{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">het een uitbreiding van een bestaand agrarisch aanverwant bedrijf betreft; het agrarisch aanverwant bedrijf zich vestigt op een bestaand agrarisch bouwperceel; of het een verplaatsing van een bestaand agrarisch aanverwant bedrijf betreft en gemotiveerd wordt waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in de regio in de verplaatsing kan worden voorzien en waarom hergebruik van percelen die niet meer voor de agrarische functie worden benut niet mogelijk is; en de omvang een bouwperceel na toepassing van onderdeel a, b of c ten hoogste 2 hectare bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen over de aard en omvang van de in het tweede lid genoemde niet-agrarische bedrijfsfuncties.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-634\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.34</span><span class=\"lf-art-t\">Intensieve veehouderij</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een ruimtelijk plan voorziet niet in de vestiging van intensieve veehouderij of de al dan niet gedeeltelijke omschakeling van bestaande agrarische bedrijven naar intensieve veehouderij.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het eerste lid is vestiging van intensieve veehouderij mogelijk indien dit zich richt op verplaatsing van op 30 november 2011 in Noord-Holland bestaande intensieve veehouderij in Noord-Holland.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Voor zover een ruimtelijk plan betrekking heeft op een bestaande intensieve veehouderij zoals bedoeld in het tweede lid geldt bij uitbreiding dat ten hoogste één bouwlaag gebruikt mag worden voor het houden van dieren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-635\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.35</span><span class=\"lf-art-t\">Geitenhouderijen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een ruimtelijk plan voorziet niet in bestemmingen en regels die de mogelijkheid bieden tot: nieuwvestiging van geitenhouderijen, al dan niet als neventak; het geheel of gedeeltelijk wijzigen van een agrarisch bedrijf naar geitenhouderij; of het uitbreiden van een geitenhouderij, door het aantal geiten dat wordt gehouden te vergroten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor de bepaling van het aantal aanwezige geiten als bedoeld in het eerste lid, kan gebruik worden gemaakt van het aantal geiten zoals opgenomen in een melding als bedoeld in artikel 1.10 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer of van het aantal zoals geregistreerd in het I&amp;R-systeem zoals bedoeld in de Regeling identificatie en registratie van dieren of een daarmee gelijk te stellen registratiesysteem indien deze melding of registratie heeft plaatsgevonden vóór 12 december 2018.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-636\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.36</span><span class=\"lf-art-t\">Permanente bollenteelt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een ruimtelijk plan kan uitsluitend ter plaatse van het werkingsgebied permanente bollenteelt voorzien in het toestaan van grondbewerkingen ten behoeve van de permanente bollenteelt, zoals bezanden, omzetten en opspuiten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-637\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.37</span><span class=\"lf-art-t\">Glastuinbouwconcentratiegebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een ruimtelijk plan kan uitsluitend ter plaatse van het werkingsgebied glastuinbouwconcentratiegebied voorzien in nieuwe glastuinbouwbedrijven waarvan de omvang van het bouwperceel meer dan 2 hectare bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Per volwaardig glastuinbouwbedrijf kan ten hoogste één bedrijfswoning worden toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Nieuwe burgerwoningen, waaronder de omzetting van bedrijfswoningen naar burgerwoningen, zijn niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.In afwijking van het derde lid en in aanvulling op artikel 6.9, eerste lid en op artikel 6.10, eerste lid, kan een nieuwe burgerwoning worden toegestaan, indien deze woning wordt gesitueerd in een dorpslint buiten glastuinbouwconcentratiegebied en hierbij een aanwezige bedrijfswoning binnen het glastuinbouwconcentratiegebied wordt wegbestemd en gesloopt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Een ruimtelijk plan kan ter plaatse van het werkingsgebied glastuinbouwconcentratiegebied voorzien in andere agrarische bedrijven, waarbij artikel 6.33, eerste lid, van overeenkomstige toepassing is, met dien verstande dat de extra bedrijfswoning zoals bedoeld in onderdeel f niet is toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Niet-agrarische bedrijfsfuncties zijn als onderdeel van een agrarisch bedrijf, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf, toegestaan, waarbij artikel 6.33, tweede lid, van overeenkomstige toepassing is en aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het glastuinbouwconcentratiegebied voor glastuinbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.In aanvulling op het zesde lid zijn niet-agrarische bedrijfsfuncties, waaronder de huisvesting van tijdelijke werknemers, als onderdeel van glastuinbouwbedrijven bovendien toegestaan indien: deze functies noodzakelijk zijn voor het primaire productieproces glastuinbouw; of deze functies aantoonbaar bijdragen aan de verduurzaming van het primaire glastuinbouwbedrijf; en de onder a en b genoemde functies worden gerealiseerd in kassen of in andere bebouwing, waarbij deze andere bebouwing niet meer mag bedragen dan 15% van het bouwperceel en de huisvesting van tijdelijke werknemers in de andere bebouwing plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Niet-agrarische bedrijfsfuncties zijn als zelfstandig bedrijf toegestaan, indien: het een uitbreiding van een bestaand agrarisch aanverwant bedrijf betreft waarbij de omvang van het bouwperceel na uitbreiding ten hoogste 2 hectare bedraagt; deze bedrijfsfuncties gericht zijn op zaadveredeling, plantenveredeling, scholing en onderzoek ten behoeve van de glastuinbouw en waarbij ten minste 70% van de bebouwing bestaat uit kassen; of deze primair gericht zijn op de verduurzaming van aanwezige glastuinbouwbedrijven en het verduurzamingsdoel niet in dezelfde mate bereikt kan worden door vestiging buiten het glastuinbouwconcentratiegebied en aangetoond wordt dat geen aantasting plaatsvindt van de structuur en de bruikbaarheid van het glastuinbouwconcentratiegebied voor glastuinbouw.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-638\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.38</span><span class=\"lf-art-t\">Zaadveredelingsconcentratiegebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een ruimtelijk plan kan uitsluitend ter plaatse van het werkingsgebied zaadveredelingsconcentratiegebied voorzien in nieuwe zaadveredelingsbedrijven. Hierbij geldt geen maximale omvang van het bouwperceel.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een ruimtelijk plan kan ter plaatse van het werkingsgebied zaadveredelingsconcentratiegebied voorzien in agrarische bedrijven, waarbij artikel 6.33, eerste lid, van overeenkomstige toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Een ruimtelijk plan kan ter plaatse van het werkingsgebied zaadveredelingsconcentratiegebied voorzien in niet-agrarische bedrijfsfuncties als onderdeel van een agrarisch bedrijf, waarbij artikel 6.33, tweede lid, van overeenkomstige toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Een ruimtelijk plan kan ter plaatse van het werkingsgebied zaadveredelingsconcentratiegebied voorzien in niet-agrarische bedrijfsfuncties als zelfstandig bedrijf, waarbij artikel 6.33, derde lid, van overeenkomstige toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-639\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.39</span><span class=\"lf-art-t\">Bestaand zaadveredelingsbedrijf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een ruimtelijk plan kan uitsluitend ter plaatse van en in aansluiting op het werkingsgebied bestaand zaadveredelingsbedrijf voorzien in de uitbreiding van een zaadveredelingsbedrijf. Hierbij geldt geen maximale omvang van het bouwperceel.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een ruimtelijk plan kan ter plaatse van het werkingsgebied bestaand zaadveredelingsbedrijf voorzien in agrarische bedrijven, waarbij artikel 6.33, eerste lid, van overeenkomstige toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Een ruimtelijk plan kan ter plaatse van het werkingsgebied bestaand zaadveredelingsbedrijf voorzien in niet-agrarische bedrijfsfuncties als onderdeel van een agrarisch bedrijf, waarbij artikel 6.33, tweede lid, van overeenkomstige toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Een ruimtelijk plan kan ter plaatse van het werkingsgebied bestaand zaadveredelingsbedrijf voorzien in niet-agrarische bedrijfsfuncties als zelfstandig bedrijf, waarbij artikel 6.33, derde lid, van overeenkomstige toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-640\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.40</span><span class=\"lf-art-t\">Tuinbouwconcentratiegebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een ruimtelijk plan kan ter plaatse van het werkingsgebied tuinbouwconcentratiegebied voorzien in de uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven waarbij er geen maximale omvang geldt voor het bouwperceel, met dien verstande dat nieuwe bedrijfswoningen niet zijn toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een ruimtelijk plan kan ter plaatse van het werkingsgebied tuinbouwconcentratiegebied voorzien in andere agrarische bedrijven, waarbij artikel 6.33 eerste lid van overeenkomstige toepassing is, met dien verstande dat nieuwe bedrijfswoningen niet zijn toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Nieuwe burgerwoning zijn uitsluitend toegestaan indien sprake is van het omzetten van een bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning, waarbij geldt dat ten hoogste een grondoppervlak van 1000 m2 kan worden bestemd voor de functie wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Niet-agrarische bedrijfsfuncties zijn als onderdeel van een agrarisch bedrijf toegestaan, waarbij artikel 6.33 tweede lid van overeenkomstige toepassing is en aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het tuinbouwconcentratiegebied voor tuinbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Agrarisch aanverwante bedrijven zijn als zelfstandig bedrijf toegestaan, waarbij artikel 6.33, derde lid, van overeenkomstige toepassing is.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6.4 Beschermd landelijk gebied</h3>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf6.4.1Natuurnetwerk Nederland en natuurverbindingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-641\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.41</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf gaat over de gebieden die Provinciale Staten op grond van artikel 2.10.2 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening in de provincie Noord-Holland geometrisch hebben vastgelegd als Natuurnetwerk Nederland en over de natuurverbindingen die Provinciale Staten hebben aangewezen als onmisbaar voor het volwaardig functioneren van het Natuurnetwerk Nederland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-642\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.42</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf bevat regels met het oog op de uitwerking en bescherming van wezenlijke kenmerken en waarden, zijnde natuurwaarden, oppervlakte en samenhang van de in artikel 6.41 genoemde gebieden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-643\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.43</span><span class=\"lf-art-t\">Natuurnetwerk Nederland en natuurverbindingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De wezenlijke kenmerken en waarden als bedoeld in dit artikel zijn vastgelegd in bijlage 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een ruimtelijk plan ter plaatse van het werkingsgebied Natuurnetwerk Nederland en het werkingsgebied natuurverbindingen strekt in ieder geval tot de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het ruimtelijk plan stelt in ieder geval regels in het belang van de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden. Bij het stellen van deze regels moeten de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden in acht worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het ruimtelijk plan maakt geen nieuwe activiteiten mogelijk die per saldo leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een vermindering van de oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland of de natuurverbindingen, of van de samenhang tussen die gebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.In afwijking van het vierde lid kan het ruimtelijk plan nieuwe activiteiten mogelijk maken, indien: er sprake is van een groot openbaar belang; er geen reële alternatieven zijn; en de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Gedeputeerde Staten kunnen de begrenzing van het werkingsgebied Natuurnetwerk Nederland en het werkingsgebied natuurverbindingen wijzigen: ten behoeve van een verbetering van de samenhang of een betere ruimtelijke inpassing van het Natuurnetwerk Nederland, voor zover: de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland of de natuurverbinding worden behouden; en de oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland ten minste gelijk blijft; of ten behoeve van een kleinschalige ontwikkeling, voor zover: de aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden en de samenhang van het Natuurnetwerk Nederland of de natuurverbinding beperkt is; de ontwikkeling per saldo gepaard gaat met een versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland of de natuurverbinding, of een vergroting van de oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland; en de oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland ten minste gelijk blijft; of ten behoeve van de toepassing van het vijfde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Gedeputeerde Staten kunnen de begrenzing van het werkingsgebied Natuurnetwerk Nederland en het werkingsgebied natuurverbindingen wijzigen ter verbetering van kennelijke onjuistheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen aan de toelichting van het ruimtelijk plan en aan de wijze van compensatie als bedoeld in het vijfde lid, aanhef en onder c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf6.4.2Bijzonder provinciaal landschap</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-644\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.44</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf gaat over ruimtelijke ontwikkelingen in Bijzonder provinciaal landschap.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-645\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.45</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is gericht op het benoemen, behouden en beschermen van de kernkwaliteiten van het Bijzonder provinciaal landschap, zijnde gebieden die landschappelijk, aardkundig, ecologisch of cultuurhistorisch van bijzondere waarde zijn én niet vallen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-646\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.46</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzonder provinciaal landschap</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De kernkwaliteiten van het Bijzonder provinciaal landschap zijn vastgelegd in Bijlage 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een ruimtelijk plan ter plaatse van het werkingsgebied Bijzonder provinciaal landschap bevat regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In afwijking van artikel 6.3 bevat het ruimtelijk plan geen regels die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het ruimtelijk plan kan regels bevatten die een andere nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, mits deze ontwikkeling de voorkomende kernkwaliteiten niet aantast.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De toelichting op het ruimtelijk plan bevat een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten en een motivering van de wijze waarop wordt voldaan aan het tweede en, indien van toepassing, het vierde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Indien uit de motivering volgt dat maatregelen noodzakelijk zijn om te voldoen aan het bepaalde in het vierde lid, dan dient de uitvoering hiervan te zijn geborgd bij de vaststelling van het ruimtelijk plan.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.In afwijking van het vierde lid kan het ruimtelijk plan regels bevatten die de volgende ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken: een uitbreiding van een agrarisch bouwperceel tot maximaal twee hectare; of nieuwe bebouwings- en functiemogelijkheden op grond van artikel 6.33, eerste lid, onder e en f en artikel 6.33, tweede en derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.In afwijking van het derde en vierde lid kan het ruimtelijk plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling of een andere nieuwe ruimtelijke ontwikkeling die de kernkwaliteiten aantast mogelijk maken, indien: er sprake is van groot openbaar belang; er geen reële alternatieven zijn; en de aantasting zoveel mogelijk wordt beperkt en de aantasting wordt gecompenseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.In afwijking van het derde en vierde lid kan het ruimtelijk plan voorzien in woningbouw overeenkomstig de afspraken tussen Rijk, provincie en betrokken gemeenten met betrekking tot de Pilot Waterland.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen over de motivering als bedoeld in het vijfde lid en over de wijze van compensatie als bedoeld in het achtste lid, aanhef en onderdeel c.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.Gedeputeerde Staten kunnen de kernkwaliteiten zoals opgenomen in Bijlage 6 wijzigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf6.4.3Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-647\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.47</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Deze paragraaf gaat over de erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde die op grond van artikel 2.13.2, eerste lid, van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening voor de provincie Noord-Holland zijn aangewezen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwe Hollandse Waterlinie;</p>\n<p class=\"lf-p\">Werelderfgoed De Beemster; en Werelderfgoed De Stelling van Amsterdam.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De begrenzing van de erfgoederen is nader uitgewerkt in het werkingsgebied Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-648\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.48</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf bevat regels met het oog op de uitwerking en bescherming van de essentiële landschappelijke en cultuurhistorische kenmerken van de erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-649\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.49</span><span class=\"lf-art-t\">Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De kernkwaliteiten van de erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde zijn uitgewerkt en geobjectiveerd in bijlage 7 bij de verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een ruimtelijk plan ter plaatse van het werkingsgebied Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde bevat regels gericht op de instandhouding of versterking van de kernkwaliteiten van de erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Een ruimtelijke plan ter plaatse van het werkingsgebied Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde voorziet uitsluitend in nieuwe activiteiten die de kernkwaliteiten als bedoeld in het eerste lid niet aantasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.In afwijking van het derde lid kan het ruimtelijk plan voorzien in een grootschalige stads- of dorpsontwikkelingslocatie of glastuinbouwlocatie dan wel een grootschalig bedrijventerrein of infrastructuurproject, voor zover: er sprake is van een groot openbaar belang; er geen reële alternatieven zijn; en er voldoende maatregelen worden getroffen om de nadelige effecten van de ontwikkeling op de instandhouding of versterking van de kernkwaliteiten als bedoeld in het eerste lid te mitigeren of te compenseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Ter plaatse van het werkingsgebied Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde voorziet een ruimtelijk plan niet in een windturbine.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Ter plaatse van Werelderfgoed De Stelling van Amsterdam voorziet een ruimtelijk plan niet in een opstelling voor zonne-energie, tenzij de gronden zijn bestemd voor of feitelijk in gebruik zijn als nutsvoorzieningen, weg-, spoor-, water- of luchtverkeer, niet zijnde leidingtracés voor gas, water of elektriciteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen ten aanzien van de wijze waarop compensatie als bedoeld in het vierde lid, onder c, plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf6.4.4Strandzonering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-650\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.50</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling gaat over de zonering van de Noord-Hollandse stranden zoals vastgelegd in Strandzonering NH2025 als onderdeel van het Toekomstperspectief Kust 2040.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-651\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.51</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling bevat regels met het oog op de borging van een goede balans tussen natuur en recreatieve bebouwing op de Noord-Hollandse stranden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-652\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.52</span><span class=\"lf-art-t\">Seizoensstrand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een ruimtelijk plan voorziet ter plaatse van het werkingsgebied seizoenstrand alleen in seizoensgebonden bouwwerken in de periode van 1 februari tot 1 november.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken als bedoeld in artikel 2.3.5, tweede lid onder c, van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-653\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.53</span><span class=\"lf-art-t\">Natuurstrand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een ruimtelijk plan voorziet ter plaatse van het werkingsgebied natuurstrand niet in bebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken als bedoeld in artikel 2.3.5, tweede lid onder c, van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf6.4.5Stiltegebieden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-654\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.54</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf gaat over activiteiten in milieubeschermingsgebieden zijnde de stiltegebieden zoals vastgesteld in artikel 4.19.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-655\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.55</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf bevat regels met het oog op de in artikel 1.2 , tweede lid, van de Wet milieubeheer bedoelde voorkoming of beperking van geluidhinder in de gebieden die zijn vastgesteld in artikel 4.19.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-656\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.56</span><span class=\"lf-art-t\">Richtwaarden geluidsniveau geluidsbronnen en inrichting stiltegebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Als richtwaarde voor het maximaal toelaatbare geluidsniveau vanwege een geluidsbron die binnen het werkingsgebied stiltegebieden is gesitueerd en geen onderdeel uitmaakt van een inrichting, geldt een geluidsniveau van 35 dB(A) LAeq,24h op 50 meter van de geluidsbron.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Als richtwaarde voor het maximaal toelaatbare geluidsniveau vanwege een inrichting binnen het werkingsgebieden stiltegebied geldt een geluidsniveau van 35 dB(A) LAeq,24h op een afstand van 50 meter vanaf de grens van de inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Met de richtwaarden, genoemd in het eerste en tweede lid, houdt het bevoegd gezag ten aanzien van de in het werkingsgebied stiltegebieden rekening: bij gebruik van de bevoegdheden in het kader van de Wet ruimtelijke ordening; bij gebruik van de bevoegdheden in een gemeentelijke verordening als bedoeld in artikel 108, eerste lid, van de Gemeentewet; bij gebruik van de bevoegdheden tot het treffen van verkeersmaatregelen op basis van de Wegenverkeerswet 1994; bij gebruik van de bevoegdheden, krachtens artikel 2.4 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht met betrekking tot de activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e, en 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; bij het gebruik van de bevoegdheden tot het opleggen van maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 8.42 van de Wet milieubeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De richtwaarden als bedoeld in het eerste en tweede lid gelden niet voor activiteiten waarvoor: een vrijstelling geldt als bedoeld in artikel 4.26; of een ontheffing als bedoeld in artikel 4.27 is verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het bevoegd gezag kan bij het gebruik van een bevoegdheid als bedoeld in het derde lid afwijken van de richtwaarden zoals genoemd in het eerste en tweede lid indien: sprake is van een groot openbaar belang; er geen reële alternatieven zijn; en is aangetoond dat de afwijking van de richtwaarde zo minimaal mogelijk is.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6.5 Ruimtelijke inpassing in landelijk gebied</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-657\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.57</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling gaat over de ruimtelijke kwaliteit van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het werkingsgebied landelijk gebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-658\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.58</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling bevat regels met het oog op het betrekken van het belang van de ruimtelijke kwaliteit bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in landelijk gebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-659\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.59</span><span class=\"lf-art-t\">Ruimtelijke kwaliteitseis ingeval van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gedeputeerde Staten stellen de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie vast, die de provinciale belangen beschrijft ten aanzien van landschappelijke en cultuurhistorische waarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij de inpassing van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling ter plaatse van het werkingsgebied landelijk gebied, wordt in het ruimtelijk plan, gelet op de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie: rekening gehouden met: de ambities en ontwikkelprincipes van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren; bij de inpassing betrokken: de kansen zoals beschreven bij de ambities en ontwikkelprincipes; en bij de inpassing betrokken: de ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In aanvulling op het tweede lid, wordt bij de inpassing van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in de Amstelscheg rekening gehouden met de karakteristieken en de ontwerpprincipes inzake de samenhang, de ruimtelijke kwaliteit en de identiteit van het landschap, zoals beschreven in het door Gedeputeerde Staten vastgestelde rapport ‘Gebiedsperspectief en Beeldkwaliteit Amstelscheg’ (nr. 2011-66880).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De toelichting van een ruimtelijk plan bevat een motivering waaruit moet blijken dat voldaan is aan het bepaalde in het tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Gedeputeerde Staten, het dagelijks bestuur van het betrokken waterschap of het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente kunnen de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling om advies vragen, ook in een vroeg stadium, inzake de locatieafweging of de ruimtelijke inpassing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6.6 Klimaatadaptatie</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-660\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.60</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling gaat over het rekening houden met risico’s ten aanzien van klimaatverandering bij nieuwe ontwikkelingen en het inventariseren van mogelijke adaptatiemaatregelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-661\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.61</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling bevat regels met het oog op het bevorderen van klimaatadaptatie bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-662\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.62</span><span class=\"lf-art-t\">Klimaatadaptatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De toelichting van een ruimtelijk plan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt bevat een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico’s van klimaatverandering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In de beschrijving wordt in ieder geval betrokken het risico op: wateroverlast; overstroming; hitte; en droogte.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De beschrijving omschrijft tevens de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de in het tweede lid omschreven risico’s te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het waterschap in wiens beheergebied de ontwikkeling plaatsvindt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6.7 Provinciale wegen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-663\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.63</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling gaat over: de inrichting, het onderhoud en het gebruik van provinciale wegen, anders dan door of namens Gedeputeerde Staten ter uitvoering van de beheertaak op grond van artikel 15 van de Wegenwet; en de beperkingengebieden langs de provinciale wegen, voor zover daarbij de in artikel 4.79 bedoelde belangen in het geding kunnen zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-664\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.64</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling bevat regels met het oog op het belang van de provincie ten aanzien van het beheer van de provinciale wegen. Dit belang ziet op: het veilig en doelmatig gebruik van de provinciale infrastructuur overeenkomstig de functie daarvan voor het openbaar verkeer; en het beschermen van de provinciale infrastructuur, met inbegrip van het belang van het beheer, onderhoud of de wijziging daarvan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-665\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.65</span><span class=\"lf-art-t\">Weigering omgevingsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het werkingsgebied provinciale wegen wordt een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.81 geweigerd indien: verlening van de omgevingsvergunning in strijd is met de belangen zoals genoemd in artikel 4.79; of de aanvraag omgevingsvergunning betrekking heeft op een nieuwe uitweg op een provinciale wegen - stroomwegen of op provinciale wegen- gebiedsontsluitingswegen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-666\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.66</span><span class=\"lf-art-t\">Verlening omgevingsvergunning in afwijking van het bepaalde in 6.65</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in artikel 6.65, tweede lid, kan een omgevingsvergunning voor een uitweg in het werkingsgebied provinciale wegen worden verleend, indien: deze ontsluit op een gebiedsontsluitingsweg; er geen andere uitwegmogelijkheid beschikbaar is dan wel er sprake is van een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven beschikbaar zijn en de uitweg aantoonbaar zo verkeersveilig mogelijk is; verlening van de omgevingsvergunning niet in strijd is met de belangen zoals genoemd in artikel 4.79; en de aanvraag betrekking heeft op de eerste uitweg van het perceel of een tweede uitweg, indien deze bijdraagt aan een verbetering van de verkeersveiligheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-667\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.67</span><span class=\"lf-art-t\">Advies Gedeputeerde Staten verlening omgevingsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gedeputeerde Staten kunnen in het advies als bedoeld in artikel 2.26, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bepalen dat voorschriften dienen te worden verbonden aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.81.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien het advies als bedoeld in het eerste lid niet of niet geheel wordt overgenomen wordt dit aan Gedeputeerde Staten medegedeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien Burgemeester en Wethouders afwijken van het advies van Gedeputeerde Staten als bedoeld in het eerste lid, dient deze afwijking schriftelijk te worden onderbouwd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-668\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.68</span><span class=\"lf-art-t\">Weigering vergunning Gedeputeerde Staten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een vergunning als bedoeld in artikel 4.82 wordt geweigerd indien verlening van de vergunning in strijd is in met de belangen zoals genoemd in artikel 4.79.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-669\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.69</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften aan omgevingsvergunning en vergunning Gedeputeerde Staten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan een vergunning als bedoeld in artikel 4.81 en 4.82, wordt in elk geval het voorschrift verbonden dat vergunninghouder: verplicht is de vergunde activiteiten te onderhouden; en bij het onderhoud als bedoeld onder punt a van dit artikel de aanwijzingen van Gedeputeerde Staten als wegbeheerder dient op te volgen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6.8 Regionale luchthavens</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-670\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.70</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling gaat over de milieugebruiksruimte en de ruimtelijke indeling van het gebied van en rond de luchthavens van regionale betekenis met luchthavenbesluit, als bedoeld in afdeling 8.3.2 van de Wet luchtvaart.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-671\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.71</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling bevat regels met het oog op het bevorderen van een goede bereikbaarheid in de provincie voor klein zakelijk luchtverkeer en helikopters en het bieden van voldoende faciliteiten aan de recreatieve functie van luchtvaart en in samenhang hiermee het in stand houden van een duurzame, gezonde en veilige leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-672\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.72</span><span class=\"lf-art-t\">Luchthaven Hilversum</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteraad van de gemeente Hilversum en de gemeenteraad van Wijdemeren nemen overeenkomstig artikel 8.47, tweede lid, en artikel 8.8 van de Wet Luchtvaart, bij de vaststelling van een ruimtelijk plan de in artikel 4.88 en artikel 4.89 opgenomen gebieden in acht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-673\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.73</span><span class=\"lf-art-t\">Luchthaven Texel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteraad van de gemeente Texel neemt overeenkomstig artikel 8.47, tweede lid, en artikel 8.8 van de Wet Luchtvaart, bij de vaststelling van een ruimtelijk plan de in artikel 4.92 en artikel 4.93 opgenomen gebieden in acht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-674\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.74</span><span class=\"lf-art-t\">Luchthaven Loodswezen IJmuiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteraad van de gemeente Velsen neemt overeenkomstig artikel 8.47, tweede lid, en artikel 8.8 van de Wet Luchtvaart, bij de vaststelling van een ruimtelijk plan de in artikel 4.96 en artikel 4.97 opgenomen gebieden in acht. De termijn als bedoeld in artikel 8.8, derde lid, van de Wet luchtvaart loopt tot 1 januari 2029.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6.9 Regionale waterkeringen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-675\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.75</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling gaat over regionale waterkeringen en beschermingszones.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-676\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.76</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling bevat regels met het oog op het vastleggen van de regionale waterkeringen en de beschermingszones in ruimtelijke plannen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-677\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.77</span><span class=\"lf-art-t\">Regionale waterkeringen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Ter plaatse van het werkingsgebied Regionale waterkering voorziet het ruimtelijk plan in bescherming van de waterkerende functie door op deze functie toegesneden bestemmingen en regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Ter plaatse van het werkingsgebied beschermingszone regionale waterkering voorziet een ruimtelijk plan in een beschermingszone aan weerszijden van de waterkering waar geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen toegestaan zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In afwijking van het tweede lid zijn nieuwe ontwikkelingen mogelijk indien hierover blijkens de toelichting bij het ruimtelijk plan overeenstemming is bereikt tussen betrokken gemeenten, waterbeheerder en provincie.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6.10 Water</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-678\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.78</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling is gericht op: regels stellen omtrent het beheerplan van een waterschap betreffende regionale wateren; nadere voorschriften geven ten aanzien van de legger van een waterschap; aanwijzen van oppervlaktewaterlichamen waarvoor een waterschap verplicht is één of meer peilbesluiten vast te stellen; en een verdeling van het beschikbare water in het geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-679\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.79</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling bevat regels met het oog op: het bewerkstelligen van doelmatig waterbeheer; vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen; en bepalen van een prioriteitsrangorde van de waterbehoeften in situaties van waterschaarste of watertekort.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-680\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.80</span><span class=\"lf-art-t\">Beheerplan van een waterschap</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het beheerplan bevat, naast het bepaalde in artikel 4.6 van de Waterwet, ten minste: de beschrijving van de bestaande toestand van de watersystemen waarover het beheer zich uitstrekt; een raming van de kosten van de gedurende de planperiode te nemen maatregelen, inzicht in de dekking van de kosten en een indicatie van het verloop van de op te leggen heffingen in de planperiode.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het beheerplan is voorzien van een toelichting, waarin ten minste is opgenomen: de aan het plan ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de eventueel uitgevoerde onderzoeken; een overzicht van de strategische doelstellingen in het regionale waterplan, die worden gerealiseerd door het uitvoeren van de in artikel 4.6 lid 2 sub a van de Waterwet genoemde maatregelen en voorzieningen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-681\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.81</span><span class=\"lf-art-t\">Legger waterstaatswerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voor oppervlaktewateren, die niet overwegend van belang zijn voor aan- en afvoer van water en waterberging, geldt een vrijstelling van de verplichting tot vaststelling van een legger uit artikel 5.1, eerste lid, van de Waterwet, met betrekking tot vorm, afmeting en constructie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Op de voorbereiding van de legger, voor zover daarbij de ligging van een bergingsgebied of de ligging van een beschermingszone wordt vastgesteld of gewijzigd, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-682\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.82</span><span class=\"lf-art-t\">Peilbesluit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het waterschapsbestuur stelt een of meer peilbesluiten vast voor de oppervlaktewaterlichamen in de gebieden binnen het werkingsgebied peilbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Peilbesluiten moeten actueel zijn en in ieder geval rekening houden met veranderingen in de omstandigheden ter plaatse en met de aanwezige functies en belangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-683\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.83</span><span class=\"lf-art-t\">Regionale verdringingsreeks Amstel, Gooi en Vecht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In het geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het beschikbare water vanuit het Amsterdam-Rijnkanaal en de Lek bij het beheer van de regionale wateren door waterschappen wat betreft de in artikel 2.1, eerste lid, onder 3, van het Waterbesluit bedoelde behoeften, achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: het verwerken van industrieel proceswater; de tijdelijke beregening van kapitaalintensieve gewassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In het geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het beschikbare water vanuit het Amsterdam-Rijnkanaal en de Lek bij het beheer van de regionale wateren wat betreft de in artikel 2.1, eerste lid, onder 4, van het Waterbesluit bedoelde behoeften, achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: de waterkwaliteit in stedelijk gebied; beroepsvaart; akkerbouw; beregening sportvelden; grasland; recreatievaart; natuur, voor zover het niet gaat om het voorkomen van onomkeerbare schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In geval van waterbehoeften van buiten het gebied van het waterschap, zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6.11 Faunabeheer</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-684\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.84</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf gaat over een faunabeheerplan van een Faunabeheereenheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-685\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.85</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoud, reikwijdte en geldigheidsduur faunabeheerplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een faunabeheerplan bevat: een beschrijving van het planmatig, doelmatig, gecoördineerd en duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren; een beschrijving van de planmatige, doelmatige, gecoördineerde en duurzame bestrijding van schade veroorzaakt door in het wild levende dieren, en; een rapportage van de uitoefening van de jacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een faunabeheerplan geldt voor ten minste 5.000 hectare van het gehele werkgebied van de faunabeheereenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Een faunabeheerplan heeft een geldigheidsduur van ten hoogste 6 jaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Gedeputeerde Staten kunnen de geldigheidsduur van een faunabeheerplan verlengen voor de duur van maximaal een jaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-686\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.86</span><span class=\"lf-art-t\">Eisen aan een faunabeheerplan - algemeen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een faunabeheerplan bevat ten minste de volgende gegevens: de omvang van het werkingsgebied van het faunabeheerplan; een kaart waarop de begrenzing van het werkingsgebied van het faunabeheerplan is aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een faunabeheerplan voldoet aan de volgende eisen: in het plan gebruikte gegevens zijn gevalideerd en op kloppende en congruente wijze overgenomen uit de gebruikte bronnen; gebruikte telgegevens van voorgaande jaren welke zijn gebaseerd op een gevalideerde telmethode en zijn gecontroleerd door de verschillende partijen in het bestuur van een faunabeheereenheid, in samenspraak met de rechtstreeks aan het bestuur adviserende partijen als bedoeld in artikel 2.12; relevante wetenschappelijke literatuur is gebruikt om conclusies te ondersteunen; en bronvermeldingen en referenties zijn conform wetenschappelijke richtlijnen op heldere en gestructureerde wijze vermeld en een literatuurlijst is aanwezig.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-687\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.87</span><span class=\"lf-art-t\">Eisen aan een faunabeheerplan – duurzaam beheer van populaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien sprake is van duurzaam beheer van populaties, bevat een faunabeheerplan tevens: een beschrijving van de planmatige en gecoördineerde uitvoering van het duurzaam beheer van populaties; kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten ten aanzien waarvan een duurzaam beheer noodzakelijk wordt geacht, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied; een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer van populaties van de in onderdeel b bedoelde diersoorten, waaronder een onderbouwing van de schade aan de doelstellingen als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Wet natuurbescherming; een beschrijving van de mate waarin de in artikel 3.17, eerste lid, van de Wet natuurbescherming bedoelde belangen in de zes jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad; de streefstand van de in onderdeel b bedoelde diersoorten; per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de zes jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn verricht ter voorkoming van schade aan de belangen ten behoeve waarvan die handelingen zijn verricht. Deze beschrijving bevat tenminste de volgende gegevens: een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer of bestrijding van de in het faunabeheerplan beschreven diersoorten, waaronder een onderbouwde verwachting van de belangen die zouden worden geschaad, indien niet tot beheer of bestrijding zou worden overgegaan. een beschrijving van de mate waarin de belangen ten behoeve waarvan de handelingen worden verricht zijn geschaad in de zes jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan. per diersoort en gewas een beschrijving van de effectiviteit van de handelingen, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn. voor zover het faunabeheerplan betrekking heeft op het beheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie van de betrokken dierensoorten alsmede de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen; een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel g bedoelde handelingen zullen plaatsvinden; bepalingen over de voorwaarden waaronder het mogelijk is om gebruik te maken van een aan de faunabeheereenheid verleende ontheffing op gronden van jachthouders die niet bij de faunabeheereenheid zijn aangesloten, mits die gronden binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid vallen en voor zover die gronden plaatsen als bedoeld in onderdeel k omvatten waar planmatig beheer noodzakelijk is; en</p>\n<p class=\"lf-p\">per beheermaatregel een aanduiding welk wettelijk belang, als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, deze activiteit dient.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-688\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.88</span><span class=\"lf-art-t\">Eisen aan een faunabeheerplan - bestrijding van schade</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien sprake is van schadebestrijding, bevat een faunabeheerplan tevens: een beschrijving van de planmatige en gecoördineerde uitvoering van het duurzaam beheer van populaties; kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten ten aanzien waarvan sprake is van schadebestrijding door grondgebruikers met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied; een onderbouwing van de noodzaak van schadebestrijding van de in onderdeel b bedoelde diersoorten, waaronder een onderbouwing van de schade aan de doelstellingen als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Wet natuurbescherming; een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel c bedoelde belangen in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad; per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan, zijn verricht om het schaden van de in artikel 3.17, eerste lid, van de Wet natuurbescherming bedoelde belangen te voorkomen, alsmede, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen; een beschrijving van de staat van instandhouding en hoe de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd wordt; per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de schade zoals bedoeld in onderdeel c te voorkomen dan wel te beperken; voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de in onderdeel g bedoelde handelingen; een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen handelingen zal worden bepaald; een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel g bedoelde handelingen zullen plaatsvinden; bepalingen over de voorwaarden waaronder het mogelijk is om gebruik te maken van een aan de faunabeheereenheid verleende ontheffing op gronden van jachthouders die niet bij de faunabeheereenheid zijn aangesloten, mits die gronden binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid vallen en voor zover die gronden plaatsen als bedoeld in onderdeel j omvatten waar planmatig beheer noodzakelijk is; per beheermaatregel een aanduiding welk wettelijk belang, zoals uiteengezet in artikel 3.17, eerste lid, van de Wet natuurbescherming deze activiteit dient;</p>\n<p class=\"lf-p\">een gestructureerd plan waarin de inzet van passende en doeltreffende preventieve maatregelen wordt beschreven waarmee schade wordt voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-689\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.89</span><span class=\"lf-art-t\">Eisen aan een faunabeheerplan – uitoefening jacht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een faunabeheerplan bevat met betrekking tot de uitoefening van de jacht tevens: kwantitatieve gegevens over de populatieontwikkeling van de diersoorten ten aanzien waarvan de uitoefening van de jacht plaatsvindt; en een overzicht van de gerealiseerde afschotgegevens per diersoort in de looptijd van het voorgaande faunabeheerplan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6.12 Kwaliteit uitvoering en handhaving</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-690\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.90</span><span class=\"lf-art-t\">Reikwijdte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling is van toepassing op is van toepassing op de uitvoering en handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en van de wetten, bedoeld in artikel 5.1 van deze wet, voor zover bij of krachtens de genoemde wetten is bepaald dat hoofdstuk 5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-691\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.91</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling bevat regels voor de beoordeling en borging van de kwaliteit van de door en in opdracht van Gedeputeerde Staten uitgevoerde vergunningverlening, toezicht en handhaving van de in artikel 6.90 bedoelde wetten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-692\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.92</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordeling kwaliteit door Gedeputeerde Staten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gedeputeerde Staten beoordelen de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het licht van daarvoor door hen krachtens artikel 7.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht, gestelde doelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De doelen, waar deze gestalte krijgen in de uitvoering en handhaving van de in artikel 6.90 bedoelde wetten, hebben in ieder geval betrekking op: de dienstverlening; de uitvoeringskwaliteit van diensten en producten; de financiën.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-693\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.93</span><span class=\"lf-art-t\">Kwaliteitsborging door Gedeputeerde Staten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Op de uitvoering en handhaving van de in artikel 6.90 bedoelde wetten door of in opdracht van Gedeputeerde Staten zijn de Kwaliteitscriteria vergunningverlening, toezicht en handhaving van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Over de naleving van de Kwaliteitscriteria vergunningverlening, toezicht en handhaving doen Gedeputeerde Staten jaarlijks mededeling aan Provinciale Staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Voor zover de Kwaliteitscriteria vergunningverlening, toezicht en handhaving niet zijn of niet konden worden nageleefd, doen Gedeputeerde Staten daarvan gemotiveerd opgave.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk7Procedures</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 7.1 Regionale luchthavens</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.1</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvragen luchthavenbesluit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Aanvragen tot wijziging ten behoeve van een luchthavenbesluit als bedoeld in artikel 8.43 van de Wet Luchtvaart worden ingediend bij Gedeputeerde Staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedeputeerde Staten kunnen regels stellen over de wijze van indiening van het in het eerste lid bedoelde verzoek en de daarbij aan te leveren gegevens. Het verzoek wordt digitaal via een webformulier ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Gedeputeerde Staten zijn belast met de voorbereiding van een voorstel aan Provinciale Staten tot wijziging van deze verordening als bedoeld in het eerste lid, met inbegrip van het opstellen van een ontwerpvoorstel en het toepassing geven aan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Gedeputeerde Staten kunnen bij de voorbereiding van een voorstel toepassing geven aan artikel 3:18, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-72\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.2</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvragen luchthavenregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Aanvragen tot vaststelling van een luchthavenregeling als bedoeld in artikel 8.64 van de Wet luchtvaart worden ingediend bij Gedeputeerde Staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedeputeerde Staten kunnen regels stellen over de wijze van indiening van het in het eerste lid bedoelde verzoek en de daarbij aan te leveren gegevens. Het verzoek wordt digitaal via een webformulier ingediend.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 7.2 Water</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-73\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.3</span><span class=\"lf-art-t\">Voorbereiding regionaal waterplan door Gedeputeerde Staten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gedeputeerde Staten voeren, ter voorbereiding van het regionaal waterplan zoals bedoeld in artikel 4.4 van de Waterwet, ten minste overleg met de dagelijkse besturen van de beheerders van de regionale watersystemen in de provincie, de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat en de colleges van burgemeester en wethouders van de binnen het plangebied liggende gemeenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedeputeerde Staten raadplegen ter voorbereiding van het regionaal waterplan de minister van Infrastructuur en Waterstaat en Gedeputeerde Staten van de aangrenzende provincies.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Op de voorbereiding van het regionaal waterplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Iedere belanghebbende en ingezetene van de provincie heeft de gelegenheid zijn zienswijze over het regionaal waterplan naar voren te brengen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-74\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.4</span><span class=\"lf-art-t\">Beheerplan van waterschap</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het dagelijks bestuur van het waterschap raadpleegt, bij het opstellen van het beheerplan, ten minste de dagelijks besturen van de aangrenzende waterbeheerders, Gedeputeerde Staten, de besturen van de binnen het plangebied gelegen veiligheidsregio’s en de colleges van burgemeester en wethouders van de binnen het plangebied liggende gemeenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Op de voorbereiding van het beheerplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Iedere belanghebbende en ingezetene van het beheergebied heeft de gelegenheid zijn zienswijze over het beheerplan naar voren te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het dagelijks bestuur van het waterschap stuurt het beheerplan binnen vier weken na vaststelling naar Gedeputeerde Staten. Als bijlagen worden toegevoegd een verslag van het bij de voorbereiding gevoerde overleg, een overzicht van de ingediende zienswijzen en de beschouwingen van het bestuur daarover.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het dagelijks bestuur van het waterschap stuurt het beheerplan binnen vier weken na de vaststelling aan de ingevolge het eerste lid geraadpleegde bestuursorganen en aan de minister die het aangaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-75\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.5</span><span class=\"lf-art-t\">Instructie Projectprocedure Waterwet</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen paragraaf 2 van hoofdstuk 5 van de Waterwet van toepassing verklaren op projectplannen: tot aanleg of wijziging van regionale waterkeringen; tot aanleg of wijziging van bergingsgebieden; tot aanleg of wijziging van oppervlaktewaterlichamen met een oppervlakte van ten minste een hectare of met een lengte van ten minste vijfhonderd meter.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-76\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.6</span><span class=\"lf-art-t\">Toezenden projectbesluit van waterschappen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aan Gedeputeerde Staten ter goedkeuring toegezonden projectplan als bedoeld in artikel 5.5 van de Waterwet, dat betrekking heeft op een primaire waterkering die onderdeel uitmaakt van een dijktraject welke ook is gelegen op het grondgebied van een andere provincie, wordt door het waterschapsbestuur ook ter kennisneming toegezonden aan Gedeputeerde Staten van die andere provincie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-77\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.7</span><span class=\"lf-art-t\">Uitwerking regionale waterplan door Gedeputeerde Staten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In het regionale waterplan zoals bedoeld in artikel 4.4 van de Waterwet kan worden bepaald dat Gedeputeerde Staten het regionale waterplan of onderdelen daarvan moeten of kunnen uitwerken volgens de in het regionale waterplan gegeven regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het besluit van Gedeputeerde Staten tot uitwerking van het regionale waterplan maakt deel uit van het regionale waterplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Artikel 7.3 is van overeenkomstige toepassing op het in het tweede lid genoemde besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Binnen vier weken na vaststelling van het besluit tot uitwerking informeren Gedeputeerde Staten de volgende bestuursorganen: de minister van Infrastructuur en Waterstaat, Gedeputeerde Staten van de aangrenzende provincies, de dagelijkse besturen van de beheerders van de regionale watersystemen in de provincie, de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat en de colleges van burgemeester en wethouders van de binnen het plangebied liggende gemeenten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 7.3 Ontgrondingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-78\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.8</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningsvereisten ontgrondingenvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen over de wijze van indienen van een aanvraag om verlening of wijziging van een ontgrondingenvergunning en de daarbij aan te leveren gegevens. De aanvraag wordt digitaal via een webformulier ingediend.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 7.4 Bodembescherming</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-79\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.9</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van melden als bedoeld in artikelen 28, 29 en 39 Wet bodembescherming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het rapport van het nader onderzoek als bedoeld in artikel 29 Wet bodembescherming, het saneringsplan, het evaluatieverslag, het nazorgplan en de melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, Wet bodembescherming worden met de daarbij behorende stukken bij Gedeputeerde Staten ingediend, waarbij gebruik wordt gemaakt van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor de melding, bedoeld in artikel 28, eerste lid, Wet bodembescherming wordt op het formulier als bedoeld in het eerste lid in aanvulling op de gegevens bedoeld in artikel 28, tweede lid, Wet bodembescherming in ieder geval vermeld: het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt; de naam en het adres van degene die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied, bedoeld onder a, alsmede van de gebruiker daarvan; en de naam en het adres van degene in wiens opdracht de sanering zal plaatsvinden dan wel handelingen zullen worden verricht ten gevolge waarvan de verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-710\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.10</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoud saneringsplan als bedoeld in artikel 39 Wet bodembescherming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Onverminderd het bepaalde in artikel 39, eerste lid, Wet bodembescherming worden in het saneringsplan de volgende gegevens vermeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene gegevens: het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt; een kadastrale kaart, welke ten hoogste dertien weken voor de indiening van het saneringsplan door het kadaster is afgegeven, waarop het geval van verontreiniging is aangegeven; een uittreksel van het kadaster waaruit de huidige eigendomssituatie blijkt, welke ten hoogste dertien weken voor de indiening van het saneringsplan door het kadaster is afgegeven; het huidige en voorgenomen gebruik van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt, alsmede de bestemming die op dit grondgebied rust volgens het vigerende ruimtelijk plan; de naam en het adres van degene die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied, bedoeld onder i., alsmede van de gebruiker daarvan; de naam en het adres van degene in wiens opdracht de sanering zal plaatsvinden; de naam en het adres van degene die de sanering feitelijk uitvoert; een overzicht van de bij de uitvoering van de sanering belanghebbende natuurlijke en rechtspersonen; een tijdschema met een planning van de werkzaamheden, waarbij in ieder geval de datum is aangegeven waarop met de sanering naar verwachting zal worden begonnen; een specificatie van de bij de uitvoering van de sanering betrokken bedrijven en instanties, voor zover deze ten tijde van het indienen van het saneringsplan bekend zijn; een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en toestemmingen om het werk te kunnen uitvoeren; indien de sanering in fasen wordt uitgevoerd, als bedoeld in artikel 38, derde lid, Wet bodembescherming: de voorgenomen fasering, alsmede de argumentatie om de sanering gefaseerd uit te voeren; indien een deelsanering wordt uitgevoerd, als bedoeld in artikel 40, eerste lid, Wet bodembescherming: de redenen daarvoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Keuze saneringsvariant: de argumentatie voor de gekozen saneringsvariant met het saneringsdoel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De te nemen maatregelen: een beschrijving van de maatregelen die de sanering mogelijk moeten maken; een beschrijving van de te treffen (geo)hydrologische en andere technische voorzieningen met de gekozen dimensionering en de invloed hiervan op de omgeving; een beschrijving van maatregelen die milieuhygienisch ongewenste effecten als gevolg van de sanering voorkomen of zoveel mogelijk beperken; ndien verontreinigde grond zal worden afgegraven of verontreinigd grondwater zal worden onttrokken: de te verwachten hoeveelheid af te graven grond dan wel te onttrekken hoeveelheid grondwater; indien de grond of het grondwater geheel of gedeeltelijk niet zal worden gereinigd: de redenen daarvoor; een weergave van de ontgravingscontour en het grondwater-onttrekkingssysteem: vanuit bovenaanzicht bezien, aangegeven op een kadastrale kaart, welke ten hoogste dertien weken voor de indiening van het saneringsplan door het kadaster is afgegeven; vanuit zijaanzicht bezien; gegevens over de kwaliteit en kwantiteit van de eventueel te gebruiken aanvulgrond; gegevens over de bestemming van overige verontreinigde stoffen die, naast de verontreinigde grond, vrijkomen bij de sanering; een beschrijving van de wijze waarop de voortgang van de grondwatersanering wordt gecontroleerd en hoe over de voortgang wordt gerapporteerd; een beschrijving van de wijze waarop de milieukundige begeleiding van de sanering plaatsvindt, waartoe in elk geval behoort: het bijhouden van een logboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onverminderd het bepaalde in artikel 39, eerste lid, Wet bodembescherming kan het vermelden in het saneringsplan van gegevens als bedoeld in het eerste lid achterwege blijven indien: bij de indiening van het plan wordt aangegeven welke gegevens ontbreken, daarbij de reden wordt aangegeven waarom die gegevens ontbreken; en die gegevens niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het saneringsplan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-711\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.11</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoud saneringsplan waterbodem als bedoeld in artikel 63c Wet bodembescherming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In een geval als bedoeld in artikel 63c, eerste lid, wet bodembescherming bevat het saneringsplan de gegevens als bedoeld in artikel 7.10, alsmede de volgende gegevens:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij algemene gegevens: de naam en de functie van het oppervlaktewaterlichaam; de wijze waarop de beheerder van het watersysteem waarin zich de verontreiniging bevindt – voor zover deze niet zelf met de sanering is belast - bij de uitvoering van de sanering wordt betrokken;</p>\n<p class=\"lf-p\">De te nemen maatregelen de hoeveelheid te verwijderen baggerspecie, onderverdeeld in de hoeveelheid onderhoudsbaggerspecie en de hoeveelheid saneringsbaggerspecie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In een geval als bedoeld in artikel 63c, eerste lid, Wet bodembescherming is artikel 7.11 tweede lid, van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-712\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.12</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging saneringsplan als bedoeld in artikel 39 Wet bodembescherming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een melding inzake wijziging van het saneringsplan als bedoeld in artikel 39, vierde lid, Wet bodembescherming dienen de volgende gegevens te worden verstrekt: alle gegevens die afwijken van het saneringsplan, waarmee Gedeputeerde Staten op grond van artikel 39, tweede lid, Wet bodembescherming hebben ingestemd; de inhoud van de wijziging; de reden van de wijziging; en de gevolgen van de wijziging voor de oorspronkelijk beoogde sanerings-doelstelling en de ter uitvoering daarvan te treffen saneringsmaatregelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-713\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.13</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoud evaluatieverslag als bedoeld in artikel 39 Wet bodembescherming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Onverminderd het bepaalde in artikel 39c, eerste lid, Wet bodembescherming worden in het evaluatieverslag de volgende gegevens vermeld: het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt; een kadastrale kaart, die de actuele situatie weergeeft, met daarop ingetekend de contour van de bodemverontreiniging en de contour van de uitgevoerde grondsanering, respectievelijk grondwatersanering; een korte omschrijving van de kwaliteit van de bodem voor het uitvoeren van de sanering, waaronder mede begrepen een beschrijving van de aard en omvang van de verontreiniging; gegevens over het verloop van de sanering, waaronder in elk geval: de relevante data van de uitvoering; een beschrijving van de uitvoering van de sanering, voor zover deze wijzigingen betreft van onderdelen van het saneringsplan waarmee is ingestemd, alsmede de reden voor deze wijzigingen, die zijn gemeld ingevolge artikel 39, vierde lid, van de Wet bodembescherming; een beschrijving van de uitvoering van de sanering naar aanleiding van aanwijzingen ingevolge artikel 38, vierde lid, en 39, vijfde lid, Wet bodembescherming die een wijziging inhouden van onderdelen van het saneringsplan waarmee is ingestemd; een beschrijving van de getroffen saneringsmaatregelen, waaronder afmetingen van ontgravingen, de analyseresultaten van de controlegrondmonsters, depotmonsters, in- en effluentmonsters en monsters uit waarnemingsfilters; en de daadwerkelijk gemaakte saneringskosten, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de kosten van onderzoek en de kosten van sanering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien na de sanering nog verontreiniging in de bodem aanwezig is gebleven: een beschrijving van deze verontreiniging, als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, onder b, van de Wet bodembescherming met hierbij een verwijzing naar het nazorgplan, bedoeld in artikel 39d, eerste lid, van de Wet bodembescherming dat op deze verontreiniging ziet en dat tegelijkertijd met het evaluatieverslag wordt ingediend bij Gedeputeerde Staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Onverminderd het bepaalde in artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming kan het vermelden in het evaluatieverslag van gegevens als bedoeld in het tweede lid achterwege blijven indien: bij de indiening van het evaluatieverslag wordt aangegeven welke gegevens ontbreken, daarbij de reden wordt aangegeven waarom die gegevens ontbreken, en die gegevens niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het evaluatieverslag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-714\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.14</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoud nazorgplan als bedoeld in artikel 39 Wet bodembescherming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Onverminderd het bepaalde in artikel 39d, eerste en tweede lid, Wet bodembescherming worden in het nazorgplan de volgende gegevens vermeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene gegevens het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt; een kadastrale kaart, die de actuele situatie weergeeft, met daarop ingetekend de contour van de bodemverontreiniging en de contour van de uitgevoerde grondsanering, respectievelijk grondwatersanering; het huidige en toekomstige gebruik van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt, alsmede de bestemming die op dit grondgebied rust volgens het vigerende ruimtelijk plan; een overzicht van bij de nazorg betrokken personen en instanties, waartoe in elk geval behoren: naam- en adresgegevens, taken en verantwoordelijkheden; indien een ander dan degene die de bodem heeft gesaneerd in het nazorgplan wordt aangewezen als degene die is belast met de uitvoering van de nazorgmaatregelen: de door betrokken partijen ondertekende contractuele afspraken die gelden en waaruit blijkt dat diegene zich tot de uitvoering hiervan verbindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvangssituatie een globale beschrijving van de sanering en de reden voor de achtergebleven verontreiniging; een beschrijving van de aard, de omvang, de mate en de ligging van de achtergebleven verontreiniging van de grond en het grondwater, waartoe in elk geval behoort: een kadastrale kaart, die de actuele situatie weergeeft, met daarop de achtergebleven verontreiniging; indien isolerende voorzieningen zijn aangebracht: een beschrijving van de aard van deze voorzieningen, inclusief kaartmateriaal met daarop de ligging van deze voorzieningen (dwarsdoorsnede en bovenaanzicht); indien de restverontreiniging wordt gemonitord: een beschrijving van het monitoringssysteem, inclusief kaartmateriaal met daarop de plaats en filterstelling van de monitoringspeilbuizen (dwarsdoorsnede en bovenaanzicht); een beschrijving van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt en haar omgeving, waaronder in ieder geval: de bodemopbouw, de geohydrologie en de aanwezigheid van kwetsbare objecten en activiteiten in de omgeving; een kaart met daarop aangegeven de aanwezige kabels en leidingen in het gebied waar de achtergebleven verontreiniging zich bevindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruiksbeperkingen indien gebruiksbeperkingen noodzakelijk zijn: een beschrijving van deze beperkingen, met bijbehorend kaartmateriaal (bovenaanzicht);</p>\n<p class=\"lf-p\">Nazorgmaatregelen de doelstelling van de nazorg; een beschrijving van de nazorgmaatregelen en de nazorgvoorzieningen, alsmede de verwachte levensduur daarvan; indien isolerende voorzieningen zijn aangebracht: een beschrijving van de wijze waarop de aangebrachte isolerende voorzieningen worden beheerd en onderhouden, de wijze en frequentie van de controle op het functioneren van de voorzieningen en de criteria waarmee dit wordt beoordeeld, en de wijze waarop gehandeld wordt als de voorzieningen niet naar behoren functioneren; indien de restverontreiniging wordt gemonitord: een beschrijving van de wijze waarop en de frequentie waarmee de restverontreiniging wordt gemonitord, hoe de resultaten worden geïnterpreteerd, de wijze waarop de monitoringsinstrumenten worden beheerd en onderhouden en hoe gehandeld wordt als de verwachte resultaten niet worden bereikt; een beschrijving van hoe wordt gehandeld bij calamiteiten; een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en toestemmingen om de nazorg te kunnen uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapportage en evaluatie de tijdstippen waarop over de resultaten van de nazorg aan het bevoegd gezag verslag wordt gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Financiële aspecten een begroting van de kosten van de nazorgmaatregelen, inclusief de eventueel noodzakelijke vervangingen van de voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onverminderd het bepaalde in artikel 39d, eerste en tweede lid, van de Wet bodembescherming kan het vermelden in het nazorgplan van gegevens als bedoeld in het eerste lid achterwege blijven indien: bij de indiening van het plan wordt aangegeven welke gegevens ontbreken, daarbij de reden wordt aangegeven waarom die gegevens ontbreken; en die gegevens niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het nazorgplan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 7.5 Bescherming waterwinning</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-715\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.15</span><span class=\"lf-art-t\">Melding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gedeputeerde Staten kunnen regels stellen over de wijze van indienen van de in artikel 4.33 tot en met artikel 4.38 genoemde meldingen en de daarbij aan te leveren gegevens. Het verzoek wordt digitaal via een webformulier ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De melding wordt gedaan uiterlijk negen weken voordat tot de handeling waarop de melding betrekking heeft, wordt overgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Gedeputeerde Staten bevestigen de ontvangst van de melding en stuurt onverwijld een afschrift van de melding aan het drinkwaterbedrijf. Het geeft uiterlijk binnen zes weken na de ontvangst van de melding schriftelijk zijn oordeel of op basis van die gegevens verwacht mag worden dat wordt voldaan aan de voorschriften, waarop de melding betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien Gedeputeerde Staten niet binnen de in het derde lid bedoelde termijn aan degene die de melding heeft gedaan een bericht als daar bedoeld hebben gezonden, wordt zijn oordeel geacht instemmend te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De aanvang van de daadwerkelijke uitvoering van de werkzaamheden waarop de melding betrekking heeft, wordt minimaal twee weken voor de uitvoering van de werkzaamheden schriftelijk aan Gedeputeerde Staten gemeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.De melding vervalt indien niet binnen zes maanden na de verzending van de in het tweede lid bedoelde melding met de handeling waarop die melding betrekking had is begonnen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 7.6 Grondwateronttrekking</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-716\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.16</span><span class=\"lf-art-t\">Melding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gedeputeerde Staten kunnen regels stellen over de wijze van indienen van de melding als bedoeld in artikel 4.103 en de daarbij aan te leveren gegevens. Het verzoek wordt digitaal via een webformulier ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De melding wordt gedaan uiterlijk vier weken voordat met de boorwerkzaamheden wordt gestart.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 7.7 Ontheffingen op grond van de Wet milieubeheer</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-717\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.17</span><span class=\"lf-art-t\">Procedure ontheffingen op grond van de Wet milieubeheer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op de voorbereiding van een besluit op de aanvraag om een ontheffing als bedoeld in de artikelen 4.27, 4.53 en 4.71 dan wel de wijziging of intrekking van een dergelijke ontheffing is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij uit het oogpunt van bescherming van het milieu redelijkerwijs geen zienswijzen zijn te verwachten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 7.8 Maatwerkprocedurevoorschrift windturbines</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-718\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.18</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerkprocedurevoorschrift windturbines</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In gebieden waarin het referentieniveau van het omgevingsgeluid L95 gedurende de nachtperiode (23.00 – 07.00 uur) 40 dB(A) of lager is onderzoekt het bevoegd gezag of in verband met bijzondere lokale omstandigheden bij maatwerkvoorschrift normen met een andere waarde als bedoeld in artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer kunnen worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien uit onderzoek als bedoeld in het eerste lid blijkt dat normen met een andere waarde als bedoeld in artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer mogelijk en noodzakelijk zijn worden deze bij maatwerkvoorschrift vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk8Adviseurs en adviesorganen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-81\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.1</span><span class=\"lf-art-t\">Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Er is een Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling, gericht op advisering over nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in relatie tot ruimtelijke kwaliteit, inclusief de locatieafweging en de ruimtelijke inpassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedeputeerde Staten stellen nadere regels omtrent de taak, werkwijze en samenstelling van de adviescommissie, mede ter borging van deskundigheid en onafhankelijkheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.2</span><span class=\"lf-art-t\">Regionale adviescommissie detailhandel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een regionale adviescommissie detailhandel adviseert over aangelegenheden betreffende detailhandel in de betreffende regio.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedeputeerde Staten stelt per adviescommissie een Reglement Regionale Adviescommissie Detailhandel vast, waarin de werkwijze en samenstelling van de adviescommissie wordt vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk9Schade</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 9.1 Faunaschade</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-91\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.1</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling gaat over de tegemoetkoming in faunaschade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet natuurbescherming.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-92\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.2</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling bevat regels over de voorwaarden waaronder aanspraak kan worden gemaakt op een tegemoetkoming in schade, aangericht door in het wild levende dieren die vallen onder de bescherming van de Wet natuurbescherming.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-93\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.3</span><span class=\"lf-art-t\">De aanvraag om tegemoetkoming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een aanvraag om een tegemoetkoming in faunaschade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet natuurbescherming wordt door de aanvrager, zijnde de grondgebruiker, uitsluitend langs elektronische weg bij BIJ12 ingediend op een daartoe vastgesteld formulier met bijlagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend uiterlijk binnen zeven werkdagen nadat de aanvrager als bedoeld in het eerste lid de schade heeft geconstateerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Faunaschade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet natuurbescherming die niet binnen zeven werkdagen na constatering door de aanvrager op het in het eerste lid vermelde formulier met bijlagen bij BIJ12 is ingediend, komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-94\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.4</span><span class=\"lf-art-t\">Taxatie van de schade</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De aanvrager als bedoeld in artikel 9.3 zal het gewas, de teelt of de producten, waarop de aanvraag om tegemoetkoming als bedoeld in artikel 9.3 betrekking heeft, niet eerder oogsten of anderszins van zijn bedrijf afvoeren, dan nadat de schade definitief is getaxeerd door een taxateur die werkzaam is voor een door BIJ12 aangewezen taxatiebureau of een consulent faunazaken van BIJ12.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de aanvrager als bedoeld in artikel 9.3 opmerkingen over het formulier ‘bevestiging taxatie grondgebruiker’ kenbaar wil maken, zendt hij zijn reactie binnen acht werkdagen per e-mail of per post naar BIJ12.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 9.2 Ontgrondingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-95\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.5</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling gaat over de schadevergoeding als bedoeld in de artikelen 26 en 29a van de Ontgrondingenwet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-96\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.6</span><span class=\"lf-art-t\">Verzoek om schadevergoeding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een verzoek om schadevergoeding als bedoeld in de artikelen 26 en 29a van de Ontgrondingenwet wordt schriftelijk bij Gedeputeerde Staten ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen ten aanzien van de wijze van indiening van het in het eerste lid bedoelde verzoek en de daarbij aan te leveren gegevens.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-97\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.7</span><span class=\"lf-art-t\">Deskundigenadvisering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gedeputeerde Staten kunnen een of meer deskundigen aanwijzen die zijn belast met het adviseren over een verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 9.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, wordt de verzoeker in de gelegenheid gesteld tegenover die deskundigen zijn verzoek toe te lichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Gedeputeerde Staten kunnen advies van de deskundigen inwinnen over: de vraag of de schade een gevolg is van een besluit inzake van een ontgronding als bedoeld in artikel 8 van de Ontgrondingenwet of van een besluit inzake het opleggen van een gedoogplicht als bedoeld in artikel 21g van de Ontgrondingenwet; de omvang van de schade; de vraag of de schade redelijkerwijs geheel of gedeeltelijk ten laste van de benadeelde behoort te blijven, en zo ja, welk gedeelte; de vraag of vergoeding van de schade niet, of niet voldoende, anderszins is verzekerd; de vraag of er aanleiding is voor maatregelen of voorzieningen waardoor de schade anders dan door vergoeding in geld kan worden beperkt of ongedaan gemaakt; welk bedrag aan schadevergoeding naar haar mening aan verzoeker behoort te worden toegekend;</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De deskundigen adviseren Gedeputeerde Staten binnen twaalf weken na ontvangst van het verzoek om advies. Gedeputeerde Staten zenden een afschrift aan degene tot wie de beschikking zal zijn gericht en vermelden daarbij op welke wijze hij zijn zienswijzen omtrent het advies kenbaar kan maken.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 9.3 Planschade</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-98\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.8</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling gaat over de advisering op het gebied van planschade, als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-99\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.9</span><span class=\"lf-art-t\">Advisering door een adviseur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gedeputeerde Staten wijzen een persoon als adviseur aan die aantoonbaar beschikt over voldoende deskundigheid inzake advisering op het gebied van planschade, als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een adviseur is niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van Gedeputeerde Staten of Provinciale Staten. Ook is een adviseur op geen enkele wijze betrokken bij de planologische maatregel waarop de aanvraag is gebaseerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-910\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.10</span><span class=\"lf-art-t\">Advisering door een adviescommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien Gedeputeerde Staten van oordeel zijn dat er gezien de complexiteit, aard en omvang van de aanvraag behoefte bestaat aan extra deskundigheid, wijzen zij meerdere personen als adviseur aan. Deze personen vormen samen een adviescommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedeputeerde Staten wijzen de voorzitter van de adviescommissie aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De voorzitter is verantwoordelijk voor de taakverdeling binnen de adviescommissie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-911\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.11</span><span class=\"lf-art-t\">Achterwege blijven van inschakeling adviseur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de aanvraag kennelijk ongegrond is, dan wel op grond van artikel 6.1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening niet in behandeling wordt genomen, kan inschakeling van een adviseur achterwege blijven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-912\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.12</span><span class=\"lf-art-t\">Termijn voorleggen aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien wordt besloten tot inschakeling van een adviseur of een adviescommissie, leggen Gedeputeerde Staten de aanvraag om planschade vergoeding binnen twaalf weken na het verstrijken van de termijnen als bedoeld in artikel 6.1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, aan de adviseur of de adviescommissie voor.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-913\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.13</span><span class=\"lf-art-t\">Betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij aanwijzing adviseur of adviescommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voordat Gedeputeerde Staten de aanvraag voorleggen als bedoeld in artikel 9.12, stellen zij de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid van de Wet ruimtelijke ordening, schriftelijk op de hoogte van de aanwijzing van een adviseur of een adviescommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid van de Wet ruimtelijke ordening, kunnen binnen twee weken na de mededeling als bedoeld in het eerste lid schriftelijk en voldoende gemotiveerd een verzoek tot wraking van een adviseur of van leden van de adviescommissie bij Gedeputeerde Staten indienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Gedeputeerde Staten beslissen binnen twee weken na het verstrijken van de in het tweede lid bedoelde termijn over een ingediend verzoek tot wraking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-914\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.14</span><span class=\"lf-art-t\">Ter beschikking stellen informatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen aan de adviseur of de adviescommissie alle op de aanvraag betrekking hebbende informatie, alsmede de voor de beoordeling daarvan naar het oordeel van de adviseur of de adviescommissie noodzakelijke bescheiden ter beschikking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-915\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.15</span><span class=\"lf-art-t\">Werkwijze adviseur of adviescommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De adviseur of de adviescommissie organiseert in elk geval één hoorzitting, waar de aanvrager in de gelegenheid wordt gesteld de aanvraag toe te lichten en de voor de advisering over de aanvraag relevante informatie te geven. Het betrokken bestuursorgaan en eventuele andere betrokken bestuursorganen en de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid van de Wet ruimtelijke ordening, worden eveneens in de gelegenheid gesteld hun standpunt kenbaar te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De adviseur of de adviescommissie is bevoegd aan partijen binnen een aan hen te stellen termijn, overlegging van nadere gegevens of stukken te gelasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De adviseur of de adviescommissie bepaalt de datum en het tijdstip waarop hij de situatie ter plaatse zal bezichtigen en nodigt de aanvrager voor de plaatsopneming uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De adviseur of de adviescommissie maakt met de aanvrager een afspraak ten behoeve van de taxatie van een bij de aanvraag betrokken onroerende zaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De adviseur of de adviescommissie draagt er zorg voor dat van de hoorzitting en van de plaatsopneming een verslag wordt gemaakt. Het verslag maakt deel uit van het uit te brengen advies.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Binnen zestien weken nadat de aanvraag is voorgelegd zendt de adviseur of de adviescommissie een concept van het advies aan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten; de aanvrager; een eventueel ander betrokken bestuursorgaan; en belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.De adviseur of de adviescommissie kan de in het zesde lid genoemde termijn onder opgaaf van redenen met een daarbij aan te geven termijn van ten hoogste vier weken verlengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.De aanvrager, een betrokken bestuursorgaan en de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, kunnen binnen vier weken na de toezending van het concept van het advies hierop schriftelijk reageren.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.Indien binnen de in het achtste lid genoemde termijn: een reactie is ingediend, brengt de adviseur of de adviescommissie binnen vier weken na het verstrijken van die termijn een advies uit aan Gedeputeerde Staten, waarbij de ontvangen reacties zijn betrokken; geen reactie is ingediend, brengt de adviseur of de adviescommissie binnen twee weken na het verstrijken van die termijn een advies uit aan Gedeputeerde Staten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 9.4 Milieu</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-916\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.16</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk gaat over de totstandkoming van beschikkingen van Gedeputeerde Staten ingevolge artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht met betrekking tot de vergoeding van kosten of schade door het van toepassing worden van bepalingen van deze verordening voor zover deze hun grondslag vinden in artikel 1.2 van de Wet milieubeheer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-917\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.17</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag om vergoeding van kosten of schade</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag om vergoeding van kosten of schade bevat ten minste de volgende gegevens: de bepalingen van deze verordening door het van toepassing worden waarvan de aanvrager zich voor kosten ziet gesteld, dan wel schade lijdt; de aard en de omvang van de kosten dan wel de schade; en de wijze waarop de kosten dan wel de schade naar het oordeel van de verzoeker dienen te worden vergoed en, zo een vergoeding in geld wordt gewenst, het bedrag dat naar zijn oordeel voor vergoeding in aanmerking komt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-918\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.18</span><span class=\"lf-art-t\">Advisering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gedeputeerde Staten kunnen deskundigen aanwijzen die zijn belast met het adviseren inzake het geven van een beschikking als bedoeld in artikel 9.16.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedeputeerde Staten kunnen het advies inwinnen van de in het eerste lid bedoelde deskundigen omtrent een aanvraag om vergoeding of omtrent het voornemen tot een toekenning daarvan uit eigen beweging.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, wordt de aanvrager van de beschikking in de gelegenheid gesteld aan die deskundigen zijn aanvraag toe te lichten. Indien Gedeputeerde Staten voornemens zijn uit eigen beweging een beschikking te geven, wordt degene tot wie de beschikking zal zijn gericht, in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen omtrent het voornemen aan de deskundigen kenbaar te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien de aanvraag om vergoeding of het voornemen tot de toekenning daarvan uit eigen beweging betrekking heeft op kosten dan wel schade door het van toepassing worden van bepalingen die zien op de grondwaterbescherming met het oog op waterwinning, en deskundigen zijn aangewezen die zijn belast met het adviseren inzake de toekenning van die vergoeding, wordt de betrokken grondwateronttrekker in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen over die aanvraag of dat voornemen aan die deskundigen kenbaar te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De deskundigen brengen advies uit inzake: de vraag of de kosten zijn gemaakt, dan wel de schade is geleden door het van toepassing worden van bepalingen van deze verordening; de omvang van de kosten dan wel de schade; de vraag of de kosten dan wel de schade niet of niet geheel ten laste van de benadeelde behoren onderscheidenlijk behoort te blijven; de vraag in hoeverre op een andere wijze in een redelijke vergoeding is of kan worden voorzien; de vraag of er aanleiding is voor maatregelen of voorzieningen waardoor de kosten dan wel de schade, anders dan door een vergoeding in geld, kunnen onderscheidenlijk kan worden beperkt of ongedaan gemaakt; de hoogte van de toe te kennen vergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.De deskundigen brengen hun advies zo snel mogelijk uit aan Gedeputeerde Staten, doch in elk geval binnen dertien weken na ontvangst van het verzoek om advies.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Gedeputeerde Staten zenden een afschrift van het advies aan degene tot wie de beschikking zal zijn gericht, en in een geval als bedoeld in het vierde lid, tevens aan de grondwateronttrekker. Gedeputeerde Staten vermelden daarbij de termijn waarbinnen zij hun opvattingen omtrent het advies aan hen kenbaar kunnen maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-919\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.19</span><span class=\"lf-art-t\">Zienswijzen grondwateronttrekker</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien geen toepassing is gegeven aan artikel 9.18, tweede lid, en de aanvraag om vergoeding of het voornemen tot de toekenning daarvan uit eigen beweging betrekking heeft op kosten dan wel schade door het van toepassing worden van bepalingen die zien op de grondwaterbescherming met het oog op waterwinning, stellen Gedeputeerde Staten de betrokken grondwateronttrekker in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen voordat zij hieromtrent een beslissing nemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-920\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.20</span><span class=\"lf-art-t\">Toekenning door ander bevoegd gezag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien het gezag als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Gedeputeerde Staten verzoekt in te stemmen met de toekenning van een vergoeding van kosten dan wel schade door het aan een omgevingsvergunning voor een inrichting verbinden van voorschriften ten aanzien van het voorkomen of beperken van geluidhinder of bescherming waterwinning, gaat dat verzoek tenminste vergezeld van: indien dat gezag een aanvraag om een vergoeding heeft ontvangen: een afschrift van die aanvraag en de daarbij gevoegde stukken; indien de grondwateronttrekker schriftelijk zijn opvattingen over de aanvraag of het voornemen om een vergoeding toe te kennen heeft kenbaar gemaakt: een afschrift van die opvattingen; indien dat gezag een advies van deskundigen als bedoeld in artikel 4.2, derde lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht heeft ingewonnen: een afschrift van dat advies; het ontwerp van de beschikking houdende de toekenning van een vergoeding, dan wel, indien dat gezag de beschikking reeds heeft gegeven: een afschrift van die beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien bij het verzoek niet een afschrift van de opvattingen van de grondwateronttrekker is gevoegd, stellen Gedeputeerde Staten hem in de gelegenheid zijn zienswijze over het verzoek naar voren te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Gedeputeerde Staten geven de beschikking op het verzoek om instemming uiterlijk vier maanden na ontvangst van dat verzoek, of, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 9.18, tweede lid, binnen zeven maanden na ontvangst van het verzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk10Handhaving en toezicht</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 10.1 Bestuursrechtelijke handhaving</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-101\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.1</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekken of wijziging vergunning of ontheffing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een vergunning of ontheffing kan ambtshalve worden ingetrokken of gewijzigd indien: veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich in overwegende mate tegen het van kracht blijven of het ongewijzigd van kracht blijven van de vergunning of ontheffing verzetten; of de vergunning of ontheffing gedurende twee jaar niet is gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In een vergunning of een ontheffing kan in afwijking het eerste lid onder b een andere termijn worden gesteld na welke de vergunning of de ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-102\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.2</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekken vergunning of ontheffing als sanctie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een vergunning of ontheffing kan geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken, indien: in strijd met de vergunning of ontheffing of de daarvan verbonden voorschriften of beperkingen wordt gehandeld, dan wel de met betrekking tot de vergunde handeling geldende wettelijke voorschriften niet worden nageleefd; of als de ter verkrijging van de vergunning of ontheffing verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn, dat op de aanvraag voor de vergunning of ontheffing een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend zouden zijn geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Tot intrekking wordt niet over gegaan dan nadat de houder van de vergunning een redelijke termijn is geboden om zijn handelen in overeenstemming te brengen met de vergunning of ontheffing of om de geldende wettelijke voorschriften na te leven.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 10.2 Strafrechtelijke handhaving</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-103\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.3</span><span class=\"lf-art-t\">Strafbaarstelling milieu</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overtreding van de artikelen 4.21, 4.22, 4.23, 4.24, 4.25 (stiltegebieden), 4.32, 4.33, 4.34, 4.35, 4.36, 4.37, 4.38 (grondwaterbeschermingsgebieden), 4.39, 4.40 (waterwingebieden), 4.52 (gesloten stortplaatsen) en 4.65 (varend ontgassen) is een strafbaar feit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-104\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.4</span><span class=\"lf-art-t\">Strafbaarstelling vaarwegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overtreding van de in de artikelen 4.76 en 4.77 gestelde verboden, van beperkingen waaronder een ontheffing is verleend en van aan een ontheffing verbonden voorschriften is een strafbaar feit en wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie, als bedoeld in artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-105\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.5</span><span class=\"lf-art-t\">Strafbaarstelling provinciale wegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overtreding van artikel 4.82 is een strafbaar feit en wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie, als bedoeld in artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 10.3 Toezichthouders</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-106\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.6</span><span class=\"lf-art-t\">Toezicht en opsporing provinciale wegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Met het toezicht op de naleving van artikel 4.82 zijn belast de door Gedeputeerde Staten aangewezen personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld bij of krachtens deze verordening, bedoeld in artikel 10.5 zijn, behalve de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde personen, belast de op grond van het eerste lid aangewezen personen, die in het bezit zijn van de buitengewone opsporingsbevoegdheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Met het toezicht, bedoeld in het eerste lid, en de opsporing, bedoeld in het tweede lid, worden mede belast de daartoe door het bevoegd gezag ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, aangewezen personen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-107\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.7</span><span class=\"lf-art-t\">Toezicht regionale luchthavens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens de Wet luchtvaart gegeven regels en voorschriften met betrekking tot de aan Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten gegeven taken en bevoegdheden zijn belast de door Gedeputeerde Staten aangewezen toezichthouders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-108\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.8</span><span class=\"lf-art-t\">Toezicht vaarwegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het toezicht op de naleving van het bepaalde in artikel 4.76 en 4.77 zijn belast de door Gedeputeerde Staten aangewezen toezichthouders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-109\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.9</span><span class=\"lf-art-t\">Toezicht cultureel erfgoed</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde in Afdeling 4.6 zijn belast de door Gedeputeerde Staten aangewezen toezichthouders, alsmede de daartoe door het bevoegd gezag ingevolgde de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangewezen toezichthouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening aangewezen personen zijn bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk11Monitoring en informatie</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 11.1 Water</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.1</span><span class=\"lf-art-t\">Voortgangsrapportage uitvoering beheerplan van waterschap</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het dagelijks bestuur van het waterschap rapporteert ten minste een maal per jaar aan Gedeputeerde Staten over de voortgang van de uitvoering van het beheerplan, de mate waarin de gestelde doelen worden bereikt, de redenen van eventuele afwijkingen en de voorgestelde maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedeputeerde Staten kunnen, na overleg met het dagelijks bestuur van het waterschap, nadere voorschriften stellen met betrekking tot de vorm en inhoud van de in het eerste lid bedoelde voortgangsrapportage.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-112\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.2</span><span class=\"lf-art-t\">Verslag toetsing watersysteem</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het dagelijks bestuur van het waterschap brengt periodiek verslag uit aan Gedeputeerde Staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale waterkeringen; en regionale wateren onder zijn beheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De verslagen bevatten: een beoordeling van de veiligheid van de regionale waterkeringen onder meer in het licht van de veiligheidsnorm, de technische leidraad en voorschriften, bedoeld in artikel 5.3, en de legger, bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet; een beoordeling van de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop deze moeten zijn ingericht onder meer in het licht van de normen, de leidraad en de voorschriften, bedoeld in artikel 5.6, en de legger, bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien de beoordeling daartoe aanleiding geeft, bevatten de verslagen als bedoeld in het tweede lid een omschrijving van de voorzieningen die op de daarbij aan te geven termijn nodig worden geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Gedeputeerde Staten stellen, na overleg met het dagelijks bestuur van het waterschap, het tijdstip en de frequentie vast waarop de verslagen, als bedoeld in het tweede lid, worden uitgebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Gedeputeerde Staten kunnen nadere voorschriften stellen met betrekking tot de vorm en inhoud van de verslagen als bedoeld in het tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Als een regionale waterkering of een regionaal water in meerdere provincies is gelegen, worden de in het tweede lid bedoelde verslagen uitgebracht aan Gedeputeerde Staten van de provincie waarin deze regionale waterkering dan wel het regionale water in hoofdzaak is gelegen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 11.2 Grondwateronttrekking</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-113\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.3</span><span class=\"lf-art-t\">Verstrekken gegevens door waterschappen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het dagelijks bestuur van het waterschap verstrekt aan Gedeputeerde Staten van de provincie of de provincies waarin de onttrekking van grondwater of het infiltreren van water plaatsvindt: de gegevens die op grond van artikel 6.11 van het Waterbesluit worden verkregen; een overzicht van de vergunningen en meldingen op basis waarvan het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De opgave, bedoeld in het eerste lid, wordt uiterlijk op 31 mei van elk jaar of, bij beëindiging van de onttrekking, binnen vier maanden na die beëindiging verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Gedeputeerde Staten kunnen, na overleg met het dagelijks bestuur van het waterschap, nadere regels stellen aangaande de wijze waarop de gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden aangeleverd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-114\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondwaterregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten houden een register bij waarin inrichtingen voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water worden ingeschreven met vermelding van de gegevens die op grond van artikel 6.11 van het Waterbesluit aan hen dan wel aan de dagelijkse besturen van de waterschappen worden verstrekt. Voorts worden daarin vermeld de vergunningen, krachtens welke het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water plaatsvindt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-115\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.5</span><span class=\"lf-art-t\">Ambtshalve inschrijving in grondwaterregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gedeputeerde Staten kunnen een inrichting die niet ingevolge artikel 6.11, eerste lid, van het Waterbesluit is opgegeven, ambtshalve in het register, bedoeld in artikel 11.4, inschrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de ambtshalve inschrijving, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt in de loop van een kalenderjaar, wordt als datum van de inschrijving aangehouden de datum waarop de onttrekking is aangevangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-116\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.6</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijstelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het algemeen bestuur van het waterschap kan de vrijstellingsmogelijkheid, bedoeld in artikel 6.11, vijfde lid, van het Waterbesluit niet toepassen voor onttrekkingen of infiltraties van meer dan 12.000 m3 per jaar en voor tijdelijke onttrekkingen of infiltraties van in totaal meer dan 12.000 m3.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 11.3 Faunabeheer</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-117\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.7</span><span class=\"lf-art-t\">Inzage in registratiesysteem faunabeheereenheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een faunabeheereenheid verschaft Gedeputeerde Staten op eerste verzoek inzage in haar registratiesysteem ten behoeve van toezicht, handhaving en beleidsontwikkeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-118\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.8</span><span class=\"lf-art-t\">Jaarlijks verslag faunabeheereenheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het jaarlijks verslag van een faunabeheereenheid, bedoeld in artikel 3.12, achtste lid, van de Wet natuurbescherming, bevat in ieder geval de volgende gegevens: cijfermatige rapportages over de uitvoering van iedere geldende vrijstelling, aan een faunabeheereenheid verleende ontheffing, aan een faunabeheereenheid verleende opdracht en de jacht, waarin opgenomen de aantallen gedode dieren en behandelde eieren en nesten, onderverdeeld naar diersoort, naar wildbeheereenheid en naar Natura 2000-gebied; cijfermatige rapportages van de toepassing van preventieve en alternatieve middelen; voor iedere in het faunabeheerplan beschreven diersoort telcijfers en op basis hiervan een analyse van populatietrends; een rapportage met trends die aangeven wat de verbanden zijn tussen de uitvoeringsgegevens verstrekt op grond van de onderdelen a en b en de ontwikkeling van populaties op grond van onderdeel c; een overzicht van populatieontwikkelingen die een risico kunnen vormen voor de belangen bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4°, artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, onder 1 ° tot en met 3 ° en artikel 3.10, tweede lid, onderdeel b tot en met h, van de Wet natuurbescherming of die een risico vormen voor de gunstige staat van instandhouding van een soort.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het jaarverslag wordt uiterlijk binnen zes maanden na afloop van het verslagjaar door een faunabeheereenheid op haar website gepubliceerd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 11.4 Cultureel erfgoed</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-119\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.9</span><span class=\"lf-art-t\">Provinciaal erfgoedregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gedeputeerde Staten houden een erfgoedregister bij van de als zodanig aangewezen beschermde monumenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het erfgoedregister bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van een beschermd monument, de datum van de aanwijzing en de reden voor de aanwijzing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1110\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.10</span><span class=\"lf-art-t\">Informatieverstrekking erfgoedregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gedeputeerde Staten laten iedere opname van een registergoed in het erfgoedregister inschrijven in de openbare registers bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedeputeerde Staten informeren de Minister belast met de monumentenzorg, de Dienst van het Kadaster en Openbare Registers in Noord-Holland en de betrokken gemeentebesturen over wijzigingen in het erfgoedregister.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het erfgoedregister, met uitzondering van de gegevens over de eigenaar, is voor eenieder toegankelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk12Overgangsrecht</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 12.1 Algemene overgangsbepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-121\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.1</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling is van toepassing op besluiten op grond van of met toepassing van de in artikel 13.10 genoemde verordeningen tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-122\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.2</span><span class=\"lf-art-t\">Lopende procedures</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het oude recht blijft van toepassing tot een besluit onherroepelijk wordt, als voor de inwerkingtreding van de betreffende bepaling van deze verordening: een aanvraag om het besluit is ingediend en het besluit binnen 2 jaar daarna is genomen; voor een ambtshalve te nemen besluit, een besluit als bedoeld in 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, of een besluit als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de Wet ruimtelijke ordening, dat op verzoek wordt genomen, een ontwerp ter inzage is gelegd van een besluit ten aanzien waarvan op de voorbereiding afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is en het besluit binnen 2 jaar daarna is genomen; of voor een ambtshalve te nemen besluit toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht of het ontwerp is bekendgemaakt en het besluit binnen 2 jaar daarna is genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-123\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.3</span><span class=\"lf-art-t\">Ontheffingen, vergunningen en meldingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een ontheffing of vergunning voor een activiteit waarop een verbodsbepaling van de in artikel 13.10 genoemde verordeningen toepassing is, geldt als een vergunning of ontheffing voor die activiteit op grond van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een ontheffing als bedoeld in artikel 4.1a van de Wet ruimtelijke ordening geldt als een ontheffing op grond van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Een melding van een activiteit waarvoor op grond van deze verordening een meldingsplicht van toepassing is, geldt als een melding van die activiteit op grond van deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-124\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag bestaande beleidsregels, besluiten van algemene strekking en nadere regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Beleidsregels die betrekking hebben op een bevoegdheid in een in artikel 13.10 genoemde verordening, gelden als beleidsregels op grond van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een besluit van algemene strekking dat is gebaseerd op een in artikel 13.10 genoemde verordening, geldt als een besluit van algemene strekking op grond van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Nadere regels, gesteld op grond van een in artikel 13.10 genoemde verordening gelden als nadere regels op grond van deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-125\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.5</span><span class=\"lf-art-t\">Nieuwe vergunning en ontheffingsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als een activiteit voor de inwerkingtreding van deze verordening zonder vergunning of ontheffing onafgebroken rechtmatig is verricht en bij de inwerkingtreding van deze verordening voor die activiteit een verbodsbepaling behoudens vergunning of ontheffing van toepassing wordt, geldt voor die activiteit bij de inwerkingtreding van deze verordening een vergunning of ontheffing van rechtswege voor een termijn van twee jaar, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-126\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.6</span><span class=\"lf-art-t\">Nadeelcompensatie en planschade</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Als voor de inwerkingtreding van deze verordening schade is veroorzaakt door een besluit dat berust op een verordening als bedoeld in artikel 12.1, dan blijft het oude recht van toepassing op een verzoek om schadevergoeding dat wordt ingediend binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Als voor de inwerkingtreding van deze verordening: een aanvraag om een besluit dat berust op een verordening als bedoeld in artikel 12.1 is ingediend; een ontwerp van een ambtshalve te nemen besluit dat berust op een verordening als bedoeld in artikel 12.1 ter inzage is gelegd; of voor een ambtshalve te nemen besluit dat berust op een verordening als bedoeld in artikel 12.1 toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht en het besluit wordt vastgesteld na de inwerkingtreding van deze verordening, blijft het oude recht van toepassing op een verzoek om schadevergoeding, veroorzaakt door dat besluit als dat is ingediend binnen vijf jaar nadat het besluit is vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het oude recht blijft van toepassing op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de schade volledig is vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Artikel 12.2 is niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-127\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.7</span><span class=\"lf-art-t\">Bestuurlijke sanctiebesluiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Als voor de inwerkingtreding van deze verordening een bestuurlijke sanctie voor een overtreding of dreigende overtreding is opgelegd, blijft op die bestuurlijke sanctie het oude recht van toepassing tot het tijdstip waarop: de beschikking onherroepelijk is geworden, volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd; de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen, of als de beschikking de oplegging van een last onder dwangsom betreft: de last volledig is uitgevoerd; de dwangsom volledig is verbeurd en betaald; of de last is opgeheven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Artikel 12.2 is niet van toepassing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 12.2 Overgangsbepalingen per onderwerp</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-128\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.8</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling ruimte voor ruimte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 12.2 blijven artikel 16 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening en de op grond van dit artikel vastgestelde nadere regels van toepassing op een ruimtelijk plan waarvan het ontwerp vóór 1 januari 2021 ter inzage wordt gelegd met dien verstande dat het ruimtelijk plan vóór 1 januari 2022 wordt vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-129\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.9</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling nieuwe landgoederen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 12.2 blijven artikel 13a van de Provinciale Ruimtelijke Verordening en de op grond van dit artikel vastgestelde nadere regels van toepassing op een ruimtelijk plan waarvan het ontwerp vóór 1 januari 2021 ter inzage wordt gelegd met dien verstande dat het ruimtelijk plan vóór 1 januari 2022 wordt vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.10</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling windenergie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in artikel 12.2 is niet van toepassing op: een ruimtelijk plan als bedoeld in artikel 4.100, eerste lid, aanhef; een ruimtelijk plan als bedoeld in artikel 6.27, eerste lid; en een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.27, tweede lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.11</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling cultureel erfgoed</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanwijzing tot beschermd monument of een aanwijzing tot beschermde structuur als bedoeld in de Erfgoedverordening Noord-Holland 2017 of diens voorgangers geldt als een aanwijzing als bedoeld in respectievelijk artikel 2.23 of artikel 2.24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk13Overige en slotbepalingen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 13.1 Bestuurlijke afwegingsruimte</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-131\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.1</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bestuurlijke afwegingsruimte als bedoeld in deze afdeling geldt onverminderd de afwegingsruimte in andere regels van deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-132\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.2</span><span class=\"lf-art-t\">Oogmerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling is gericht op het na door Gedeputeerde Staten gemaakte afweging van belangen mogelijk maken van: een experiment dat bijdraagt aan of een activiteit die meerwaarde heeft voor de ambities en doelstellingen zoals omschreven in de Omgevingsvisie NH 2050; of een ruimtelijke ontwikkeling gericht op de verwezenlijking van gemeentelijk ruimtelijk beleid dat wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de provinciaal belangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-133\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.3</span><span class=\"lf-art-t\">Experimenteer- en meerwaardebepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gedeputeerde Staten kunnen een gebied aanwijzen waarbinnen ten behoeve van een experiment of activiteit in de fysieke leefomgeving van de regels bij of krachtens deze verordening mag worden afgeweken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Er kan toepassing worden gegeven aan het eerste lid indien: het experiment bijdraagt aan innovatieve ontwikkelingen en voldoende aannemelijk is dat uitvoering ervan bijdraagt aan de ambities en doelstellingen zoals omschreven in de Omgevingsvisie NH2050; en het experiment geen onevenredige afbreuk doet aan de doelen en belangen die door de regels waarvan wordt afgeweken worden behartigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Er kan tevens toepassing worden gegeven aan het eerste lid indien: de activiteit bijzondere meerwaarde heeft voor de ambities en doelstellingen zoals omschreven in de Omgevingsvisie NH2050; en de activiteit geen onevenredige afbreuk doet aan de doelen en belangen die door de regels waarvan wordt afgeweken worden behartigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Gedeputeerde Staten stellen nadere regels bij de toepassing van dit artikel, waarbij ten minste regels worden gesteld inzake: van welke regels bij of krachtens deze verordening mag worden afgeweken; gedurende welke tijdsduur van de in onderdeel a bedoelde regels mag worden afgeweken; en de wijze en het moment waarop wordt vastgesteld of de activiteit aan haar doel beantwoordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Bij toepassing van dit artikel wordt in het besluit gemotiveerd hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding ervan zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Gedeputeerde Staten rapporteren jaarlijks aan Provinciale Staten over de toepassing van dit artikel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-134\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.4</span><span class=\"lf-art-t\">Ontheffingsbevoegdheid Wet ruimtelijke ordening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag van burgemeester en wethouders een ontheffing als bedoeld in artikel 4.1a van de Wet ruimtelijke ordening verlenen van de regels in hoofdstuk 6 van deze verordening, voor zover deze zich richten op ruimtelijke plannen, en voor zover de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met die regels te dienen provinciaal belangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedeputeerde Staten kunnen aan de ontheffing als bedoeld in het eerste lid voorschriften verbinden indien de betrokken provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Een aanvraag om een ontheffing bevat in ieder geval: een beschrijving van de redenen waarom ontheffing wordt gevraagd; een beschrijving van de mogelijke gevolgen van de ontheffing voor het belang dat beschermd wordt door de regels waarvan ontheffing wordt gevraagd; een verbeelding van het beoogde werkingsgebied van de gevraagde ontheffing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Een verleende ontheffing vervalt indien niet binnen twee jaar na het verlenen van de ontheffing een ruimtelijk plan is vastgesteld met gebruikmaking van de ontheffing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 13.2 Overige bepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-135\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.5</span><span class=\"lf-art-t\">Verwerken instructieregels in ruimtelijke plannen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De termijn als bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening voor ruimtelijke plannen die voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening zijn vastgesteld, eindigt op 31 december 2028.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-136\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.6</span><span class=\"lf-art-t\">Bekendmaking werkingsgebieden en bijlagen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bij deze verordening behorende werkingsgebieden en bijlagen zijn opgenomen in het GML-bestand bij het vaststellingsbesluit en worden mede gelet op van artikel 136, derde lid, van de Provinciewet, bekendgemaakt en elektronisch beschikbaar gesteld via www.ruimtelijkeplannen.nl, de landelijke voorziening als bedoeld in artikel 1.2.1, derde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-137\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.7</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging werkingsgebied door Gedeputeerde Staten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen de begrenzing van een werkingsgebied wijzigen, tenzij in deze verordening of bij of krachtens de wet waarop de betreffende regel is gebaseerd anders is bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-138\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.8</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging bijlage door Gedeputeerde Staten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen een bijlage bij deze verordening wijzigen, tenzij in deze verordening of bij of krachtens de wet waarop de betreffende regel is gebaseerd anders is bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-139\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.9</span><span class=\"lf-art-t\">Hardheidsbepaling faunabeheer en wildbeheer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen in bijzondere situaties in individuele gevallen besluiten om geen toepassing te geven aan, dan wel af te wijken van, een of meerdere bepalingen van afdeling 2.3, afdeling 6.11 en afdeling 11.3 van deze verordening, voor zover toepassing van die bepalingen, gelet op de betrokken belangen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 13.3 Slotbepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1310\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.10</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking regelingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De volgende verordeningen en besluiten worden ingetrokken:</p>\n<p class=\"lf-p\">Provinciale Ruimtelijke Verordening;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening planschade Noord-Holland 2010;</p>\n<p class=\"lf-p\">Provinciale Milieuverordening Noord-Holland;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontgrondingenverordening Noord-Holland 2010;</p>\n<p class=\"lf-p\">Luchtvaartverordening Noord-Holland;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening luchthavenbesluit Helihaven Loodswezen IJmuiden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening luchthavenbesluit Hilversum;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening luchthavenbesluit Texel;</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterverordening provincie Noord-Holland;</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterverordening Amstel, Gooi en Vecht;</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier;</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterverordening Hoogheemraadschap Rijnland;</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van Provinciale Staten van Noord-Holland van 2 februari 2015 tot aanwijzing bevoegd gezag Scheepvaartverkeerswet;</p>\n<p class=\"lf-p\">Wegenverordening Noord-Holland 2015;</p>\n<p class=\"lf-p\">Erfgoedverordening Noord-Holland 2017;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening Natura 2000-gebieden Noord-Holland;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening houtopstanden Noord-Holland;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening faunabeheer Noord-Holland;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening tegemoetkoming schade Noord-Holland;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening vrijstellingen soorten Noord-Holland;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht provincie Noord-Holland 2016.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1311\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.11</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het provinciaal blad waarin het wordt geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De afdelingen 4.11 en 6.8 en artikel 13.10, onderdelen f tot en met h, treden in werking met ingang van de dag na de datum van bekendmaking van de verklaring zoals bedoeld in artikel 8.49, eerste lid, van de Wet luchtvaart.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1312\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.12</span><span class=\"lf-art-t\">Citeertitel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening wordt aangehaald als: Omgevingsverordening NH2020 Haarlem, 22 oktober 2020Provinciale Staten van Noord-Holland,A.Th.H. van Dijk, voorzitterK. Bolt, griffier Bijlage1Begrippen Voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder: afhaalpunt ten behoeve van internethandel: voorziening ten behoeve van de levering en retournering aan consumenten van vooraf elders bestelde goederen, waarbij geen verkoop, productadvisering of uitstalling plaatsvindt agrarisch aanverwant bedrijf: een bedrijf in landelijk gebied dat hoofdzakelijk is gericht op het leveren van goederen en diensten aan agrarische bedrijven of het leveren van goederen en diensten ten behoeve van aanleg en onderhoud van groene of recreatieve gebieden voor publieke doeleinden, en gebruik maakt van werktuigen, apparatuur of agrarisch loonwerk agrarisch bedrijf: een bedrijf gericht op het voortbrengen van producten door het telen van gewassen of het houden van dieren, daaronder begrepen een productiegerichte paardenhouderij, houtteelt, zaadveredeling en de teelt van watergebonden organismen als planten, algen, weekdieren, schelpdieren en vissen agrarisch bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond waarop bebouwing met een hoofdgebouw en bijbehorende gebouwen van een agrarisch bedrijf is toegestaan bebouwde kom: gebied gelegen binnen de grenzen als bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994 bebouwing: één of meerdere gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde bedrijfsmatige exploitatie: het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een zodanig beheer/exploitatie, dat in de verblijfsrecreatieve functie daadwerkelijk sprake is van kort verblijf met als focus toeristische vernachtingsmogelijkheden bedrijfswoning: een woning die gezien ligging en functie bedoeld is voor de huisvesting van personen wier aanwezigheid gelet op de bestemming van een gebouw of terrein noodzakelijk is bedrijventerrein: een terrein van minimaal 1 ha bruto grondoppervlak dat vanwege zijn bestemming bestemd en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening en industrie. Onder de beschrijving vallen daarmee ook (delen van) bedrijventerreinen die gedeeltelijk, maar niet overwegend, bestemd en geschikt zijn voor kantoorgebouwen. Ook vallen daaronder de zeehaventerreinen welke met laad en/ of loskade langs diep vaarwater toegankelijk zijn voor grote zeeschepen. De volgende terreinen vallen hier niet onder: terrein voor grondstoffenwinning, olie- en gaswinning, terrein voor waterwinning, terrein voor agrarische doeleinden, terrein voor afvalstort</p>\n<p class=\"lf-p\">beheerplan: plan als bedoeld in artikel 4.6 van de Waterwet beperkingengebied provinciale wegen: alle percelen direct langs een provinciale weg of binnen een gebied van 20 meter langs een provinciale weg waar vanwege de aanwezigheid van de provinciale weg regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor het functioneren van de provinciale weg beperkt kwetsbaar object: beperkt kwetsbaar object als bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen beschermd monument: als zodanig aangewezen monument, ten aanzien waarvan is besloten tot opname in het provinciaal erfgoedregister beschermde structuur: stads- of dorpsgezicht, ten aanzien waarvan is besloten tot opname in het provinciaal erfgoedregister bestaand: onder bestaand worden begrepen: op het tijdstip van inwerkingtreding van de betreffende bepaling rechtmatig aanwezig; op het tijdstip van inwerkingtreding van de betreffende bepaling op grond van een omgevingsvergunning toegestaan of waarvoor op dat tijdstip een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend die op grond van op dat moment geldende regels moet of kan worden verleend; of op het tijdstip van inwerkingtreding van de betreffende bepaling op grond van een geldend ruimtelijk plan toegestaan bestaand stedelijk gebied: gebied als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, onder h, van het Besluit ruimtelijke ordening BIJ12: uitvoeringsorganisatie van de gezamenlijke provincies, zijnde onderdeel van de Vereniging Interprovinciaal Overleg binnenschip: schip als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Binnenvaartwet boskern: een min of meer aaneengesloten houtsopstand met in totaal een oppervlakte vanaf circa vijf hectare bos cultuurhistorische waarden: de fysieke overblijfselen van de historie, zowel bovengronds (gebouwde monumenten) en ondergronds (archeologie) als het cultuurlandschap met zijn historische landschapselementen als verbinding daartussen dorpslint: langgerekte lijn van aaneengesloten of op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing ten behoeve van overwegend stedelijke functies duurzame ontwikkeling: ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen erfgoedregister: provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet evaluatieverslag bodemsanering: een verslag als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming evenementen: publieke gebeurtenissen, anders dan wedstrijden zoals bedoeld in artikel 10 van de Wegenverkeerswet</p>\n<p class=\"lf-p\">gebruiksgerichte paardenhouderij: een voorziening gericht op het houden van paarden waarbij het rijden met of mennen van paarden primair gericht is op gebruik door de ruiter, amazone of menner, niet zijnde een manege gedenkteken: niet aard- en nagelvast voorwerp zonder verkeersfunctie op de weg dat dient ter nagedachtenis aan één of meerdere dodelijke slachtoffers van een verkeersongeval dat op de weg heeft plaatsgevonden geitenhouderij: een inrichting, als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, geheel of gedeeltelijk gericht op het fokken, mesten en houden van geiten geluidsgevoelig object: woning, ander geluidsgevoelig gebouw en geluidsgevoelig terrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder gesloten stortplaats: een stortplaats als bedoeld in artikel 8.47, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer geurgevoelig object: geurgevoelig object als bedoeld in de Beleidsregel beoordeling geurhinder inrichtingen provincie Noord-Holland glastuinbouwbedrijf: een agrarisch bedrijf waarbij de teelt van assimilerende organismen onder invloed van licht in een kas plaatsvindt onder gecontroleerde omstandigheden havengebonden bedrijf: bedrijf dat blijvend is gericht op het vervoer van goederen en personen over water of op activiteiten die onlosmakelijk verbonden zijn met de afwikkeling van schepen en het daarmee verbonden personen- en vrachtverkeer en op grond van deze activiteiten direct aan kadeterrein moet worden gesitueerd havengerelateerd bedrijf: bedrijf dat zich blijvend richt op de dienstverlening aan havengebonden bedrijven en afhankelijk is van: de binding met de havengebonden bedrijven; en de nabijheid van havengebonden bedrijven helikoptervlucht van maatschappelijk belang: een Helicopter Emergency Medical Service (HEMS)-vlucht of een politievlucht zoals bedoeld in de vrijstellingsregeling Besluit luchtverkeer 2014 of een daarmee verband houdende vlucht gericht op het innemen van brandstof of een vlucht gericht op opleiding en training die nodig zijn voor de veilige uitvoering van een dergelijke vlucht hoofdinfrastructuur: hoofdweg of landelijk spoorweg, met bijbehorende voorzieningen, zoals bedoeld in artikel 1 van de Tracéwet intensieve veehouderij: een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf dat slacht-, fok-, leg-, pels- of melkdieren houdt, zonder of nagenoeg zonder weidegang of vrije uitloop, met uitzondering van veehouderij waarin producten worden vervaardigd die gecertificeerd zijn volgens in Nederland geldende regelgeving van de Europese Unie voor biologische producten en met uitzondering van viskwekerij</p>\n<p class=\"lf-p\">kantoorlocatie: een terrein van minimaal 1 hectare bruto grondoppervlak dat vanwege zijn bestemming bestemd en geschikt is voor gebruik door kantoren en openbare gebouwen, daaronder niet begrepen een terrein dat in overwegende mate bestemd is voor detailhandel of horeca kas: bouwwerk van hoofdzakelijk glas of ander lichtdoorlatend materiaal, bedoeld voor de teelt van assimilerende organismen kern: gebied met aaneengesloten of op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing, die is geconcentreerd tot een samenhangende structuur, ten behoeve van overwegend stedelijke functies kleinschalige ontwikkeling: nieuwe bebouwing voor stedelijke functies die gelet op de kleinschaligheid en beperkte ruimtelijke gevolgen niet wordt aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, onder i, van het Besluit ruimtelijke ordening kleinschalige woningbouwontwikkeling: nieuwe bebouwing voor de functie wonen die gelet op de kleinschaligheid en beperkte ruimtelijke gevolgen niet wordt aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, onder i, van het Besluit ruimtelijke ordening kort verblijf: een verblijf in een verblijfsrecreatieve accommodatie met een duur van maximaal zes maanden kwaliteitscriteria vergunningverlening, toezicht en handhaving: de in landelijke samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkelde en beschikbaar gestelde vigerende kwaliteitscriteria vergunningverlening, toezicht en handhaving inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van organisaties die zijn belast met de uitvoering en handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en van de wetten, bedoeld in artikel 5.1 van deze wet, voor zover bij of krachtens de genoemde wetten is bepaald dat hoofdstuk 5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is kwetsbaar gewas: de onder ‘landbouw’ en ‘vollegrondsgroenteteelt’ beschreven teelten, met uitzondering van niet kwetsbare gewassen kwetsbaar object: kwetsbaar object als bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen ladingtank: tank vast verbonden met een binnenschip waarvan de wanden hetzij door de scheepsromp zelf, hetzij door van de scheepsromp onafhankelijke wanden zijn gevormd landbouw: akkerbouw, weidebouw, veehouderij, pluimveehouderij, tuinbouw - daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen - en elke andere vorm van bodemcultuur in Nederland landbouwkundige bewerkingen: werkzaamheden in verband met de normale uitvoering van het teeltplan als ploegen, eggen, frezen, egaliseren en scheuren</p>\n<p class=\"lf-p\">landschappelijke waarden: de essentiële elementen en kenmerken van landschappen maaiveldcriterium: het oppervlak van een gebied dat buiten beschouwing kan worden gelaten bij de berekening van de kans op een overstroming manege: een bedrijf gericht op het lesgeven in paardrijden aan derden en daarvoor paarden houdt melding Vuurwerkbesluit: melding als bedoeld in het vuurwerkbesluit, artikel 3B.4, onderdeel 4, met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk milieucontour: grafische weergave van de bestaande milieugebruiksruimte milieugebruiksruimte: milieugevolgen van activiteiten van bedrijven, welke milieugevolgen zijn toegestaan op basis van een vergunning, algemene regel of andere toestemming van overheidswege milieugevoelig object: een geluidsgevoelig object, een beperkt kwetsbaar object, een kwetsbaar object, een geurgevoelig object, een minder geurgevoelig object of een overig geurgevoelig object minder geurgevoelig object: minder geurgevoelig object als bedoeld in de Beleidsregel beoordeling geurhinder inrichtingen provincie Noord-Holland monument: onroerende zaak die als cultureel erfgoed van belang is voor de provincie Noord-Holland wegens haar cultuurhistorische waarde natuurbouwprojecten: eenmalige inrichtingsmaatregelen, die tot doel hebben de natuurlijke gesteldheid van een terrein te herstellen, te versterken of te ontwikkelen, die geen deel uitmaken van normaal onderhoud en die een omvorming van bestaande natuur tot gevolg hebben natura 2000-gebied: gebied als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet natuurbescherming nautisch beheerder: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 2 van de Scheepvaartverkeerswet nazorgmaatregelen: de voorzieningen ter bescherming van het milieu, bedoeld in artikel 8.49, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer nazorgplan: een nazorgplan als bedoeld in artikel 39d van de Wet bodembescherming niet-kwetsbaar gewas: weide-, hooi- of graszaadpercelen waarvan het grasgewas minimaal zes maanden oud is en granen en graszaad vanaf afrijping (vanaf 1 juni) oever (vaarweg): de langs een vaarweg aanwezige natuurlijke overgang van water naar land of de aangebrachte oevervoorziening met inbegrip van de daarvoor benodigde verankering opschalen (windturbines): vervanging van een windturbine door een windturbine met een groter opgesteld vermogen onderhoudsplichtige (vaarwegen): de natuurlijke of rechtspersoon, die op grond van de wet of enige andere wet, concessie, eigendom, overeenkomst of anderszins de verplichting heeft ervoor te zorgen dat de vaarweg en daarbij behorende oever en werk onderhouden wordt</p>\n<p class=\"lf-p\">ontbrandingstoestemming: toestemming als bedoeld in hoofdstuk 3b van het vuurwerkbesluit ontgassen: afvoeren van restladingdamp uit een ladingtank waarbij restladingdampen terechtkomen in de open lucht ontgronding: werkzaamheid die iets aan of in de hoogteligging van een terrein verandert of die de bodem van een water verlaagt oppervlaktewaterlichaam: samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water als bedoel in artikel 1.1. van de Waterwet opstelling voor zonne-energie: een samenstel van bouwwerken op het maaiveld, ten behoeve van het opwekken van elektriciteit of warmte door het opvangen van de straling van de zon overig geurgevoelig object: overig geurgevoelig object als bedoeld in de Beleidsregel beoordeling geurhinder inrichtingen provincie Noord-Holland peilbesluit: besluit als bedoeld in artikel 5.2 van de Waterwet preventief middel: middel dat kan worden ingezet om de in het geding zijnde belangen te beschermen zonder de betrokken dieren te doden of te verwonden productiegerichte paardenhouderij: een agrarisch bedrijf gericht op het houden van paarden, waarbij uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan en met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voortbrengen, africhten, trainen en verhandelen van paarden provinciale weg: een openbare weg, zoals bedoeld in de Wegenverkeerswet en Wegenwet, in wegbeheer bij de provincie Noord-Holland, met inbegrip van: de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen en andere zich in de nabij van die wegen bevindende of daarmee rechtstreeks verbonden verkeersvoorzieningen en inclusief de vrijwaringszone redengevende omschrijving: de beschrijving van het monument en de motivering van de aanwijzing tot beschermd monument, dan wel beschermde structuur referentieniveau omgevingsgeluid: het niveau dat 95% van de tijd wordt overschreden conform het bepaalde in de ICG publicatie IL-HR-15-01 (1981) regionaal waterplan: plan als bedoeld in artikel 4.4 van de Waterwet</p></div>", "next": 239899}