanleg of verbetering van bovenwijkse infrastructuur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-576\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid bij de aanvraag voor subsidie voor het opstellen en uitvoeren van het herstructureringsplan als bedoeld in artikel 5.7.2 sub b en sub c tevens: a. de uitgevoerde kwaliteitsscan die ten grondslag ligt aan de opstelling van het herstructureringsplan, respectievelijk de uitvoering van dat plan; b. de door het gemeentebestuur in de vastgestelde structuurvisie opgenomen paragraaf Bedrijventerreinen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-577\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7.7</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschotverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.3.3 tweede lid verstrekken Gedeputeerde Staten bij subsidieverlening: a. voor het opstellen van het herstructureringsplan een voorschot van 50% van het verleende subsidiebedrag; b. voor het uitvoeren van het herstructureringsplan een voorschot van 50% van het verleende subsidiebedrag, als met de uitvoeringswerkzaamheden van het herstructureringsplan is begonnen en de gemeente daarvan de provincie schriftelijk mededeling heeft gedaan; c. voor project- en procesmanagement een voorschot van 50% van het verleende subsidiebedrag, als de projectmanager met de feitelijke werkzaamheden is gestart en de gemeente daarvan de provincie schriftelijk mededeling heeft gedaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-578\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7.8</span><span class=\"lf-art-t\">Vergoedingsplicht bij vermogensvorming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de gevallen bedoeld in artikel 4:41 tweede lid Awb is de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor een vergoeding verschuldigd aan de provincie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-579\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7.9</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.5.2 tweede lid of artikel 1.5.3 tweede lid bij de aanvraag voor vaststelling voor het uitvoeren van het herstructureringsplan tevens de resultaten van de achteraf uitgevoerde \"Monitoring Kwaliteitsscan\".</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5.8 Kwaliteit Stedelijke Leefomgeving</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-581\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.8.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. herinrichting: werkzaamheden op zowel stedebouwkundig als op sociaal, economisch, cultureel of milieuhygiënisch terrein, gericht op behoud, herstel en verbetering, herindeling of sanering van een gebied; b. gebouw: elk bouwwerk met een minimale oppervlakte van 20m2 dat een voor mensen toegankelijk overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt en bestaat uit minimaal twee muren en een overkapping met een permanent karakter, bedoeld voor verblijf, handel, verkeer of arbeid. Kassen en opslagtanks zijn hierbij niet inbegrepen; c. transformatie: het proces waarbij een gebouw opnieuw wordt ingericht waarbij de bestaande functie wordt omgezet naar een andere functie; d. kwaliteit van de leefomgeving: het vergroten van de belevings- en gebruikswaarde of het verhogen van de sociale veiligheid of het versterken van identiteit en imago of het verbeteren van de beschikbaarheid van voorzieningen; e. stedelijke leefomgeving: feitelijk bebouwd gebied dat geheel is omsloten door binnenstedelijke bebouwing(sranden), met uitzondering van bedrijventerreinen die vallen onder het Meerjarenprogramma vitale bedrijvigheid 2009-2015;</p>\n<p class=\"lf-p\">164[Toelichting: Het Meerjarenprogramma Vitale Bedrijvigheid 2009-2015 is op 1 juli 2009 vastgesteld. Onderdelen van het Meerjarenprogramma Vitale Bedrijvigheid 2009-2015 zijn de provinciale Herstructureringsmaatschappij bedrijventerreinen Overijssel en een subsidieregeling Herstructurering bedrijventerreinen, paragraaf 5.7 van dit Uitvoeringsbesluit.Het Meerjarenprogramma kent een limitatieve lijst met herstructureringsprojecten. De daarin opgenomen bedrijventerreinen zijn op grond van deze subsidieregeling uitgesloten.] f. ruimtelijke kwaliteit: het resultaat van menselijk handelen en natuurlijke processen dat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-582\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.8.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten die de kwaliteit van het stedelijke leefomgeving verhogen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De activiteit als bedoeld onder het eerste lid betreft één van de volgende activiteiten: het deels of geheel verwijderen van een gebouw gevolgd door herinrichting; transformatie van een gebouw.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-583\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.8.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie moet voldoen aan de volgende criteria: a. de aanvrager is een Overijsselse gemeente; b. de activiteit betreft een stedelijke leefomgeving waar ten minste één van de volgende problemen zich voordoen: een verloedering van het straatbeeld, ongewenst gebruik van de openbare ruimte, onveiligheid, vandalisme, hangproblematiek of overlast; de problemen worden aantoonbaar veroorzaakt door de aanwezigheid van een al meer dan 12 maanden leeg staand gebouw, dat zijn functie heeft verloren; c. de activiteit draagt bij aan het verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-584\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.8.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 200.000 per aanvraag, geldend per 15 juli 2013.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-585\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.8.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-586\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.8.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij de aanvraag voor subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Kwaliteit Stedelijke Leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-587\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.8.7</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks het subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-588\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.8.8</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgrond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.3.1 wordt de subsidie geweigerd indien: a. de gemeente, na 15 juli 2013, al twee keer subsidie op basis van deze paragraaf verstrekt heeft gekregen; b. de te verlenen subsidie minder dan € 25.000 bedraagt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-589\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.8.9</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de artikelen 1.4.1. en 1.4.2. moet de subsidieontvanger voldoen aan de volgende verplichtingen: a. de aanvrager start binnen 12 maanden na de datum van subsidieverlening met de uitvoering van de activiteit en rond deze af binnen drie jaar na de datum van subsidieverlening. b. voor zover subsidie is verstrekt op basis van artikel 5.8.2. tweede lid sub b, dient er binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening door de subsidieontvanger een herinrichtingsplan te worden vastgesteld . Het herinrichtingsplan is verankerd te worden in het bestemmingsplan of gebiedsvisie.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5.9 Gebiedsontwikkeling Noordoost Twente</h3>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.9.1 Businesscase uitvoering projecten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5911\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.9.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze subparagraaf wordt verstaan onder: a. businesscase: een document met de informatie die de subsidieaanvrager nodig heeft om een gemotiveerde beslissing te kunnen nemen over de uitvoering van een project. De businesscase bevat in ieder geval: de doelstellingen van het project; de resultaten en daarvoor uit te voeren activiteiten; een markt- en concurrentieanalyse; de benodigde investeringen; een kosten-batenanalyse en een verdienmodel; een risicoanalyse; een beschrijving van het structurele effect op de werkgelegenheid voor Noordoost Twente; indien sprake van een fysiek uitvoeringsproject, een visualisatie van het eindresultaat en een beschrijving van de bijdrage aan sociale kwaliteit, ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid in Noordoost Twente; b. fysiek uitvoeringsproject: een project dat een tastbaar en zichtbaar resultaat oplevert in de leefomgeving; c. gebiedsvisie: door Gedeputeerde Staten vastgestelde visie, waarin de ontwikkelingsrichting van Noordoost Twente verwoord is.</p>\n<p class=\"lf-p\">165[Toelichting: De gebiedsvisie is te vinden op www.mijnnoordoosttwente.nl.]</p></div>", "next": 239839}