{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">een beschrijving van de mate waarin de belangen ten behoeve waarvan de handelingen worden verricht zijn geschaad in de zes jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan; en per diersoort en gewas een beschrijving van de effectiviteit van de handelingen, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn. voor zover het faunabeheerplan betrekking heeft op het beheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie van de betrokken dierensoorten alsmede de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen; een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel g bedoelde handelingen zullen plaatsvinden; bepalingen over de voorwaarden waaronder het mogelijk is om gebruik te maken van een aan de faunabeheereenheid verleende omgevingsvergunning op gronden van jachthouders die niet bij de faunabeheereenheid zijn aangesloten, mits die gronden binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid vallen en voor zover die gronden plaatsen als bedoeld in onderdeel h omvatten waar planmatig beheer noodzakelijk is; en per beheermaatregel een aanduiding welk wettelijk belang, als bedoeld in artikel 8.74j, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4° voor vogels, artikel 8.74k, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 3° voor habitatrichtlijnsoorten, en artikel 8.74l, eerste lid, onderdeel b, onder 7° tot en met 13° voor andere soorten, van het Besluit kwaliteit leefomgeving deze activiteit dient.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-66\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.6</span><span class=\"lf-art-t\">Eisen aan een faunabeheerplan - bestrijding van schade</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien sprake is van schadebestrijding, bevat een faunabeheerplan tevens: een beschrijving van de planmatige en gecoördineerde uitvoering van het duurzaam beheer van populaties; kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten ten aanzien waarvan sprake is van schadebestrijding door grondgebruikers met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied; een onderbouwing van de noodzaak van schadebestrijding van de in onderdeel b bedoelde diersoorten, waaronder een onderbouwing van de schade aan de doelstellingen als bedoeld in artikel 8.74j, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4° voor vogels, artikel 8.74k, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 3° voor habitatrichtlijnsoorten, en artikel 8.74l, eerste lid, onderdeel b, onder 7° tot en met 13° voor andere soorten, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel c bedoelde belangen in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad; per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan, zijn verricht om het schaden van de in artikel 8.74j, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4° voor vogels, artikel 8.74k, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 3° voor habitatrichtlijnsoorten, en artikel 8.74l, eerste lid, onderdeel b, onder 7° tot en met 13° voor andere soorten, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde belangen te voorkomen, alsmede, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen; een beschrijving van de staat van instandhouding en hoe de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd wordt; per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de schade zoals bedoeld in onderdeel c te voorkomen dan wel te beperken; voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de in onderdeel g bedoelde handelingen; een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen handelingen zal worden bepaald; een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel g bedoelde handelingen zullen plaatsvinden; bepalingen over de voorwaarden waaronder het mogelijk is om gebruik te maken van een aan de faunabeheereenheid verleende omgevingsvergunning op gronden van jachthouders die niet bij de faunabeheereenheid zijn aangesloten, mits die gronden binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid vallen en voor zover die gronden plaatsen als bedoeld in onderdeel j omvatten waar planmatig beheer noodzakelijk is;</p>\n<p class=\"lf-p\">per beheermaatregel een aanduiding welk wettelijk belang, zoals uiteengezet in artikel 8.74j, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4° voor vogels, artikel 8.74k, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 3° voor habitatrichtlijnsoorten, en artikel 8.74l, eerste lid, onderdeel b, onder 7° tot en met 13° voor andere soorten, van het Besluit kwaliteit leefomgeving deze activiteit dient; en een gestructureerd plan waarin de inzet van passende en doeltreffende preventieve maatregelen wordt beschreven waarmee schade wordt voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-67\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.7</span><span class=\"lf-art-t\">Eisen aan een faunabeheerplan – uitoefening jacht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een faunabeheerplan bevat met betrekking tot de uitoefening van de jacht tevens: kwantitatieve gegevens over de populatieontwikkeling van de diersoorten ten aanzien waarvan de uitoefening van de jacht plaatsvindt; en een overzicht van de gerealiseerde afschotgegevens per diersoort in de looptijd van het voorgaande faunabeheerplan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-68\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.8</span><span class=\"lf-art-t\">Uitzonderingsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen in bijzondere situaties in individuele gevallen besluiten om geen toepassing te geven aan, dan wel af te wijken van, een of meerdere bepalingen van deze paragraaf, voor zover toepassing van die bepalingen, gelet op de betrokken belangen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf6.1.4Actieprogramma geluid</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6.2 Omgevingsplannen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf6.2.1Algemeen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-69\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.9</span><span class=\"lf-art-t\">Uitvoeringstermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(gereserveerd)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-610\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.10</span><span class=\"lf-art-t\">Bestaande situaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Voor zover in deze afdeling gebruik wordt gemaakt van het begrip bestaand wordt hieronder begrepen: op het tijdstip van inwerkingtreding van de betreffende bepaling rechtmatig aanwezig; op het tijdstip van inwerkingtreding van de betreffende bepaling op grond van een omgevingsvergunning toegestaan of waarvoor op dat tijdstip een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend die op grond van het toepasselijke omgevingsplan moet of kan worden verleend; of op het tijdstip van inwerkingtreding van de betreffende bepaling op grond van een geldend omgevingsplan toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien het eerste lid van toepassing is op bebouwing, kan het omgevingsplan het vervangen van deze bebouwing door bebouwing van gelijke aard en omvang toestaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-611\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.11</span><span class=\"lf-art-t\">Ontheffingsbevoegdheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen als bedoeld in artikel 2.32, eerste lid van de Omgevingswet, van de regels in afdeling 6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Gedeputeerde Staten kunnen aan de ontheffing als bedoeld in het eerste lid voorschriften verbinden indien de belangen die gediend worden met de regels waarvan ontheffing wordt verleend dat noodzakelijk maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Een verleende ontheffing vervalt indien niet binnen twee jaar na het verlenen van de ontheffing een omgevingsplan is vastgesteld met gebruikmaking van de ontheffing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Een aanvraag om een ontheffing bevat in ieder geval: een beschrijving van de redenen waarom ontheffing wordt gevraagd; een beschrijving van de mogelijke gevolgen van de ontheffing voor het belang dat beschermd wordt door de regels waarvan ontheffing wordt gevraagd; een verbeelding van het beoogde werkingsgebied van de gevraagde ontheffing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf6.2.2Stedelijke functies Subparagraaf 6.2.2.1 Algemeen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-612\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.12</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Landelijk gebied Deze paragraaf gaat over: nieuwe stedelijke ontwikkelingen voor het gehele provinciale grondgebied; voormalige agrarische bouwpercelen in het werkingsgebied landelijk gebied ; en kleinschalige ontwikkelingen, niet zijnde kleinschalige woningbouwontwikkelingen, in het werkingsgebied landelijk gebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-613\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.13</span><span class=\"lf-art-t\">Nieuwe stedelijke ontwikkelingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Een omgevingsplan kan uitsluitend voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio daarover gemaakte schriftelijke afspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten regels stellen over de afspraken bedoeld in het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-614\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.14</span><span class=\"lf-art-t\">Kleinschalige ontwikkelingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Landelijk gebied Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied Landelijk gebied kan het uitsluitend voorzien in een kleinschalige ontwikkeling, niet zijnde een kleinschalige woningbouwontwikkeling, als: de ontwikkeling plaatsvindt op een locatie waar stedelijke activiteiten zijn toegestaan; het toegestane bebouwd oppervlak niet wordt vergroot; en het aantal burgerwoningen niet toeneemt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-615\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.15</span><span class=\"lf-art-t\">Voormalige agrarische bouwpercelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Landelijk gebied Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied Landelijk gebied kan het voorzien in de mogelijkheid dat de rechtmatig aanwezige bebouwing op een voormalig agrarisch bouwperceel, inclusief de agrarische bedrijfswoning(en) en uitgezonderd kassen, wordt gebruikt voor kleinschalige vormen van bijzondere huisvesting, werken, recreatie, gebruiksgerichte paardenhouderij of zorgactiviteiten, indien: sprake is van volledige beëindiging van het agrarisch bedrijf; deze activiteiten de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven niet beperken; er geen buitenopslag buiten het bouwperceel plaatsvindt; deze activiteiten aantoonbaar geen onevenredige verkeer aantrekkende werking hebben en er sprake is van een acceptabele verkeerssituatie; benodigde parkeerplaatsen op het eigen bouwperceel worden gerealiseerd; in geval van bijzondere huisvesting uitsluitend sprake is van afhankelijke woonruimten of woningen als onderdeel van zorgactiviteiten; en in geval van verblijfsrecreatie permanente bewoning wordt verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In aanvulling op het eerste lid kan bij een gebruiksgerichte paardenhouderij worden voorzien in een paardenbak, indien deze wordt gerealiseerd binnen het voormalige agrarische bouwperceel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het omgevingsplan kan voorzien in het toestaan van een burgerwoning, indien: sprake is van een rechtmatig aanwezige agrarische bedrijfswoning; de woonactiviteit de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven niet beperkt; sprake is van volledige beëindiging van het agrarisch bedrijf; en de overige bedrijfsbebouwing op de betreffende locatie wordt gesloopt en herbouw in het omgevingsplan onmogelijk wordt gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 In aanvulling op het derde lid kan het omgevingsplan voorzien in het toestaan van een tweede burgerwoning, indien meer dan 1.000 m² grondoppervlakte aan rechtmatig aanwezige bebouwing op de betreffende locatie wordt gesloopt en herbouw in het omgevingsplan onmogelijk wordt gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 In aanvulling op het derde lid kan een omgevingsplan voorzien in het toestaan van meerdere burgerwoningen, indien deze worden gerealiseerd in een bestaande karakteristieke boerderij en geen afbreuk wordt gedaan aan het oorspronkelijke karakter van de bebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 In aanvulling op het vierde lid kan het omgevingsplan voorzien in een derde burgerwoning indien in de motivering wordt onderbouwd dat deze derde burgerwoning noodzakelijk is om een substantiële verbetering van de omgevingskwaliteit op de betreffende locatie mogelijk te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Afwijking van het in het vierde lid genoemde aantal of oppervlakte is mogelijk indien toepassing wordt gegeven aan een gemeentelijk of intergemeentelijk vereveningsfonds.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten nadere regels kunnen stellen over de aard en omvang van de in het eerste lid genoemde activiteiten en over de toepassing van het zesde lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-616\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.16</span><span class=\"lf-art-t\">Schuilstallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Landelijk gebied Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied Landelijk gebied kan het voorzien in de bouw van een schuilstal, als: deze uitsluitend is bedoeld als schuilvoorziening voor dieren voor weersomstandigheden; het grondoppervlak van de schuilstal niet meer bedraagt dan 30 m2; en er niet meer dan één schuilstal per perceel met een minimumomvang van 5.000 m2 wordt gebouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 6.2.2.2 Kleinschalige woningbouwontwikkeling en transformatie naar woningbouw in landelijk gebied</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-617\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.17</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Landelijk gebied Deze subparagraaf gaat over:</p>\n<p class=\"lf-p\">Kleinschalige woningbouwontwikkeling in het werkingsgebied Landelijk gebied ; transformatie van stedelijke voorzieningen naar wonen in het werkingsgebied Landelijk gebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-618\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.18</span><span class=\"lf-art-t\">MRA landelijk gebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 MRA - Landelijk gebied Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied MRA - Landelijk gebied voorziet het niet in een kleinschalige woningbouwontwikkeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Agrarische bedrijven In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan voorzien in maximaal twee burgerwoningen op een locatie waar sprake is van rechtmatig aanwezige bebouwing voor een andere stedelijke voorziening, indien: op de locatie ten minste één bedrijfswoning rechtmatig aanwezig is; de woonactiviteit de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omringende agrarische bedrijven niet beperkt; sprake is van volledige beëindiging van de bestaande stedelijke voorziening; de overige bedrijfsbebouwing op de betreffende locatie wordt gesloopt en herbouw in het omgevingsplan onmogelijk wordt gemaakt; en voor een tweede burgerwoning meer dan 1.500 m² grondoppervlakte aan rechtmatig aanwezige bedrijfsbebouwing op de betreffende locatie wordt gesloopt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-619\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.19</span><span class=\"lf-art-t\">Noord-Holland Noord landelijk gebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Noord-Holland Noord - Landelijk gebied Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied Noord-Holland Noord - Landelijk gebied kan het alleen voorzien in een kleinschalige woningbouwontwikkeling als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio daarover gemaakte schriftelijke afspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De in het eerste lid genoemde afspraken kunnen alleen afspraken bevatten over locaties die zijn gelegen in of aan kernen of in of aan dorpslinten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan voorzien in maximaal twee burgerwoningen op een locatie waar sprake is van rechtmatig aanwezige bebouwing voor een andere stedelijke voorziening, indien: de locatie ten minste één bedrijfswoning rechtmatig aanwezig is; de woonactiviteit de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omringende agrarische bedrijven niet beperkt; sprake is van volledige beëindiging van de bestaande stedelijke voorziening; de overige bedrijfsbebouwing op de betreffende locatie wordt gesloopt en herbouw in het omgevingsplan onmogelijk wordt gemaakt; en voor een tweede burgerwoning meer dan 1.500 m² grondoppervlakte aan rechtmatig aanwezige bedrijfsbebouwing op de betreffende locatie wordt gesloopt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten regels kunnen stellen over de afspraken bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 6.2.2.3 Detailhandel</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-620\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.20</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf gaat over detailhandel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-621\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.21</span><span class=\"lf-art-t\">Detailhandel algemeen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Een omgevingsplan maakt geen nieuwe detailhandelsbedrijven buiten bestaande winkelgebieden mogelijk, tenzij wordt gemotiveerd dat dit niet leidt tot ruimtelijk relevante leegstand van bestaande winkelgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Een omgevingsplan kan alleen uitbreiding van detailhandel van meer dan 1.500 m2 winkelvloeroppervlak binnen of aansluitend op bestaande winkelgebieden mogelijk maken, als: wordt gemotiveerd dat dit niet leidt tot ruimtelijk relevante leegstand in bestaande winkelgebieden; en de regionale adviescommissie detailhandel hierover advies heeft uitgebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Bij bestaande winkelgebieden die groter zijn 25.000 m2 winkelvloeroppervlak geldt het gestelde in het tweede lid bij uitbreiding van detailhandel met meer dan 3.000 m2 winkelvloeroppervlak.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-622\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.22</span><span class=\"lf-art-t\">Detailhandel op bedrijventerreinen en kantoorlocaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Een omgevingsplan kan alleen nieuwe detailhandel mogelijk maken op bedrijventerreinen of kantoorlocaties, indien sprake is van detailhandel in de vorm van: een afhaalpunt ten behoeve van internethandel; detailhandel die zowel bedrijfseconomisch als ruimtelijk ondergeschikt is aan de toegelaten bedrijfsuitoefening en daarop nauw aansluit; brand- of explosiegevaarlijke detailhandel; of Volumineuze detailhandel indien deze in winkelgebieden uit een oogpunt van hinder, veiligheid of verkeersaantrekkende werking niet inpasbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Als het totaal winkelvloeroppervlak van de nieuwe volumineuze detailhandel meer dan 1.500 m2 bedraagt, geldt aanvullend dat: dit aantoonbaar niet leidt tot ruimtelijk relevante leegstand in bestaande winkelgebieden ; en de regionale adviescommissie detailhandel hierover advies heeft uitgebracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-623\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.23</span><span class=\"lf-art-t\">Detailhandel in landelijk gebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Landelijk gebied Een omgevingsplan maakt ter plaatse van het werkingsgebied Landelijk gebied geen nieuwe detailhandelsbedrijven mogelijk, tenzij deze onderdeel vormt van een nieuw winkelgebied in een grootschalige stads- of dorpsontwikkeling; wordt gemotiveerd dat dit niet leidt tot ruimtelijk relevante leegstand van bestaande winkelgebieden ; en bij nieuwe detailhandel van meer dan 1.500 m2 winkelvloeroppervlak de regionale adviescommissie detailhandel hierover advies heeft uitgebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 6.2.2.4 Verblijfsrecreatie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-624\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.24</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf gaat over bestaande en nieuwe verblijfsrecreatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-625\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.25</span><span class=\"lf-art-t\">Verblijfsrecreatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Landelijk gebied Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied Landelijk gebied borgt het bij bestaande en nieuwe verblijfsrecreatie de geformuleerde ambities van de binnen een regio opgestelde afspraken voor verblijfsrecreatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het omgevingsplan voorziet bij bestaande en nieuwe verblijfsrecreatie alleen in de mogelijkheid voor kort verblijf waarbij de verblijfsrecreant elders een hoofdverblijf heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het omgevingsplan stelt voor reeds bestaande bedrijfsmatig geëxploiteerde parken en alle nieuw te vestigen verblijfsrecreatie regels ter waarborging van een bedrijfsmatige exploitatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-626\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.26</span><span class=\"lf-art-t\">Tijdelijke regel transformatie recreatieparken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Noord-Holland Noord - Landelijk gebied Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied Noord-Holland Noord - Landelijk gebied kan het voorzien in de transformatie van een rechtmatig aanwezig recreatiepark naar een stedelijke voorziening, indien: het betreffende omgevingsplan wordt vastgesteld voor 1 januari 2027; in de motivering van het omgevingsplan wordt onderbouwd dat voortzetting van het recreatief gebruik onvoldoende economisch draagvlak heeft; de fysieke uitstraling van de locatie op de omgeving naar aard en omvang gelijkwaardig blijft, waarbij het toegestane bebouwde oppervlak in ieder geval niet mag toenemen; en sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Bij toepassing van het eerste lid kan worden afgeweken van Artikel 6.19 , tweede Lid en Artikel 6.19 , derde Lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het omgevingsplan kan voorzien in de transformatie van een rechtmatig aanwezig recreatiepark naar een tijdelijke stedelijke voorziening, indien: het betreffende omgevingsplan wordt vastgesteld voor 1 januari 2027; in de motivering van het omgevingsplan wordt onderbouwd dat voortzetting van het recreatief gebruik onvoldoende economisch draagvlak heeft; in de motivering van het omgevingsplan wordt onderbouwd dat de realisatie van de tijdelijke stedelijke voorziening noodzakelijk is voor de economische uitvoerbaarheid van de omzetting naar een niet-stedelijke voorziening; het een tijdelijke stedelijke voorziening betreft met een instandhoudingstermijn van ten hoogste 10 jaar; het omgevingsplan borgt dat het recreatiepark na deze termijn wordt omgezet in een niet-stedelijke voorziening; en sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Bij toepassing van het derde lid kan worden afgeweken van Artikel 6.13, Artikel 6.19 , tweede Lid en Artikel 6.19 , derde Lid en Artikel 6.59 , tweede Lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten regels kunnen stellen over de toepassing van dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 6.2.2.5 Logiesactiviteiten op bedrijventerreinen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-627\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.27</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf gaat over het toestaan van logiesactiviteiten ten behoeve van werknemers op bedrijventerreinen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-628\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.28</span><span class=\"lf-art-t\">Logiesactiviteiten werknemers bedrijventerrein</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Een omgevingsplan kan alleen logiesactiviteiten ten behoeve van werknemers op een bedrijventerrein mogelijk maken indien: de logiesactiviteiten zien op kort verblijf ; op de locatie kan worden voorzien in een aanvaardbaar leef-/verblijfklimaat, mede gelet op de situering van de logiesactiviteiten op het bedrijventerrein en de aanwezigheid van stedelijke voorzieningen in de nabije omgeving; omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd; en de logiesactiviteiten worden toegestaan voor een periode van maximaal 10 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In het omgevingsplan wordt in de toelichting gemotiveerd dat: wordt voorzien in een regionale behoefte aan logiesplekken ten behoeve van werknemers; en de locatie van de logiesactiviteiten niet benodigd is voor het bedrijventerrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 6.2.2.6 Industrieterreinen van provinciaal belang</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-629\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.29</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf gaat over industrieterreinen van provinciaal belang in het Noordzeekanaalgebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-630\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.30</span><span class=\"lf-art-t\">Industrieterreinen van provinciaal belang in het Noordzeekanaalgebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Industrieterrein van provinciaal belang Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied Industrieterrein van provinciaal belang, wordt de hoogst mogelijke milieucategorie van de staat van bedrijfsactiviteiten niet verlaagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het omgevingsplan voorziet, indien bedrijven met milieucategorie 4.1 of hoger van de staat van bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan, alleen in een nieuwe activiteit of wijziging van een bestaande activiteit: ten behoeve van de energietransitie of circulaire activiteiten en bedrijven; of ten behoeve van havengebonden of havengerelateerde activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 In afwijking van het tweede lid is het tijdelijk gebruik van gronden toegestaan, indien het gebruik: de benodigde fysieke en milieugebruiksruimte voor de energietransitie, circulaire activiteiten en bedrijven of havengebonden of havengerelateerde activiteiten niet beperkt; en ten hoogste vijf jaar duurt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-631\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.31</span><span class=\"lf-art-t\">Milieucontour industrieterrein van provinciaal belang</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Milieucontour industrieterrein van provinciaal belang Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied Milieucontour industrieterrein van provinciaal belang , voorziet het alleen in een nieuwe activiteit of wijziging van een bestaande activiteit, als: er geen beperkingen optreden voor de bestaande milieugebruiksruimte voor geluid, geur of omgevingsveiligheid voor bedrijven op het industrieterrein van provinciaal belang; en in het geval van woningen of andere milieugevoelige objecten: rekening wordt gehouden met de milieubelasting van het industrieterrein van provinciaal belang op de desbetreffende locatie; en de redenen worden vermeld om op de desbetreffende locatie een nieuw milieugevoelig object toe te staan, voorzien van een afweging over de verwachte kwaliteit van de leefomgeving, de aan de zijde van de ontvanger zo nodig te treffen maatregelen alsmede de uitkomsten van onderzoek naar de haalbaarheid van die maatregelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-632\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.32</span><span class=\"lf-art-t\">Transformatiegebied industrieterrein van provinciaal belang</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Transformatiegebied industrieterrein van provinciaal belang Voor zover een omgevingsplan betrekking heeft op het werkingsgebied Transformatiegebied industrieterrein van provinciaal belang is Artikel 6.31 van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 6.2.2.7 Wonen binnen de LIB 5 zone Schiphol</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-633\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.33</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">LIB 5 zone Schiphol Deze subparagraaf ziet op het toevoegen van woningen binnen de LIB 5 zone Schiphol, zijnde het afwegingsgebied 5 zoals bedoeld in het Luchthavenindelingbesluit Schiphol.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-634\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.34</span><span class=\"lf-art-t\">Woningen binnen de LIB 5 zone Schiphol</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">LIB 5 zone Schiphol Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied LIB 5 zone Schiphol staat het alleen nieuwe woningen toe, als in de motivering van het omgevingsplan rekenschap wordt gegeven van het feit dat op de betreffende locatie sprake is van geluid vanwege het luchtverkeer en de redenen worden vermeld die er toe hebben geleid om op de betreffende locatie nieuwe woningen toe te staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf6.2.3Duurzame energie Subparagraaf 6.2.3.1 Windenergie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-635\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.35</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf gaat over het bouwen, opschalen en vervangen van windturbines.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-636\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.36</span><span class=\"lf-art-t\">Windturbines in RES zoekgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Zoekgebieden wind en wind en zon RES 1 Een omgevingsplan mag uitsluitend ter plaatse van het werkingsgebied Zoekgebieden wind en wind en zon RES 1 voorzien in het bouwen, vervangen of opschalen van een of meer windturbines met een rotordiameter van meer dan 5 meter of een ashoogte van meer dan 7 meter als; de windturbines zorgvuldig ruimtelijk worden ingepast; aan de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling om advies wordt gevraagd over de locatieafweging en de ruimtelijke inpassing van de windturbines .</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten regels kunnen stellen over de zorgvuldige ruimtelijke inpassing als bedoeld in het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-637\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.37</span><span class=\"lf-art-t\">Kleine windturbines in landelijk gebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Landelijk gebied Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied Landelijk gebied kan het, in afwijking van Artikel 6.36 , ook buiten de zoekgebieden zoals opgenomen in de Regionale energiestrategieën Noord-Holland Noord 1.0 en Noord-Holland Zuid 1.0 voorzien in de bouw van één windturbine, als: de windturbine wordt gebouwd op een agrarisch bouwperceel of op een bouwperceel van ten minste 1 hectare waar een stedelijke activiteit is toegestaan; de ashoogte niet meer bedraagt dan 15 meter vanaf het maaiveld; de windturbine in landschappelijk opzicht aansluit op de bijbehorende bebouwing ; en de windturbine zorgvuldig ruimtelijk wordt ingepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten regels kunnen stellen over de zorgvuldige ruimtelijke inpassing als bedoeld in het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-638\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.38</span><span class=\"lf-art-t\">Vervanging windturbines</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van Artikel 6.36 kan een omgevingsplan ook buiten de zoekgebieden zoals opgenomen in de Regionale energiestrategieën Noord-Holland Noord 1.0 en Noord-Holland Zuid 1.0 vervanging van een of meer met vergunning gebouwde windturbines mogelijk maken mits sprake is van eenzelfde aantal of minder windturbines met eenzelfde, vergelijkbare of geringere ashoogte, rotordiameter en verschijningsvorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 6.2.3.2 Zonne-energie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-639\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.39</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Landelijk gebied Deze subparagraaf gaat over het oprichten van opstellingen voor zonne-energie in het werkingsgebied Landelijk gebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-640\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.40</span><span class=\"lf-art-t\">Opstellingen voor zonne-energie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Landelijk gebied Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied Landelijk gebied is het oprichten van een of meer opstellingen voor zonne-energie uitsluitend mogelijk als: een termijnstelling geldt van maximaal 25 jaar, waarbij geldt dat na het verstrijken van deze termijn de bestaande toestand wordt hersteld; en voor het gestelde onder a financiële zekerheid wordt gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Landelijk gebied De termijnstelling als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op het oprichten van een of meer opstellingen voor zonne-energie op locaties die in gebruik zijn als nutsvoorziening, voor de waterhuishouding, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of infrastructuur voor het weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer, niet zijnde leidingtracés voor gas, water of elektriciteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Landelijk gebied In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten regels kunnen stellen ten aanzien van het bepaalde in het eerste en tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf6.2.4Land- en tuinbouw</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-641\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.41</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf gaat over de land- en tuinbouw en daarmee samenhangende activiteiten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-642\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.42</span><span class=\"lf-art-t\">Agrarische bedrijven</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Agrarische bedrijven Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied agrarische bedrijven kan het voorzien in agrarische bedrijven , waarbij geldt dat: nieuwe glastuinbouwbedrijven niet zijn toegestaan; nieuwe zaadveredelingsbedrijven niet zijn toegestaan; bebouwing wordt geconcentreerd in een bouwperceel, waarbij de omvang van het bouwperceel ten hoogste 2 hectare bedraagt; bij het toestaan van een nieuw bouwperceel wordt gemotiveerd waarom niet op bestaande bouwpercelen in de behoefte kan worden voorzien, waarbij ingegaan wordt op de mogelijkheden tot hergebruik van bouwpercelen die niet meer voor agrarische activiteiten worden benut en op het combineren van agrarische activiteiten op bestaande bouwpercelen; in afwijking van onderdeel c een omvang van het bouwperceel van meer dan 2 hectare is toegestaan, indien de uitbreiding noodzakelijk is voor het agrarisch productieproces en het geen glastuinbouwbedrijf betreft; in afwijking van onderdeel c een omvang van het bouwperceel voor een glastuinbouwbedrijf van meer dan 2 hectare is toegestaan, indien het bedrijf grenst aan bestaand stedelijk gebied, niet grenst aan andere glastuinbouwbedrijven , sprake is van grondgebonden teelt en sprake is van aantoonbare duurzame synergie met aangrenzende stedelijke functies ; per volwaardig agrarisch bedrijf ten hoogste één bedrijfswoning kan worden toegestaan; in afwijking van onderdeel g een extra bedrijfswoning kan worden toegestaan, indien dit noodzakelijk is voor het toezicht op de bedrijfsvoering; kan worden voorzien in logiesactiviteiten ten behoeve van werknemers, indien; de huisvesting wordt voorzien binnen het bouwperceel; en het een ondergeschikte activiteit ten behoeve van een volwaardig agrarisch bedrijf betreft; indien het agrarisch bedrijf is gelegen in veenpolderlandschap, het omgevingsplan een verbod bevat op het scheuren van grasland.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Niet-agrarische bedrijfsactiviteiten zijn als onderdeel van een agrarisch bedrijf toegestaan, waarbij geldt dat: uitsluitend kleinschalige vormen van bijzondere huisvesting, werken, recreatie, gebruiksgerichte paardenhouderij, detailhandel en zorgactiviteiten zijn toegestaan; en de omvang past binnen de op basis van het eerste lid bepaalde omvang van het bouwperceel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Agrarisch aanverwante bedrijven zijn als zelfstandig bedrijf toegestaan, indien: het een uitbreiding van een bestaand agrarisch aanverwant bedrijf betreft; het een verplaatsing van een bestaand agrarisch aanverwant bedrijf betreft en gemotiveerd wordt waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in de regio in de verplaatsing kan worden voorzien en waarom hergebruik van percelen die niet meer voor de agrarische functie worden benut niet mogelijk is; en de omvang van een bouwperceel na toepassing van onderdeel a of onderdeel b ten hoogste 2 hectare bedraagt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-643\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.43</span><span class=\"lf-art-t\">Intensieve veehouderij</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Een omgevingsplan voorziet niet in de nieuwvestiging van intensieve veehouderij of de al dan niet gedeeltelijke omschakeling van bestaande agrarische bedrijven naar intensieve veehouderij.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In afwijking van het eerste lid is vestiging van intensieve veehouderij mogelijk indien dit zich richt op verplaatsing van op 30 november 2011 in Noord-Holland bestaande intensieve veehouderij.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een bestaande intensieve veehouderij zoals bedoeld in het tweede lid, geldt bij uitbreiding dat ten hoogste één bouwlaag gebruikt mag worden voor het houden van dieren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-644\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.44</span><span class=\"lf-art-t\">Geitenhouderijen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Een omgevingsplan voorziet niet in: nieuwvestiging van geitenhouderijen, al dan niet als neventak; het geheel of gedeeltelijk wijzigen van een agrarisch bedrijf naar geitenhouderij; of het uitbreiden van een geitenhouderij, door het aantal geiten dat wordt gehouden te vergroten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de bepaling van het aantal aanwezige geiten als bedoeld in het eerste lid, kan gebruik worden gemaakt van het aantal geiten zoals opgenomen in: een melding als bedoeld in artikel 4.808 van het Besluit activiteiten leefomgeving indien deze melding heeft plaatsgevonden vóór 12 december 2018; of het I&amp;R-systeem zoals bedoeld in de Regeling identificatie en registratie van dieren of een daarmee gelijk te stellen registratiesysteem indien deze registratie heeft plaatsgevonden vóór 12 december 2018.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-645\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.45</span><span class=\"lf-art-t\">Grondbewerkingen voor permanente bollenteelt toegestaan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Grondbewerkingen voor permanente bollenteelt toegestaan Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied Grondbewerkingen voor permanente bollenteelt toegestaan kan het grondbewerkingen zoals bezanden, omzetten en opspuiten ten behoeve van de permanente bollenteelt toestaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-646\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.46</span><span class=\"lf-art-t\">Grondbewerkingen voor permanente bollenteelt uitgesloten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Grondbewerkingen voor permanente bollenteelt uitgesloten Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied Grondbewerkingen voor permanente bollenteelt uitgesloten , sluit het grondbewerkingen zoals bezanden, omzetten en opspuiten ten behoeve van de permanente bollenteelt uit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-647\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.47</span><span class=\"lf-art-t\">Glastuinbouwconcentratiegebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Glastuinbouwconcentratiegebied Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied glastuinbouwconcentratiegebied kan het voorzien in glastuinbouwbedrijven, waarbij geldt dat: er geen maximum omvang van het bouwperceel geldt. de bebouwing op het bouwperceel, met uitzondering van de bedrijfswoning bedoeld onder d, voor ten minste 85% bestaat uit kassen. in afwijking van onderdeel b kan het daar genoemde percentage worden verlaagd tot 70% indien dit noodzakelijk is voor bedrijfsfuncties gericht op zaadveredeling, plantveredeling of scholing of onderzoek ten behoeve van de glastuinbouw. per volwaardig glastuinbouwbedrijf ten hoogste één bedrijfswoning wordt toegestaan. nieuwe burgerwoningen, waaronder de omzetting van bedrijfswoningen naar burgerwoningen, niet zijn toegestaan. andere agrarische bedrijven dan glastuinbouwbedrijven zijn toegestaan, waarbij Artikel 6.42 , eerste Lid onderdeel b tot en met i van overeenkomstige toepassing is, met dien verstande dat de extra bedrijfswoning zoals bedoeld in onderdeel h niet is toegestaan. niet-agrarische bedrijfsactiviteiten als onderdeel van een agrarisch bedrijf, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf, zijn toegestaan, waarbij Artikel 6.42 , tweede Lid van overeenkomstige toepassing is en aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het werkingsgebied Glastuinbouwconcentratiegebied voor glastuinbouw. kan worden voorzien in logiesactiviteiten ten behoeve van werknemers, indien; de huisvesting wordt voorzien binnen het bouwperceel; en het een ondergeschikte activiteit ten behoeve van een volwaardig glastuinbouwbedrijf betreft; niet-agrarische bedrijfsactiviteiten als onderdeel van glastuinbouwbedrijven zijn toegestaan indien: deze functies noodzakelijk zijn voor het primaire productieproces glastuinbouw; deze functies aantoonbaar bijdragen aan de verduurzaming van het primaire glastuinbouwbedrijf; of deze functies gericht zijn op zaadveredeling, plantenveredeling, scholing en onderzoek ten behoeve van de glastuinbouw Niet-agrarische bedrijfsactiviteiten zijn als zelfstandig bedrijf toegestaan, indien: het een uitbreiding van een bestaand agrarisch aanverwant bedrijf betreft waarbij de omvang van het bouwperceel na uitbreiding ten hoogste 2 hectare bedraagt; deze primair gericht zijn op de verduurzaming van aanwezige glastuinbouwbedrijven en het verduurzamingsdoel niet in dezelfde mate bereikt kan worden door vestiging buiten het glastuinbouwconcentratiegebied en aangetoond wordt dat geen aantasting plaatsvindt van de structuur en de bruikbaarheid van het glastuinbouwconcentratiegebied voor glastuinbouw.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-648\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.48</span><span class=\"lf-art-t\">Zaadveredelingsconcentratiegebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Zaadveredelingsconcentratiegebied Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied Zaadveredelingsconcentratiegebied kan het voorzien in nieuwe zaadveredelingsbedrijven. Hierbij geldt voor zaadveredelingsbedrijven geen maximale omvang van het bouwperceel 2 Het omgevingsplan kan voorzien in andere agrarische bedrijven, niet zijnde glastuinbouwbedrijven, waarbij Artikel 6.42 , eerste Lid onderdeel b tot en met i van overeenkomstige toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het omgevingsplan kan voorzien in niet-agrarische bedrijfsactiviteiten als onderdeel van een agrarisch bedrijf, waarbij Artikel 6.42 , tweede Lid van overeenkomstige toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het omgevingsplan kan voorzien in niet-agrarische bedrijfsactiviteiten als zelfstandig bedrijf, waarbij Artikel 6.42 , derde Lid van overeenkomstige toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-649\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.49</span><span class=\"lf-art-t\">Bestaand zaadveredelingsbedrijf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bestaand zaadveredelingsbedrijf Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied Bestaand zaadveredelingsbedrijf kan het voorzien in de uitbreiding van een bestaand zaadveredelingsbedrijf. Hierbij geldt geen maximale omvang van het bouwperceel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-650\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.50</span><span class=\"lf-art-t\">Tuinbouwconcentratiegebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Tuinbouwconcentratiegebied Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied Tuinbouwconcentratiegebied kan het voorzien in de uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven waarbij er geen maximale omvang geldt voor het bouwperceel, met dien verstande dat nieuwe bedrijfswoningen niet zijn toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het omgevingsplan kan voorzien in andere agrarische bedrijven, waarbij Artikel 6.42 , eerste Lid van overeenkomstige toepassing is, met dien verstande dat nieuwe bedrijfswoningen niet zijn toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Een nieuwe burgerwoning is uitsluitend toegestaan indien sprake is van het omzetten van een bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning, waarbij het grondoppervlak van de bij de woning behorende gronden ten hoogste 1.000 m2 bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Niet-agrarische bedrijfsactiviteiten zijn als onderdeel van een agrarisch bedrijf toegestaan, waarbij Artikel 6.42 , tweede Lid van overeenkomstige toepassing is en aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het tuinbouwconcentratiegebied voor tuinbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Agrarisch aanverwante bedrijven zijn als zelfstandig bedrijf toegestaan, waarbij Artikel 6.42 , derde Lid van overeenkomstige toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf6.2.5Beschermd landelijk gebied Subparagraaf 6.2.5.1 Natuurnetwerk Nederland en natuurverbindingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-651\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.51</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">NatuurverbindingenNatuurnetwerk Nederland Deze subparagraaf gaat over de gebieden die Provinciale Staten op grond van artikel 7.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in de provincie Noord-Holland hebben aangewezen als het werkingsgebied natuurnetwerk Nederland en geometrisch hebben vastgelegd en over het werkingsgebied natuurverbindingen die Provinciale Staten hebben aangewezen als onmisbaar voor het volwaardig functioneren van het natuurnetwerk Nederland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-652\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.52</span><span class=\"lf-art-t\">Wezenlijke kenmerken en waarden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk Nederland en de natuurverbindingen zijn opgenomen in Bijlage 6 bij deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-653\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.53</span><span class=\"lf-art-t\">Bescherming natuurnetwerk Nederland en natuurverbindingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 NatuurverbindingenNatuurnetwerk Nederland Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een locatie binnen het werkingsgebied Natuurnetwerk Nederland of het werkingsgebied Natuurverbindingen bevat regels gericht op de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden en verzekert dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang niet achteruitgaan en dat de kwaliteit van de samenhang tussen die gebieden wordt behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In afwijking van het eerste lid geldt voor een locatie waar het natuurnetwerk Nederland of de natuurverbinding nog niet is gerealiseerd en die nog in gebruik is voor een andere functie dan natuur, dat een omgevingsplan regels bevat die in ieder geval inhouden dat realisatie van de wezenlijke kenmerken en waarden niet verder wordt belemmerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-654\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.54</span><span class=\"lf-art-t\">Activiteiten in natuurnetwerk Nederland of natuurverbindingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Natuurnetwerk NederlandNatuurverbindingen Een omgevingsplan maakt geen nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten binnen het werkingsgebied Natuurnetwerk Nederland of het werkingsgebied natuurverbindingen mogelijk die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden of die kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang tussen die gebieden, tenzij sprake is van: nieuwe activiteiten en wijziging van bestaande activiteiten, voor zover: er sprake is van groot openbaar belang; er geen reële alternatieven zijn; en de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig en tijdig worden gecompenseerd. nieuwe activiteiten en wijziging van bestaande activiteiten, voor zover: de activiteiten die leiden tot aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden worden gecompenseerd; de compensatie inhoudt dat de uitvoering van het geheel van activiteiten gezamenlijk binnen 10 jaar leidt tot een duidelijk aantoonbare meerwaarde voor de werkingsgebieden natuurnetwerk Nederland of natuurverbindingen voor wat betreft kwaliteit en samenhang; de oppervlakte van het werkingsgebied natuurnetwerk Nederland tenminste gelijk blijft; rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat de locatie waarop de activiteit plaatsvindt mogelijk gelegen is in een gebied van het Natuurnetwerk Nederland of Natuurverbindingen dat omringd wordt door of grenst aan Bijzonder provinciaal landschap. er een gebiedsvisie wordt opgesteld waarin wordt onderbouwd dat wordt voldaan aan het gestelde onder 1 tot en met 4 van dit onderdeel. een beperkte toevoeging van nieuwe activiteiten aan of een beperkte wijziging van bestaande activiteiten, mits: deze toevoeging of wijziging noodzakelijk is voor de instandhouding van de bestaande activiteit; deze toevoeging of wijziging ondergeschikt is aan de bestaande activiteiten; en de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig en tijdig worden gecompenseerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-655\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.55</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging begrenzing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 NatuurverbindingenNatuurnetwerk Nederland In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald Gedeputeerde Staten de begrenzing van de werkingsgebieden Natuurnetwerk Nederland en Natuurverbindingen kunnen wijzigen, mits de kwaliteit en oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland niet achteruitgaan en de samenhang tussen de gebieden wordt behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 NatuurverbindingenNatuurnetwerk Nederland In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten de begrenzing van de werkingsgebieden Natuurnetwerk Nederland en Natuurverbindingen, in afwijking van het eerste lid, kunnen wijzigen ter verbetering van kennelijke onjuistheden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-656\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.56</span><span class=\"lf-art-t\">Regels Gedeputeerde Staten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Natuurnetwerk NederlandNatuurverbindingen In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten regels kunnen stellen aan: de motivering van een omgevingsplan met betrekking tot het werkingsgebied Natuurnetwerk Nederland of Natuurverbindingen; de wijze van compensatie als bedoeld in Artikel 6.54; de activiteiten als bedoeld in Artikel 6.54.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 6.2.5.2 Bijzonder provinciaal landschap</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-657\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.57</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bijzonder Provinciaal Landschap Deze subparagraaf gaat over ruimtelijke ontwikkelingen in het werkingsgebied bijzonder Provinciaal Landschap.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-658\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.58</span><span class=\"lf-art-t\">Kernkwaliteiten Bijzonder provinciaal landschap</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bijzonder Provinciaal Landschap De kernkwaliteiten van het werkingsgebied bijzonder provinciaal landschap zijn vastgelegd in Bijlage 7.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-659\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.59</span><span class=\"lf-art-t\">Bescherming en activiteiten Bijzonder provinciaal landschap</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Bijzonder Provinciaal Landschap Een omgevingsplan ter plaatse van het werkingsgebied Bijzonder provinciaal landschap bevat regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In afwijking van Artikel 6.13 bevat het omgevingsplan geen regels die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het omgevingsplan kan regels bevatten die een andere nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, mits deze ontwikkeling de voorkomende kernkwaliteiten niet aantast.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De motivering van het omgevingsplan bevat een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten en een motivering van de wijze waarop wordt voldaan aan het eerste en, indien van toepassing, het derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Indien uit de motivering volgt dat maatregelen noodzakelijk zijn om te voldoen aan het bepaalde in het derde lid, dan dient de uitvoering hiervan te zijn geborgd bij de vaststelling van het omgevingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 In afwijking van het derde lid kan het omgevingsplan regels bevatten die de volgende ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken: een uitbreiding van een agrarisch bouwperceel tot maximaal twee hectare; of nieuwe bebouwings- en gebruiksmogelijkheden op grond van Artikel 6.42 , eerste Lid, onder e en f en Artikel 6.42 , tweede Lid en Artikel 6.42 , derde Lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 In afwijking van het tweede en derde lid kan het omgevingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling of een andere nieuwe ruimtelijke ontwikkeling die de kernkwaliteiten aantast mogelijk maken, indien: er sprake is van groot openbaar belang; er geen reële alternatieven zijn; en de aantasting zoveel mogelijk wordt beperkt en de aantasting wordt gecompenseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 In afwijking van het tweede en derde lid kan het omgevingsplan voorzien in woningbouw overeenkomstig de afspraken tussen Rijk, provincie en betrokken gemeenten met betrekking tot de Pilot Waterland.</p>\n<p class=\"lf-p\">9 In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten regels kunnen stellen over de motivering als bedoeld in het vierde lid en over de wijze van compensatie als bedoeld in het zevende lid, aanhef en onderdeel c.</p>\n<p class=\"lf-p\">10 In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten de kernkwaliteiten zoals opgenomen in Bijlage 7 kunnen wijzigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 6.2.5.3 Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-660\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.60</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf gaat over de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde die op grond van artikel 7.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in samenhang met artikel 2.42 van de Omgevingsregeling zijn aangewezen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Droogmakerij de Beemster;</p>\n<p class=\"lf-p\">Stelling van Amsterdam; en Nieuwe Hollandse Waterlinie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-661\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.61</span><span class=\"lf-art-t\">Kernkwaliteiten Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De kernkwaliteiten van de erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde zijn uitgewerkt en geobjectiveerd in bijlage 8a en bijlage 8b.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-662\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.62</span><span class=\"lf-art-t\">Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde Voor zover een omgevingsplan betrekking heeft op het werkingsgebied Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde bevat het regels gericht op de instandhouding of versterking van de kernkwaliteiten van de erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het omgevingsplan voorziet uitsluitend in nieuwe activiteiten die de kernkwaliteiten als bedoeld in artikel 6.61 niet aantasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 In afwijking van het tweede lid kan het omgevingsplan voorzien in een grootschalige stads- of dorpsontwikkelingslocatie of glastuinbouwlocatie dan wel een grootschalig bedrijventerrein of infrastructuurproject, voor zover: er sprake is van een groot openbaar belang; er geen reële alternatieven zijn; en er voldoende maatregelen worden getroffen om de nadelige effecten van de ontwikkeling op de instandhouding of versterking van de kernkwaliteiten als bedoeld in artikel 6.61 te mitigeren of te compenseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Ter plaatse van Droogmakerij de Beemster voorziet een omgevingsplan niet in een windturbine.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten regels kunnen stellen ten aanzien van de wijze waarop compensatie als bedoeld in het derde lid, onder c, plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 6.2.5.4 Strandzonering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-663\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.63</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze subparagraaf gaat over de zonering van de Noord-Hollandse stranden zoals vastgelegd in Strandzonering NH2025 als onderdeel van het Toekomstperspectief Kust 2040.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-664\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.64</span><span class=\"lf-art-t\">Seizoensstrand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Strandzonering - seizoenstrand Voor zover een omgevingsplan betrekking heeft op het werkingsgebied Strandzonering - seizoenstrand voorziet het alleen in seizoensgebonden bouwwerken in de periode van 1 februari tot 1 november.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken van openbaar belang als bedoeld in artikel 5.40, tweede lid onder c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-665\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.65</span><span class=\"lf-art-t\">Natuurstrand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Strandzonering - natuurstrand Voor zover een omgevingsplan betrekking heeft op het werkingsgebied Strandzonering - natuurstrand voorziet het niet in bouwwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken van openbaar belang als bedoeld in artikel 5.40, tweede lid onder c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 6.2.5.5 Stiltegebieden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-666\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.66</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Stiltegebieden Deze subparagraaf is van toepassing op geluidsbronnen en activiteiten in het werkingsgebied stiltegebieden waardoor de ervaring van de natuurlijke geluiden in een stiltegebied kan worden verstoord.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-667\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.67</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel activiteiten in stiltegebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Stiltegebieden In een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het werkingsgebied stiltegebieden wordt rekening gehouden met een maximaal toelaatbare waarde voor het 24-uursgemiddelde geluidsniveau afkomstig van activiteiten in het stiltegebied van LAeq,24h = 35 dB(A) op 50 m afstand vanaf de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Stiltegebieden De afstand wordt gemeten vanaf: de geluidsbron; of de begrenzing van de activiteit, als het een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Stiltegebieden Voor de toepassing van het tweede lid, onder a, worden geluidsbronnen van activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die elkaar functioneel ondersteunen of die ieder een hoofdactiviteit ondersteunen als één geluidsbron aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Stiltegebieden Het eerste lid geldt niet voor activiteiten die zijn uitgezonderd van de aanwijzing van vergunningplichtige gevallen in Afdeling 4.3 .</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Stiltegebieden Het bevoegd gezag kan van de richtwaarde, bedoeld in het eerste lid, afwijken indien: sprake is van een groot openbaar belang; er geen reële alternatieven zijn; en is aangetoond dat de afwijking van de richtwaarde zo minimaal mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf6.2.6Ruimtelijke inpassing in landelijk gebied</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-668\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.68</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Landelijk gebied Deze paragraaf gaat over de ruimtelijke kwaliteit van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het werkingsgebied Landelijk gebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-669\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.69</span><span class=\"lf-art-t\">Leidraad Landschap en Cultuurhistorie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Landelijk gebied De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie beschrijft de provinciale belangen ten aanzien van landschappelijke en cultuurhistorische waarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Landelijk gebied In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie vaststellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-670\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.70</span><span class=\"lf-art-t\">Ruimtelijke kwaliteitseis ingeval van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Landelijk gebied Bij de inpassing van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling ter plaatse van het werkingsgebied Landelijk gebied, wordt in het omgevingsplan, gelet op de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie: rekening gehouden met: de ambities en ontwikkelprincipes van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren; bij de inpassing betrokken: de kansen zoals beschreven bij de ambities en ontwikkelprincipes; en bij de inpassing betrokken: de ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Landelijk gebied In aanvulling op het eerste lid, wordt bij de inpassing van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in de Amstelscheg rekening gehouden met de karakteristieken en de ontwerpprincipes inzake de samenhang, de ruimtelijke kwaliteit en de identiteit van het landschap, zoals beschreven in het door Gedeputeerde Staten vastgestelde rapport 'Gebiedsperspectief en Beeldkwaliteit Amstelscheg' (nr. 2011-66880).</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Landelijk gebied Gedeputeerde Staten, het dagelijks bestuur van het betrokken waterschap of het College van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente kunnen de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling om advies vragen, ook in een vroeg stadium, inzake de locatie afweging of de ruimtelijke inpassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf6.2.7Cultureel erfgoed</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-671\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.71</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Cultureel Erfgoed Deze paragraaf gaat over beschermenswaardig cultureel erfgoed .</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-672\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.72</span><span class=\"lf-art-t\">Provinciaal monument</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Cultureel ErfgoedCultureel Erfgoed - provinciale monumenten Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied Cultureel Erfgoed - provinciale monumenten bevat het de volgende regels:</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel x1 Zorgplicht provinciaal monument Degene die een activiteit die een provinciaal monument betreft verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot het beschadigen of vernielen van een monument, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze beschadiging of vernieling te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel x2 Verboden activiteiten Op de locatie ‘provinciaal monument’ is het verboden: het daar aanwezige monument te beschadigen of te vernielen; of aan het daar aanwezige monument onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel x3 Omgevingsvergunningplichtige activiteiten Op de locatie ‘provinciaal monument’ is het verboden zonder omgevingsvergunning het daar aanwezige monument te slopen, te verstoren, te verplaatsen of te wijzigen, te herstellen of te gebruiken waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel x4 Aanwijzing omgevingsvergunningvrije gevallen Het verbod, bedoeld in artikel x3, geldt niet voor een activiteit met betrekking tot een monument, voor zover het gaat om noodzakelijke reguliere werkzaamheden die zijn gericht op het behoud van de monumentale waarden, als detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur niet worden gewijzigd; of alleen inpandige wijzigingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod, bedoeld in artikel x3, geldt niet voor een activiteit met betrekking tot een monument waarvan met name de archeologische waarden redengevend zijn, voor zover het gaat om: een sondering of grondboring met een boordiameter van niet meer dan 10 cm; of het dichten van een recent verstoringsgat van niet meer dan 1 m3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel x5 Aanvraagvereisten De artikelen 22.287 tot en met 22.294 van de bruidsschat omgevingsplan (aanvraagvereisten) zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel x3 Artikel x6 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de activiteit in overeenstemming is met het belang van de monumentenzorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in onderdeel a kan de omgevingsvergunning worden verleend als de activiteit in het belang is van de waterveiligheid, mits er geen reële alternatieven zijn en wordt aangetoond dat de beschadiging van het monument zo minimaal mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met de volgende beginselen: het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten; het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend vereist is voor het behoud van die monumenten; het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden; en het conserveren en in stand houden van monumenten waarvan met name de archeologische waarden redengevend zijn, bij voorkeur in situ.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel x7 Voorschriften omgevingsvergunning Aan een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel x3 worden de voorschriften verbonden die nodig zijn voor de regel, bedoeld in artikel x6. Daarbij geldt dat: als het gaat om een omgevingsvergunning die een gedeeltelijke of volledige verplaatsing inhoudt van een monument dat een bouwwerk is, in ieder geval voorschriften aan de omgevingsvergunning worden verbonden over het treffen van voorzorgsmaatregelen voor het demonteren, het overbrengen en de herbouw van dat bouwwerk op de nieuwe locatie; als het gaat om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een monument waarvan met name de archeologische waarden redengevend zijn, in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften aan de omgevingsvergunning kunnen worden verbonden die inhouden een plicht tot: het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in situ kunnen worden behouden; het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; en het verrichten van een opgraving of een archeologische begeleiding op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet; als het gaat om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op de fundering of riolering van een monument, in ieder geval het voorschrift aan de omgevingsvergunning kan worden verbonden dat voorafgaand aan de werkzaamheden archeologisch onderzoek wordt verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel x8 Aanwijzing adviseurs Gedeputeerde Staten zijn adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel x3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De commissie, bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet, is adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel x3 en het college van burgemeester en wethouders voor die aanvraag bevoegd gezag is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het college van burgemeester en wethouders geen bevoegd gezag is voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid, maar adviseur, is de commissie ook adviseur en richt het advies van de commissie zich tot het college van burgemeester en wethouders in plaats van tot het bevoegd gezag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-673\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.73</span><span class=\"lf-art-t\">Provinciaal beschermde structuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Cultureel Erfgoed Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied Cultureel Erfgoed - provinciaal beschermde structuur bevat het de volgende regels:</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel x1 Omgevingsvergunningplichtige activiteiten Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk in een provinciaal beschermde structuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd indien naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd dat past in het karakter van de provinciaal beschermde structuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel x2 Aanwijzing adviseurs Gedeputeerde Staten zijn adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel x1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De commissie, bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet, is adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel x1 en het college van burgemeester en wethouders voor die aanvraag bevoegd gezag is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het college van burgemeester en wethouders geen bevoegd gezag is voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid, maar adviseur, is de commissie ook adviseur en richt het advies van de commissie zich tot het college van burgemeester en wethouders in plaats van tot het bevoegd gezag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf6.2.8Klimaatadaptatie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-674\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.74</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf gaat over het rekening houden met risico's ten aanzien van klimaatverandering bij nieuwe ontwikkelingen en het inventariseren van mogelijke adaptatiemaatregelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-675\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.75</span><span class=\"lf-art-t\">Klimaatadaptatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De motivering van een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt bevat een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's van klimaatverandering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In de beschrijving wordt in ieder geval betrokken het risico op: wateroverlast; overstroming; hitte; waterbeschikbaarheid; en verzilting.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De beschrijving omschrijft tevens de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de in het tweede lid omschreven risico's te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het waterschap in wiens beheergebied de ontwikkeling plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf6.2.9Provinciale wegen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-676\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.76</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Provinciale wegen Deze paragraaf gaat over de inrichting, het onderhoud en het gebruik van Provinciale wegen , anders dan door of namens de wegbeheerder in het kader van de aanleg, de wijziging of het beheer van een weg of de regeling van het verkeer over die weg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-677\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.77</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsplan provinciale wegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In een omgevingsplan dat van toepassing is op een provinciale weg worden geen regels gesteld die het gebruik, de instandhouding, de verbetering of de vernieuwing van die provinciale weg belemmeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf6.2.10Regionale luchthavens</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-678\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.78</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf gaat over de milieugebruiksruimte en de ruimtelijke indeling van het gebied van en rond de luchthavens van regionale betekenis met luchthavenbesluit, als bedoeld in afdeling 8.3.2 van de Wet luchtvaart.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-679\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.79</span><span class=\"lf-art-t\">Luchthaven Hilversum</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteraad van de gemeente Hilversum en de gemeenteraad van Wijdemeren nemen overeenkomstig artikel 8.47, tweede lid, artikel 8.8 en 8.9 van de Wet Luchtvaart, bij de vaststelling van een omgevingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit het in Artikel 4.100 Luchthavengebied Luchthaven Hilversum opgenomen gebied in acht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-680\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.80</span><span class=\"lf-art-t\">Luchthaven Texel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteraad van de gemeente Texel neemt overeenkomstig artikel 8.47, tweede lid, artikel 8.8 en8.9 van de Wet Luchtvaart, bij de vaststelling van een omgevingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit het in Artikel 4.103 Luchthavengebied luchthaven Texel opgenomen gebied in acht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-681\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.81</span><span class=\"lf-art-t\">Luchthaven Loodswezen IJmuiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteraad van de gemeente Velsen neemt overeenkomstig artikel 8.47, tweede lid, artikel 8.8 en 8.9 van de Wet Luchtvaart, bij de vaststelling een omgevingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit het in Artikel 4.106 Luchthavengebied Loodswezen IJmuiden gebied in acht. De termijn als bedoeld in artikel 8.8, derde lid, van de Wet luchtvaart loopt tot 1 januari 2029.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-682\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.82</span><span class=\"lf-art-t\">Luchthaven Amsterdam Heliport</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteraad van de gemeente Amsterdam, de gemeenteraad van Oostzaan en de gemeenteraad van Zaanstad nemen overeenkomstig artikel 8.47, tweede lid, artikel 8.8 en 8.9 van de Wet Luchtvaart, bij de vaststelling van een omgevingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit het in Artikel 4.109 Luchthavengebied Amsterdam Heliport gebied in acht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf6.2.11Regionale waterkeringen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-683\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.83</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beschermingszone regionale waterkering Deze paragraaf gaat over regionale waterkeringen en beschermingszone regionale waterkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-684\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.84</span><span class=\"lf-art-t\">Regionale waterkeringen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Regionale waterkeringenBeschermingszone regionale waterkering Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied regionale waterkeringen voorziet het in regels die waterkerende activiteiten beschermen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-685\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.85</span><span class=\"lf-art-t\">Beperkingengebied regionale waterkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Beschermingszone regionale waterkeringBeperkingengebied waterkeringen Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied beperkingengebied waterkeringen voorziet het niet in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Beschermingszone regionale waterkering In afwijking van het eerste lid zijn nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk indien hierover overeenstemming is bereikt tussen betrokken gemeenten, waterbeheerder en provincie.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6.3 Projectbesluiten</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-686\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.86</span><span class=\"lf-art-t\">Projectbesluiten waterschappen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6.2 Omgevingsplannen is van overeenkomstige toepassing op een projectbesluit dat wordt vastgesteld door het dagelijks bestuur van een waterschap.</h3>\n<p class=\"lf-p\">2 Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing als bedoeld in artikel 2.32, eerste lid, van de Omgevingswet verlenen van het bepaalde in het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-687\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.87</span><span class=\"lf-art-t\">Projectbesluiten provincie</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6.2 Omgevingsplannen is van overeenkomstige toepassing op een projectbesluit dat wordt vastgesteld door Gedeputeerde Staten.</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6.4 Omgevingsvergunningen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-688\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.88</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel omgevingsvergunning milieubelastende activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Indien voor een activiteit ter plaatse van een grondwaterbeschermingsgebied een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is vereist, neemt het bevoegd gezag hierin het voorschrift op dat bodembeschermende maatregelen worden getroffen waarmee een verwaarloosbaar risico van verslechtering van de grondwaterkwaliteit wordt gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het drinkwaterbedrijf wordt in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen op de aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling6.5 Maatwerkvoorschriften</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6.6 Waterschapsverordeningen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-689\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.89</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregel melden, meten en informeren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een waterschapsverordening bepaalt voor grondwateronttrekkingen en infiltraties van meer dan 12.000 m3 per jaar en tijdelijke grondwateronttrekkingen en infiltraties van in totaal meer dan 12.000 m3, dat: het waterschap wordt geïnformeerd over die grondwateronttrekking of infiltratie als voor die grondwateronttrekking of infiltratie geen omgevingsvergunning is vereist op grond van de waterschapsverordening, waarbij in ieder geval informatie wordt verstrekt over het debiet van de grondwateronttrekking of infiltratie en de te gebruiken putten; de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater of geïnfiltreerd water met een nauwkeurigheid van ten minste 95% wordt gemeten; de kwaliteit van het geïnfiltreerde water wordt gemeten; en jaarlijks gegevens worden verstrekt over de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater en geïnfiltreerd water en de kwaliteit van het geïnfiltreerde water.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6.7 Leggers en peilbesluiten</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-690\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.90</span><span class=\"lf-art-t\">Legger waterstaatswerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De legger, bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingswet, bevat naast het bepaalde in het eerste en derde lid van dat artikel in ieder geval: het lengteprofiel en dwarsprofielen van primaire en regionale waterkeringen; de gemiddelde dwarsprofielen van de oppervlaktewaterlichamen; en een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van primaire en regionale waterkering, regionale oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor bergingsgebieden geldt een vrijstelling van de verplichting tot het vaststellen van een legger, voor zover het de vorm en constructie en de omschrijving als bedoeld in het eerste lid, aanhef, onder c, betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Voor oppervlaktewateren, die niet overwegend van belang zijn voor aan- en afvoer van water en waterberging, geldt een vrijstelling van de verplichting tot vaststelling van een legger voor zover het de vorm, afmeting en constructie betreft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-691\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.91</span><span class=\"lf-art-t\">Peilbesluit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Peilbesluit Het waterschapsbestuur stelt een of meer peilbesluiten vast voor de oppervlaktewaterlichamen in de gebieden binnen Peilbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Peilbesluiten moeten actueel zijn en in ieder geval rekening houden met veranderingen in de omstandigheden ter plaatse en met de aanwezige functies en belangen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6.8 Uitoefening van taken</h3>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf6.8.1Gemeentelijke taken Paragraaf6.8.2Waterschapstaken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-692\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.92</span><span class=\"lf-art-t\">Rangorde bij waterschaarste regionale wateren Amstel, Gooi en Vecht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 In het geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het beschikbare water vanuit het Amsterdam-Rijnkanaal en de Lek bij het beheer van de regionale wateren door waterschappen wat betreft de in artikel 2.1, eerste lid, onder 3, van het Waterbesluit bedoelde behoeften, achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: het verwerken van industrieel proceswater; de tijdelijke beregening van kapitaalintensieve gewassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In het geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het beschikbare water vanuit het Amsterdam-Rijnkanaal en de Lek bij het beheer van de regionale wateren voor wat betreft de in artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder letter c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde behoeften, achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: de waterkwaliteit in stedelijk gebied; beroepsvaart; akkerbouw; beregening sportvelden; grasland; recreatievaart; natuur, voor zover het niet gaat om het voorkomen van onomkeerbare schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 In geval van waterbehoeften van buiten het gebied van het waterschap, zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf6.8.3Provinciale taken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-693\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.93</span><span class=\"lf-art-t\">Vaarwegprofielen en bediening bruggen en sluizen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vaarwegbeheer - profiel en bediening Gedeputeerde Staten stellen voor het werkingsgebied Vaarwegbeheer - profiel en bediening aangeduide vaarwegen vast: de minimale breedte, diepte en vrije doorvaarhoogte van de vaarweg zoals deze door de vaarwegbeheerder in stand moet worden gehouden; en de bedieningstijden en bedieningsvoorschriften van de beweegbare bruggen en sluizen, met uitzondering van spoorbruggen en bij het Rijk in beheer zijnde bruggen en schutsluizen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-694\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.94</span><span class=\"lf-art-t\">Taken vaarwegbeheerder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De vaarwegbeheerder draagt zorg voor: het in stand houden en bruikbaar houden van de vaarweg; het in goede staat houden van de oevers en schutsluizen, voor zover dit nodig is ten behoeve van de instandhouding en de bruikbaarheid van de vaarweg; en het schoonhouden van de vaarweg en het vrijhouden van obstakels, met inbegrip van het afvoeren van vuil en waterplanten, voor zover dit nodig is voor de bruikbaarheid van de vaarweg.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor zover een vaarwegprofiel als bedoeld in Artikel 6.93, onderdeel a, is vastgesteld, wordt bij het in stand houden en bruikbaar houden van de vaarweg dit profiel in acht genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-695\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.95</span><span class=\"lf-art-t\">Taken sluis- en brugbeheerders</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De sluis- of brugbeheerder draagt zorg voor bediening van sluizen en bruggen in overeenstemming met de bedieningstijden en bedieningsvoorschriften als bedoeld in Artikel 6.93, onderdeel b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk7Procedures</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 7.1 Regionale luchthavens</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.1</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvragen luchthavenbesluit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Aanvragen tot wijziging van deze verordening ten behoeve van een luchthavenbesluit als bedoeld in artikel 8.43 van de Wet Luchtvaart worden ingediend bij Gedeputeerde Staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten nadere regels kunnen stellen over de wijze van indiening van de in het eerste lid bedoelde aanvraag en de daarbij aan te leveren gegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Gedeputeerde Staten zijn belast met de voorbereiding van een voorstel aan Provinciale Staten tot wijziging van deze verordening als bedoeld in het eerste lid, met inbegrip van het opstellen van een ontwerpvoorstel en het toepassing geven aan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Gedeputeerde Staten kunnen bij de voorbereiding van een voorstel toepassing geven aan artikel 3:18, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Bij de aanvraag worden de gegevens en bescheiden verstrekt zoals opgenomen in Bijlage 10.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-72\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.2</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvragen luchthavenregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Aanvragen tot vaststelling van een luchthavenregeling als bedoeld in artikel 8.64 van de Wet luchtvaart worden ingediend bij Gedeputeerde Staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Bij de aanvraag worden de gegevens en bescheiden versterkt zoals opgenomen in Bijlage 10.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 7.2 Bescherming waterwinning</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.3procedure meldingsplichtige activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden 1 Gedeputeerde Staten bevestigen de ontvangst van de in Artikel 4.45 tot en met Artikel 4.51 bedoelde meldingen en sturen onverwijld een afschrift van de melding aan het drinkwaterbedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Gedeputeerde Staten geven uiterlijk binnen zes weken na de ontvangst van de melding schriftelijk hun oordeel of op basis van die gegevens verwacht mag worden dat wordt voldaan aan de voorschriften, waarop de melding betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Indien Gedeputeerde Staten niet binnen de in het tweede lid bedoelde termijn aan degene die de melding heeft gedaan een bericht als daar bedoeld hebben gezonden, wordt hun oordeel geacht instemmend te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De aanvang van de daadwerkelijke uitvoering van de werkzaamheden waarop de melding betrekking heeft, wordt minimaal twee weken voor de uitvoering van de werkzaamheden schriftelijk aan Gedeputeerde Staten gemeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 De melding vervalt indien niet binnen zes maanden na de verzending van de melding met de handeling waarop die melding betrekking had is begonnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten nadere regels kunnen stellen over de wijze van indienen van de in Artikel 4.45 tot en met Artikel 4.51 genoemde meldingen en de daarbij aan te leveren gegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk8Adviseurs en adviesorganen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-81\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.1</span><span class=\"lf-art-t\">Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Er is een Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling, gericht op advisering over nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in relatie tot ruimtelijke kwaliteit, inclusief de locatieafweging en de ruimtelijke inpassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten regels stellen omtrent de taak, werkwijze en samenstelling van de adviescommissie, mede ter borging van deskundigheid en onafhankelijkheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.2</span><span class=\"lf-art-t\">Regionale adviescommissie detailhandel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Een regionale adviescommissie detailhandel adviseert over aangelegenheden betreffende detailhandel in de betreffende regio.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten per adviescommissie een Reglement Regionale Adviescommissie Detailhandel vaststellen, waarin de werkwijze en samenstelling van de adviescommissie wordt vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk9Schade</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 9.1 Faunaschade</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-91\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.1</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling gaat over de tegemoetkoming in faunaschade, zijnde schade aangericht door in het wild levende dieren als bedoeld in artikel 15.53 van de Omgevingswet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-92\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.2</span><span class=\"lf-art-t\">De aanvraag om tegemoetkoming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Een verzoek om een tegemoetkoming in faunaschade als bedoeld in artikel 15.53 van de Omgevingswet wordt door de belanghebbende, zijnde de grondgebruiker, uitsluitend langs elektronische weg bij BIJ12 ingediend op een daartoe vastgesteld formulier met bijlagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend uiterlijk binnen zeven werkdagen nadat de belanghebbende als bedoeld in het eerste lid de schade heeft geconstateerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Faunaschade als bedoeld in die niet binnen zeven werkdagen na constatering door de aanvrager op het in het eerste lid vermelde formulier met bijlagen bij BIJ12 is ingediend, komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-93\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.3</span><span class=\"lf-art-t\">Taxatie van de schade</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De verzoeker als bedoeld in Artikel 9.2 zal het gewas, de teelt of de producten, waarop de aanvraag om tegemoetkoming als bedoeld in Artikel 9.2 betrekking heeft, niet eerder oogsten of anderszins van zijn bedrijf afvoeren, dan nadat de schade definitief is getaxeerd door een taxateur die werkzaam is voor een door BIJ12 aangewezen taxatiebureau of een consulent faunazaken van BIJ12.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien de verzoeker als bedoeld in Artikel 9.2 opmerkingen over het formulier 'bevestiging taxatie grondgebruiker' kenbaar wil maken, zendt hij zijn reactie binnen acht werkdagen per e-mail of per post naar BIJ12.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 9.2 Nadeelcompensatie</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-94\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.4</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling gaat over de advisering op het gebied van vergoeding van schade als bedoeld in afdeling 15.1 van de Omgevingswet, alsmede schade die het gevolg is van besluiten of uitvoeringshandelingen in het kader van de rechtmatige uitoefening door de provincie Noord-Holland of een van haar bestuursorganen van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid of taak met betrekking tot de realisatie, het beheer of onderhoud van infrastructurele werken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-95\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.5</span><span class=\"lf-art-t\">De aanvraag voor nadeelcompensatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Bij de aanvraag worden de gegevens en bescheiden verstrekt zoals opgenomen in Bijlage 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Gedeputeerde Staten bevestigen de ontvangst van de aanvraag zo spoedig mogelijk, doch tenminste binnen twee weken na de ontvangst ervan, en stelt de aanvrager in kennis van de te volgen procedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Indien naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet of onvoldoende is voldaan aan het bepaalde in het eerste lid, of indien aanvrager overigens verzuimt de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen te verschaffen, stellen zij de aanvrager in de gelegenheid het verzuim binnen acht weken te herstellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Van de aanvrager wordt een recht van € 300 geheven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-96\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.6</span><span class=\"lf-art-t\">Vereenvoudigde behandeling van de aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Gedeputeerde Staten nemen de aanvraag niet in behandeling indien het niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 9.9 is ingediend en van de geboden gelegenheid om de aanvraag aan te vullen niet tijdig, of onvoldoende is gebruik gemaakt, of indien het bedrag bedoeld in Artikel 9.5 , vierde Lid niet binnen vier weken na indiening van de aanvraag op de rekening van de provincie is bijgeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Een besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen wordt aan de aanvrager medegedeeld uiterlijk binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag, dan wel binnen acht weken nadat de termijn is verstreken gedurende welke de aanvrager de aanvraag kon aanvullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Gedeputeerde Staten kunnen een aanvraag zonder advies van een adviescommissie afwijzen. Gedeputeerde Staten wijzen een aanvraag in ieder geval zonder advies van een adviescommissie af als de aanvraag naar hun oordeel kennelijk ongegrond is. Een aanvraag is onder meer kennelijk ongegrond wanneer het naar het oordeel van Gedeputeerde Staten steunt op de onrechtmatige uitoefening door of namens Gedeputeerde Staten van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid of taak en wanneer sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 4:131 van de Algemene wet bestuursrecht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-97\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.7</span><span class=\"lf-art-t\">Inschakeling adviescommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien wordt besloten tot inschakeling van een adviescommissie, leggen Gedeputeerde Staten de aanvraag aan de adviescommissie voor.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-98\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.8</span><span class=\"lf-art-t\">Onafhankelijkheid adviescommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De adviescommissie bestaat uit één of meer onafhankelijke deskundigen, die door Gedeputeerde Staten worden benoemd. Indien de commissie uit meer leden bestaat, wijzen Gedeputeerde Staten de voorzitter aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De leden van de adviescommissie zijn niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van Gedeputeerde Staten of Provinciale Staten en op geen enkele wijze betrokken bij de (planologische) maatregel, bevoegdheid of taak waarop de aanvraag is gebaseerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-99\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.9</span><span class=\"lf-art-t\">Betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij aanwijzing adviescommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Voordat Gedeputeerde Staten de aanvraag voorleggen aan de adviescommissie als bedoeld in Artikel 9.7, stellen zij de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede belanghebbenden als bedoeld in artikel 13.3c, tweede lid, van de Omgevingswet, schriftelijk op de hoogte van de aanwijzing van een adviescommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 13.3c, tweede lid, van de Omgevingswet, kunnen binnen twee weken na de mededeling als bedoeld in het eerste lid schriftelijk en voldoende gemotiveerd bedenkingen tegen één of meerdere van de leden van de adviescommissie bij Gedeputeerde Staten indienen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-910\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.10</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoegdheden en verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Gedeputeerde Staten stellen de adviescommissie, al dan niet op verzoek, de gegevens ter beschikking die nodig zijn voor een goede vervulling van haar taak.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De aanvrager verschaft de adviescommissie de gegevens en bescheiden die voor de advisering nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De adviescommissie kan inlichtingen en adviezen inwinnen bij derden. Indien met het verstrekken van inlichtingen, of het verlenen van adviezen door derden kosten gemoeid zijn, oefent de adviescommissie deze bevoegdheid eerst uit na instemming van Gedeputeerde Staten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-911\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.11</span><span class=\"lf-art-t\">Het door de commissie te verrichten onderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De adviescommissie brengt een rapport uit over haar bevindingen. Zij adviseert Gedeputeerde Staten over de hoogte van de uit te keren schadevergoeding en doet, indien Gedeputeerde Staten een daartoe strekkende verzoek heeft gedaan, voorstellen voor maatregelen of voorzieningen waardoor de schade, anders dan door een vergoeding in geld, kan worden beperkt of ongedaan gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-912\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.12</span><span class=\"lf-art-t\">Werkwijze adviescommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De adviescommissie kan een hoorzitting houden, waar de aanvrager in de gelegenheid wordt gesteld de aanvraag toe te lichten en de voor de advisering over de aanvraag relevante informatie te geven. Het betrokken bestuursorgaan en eventuele andere betrokken bestuursorganen en de belanghebbenden worden eveneens in de gelegenheid gesteld hun standpunt kenbaar te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De adviescommissie is bevoegd aan partijen binnen een aan hen te stellen termijn, overlegging van nadere gegevens of stukken te gelasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De adviescommissie kan een plaatsopneming houden. Hij bepaalt de datum en het tijdstip waarop hij de situatie ter plaatse zal bezichtigen en nodigt de aanvrager voor de plaatsopneming uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De adviescommissie maakt met de aanvrager een afspraak ten behoeve van de taxatie van een eventueel bij de aanvraag betrokken onroerende zaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 De adviescommissie draagt er zorg voor dat van de hoorzitting en van de plaatsopneming een verslag wordt gemaakt. Het verslag maakt deel uit van het uit te brengen advies.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Nadat de aanvraag is voorgelegd zendt de adviescommissie een concept van het advies aan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten; de aanvrager; een eventueel ander betrokken bestuursorgaan; en belanghebbenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 De aanvrager, een betrokken bestuursorgaan en de belanghebbenden, kunnen na de toezending van het concept van het advies hierop schriftelijk reageren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-913\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.13</span><span class=\"lf-art-t\">Beslissing Gedeputeerde Staten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Gedeputeerde Staten beslissen binnen zes weken na ontvangst van het definitieve advies van de commissie op de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Gedeputeerde Staten kunnen hun beslissing schriftelijk en onder opgaaf van redenen eenmaal voor ten hoogste zes weken verdagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-914\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.14</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschot</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Gedeputeerde Staten kennen de aanvrager die naar redelijke verwachting in aanmerking komt voor een vergoeding als bedoeld in artikel 9.8 en wiens belang naar het oordeel van Gedeputeerde Staten vordert dat aan hem een voorschot op deze vergoeding wordt toegekend, op diens schriftelijk verzoek een voorschot toe. Gedeputeerde Staten beslissen op de aanvraag, gehoord de adviescommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien Gedeputeerde Staten beslissen tot het verlenen van een voorschot wordt daarmee geen aanspraak erkend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het voorschot kan uitsluitend worden verleend indien de aanvrager schriftelijk de verplichting aanvaardt tot gehele en onvoorwaardelijke terugbetaling van hetgeen ten onrechte als voorschot is uitbetaald, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente over het teveel betaalde te rekenen vanaf de datum van betaling van het voorschot. Gedeputeerde Staten kunnen daarvoor zekerheidstelling verlangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk10Handhaving en toezicht</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 10.1 Kwaliteit uitvoering en handhaving</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-101\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.1</span><span class=\"lf-art-t\">Uitvoerings- en handhavingsstrategie van Gedeputeerde Staten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De uitvoerings- en handhavingsstrategie, als bedoeld in artikel 13.5, eerste lid, Omgevingsbesluit, bevat doelen die in ieder geval betrekking hebben op: de dienstverlening; de uitvoeringskwaliteit van diensten en producten; de financiën.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-102\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.2</span><span class=\"lf-art-t\">Kwaliteitszorg door Gedeputeerde Staten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Op de uitvoering en handhaving van de wetten door of in opdracht van Gedeputeerde Staten zijn de Kwaliteitscriteria vergunningverlening, toezicht en handhaving van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Over de naleving van de Kwaliteitscriteria vergunningverlening, toezicht en handhaving doen Gedeputeerde Staten jaarlijks mededeling aan Provinciale Staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Voor zover de Kwaliteitscriteria vergunningverlening, toezicht en handhaving niet zijn of niet konden worden nageleefd, doen Gedeputeerde Staten daarvan gemotiveerd opgave.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 10.2 Bestuursrechtelijke handhaving</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 10.3 Strafrechtelijke handhaving</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 10.4 Toezichthouders</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-103\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.3</span><span class=\"lf-art-t\">Toezicht cultureel erfgoed</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Met het toezicht op de naleving van het bepaalde in Paragraaf 6.2.7 zijn belast de daartoe door het bevoegd gezag aangewezen toezichthouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening aangewezen personen zijn bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk11Monitoring en informatie</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 11.1 Water</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.1</span><span class=\"lf-art-t\">Voortgangsrapportage uitvoering waterbeheerprogramma</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur van het waterschap rapporteert ten minste eenmaal per jaar aan Gedeputeerde Staten over de voortgang van de uitvoering van het waterbeheerprogramma, de mate waarin de gestelde doelen worden bereikt, de redenen van eventuele afwijkingen en de voorgestelde maatregelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-112\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.2</span><span class=\"lf-art-t\">Verslag toetsing watersysteem</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Regionale waterkeringen Het dagelijks bestuur van het waterschap brengt periodiek verslag uit aan Gedeputeerde Staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de Regionale waterkeringen; en regionale wateren onder zijn beheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Regionale waterkeringen De verslagen bevatten: een beoordeling van de veiligheid van de Regionale waterkeringen onder meer in het licht van de veiligheidsnorm, de technische leidraad en voorschriften, bedoeld in Artikel 5.3, en de legger, bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingswet; een beoordeling van de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop deze moeten zijn ingericht onder meer in het licht van de normen, de leidraad en de voorschriften, bedoeld in Artikel 5.6, en de legger, bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Indien de beoordeling daartoe aanleiding geeft, bevatten de verslagen als bedoeld in het tweede lid een omschrijving van de voorzieningen die op de daarbij aan te geven termijn nodig worden geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Gedeputeerde Staten stellen, na overleg met het dagelijks bestuur van het waterschap, het tijdstip en de frequentie vast waarop de verslagen, als bedoeld in het tweede lid, worden uitgebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald, dat Gedeputeerde Staten regels kunnen stellen met betrekking tot de vorm en inhoud van de verslagen als bedoeld in het tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Als een regionale waterkering of een regionaal water in meerdere provincies is gelegen, worden de in het tweede lid bedoelde verslagen uitgebracht aan Gedeputeerde Staten van de provincie waarin deze regionale waterkering dan wel het regionale water in hoofdzaak is gelegen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 11.2 Grondwateronttrekking</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-113\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.3</span><span class=\"lf-art-t\">Grondwaterregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Gedeputeerde Staten houden een register bij waarin degene die de activiteit onttrekken grondwater of de activiteit infiltreren van water verricht, wordt ingeschreven. Hierbij worden de gegevens vermeld die bij de vergunningaanvraag of melding voor de activiteit aan het bevoegd gezag worden verstrekt. Voorts worden daarin de vergunningen vermeld, krachtens welke het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het waterschap verstrekt aan Gedeputeerde Staten uiterlijk op 31 mei van elk jaar of, bij beëindiging van de onttrekking, binnen vier maanden na die beëindiging: een overzicht van de vergunningen en meldingen op basis waarvan het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water plaatsvindt; gegevens die in het kader van de wateronttrekkingsactiviteit, inhoudende het onttrekken van grondwater door een daarvoor bestemde voorziening of het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bestemde voorziening, door de houder van de omgevingsvergunning of de meldingsplichtige aan het waterschapsbestuur worden verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-114\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.4</span><span class=\"lf-art-t\">Ambtshalve inschrijving in grondwaterregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Gedeputeerde Staten kunnen een activiteit onttrekken grondwater en een activiteit infiltreren van water die niet ingevolge Artikel 11.3 is opgegeven, ambtshalve in het grondwaterregister, bedoeld in Artikel 11.3 , eerste Lid inschrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien de ambtshalve inschrijving, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt in de loop van een kalenderjaar, wordt als datum van de inschrijving aangehouden de datum waarop de onttrekking is aangevangen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 11.3 Faunabeheer</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-115\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.5</span><span class=\"lf-art-t\">Inzage in registratiesysteem faunabeheereenheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De faunabeheereenheid verschaft Gedeputeerde Staten op eerste verzoek informatie uit het door haar gebruikte registratiesysteem indien Gedeputeerde Staten dat noodzakelijk achten voor toezicht, handhaving en beleidsontwikkeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-116\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.6</span><span class=\"lf-art-t\">Jaarlijks verslag faunabeheereenheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het jaarlijks verslag van een faunabeheereenheid, bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van het Omgevingsbesluit, bevat in ieder geval de volgende gegevens: cijfermatige rapportages over de uitvoering van de omgevingsvergunningen als vergunningsvrij aangewezen activiteiten op basis van de paragrafen 11.2.2, 11.2.3 en 11.2.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving en de uitvoering van de jacht, waarin opgenomen de aantallen gedode dieren en geraapte of onklaar gemaakte eieren, onderverdeeld naar diersoort, naar wildbeheereenheid en naar Natura 2000-gebied; cijfermatige rapportages van de toepassing van preventieve en alternatieve middelen; voor iedere in het faunabeheerplan beschreven diersoort telcijfers en op basis hiervan een analyse van populatietrends; een rapportage met trends die aangeven wat de verbanden zijn tussen de uitvoeringsgegevens verstrekt op grond van de onderdelen a en b en de ontwikkeling van populaties op grond van onderdeel c; een overzicht van populatieontwikkelingen die een risico kunnen vormen voor de belangen bedoeld in artikel 8.74j, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4 ° voor vogels, artikel 8.74k, eerste lid, onderdeel b, onder 1 ° tot en met 3 ° voor habitatrichtlijnsoorten, en artikel 8.74l, eerste lid, onderdeel b, onder 7° tot en met 13° voor andere soorten, van het Besluit kwaliteit leefomgeving of die een risico vormen voor de gunstige staat van instandhouding van een soort.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het jaarverslag wordt uiterlijk binnen zes maanden na afloop van het verslagjaar door een faunabeheereenheid op haar website gepubliceerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-117\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.7</span><span class=\"lf-art-t\">Uitzonderingsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen in bijzondere situaties in individuele gevallen besluiten om geen toepassing te geven aan, dan wel af te wijken van, een of meerdere bepalingen van deze afdeling, voor zover toepassing van die bepalingen, gelet op de betrokken belangen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 11.4 Cultureel erfgoed</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-118\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.8</span><span class=\"lf-art-t\">Provinciaal erfgoedregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Gedeputeerde Staten houden een erfgoedregister bij van de als zodanig aangewezen provinciaal monumenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het erfgoedregister bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van een provinciaal monument, de datum van de aanwijzing en de reden voor de aanwijzing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-119\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.9</span><span class=\"lf-art-t\">Informatieverstrekking erfgoedregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Gedeputeerde Staten informeren de Minister belast met de monumentenzorg en de betrokken gemeentebesturen over wijzigingen in het erfgoedregister.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het erfgoedregister is openbaar, met uitzondering van de gegevens over de eigenaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1110\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.10</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevensverzameling omgevingsvergunningen cultureel erfgoed</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college van burgemeester en wethouders verzamelt de volgende gegevens over omgevingsvergunningen voor het wijzigen van provinciale monumenten en provinciaal beschermde structuren: de datum van de omgevingsvergunning; het kenmerk van de omgevingsvergunning; de locatie van het provinciaal monument of de provinciaal beschermde structuur waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft en de relevante kadastrale gegevens van die locatie; en de aard van de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.11</span><span class=\"lf-art-t\">Register omgevingsvergunningen cultureel erfgoed</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Er zijn registers over omgevingsvergunningen voor een omgevingsplanactiviteit voor de wijziging van een provinciaal monument of de wijziging van een provinciaal beschermde structuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Een register als bedoeld in het eerste lid wordt beheerd door het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De registers zijn openbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De registers bevatten in ieder geval de gegevens, bedoeld in Artikel 11.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 De gegevens, bedoeld in Artikel 11.10, worden in het register opgenomen binnen een week na de dag waarop de omgevingsvergunning is verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk12Overgangsrecht</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 12.1 Algemene overgangsbepalingen</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 12.2 Overgangsbepalingen per onderwerp</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-121\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.1</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Grondwaterbeschermingsgebied De verboden opgenomen in Artikel 4.44 tot en met Artikel 4.51 zijn niet van toepassing voor zover de activiteit rechtmatig werd verricht op het tijdstip direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de artikelen en ten aanzien van de activiteit geen wijziging optreedt als gevolg waarvan een risico voor verslechtering van de grondwaterkwaliteit kan optreden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-122\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.2</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht activiteiten in waterwingebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verboden opgenomen in Artikel 4.55 zijn niet van toepassing voor zover de activiteit rechtmatig werd verricht op het tijdstip direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de artikelen en ten aanzien van de activiteit geen wijziging optreedt als gevolg waarvan een risico voor verslechtering van de grondwaterkwaliteit kan optreden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-123\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.3</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht open bodemenergiesystemen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 4.1150 tot en met 4.1156 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn niet van toepassing op een open bodemenergiesysteem dat is gemeld voor inwerking treden van deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-124\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.4</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht gesloten stortplaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Indien voor een activiteit als bedoeld in Artikel 4.64 en Artikel 4.65 het in het eerste lid van deze artikelen bedoelde verbod op enig tijdstip gaat gelden, dat voor die activiteit voordien niet gold, kan de activiteit indien daarmee op dat tijdstip al was begonnen, zonder vergunning worden voortgezet tot twaalf weken na dat tijdstip en, indien binnen die termijn een aanvraag om de vereiste omgevingsvergunning is ingediend, vervolgens tot zes weken na het tijdstip waarop de beschikking op de aanvraag in werking is getreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien voor de activiteit algemene regels golden voor het tijdstip waarop het verbod daarvoor ging gelden, blijven die regels voor de activiteit van toepassing gedurende de periode waarin zij zonder vergunning mag worden verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk13Overige en slotbepalingen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 13.1 Bestuurlijke afwegingsruimte</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-131\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.1</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bestuurlijke afwegingsruimte als bedoeld in deze afdeling geldt onverminderd de afwegingsruimte in andere regels van deze verordening</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-132\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.2</span><span class=\"lf-art-t\">Experimenteer- en meerwaardebepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Gedeputeerde Staten kunnen een gebied aanwijzen waarbinnen ten behoeve van een experiment of activiteit in de fysieke leefomgeving van de regels bij of krachtens deze verordening mag worden afgeweken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Er kan toepassing worden gegeven aan het eerste lid ten behoeve van een experiment, indien: het experiment bijdraagt aan innovatieve ontwikkelingen en voldoende aannemelijk is dat uitvoering ervan bijdraagt aan de ambities en doelstellingen zoals omschreven in de Omgevingsvisie NH2050; en het experiment geen onevenredige afbreuk doet aan de doelen en belangen die door de regels waarvan wordt afgeweken worden behartigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Er kan toepassing worden gegeven aan het eerste lid ten behoeve van een activiteit in de fysieke leefomgeving indien: de activiteit bijzondere meerwaarde heeft voor de ambities en doelstellingen zoals omschreven in de Omgevingsvisie NH2050; en de activiteit geen onevenredige afbreuk doet aan de doelen en belangen die door de regels waarvan wordt afgeweken worden behartigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten regels stellen bij de toepassing van dit artikel, waarbij ten minste regels worden gesteld inzake: van welke regels bij of krachtens deze verordening mag worden afgeweken; gedurende welke tijdsduur van de in onderdeel a bedoelde regels mag worden afgeweken; en de wijze en het moment waarop wordt vastgesteld of de activiteit aan haar doel beantwoordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Bij toepassing van dit artikel wordt in het besluit gemotiveerd hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding ervan zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Gedeputeerde Staten rapporteren jaarlijks aan Provinciale Staten over de toepassing van dit artikel.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 13.2 Overige bepalingen</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 13.3 Slotbepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-133\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.3</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging werkingsgebieden door Gedeputeerde Staten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten de begrenzing van een werkingsgebied kunnen wijzigen, tenzij in deze verordening of bij of krachtens de wet waarop de betreffende regel is gebaseerd anders is bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-134\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.4</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging bijlagen door Gedeputeerde Staten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten een bijlage bij deze verordening kunnen wijzigen, tenzij in deze verordening of bij of krachtens de wet waarop de betreffende regel is gebaseerd anders is bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-135\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.5</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking regelingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De volgende verordeningen en besluiten worden ingetrokken:</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsverordening NH2020;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening Luchthavenbesluit Amsterdam Heliport;</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsregeling NH2020;</p>\n<p class=\"lf-p\">Regeling nadeelcompensatie infrastructurele werken provincie Noord-Holland 2007</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-136\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.6</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Paragraaf 4.10.2, Paragraaf 4.10.3, Paragraaf 4.10.4, Paragraaf 4.10.5 en Artikel 13.5 onder b treden in werking met ingang van de dag na de datum van bekendmaking van verklaring zoals bedoeld in artikel 8.49, eerste lid, van de Wet luchtvaart.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-137\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.7</span><span class=\"lf-art-t\">Citeertitel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening wordt aangehaald als: Omgevingsverordening NH2022 Haarlem,Provinciale Staten voornoemd,voorzitter,statengriffier,Bijlage1Begripsbepalingen afhaalpunt ten behoeve van internethandel voorziening ten behoeve van de levering aan en retournering door consumenten van vooraf elders bestelde goederen, waarbij geen verkoop, productadvisering of uitstalling plaatsvindt; agrarisch aanverwant bedrijf een bedrijf dat gebruik maakt van landbouwwerktuigen, landbouwapparatuur of agrarisch loonwerk en hoofdzakelijk is gericht op het leveren van goederen en diensten aan agrarische bedrijven of het leveren van goederen en diensten ten behoeve van aanleg en onderhoud van groene of recreatieve gebieden voor publieke doeleinden; agrarisch bedrijf een bedrijf gericht op het voortbrengen van producten door het telen van gewassen of het houden van dieren, daaronder begrepen een productiegerichte paardenhouderij, houtteelt, zaadveredeling en de teelt van watergebonden organismen als planten, algen, weekdieren, schelpdieren en vissen; agrarisch bouwperceel een aaneengesloten stuk grond waarop bebouwing met een hoofdgebouw en bijbehorende gebouwen van een agrarisch bedrijf is toegestaan; bebouwde kom gebied gelegen binnen de grenzen als bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; bebouwing één of meerdere gebouwen of bouwwerken geen gebouwen zijnde; bedrijfsmatige exploitatie het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een zodanig beheer of exploitatie, dat in de verblijfsrecreatieve functie daadwerkelijk sprake is van kort verblijf met als focus toeristische overnachtingsmogelijkheden; bedrijfswoning een woning die gezien ligging en functie bedoeld is voor de huisvesting van personen wier aanwezigheid gelet op de bestemming van een gebouw of terrein noodzakelijk is; bedrijventerrein een terrein van minimaal 1 ha bruto grondoppervlak dat gelet op het omgevingsplan bedoeld en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening en industrie. Onder de beschrijving vallen daarmee ook (delen van) bedrijventerreinen die gedeeltelijk, maar niet overwegend, bedoeld en geschikt zijn voor kantoorgebouwen. Ook vallen daaronder de zeehaventerreinen welke met laad en/ of loskade langs diep vaarwater toegankelijk zijn voor grote zeeschepen. De volgende terreinen vallen hier niet onder: terrein voor grondstoffenwinning, olie- en gaswinning, terrein voor waterwinning, terrein voor agrarische doeleinden, terrein voor afvalstort;</p>\n<p class=\"lf-p\">BIJ12 uitvoeringsorganisatie van de gezamenlijke provincies, zijnde onderdeel van de Vereniging Interprovinciaal Overleg; binnenschip schip als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Binnenvaartwet; boskern een min of meer aaneengesloten houtsopstand met in totaal een oppervlakte vanaf circa vijf hectare bos; dorpslint langgerekte lijn van aaneengesloten of op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing ten behoeve van overwegend stedelijke functies; duurzame ontwikkeling ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen; gebruiksgerichte paardenhouderij een voorziening gericht op het houden van paarden waarbij het rijden met of mennen van paarden primair gericht is op gebruik door de ruiter, amazone of menner, niet zijnde een manege; gedenkteken niet aard- en nagelvast voorwerp zonder verkeersfunctie dat dient ter nagedachtenis aan één of meerdere dodelijke slachtoffers van een verkeersongeval dat op de weg heeft plaatsgevonden; geitenhouderij een bedrijf of een onderdeel daarvan waar geiten worden gehouden; gesloten stortplaats Gesloten stortplaats als bedoeld in artikel 8;47, eerste lid, onder b, van de wet milieubeheer; glastuinbouwbedrijf een agrarisch bedrijf waarbij de teelt van assimilerende organismen onder invloed van licht in een kas plaatsvindt onder gecontroleerde omstandigheden; helikoptervlucht van maatschappelijk belang een Helicopter Emergency Medical Service (HEMS)-vlucht of een politievlucht zoals bedoeld in de vrijstellingsregeling Besluit luchtverkeer 2014 of een daarmee verband houdende vlucht gericht op het innemen van brandstof of een vlucht gericht op opleiding en training die nodig zijn voor de veilige uitvoering van een dergelijke vlucht; intensieve veehouderij een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf dat slacht-, fok-, leg-, pels- of melkdieren houdt, zonder of nagenoeg zonder weidegang of vrije uitloop, met uitzondering van veehouderij waarin producten worden vervaardigd die gecertificeerd zijn volgens in Nederland geldende regelgeving van de Europese Unie voor biologische producten en met uitzondering van viskwekerij; kas bouwwerk van hoofdzakelijk glas of ander lichtdoorlatend materiaal, bedoeld voor de teelt van assimilerende organismen; kern gebied met aaneengesloten of op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing, die is geconcentreerd tot een samenhangende structuur, ten behoeve van overwegend stedelijke functies; kleinschalige ontwikkeling</p>\n<p class=\"lf-p\">nieuwe bebouwing voor stedelijke functies die gelet op de kleinschaligheid en beperkte fysieke uitstraling op de omgeving niet wordt aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving; kleinschalige woningbouwontwikkeling nieuwe bebouwing voor de functie wonen die gelet op de kleinschaligheid en beperkte fysieke uitstraling op de omgeving niet wordt aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving; kort verblijf een verblijf met een duur van maximaal zes maanden; ladingtank tank vast verbonden met een binnenschip waarvan de wanden hetzij door de scheepsromp zelf, hetzij door van de scheepsromp onafhankelijke wanden zijn gevormd; landschappelijke waarden de essentiële elementen en kenmerken van landschappen; logiesactiviteit In gebruik hebben of houden van een bouwwerk ten behoeve van bedrijfsmatig tijdelijk verblijf of verschaffen van tijdelijk onderdak aan personen die elders hun hoofdverblijf hebben; maaiveldcriterium het oppervlak van een gebied dat buiten beschouwing kan worden gelaten bij de berekening van de kans op een overstroming; milieugebruiksruimte milieugevolgen van activiteiten van bedrijven, welke milieugevolgen zijn toegestaan op basis van een vergunning, algemene regel of andere toestemming van overheidswege; nautisch beheer de overheidszorg gericht op de afwikkeling van een veilig en vlot scheepsvaartverkeer op vaarwegen; nautisch beheerder bevoegd gezag als bedoeld in artikel 2 van de Scheepvaartverkeerswet; nazorgmaatregelen de voorzieningen ter bescherming van het milieu, bedoeld in artikel 8.49, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer; ontgassen afvoeren van restladingdamp uit een ladingtank waarbij restladingdampen terechtkomen in de open lucht; opschalen vervanging van een windturbine door een windturbine met een aanzienlijk groter opgesteld vermogen; opstelling voor zonne-energie een samenstel van bouwwerken op het maaiveld, ten behoeve van het opwekken van elektriciteit of warmte door het opvangen van de straling van de zon; provinciaal beschermde structuur stads- of dorpsgezicht, ten aanzien waarvan is besloten tot opname in het provinciaal erfgoedregister; recreatiepark een locatie waar sprake is van verblijfsrecreatie in meerdere gebouwen; schade aan gewassen schade aan bedrijfsmatige teelt van landbouwgewassen; schuilstal een bouwwerk waarin dieren kunnen schuilen voor weersomstandigheden; staat van bedrijfsactiviteiten indeling van bedrijven in categorieën overeenkomstig of vergelijkbaar met de Handreiking Bedrijven en Milieuzonering, uitgebracht door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten;</p>\n<p class=\"lf-p\">stedelijke functies functies die verband houden met wonen, bedrijven, voorzieningen, stedelijk water en stedelijk groen; stedelijke ontwikkeling ontwikkeling als bedoeld in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving; stoffen chemische elementen, verbindingen daarvan dan wel mengsels van die elementen of verbindingen; terreinbeherende organisatie publiekrechtelijke of privaatrechtelijke organisatie die het beheer van natuur- of recreatiegebieden in haar statuten als doelstelling heeft opgenomen; uitweg een constructie ter ontsluiting van een kadastraal perceel;</p>\n<p class=\"lf-p\">UN-nummer een getal van vier cijfers dat een gevaarlijke stof identificeert tijdens het transport, zoals vastgelegd in de Recommendations on the Transport of Dangerous Goods van de Verenigde Naties; vaarwegbeheer de overheidszorg gericht op de instandhouding, bruikbaarheid en bescherming van een vaarweg en bijbehorende werken; vaarwegbeheerder het bevoegde bestuursorgaan van het overheidslichaam dat met het vaarwegbeheer is belast of waaraan de uitvoering van het vaarwegbeheer in medebewind is opgedragen; verblijfsrecreatie een bedrijfsactiviteit die enkel of in hoofdzaak is gericht op het tegen vergoeding verstrekken van recreatief nachtverblijf; verwaarloosbaar bodemrisico een situatie als bedoeld in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming waarin door een goede afstemming van bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen de kans op een verandering van de bodemkwaliteit, ten gevolge van een immissie van een stof, verwaarloosbaar is gemaakt; volumineuze detailhandel vormen van detailhandel waarvan de winkelformules een assortiment voeren van overwegend ruimte vergende goederen, waaronder bouwmarkten, tuincentra, woninginrichtingszaken, auto-, boten- en caravanbedrijven mede worden begrepen; watersporttoestel een toestel of vaartuig dat voor één of meerdere personen is gebouwd of ingericht ten behoeve van een glijdende beweging door of over het water; weg de openbare weg zoals bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994; wegbeheer de publiekrechtelijke zeggenschap en de verantwoordelijkheid voor de weg, met inbegrip van de plicht tot onderhoud en de bevoegdheid tot het treffen van maatregelen en het al dan niet toestaan van handelingen van derden of gedogen van situaties die van invloed zijn op de toestand of het gebruik van de weg; werk gesloten stortplaatsen: een werk als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit vaarweg en wegen: alle door menselijk toedoen ontstane of te maken constructies met toebehoren, boven, op, in, onder of langs een weg of vaarweg gelegen; windturbine een turbine voorzien van rotorbladen geplaatst op een verticale mast, waarmee de bewegingsenergie van de lucht (wind) wordt omgezet in rotatie-energie voor het opwekken van elektriciteit, inclusief de bij dit bouwwerk behorende (infrastructurele) voorzieningen, met uitzondering van traditionele windmolens of replica’s hiervan; winkelgebied een gebied dat gelet op het omgevingsplan bedoeld en geschikt is voor meerdere vestigingen van detailhandel, eventueel in samenhang met andere consumentgerichte functies zoals horeca, ambachten en baliefuncties;</p>\n<p class=\"lf-p\">winkelvloeroppervlak de voor het publiek toegankelijke en zichtbare vloeroppervlakte in het winkelpand, bedoeld voor de verkoop en uitstalling van goederen, waaronder publieksruimte, etalage of vitrine, toonbank en kassaruimte, schappen, paskamers, winkelwagens en pakruimten voor de consument; zaadveredelingsbedrijf een bedrijf gericht op het verbeteren van erfelijke eigenschappen van cultuurgewassen en de gecertificeerde vermeerdering van plantaardig uitgangsmateriaal, zoals zaden en stekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage2Overzicht informatieobjecten 10-5 risicocontour Amsterdam Heliport 10-5 risicocontour luchthaven Hilversum 10-5 risicocontour luchthaven Texel 10-6 risicocontour Amsterdam Heliport 10-6 risicocontour luchthaven Hilversum 10-6 risicocontour luchthaven Loodswezen IJmuiden 10-6 risicocontour luchthaven Texel 48 dB(A) Geluidscontour Amsterdam Heliport 48 dB(A) Geluidscontour luchthaven Hilversum 48 dB(A) geluidscontour luchthaven Loodswezen IJmuiden 48 dB(A) geluidscontour luchthaven Texel 56 dB(A) geluidscontour Amsterdam Heliport 56 dB(A) Geluidscontour luchthaven Hilversum 56 dB(A) geluidscontour luchthaven Loodswezen IJmuiden 56 dB(A) geluidscontour luchthaven Texel 70 dB(A) geluidscontour Amsterdam Heliport Agrarische bedrijven Beoordeling veehouderij en ammoniak Beperkingengebied provinciale wegen Beperkingengebied waterkeringen Beschermingszone regionale waterkering beschermingszone stortplaatsen Wet milieubeheer Bestaand zaadveredelingsbedrijf Bijzonder Provinciaal Landschap Cultureel Erfgoed Cultureel Erfgoed - provinciale monumenten Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde Glastuinbouwconcentratiegebied Grondbewerkingen voor permanente bollenteelt toegestaan Grondbewerkingen voor permanente bollenteelt uitgesloten Grondwaterbeschermingsgebied Hoogtebeperkingen Amsterdam Heliport Hoogtebeperkingen luchthaven Hilversum Hoogtebeperkingen luchthaven Loodswezen IJmuiden Hoogtebeperkingen luchthaven Texel Industrieterrein met provinciale geluidproductieplafonds Industrieterrein van provinciaal belang Landelijk gebied LIB 5 zone Schiphol Luchthavengebied Loodswezen IJmuiden Luchthavengebied luchthaven Amsterdam Heliport Luchthavengebied luchthaven Hilversum Luchthavengebied luchthaven Texel Milieucontour industrieterrein van provinciaal belang MRA - Landelijk gebied Natura2000 Natura2000-bufferzone Natuurnetwerk Nederland Natuurverbindingen Nautisch beheer - Aalsmeer Nautisch beheer - AGV Nautisch beheer - Castricum Nautisch beheer - HHNK Nautisch beheer - PNH Nautisch beheer - Rijnland Nautisch beheer - Uitgeest Nautisch beheer - Wijdemeren Nautisch beheer - Zaanstad Noord-Holland Noord - Landelijk gebied Omgevingswaarde wateroverlast Oude bosgroeiplaatsen Peilbesluit Provinciale wegen Regionale waterkeringen Stiltegebieden stortplaatsen Wet milieubeheer Strandzonering - natuurstrand Strandzonering - seizoenstrand Transformatiegebied industrieterrein van provinciaal belang Tuinbouwconcentratiegebied Vaarwegbeheer - beheer AGV Vaarwegbeheer - beheer gemeente Vaarwegbeheer - beheer HHNK Vaarwegbeheer - beheer Plassenschap Loosdrecht</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaarwegbeheer - beheer PNH Vaarwegbeheer - beheer Recreactieschap Alkmaarder- en Uitgeestermeer Vaarwegbeheer - beheer Rijnland Vaarwegbeheer - profiel en bediening Vaarwegbeheer - rechtstreeks werkende regel Varend ontgassen Veiligheidsgebieden luchthaven Hilversum Veiligheidsgebieden luchthaven Texel Waterwingebied Wegen met provinciale geluidproductieplafonds Zaadveredelingsconcentratiegebied Zoekgebieden wind en wind en zon RES 1 pdf: 8b Afwegingskader energieopwekking Hollandse Waterlinies.pdf pdf: stiltegebieden.pdf Bijlage3Waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden bijlage 3a Bord aanduiding grondwaterbeschermingsgebied bijlage 3b Verboden activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden Activiteiten verboden in grondwaterbeschermingsgebieden: het winnen van mergel, zand of grind, kalkzandsteen, kalk, steenkolen, turf of andere delfstoffen; het opslaan, overslaan en/of bewerken van steenkool, ertsen of derivaten van ertsen; het vervaardigen van ruw ijzer, ruw staal, of primaire non-ferro metalen; het vervaardigen van cokes uit steenkool; de op- en overslag, verbranding of andere wijze van verwijdering van afvalstoffen; vervallen het storten of het anderszins op of in de bodem brengen van afvalstoffen; het vervaardigen, onderhouden, repareren of het behandelen van de oppervlakte van schepen; het afleveren van vloeibare brandstoffen voor motorvoertuigen voor het wegverkeer of de scheepvaart; de opslag van vloeibare brandstoffen, afgewerkte olie, gevaarlijke stoffen, CMR-stoffen of andere bodembelastende stoffen in ondergrondse opslagtanks; het reinigen van tankschepen; het inwendig reinigen mobiele tanks, tankwagens, tankcontainers of bulkcontainers; gelegenheid bieden voor het afmeren van pleziervaartuigen en waar afgewerkte olie, bilgewater, huishoudelijk afvalwater of andere afvalstoffen worden opgeslagen; zuiveringstechnische werken en bedrijfsafvalwaterzuiveringen; recreatievissen of het kweken van siervis of consumptievis in een bassin dat in contact staat met bodem, grondwater of oppervlaktewater; oppervlaktebehandeling van metalen en/of kunststoffen door middel van een elektrolytisch of chemisch procedé, of het aanbrengen gesmolten metaal waarbij de gebruikte behandelingsbaden direct in of op de bodem zijn geplaatst; schietbanen in de open lucht zonder gebruikmaking van kogelvangers, met vuurwapens of wapens werkend met luchtdruk of gasdruk; aardolie -of aardgaswinning; bewerking van splijt- en kweekstoffen; het parkeren van vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen; het gebruiken van bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voertuigen of vaartuigen in wedstrijdverband of voor recreatieve doeleinden in de open lucht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage4Natura 2000/Flora fauna bijlage 4a Vrijgestelde activiteiten Activiteiten en categorieën van activiteiten als bedoeld in Artikel 4.4 zijn: het beweiden van vee. bijlage 4b Minimum afstanden voor helikopterstarts en -landingen nabij Natura 2000-gebieden De afstanden in onderstaande tabellen dienen in acht te worden genomen wanneer nabij Natura2000-gebieden gebruik gemaakt wordt van een ontheffing tijdelijk en uitzonderlijk gebruik.Tabel 1 geldt voor het gebruik van deze ontheffing binnen de periode 15 februari - 31 augustus.Tabel 2 geldt voor het gebruik van de ontheffing buiten die periode. De afstanden in onderstaande tabellen zijn in meters.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 1. Starts en landingen tijdens het broedseizoen (15 februari - 31 augustus)1 Gebied Kritische afstanden parapluontheffing helikopters (in meters) Kritische afstandenlocatiegebonden ontheffinghelikopters en overigeluchtvaartuigen (in meters) Duinen en Lage Land Texel 2150 2150 Polder Zeevang 2150 2150 Abstkolk &amp; De Putten 250 2150 Waddenzee 2150 2150 Noordzeekust 2150 2150 Ijsselmeer 2150 2150 Markermeer &amp; IJmeer 2150 2150 Eemmeer &amp; Gooimeer Zuidoever 2150 2150 Zwanenwater &amp; Pettemerduinen 2150 2150 Eilandspolder 2150 2150 Wormer- en Jisperveld &amp; Kalverpolder 2150 2150 Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld &amp; Twiske 2150 2150 Naardermeer 2150 2150 Oostelijke Vechtplassen 2150 2150 1 De berekeningen die ten grondslag liggen aan deze tabel zijn te vinden in ‘Kritische afstanden voor starten en landen vanhelikopters nabij Natura 2000-gebieden in Noord-Holland’, een rapport van Bureau Waardenburg. Een digitale versie is opaanvraag beschikbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 2. Starts en landingen buiten het broedseizoen (1 september - 14 februari) Gebied Kritische afstanden paraplu ontheffing helikopters (in meters) Kritische afstanden locatiegebonden ontheffing helikopters en overige luchtvaartuigen (in meters) Duinen en Lage Land Texel 250 250 Polder Zeevang 250 2150 Abstkolk &amp; de Putten 250 2150 Waddenzee 250 2150 Noordzeekustzone 250 2150 IJsselmeer 250 2150 Markermeer &amp; IJmeer 250 2150 Eemmeer &amp; Gooimeer Zuidoever 250 2150 Zwanenwater &amp; Pettemerduinen 250 2150 Eilandspolder 250 2150 Wormer- en Jisperveld &amp; Kalverpolder 250 2150 Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld &amp; Twiske 250 2150 Naardermeer 250 2150 Oostelijke Vechtplassen 250 2150 bijlage 4c Minimumafstanden voor het gebruik van een ontbrandingstoestemming of melding nabij Natura2000-gebieden Er is geen vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming nodig voor het gebruik van een ontbrandingstoestemming als bedoeld in hoofdstuk 3b van het Vuurwerkbesluit of melding Vuurwerkbesluit, indien het gebruik van deze ontbrandingstoestemming of melding vuurwerkbesluit plaatsvindt op een terrein dat verder van een Natura 2000-gebied is gelegen dan de vastgestelde kritische afstanden in onderstaande tabel. De afstanden in onderstaande tabel zijn in meters. Afstanden worden gemeten vanaf de afsteeklocatie (niet vanaf de veiligheidszone). Aangegeven afstanden gaan tot aan de grens van het natura2000 gebied, tenzij een andere grens is opgenomen in de tabel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 1. Overzicht veilige afstanden (in meters) van Natura 2000-gebieden. Afstanden gelden zowel voor professioneel vuurwerk, consumentenvuurwerk als voor theatervuurwerk1 januari februari maart april mei juni juli augustus september oktober november december Abstkolk en de Putten 700 m tijdens daglicht 700 m tijdens daglicht 700 m tijdens daglicht 0 0 0 0 0 700 m tijdens daglicht 700 m tijdens daglicht 700 m tijdens daglicht 700 m tijdens daglicht Duinen en Lage Land Texel 0 0 700 700 700 700 700 700 0 0 0 0 Eemmeer en Gooimeer 700 700 0 0 0 0 0 0 0 0 700 700 Eilandspolder 700 rond slaapplaats 700 rond slaapplaats 700 rond slaapplaats 0 0 0 700 rond slaapplaats 700 rond slaapplaats 700 rond slaapplaats 700 rond slaapplaats 700 rond slaapplaats 700 rond slaapplaats IJsselmeer 700 fig. 4.5 en 4.6 700 fig. 4.5 en 4.6 700 fig. 4.5 en 4.6 700 fig. 4.5en 4.6 700 fig. 4.5 en 4.6 700 fig. 4.5 en 4.6 700 fig. 4.5 en 4.6 700 fig. 4.5 en 4.6 0 0 700 fig. 4.5 en 4.6 700 fig. 4.5 en 4.6 Ilperveld etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">0 700 rond slaapplaats 700 rond slaapplaats 0 0 0 700 rond slaapplaats 700 rond slaapplaats 0 0</p></div>", "next": 239903}