{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">heeft een gesprek gehad met een erfcoach en deze adviseert een vervolgtraject; indien de aanvrager een pachter of huurder is, heeft deze schriftelijke toestemming verkregen van de erfeigenaar. indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan moet de subsidie voldoen aan de de-minimisverordening of de algemene de-minimisverordening landbouw.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2124\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.12.4</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 2.500,- per aanvraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2125\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.12.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uitsluitend kosten van derden zoals bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid zijn subsidiabel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2126\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.12.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Advies bij Vrijkomende Agrarische Bebouwing (VAB).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 2.12.2: een offerte van een specialist die wordt ingeschakeld om aanvrager te adviseren en te ondersteunen bij het uitwerken van een toekomstplan; een door de erfcoach ondertekende verklaring conform het door de provincie beschikbaar gestelde format; indien de aanvrager een pachter of huurder is, een schriftelijke toestemming van de erfeigenaar.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2127\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.12.7</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2128\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.12.8</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie als: de aanvrager al subsidie heeft ontvangen op grond van deze paragraaf; op basis van deze paragraaf al zes subsidies zijn verstrekt aan aanvragers uit de betreffende gemeente; sprake is van enkel een agrarisch advies voor landbouwinnovaties, doorontwikkeling, schaalvergroting of uitbreiding van het erf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2129\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.12.9</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de artikelen 1.4.1 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht: binnen twaalf maanden na subsidieverlening te starten met het vervolgtraject als bedoeld in artikel 2.12.3 sub a onder vi; mee te werken aan een evaluatie van de provincie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.12.10</span><span class=\"lf-art-t\">Looptijd</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf loopt tot 1 december 2020, tenzij Gedeputeerde Staten anders besluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk3Milieu en Energie Paragraaf3.1Hernieuwbare energie en energiebesparing ToelichtingHet doel van deze subsidieregeling is het ondersteunen en versnellen van investeringen in technische voorzieningen gericht op energiebesparing, en de opwekking van hernieuwbare energie. Ondernemers, overheden en andere organisaties kunnen in aanmerking komen voor de subsidie. Woningen komen niet in aanmerking voor de subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidieregeling is een tenderregeling. Dit betekent dat de provincie het beschikbare subsidiebudget verdeelt op basis van een behaalde score en voor zover het subsidieplafond het toelaat. Het totale vermeden primaire energieverbruik is het belangrijkste beoordelingscriterium op basis waarvan de score wordt bepaald. De subsidie bedraagt maximaal 30% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 200.000,– per aanvraag, met uitzondering van zonne-energie. Voor zonne-energie geldt dat de subsidie maximaal 15% van de subsidiabele kosten bedraagt, met een maximum van € 100.000,- voor zonne-energie en een maximum van € 200.000,- voor de gehele aanvraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-311\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">biobrandstof: verzamelnaam voor brandstoffen die zijn gemaakt uit biomassa. Er zijn verschillende soorten. Bijvoorbeeld biodiesel, bio-ethanol, biogas of bio-butanol. biomassa: de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen, de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval, conform Richtlijn2009/28/EG. De biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria voor biomassa ten behoeve van energiedoeleinden, zoals bedoeld in NTA 8080-1: 2015.nl en NTA 8080-2: 2015.nl. bodemenergie: technische voorziening waarmee, zonder per saldo grondwater te onttrekken, gebruik wordt gemaakt van de bodem voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken, door middel van een gesloten circuit van leidingen, met inbegrip van een bijbehorende warmtepomp, circulatiepomp en regeneratievoorziening, voor zover aanwezig. energiebesparing: reductie van het energieverbruik in een nieuwe situatie vergeleken met de situatie waarin een referentietechnologie wordt toegepast; energielijst: energie- en milieulijst van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) met bedrijfsmiddelen die voor de fiscale EnergieInvesteringsaftrek regeling (EIA) in aanmerking komen. Deze lijst wordt elk jaar geactualiseerd. De energielijst is te vinden op de website http://www.rvo.nl/.</p>\n<p class=\"lf-p\">EPC: Het vigerend bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe gebouwen. De maat die hierin wordt gebruikt voor energiezuinigheid is de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). De bepaling van de EPC ligt vast in de norm NEN 7120 Energieprestatie van Gebouwen (EPG).</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Het vigerend bouwbesluit is te vinden op https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2011-416.html Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 5 juli 2011, nr. 2011- 20112000271178, CZW). hernieuwbare energie: energie uit zonne-energie, windenergie, waterenergie, bodemenergie en energie uit biomassa. primaire energie: de energie-inhoud van fossiele grondstoffen zoals olie, kolen en gas vóór technische omzetting naar elektriciteit. Het rendement op primaire fossiele grondstoffen is gebaseerd op het meest recente cijfer van het CBS (publicatie 2018), conform de integrale methode. Hierin wordt rekening gehouden met de groei van hernieuwbare elektriciteit in de elektriciteitsmix.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Dit betekent dat voor 1 kWh van de Nederlandse elektriciteitsmix 1,95 kWh primaire energie nodig is geweest. Er gaat immers energie verloren tijdens de omzetting van fossiele grondstoffen naar elektriciteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regeling Bouwbesluit 2012: vervallen; technische voorziening: bedrijfsmiddelen zoals genoemd in de energielijst of bedrijfsmiddelen ten behoeve van hernieuwbare energie; totale vermeden primaire energieverbruik: het vermeden primaire energieverbruik over een periode van 15 jaar door energiebesparing + het vermeden primaire energieverbruik over een periode van 15 jaar door hernieuwbare energie– het eigen primaire energieverbruik van de aanvullende technische voorzieningen over een periode van 15 jaar; waterenergie: is energie die gewonnen wordt met behulp van een technische voorziening door het gebruik van stroomsnelheid of hoogteverschil in oppervlaktewaterwater, is thermische energie in de vorm van (rest)warmte- of koude gewonnen uit water, of is energiebenutting waar water als opslagmedium dient om hernieuwbare energie toe te passen. Energie uit water omvat alle vormen van energiewinning en energieopslag met water als hernieuwbare energiebron. windenergie: technische voorziening waarmee elektriciteit wordt opgewekt uit de stroming van lucht met behulp van een windturbine. zonne-energie: technische voorziening waarmee elektriciteit- of warmteopwekking plaatsvindt door middel van photo-voltaïsche (PV) panelen, zonneboilers en PV-panelen met een zonnecollector (PVT) met inbegrip van omvormers.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-312\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor investeringen in: technische voorzieningen voor energiebesparing in of bij gebouwen, zoals opgenomen in de energielijst onder categorie A en de in de energielijst gestelde technische eisen; technische voorzieningen voor energiebesparing in bestaande of nieuwe bedrijfsprocessen zoals opgenomen in de energielijst onder categorie B en de in de energielijst gestelde technische eisen; hernieuwbare energie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-313\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een aanvraag voor subsidie voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersoon, een maatschap, een vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap, een eenmanszaak of een kerkgenootschap; er is sprake van energiebesparing of hernieuwbare energie in Overijssel; alleen investeringen in technische voorzieningen die een terugverdientijd hebben van vijf jaar of meer komen in aanmerking voor de subsidie; indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan voldoet: de subsidie als bedoeld in artikel 3.1.2 sub a en b aan artikel 38 van de AGVV; de subsidie als bedoeld in artikel 3.1.2 sub c aan artikel 41 van de AGVV.</div>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: In artikel 1.1.8 is nader toegelicht wanneer sprake kan zijn van staatssteun 2. In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.1.2 sub a aan de volgende criteria: met de technische voorzieningen bij nieuwbouw van utiliteitsgebouwen waarbij een EPC-eis geldt, wordt tenminste een 25% lagere EPC bereikt dan wettelijk voorgeschreven op moment van aanvraag of wordt er, indien er geen EPC-eis geldt, een reductie van tenminste 25% gehaald ten opzichte van wat gangbaar is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: De EPC-eisen zijn te vinden op de website http://www.rvo.nl/. met de technische voorzieningen bij bestaande utiliteitsgebouwen wordt tenminste een energieprestatie van label A++ bereikt of wordt een energielabel bereikt dat minimaal 4 stappen beter is dan dat het was en waarbij minimaal label B wordt bereikt of wordt minimaal de energieprestatie-eis uit het vigerend bouwbesluit voor nieuwbouw bereikt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.1.2 sub c aan de volgende criteria: windenergie komt alleen in aanmerking voor de subsidie als sprake is van installaties die bedoeld zijn voor kleinschalige opwekking, met een maximale hoogte van 25 meter en een maximaal vermogen van 50 kilowattpiek; zonne-energie komt alleen in aanmerking voor de subsidie als het wordt gecombineerd met investeringen zoals bedoeld in artikel 3.1.2 sub a, sub b of bodemenergie, windenergie, waterenergie of energie uit biomassa; energie uit biomassa komt alleen in aanmerking voor subsidie als er geen sprake is van biobrandstoffen waarvoor een leverings- of bijmengverplichting geldt; indien sprake is van waterenergie dan voldoet die aan Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-314\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 30% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 200.000,– per aanvraag, met uitzondering van zonne-energie. Voor zonne-energie geldt dat de subsidie maximaal 15% van de subsidiabele kosten bedraagt, met een maximum van € 100.000,- voor zonne-energie en een maximum van € 200.000,- voor de gehele aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Als er sprake is van staatssteun dan kan dit gevolgen hebben op de hoogte van de subsidieverlening of vaststelling. Wanneer voor dezelfde activiteit al steun is verleend dan kan dit betekenen dat onder toepassing van artikel 8 van de AGVV afgeweken wordt van de in dit artikel genoemde maximum percentages. Dit betekent onder andere dat de totale overheidsbijdrage voor de betreffende activiteit in totaal niet meer bedraagt dan:</p>\n<p class=\"lf-p\">30% indien de aanvrager een grote onderneming is;</p>\n<p class=\"lf-p\">40% indien de aanvrager een middelgrote onderneming is;</p>\n<p class=\"lf-p\">50% indien de aanvrager een kleine onderneming is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-315\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Uitsluitend de volgende kosten die nodig zijn om het hogere niveau aan energiebesparing te behalen zijn subsidiabel: aanschafkosten van de technische voorzieningen overeenkomstig artikel 1.1.5 derde lid; loonkosten ten behoeve van de installatie van de technische voorziening overeenkomstig artikel 1.1.5 derde lid of eerste lid sub b;</div>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Indien sprake is van eigen loonkosten van de aanvrager ten behoeve van de installatie van de technische voorziening dan zijn deze overeenkomstig artikel 1.1.5 eerste lid sub b, subsidiabel voor een vast tarief van € 35,- per uur. Voor loonkosten van derden geldt artikel 1.1.5 derde lid.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Bij de berekening van de subsidie worden alleen de kosten van de investering betrokken die als een afzonderlijke investering vast te stellen zijn.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-316\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.1.6</span><span class=\"lf-art-t\">Niet subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.1.6 zijn de volgende kosten niet subsidiabel: advieskosten; andere voorbereidingskosten dan kosten voor de installatiewerkzaamheden; kosten projectmanagement- of projectbegeleiding; kosten voor gronden; onderhoudskosten; exploitatiekosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-317\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.1.7</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien: sprake is van woningen; sprake is van wettelijk vereiste technische voorzieningen, waaronder technische voorzieningen die op grond van het vigerend bouwbesluit voor nieuwbouw verplicht zijn; sprake is van aanschaf van voertuigen voor het vervoer over de weg, vaartuigen voor de binnenvaart of railgebonden voertuigen; voor zonne-energie al subsidie is aangevraagd of verstrekt door een ander bestuursorgaan;</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Dit betekent dat de aanschafkosten en loonkosten ten behoeve van de installatie voor zonne-energie niet subsidiabel zijn. Voorbeeld is de SDE+. subsidie wordt aangevraagd voor LED-verlichting of een HR-ketel. sprake is van een installatie die op het moment van de aanvraag al in bedrijf is genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-318\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.1.8</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag tot subsidieverlening</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In afwijking van artikel 1.2.2 geldt dat een aanvraag om subsidie kan worden ingediend: vanaf 15 februari en ontvangen uiterlijk op 1 april vóór 17.00 uur; vanaf 1 augustus en ontvangen uiterlijk op 16 september vóór 17.00 uur.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een onvolledige aanvraag voor subsidie kan na sluitingsdatum alleen volledig worden gemaakt voor zover het geen inhoudelijke aanvulling of wijziging van de aanvraag betreft.</div>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Doordat het een tenderregeling is, is het voor de gelijktijdige beoordeling nodig dat alle stukken voor de sluiting van de aanvraagtermijn ingediend zijn. Na de sluitingsdatum is er alleen ruimte voor het herstel van kleinigheden die niet inhoudelijk van aard zijn, zoals een handtekening of een bankrekeningnummer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-319\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.1.9</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier ‘Hernieuwbare energie en energiebesparing’ 2. In afwijking van artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie een projectplan waarin is beschreven: een omschrijving van de investering; indien sprake is van activiteiten als bedoeld in artikel 3.1.2 sub a of b een onderbouwing van de energiebesparing van de investering in de subsidiabele activiteiten, zowel in een individuele activiteit als in de gezamenlijke activiteiten over een periode van 15 jaar in GigaJoule, kWh of m3; indien sprake is van activiteiten als bedoeld in artikel 3.1.2 sub c een onderbouwing van de hernieuwbare energie van de investering opgewekt over een periode van 15 jaar in GigaJoule, kWh of m3; onderbouwing van het eigen energieverbruik van de investering over een periode van 15 jaar in GigaJoule, kWh of Nm3, of aangeven dat geen sprake is van eigen energieverbruik van de investering; onderbouwde terugverdientijd van de investering in de subsidiabele activiteiten, zowel in een individuele activiteit als in de gezamenlijke activiteiten; vervallen vervallen Indien sprake is van activiteiten als bedoeld in artikel 3.1.2 sub a of b een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de technische eisen van de energielijst wordt voldaan. een ingevulde door de provincie beschikbaar gestelde rekentool “Berekening vermeden primaire energie”, waaruit het vermeden primaire energieverbruik over een periode van 15 jaar in Gigajoule, Kwh of Nm3 blijkt;</div>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: De rekentool is te vinden op www.overijssel.nl/subsidie. een ingevuld door de provincie beschikbaar gestelde format begroting en dekkingsplan Hernieuwbare energie en energiebesparing, waaruit duidelijk blijkt: de aanschafbedragen van de technische voorzieningen inclusief de kosten van de installatie van de technische voorziening; indien van toepassing, de loonkosten aanvrager ten behoeve van de installatie van de technische voorziening; offerte of offertes waaruit de aanschaf- en installatiekosten blijken, of een door een onafhankelijke derde opgestelde kostenraming; indien aanwezig een kopie van de noodzakelijke vergunningen; indien sprake is van technische voorzieningen als bedoeld in artikel 3.1.2 sub a: bij nieuwbouw: EPC-waarde zoals wettelijk vereist volgens het vigerend bouwbesluit en een EPC berekening inclusief aanvullende subsidiabele technische voorzieningen die inzichtelijk maakt hoe de aanvullende subsidiabele technische voorzieningen zowel individueel als gezamenlijk bijdragen aan de verbetering van de EPC of, indien geen EPC-eis geldt, een energiebalans berekening uitgedrukt in MJ/m2; bij bestaande bouw: energielabel van de oude situatie en de nieuwe situatie die inzichtelijk maakt hoe de aanvullende subsidiabele technische voorzieningen zowel individueel als gezamenlijk bijdragen aan de verbetering van het energielabel of een berekening waaruit blijkt dat in de nieuwe situatie wordt voldaan aan de energieprestatie-eis uit het vigerend bouwbesluit. indien het eigen onderzoek van Gedeputeerde Staten daartoe aanleiding geeft, een volledig ingevuld Bibob-formulier als bedoeld in artikel 1.2.1, vijfde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Indien na ontvangst van de aanvraag uit het eigen onderzoek van Gedeputeerde Staten blijkt dat sprake is van een mogelijke situatie als bedoeld in artikel 3 Wet Bibob, moet de aanvrager aanvullend het Bibob-formulier voor subsidies volledig invullen. Als sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3 Wet Bibob, dan wordt de subsidie geweigerd. Indien het Bibob-formulier voor subsidies niet volledig is ingevuld, laten Gedeputeerde Staten de aanvraag, na het bieden van een aanvullingstermijn, buiten behandeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3110\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.1.10</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.1.11</span><span class=\"lf-art-t\">Volgorde van behandeling</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In afwijking van artikel 1.1.4 plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen, die voldoen aan de in artikel 3.1.3 gestelde criteria, in een volgorde op basis van behaalde score. Gedeputeerde Staten verstrekken de subsidie in de volgorde van behaalde score, voor zover het subsidieplafond dit toelaat.</div>\n<p class=\"lf-p\">De score wordt bepaald op basis van de in Scoretabel 1 genoemde wegingscriteria.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Bij een gelijke score bepaalt het totale vermeden primaire energieverbruik de volgorde.</div>\n<p class=\"lf-p\">Scoretabel 1 WEGINGSCRITERIA TE BEHALEN PUNTEN WEGINGS-FACTOR SCORE a. totale vermeden primaire energieverbruik (in GigaJoule) 100.000 of hoger=10 40.000 tot 100.000= 8 20.000 tot 40.000= 6 10.000 tot 20.000=4 1.000 tot 10.000= 2 0 tot 1.000= 0 30% Punten x 0,3= score a b. totale vermeden primaire energieverbruik gedeeld door het te verlenen subsidiebedrag (in GigaJoule/€) 1,6 of hoger = 10 0,8 tot 1,6= 8 0,4 tot 0,8= 6 0,2 tot 0,4= 4 0,1 tot 0,2= 2 0 tot 0,1= 0 30% Punten x 0,3= score b c. mate van slaagkans van de investering(afhankelijk van de kwaliteit van het projectplan, de technische, financiële en juridische haalbaarheid en de mate waarin de activiteiten startgereed en/of obstakelvrij zijn) goed = 10 voldoende = 6 matig= 1 20% Punten x 0,2= score c d. praktische navolging van de investering(afhankelijk van de mate waarin de kennis en expertise actief wordt gedeeld, voorbeeldwerking en herhaalpotentieel van de activiteit) goed = 10 voldoende = 6 matig= 1 10% Punten x 0,1= score d e. Mate van combinatie van de verschillende subsidiabele activiteiten zoals genoemd in artikel 3.1.2 3 subsidiabele activiteiten = 10 2 subsidiabel activiteiten= 5 1 subsidiabele activiteit = 0 10% Punten x 0,1= score e Totaalscore =Score a+score b+score c+score d+ score e</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3112\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.1.12</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht de technische voorziening te hebben aangeschaft en geïnstalleerd en in gebruik te hebben genomen uiterlijk drie jaar na datum van subsidieverlening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3113\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1.13</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.5.2 tweede lid of artikel 1.5.3 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag tot vaststelling (dus na afloop) tevens een ingevuld factsheet Subsidieregeling Hernieuwbare energie en energiebesparing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Het factsheet is te vinden op www.overijssel.nl/subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf3.2Haalbaarheidsstudies nieuwe energie en energiescans</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-321\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: energiebesparing: technische, logistieke of organisatorische voorzieningen die leiden tot verminderd verbruik van energie, zoals gedefinieerd in het protocol Monitoring energiebesparing 2001; toelichting: Het protocol Monitoring energiebesparing 2001 is de vinden op de website http://www.ecn.nl/ (publicatienummer: ECN-C-01-129). energieopwekking: duurzame energie opwekkingsvoorzieningen die het geheel of gedeeltelijk gebruikmaken van energie uit hernieuwbare energiebronnen mogelijk maken, zoals gedefinieerd in het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie; toelichting: Het protocol Monitoring Hernieuwbare Energie 2010 is te vinden op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, www.rvo.nl. energiescan: een energieonderzoek dat inzicht geeft in het energieverbruik van een onderneming; toelichting: Informatie over de energiescan is te vinden op http://www.energiescanoverijssel.nl/.] haalbaarheidsstudie: een studie naar de toepassing van innovatieve technieken gericht op één of meerdere energiebesparende maatregelen of duurzame energie opwekkingsvoorzieningen waarvan het onduidelijk is, of deze toepassing technisch inpasbaar of economisch rendabel is. De studie richt zich zowel op bouwkundige, technische, logistieke en organisatorische aspecten als het industriële verbruik; brancheorganisatie: een vereniging of stichting van ondernemers met eenzelfde soort bedrijf, die zich verenigd hebben om collectieve belangen of deelbelangen van groepen leden of individuele belangen van leden te behartigen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-322\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: een haalbaarheidsstudie energieopwekking of energiebesparing; een stimuleringsproject energiescans.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-323\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.2.2 onder sub a voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een privaatrechtelijke rechtspersoon, een maatschap, een vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap of een eenmanszaak, niet zijnde een holding of een moedermaatschappij van een concern; een haalbaarheidsstudie heeft betrekking op één van de volgende investeringen: energieopwekking uit hernieuwbare energiebronnen te weten bio-energie, geothermie, zonne-energie of waterenergie; energiebesparing door de distributie van restwarmte rechtstreeks naar de eindgebruiker. energiebesparing door bouwkundige, technische, logistieke of organisatorische aspecten. de haalbaarheidsstudie is ten behoeve van inwoners of ondernemingen die gevestigd zijn in Overijssel; uit het dekkingplan blijkt dat ten minste 10% van de subsidiabel kosten gedekt is met eigen geld of bijdrage van de aanvrager zelf, niet zijnde subsidie van het Rijk, gemeente of waterschap; de aanvrager heeft een aantoonbaar belang bij de uitkomsten van de haalbaarheidsstudie. Dat belang kan zijn dat: de aanvrager op basis van de haalbaarheidsstudie de investeringsbeslissing neemt; of dat de aanvrager eigenaar of mede-eigenaar is van het innovatieve concept dat wordt uitgewerkt; een haalbaarheidsstudie naar energiebesparende maatregelen bij bedrijven is aantoonbaar uitgebreider dan het standaard energieonderzoek dat voor MKB-bedrijven beschikbaar is; indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU dan voldoet de subsidie aan de algemene de-minimisverordening, de de-minimisverordening landbouw of de de-minimisverordening visserij.</div>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: In artikel 1.1.8 is nader toegelicht wanneer sprake kan zijn van staatssteun.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 3.2.2 onder sub b voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een Overijsselse gemeente of een brancheorganisatie; het project is gericht op het stimuleren van MKB-ondernemingen in Overijssel om energiebesparende maatregelen te realiseren;</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-324\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 15.000,– per aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Als sprake is van staatssteun en de subsidieontvanger heeft al steun op basis van de algemene de-minimisverordening, de de-minimisverordening landbouw of de de-minimisverordening visserij ontvangen dan kan dit gevolgen hebben op de hoogte van de subsidieverlening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-325\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Haalbaarheidsstudies energie en energiescans.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie de potentiële hoeveelheid energie die wordt opgewekt of bespaard in joules.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-326\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.2.6</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-327\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.2.7</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien subsidie wordt gevraagd voor: wettelijk vereiste onderzoeken en maatregelen; een haalbaarheidsstudie die betrekking heeft op bewezen en rendabele technieken; toelichting: Voorbeelden van bewezen en rendabele technieken zijn warmte- en koude-opslag, warmteterugwinning, houtpelletkachels, lagetemperatuurverwarming, warmtepompen en zonnepanelen. een haalbaarheidsstudie naar energiebesparende maatregelen in de woningbouw die leiden tot verbetering van minder dan 50 woningen; een haalbaarheidsstudie die uitgaat van maatregelen voor nieuwbouw van utiliteitsgebouwen en van woningen met minder dan een 25% lagere EPC dan wettelijk voorgeschreven op moment van aanvraag; een haalbaarheidsstudie die uitgaat van maatregelen in nieuwbouw van kantoren, woningen en scholen met een energiewaarde lager dan 8 in de GPR-score; een haalbaarheidsstudie die uitgaat van maatregelen voor bestaande gebouwen die daarmee een energieprestatie bereiken lager dan label A of label B en minder dan 3 labelstappen vooruitgaan; een haalbaarheidsstudie naar energiebesparing of -projecten in huishoudens;</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het eerste lid weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien: de aanvrager een ingenieurs- of adviesbureau betreft, tenzij het bureau de haalbaarheidsstudie uitvoert ter voorbereiding op een eigen investering in energiebesparing of energieopwekking; aan de aanvrager op basis van deze subsidieparagraaf voor de activiteit in het betreffende kalenderjaar in totaal al twee keer of meer een subsidie is verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-328\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.2.8</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsdieontvanger verplicht: de subsidiabele activiteit binnen een 1 jaar na subsidieverlening te hebben uitgevoerd; de haalbaarheidsstudie beschikbaar te stellen aan iedereen die er belangstelling voor heeft. toelichting: Indien de haalbaarheidsstudie bedrijfsgevoelige informatie bevat, wordt deze ook beschikbaar gesteld, waarbij de bedrijfsgevoelige informatie geanonimiseerd mag worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf3.3Energiebesparende maatregelen (geld terug actie) Toelichting: Het programma Nieuwe Energie is gericht op duurzame energie en energiebesparing met als doel het fossiele energiegebruik te verminderen. Met deze subsidieregeling wordt uitvoering gegeven aan het deelprogramma ‘Energiebesparing bij bedrijven en -terreinen'. Ondernemingen die een energieonderzoek hebben laten uitvoeren, kunnen een subsidieaanvraag indienen voor het uitvoeren van de maatregelen die voorgesteld worden in het energieonderzoek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-331\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: energiebesparende maatregelen: technische, logistieke of organisatorische voorzieningen die leiden tot verminderd verbruik van energie, zoals deze naar voren komen in het energieonderzoek en gedefinieerd is in het protocol Monitoring energiebesparing. De energiebesparende maatregelen zijn gebaseerd op de erkende maatregelen voor energiebesparing en de aanvullingen daarop van Infomil; toelichting: Zonnepanelen worden aangemerkt als energieopwekking en komen daarom niet in aanmerking voor subsidie. energieonderzoek: een onderzoek naar energiebesparingsmogelijkheden in gebouwen en industriële processen. Het onderzoek richt zich zowel op bouwkundige, technische en organisatorische aspecten, cultuurhistorische waarden als het industriële gebruik; toelichting: Een eenvoudige energiescan, zoals de digitale NZOscan, geeft niet alle mogelijke maatregelen weer. Voor een volledig overzicht wordt verwezen naar een energieonderzoek door een energieadviseur.</p>\n<p class=\"lf-p\">EPA-U: een Energie Prestatie Advies voor bestaande utiliteitsgebouwen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-332\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: energiemaatregelen die genoemd zijn in het energieonderzoek; een energieonderzoek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-333\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.3.2 voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een privaatrechtelijke rechtspersoon, een maatschap, een vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap, een eenmanszaak of een kerkgenootschap; het energieonderzoek dient te zijn uitgevoerd na 1 januari 2015; het energieonderzoek is uitgevoerd: door een gecertificeerd energie-adviseur met aantoonbare ervaring in het Mkb;</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: De ervaring van de energie-adviseur kan aangetoond worden door verwijzing naar referentieprojecten. Voorbeelden van certificatie zijn EPA, EPA-U of ander certificaat. Voorbeeld van een certificerende instantie is FeDec. door een branchespecialist; of in opdracht van of met subsidie van de provincie Overijssel of een Overijsselse gemeente. de energiebesparende maatregelen hebben betrekking op het pand en de installaties daarbinnen of, indien het gaat om sportverenigingen, op de veldverlichting, waarvoor het energieonderzoek wordt uitgevoerd; [vervallen.] [vervallen.] het vestigingsadres van het pand waarvoor de energiebesparende maatregelen worden toegepast is in Overijssel; de energiebesparende maatregelen zijn gerealiseerd in de periode van maximaal acht maanden voorafgaand aan de subsidieaanvraag; de minimale investering in een gerealiseerde energiebesparende maatregel per aanvraag bedraagt € 4.000. Bij een gezamenlijke aanvraag kan één van de Mkb-ondernemingen of een onafhankelijke energieadviseur, als aanvrager aangewezen worden. Deze aanvrager is de subsidieontvanger en draagt zorg voor de verdeling van de subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Gedeputeerde Staten willen het mogelijk maken dat partijen een gezamenlijke aanvraag kunnen indienen. De totale investering per aanvraag moet dan € 4.000 of meer bedragen. [vervallen.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-334\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 3.3.2 sub a bedraagt maximaal 25% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 2.500 per aanvraag, waarbij de subsidie voor advieskosten maximaal 5% van het totale investeringsbedrag bedraagt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Overeenkomstig artikel 3.3.8 lid 1 sub c kan een aanvrager maximaal 1 keer subsidie per vestigingsadres ontvangen in drie jaar.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 3.3.2 sub b bedraagt € 400,- per aanvraag.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-335\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Uitsluitend kosten van derden als bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid zijn subsidiabel.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van artikel 1.1.6 derde lid zijn de kosten van activiteiten die uitgevoerd zijn voordat de aanvraag voor subsidie is ontvangen, wel subsidiabel mits deze activiteiten uitgevoerd zijn tot maximaal acht maanden voorafgaand aan de subsidieaanvraag.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-336\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.3.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Energiebesparende maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1. tweede lid sub c overlegt de aanvrager bij de aanvraag de volgende stukken: het energieonderzoek waarin minimaal is beschreven: het huidige energiegebruik; de energiebalans waarin minimaal 90% van het energiegebruik is toebedeeld aan de energiegebruikers; omschrijving van de energiemaatregelen, inclusief de verwachte investering en de verwachte energiereductie; en een plan van aanpak voor de uitvoering; de quick wins; kopieën van alle facturen en betaalbewijzen van de gemaakte en betaalde kosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-337\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.3.7</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-338\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.3.8</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgrond</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien: subsidie wordt aangevraagd voor uitsluitend een energieonderzoek; het energieonderzoek is uitgevoerd na realisatie van de energiebesparende maatregelen; aan de aanvrager in de afgelopen twee jaar en het lopende boekjaar, voor het vestigingsadres al subsidie is verstrekt op basis van deze subsidieparagraaf; de aanvrager een vereniging van eigenaars (VvE) betreft; de energiebesparende maatregelen ten behoeve van nieuwbouw zijn.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In aanvulling op de eerste lid weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie voor een energieonderzoek als bedoeld in artikel 3.3.2 sub b indien: het onderzoek voor 1 januari 2015 is uitgevoerd; het energieonderzoek ten behoeve van een sportvereniging is die deelneemt aan De groene club van de KNVB;</div>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: De Groene club is opgericht door de KNVB, in samenwerking met de KNLTB en de KNHB, om sportverenigingen te verduurzamen. De deelnemende sportverenigingen krijgen een uitgebreid energieonderzoek en worden geholpen om de maatregelen uit te voeren. energiekosten van de aanvrager meer dan € 30.000 per jaar bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf3.4Logistieke biomassaprojecten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-341\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: biomassa: de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw (met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen), de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval (conform Richtlijn2009/28/EG); logistiek biomassaproject: een project voor het realiseren van een nieuwe biomassaketen met de activiteiten organiseren, plannen, besturen en uitvoeren van de goederenstroom biomassa. Onderdelen van een logistiek project zijn stappen als inzameling van biomassa, voorbewerking, tussenopslag, transport, bewerking van biomassa (transitie) en distributie van warmte, elektriciteit of biobrandstoffen naar de eindafnemer. Doel van deze projecten is om tegen optimale kosten en kapitaalgebruik de biomassawaardeketen te sluiten en nieuwe energie uit biomassa te produceren; toelichting: Van oudsher zijn er twee omvangrijke afzetmarkten voor biomassa: de voedselmarkt en de bestaande markt voor onder meer hout, olie, vezels, veevoer en compost. Hier komt een groeiende waardeketen bij, namelijk voor het gebruik van biomassa als groene materialen, als groene grondstof voor specifieke toepassingen in de chemie, als transportbrandstof en voor opwekking van duurzame energie. Biomassa inzetten voor duurzame energie is economisch gezien de meest laagwaardige toepassing, maar vanuit het oogpunt van benutting van de energie-inhoud is energieopwekking thans de meest toegepaste verwerking van biomassa. Voor energieopwekking zijn de meeste productiehoeveelheden biomassa beschikbaar.De biomassaketen is een productketen en bestaat uit een aantal schakels die optimaal op elkaar afgestemd moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Biomassa kan tot waarde worden gebracht door het opzetten van een biomassaketen. Daarom spreek je ook van een biomassawaardeketen.De economische waarde binnen de keten neemt met elke schakel toe. Bijvoorbeeld gestapelde en gedroogde biomassa, en op maat verkleinde biomassa, heeft toenemend meer waarde voor de handel of de verwerker, dan verspreid liggende biomassa die nog ingezameld en voorbewerkt moet worden. Projecten worden opgezet met het doel om samenwerking in de biomassaketen te bevorderen. Er is nu nog weinig of geen samenwerking in de waardeketen en biomassa wordt daarom niet geoogst, verhandeld en ingezet. Er is dringend behoefte aan het verbindingen maken tussen de schakels van de biomassaketen, opdat er een volwaardige markt voor biomassa tot stand komt. Het sluiten van ketens vergt een nauwe samenwerking tussen partijen, een sterke logistieke organisatie, en een rendabele manier van (her)gebruik van reststromen. deelnemer: een partij die aantoonbaar belang heeft bij het project, niet zijnde een natuurlijk persoon.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-342\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor logistieke biomassaprojecten. toelichting: Deze regeling is bedoeld om ketenprocessen bij nieuwe biomassaprojecten te sluiten en te optimaliseren. Onderdelen van een biomassaproject zijn stappen als inzameling, voorbewerking, tussenopslag, transport en bewerking van biomassa (transitie) en distributie van warmte, elektriciteit of brandstoffen naar een eindafnemer. Daar hoort ook bij het oogsten, eventueel voorbewerken (om kwaliteit te leveren) en tussenopslag (massa, continuïteit).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-343\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.4.2 voldoet aan de volgende criteria: de activiteit vindt in hoofdzaak, meer dan 80% van de subsidie, binnen de grenzen van de provincie Overijssel plaats; de activiteit heeft een terugverdientijd van meer dan vijf jaar na subsidieverlening; de biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria voor biomassa ten behoeve van energiedoeleinden, zoals bedoeld in NEN NTA 8080-1: 2015.nl en NTA 8080-2: 2015.nl. de activiteit heeft als doel om tegen optimale kosten en kapitaalgebruik een nieuwe biomassawaardeketen te sluiten en hernieuwbare energie uit biomassa te produceren. er zijn minimaal twee deelnemers aan het logistieke biomassaproject, niet zijnde een ingenieurs- of adviesbureau; indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan voldoet de subsidie aan de algemene de-minimisverordening, de de-minimisverordening landbouw of de de-minimisverordening visserij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: In artikel 1.1.8 is nader toegelicht wanneer sprake kan zijn van staatssteun.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-344\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 20.000,– per aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Als sprake is van staatssteun en de subsidieontvanger heeft al steun op basis van de algemene de-minimisverordening, de de-minimisverordening landbouw of de de-minimisverordening visserij ontvangen dan kan dit gevolgen hebben op de hoogte van de subsidieverlening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-344a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.4.4a</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager, indien het eigen onderzoek van Gedeputeerde Staten daartoe aanleiding geeft, een volledig ingevuld Bibob-formulier als bedoeld in artikel 1.2.1, vijfde lid.</div>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Indien na ontvangst van de aanvraag uit het eigen onderzoek van Gedeputeerde Staten blijkt dat sprake is van een mogelijke situatie als bedoeld in artikel 3 Wet Bibob, moet de aanvrager aanvullend het Bibob-formulier voor subsidies volledig invullen. Als sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3 Wet Bibob, dan wordt de subsidie geweigerd. Indien het Bibob-formulier voor subsidies niet volledig is ingevuld, laten Gedeputeerde Staten de aanvraag, na het bieden van een aanvullingstermijn, buiten behandeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-345\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-346\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.4.6</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgrond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien deze wordt aangevraagd voor: wettelijk vereiste onderzoeken en maatregelen; energiebesparende voorzieningen in huishoudens; een puur plantaardige olie als energiebron in de sector mobiliteit en transport.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-347\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.4.7</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht de activiteit uiterlijk drie jaar na datum van subsidieverlening te hebben afgerond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf3.5Energielening Overijssel</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-351\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: energielening: stimuleringslening van Stimuleringsfonds Volkshuisvesting (SVn) ten behoeve van een energiemaatregel. energielijst: lijst met de investeringen in bedrijfsmiddelen of in onderdelen daarvan, als bedoeld in de actuele energielijst, van de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), met uitzondering van windturbines en ongeacht of de betreffende energiemaatregel met of zonder SDE is. toelichting: De geldende Energielijst is te vinden op rvo.nl. De energielijst is een overzicht van RVO van energie-investeringen die voor de fiscale Energie Investeringsaftrek regeling (EIA)in aanmerking komen. Deze lijst wordt elk jaar opnieuw opgesteld. Het overzicht van de energie-investeringen is opgedeeld in 5 categorieën. Deze subsidieparagraaf richt zich op categorie A bedrijfsgebouwen, B processen en D duurzame energie. Dit betekent dat een onderneming een energielening kan aanvragen bij de provincie voor investeringen die genoemd worden onder categorie A, B en D van de energielijst, met uitzondering van windturbines. energiemaatregel: een maatregel uit de categorie A, B of D van de Energielijst, inclusief mest- of mestcovergister met uitzondering van windturbines; toelichting: Een overzicht van investeringen die onder categorie A, B en D vallen is te vinden in de energielijst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-352\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie in de vorm van rentekorting verstrekken voor een bij het SVn afgesloten, energielening ten behoeve van energiemaatregelen uit de energielijst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-353\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.5.2 voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een privaatrechtelijke rechtspersoon, een maatschap, een vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap, een eenmanszaak of een kerkgenootschap; de aanvraag wordt gedaan voor een energiemaatregel ten behoeve van een vestiging in de provincie Overijssel, niet zijnde een vestigingsadres met bestemming wonen; indien de aanvraag betrekking heeft op een mest- of mestcovergister, met een maximale capaciteit tot 25.000 m3 mest per jaar, die op een boerenerf wordt geplaatst, vervalt het criterium ‘niet zijnde een vestigingsadres met bestemming wonen; de energiemaatregel betreft: een technische voorziening ten behoeve van energiebesparing in of bij bedrijfsgebouwen, als bedoeld in de Energielijst onder categorie A; of een technische voorziening ten behoeve van energiebesparing bij processen, als bedoeld in de Energielijst onder categorie B; een technische voorziening ten behoeve van Duurzame energie opwekking in of bij bedrijfsgebouwen, als bedoeld in de Energielijst onder categorie D, met uitzondering van windturbines. een mest- of mestcovergister met een maximale capaciteit tot 25.000 m3 mest per jaar die gebruikt wordt voor duurzame energie opwekking in of bij bedrijfsgebouwen. de lening wordt digitaal aangevraagd bij het SVn en heeft een looptijd van 10 jaar indien de aanvrager een stichting, vereniging of een kerkgenootschap betreft en een looptijd van 5 jaar in alle andere gevallen; de op de energielening te betalen rente bedraagt minimaal 1%; de hoofdsom van de energielening bedraagt minimaal € 10.000,– en maximaal € 100.000,- en bestaat uit 100% van de afsluitkosten en maximaal 75% van de overige subsidiabele kosten; indien de energiemaatregel Photo-voltaïsche panelen betreft, bevat het dak waar de Photo-voltaïsche panelen worden geplaatst geen asbest; de aanvrager staat ten minste drie jaar ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en kan ten minste drie jaarverslagen van de meest recente boekjaren overleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Voor de kredietbeoordeling van SVn dienen de laatste 3 jaarverslagen te worden overlegd. indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan voldoet de subsidie aan de algemene de-minimisverordening of de de-minimisverordening landbouw indien de aanvrager een landbouwonderneming is, of de-minimisverordening visserij.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-354\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De rentekorting bedraagt in beginsel 3% en is gebaseerd op de geldende 5 jaars marktrente of 10 jaars marktrente die geldt op het moment dat de aanvraag voor de energielening is ontvangen door SvN. De in rekening gebrachte rente bedraagt minimaal 1,0%.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: In deze subsidieparagraaf is de rentekorting de subsidie. Bij een lening van € 100.000,- bedraagt de rentekorting maximaal 3%. De rentekorting (= de steun=subsidie) per jaar is maximaal € 3.000,-. Bij een lening met een looptijd van 10 jaar bedraagt de subsidie maximaal € 30.000,-. Bij een lening met een looptijd van 5 jaar bedraagt de maximale subsidie € 15.000,-. Als sprake is van staatssteun en de subsidieontvanger heeft al steun op basis van de algemene de-minimisverordening, de de-minimisverordening landbouw of de de-minimisverordening visserij ontvangen dan kan dit gevolgen hebben op de hoogte van de subsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-355\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uitsluitend de aanschafkosten, inclusief de kosten die betaald worden aan derden om de energiemaatregel bedrijfsklaar te krijgen en de afsluitkosten van de energielening van € 1.500,- zijn subsidiabel, conform artikel 1.1.5 derde lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-356\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.5.6</span><span class=\"lf-art-t\">Niet subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.1.6 zijn de volgende kosten niet subsidiabel: kosten voor bedrijfsmiddelen die eerder gebruikt zijn; kosten voor grond, woningen, personenauto's en vaartuigen die niet bestemd zijn voor goederenvervoer, dieren, effecten, vorderingen, goodwill, vergunningen, ontheffingen, concessies en andere publiekrechtelijke dispensaties; onderhoudskosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-357\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.5.7</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Energieleningen Ondernemingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager een offerte waaruit de subsidiabele kosten van de energiemaatregel blijken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-358\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.5.8</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks de maximale leenruimte vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-359\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.5.9</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgrond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien de benodigde vergunningen voor de energiemaatregel niet zijn verkregen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3510\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.5.10</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoorschotting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.3.2 wordt de rentekorting via de lening bij SVn verrekend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3511\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.5.11</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht uiterlijk binnen vier maanden na ontvangst van de subsidieverleningsbeschikking een aanvraag voor de duurzaamheidlening in te dienen indienen bij SVn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf3.6Lokale energie-initiatieven</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-361\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze regeling wordt verstaan onder: bedrijfsplan: [vervallen.] business case: een plan voor het starten van een energieproject, waarmee de haalbaarheid van het project wordt aangetoond en die voldoet aan de criteria die zijn opgenomen in bijlage 1 bij deze paragraaf; energiebesparing: technische, logistieke of organisatorische voorzieningen die leiden tot verminderd verbruik van energie, zoals gedefinieerd in het Protocol Monitoring Energiebesparing 2001;</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Het protocol Monitoring energiebesparing 2001 is te vinden op de website http://www.ecn.nl/ (publicatienummer: ECN-C-01-129). energieopwekking: duurzame energie opwekkingsvoorzieningen die het geheel of gedeeltelijk gebruikmaken van energie uit hernieuwbare energiebronnen mogelijk maken, zoals gedefinieerd in het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie;</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Het protocol Monitoring Hernieuwbare Energie is te vinden op de website http://www.rvo.nl. energieproject: een project waarbij energiebesparing of energieopwekking gerealiseerd wordt en bijgedragen wordt aan vergroting van het aandeel duurzame energie; lokaal energie-initiatief: een initiatief met als doel om een energieproject te realiseren, waarbij: het aandeel nieuwe energie toeneemt en deze ambitie breed wordt uitgedragen; en bewoners, organisaties of bedrijven in een specifiek gebied binnen Overijssel actief worden uitgenodigd om vrijwillig lid of klant te worden; en het initiatief open staat voor iedereen die wil deelnemen; en leden en klanten profijt hebben van de opbrengsten die door realisatie van het energieproject worden gehaald; en er sprake is van een samenwerkingsverband en een bestuur van minimaal twee personen. de initiatiefnemers binding hebben met de lokale gemeenschap;</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Een lokaal energie-initiatief start vaak, maar niet uitsluitend, met vrijwilligers. Het initiatief kan verschillende rechtsvormen hebben. Sommige lokale energie-initiatieven groeien uit tot een lokale duurzame energie onderneming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Programma Nieuwe Energie: programma welke op 2 juli 2014 door Provinciale Staten is vastgesteld en aanpassingen ervan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-362\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor een lokaal energie-initiatief, waarbij subsidie kan worden verstrekt voor twee verschillende fases van het lokaal energie-initiatief:</p>\n<p class=\"lf-p\">Fase 1: de activiteiten in de idee- en ontwerpfase van een energieproject.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Het gaat hierbij om activiteiten als het organiseren van bijeenkomsten, ideeën uitwerken, juridisch en financieel advies vragen, onderzoek naar haalbaarheid, aanvragen van vergunningen en de voorbereiding en het opstellen van een businesscase voor het energieproject.</p>\n<p class=\"lf-p\">Fase 2: het uitvoeren van de businesscase van het energieproject;</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Het gaat hierbij om activiteiten tijdens de uitvoering van het energieproject zoals het organiseren van bijeenkomsten, communicatie, de aansturing van aannemers, ledenwerving en het zoeken naar financiering. Aanschaf- en installatiekosten van technische installaties zijn niet subsidiabel. [vervallen.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-363\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.6.2 voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een rechtspersoon, een maatschap, een vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap, een eenmanszaak of een kerkgenootschap. Als aanvrager wordt ook aangemerkt een aanvrager die in oprichting is om een van de hiervoor genoemde rechtsvormen te verkrijgen; er is sprake van een lokaal energie-initiatief in Overijssel; de activiteit draagt bij aan de doelstelling en ambities van het Programma Nieuwe Energie; het energieproject is naar het oordeel van Gedeputeerde Staten realistisch en financieel haalbaar; [vervallen.] 2. In aanvulling op het eerste lid voldoet een subsidie als bedoeld in artikel 3.6.2 sub b aan het criterium dat ter uitvoering van het energieproject een haalbare businesscase is opgesteld.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>[vervallen.] 4. De subsidie voldoet aan de algemene de-minimisverordening.</div>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: De verlening van de subsidie levert staatssteun op. De subsidie kan alleen verleend worden als voldaan wordt aan de algemene de-minimisverordening. In artikel 1.1.8 is nader toegelicht wanneer sprake kan zijn van staatssteun.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Indien sprake is van een aanvrager in oprichting, dan wordt de subsidie verleend onder de opschortende voorwaarde dat de aanvrager de beoogde rechtsvorm verkrijgt.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-363a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.6.3a</span><span class=\"lf-art-t\">Prétoets door de provincie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag of het idee om een lokaal energie-initiatief te starten, kan pas worden ingediend indien die aanvraag vergezeld gaat van een préadvies van een beleidsmedewerker van het Programma Nieuwe Energie. Een aanvraag voor subsidie zonder een préadvies wordt geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Gedeputeerde Staten willen vanaf het begin van een lokaal energie-initiatief betrokken zijn, om indien nodig deskundigheid in te brengen en te helpen om het lokaal energie-initiatief van de grond te kunnen krijgen. Gedeputeerde Staten zijn ondersteunend en niet sturend. De initiatiefnemers moeten uiteindelijk zelf de keuzes maken die nodig zijn om het initiatief van de grond te krijgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-364\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.6.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.1.6 lid eerste lid zijn ook kosten voor leges en vergoedingen voor de inzet in uren van vrijwilligers subsidiabel tot maximaal € 15,- per uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: De kosten voor vrijwilligers als bedoeld in artikel 1.1.5 vierde lid en de inzet in uren van vrijwilligers als bedoeld in artikel 1.1.6 eerste lid zijn subsidiabel. De inzet in uren van vrijwilligers wordt verantwoord met een urenadministratie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-364a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.6.4a</span><span class=\"lf-art-t\">Niet subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.1.6 zijn aanschaf- en installatiekosten voor technische voorzieningen die leiden tot energieopwekking of energiebesparing niet subsidiabel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Te denken valt aan de kosten voor het aanschaffen en installeren van zonnepanelen, een windturbine en isolatiemateriaal.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-365\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.6.5</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 3.6.2 sub a en b bedraagt 100% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 50.000,- per lokaal energie-initiatief.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van het eerste lid bedraagt het maximum subsidiebedrag: € 20.000,- per lokaal energie-initiatief indien sprake is van een energieproject met enkel het opwekken van zonne-energie; € 40.000,- per lokaal energie-initiatief indien sprake is van een energieproject met enkel het opwekken van zonne-energie en er sprake is van te verwijderen asbest van daken;</div>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Opwekking van zonne-energie is inmiddels een beproefd concept. Initiatiefnemers kunnen gebruik maken van de opgebouwde kennis en ervaring van andere initiatieven. Subsidie mag worden ingezet om andere initiatieven te betalen voor hun kennisinbreng.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het maximumbedrag voor de activiteit als bedoeld in artikel 3.6.2 sub a bedraagt € 20.000,-. Indien sprake is van de situatie als bedoeld in het tweede lid sub a bedraagt het maximumbedrag voor de activiteit als bedoeld in artikel 3.6.2 sub a € 12.500,-.</div>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Bij deze subsidieverlening is er sprake van staatssteun. Als de subsidieontvanger al steun heeft ontvangen op basis van de algemene de-minimisverordening dan kan dit gevolgen hebben op de hoogte van de subsidieverlening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-366\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.6.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Lokale energie-initiatieven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In aanvulling op het eerste lid overlegt de aanvrager, indien het eigen onderzoek van Gedeputeerde Staten daartoe aanleiding geeft, een volledig ingevuld Bibob-formulier als bedoeld in artikel 1.2.1, vijfde lid.</div>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Indien na ontvangst van de aanvraag uit het eigen onderzoek van Gedeputeerde Staten blijkt dat sprake is van een mogelijke situatie als bedoeld in artikel 3 Wet Bibob, moet de aanvrager aanvullend het Bibob-formulier voor subsidies volledig invullen. Als sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3 Wet Bibob, dan wordt de subsidie geweigerd. Indien het Bibob-formulier voor subsidies niet volledig is ingevuld, laten Gedeputeerde Staten de aanvraag, na het bieden van een aanvullingstermijn, buiten behandeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-367\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.6.7</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgrond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien de aanvraag uitsluitend betrekking heeft op de subsidiabele activiteit als bedoeld in artikel 3.6.2 onder sub a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting:Gedeputeerde Staten verlenen geen subsidie aan uitsluitend ideevorming en onderzoek naar de haalbaarheid van een Lokaal duurzaam energie-initiatief. Een idee en onderzoek naar haalbaarheid moet uiteindelijk leiden tot een businesscase en wanneer deze business case haalbaar blijkt kan deze uitgevoerd worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-368\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.6.8</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschotverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.3.2 verstrekken Gedeputeerde Staten de aanvrager een voorschot op basis van de voortgang, behaalde resultaten en de benodigde financiële middelen. Om een voorschot te kunnen ontvangen voor de subsidie als bedoeld in artikel 3.6.2 sub b, moet de subsidieontvanger een businesscase overleggen. Er wordt geen voorschot verleend aan een subsidieontvanger die in oprichting is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Gedeputeerde Staten verlenen een subsidie van maximaal € 50.000. Op basis van artikel 1.3.2 kunnen Gedeputeerde Staten een voorschot van maximaal 100% uitbetalen. Echter gezien de aard van de subsidie, is dit niet wenselijk. Het kan immers ook zijn dat na fase 1, de idee en ontwerpfase, blijkt dat het energieproject niet uitgevoerd kan worden. In de verleningsbeschikking worden go of no-go momenten opgenomen en op basis van een tussengesprek met de provincie of een tussenrapportage besluiten Gedeputeerde Staten of een voorschot wordt verleend. Om een voorschot te kunnen ontvangen voor de subsidie als bedoeld in artikel 3.6.2 sub b (uitvoeren van een energieproject), moet de subsidieontvanger een businesscase overleggen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-369\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.6.9</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.3, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht: de opgebouwde kennis en ervaring vrij beschikbaar te stellen aan anderen die daarom vragen; de gerealiseerde winst door de activiteit waarvoor deze subsidie is verleend, te investeren in bestaande of nieuwe lokale energieprojecten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3610\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.6.10</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.5.1 wordt de subsidie eerst verleend en na de subsidieperiode ambtshalve vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf3.7Duurzame voucher energieaanbod [Vervallen] Paragraaf3.8Stimulering actieve marktaanpak verduurzaming woningen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-381\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.8.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder particuliere woningeigenaar: een meerderjarig natuurlijk persoon die volgens het kadaster de bestaande woning waarvoor een aanvraag wordt ingediend in eigendom heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-382\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.8.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten waarbij particuliere woningeigenaren geactiveerd worden om hun eigen woning in Overijssel te verduurzamen en daarbij het energielabel van hun woning op ten minste label B te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Het activeren van woningeigenaren kan door bijvoorbeeld in contact te komen met woningeigenaren, ze actief op te zoeken dan wel via een andere benadering, en ze te stimuleren om energiemaatregelen te treffen. De subsidie is niet bedoeld voor de investeringen in de energiemaatregelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-383\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.8.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een rechtspersoon, een maatschap, een vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap, een eenmanszaak, een zelfstandige ondernemer of een kerkgenootschap; indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan voldoet de subsidie aan de algemene de-minimisverordening;</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: In artikel 1.1.8 is nader toegelicht wanneer sprake kan zijn van staatssteun. de aanvraag is, voordat deze wordt ingediend, afgestemd met het gemeentelijk energieloket.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-384\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.8.4</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 150.000 per aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: De subsidie bedraagt maximaal € 150.000 per aanvraag. Dit betekent dat een aanvrager (bv. een gemeente) meerdere aanvragen kan indienen, voor zover het subsidieplafond het toelaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt 70% van de subsidiabele kosten indien de aanvraag betrekking heeft op een innovatieve aanpak. Er worden maximaal twee subsidies per jaar verstrekt voor een innovatieve aanpak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Indien sprake is van een innovatieve aanpak dan dient de aanvrager in het aanvraagformulier te onderbouwen waarom sprake is van een innovatieve aanpak.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-385\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.8.5</span><span class=\"lf-art-t\">Niet subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.1.6 sub d zijn gemeentelijke apparaatskosten in welke vorm dan ook, niet subsidiabel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-386\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.8.6</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Indien sprake is van een investering waarbij een machine of apparatuur wordt aangeschaft, dan is in afwijking van artikel 1.1.5 tweede lid, de aanschaf van de machine of apparatuur subsidiabel conform artikel 1.1.5 derde lid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van artikel 1.1.6 eerste lid zijn de vergoedingen voor de inzet in uren van vrijwilligers wel subsidiabel tegen een maximum uurtarief van € 15,- per uur.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-387\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.8.7</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-388\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.8.8</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Stimulering actieve marktaanpak verduurzaming woningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager een projectplan met een omschrijving van het initiatief, de doelgroep, de aanpak; de betrokken marktpartijen en hun inbreng; de omvang van de activiteiten; de te behalen prestaties; de meetbare resultaten en verwachte conversiegraad; bijdrage aan de ambitie om het energielabel van de betreffende woningen planmatig op ten minste label B te brengen; de informatie-overdracht aan andere partijen; de planning; de aanvraag is afgestemd met het energieloket van de betreffende gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-389\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.8.9</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.2.2 geldt dat een aanvraag om subsidie uiterlijk op 1 oktober 2019 ontvangen moet zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3810\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.8.10</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien: de gemeente de aanvrager is en deze gemeente de Bestuursovereenkomst Woonafspraken niet heeft getekend; de aanvraag betrekking heeft op de bekostiging van de energiemaatregelen; de aanvraag betrekking heeft op uitsluitend een reclamecampagne.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3811\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.8.11</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht: de opgedane kennis, de aanpak of het initiatief te delen of beschikbaar te stellen aan andere partijen die erom vragen; binnen drie maanden na subsidieverlening te starten met de activiteiten en deze te hebben uitgevoerd uiterlijk op 1 juli 2020.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3812\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.8.12</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij de vaststelling van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.5.2 tweede lid of artikel 1.5.3 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag tot vaststelling tevens de aantallen particuliere woningeigenaren die benaderd zijn en de bijbehorende conversiegraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf3.9Hernieuwbare energie en energie-efficiëntie Subparagraaf3.9.1Hernieuwbare energie door ondernemingen Algemene toelichting Deze subsidieparagraaf ziet op subsidies in de vorm van een geldlening of garantie voor de in aanmerking komende kosten van een energieproject voor de opwekking van hernieuwbare energie aan ondernemingen. De Provincie Overijssel beoogt daarmee ondernemingen te stimuleren om een energieproject voor de opwekking van hernieuwbare energie te ontwikkelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen de in aanmerking komende kosten kunnen worden gesubsidieerd. Dit is een eis die voortvloeit uit de staatssteunregels. In de begripsbepalingen is gedefinieerd wat onder ‘in aanmerking komende kosten' moet worden verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">ArtikelBegripsbepalingen en uitsluitingsgronden Toelichting: In dit artikel wordt in het eerste lid een aantal begrippen verduidelijkt die in deze paragraaf van het Uitvoeringsbesluit worden gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad d Onder andere biomassa wordt in het kader van deze subsidie-paragraaf als hernieuwbare energiebron aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De AGVV stelt geen eisen aan energie-installaties die biomassa gebruiken als brandstof om energie op te wekken. Om die reden is er in deze subsidie-paragraaf voor gekozen om alleen steun te verlenen aan het gebruik van energie-installaties die biomassa gebruiken als brandstof om energie op te wekken. Steun voor de productie van biobrandstoffen valt niet onder de onderhavige subsidie-paragraaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Biobrandstoffen zijn vloeibare of gasvormige producten die gewonnen worden uit plantaardig of dierlijk materiaal (biomassa) en worden gebruikt om energie op te wekken of als brandstof te dienen. Er bestaan al drie generaties biomassa. Tot biomassa van de eerste generatie worden voedselgewassen gerekend, zoals maïs, koolzaad, oliepalm, soja, suikerbiet, suikerriet en ook graan. Biomassa die niet aan voedsel zijn gerelateerd worden meestal de tweede generatie genoemd. Voorbeelden hiervan zijn houtsnippers, stro, de oneetbare gedeelten van voedselgewassen, dierlijk vet, gebruikt frituurvet en afval. Onder de derde generatie biomassa wordt in Nederland vooral algen verstaan. Algen worden overigens als bron voor biomassa niet op de markt verwacht voor het jaar 2020.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad o:</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar verwachting levert de realisatie van een energieproject een aantal nieuwe arbeidsplaatsen op of kunnen als gevolg van het energieproject nieuwe arbeidsplaatsen worden behouden. De provincie wil daarin inzicht hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad sub jj:</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie-aanvrager moet in het projectplan aangeven wat de effecten zijn ten aanzien van energie-efficiëntie dan wel toename van hernieuwbare energie. Indien de subsidie-aanvrager een grote onderneming is, moet zij, naast het voorgaande, aantonen dat de subsidie een stimulerend effect op het energieproject heeft. Hierbij moet aan één of meer van de volgende criteria worden/zijn voldaan: een wezenlijke toename van de omvang van het energieproject of de activiteit als gevolg van de subsidie; een wezenlijke toename van de reikwijdte van het energieproject of de activiteit als gevolg van de subsidie; een wezenlijke toename van de totale uitgaven van de subsidie-ontvanger voor het energieproject of de activiteit als gevolg van de subsidie; een wezenlijke toename van de snelheid waarmee het betrokken energieproject of de activiteit wordt voltooid Een eenvoudige verklaring van grote ondernemingen dat de subsidie de reikwijdte en omvang van het project vergroot volstaat niet om een stimulerend effect aan te tonen. Grote ondernemingen moeten de levensvatbaarheid van het project aan de hand van een vergelijking tussen scenario's met en zonder subsidie aantonen en daaruit moet blijken dat aan één of meer van de voorgaande criteria is voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten zullen de analyse van de grote onderneming en de door haar verstrekte bewijsstukken op hun geloofwaardigheid toetsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.In deze paragraaf wordt verstaan onder: adviescommissie: door Gedeputeerde Staten bij besluit d.d. 13 november 2012 ingestelde commissie; bank: een bank zoals gedefinieerd in de Wet op het financieel toezicht of een aan een bank gelieerd beleggingsfonds, al dan niet via een beheerder, zoals gedefinieerd in de Wet op het financieel toezicht waarbij de bank of het beleggingsfonds handelt op grond van een vergunning van de Autoriteit Financiële Markten; biomassa: de energie-installatie die biomassa gebruikt als brandstof om energie op te wekken, waarbij de invoer voor de energie-installatie per kalenderjaar voor maximaal 20% mag bestaan uit eerste generatie biomassa, mits deze biomassa geheel afkomstig is uit een gebied binnen een straal van 150 kilometer rondom de locatie waar de bio-energie-installate is gevestigd. De overige invoer dient te bestaan uit tweede of derde generatie biomassa, waarbij ten aanzien van de tweede generatie geldt dat deze per kalenderjaar voor minimaal 50% afkomstig moet zijn uit een gebied binnen een straal van 150 kilometer rondom de locatie waar de bio-energie-installatie is gevestigd. De biomassa (zowel eerste, tweede als derde generatie) dient te allen tijde te voldoen aan de eisen die voortvloeien uit de NTA 8080-1: 2015.nl en NTA 8080-2: 2015.nl (Nederlandse Technische Afspraak). Voor houtige biomassa geldt dat deze voor 100% afkomstig moet zijn uit een van de lidstaten van de Europese Unie, waar bosbouw wordt geacht duurzaam plaats te vinden;</p>\n<p class=\"lf-p\">BW: het Nederlandse burgerlijk wetboek;</p>\n<p class=\"lf-p\">EU-norm: een verplichte EU-norm waarbij de op milieugebied te bereiken normen per onderneming zijn vastgesteld, of de verplichting op grond van Richtlijn 2010/75/EU om de beste beschikbare technieken (BAT's) te gebruiken en ervoor te zorgen dat de emissieniveaus van verontreinigende stoffen niet hoger zijn dan bij de toepassing van de BAT's. Voor de gevallen waarin de met de BAT's geassocieerde emissieniveaus zijn bepaald in uitvoeringshandelingen die op grond van Richtlijn 2010/75/EU zijn vastgesteld, zullen die niveaus gelden. Wanneer die niveaus als een bandbreedte zijn geformuleerd, zal de grens waar de BAT het eerst wordt bereikt, van toepassing zijn; concern: een groep als bedoeld in artikel 2:24b BW waartoe de aanvrager voor een subsidie behoort, welke groep is gericht op een duurzame deelneming aan het economische verkeer; de-minimissteun: steun die voldoet aan de voorwaarden van de de-minimisverordening; dochtermaatschappij: een dochtermaatschappij als bedoeld in artikel 2:24a BW;</p>\n<p class=\"lf-p\">EBITDA: Earnings Before Interest, Taxes, Depreciation and Amortization; energie-efficiëntiemaatregelen: maatregelen die een subsidie-aanvrager in staat stellen zijn energieverbruik, met name in zijn productiecyclus, - of in geval van woningcorporaties van hun huurders - te verminderen, waaronder in het geval van woningcorporaties mede wordt begrepen de bouwkundige aanpassingen aan woningen die nodig zijn om de energiemaatregelen te realiseren of andere onderhoud- of verbetermaatregelen die fysieke samenhang hebben met de te realiseren energie-efficiëntiemaatregelen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Energiefonds Overijssel II B.V.: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Energiefonds Overijssel II B.V. die in mandaat voor Gedeputeerde Staten deze subsidieparagraaf uitvoert; energieproject: een project waarbij: energie-efficiëntiemaatregelen worden genomen waardoor het verbruik van niet-hernieuwbare energie in de provincie Overijssel wordt gereduceerd door middel van een bekende en bewezen techniek; of binnen de provincie Overijssel hernieuwbare energie wordt opgewekt c.q. de opwekking van hernieuwbare energie wordt vergroot; garantie: de overeenkomst tussen Energiefonds Overijssel II B.V. en de bank betreffende de zekerheid tot aflossing van het krediet dat de aanvrager van de garantie ten aanzien van het energieproject van de bank heeft verkregen; gecreëerde arbeidsplaats: de permanent bezette en tot volledige dagtaak omgerekende arbeidsplaats op jaarbasis (1 fte), gebaseerd op een arbeidsovereenkomst voor een aaneengesloten periode van minimaal 12 maanden welke met het energieproject wordt geschapen of in stand wordt gelaten; grote onderneming: een onderneming die niet onder de definitie van middelgrote- en/of kleine onderneming valt; hernieuwbare energie: energie opgewekt met installaties waarbij uitsluitend van hernieuwbare energiebronnen wordt gebruikgemaakt, alsmede het aandeel in calorische waarde van de met hernieuwbare energiebronnen in hybride installaties opgewekte energie die ook met conventionele energiebronnen werken; hernieuwbare energiebronnen: de volgende hernieuwbare, niet-fossiele energiebronnen: zonne-energie, geothermische energie, hydrothermische energie, aerothermische energie, waterkracht, biomassa, stortgas, rioolwaterzuiveringsgas, biogas. Voor windenergie zijn uitsluitend bijdragen aan innovatieve windmolens toegestaan, zoals stedelijke windmolentjes en kleine windmolens die nu in veel bestemmingsplannen zijn toegestaan, beide kleiner dan 25 meter; in aanmerking komende kosten: de extra investeringskosten van het energieproject ten opzichte van de referentie-investering;</p>\n<p class=\"lf-p\">Innovatieve projecten voor producten en diensten: innovatieve projecten voor producten of diensten om energie op te wekken uit hernieuwbare energiebronnen of energie te besparen waarbij het doel is . om de ontwikkelde producten en diensten te vermarkten. Het dient aannemelijk te zijn dat ten minste 7% van het totale Maatschappelijke rendement voor dit type projecten neerslaat binnen de provinciegrenzen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Innovatieve projecten voor hernieuwbare energieproductie of energiebesparing: innovatieve projecten waarbij het doel is om hernieuwbare energie op te wekken of energie te besparen. Het doel van dit type projecten is nadrukkelijk niet het ontwikkelen of vermarkten van nieuwe producten en diensten, maar is volledig gericht op energieopwekking of -besparing. Dit type projecten is locatie gebonden en dienen binnen de provinciegrenzen plaats te vinden; kleine onderneming: een onderneming in de zin van Bijlage I van de AGVV, met minder dan 50 werknemers, met een jaaromzet of een jaarlijks balanstotaal van maximaal € 10 miljoen. Een onderneming wordt niet als een kleine onderneming aangemerkt indien één of meer overheidsinstanties of openbare lichamen gezamenlijk direct of indirect zeggenschap heeft of hebben over 25% of meer van het kapitaal of de stemrechten, behoudens de in artikel 3, tweede lid, tweede alinea van Bijlage I van de AGVV bedoelde gevallen; krediet: krediet dat de aanvrager van de garantie van de bank heeft gekregen voor het uitvoeren van een energieproject; kredietovereenkomst: overeenkomst tussen de bank en de aanvrager van de garantie op grond waarvan de bank geld voor de uitvoering van een energieproject ter leen verstrekt of zal verstrekken; maatschappelijk rendement: de als gevolg van de door de ontvangen subsidie gerealiseerde energie-efficiëntie c.q. opwekking van hernieuwbare energie en de als gevolg van de door de ontvangen subsidie gecreëerde arbeidsplaatsen gezamenlijk; marktconforme premie: premie die wordt berekend conform de safe-harbour premies zoals opgenomen in paragraaf 3.3 van de Mededeling-garanties; marktconforme rente: rente die wordt berekend conform de methode in de Mededeling-rentepercentages;</p>\n<p class=\"lf-p\">Mededeling-garanties: Mededeling van de Europese Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun in de vorm van garanties (Pb. 2008, C155/10) en de rectificatie van de Commissie daarop zoals gepubliceerd in Pb. 2008, C244/32, of diens opvolger;</p>\n<p class=\"lf-p\">Mededeling-rentepercentages: Mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld (Pb. 2008, C14/6) of diens opvolger; middelgrote onderneming: een onderneming in de zin van Bijlage I van de AGVV, met minder dan 250 werknemers, met een jaaromzet van maximaal € 50 miljoen, of een balanstotaal van maximaal € 43 miljoen. Een onderneming wordt niet als een middelgrote onderneming aangemerkt indien één of meer overheidsinstanties of openbare lichamen gezamenlijk direct of indirect zeggenschap heeft of hebben over 25% of meer van het kapitaal of de stemrechten, behoudens de in artikel 3, tweede lid, tweede alinea van Bijlage I van de AGVV bedoelde gevallen; moedermaatschappij: de nauwst met een aanvrager verbonden persoon ten aanzien van wie een ratingverklaring is of kan worden afgegeven; niet-hernieuwbare energie: energie die niet voldoet aan de definitie van hernieuwbare energie; onderneming: een natuurlijke of rechtspersoon die een economische activiteit uitoefent ongeacht de rechtsvorm of de wijze van financiering; een concern wordt als één onderneming aangemerkt; premiekorting: de korting op de premie ten opzichte van de marktconforme premie; projectplan: een inhoudelijk werkplan waarin onder andere een beschrijving c.q. gemotiveerde inschatting van de door de ontvangen subsidie te verwachten energie-efficiëntie c.q. toename van hernieuwbare energie is opgenomen. Grote ondernemingen tonen in dit projectplan aan dat de subsidie een stimulerend effect, zoals bedoeld in artikel 6, derde lid, van de AGVV, op het energieproject heeft; provincie: de publiekrechtelijke rechtspersoon de provincie Overijssel; ratingverklaring: een door GS geaccepteerde verklaring waaruit de rating van de aanvrager van een subsidie blijkt conform de Mededeling-rentepercentages en Mededeling-garanties, dan wel van diens moedermaatschappij, indien de aanvrager geen rating heeft of kan verkrijgen vanwege het ontbreken van een kredietverleden; referentie-investering: bij energie-efficiëntiemaatregelen: een technisch vergelijkbare investering aan het energieproject die een lager niveau van milieubescherming biedt die overeenstemt met de verplichte EU-normen (voor zover die bestaan) en waarvan aannemelijk is dat zij zonder steun zou worden uitgevoerd. Een technisch vergelijkbare investering is een investering met dezelfde productiecapaciteit en alle andere technische eigenschappen (met uitzondering van die welke rechtstreeks op de extra investering voor milieubescherming betrekking hebben) die uit zakelijk oogpunt een geloofwaardig alternatief is voor het energieproject.</p>\n<p class=\"lf-p\">bij hernieuwbare energie: wanneer de kosten van investeringen in de productie van energie uit hernieuwbare energiebronnen kunnen worden vastgesteld ten opzichte van een vergelijkbare, minder milieuvriendelijke investering die zonder de steun op geloofwaardige wijze zou zijn verricht, levert dit verschil tussen de kosten van beide investeringen de met hernieuwbare energie verband houdende kosten op en geldt dit als de in aanmerking komende kosten; rentekorting: de korting op rente ten opzichte van de marktconforme rente; terugverdienplan: een plan waarin de haalbaarheid, de commerciële levensvatbaarheid en de terugverdientijd van het energieproject is uitgewerkt; terugverdientijd: de tijd die nodig is om de extra investeringskosten terug te verdienen; uitvoeringsovereenkomst: de overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de Awb die de provincie Overijssel met de subsidieontvanger sluit ter uitwerking van de beschikking tot subsidieverlening; verbonden persoon: met betrekking tot een tot het concern behorende rechtspersoon of vennootschap, elke persoon of vennootschap waarvan eerstbedoelde persoon of vennootschap een dochtermaatschappij is; website: http://www.energiefondsoverijssel.nl/; woningcorporatie: toegelaten instelling in de zin van artikel 70, eerste lid, van de Woningwet. woonlasten: het totaal aan huur- en energiekosten per woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Van subsidie zijn expliciet uitgesloten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: In het tweede lid is aangegeven dat het verstrekken van subsidie voor bepaalde vormen van activiteiten dan wel bepaalde sectoren niet toegestaan is. Deze uitsluitingsgronden, met uitzondering van sub c (kolenindustrie) en e (wind- en kernenergie), vloeien voort uit artikel 1, lid 2, sub c, lid 3, sub a, en lid 4, sub c, van de AGVV. Om te bepalen of er sprake is van één van deze vormen van steun, dient dan ook acht te worden geslagen op het bepaalde in de AGVV, waarbij ook de definities van bepaalde begrippen in dat artikel in de AGVV zijn opgenomen. Subsidiëring voor wind-en kernenergie acht de provincie Overijssel niet wenselijk in het kader van de uitvoering van het Ubs. exportsteun; steun ten behoeve van werkzaamheden in de sectoren visserij en aquacultuur; steun ten behoeve van werkzaamheden in de kolenindustrie; steun aan ondernemingen in moeilijkheden; steun ten behoeve van wind- en kernenergie uitgezonderd innovatieve windmolens, zoals stedelijke windmolentjes en kleine windmolens die nu in veel bestemmingsplannen zijn toegestaan, beide kleiner dan 25 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De uitvoering van deze paragraaf is door Gedeputeerde Staten gemandateerd aan de besloten vennootschap Energiefonds Overijssel II B.V.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: In het derde lid is bepaald dat Gedeputeerde Staten de uitvoering van deze paragraaf hebben gemandateerd aan de besloten vennootschap Energiefonds Overijssel II B.V. Provinciale Staten van de Provincie Overijssel hebben op 21 september 2011 (PS 2011/461) besloten tot uitwerking van een fonds genaamd \"Energiefonds Overijssel\". Het Energiefonds Overijssel biedt ondernemers en woningcorporaties de mogelijkheid om hun projecten op het gebied van energie-efficiëntie en het produceren van nieuwe energie te financieren. Niet op de traditionele manier met subsidies maar door participaties, leningen en garanties. Het Energiefonds Overijssel kent een totale omvang van maximaal door de Provincie Overijssel ter beschikking gestelde financiële middelen van € 250.000.000,–; Voor de uitvoering van de activiteiten van het Energiefonds Overijssel heeft de provincie Overijssel de besloten vennootschap Energiefonds Overijssel I B.V. opgericht, welke vennootschap op haar beurt Energiefonds Overijssel II B.V. heeft opgericht. De besloten vennootschap Energiefonds Overijssel II B.V. is namens het college van Gedeputeerde Staten van de Provincie Overijssel op basis van het GS-mandaat verantwoordelijk voor het uitvoeren van deze paragraaf. Energiefonds Overijssel I B.V. houdt zich bezig met risicokapitaal.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3911\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.9.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen aan een onderneming op aanvraag subsidie verlenen in de vorm van een geldlening; of een garantie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval van een geldlening wordt de subsidie conform artikel 3.9.1.15, eerste, derde en vierde lid terugbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval een garantie door de bank wordt ingeroepen, wordt hetgeen de provincie aan de bank moet betalen door de onderneming aan de provincie conform artikel 3.9.1.15, eerste, tweede en vijfde lid terugbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedoeld in het vorige lid kan uitsluitend worden verstrekt voor de in aanmerking komende kosten van een energieproject: voor de opwekking van hernieuwbare energie; waarbij het energieproject een terugverdientijd heeft van meer dan drie jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per onderneming kan slechts één aanvraag per energieproject worden ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: De provincie Overijssel vindt het ongewenst dat meer dan één aanvraag per energieproject wordt ingediend. Daarom bevat het derde lid van dit artikel daartoe een uitzonderingsgrond ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3912\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.9.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Gedeputeerde Staten zullen beleidsregels opstellen over de vraag in welke gevallen tot melding bij de Europese Commissie dient te worden overgegaan. Gedurende de meldingsprocedure kan de subsidie onder de opschortende voorwaarde van goedkeuring door de Europese Commissie worden verleend. De subsidie mag echter, voorafgaande aan de goedkeuring, niet worden uitgekeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor een geldlening of garantie als bedoeld in artikel 3.9.1.1 eerste lid voldoet aan de volgende criteria: de aanvraag voldoet, naar het oordeel van Gedeputeerde Staten, aan de voorwaarden van de de-minimisverordening of de AGVV. Gedeputeerde Staten kunnen, in voorkomend geval, het voornemen tot verlening van een subsidie voor een aanvraag die niet voldoet aan de de-minimisverordening of de AGVV aanmelden bij de Europese Commissie indien de aanvraag naar het oordeel van Gedeputeerde Staten een aanzienlijke bijdrage levert aan de beleidsdoelstellingen van de Provincie Overijssel op het gebied van hernieuwbare energie en de kans op goedkeuring door de Europese Commissie naar het oordeel van Gedeputeerde Staten hoog is. Gedeputeerde Staten kunnen de subsidie onder de opschortende voorwaarde van goedkeuring door de Europese Commissie verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie wordt verstrekt onder de opschortende voorwaarde dat ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening een uitvoeringsovereenkomst is gesloten. Gedeputeerde Staten kunnen aan het verstrekken van de subsidie de voorwaarde verbinden dat de aanvrager zekerheden aan Gedeputeerde Staten verschaft ter zekerheid van de subsidie. [Toelichting: Artikel 4:36 van de Awb maakt het sluiten van een zogenaamde uitvoeringsovereenkomst mogelijk met name met het oog op subsidies die worden verleend in de vorm van een garantie of een lening. In sub d van dit artikel is in overeenstemming met artikel 4:33 sub a van de Awb het sluiten van de uitvoeringsovereenkomst als voorwaarde voor subsidieverlening opgenomen. In artikel 3.9.1.15, eerste lid, is opgenomen dat de uitvoeringsovereenkomst uiterlijk acht weken na het verlenen van de subsidie wordt aangegaan. In artikel 3.9.1.11 zijn de belangrijkste uitgangspunten van de uitvoeringsovereenkomst opgenomen.] De subsidie wordt slechts verleend voor zover, in geval van een geldlening, door de rentekorting, en, in geval van een garantie, door de premiekorting, de totale steun die de aanvrager met betrekking tot dezelfde - elkaar geheel of gedeeltelijk overlappende - in aanmerking komende kosten geniet, ongeacht of deze steun door het Rijk, andere publiekrechtelijke rechtspersonen of openbare lichamen dan wel de daaraan gelieerde instellingen is verstrekt, niet hoger is dan:</p>\n<p class=\"lf-p\">45% van de in aanmerking komende kosten als de aanvrager een grote onderneming is;</p>\n<p class=\"lf-p\">55% van de in aanmerking komende kosten als de aanvrager een middelgrote onderneming is; en 65% van de in aanmerking komende kosten als de aanvrager een kleine onderneming is; [Toelichting: Bij de verlening van de rentekorting en de premiekorting verlenen Gedeputeerde Staten staatssteun aan de aanvrager. De steun die de aanvrager per project geniet mag niet hoger uitkomen dan de genoemde steunpercentages en het steunplafond van € 15 miljoen. Daarbij is het van belang dat bij de beoordeling of de steunpercentages en het steunplafond zijn overschreden, alle steun, ongeacht uit welke bron (lokaal, regionaal, nationaal) de steun afkomstig is, die de aanvrager voor het project heeft ontvangen, meegeteld wordt. Als de aanvrager financiering van de EU heeft ontvangen wordt deze niet meegeteld voor de berekening van de steunpercentages en het steunplafond, mits die financiering niet direct of indirect onder de controle van de overheid staat of stond (bijvoorbeeld: EFRO-gelden staan onder controle van de overheid ook al is dit EU-financiering, en om die reden moeten zij meegeteld worden bij genoemde berekening als de aanvrager EFRO-subsidie heeft ontvangen voor dezelfde kosten). Gedeputeerde Staten zullen vóór de subsidieverlening toetsen of de subsidieverlening door Gedeputeerde Staten tot overschrijding van genoemde steunpercentages en/of steunplafond leidt. De steunpercentages zijn gebaseerd op artikel 41, lid 7, van de AGVV. Het steunplafond van € 15 miljoen vloeit voort uit artikel 4, lid 1, sub s, van de AGVV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te kunnen bepalen of het maximum steunpercentage en het steunplafond niet worden overschreden, dient per te verlenen subsidie te worden bepaald wat het steunbedrag is. In het geval de subsidie uit een lening bestaat, dient het steunbedrag als volgt te worden bepaald. Om te bepalen wat het steunbedrag is dat wordt verleend aan een aanvrager dient het verschil te worden vastgesteld tussen de rente die conform de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld (dit is in de definities in deze paragraaf gedefinieerd als \"marktconforme rente\") en de rente die daadwerkelijk wordt betaald door de aanvrager, waarbij van dit verschil de contante waarde moet worden berekend. Bij het vaststellen van de rente die op grond van de Mededinging-rentepercentages geldt, moet het rentepercentage worden vastgesteld dat van toepassing is op het moment van het verstrekken van de lening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Concreet wil dat zeggen dat steeds moet worden nagegaan welk basisrentepercentage van toepassing is op het moment van het verstrekken van de lening (zie http://ec.europa.eu/competition/state_aid/legislation/reference_rates.html) waarna vervolgens het basisrentepercentage met een opslag moet worden verhoogd. De hoogte van de opslag is afhankelijk van de rating van de aanvrager en de door de aanvrager verschafte zekerheden. De opslag varieert tussen 60 basispunten (0,6%) en 1000 basispunten (10%). Voor startende ondernemingen zonder kredietverleden, zoals special-purpose vehicles, geldt dat het basisrentepercentage met minstens 4% moet worden verhoogd, maar de opslag kan nooit lager zijn dan de opslag die geldt voor de moedermaatschappij als deze aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze methode die in de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld dient verplicht te worden toegepast op grond van de AGVV. Wanneer de rente die op grond van de Mededeling-rentepercentages geldt, is vastgesteld, kan deze worden afgezet tegen de daadwerkelijk te betalen rente. Van het verschil tussen de daadwerkelijk te betalen rente over de lening en de rente die betaald zou moeten worden als het rentepercentage zou worden toegepast dat op grond van de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld, moet de contante waarde worden berekend. Voor de berekening van de contante waarde dient te worden uitgegaan van een percentage dat bestaat uit het basisrentepercentage dat de Europese Commissie publiceert op de website waarvan hiervoor een link is gegeven, vermeerderd met een opslag van 100 basispunten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet geoorloofd om een basisrente te gebruiken die op een andere manier is vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het steunbedrag dat op bovengenoemde wijze is berekend moet worden afgezet tegen de in aanmerking komende kosten om vast te stellen of het betreffende maximum steunpercentage niet wordt overschreden. Het steunbedrag mag voorts ook niet hoger zijn dan € 15 miljoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval de subsidie uit een garantie bestaat, dient het steunbedrag als volgt te worden bepaald. Om het steunbedrag te kunnen berekenen dat voortvloeit uit een garantie, dient het verschil te worden berekend tussen de marktconforme premie die wordt bepaald op grond van de Mededeling-garanties (dit is in de definities in deze paragraaf gedefinieerd als \"marktconforme premie\")en de daadwerkelijk door de begunstigde te betalen premie, waarbij de netto contante waarde van het premievoordeel moet worden berekend. De hoogte van de marktconforme premie is afhankelijk van de rating van de aanvrager. Voor startende ondernemingen zonder kredietverleden, zoals special-purpose vehicles, geldt dat de marktconforme premie minstens 3,8% is, en nooit lager kan zijn dan de premie die geldt voor de moedermaatschappij als deze aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de marktconforme premie te bepalen dient op grond van de AGVV verplicht te worden uitgegaan van de Mededeling-garantie. Wanneer de marktconforme premie die op grond van de Mededeling-garantie geldt, is vastgesteld, kan deze worden afgezet tegen de daadwerkelijk te betalen premie. Van het verschil tussen de daadwerkelijk te betalen premie over de garantie en de marktconforme premie die is vastgesteld conform de Mededeling-garanties, moet de contante waarde worden berekend. Voor de berekening van de contante waarde dient te worden uitgegaan van een percentage dat bestaat uit het basisrentepercentage dat de Europese Commissie publiceert op de website waarvan hiervoor een link is gegeven, vermeerderd met een opslag van 100 basispunten. Het is niet geoorloofd om een basisrente te gebruiken die op een andere manier is vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het steunbedrag dat op bovengenoemde wijze is berekend moet worden afgezet tegen de in aanmerking komende kosten om vast te stellen of het betreffende maximum steunpercentage niet wordt overschreden. Het steunbedrag mag voorts ook niet hoger zijn dan € 15 miljoen.] De subsidie wordt slechts verleend voor zover, in geval van een geldlening, door de rentekorting, en, in geval van een garantie, door de premiekorting, de totale steun die de aanvrager met betrekking tot dezelfde – elkaar geheel of gedeeltelijk overlappende – in aanmerking komende kosten geniet, ongeacht of deze steun door het Rijk, andere publiekrechtelijke rechtspersonen of openbare lichamen dan wel de daaraan gelieerde instellingen is verstrekt, niet hoger is dan € 15 miljoen. [Toelichting: Bij de verlening van de rentekorting en de premiekorting verlenen Gedeputeerde Staten staatssteun aan de aanvrager. De steun die de aanvrager per project geniet mag niet hoger uitkomen dan de genoemde steunpercentages en het steunplafond van € 15 miljoen. Daarbij is het van belang dat bij de beoordeling of de steunpercentages en het steunplafond zijn overschreden, alle steun, ongeacht uit welke bron (lokaal, regionaal, nationaal) de steun afkomstig is, die de aanvrager voor het project heeft ontvangen, meegeteld wordt. Als de aanvrager financiering van de EU heeft ontvangen wordt deze niet meegeteld voor de berekening van de steunpercentages en het steunplafond, mits die financiering niet direct of indirect onder de controle van de overheid staat of stond (bijvoorbeeld: EFRO-gelden staan onder controle van de overheid ook al is dit EU-financiering, en om die reden moeten zij meegeteld worden bij genoemde berekening als de aanvrager EFRO-subsidie heeft ontvangen voor dezelfde kosten). Gedeputeerde Staten zullen vóór de subsidieverlening toetsen of de subsidieverlening door Gedeputeerde Staten tot overschrijding van genoemde steunpercentages en/of steunplafond leidt. De steunpercentages zijn gebaseerd op artikel 41, lid 7, van de AGVV. Het steunplafond van € 15 miljoen vloeit voort uit artikel 4, lid 1, sub s, van de AGVV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te kunnen bepalen of het maximum steunpercentage en het steunplafond niet worden overschreden, dient per te verlenen subsidie te worden bepaald wat het steunbedrag is.In het geval de subsidie uit een lening bestaat, dient het steunbedrag als volgt te worden bepaald. Om te bepalen wat het steunbedrag is dat wordt verleend aan een aanvrager dient het verschil te worden vastgesteld tussen de rente die conform de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld (dit is in de definities in deze paragraaf gedefinieerd als \"marktconforme rente\") en de rente die daadwerkelijk wordt betaald door de aanvrager, waarbij van dit verschil de contante waarde moet worden berekend. Bij het vaststellen van de rente die op grond van de Mededinging-rentepercentages geldt, moet het rentepercentage worden vastgesteld dat van toepassing is op het moment van het verstrekken van de lening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Concreet wil dat zeggen dat steeds moet worden nagegaan welk basisrentepercentage van toepassing is op het moment van het verstrekken van de lening (zie http://ec.europa.eu/competition/state_aid/legislation/reference_rates.html), waarna vervolgens het basisrentepercentage met een opslag moet worden verhoogd. De hoogte van de opslag is afhankelijk van de rating van de aanvrager en de door de aanvrager verschafte zekerheden. De opslag varieert tussen 60 basispunten (0,6%) en 1000 basispunten (10%). Voor startende ondernemingen zonder kredietverleden, zoals special-purpose vehicles, geldt dat het basisrentepercentage met minstens 4% moet worden verhoogd, maar de opslag kan nooit lager zijn dan de opslag die geldt voor de moedermaatschappij als deze aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze methode die in de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld dient verplicht te worden toegepast op grond van de AGVV. Wanneer de rente die op grond van de Mededeling-rentepercentages geldt, is vastgesteld, kan deze worden afgezet tegen de daadwerkelijk te betalen rente. Van het verschil tussen de daadwerkelijk te betalen rente over de lening en de rente die betaald zou moeten worden als het rentepercentage zou worden toegepast dat op grond van de Mededeling-rentepercentages is vastgesteld, moet de contante waarde worden berekend. Voor de berekening van de contante waarde dient te worden uitgegaan van een percentage dat bestaat uit het basisrentepercentage dat de Europese Commissie publiceert op de website waarvan hiervoor een link is gegeven, vermeerderd met een opslag van 100 basispunten. Het is niet geoorloofd om een basisrente te gebruiken die op een andere manier is vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het steunbedrag dat op bovengenoemde wijze is berekend moet worden afgezet tegen de in aanmerking komende kosten om vast te stellen of het betreffende maximum steunpercentage niet wordt overschreden. Het steunbedrag mag voorts ook niet hoger zijn dan € 15 miljoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval de subsidie uit een garantie bestaat, dient het steunbedrag als volgt te worden bepaald. Om het steunbedrag te kunnen berekenen dat voortvloeit uit een garantie, dient het verschil te worden berekend tussen de marktconforme premie die wordt bepaald op grond van de Mededeling-garanties (dit is in de definities in deze paragraaf gedefinieerd als \"marktconforme premie\") en de daadwerkelijk door de begunstigde te betalen premie, waarbij de netto contante waarde van het premievoordeel moet worden berekend. De hoogte van de marktconforme premie is afhankelijk van de rating van de aanvrager. Voor startende ondernemingen zonder kredietverleden, zoals special-purpose vehicles, geldt dat de marktconforme premie minstens 3,8% is, en nooit lager kan zijn dan de premie die geldt voor de moedermaatschappij als deze aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de marktconforme premie te bepalen dient op grond van de AGVV verplicht te worden uitgegaan van de Mededeling-garantie. Wanneer de marktconforme premie die op grond van de Mededeling-garantie geldt, is vastgesteld, kan deze worden afgezet tegen de daadwerkelijk te betalen premie. Van het verschil tussen de daadwerkelijk te betalen premie over de garantie en de marktconforme premie die is vastgesteld conform de Mededeling-garanties, moet de contante waarde worden berekend. Voor de berekening van de contante waarde dient te worden uitgegaan van een percentage dat bestaat uit het basisrentepercentage dat de Europese Commissie publiceert op de website waarvan hiervoor een link is gegeven, vermeerderd met een opslag van 100 basispunten. Het is niet geoorloofd om een basisrente te gebruiken die op een andere manier is vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3913\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.9.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: De provincie Overijssel streeft ernaar dat de aanvrager ook zelf bijdraagt aan de financiering van het energieproject. De 80% genoemd in lid 3 is gebaseerd op de Mededeling-garanties.</p>\n<p class=\"lf-p\">De geldlening bedraagt bij energieprojecten ter zake van hernieuwbare energie maximaal 100% van de in aanmerking komende kosten op het gebied van: geothermie; zonne-energie; bio-energie; warmtepompen met een minimale Coefficient Of Performance (COP) van 4; warmtekracht. windenergie, waarbij uitsluitend bijdragen aan innovatieve windmolens zijn toegestaan, zoals stedelijke windmolentjes en kleine windmolens die nu in veel bestemmingsplannen zijn toegestaan, beide kleiner dan 25 meter; energieopslag en energie infrastructuurprojecten. [vervallen;] In geval van een garantie bedraagt de garantie van Gedeputeerde Staten maximaal 80% van het krediet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3914\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.9.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Bij de berekening van de steunintensiteit zijn alle gebruikte cijfers de cijfers vóór aftrek van belastingen en andere heffingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.1.5 worden als subsidiabele kosten beschouwd de in aanmerking komende kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval niet: administratieve kosten die gemaakt worden ten behoeve van het energieproject; kosten die gemaakt worden ten behoeve van het aanvragen van de subsidie voor het energieproject; kosten die anderszins al vergoed zijn onder andere door het Rijk, door andere publiekrechtelijke rechtspersonen of openbare lichamen dan wel de daaraan gelieerde instellingen of door de Europese Commissie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3915\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.9.1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Op grond van artikel 1.2.2 kan gedurende het gehele kalenderjaar een subsidieaanvraag worden ingediend. Afwijking van artikel 1.2.2 is wenselijk omdat in de onderhavige regeling met subsidieplafonds wordt gewerkt voor een bepaald subsidietijdvak. De verwachting is dat er in de praktijk behoefte zal zijn om gedurende het gehele subsidietijdvak aanvragen om subsidie in te kunnen dienen. Om aanvragen toch zoveel mogelijk binnen het subsidietijdvak af te kunnen handelen, is in het eerste lid van dit artikel bepaald dat de subsidieaanvraag tot dertien weken voor het einde van het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft kan worden ingediend. In het tweede lid is bepaald dat de aanvraag vier weken voor het einde van het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft volledig moet zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.2 kan een subsidieaanvraag tot twaalf weken voor het eind van het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft worden ingediend door inzending van een daartoe opgesteld formulier. Het formulier vermeldt welke bijlagen bij de aanvraag dienen te worden overlegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.2 moet een subsidieaanvraag volledig zijn ingediend uiterlijk vier weken voor het eind van het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3916\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.9.1.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Dit artikel geeft voorschriften voor een aanvraag voor subsidie. Dit artikel dient in samenhang te worden gelezen met artikel 1.2.1. In aanvulling op de gegevens die een aanvrager op grond van artikel 1.2.1 bij de aanvraag moet indienen, dient de aanvrager aanvullende gegevens te overleggen ten behoeve van de beoordeling van de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.2.1 overlegt de aanvrager bij de aanvraag tevens een projectplan, dat in ieder geval de volgende gegevens dient te bevatten: beschrijving c.q. inschatting van de door de ontvangen subsidie te verwachten opwekking van hernieuwbare energie; een berekening van de in aanmerking komende kosten waarbij de kosten van het energieproject afgezet worden tegen de kosten van de referentie-investering; Toelichting: De voor subsidie in aanmerking komende kosten moeten worden gemotiveerd en gespecificeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.2.1 overlegt de aanvrager bij de aanvraag een ratingverklaring, tenzij de aanvrager een special purpose vehicle is zonder kredietverleden en geen moedermaatschappij heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de aanvrager voor dezelfde - elkaar geheel of gedeeltelijk overlappende- in aanmerking komende kosten waarvoor zij subsidie aanvraagt reeds van het Rijk, andere publiekrechtelijke rechtspersonen of openbare lichamen dan wel de daaraan gelieerde instellingen of de Europese Commissie een vergoeding c.q. subsidie heeft ontvangen, overlegt zij de bewijsstukken waaruit deze vergoeding c.q. subsidie blijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag tevens een bedrijfsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Het bedrijfsplan moet in ieder geval de volgende gegevens bevatten: de doelstelling van de aanvrager en hoe hij deze wil bereiken; de ideeën over het soort onderneming dat hij wil oprichten; de geplande rechtsvorm; vergunningen die nodig zijn om van start te gaan met het project; meerjarige investeringsbegroting; meerjarige exploitatiebegroting: op basis van de meerjarige omzetprognose moet de aanvrager aangeven hoeveel nettowinst hij verwacht te overhouden na aftrek van de investeringen (exploitatie) van de omzet;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten slotte wordt in het bedrijfsplan verwacht dat de subsidieaanvrager zal aangeven welke werkgelegenheidseffecten door realisering van het energieproject te realiseren dan wel te verwachten zijn. Om die reden wordt van de subsidieaanvrager verwacht dat hij inzicht geeft in het aantal gecreëerde arbeidsplaatsen. Dit begrip is toegelicht in de definities. Daarbij moet tevens inzicht worden gegeven in het aantal gecreëerde arbeidsplaatsen dat na uitvoering van het energieproject waarvoor subsidie wordt aangevraagd zal blijven bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1,2,1 tweede lid overlegt de aanvrager, ingeval een garantie wordt aangevraagd, bij de aanvraag tevens een door een bank geoffreerde kredietovereenkomst en concept garantverklaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag documentatie ten behoeve van het uitvoeren van een financiële due diligence, een technische due diligence, een duurzaamheidstoets en een fiscale en juridische due diligence.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Bij documentatie ten behoeve van het uitvoeren van een financiële due diligence, een technische due diligence, een duurzaamheidstoets en een fiscale en juridische due diligence moet, afhankelijk van de aard van het energieproject waarvoor subsidie wordt aangevraagd, worden gedacht aan een zonurenanalyse, een technische analyse van de gebruikte technologie, taxatierapporten, identificatiebewijzen van bestuurders en aandeelhouders, een organisatieschema, projectcontracten, zoals afnamecontracten, inkoopcontracten en onderhoudscontracten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3917\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.9.1.7</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Ingevolge artikel 4:22 van de Awb wordt onder subsidieplafond verstaan: het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens een bepaald wettelijk voorschrift. Artikel 4:25 van de Awb schrijft voor dat voor de vaststelling van een subsidieplafond een wettelijke grondslag is vereist. Artikel 3.9.1.7 geeft deze wettelijke grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Awb eist dat het subsidieplafond bekend wordt gemaakt voordat de periode waarop het betrekking heeft ingaat. Zo kunnen potentiële aanvragers weten hoeveel geld er beschikbaar is. Op grond van artikel 4:25, tweede lid, Awb moet een aanvraag om subsidie worden geweigerd, als door verstrekking van de subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3918\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.9.1.8</span><span class=\"lf-art-t\">Volgorde van behandeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: In artikel 4:26 van de Awb is voorgeschreven dat bij of krachtens wettelijk voorschrift wordt bepaald hoe het beschikbare bedrag wordt verdeeld. Artikel 3.9.1.8 geeft deze wettelijke grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het bepalen van het bereiken van het van toepassing zijnde subsidieplafond, beslissen Gedeputeerde Staten op volgorde van het tijdstip van binnenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de aanvraag nog niet volledig is, wordt het tijdstip van binnenkomst bepaald door het moment waarop de aanvraag wel volledig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover door verstrekking van subsidie voor aanvragen, die op dezelfde dag zijn ontvangen, het subsidieplafond wordt overschreden, wordt de onderlinge rangschikking van die aanvragen vastgesteld door middel van prioritering op basis van de hoogst verwachte energie-efficiëntie dan wel toename van hernieuwbare energie per aangevraagde Euro aan subsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3919\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.9.1.9</span><span class=\"lf-art-t\">Adviescommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten leggen een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.9.1.1, nadat de aanvraag volledig is, ter advies voor aan de adviescommissie, die binnen zes weken een advies aan Gedeputeerde Staten uitbrengt. Deze termijn kan met een termijn van maximaal twee weken worden verlengd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Gedeputeerde Staten hebben bij besluit van 13 november 2012 een adviescommissie ingesteld die advies uitbrengt over elke aanvraag die is ingediend op grond van deze paragraaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien door verstrekking van subsidie voor aanvragen, die op dezelfde dag zijn ontvangen, het subsidieplafond wordt overschreden, wordt op grond van artikel 3.9.1.8, derde lid, de onderlinge rangschikking van die aanvragen vastgesteld door middel van prioritering op basis van de hoogst verwachte energie-efficiëntie dan wel toename van hernieuwbare energie per aangevraagde Euro aan subsidie. Ook over deze prioritering brengt de adviescommissie advies uit.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-39110\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.9.1.10</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Deze weigeringsgronden gelden in aanvulling op artikel 1.1.7. De weigeringsgronden in artikel 1.1.7 zijn facultatief. Gedeputeerde Staten kunnen de subsidie geheel of gedeeltelijk weigeren als die weigeringsgronden zich voordoen. In dit artikel 3.9.1.10 zijn de weigeringsgronden imperatief geformuleerd. Als een van deze afwijzingsgronden zich voordoen, dan moeten Gedeputeerde Staten de aanvraag afwijzen. De afwijzingsgronden in sub c-h, k-l, vloeien voort uit de staatssteunregels. Deze afwijzingsgronden zijn gebaseerd op de AGVV: sub c is gebaseerd op artikel 41 van de AGVV; sub d is gebaseerd op artikel 5, tweede lid, sub b, van de AGVV jo. de Mededeling-rentepercentages die, zoals hiervoor is toegelicht, op grond van de AGVV verplicht toegepast moet worden om het steunbedrag te kunnen berekenen in geval van leningen; sub e is gebaseerd op artikel 5, tweede lid, sub c, onder i), van de AGVV jo. de Mededeling-garanties die, zoals hiervoor is toegelicht, op grond van de AGVV verplicht toegepast moet worden om het steunbedrag te kunnen berekenen in geval van garanties; sub f is gebaseerd op paragraaf 3.3. van de Mededeling-garanties die, zoals hiervoor is toegelicht, op grond van de AGVV verplicht toegepast moet worden om het steunbedrag te kunnen berekenen in geval van garanties; sub g is gebaseerd op artikel 1, vierde lid, sub a, van de AGVV; sub h is gebaseerd op 1, tweede lid, sub c, van de AGVV; sub k is gebaseerd op artikel 6, tweede lid, van de AGVV; sub l is gebaseerd op artikel 6, tweede en derde lid, van de AGVV.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de overige gevallen heeft een subsidie van de provincie Overijssel naar de mening van de provincie Overijssel geen toegevoegde waarde. Deze gevallen zijn in lid 2 sub a-b en i-j opgesomd. Voor deze gevallen wordt ook geen subsidie verleend door de provincie Overijssel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie als op basis van de aanvraag wordt beoordeeld dat het te verlenen subsidiebedrag lager is dan € 1.000.000 is per energieproject. Indien de aanvrager op dezelfde dag subsidie aanvraagt op grond van paragraaf 3.9.2, wordt voor het bepalen van het minimum tevens het te verlenen subsidiebedrag van die aanvraag betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie: als op basis van de aanvraag wordt beoordeeld dat het te verlenen subsidiebedrag lager is dan € 500.000,- per energieproject, indien de aanvraag ziet op een subsidie voor een zonne- of energieproject, of als het een niet dupliceerbaar zonne-energieproject betreft én indien de som van de toegekende subsidies aan het project meer dan € 2.500.000,-, indien het een zonne-energieproject betreft met een te verlenen subsidiebedrag tussen € 500.000,- en € 1.000.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie geheel of gedeeltelijk indien: de werkelijke kosten naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet in redelijke verhouding staan tot het te verkrijgen resultaat; het bedrijfsplan en/of projectplan naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet haalbaar of uitvoerbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Voor deze weigeringsgrond geldt dat daar in ieder geval wordt verstaan de situatie waarin de uitkomst van een door een expert uitgevoerde financiële, technische, juridische of fiscale due diligence negatief is. het verstrekte krediet of de geldlening niet ten behoeve van het energieproject wordt aangewend; uit de ratingverklaring blijkt dat de aanvrager van een geldlening of diens moedermaatschappij tot de ratingcategorie CCC of lager behoort; uit de ratingverklaring blijkt dat de aanvrager van een garantie of diens moedermaatschappij tot de ratingcategorie CCC+ of lager behoort; de aanvrager van een garantie een grote onderneming is; ten aanzien van de aanvrager een uitstaand bevel tot terugvordering voor onrechtmatig verleende staatssteun geldt; de aanvrager in financiële moeilijkheden verkeert; de aanvrager over onvoldoende financiële middelen beschikt om het energieproject uit te voeren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: De aanvrager beschikt niet over voldoende financiële middelen om het energieproject uit te voeren als er geen bankfinanciering voor de dekking van de kosten van het energieproject die niet voor subsidiëring op grond van deze regeling in aanmerking komen. de aanvrager op de markt gehele financiering voor het energieproject kan verkrijgen en met die financiering de commerciële levensvatbaarheid van het project met een zelfde maatschappelijk rendement, naar het oordeel van Gedeputeerde Staten, aannemelijk is; de activiteiten reeds zijn aangevangen op het tijdstip van indiening van de subsidieaanvraag; indien de aanvrager, zijnde een grote onderneming, naar het oordeel van Gedeputeerde Staten er niet in geslaagd is om het stimulerend effect van de subsidie in de zin van artikel 6, derde lid van de AGVV aan te tonen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-39111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.9.1.11</span><span class=\"lf-art-t\">Kenmerken van uitvoeringsovereenkomst, kredietovereenkomst en garantie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Zie toelichting artikel 3.9.1.2 over de achtergronden van de uitvoeringsovereenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afgezien van de staatssteunrechtelijke beperkingen aan het geboden rentevoordeel, is de provincie Overijssel van mening dat het geboden rentevoordeel niet te groot mag zijn, omdat dan de afstand naar de markt te groot wordt en daarmee minder goede projecten worden gefaciliteerd. Dat geeft overstimulering en bemoeilijkt de transitie naar hernieuwbare energie en een normale markt zonder stimulering van de overheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de geldlening en garantie per energieproject is maximaal de subsidiabele kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De looptijd van de geldlening en kredietovereenkomst bedraagt een bepaalde tijd, echter maximaal de technische levensduur van het energieproject.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval van een geldlening wordt een rentekorting van maximaal 2% of 200 basispunten gehanteerd per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rente van de geldlening is gedurende de looptijd van de geldlening vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen boetevrije vervroegde aflossing van de geldlening toestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De geldlening wordt onderhands verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval van een garantie is de maximale premiekorting gelijk aan het bedrag dat op grond van artikel 3.9.1.2 sub c, d en e van dit hoofdstuk is toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de garantie wordt verminderd naar rato van de aflossingen die worden gedaan op de kredietovereenkomst waarvoor de garantie is verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-39112\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.9.1.12</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag tot subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.5.2 eerste lid dan wel artikel 1.5.3 eerste lid wordt een aanvraag tot vaststelling ingediend uiterlijk 13 weken voor aflossing van de lening of het einde van de garantie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: In dit artikel is aangegeven dat en wanneer de subsidieontvanger een aanvraag tot subsidievaststelling moet indienen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-39113\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.9.1.13</span><span class=\"lf-art-t\">Ambtshalve vaststellen subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval van een garantie kan deze ambtshalve worden vastgesteld zodra: het krediet waarvoor de provincie een garantie heeft afgegeven is afgelost; of ingeval de bank de garantie heeft ingeroepen: de vordering van de provincie op de ontvanger van de garantie is voldaan dan wel de provincie heeft besloten af te zien van verdere invordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Onderdeel a van dit artikel geeft aan dat de garantie wordt vastgesteld op het moment dat de lening is afgelost. Dit geldt ook als de lening voortijdig is afgelost. Verder geeft dit artikel aan dat de garantie tevens zal worden vastgesteld als de bank de garantie heeft ingeroepen. Verder is opgenomen dat de garantie wordt vastgesteld als er geen vorderingen meer zijn ten aanzien van de aanvrager. Dit zou bijvoorbeeld kunnen gelden als de provincie Overijssel de restschuld van de bank overneemt nadat de bank de garantie heeft ingeroepen. In de beschikking tot verlening van de garantie kunnen Gedeputeerde Staten voorwaarden vastleggen over de vaststelling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-39114\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.9.1.14</span><span class=\"lf-art-t\">Terugvordering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de ontvanger van de subsidie het energieproject niet uitvoert zoals is vastgelegd bij de beschikking tot het verlenen van de subsidie en niet heeft voldaan aan artikel 3.9.1.15 kunnen Gedeputeerde Staten besluiten eenmalig een premie van maximaal 5% van de hoogte van de afgegeven garantie bij de ontvanger van de garantie terugvorderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: In dit artikel is opgenomen dat de provincie Overijssel een premie zal terugvorderen als blijkt dat de ontvanger van de subsidie zijn energieproject niet of op een ander manier gaat uitvoeren. Deze subsidieparagraaf is uiteindelijk bedoeld ter stimulering van hernieuwbare energie. Als gedurende de looptijd van het energieproject de activiteiten dusdanig wijzigen dat er geen sprake meer is van de opwekking van hernieuwbare energie, dan bereikt de provincie haar beleidsdoel niet. De provincie Overijssel had dan ook geen garantie af willen geven voor het project. De provincie Overijssel kan de garantie niet intrekken, omdat dan de bank met een risico wordt opgezadeld. Om deze reden wil de provincie Overijssel een deel van het premievoordeel dat een ontvanger van de garantie heeft terugvorderen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-39115\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.9.1.15</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Dit artikel bevat de belangrijkste subsidieverplichtingen die aan de subsidieontvanger zullen worden opgelegd. Op grond van artikel 4:37 van de Awb kunnen de in dat artikel genoemde verplichtingen aan subsidieontvangers worden opgelegd zonder wettelijk voorschrift. Een aantal subsidieverplichtingen kunnen vanwege het bepaalde in artikel 4:38 en 4:39 van de Awb slechts worden opgelegd als dat in een wettelijke regeling, zoals dit Uitvoeringsbesluit, is bepaald. Om die reden zijn in dit artikel 3.9.1.15 een aantal subsidieverplichtingen geformuleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager tekent uiterlijk acht weken na het verlenen van de subsidie met de provincie Overijssel een uitvoeringsovereenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval van een garantie sluit de aanvrager uiterlijk acht weken na het verlenen van de subsidie met een bank de bij de aanvraag overlegde door een bank geoffreerde kredietovereenkomst en definitieve garantverklaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie-ontvanger betaalt Gedeputeerde Staten jaarlijks rente over de geldlening. Ingeval van een garantie betaalt de subsidie-ontvanger aan Gedeputeerde Staten een jaarlijkse premie voor de verstrekte garantie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval van een geldlening betaalt de subsidie-ontvanger in ieder geval halfjaarlijks het overeengekomen aflossingsbedrag, met ingang van 1 januari van het tweede jaar volgende op de datum van verlening van de subsidie, terug aan Gedeputeerde Staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval van een door de bank ingeroepen garantie, betaalt de subsidie-ontvanger aan Gedeputeerde Staten het door de provincie aan de bank betaalde terug.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terzake van de in de leden 3 tot en met 5 genoemde verplichtingen wordt in de uitvoeringsovereenkomst een betalingsregime afgesproken en kunnen daarin verplichtingen worden opgenomen ten aanzien van de kredietwaardigheid van de subsidie-ontvanger.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie-ontvanger doet onverwijld mededeling aan Gedeputeerde Staten van de omstandigheid dat hij verwacht niet binnen de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen termijn te beschikken over de vereiste vergunningen, ontheffingen of andere (rechtens benodigde) toestemmingen in verband met het energieproject. De subsidie-ontvanger doet onverwijld mededeling aan Gedeputeerde Staten indien de bank de garantie zal inroepen, dan wel in het geval verwacht kan worden dat de bank de garantie in zal roepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie-ontvanger dient binnen één jaar na subsidieverlening te starten met de uitvoering van het energieproject.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie-ontvanger dient uiterlijk na verloop van de duur van de geldlening c.q het krediet aan te tonen dat het energieproject conform de aanvraag is uitgevoerd en voltooid. Daarbij rapporteert de aanvrager ook over het maatschappelijk rendement van het energieproject. Indien de looptijd van de geldlening c.q. krediet langer duurt dan één jaar rapporteert de subsidie-ontvanger jaarlijks aan Gedeputeerde Staten over de voortgang van het project en overlegt daarbij in ieder geval de jaarrekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.4.3 kunnen Gedeputeerde Staten de verplichting opleggen tot het vaker dan één keer per jaar afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden inkomsten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen voorwaarden aan de subsidiebeschikking verbinden ten aanzien van: de EBITDA ten opzichte van rente-en aflossingsverplichtingen; het aanhouden van liquide middelen ten behoeve van onderhoud, rente en aflossingsverplichtingen en onvoorziene omstandigheden; toestemming bij wijziging van aandeelhouders; toestemming voor het aangaan van financiële verplichtingen met derden; toestemming voor het wijzigen van overeenkomsten aangaande het energieproject; toestemming voor uitkering van dividend en/of opname van cashflow ten behoeve van het concern.</p>\n<p class=\"lf-p\">De activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt moeten binnen vier jaar na verlening van de subsidie zijn uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager of diens moedermaatschappij dient tot en met de subsidievaststelling dezelfde ratingcategorie te behouden als hij ten tijde van de subsidieverlening had, tenzij de aanvrager een special purpose vehicle is zonder kredietverleden en geen moedermaatschappij heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-39116\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.9.1.16</span><span class=\"lf-art-t\">Uitstel of ontheffing betalingsverplichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval van een geldlening kan de subsidie-ontvanger Gedeputeerde Staten verzoeken om het subsidiebedrag in andere termijnen terug te betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval van een geldlening kan de subsidie-ontvanger Gedeputeerde Staten deugdelijk gemotiveerd verzoeken om ontheffing te verlenen van de verplichting genoemd in artikel 3.9.1.15 vierde lid. Ingeval van een door de bank ingeroepen garantie kan de subsidie-ontvanger Gedeputeerde Staten deugdelijk gemotiveerd verzoeken om ontheffing te verlenen van de verplichting genoemd in artikel 3.9.1.15 vijfde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontheffing, bedoeld in het tweede lid, kan worden verleend indien:</p></div>", "next": 239916}