{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">niet structurele activiteiten: activiteiten die maximaal 12 maanden duren, al dan niet verdeeld in meerdere kort durende perioden die zich over meerdere jaren kunnen uitstrekken, maar waarbij de totale tijdsduur van deze activiteiten het totaal van 12 maanden niet overschrijdt. referentieniveau van het omgevingsgeluid: de hoogste waarde van de volgende geluidsniveaus in de dag-, avond en/of nachtperiode:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het L95 van het omgevingsgeluid exclusief de bijdrage van de zogenaamde \"niet-omgevingseigen bronnen\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Het optredende equivalente geluidsniveau in dB(A), veroorzaakt door zoneringsplichtige wegverkeersbronnen, minus 10 dB. Voor de nachtelijke periode worden alleen wegverkeersbronnen in rekening gebracht met een intensiteit van meer dan 500 motorvoertuigen gedurende de nachtperiode.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-318\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.18</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing milieubeschermingsgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gebieden waarvoor regels gelden ter voorkoming of beperking van geluidhinder worden als zodanig aangewezen op de bij deze verordening behorende kaarten genoemd in bijlage 13 en 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen een op de kaart aangegeven grens nader bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten dragen er zorg voor dat de in het eerste lid aangewezen gebieden als zodanig goed zichtbaar zijn aangeduid door middel van borden, waarvan het model wordt vastgesteld door gedeputeerde staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het derde lid bedoelde borden worden geplaatst langs alle openbare wegen en vaarwegen die tot het gebied toegang geven dan wel daaraan grenzen, op of nabij de grens van dat gebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-319\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.19</span><span class=\"lf-art-t\">Zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten in een gebied dat in artikel 3.18 is aangewezen, geluid wordt voortgebracht in zodanige mate dat de heersende natuurlijke rust in dat gebied kennelijk is of wordt verstoord, is verplicht dergelijk handelen achterweg te laten- behoudens voor zover dat ingevolge deze verordening nadrukkelijk is toegestaan- dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die schade te voorkomen, dan wel indien die schade zich voordoet, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing op: handelingen verricht in inrichtingen waarvoor het in artikel 2.1, eerste lid, aanhef onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gestelde verbod geldt; de agrarische bedrijfsvoering in gebieden als bedoel in artikel 1.2, vijfde lid, laatste volzin van de wet; voor zover artikel 9.2.1.2 of artikel 10.1 van de wet, of artikel 13 van de Wet bodembescherming van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-320\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.20</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In een gebied dat in artikel 3.18 is aangewezen, gelden de in de paragrafen 3.3.2 tot en met 3.3.6 omschreven regels.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-332\"><span class=\"lf-art-num\">§3.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Verbodsbepalingen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-321\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.21</span><span class=\"lf-art-t\">Verbodsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder noodzaak geluid voort te brengen, te doen of te laten voortbrengen in zodanige mate dat de heersende natuurlijke rust kennelijk is of wordt verstoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden de volgende activiteiten te ontplooien en/of toestellen te gebruiken: omroepinstallaties, sirenes, hoorns en andere vergelijkbare toestellen, bestemd voor het versterken of voortbrengen van geluid; modelvliegtuigen, modelboten, en modelauto's aangedreven door verbrandingsmotoren; muziekinstrumenten en ander daarmee vergelijkbare geluidsapparaten, al dan niet gekoppeld aan een geluidsversterker; waterscooters; luchtkussenvoertuigen; vuurwapens; een airgun en andere knalapparatuur; een motorisch aangedreven werktuig met bijbehorende transportmiddelen, te gebruiken bij seismologisch onderzoek, opsporingsonderzoek naar of ontginning van bodemstoffen Vuurwerk te gebruiken en of te ontsteken; zich met een motorvoertuig of bromfiets met in bedrijf zijnde verbrandingsmotor te bevinden buiten de openbare weg of buiten andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen; een toertocht voor motorvoertuigen of bromfietsen te houden of daaraan deel te nemen. op andere wateren dan Deltawateren met een motorschip sneller te varen dan 6 km per uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen andere toestellen aanwijzen waarvoor het in het tweede lid gestelde verbod geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanwijzing genoemd in het derde lid kan worden bepaald, dat deze slechts gedurende een bepaalde periode, voor een bepaald gebied of voor een bepaald gebruik van een toestel van kracht is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-333\"><span class=\"lf-art-num\">§3.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijstellingen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-322\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.22</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijstellingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De in de bepalingen 3.21, tweede lid gestelde verboden gelden niet voor zover zij betrekking hebben op een activiteit of toestel dat wordt gebruikt: voor de uitoefening van land-, tuin- of bosbouw of beroepsmatige visserij; voor de grondwateronttrekking in een gebied dat in bijlage 14 is aangewezen ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning, voor zover dat gebruik redelijkerwijs noodzakelijk is voor de normale werking van de inrichting, gericht op de openbare drinkwaterproductie; ten behoeve van de algemene/openbare orde en veiligheid, de afwending van dreigend gevaar, de uitoefening van een functie met opsporingsbevoegdheid; of de opsporing van een mens of dier in levensbedreigende omstandigheden en/of ten behoeve van het verlenen van spoedeisende medische hulp. het gebruik van een vuurwapen, indien dat wordt gebruikt door een persoon met opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van zijn functie in geval van nood met inachtneming van het bij of krachtens de Wet natuurbescherming bepaalde; het gebruik van een gehandicaptenvoertuig voor het vervoer van een minder valide; een toertocht met elektrisch aangedreven motorrijtuigen; het varen met een elektrisch aangedreven vaartuig; het gebruik van vuurwerk indien dat: noodzakelijk is ter oproeping van personen of ter afwending van dreigend gevaar; plaatsvindt ter gelegenheid van de jaarwisseling gedurende een bij het Vuurwerkbesluit aangewezen periode; beheer en schadebestrijding met knalapparatuur waarbij het aantal knallen maximaal 3 per uur is. Indien binnen 300 meter nog een knalapparaat in gebruik is, geldt voor deze apparaten gezamenlijk het maximum van 3 knallen per uur; een geluidsapparaat als bedoeld in artikel 3.21, tweede lid, onder c, dat wordt gebruikt binnen 50 meter van een woonhuis, mits niet hoorbaar op een afstand van meer dan 50 meter van het apparaat;</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-334\"><span class=\"lf-art-num\">§3.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Ontheffingen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-323\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.23</span><span class=\"lf-art-t\">Ontheffing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van de in artikel 3.21, eerste lid en tweede lid onder e, en de krachtens het derde lid gestelde verboden indien het belang van de heersende natuurlijke rust in dat gebied zich daartegen niet verzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen een ontheffing van de in artikel 3.21 vervatte verboden intrekken, indien het belang van de heersende natuurlijke rust in dat gebied dat vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag om ontheffing is uitsluitend de in titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag om ontheffing dient in tweevoud te worden ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag omvat: een kaart waarop de plaats van handeling is aangegeven; een rapport van het onderzoek als genoemd in de Wet geluidhinder, naar de akoestische gevolgen van de activiteit; motivering van nut en noodzaak van het te gebruiken toestel en/of uit te voeren activiteit tijdsduur en periode waarbinnen het te gebruiken toestel en/of de activiteit zich afspeelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een afschrift van een verleende ontheffing wordt toegezonden aan de gemeente waarbinnen de activiteit wordt verricht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-335\"><span class=\"lf-art-num\">§3.3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Milieukwaliteitseisen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-324\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.24</span><span class=\"lf-art-t\">Richtwaarden voor activiteiten binnen milieubeschermingsgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ter bescherming van de omgevingskwaliteit rust en stilte worden binnen gebieden zoals bedoeld in artikel 3.18 onderscheiden: gebieden waarvoor een richtwaarde geldt van maximaal 40 dB(A), die zijn gelegen binnen de gebieden als bedoeld onder b, en waarvan de grens wordt gevormd door de binnengrens van de gebieden als bedoeld onder b; gebieden waarvoor een richtwaarde geldt van maximaal 48 dB(A), die grenzen aan de gebieden als bedoeld onder a, en een breedte hebben van 250 meter, te rekenen vanaf de grens van de gebieden als bedoeld onder a; gebieden waarvoor een richtwaarde geldt van maximaal 48 dB(A).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het nemen van besluiten krachtens de wet, de wetten genoemd in bijlage 1 van de wet en de Wet ruimtelijke ordening, wordt indien activiteiten plaatsvinden buiten een gebied die van invloed kunnen zijn op de rust en stilte binnen dit gebied, rekening gehouden met de richtwaarden zoals genoemd in artikel 3.25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het nemen van besluiten als bedoeld in het vorige lid, wordt indien activiteiten plaatsvinden binnen een gebied als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, die van invloed kunnen zijn op de rust en stilte binnen dit gebied, rekening gehouden met de richtwaarden als genoemd in artikel 3.26 en in paragrafen 3.3.2 tot en met 3.3.3 genoemde verbodsbepalingen en of vrijstellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in het tweede en derde lid geldt niet voor: inrichtingen gelegen op bestaand bedrijfsterrein buiten het gebied; mobiele activiteiten die onderdeel zijn van een agrarisch bedrijf; inrichtingen verband houdende met laad- en losactiviteiten van scheepvaart; concentraties van windenergielocaties als bedoeld in het Omgevingsplan Zeeland; bestaande wegen door milieubeschermingsgebieden; toestellen en/of activiteiten waarvoor een vrijstelling geldt op grond van artikel 3.22. ten behoeve van het onderhoud van het gebied, inclusief dijkwerkzaamheden of andere werkzaamheden aan of ten behoeve van waterkeringen in het gebied of in de directe omgeving van het gebied, en/of de in het gebied aanwezige bouwwerken en andere constructies met de daartoe geëigende middelen; de aanleg, het onderhoud of de exploitatie van infrastructurele werken, telecommunicatiewerken en openbare energievoorziening indien deze activiteiten niet structureel plaatsvinden en een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is afgegeven of geen vergunning op basis van deze wet noodzakelijk is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een gebied als bedoeld in het eerste lid, onder c, kan het bevoegd gezag van de gemeente aanvullend lokaal gebiedsgericht geluidbeleid vaststellen, voor zover dit gebied voor tenminste 75% uit landoppervlakte bestaat. Vaststelling van aanvullend lokaal gebiedsgericht beleid kan slechts geschieden na overleg met gedeputeerde staten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-325\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.25</span><span class=\"lf-art-t\">Richtwaarden voor activiteiten buiten milieubeschermingsgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van activiteiten buiten een gebied, die van invloed kunnen zijn op de rust en stilte binnen een gebied als bedoeld in artikel 3.24, eerste lid, onder a, geldt als richtwaarde voor het langtijdgemiddeld geluidsniveau van deze activiteiten het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid op de grens van die gebieden. Indien en voor zover uit metingen en berekeningen blijkt dat het referentieniveau in de dag-, avond-, of nachtperiode meer bedraagt dat 40 dB(A), wordt voor de betreffende periode een waarde van 40 dB(A) als richtwaarde gehanteerd; minder bedraagt dan 30 dB(A), wordt voor de betreffende periode een waarde van 30 dB(A) als richtwaarde gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van activiteiten buiten een gebied, die van invloed kunnen zijn op de rust en stilte binnen een gebied als bedoeld in artikel 3.24, eerste lid, onder b, geldt als richtwaarde voor het langtijdgemiddeld geluidsniveau van deze activiteiten het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid op de grens van de (buitenste) begrenzing van het gebied. Indien en voor zover uit metingen en berekeningen blijkt dat het referentieniveau in de dag,- avond,- of nachtperiode meer bedraagt dan 48 dB(A), wordt voor die periode een richtwaarde van 48 dB(A) gehanteerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-326\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.26</span><span class=\"lf-art-t\">Richtwaarde voor gebiedsvreemde stationaire geluidbronnen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als richtwaarde voor gebiedsvreemde stationaire geluidbronnen binnen de grenzen van een gebied als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, geldt het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid op de grens van het gebied dat fysiek door de activiteit in beslag wordt genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-327\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.27</span><span class=\"lf-art-t\">Ontheffing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van de in de artikelen 3.24 en 3.25 genoemde richtwaarden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-328\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.28</span><span class=\"lf-art-t\">Bepalen richtwaarde volgens Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Metingen en beoordelingen ter bepaling van het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid en het langtijdgemiddeld geluidsniveau van nieuwe activiteiten, worden uitgevoerd volgens één van onderstaande handleidingen en regelingen: het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 of ingeval van herziening van dit voorschrift het daarvoor in de plaats tredende voorschrift. de richtlijnen voor karakterisering en meting van het omgevingsgeluid (IL-HR-15-01)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-329\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.29</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichting tot meten voorgenomen activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Degene die binnen een gebied voornemens is activiteiten te ontplooien die niet vallen onder de activiteiten als bedoeld in artikel 3.24, tweede en derde lid, maar die wel kunnen leiden tot verstoring van de omgevingskwaliteit rust en stilte, dient het effect daarvan te meten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling van de meting vindt plaats door het bevoegd gezag in het kader van de besluitvorming ter zake een aangevraagde ontheffing waarvan de betreffende activiteiten deel uit maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-330\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.30</span><span class=\"lf-art-t\">Vastleggen uitgangssituatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Alvorens binnen dan wel buiten een gebied activiteiten worden ontplooid als bedoeld in artikel 3.24, tweede en derde lid, legt degene die daartoe voornemens is de uitgangssituatie vast volgens één van de handleidingen en regelingen als genoemd in artikel 3.28.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitgangssituatie wordt aan het bevoegd gezag voorgelegd in het kader van de besluitvorming ter zake van de vergunning of melding waarvan de betreffende activiteiten deel uit maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-336\"><span class=\"lf-art-num\">§3.3.6</span><span class=\"lf-art-t\">Hardheidsclausule</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-331\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.31</span><span class=\"lf-art-t\">Hardheidsclausule</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen artikel 3.21 buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang van de bescherming van het milieu en het gebiedseigen karakter zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 3.4 GRONDWATERBESCHERMING MET HET OOG OP DE WATERWINNING</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-341\"><span class=\"lf-art-num\">§3.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Algemeen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-332\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.32</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt verstaan onder: achtergrondwaarde, baggerspecie, grond, IBC-bouwstof, kwaliteitsklasse wonen, kwaliteitsklasse A en werk: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit Bodemkwaliteit dan wel de Regeling bodemkwaliteit; boorput: met daartoe geschikte werktuigen aangebrachte put, daaronder begrepen een in de grond gecontroleerd en mechanisch aangebrachte sondering; buisleiding: buisleiding voor het transport van gas (met uitzondering van aardgas), olie of chemicaliën alsmede een leiding voor het transport van elektriciteit die wordt gekoeld met olie of chemicaliën; drinkwaterbedrijf: drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet; extensieve beweiding: beweiding door maximaal anderhalf grootvee-eenheden per hectare per kalenderjaar; grond- of funderingswerken: een werk in de bodem, daaronder begrepen het plaatsen of verwijderen van palen, damwanden of folies;</p>\n<p class=\"lf-p\">NRB: Nederlandse richtlijn bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten, uitgegeven door InfoMil; niet-toelaatbare voor het grondwater schadelijke stof: een stof die als zodanig is aangewezen in bijlage H, onderdeel A: potentieel voor het grondwater schadelijke stof: een stof die behoort tot een categorie als bedoeld in hoofdstuk 9 van de wet; verwaarloosbaar bodemrisico: een situatie als bedoeld in de NRB waarin door een goede afstemming van bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen die kans op een verandering van de bodemkwaliteit, ten gevolge van een immissie van een stof, verwaarloosbaar is gemaakt;</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-333\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.33</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing beschermingsgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als gebieden waarvoor regels gelden ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning, zijn aangewezen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Haamstede;</p>\n<p class=\"lf-p\">Oranjezon;</p>\n<p class=\"lf-p\">Sint Jansteen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste lid aangewezen gebieden kunnen bestaan uit één of meer waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden. Deze zijn aangegeven in bijlage 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen een op de kaart aangegeven grens nader bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betrokken drinkwaterbedrijf plaatst langs alle openbare wegen en vaarwateren die toegang geven tot een grondwaterbeschermingsgebied en / of waterwingebied dan wel daaraan grenzen, op of nabij de grenzen van het gebied, borden die bij het betreffende gebied horen en waarvan het model is vastgesteld in bijlage H, onderdeel C en D.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-334\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.34</span><span class=\"lf-art-t\">Zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten de kwaliteit van het grondwater in een gebied dat in artikel 3.33 is aangewezen, kan worden geschaad, is verplicht dergelijk handelen achterwege te laten - behoudens voor zover dat ingevolge de bepalingen van dit hoofdstuk uitdrukkelijk is toegestaan - dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die schade te voorkomen, dan wel indien die schade niet kan worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van een verontreiniging of een direct dreigende verontreiniging van het grondwater behoort tot de maatregelen bedoeld in het eerste lid, in ieder geval dat degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten, terstond gedeputeerde staten en de directeur van het drinkwaterbedrijf informeert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing voor zover artikel 9.2.1.2 of artikel 10.1, eerste, tweede of derde lid, van de wet of artikel 13 van de Wet bodembescherming van toepassing is; met betrekking tot inrichtingen tenzij in deze verordening anders is bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-342\"><span class=\"lf-art-num\">§3.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Waterwingebieden</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-335\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.35</span><span class=\"lf-art-t\">Inrichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in een waterwingebied een inrichting op te richten of in werking te hebben indien die inrichting behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de eigenaar of exploitant van een drinkwaterbedrijf, indien het in werking hebben van de inrichting noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-336\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.36</span><span class=\"lf-art-t\">Activiteiten buiten inrichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is in waterwingebieden verboden: stoffen, combinaties van stoffen of vloeistoffen, preparaten of andere producten, in welke vorm dan ook, te hebben, te gebruiken, te vervoeren of op of in de bodem te brengen, waarvan degene die de handeling verricht, weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat ze, op of in de bodem gebracht of gerakend, de bodem verontreinigen of kunnen verontreinigen; een constructie of werk van welke aard dan ook op of in de bodem op te richten, tot stand te brengen, aan te leggen, te hebben of te gebruiken, als daarmee de verspreiding of lozing van hetgeen bedoeld is onder a, in de bodem of aantasting van de beschermende werking van bodemlagen ontstaat of kan ontstaan; grond of baggerspecie toe te passen waarvan de kwaliteit de achtergrondwaarde overschrijdt; handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte aan het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder de in het eerste lid onder a bedoelde stoffen worden in elk geval begrepen aardolie en aardolieproducten, afvalstoffen, IBC-bouwstoffen, meststoffen als bedoeld in de Meststoffenwet, gewasbeschermingsgebieden en biociden als bedoeld in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden en de stoffen als bedoeld in Bijlage H, Onderdeel A.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder de in het eerste lid, onder b, bedoelde constructies of werken worden in elk geval begrepen boorputten, grond- en funderingswerken, wegen, parkeergelegenheden voor motorvoertuigen, kampeerterreinen, recreatiecentra, leidingen, installaties, opslagreservoirs, begraafplaatsen en terreinen voor de uitstrooiing van as.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid onder a, b en c gestelde verbod geldt niet voor: het oprichten en hebben van boorputten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening; aardgasleidingen die dienen voor huishoudelijk gebruik; het toepassen van strooizout ten behoeve van de gladheidbestrijding; hetgeen is bedoeld in het eerste lid, onder a, voor zover dit aanwezig is en benodigd is voor het doen functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen; het vervoeren van hetgeen is bedoeld in het eerste lid, onder a, voor zover dit gebeurt in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijke gesloten verpakking, mits deugdelijk geladen, afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat; het hebben of gebruiken van geringe hoeveelheden van hetgeen is bedoeld in het eerste lid, onder a, niet zijnde gewasbeschermingsmiddelen of biociden, bij woningen en andere gebouwen, die dienen of gediend hebben voor normaal gebruik ter plaatse of afkomstig zijn van normaal gebruik van die woningen of gebouwen, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden; het op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen als gevolg van extensieve beweiding; het verspreiden van baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen, over her aangrenzend perceel met inachtneming van de Wet bodembescherming;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de eigenaar of exploitant van een drinkwaterbedrijf, indien de betreffende activiteit of gedraging noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-343\"><span class=\"lf-art-num\">§3.4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Grondwaterbeschermingsgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Inrichtingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-337\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.37</span><span class=\"lf-art-t\">Niet toegelaten categorieën van inrichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een inrichting op te richten of in werking te hebben indien die inrichting behoort tot één of meer van de categorieën die zijn aangewezen in bijlage H, onderdeel H.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-338\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.38</span><span class=\"lf-art-t\">Instructies voor omgevingsvergunningen voor inrichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel heeft uitsluitend betrekking op een inrichting die behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht en die is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, waarin een bodembedreigende activiteit wordt ondernomen, en waarvoor een omgevingsvergunning voor een inrichting is vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, in ieder geval de volgende voorschriften: een voorschrift met gelijke inhoud als artikel 3.34, eerste en tweede lid (zorgplicht); het voorschrift dat bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen worden getroffen waarmee een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd; het voorschrift dat in de inrichting een niet-toelaatbare voor het grondwater schadelijke stof als bedoeld in artikel 3.32, onder h, niet aanwezig mag zijn; het voorschrift dat in de inrichting van een potentieel voor het grondwater schadelijke stof als bedoeld in artikel 3.32, onder i, niet meer dan de hierna aangegeven hoeveelheden aanwezig mag zijn: in geval van een giftige of anderszins schadelijke stof als bedoeld in bijlage H, onderdeel B, tabel B.1.1 of tabel B.1.2: de voor de stof in die tabel aangegeven drempelwaarde; in geval van een andere potentieel voor het grondwater schadelijke stof, zijnde een tot vloeistof gekoeld gas of een vloeistof: niet meer dan 5 m³ per opslageenheid; in geval van een andere potentieel voor het grondwater schadelijke stof, zijnde een visceuze of vaste stof: niet meer dan 5000 kilogram per opslageenheid; het voorschrift dat indien in de inrichting een potentieel voor het grondwater schadelijke stof aanwezig is, de onder b bedoelde bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen de hoogst mogelijke vorm van bescherming bieden, waaronder in ieder geval wordt verstaan dat: volledig gesloten procesapparatuur of procesapparatuur met geïntegreerde lekdetectie wordt toegepast; proces en opslag vrij van de grond boven een vloeistofdichte vloer of een lekbak plaatsvindt; tussentijds bodemonderzoek met een tenminste tweemaal hogere frequentie plaatsvindt dan op basis van de NRB wordt aanbevolen, doch tenminste eenmaal per vijf jaar. voorschriften met een gelijke inhoud als die van de artikelen 3.41 tot en met 3.47, voor zover die regels betrekking hebben op de in het eerste lid bedoelde bodembedreigende activiteit. Daarbij wordt bepaald dat als voor een activiteit als bedoeld in die artikelen een omgevingsvergunning is vereist, de melding tegelijkertijd met de aanvraag om die vergunning wordt gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, onder c, kan het bevoegd gezag bepalen dat een stof wel aanwezig mag zijn indien deze deel uitmaakt van: een geneesmiddel in de zin van de Richtlijn 2001/83/EG of een geneesmiddel voor diergeneeskundig gebruik in de zin van Richtlijn 2001/82/EG; cosmetische producten waarop de Richtlijn 76/768/EEG van toepassing is; de volgende brandstoffen en olieproducten: benzine en dieselbrandstof als bedoeld in Richtlijn 98/70/EG; derivaten van minerale oliën, bestemd voor gebruik als brandstof in mobiele of vaste verbrandingsinstallaties; brandstoffen die in een gesloten systeem worden verkocht (bijvoorbeeld flessen vloeibaar gas); kunstschilderverven die onder Verordening (EG) nr. 1272/2008 vallen; asbest, erioniet en vuurvast keramische vezels; derivaten van aardolie of minerale oliën die in overeenstemming met de geldende wet- en regelgeving worden gebruikt in wegverhardingen of dakbedekkingen (bijvoorbeeld asfalt).</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, onder d, 2ْ en 3ْ, kan het bevoegd gezag bepalen dat de aanwezigheid van en grotere hoeveelheid van de daar bedoelde stof per opslageenheid is toegestaan als die stof - getoetst volgens de beoordelingsmethodiek die is opgenomen in bijlage H, onderdeel B, sub B.2, - naar hoedanigheid, mobiliteit en persistentie toelaatbaar is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-339\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.39</span><span class=\"lf-art-t\">Regels voor niet-omgevingsvergunningplichtige inrichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel heeft uitsluitend betrekking op een inrichting die behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht en die is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, waarin een bodembedreigende activiteit wordt ondernomen, en waarvoor geen omgevingsvergunning voor een inrichting is vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene die een inrichting als bedoeld in het eerste lid, drijft, treft de bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen waarmee een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden dat in de inrichting een niet-toelaatbare voor het grondwater schadelijke stof als bedoeld in artikel 3.32, onder h, aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het derde lid gestelde verbod geldt niet indien de stof deel uitmaakt van: een geneesmiddel in de zin van Richtlijn 2001/83/EG of een geneesmiddel voor diergeneeskundig gebruik in de zin van Richtlijn 2001/82/EG; cosmetische producten waarop de Richtlijn 76/768/EEG van toepassing is; de volgende brandstoffen en olieproducten: benzine en dieselbrandstof als bedoeld in Richtlijn 98/70/EG; derivaten van minerale oliën, bestemd voor gebruik als brandstof in mobiele of vaste verbrandingsinstallaties; brandstoffen die in een gesloten systeem worden verkocht (bijvoorbeeld flessen vloeibaar gas); kunstschilderverven die onder Verordening (EG) nr. 1272/2008 vallen; asbest, erioniet en vuurvast keramische vezels; derivaten van aardolie of minerale oliën die in overeenstemming met de geldende wet- en regelgeving worden gebruikt in wegverhardingen of dakbedekkingen (bijvoorbeeld asfalt) In de inrichting mag van een potentieel voor het grondwater schadelijke stof als bedoeld in artikel 3.32, onder i, niet meer dan de hierna aangegeven hoeveelheden aanwezig zijn: in geval van een giftige of anderszins schadelijke stof als bedoeld in bijlage H, onderdeel B, tabel B.1.1 of tabel B.1.2: de voor de stof in die tabel aangegeven drempelwaarde; in geval van een andere potentieel voor het grondwater schadelijke stof, zijnde een tot vloeistof gekoeld gas of een vloeistof: niet meer dan 5 m³ per opslageenheid; in geval van een andere potentieel voor het grondwater schadelijke stof, zijnde een visceuze of vaste stof: niet meer dan 5000 kilogram per opslageenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in het vijfde lid, onder b en c, is de aanwezigheid van een grotere hoeveelheid van de daar bedoelde stof per opslageenheid toegestaan als die stof - getoetst volgens de beoordelingsmethodiek die is opgenomen in bijlage H, onderdeel B, sub B.2, - naar hoedanigheid, mobiliteit en persistentie toelaatbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien in een inrichting als bedoeld in het eerste lid, een potentieel voor het grondwater schadelijke stof aanwezig is, bieden de in het tweede lid bedoelde bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen de hoogst mogelijke vorm van bescherming, waaronder in ieder geval wordt verstaan dat: volledig gesloten procesapparatuur of procesapparatuur met geïntegreerde lekdetectie wordt toegepast proces en opslag vrij van de grond boven een vloeistofdichte vloer of een lekbak plaatsvindt; tussentijds bodemonderzoek met een tenminste tweemaal hogere frequentie plaatsvindt dan op basis van de NRB wordt aanbevolen, doch tenminste eenmaal per vijf jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 3.34, eerste en tweede lid, 3.41 tot en met 3.47 en 3.51 zijn ook van toepassing op een inrichting als bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het melden als bedoeld in artikel 8.41, eerste lid, van de wet, wordt medegedeeld welke potentieel voor het grondwater schadelijke stoffen in de inrichting aanwezig zullen zijn en welke bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen zijn of worden getroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien ten aanzien van een inrichting een algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 8.40 van de wet van toepassing is en niet een melding op grond van artikel 8.41 van de wet is voorgeschreven, geeft degene die de inrichting drijft, kennis van de in het negende lid bedoelde gegevens. Artikel 3.50 van deze verordening is op deze melding van toepassing. Het in de eerste volzin bepaalde is niet van toepassing ten aanzien van een inrichting type A als bedoeld in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede tot en met zevende lid is niet van toepassing op degene die een inrichting drijft, voor zover op grond van een algemene maatregel van bestuur of een ministeriele regeling de in die leden bedoelde voorschriften reeds voor die inrichting gelden met het oog op de waterwinning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten buiten inrichtingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-340\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.40</span><span class=\"lf-art-t\">Werkingssfeer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 3.41 tot en met 3.47 hebben uitsluitend betrekking op activiteiten die in een grondwaterbeschermingsgebied en buiten een inrichting worden ondernomen tenzij in deze verordening anders is bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-341\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.41</span><span class=\"lf-art-t\">Boorputten en grond- of funderingswerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben. Het verbod geldt niet voor: boorputten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening; het onderzoeken of saneren van de bodem in het kader van de Wet bodembescherming: of tijdelijke bronbemaling ten behoeve van de uitvoering van werken, mits het VKB-Protocol 2006 Mechanisch boren, in acht wordt genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van drie meter of meer onder het maaiveld. Het verbod geldt niet voor graafwerkzaamheden en het inbrengen van palen indien wordt voldaan aan de volgende algemene voorschriften: bij graafwerkzaamheden: indien grond wordt verwijderd en het bodemprofiel wordt aangevuld tot tenminste drie meter onder het maaiveld zoals dat aanwezig was voorafgaand aan de graafwerkzaamheden, en aansluitend op eventueel aangelegde kunstwerken; voor het inbrengen van palen: indien uitsluitend gebruik gemaakt wordt van: grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet; in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaatselijk verbreed is, grondverdringend wordt ingebracht en niet wordt getrokken; of schroefpalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het voornemen tot het oprichten van een boorput of het uitvoeren van grond- of funderingswerken waarbij toepassing wordt gegeven aan de in het tweede lid bedoelde voorschriften, doet degene die de activiteit onderneemt, een melding. Ten aanzien van de melding is artikel 3.50 van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-342\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.42</span><span class=\"lf-art-t\">Buisleidingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een buisleiding te leggen, te hebben, te vervangen, te veranderen of te verleggen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-343\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.43</span><span class=\"lf-art-t\">Gebouwen, wegen en andere verhardingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden om afstromend water van gebouwen en verhardingen op of in de bodem te lozen. Het verbod geldt niet ten aanzien van gebouwen: indien geen bouwmaterialen worden gebruikt die tot gevolg hebben dat hetgeen is bedoeld in artikel 3.36, eerste lid, onder a, door afspoelen of uitloging in het afstromend water kan komen, of indien afstromend water uitsluitend infiltreert via een doelmatig werkend zuiveringssysteem; ten aanzien van wegen: indien het afstromend water uitsluitend infiltreert via een doelmatig werkend zuiveringssysteem; Van het voornemen tot het lozen van afstromend water op of in de bodem doet degene die de activiteit onderneemt, een melding. Ten aanzien van de melding is artikel 3.50 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden afstromend water via diepinfiltratie in het grondwater te lozen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden op eigen terrein te parkeren of parkeergelegenheid voor motorvoertuigen aan te bieden indien het terrein niet is voorzien van een aaneengesloten verharding. Het verbod geldt niet indien het een parkeergelegenheid betreft met maximaal vier parkeerplaatsen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-344\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.44</span><span class=\"lf-art-t\">Meststoffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied meststoffen op of in de bodem te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor het op of in de bodem brengen van: dierlijke meststoffen; anorganische meststoffen als bedoeld in het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet; compost als bedoeld in het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet; kalkmeststoffen als bedoeld in het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-345\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.45</span><span class=\"lf-art-t\">Begraafplaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een begraafplaats of uitstrooiveld als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging of een dierenbegraafplaats aan de leggen of te hebben.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-346\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.46</span><span class=\"lf-art-t\">Warmtetoevoeging en -onttrekking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied werken tot stand te brengen of handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte aan het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder een handeling als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval begrepen het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van een bodemenergiesysteem.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-347\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.47</span><span class=\"lf-art-t\">IBC-bouwstoffen, verontreinigde grond en baggerspecie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied IBC-bouwstof toe te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied grond of baggerspecie toe te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor de toepassing van grond of baggerspecie: op of in de bodem: indien de kwaliteit van de grond of baggerspecie de achtergrondwaarde niet overschrijdt; dan wel de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende bodem gelijk is aan of slechter is dan de kwaliteitsklasse wonen en de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is; in oppervlaktewater: indien de kwaliteit van de grond of baggerspecie de achtergrondwaarde niet overschrijdt, dan wel de maximale waarden van de kwaliteitsklasse A niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende waterbodem gelijk is aan of slechter is dan de kwaliteitsklasse A en de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is; bij toepassing in een omvang van meer dat 5000 m³ indien wordt aangetoond dat de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de desbetreffende drinkwaterwinning niet toenemen, de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is en de kwaliteit van de grond of baggerspecie bij een toepassing op of in de bodem de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt; bij een toepassing in oppervlaktewater de maximale waarden van de kwaliteitsklasse A niet overschrijdt; voor zover het betreft baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen: op het aangrenzend perceel, met het oog op het herstellen of verbeteren van die percelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het voornemen tot een toepassing als bedoeld in het derde lid, onder a, b en c, doet degene die de activiteit onderneemt, een melding. De melding van het voornemen tot een toepassing als bedoeld in het derde lid, onder c, bevat de resultaten van locatiespecifiek onderzoek op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de desbetreffende drinkwaterwinning niet toenemen. Ten aanzien van de melding is artikel 3.50 van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-344\"><span class=\"lf-art-num\">§3.4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Overige bepalingen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-348\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.48</span><span class=\"lf-art-t\">Beperkingen instructieverplichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verplichtingen van artikel 3.38, tweede lid, tot het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning voor een inrichting gelden niet: ten aanzien van een inrichting voor zover door degene die de inrichting drijft, de in dat artikel bedoelde voorschriften gelden of aan de vergunning dienen te worden verbonden op grond van een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling; voor een omgevingsvergunning voor een inrichting ten aanzien waarvan Onze Minister of de Minister van Economische zaken en Klimaat het bevoegd gezag is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-349\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.49</span><span class=\"lf-art-t\">Relatienotagebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is niet van toepassing op de agrarische bedrijfsvoering in gebieden als bedoeld in artikel 1.2, vijfde lid, laatste volzin, van de wet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-350\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.50</span><span class=\"lf-art-t\">Meldingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien in dit hoofdstuk het doen van een melding is voorgeschreven, wordt de melding schriftelijk gedaan en wordt in de melding aangegeven: de naam en het adres van degene die de melding doet; de dagtekening; een beschrijving van de activiteit waarop de melding betrekking heeft; een of meer kaarten op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de plaats waar de activiteit zal plaatsvinden;</p>\n<p class=\"lf-p\">De melding wordt gedaan uiterlijk negen weken voordat tot de handeling waarop de melding betrekking heeft, wordt overgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een melding ingevolge een voorschrift dat aan een omgevingsvergunning voor een inrichting is verbonden, wordt gedaan aan het bevoegd gezag. Een melding ingevolge artikel 3.39, tiende lid, wordt gedaan aan burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak is of zal zijn gelegen. In andere gevallen wordt de melding gedaan aan gedeputeerde staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bestuursorgaan bevestigt de ontvangst van de melding en stuurt onverwijld een afschrift van de melding aan het drinkwaterbedrijf. Het geeft uiterlijk binnen zes weken na de ontvangst van de melding schriftelijk zijn oordeel of op basis van die gegevens verwacht mag worden dat wordt voldaan aan de voorschriften, waarop de melding betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het bestuursorgaan niet binnen de in het vierde lid bedoelde termijn aan degene die de melding heeft gedaan een bericht als daar bedoeld heeft gezonden, wordt zijn oordeel geacht instemmend te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvang van de daadwerkelijke uitvoering van de werkzaamheden waarop de melding betrekking heeft, wordt minimaal twee weken voor de uitvoering van de werkzaamheden schriftelijk aan het bestuursorgaan gemeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien niet binnen zes maanden na de verzending van de in het tweede lid bedoelde melding met de handeling waarop die melding betrekking had, is begonnen, dient opnieuw een melding te worden gedaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-351\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.51</span><span class=\"lf-art-t\">Ontheffingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien in een bijzonder geval het algemeen belang de uitvoering van een activiteit waarop een verbod betrekking heeft, noodzakelijk maakt, kunnen gedeputeerde staten zo nodig in afwijking van artikel 3.64, ontheffing verlenen van de in de artikelen 3.36, 3.41, 3.42, 3.43 en 3.47 opgenomen verboden. Aan de ontheffing worden de voorschriften verbonden die de hoogst mogelijke vorm van bescherming voor de kwaliteit van het grondwater bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de gegevens bedoeld in artikel 3.70, derde lid, vermeldt de aanvrager in de aanvraag om ontheffing het algemeen belang dat met de uitvoering van de activiteit is gediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten stellen naast de in artikel 3.71 genoemde organen de inspecteur en het drinkwaterbedrijf in de gelegenheid advies uit te brengen naar aanleiding van de aanvraag om ontheffing en naar aanleiding van het voornemen een beschikking te geven op grond van artikel 3.67 of 3.68.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-352\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.52</span><span class=\"lf-art-t\">Mogelijkheid tot afwijken van instructies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien in een bijzonder geval het algemeen belang de uitvoering van een activiteit noodzakelijk maakt en de verplichting van artikel 3.38, tweede lid, tot het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning voor een inrichting daaraan in de weg staat, kan het bevoegd gezag van deze verplichting afwijken. Alsdan worden aan de vergunning de voorschriften verbonden die de hoogst mogelijke vorm van bescherming voor de kwaliteit van het grondwater bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegd gezag stelt de in artikel 3.71 genoemde organen, de inspecteur en het drinkwaterbedrijf in de gelegenheid advies uit te brengen naar aanleiding van het voornemen om toepassing te geven aan het eerste lid.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 3.5 BODEMSANERING</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-353\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.53</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt verstaan onder: saneringsplan: een plan als bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming; evaluatieverslag: een verslag als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming; nazorgplan: een nazorgplan als bedoeld in artikel 39d van de Wet bodembescherming.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-354\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.54</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van melden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het rapport van het nader onderzoek als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming, het saneringsplan, het evaluatieverslag, het nazorgplan en de melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming worden met de daarbij behorende stukken in enkelvoud bij gedeputeerde staten, per adres aan RUD Zeeland ingediend, waarbij voor het nader onderzoek, het saneringsplan en de melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid van de Wet bodembescherming gebruik wordt gemaakt van een op de website van RUD Zeeland geplaatst meldingsformulier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de melding, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming wordt op het formulier als bedoeld in het eerste lid in aanvulling op de gegevens bedoeld in artikel 28, tweede lid, van de Wet bodembescherming in ieder geval vermeld: het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt; de naam en het adres van degene die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied, bedoeld onder a, alsmede van de gebruiker daarvan; de naam en het adres van degene in wiens opdracht de sanering zal plaatsvinden dan wel handelingen zullen worden verricht ten gevolge waarvan de verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-355\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.55</span><span class=\"lf-art-t\">Procedure</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op de voorbereiding van een beschikking op grond van artikel 29 van de Wet bodembescherming en van een beschikking met betrekking tot de instemming met een saneringsplan (artikel 39, tweede lid van de Wet bodembescherming) is de in afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen besluiten dat de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure niet wordt toegepast, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat aan de toepassing van die procedure geen behoefte bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien gedeputeerde staten toepassing geven aan het tweede lid, vermelden zij dit in de kennisgeving, bedoeld in artikel 28, vijfde lid, van de Wet bodembescherming. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 39, derde lid, van die wet, doen zij van een besluit als bedoeld in het tweede lid digitaal mededeling via het provinciaal blad op www.overheid.nl.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-356\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.56</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoud saneringsplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming worden in het saneringsplan de volgende gegevens vermeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene gegevens het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt; een kadastrale kaart, welke ten hoogste dertien weken voor de indiening van het saneringsplan door het kadaster is afgegeven, waarop het geval van verontreiniging is aangegeven; een uittreksel van het kadaster waaruit de huidige eigendomssituatie blijkt, welke ten hoogste dertien weken voor de indiening van het saneringsplan door het kadaster is afgegeven; het huidige en voorgenomen gebruik van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt, alsmede de bestemming die op dit grondgebied rust volgens het vigerende bestemmingsplan; de naam en het adres van degene die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied, bedoeld onder 1º, alsmede van de gebruiker daarvan; de naam en het adres van degene in wiens opdracht de sanering zal plaatsvinden; de naam en het adres van degene die de sanering feitelijk uitvoert; een overzicht van de bij de uitvoering van de sanering belanghebbende natuurlijke en rechtspersonen; een tijdschema met een planning van de werkzaamheden, waarbij in ieder geval de datum is aangegeven waarop met de sanering naar verwachting zal worden begonnen; een specificatie van de bij de uitvoering van de sanering betrokken bedrijven en instanties, voor zover deze ten tijde van het indienen van het saneringsplan bekend zijn; een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en toestemmingen om het werk te kunnen uitvoeren; indien de sanering in fasen wordt uitgevoerd, als bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming: de voorgenomen fasering, alsmede de argumentatie om de sanering gefaseerd uit te voeren; indien een deelsanering wordt uitgevoerd, als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Wet bodembescherming: de redenen daarvoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Keuze saneringsvariant de argumentatie voor de gekozen saneringsvariant met het saneringsdoel;</p>\n<p class=\"lf-p\">De te nemen maatregelen een beschrijving van de maatregelen die de sanering mogelijk moeten maken; een beschrijving van de te treffen (geo)hydrologische en andere technische voorzieningen met de gekozen dimensionering en de invloed hiervan op de omgeving; een beschrijving van maatregelen die milieu hygiënisch ongewenste effecten als gevolg van de sanering voorkomen of zoveel mogelijk beperken; indien verontreinigde grond zal worden afgegraven of verontreinigd grondwater zal worden onttrokken: de te verwachten hoeveelheid af te graven grond dan wel te onttrekken hoeveelheid grondwater; indien de grond of het grondwater geheel of gedeeltelijk niet zal worden gereinigd: de redenen daarvoor; een weergave van de ontgravingscontour en het grondwateronttrekkingssysteem: vanuit bovenaanzicht bezien, aangegeven op een kadastrale kaart, welke ten hoogste dertien weken voor de indiening van het saneringsplan door het kadaster is afgegeven; vanuit zijaanzicht bezien; gegevens over de kwaliteit en kwantiteit van de eventueel te gebruiken aanvulgrond; gegevens over de bestemming van overige verontreinigde stoffen die, naast de verontreinigde grond, vrijkomen bij de sanering; een beschrijving van de wijze waarop de voortgang van de grondwatersanering wordt gecontroleerd en hoe over de voortgang wordt gerapporteerd; een beschrijving van de wijze waarop de milieukundige begeleiding van de sanering plaatsvindt, waartoe in elk geval behoort: het bijhouden van een logboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming kan het vermelden in het saneringsplan van gegevens als bedoeld in het eerste lid achterwege blijven indien: bij de indiening van het plan wordt aangegeven welke gegevens ontbreken, daarbij de reden wordt aangegeven waarom die gegevens ontbreken, en die gegevens niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het saneringsplan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-357\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.57</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoud saneringsplan waterbodem</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In een geval als bedoeld in artikel 63c, eerste lid, van de Wet bodembescherming, bevat het saneringsplan de gegevens als bedoeld in artikel 3.61, eerste lid, alsmede de volgende gegevens: bij a. Algemene gegevens xiv. de naam en de functie van het oppervlaktewaterlichaam; xv. de wijze waarop de beheerder van het watersysteem waarin zich de verontreiniging bevindt - voor zover deze niet zelf met de sanering is belast - bij de uitvoering van de sanering wordt betrokken. bij c. De te nemen maatregelen x. de hoeveelheid te verwijderen baggerspecie, onderverdeeld in de hoeveelheid onderhoudsbaggerspecie en de hoeveelheid saneringsbaggerspecie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een geval als bedoeld in artikel 63c, eerste lid, van de Wet bodembescherming, is artikel 3.61, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-358\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.58</span><span class=\"lf-art-t\">Meldingsplichten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Degene die de bodem saneert of degene die de sanering feitelijk uitvoert op grond van een saneringsplan waarmee gedeputeerde staten op basis van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming hebben ingestemd, meldt uiterlijk twee weken voor de feitelijke aanvang van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering schriftelijk bij gedeputeerde staten de aanvangsdatum van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien sprake is van een grondsanering, respectievelijk grondwatersanering waarbij door gedeputeerde staten is ingestemd met een gefaseerde aanpak overeenkomstig artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming, wordt de start van iedere afzonderlijke fase op de in het vierde lid beschreven wijze gemeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de grondsanering respectievelijk de grondwatersanering niet zal worden gestart op de overeenkomstig het eerste lid gemelde aanvangsdatum of de overeenkomstig dit lid aangepaste aanvangsdatum, meldt degene die de bodem saneert of degene die de sanering feitelijk uitvoert dit onverwijld schriftelijk aan gedeputeerde staten, onder opgave van de nieuwe aanvangsdatum. Indien de nieuwe aanvangsdatum op dat moment nog niet bekend is, meldt degene die de bodem saneert alsmede degene die de sanering feitelijk uitvoert de nieuwe aanvangsdatum minimaal twee weken voor deze datum schriftelijk aan gedeputeerde staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien bij de sanering ontgraving van verontreinigde grond plaatsvindt, stelt degene die de bodem saneert of die de sanering feitelijk uitvoert uiterlijk twee dagen voorafgaand aan het tijdstip waarop over het hele gebied van de ontgraving de einddiepte bereikt zal worden en tot aanvulling van de ontgraving zal worden overgegaan gedeputeerde staten van dat tijdstip op de hoogte. Bij ontgraving en aanvulling in gedeeltes, geldt voornoemde verplichting tot melding per gedeelte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene die de bodem saneert of degene die de sanering feitelijk uitvoert, meldt de beëindiging van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering binnen een week na beëindiging van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering schriftelijk aan gedeputeerde staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien sprake is van een grondsanering, respectievelijk grondwatersanering waarbij door gedeputeerde staten is ingestemd met een gefaseerde aanpak overeenkomstig artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming, wordt de beëindiging van iedere afzonderlijke fase op de in het vierde lid beschreven wijze gemeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-359\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.59</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging saneringsplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een melding inzake wijziging van het saneringsplan als bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Wet bodembescherming dienen de volgende gegevens te worden verstrekt: alle gegevens die afwijken van het saneringsplan, waarmee gedeputeerde staten op grond van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming hebben ingestemd; de inhoud van de wijziging; de reden van de wijziging; de gevolgen van de wijziging voor de oorspronkelijk beoogde saneringsdoelstelling en de ter uitvoering daarvan te treffen saneringsmaatregelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-360\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.60</span><span class=\"lf-art-t\">Evaluatieverslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Degene die de bodem heeft gesaneerd dan wel een fase van de sanering heeft uitgevoerd als bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming biedt uiterlijk dertien weken na beëindiging van de saneringswerkzaamheden het evaluatieverslag aan gedeputeerde staten aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming worden in het evaluatieverslag de volgende gegevens vermeld: het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt; een kadastrale kaart, die de actuele situatie weergeeft, met daarop ingetekend de contour van de restverontreiniging boven de interventiewaarde; een korte omschrijving van de kwaliteit van de bodem voor het uitvoeren van de sanering, waaronder mede begrepen een beschrijving van de aard en omvang van de verontreiniging; gegevens over het verloop van de sanering, waaronder in elk geval: de relevante data van de uitvoering; een beschrijving van de uitvoering van de sanering, voor zover deze wijzigingen betreft van onderdelen van het saneringsplan waarmee is ingestemd, alsmede de reden voor deze wijzigingen, die zijn gemeld ingevolge artikel 39, vierde lid, van de Wet bodembescherming; een beschrijving van de uitvoering van de sanering naar aanleiding van aanwijzingen ingevolge artikel 38, vierde lid, en 39, vijfde lid, van de Wet bodembescherming die een wijziging inhouden van onderdelen van het saneringsplan waarmee is ingestemd; een beschrijving van de getroffen saneringsmaatregelen, waaronder afmetingen van ontgravingen, de analyseresultaten van de controlegrondmonsters, depotmonsters, in- en effluentmonsters en monsters uit waarnemingsfilters; de daadwerkelijk gemaakte saneringskosten, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de kosten van onderzoek en de kosten van sanering; indien na de sanering nog verontreiniging in de bodem aanwezig is gebleven: een beschrijving van deze verontreiniging, die leidt tot beperkingen in het gebruik van de bodem of maatregelen, als bedoeld in artikel 39c, eerste lid onder f, van de Wet bodembescherming met hierbij een verwijzing naar het nazorgplan, bedoeld in artikel 39d, eerste lid, van de Wet bodembescherming dat op deze verontreiniging ziet en dat tegelijkertijd met het evaluatieverslag wordt ingediend bij gedeputeerde staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming kan het vermelden in het evaluatieverslag van gegevens als bedoeld in het tweede lid achterwege blijven indien: bij de indiening van het evaluatieverslag wordt aangegeven welke gegevens ontbreken, daarbij de reden wordt aangegeven waarom die gegevens ontbreken, en die gegevens niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het evaluatieverslag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-361\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.61</span><span class=\"lf-art-t\">Nazorgplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in artikel 39d, eerste en tweede lid, van de Wet bodembescherming worden in het nazorgplan de volgende gegevens vermeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene gegevens het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt; een kadastrale kaart, die de actuele situatie weergeeft, met daarop ingetekend de contour van de restverontreiniging boven de interventiewaarde en meer dan 25 kubieke meters in het vaste bodemvolume; het huidige en toekomstige gebruik van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt, alsmede de bestemming die op dit grondgebied rust volgens het vigerende bestemmingsplan; een overzicht van bij de nazorg betrokken personen en instanties, waartoe in elk geval behoren: naam- en adresgegevens, taken en verantwoordelijkheden; indien een ander dan degene die de bodem heeft gesaneerd in het nazorgplan wordt aangewezen als degene die is belast met de uitvoering van de nazorgmaatregelen: de door betrokken partijen ondertekende contractuele afspraken die gelden en waaruit blijkt dat diegene zich tot de uitvoering hiervan verbindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvangssituatie een globale beschrijving van de sanering en de reden voor de achtergebleven verontreiniging; een beschrijving van de aard, de omvang, de mate en de ligging van de achtergebleven verontreiniging van de grond en het grondwater, waartoe in elk geval behoort: een kadastrale kaart, die de actuele situatie weergeeft, met daarop de achtergebleven verontreiniging; indien isolerende voorzieningen zijn aangebracht: een beschrijving van de aard van deze voorzieningen, inclusief kaartmateriaal met daarop de ligging van deze voorzieningen (dwarsdoorsnede en bovenaanzicht); indien de restverontreiniging wordt gemonitord: een beschrijving van het monitoringssysteem, inclusief kaartmateriaal met daarop de plaats en filterstelling van de monitoringspeilbuizen (dwarsdoorsnede en bovenaanzicht) en controlefrequentie van de monitoring; een beschrijving van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt en haar omgeving, waaronder in ieder geval: de bodemopbouw, de geohydrologie en de aanwezigheid van kwetsbare objecten en activiteiten in de omgeving; een kaart met daarop aangegeven de aanwezige kabels en leidingen in het gebied waar de achtergebleven verontreiniging zich bevindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruiksbeperkingen indien gebruiksbeperkingen noodzakelijk zijn: een beschrijving van deze beperkingen, met bijbehorend kaartmateriaal (bovenaanzicht).</p>\n<p class=\"lf-p\">Nazorgmaatregelen de doelstelling van de nazorg; een beschrijving van de nazorgmaatregelen en de nazorgvoorzieningen, alsmede de verwachte levensduur daarvan; indien isolerende voorzieningen zijn aangebracht: een beschrijving van de wijze waarop de aangebrachte isolerende voorzieningen worden beheerd en onderhouden, de wijze en frequentie van de controle op het functioneren van de voorzieningen en de criteria waarmee dit wordt beoordeeld, en de wijze waarop gehandeld wordt als de voorzieningen niet naar behoren functioneren. indien de restverontreiniging wordt gemonitord: een beschrijving van de wijze waarop en de frequentie waarmee de restverontreiniging wordt gemonitord, hoe de resultaten worden geïnterpreteerd, de wijze waarop de monitoringsinstrumenten worden beheerd en onderhouden en hoe gehandeld wordt als de verwachte resultaten niet worden bereikt; een beschrijving van hoe wordt gehandeld bij calamiteiten; een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en toestemmingen om de nazorg te kunnen uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapportage en evaluatie de tijdstippen waarop over de resultaten van de nazorg aan het bevoegd gezag verslag wordt gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Financiële aspecten een begroting van de kosten van de nazorgmaatregelen, inclusief de eventueel noodzakelijke vervangingen van de voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in artikel 39d, eerste en tweede lid, van de Wet bodembescherming kan het vermelden in het nazorgplan van gegevens als bedoeld in het eerste lid achterwege blijven indien: bij de indiening van het plan wordt aangegeven welke gegevens ontbreken, daarbij de reden wordt aangegeven waarom die gegevens ontbreken, en die gegevens niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het nazorgplan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 3.6 ONTHEFFINGEN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-362\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.62</span><span class=\"lf-art-t\">Werkingssfeer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Van de bepalingen van dit hoofdstuk en van de daarvan deel uitmakende bijlagen kan een ontheffing als bedoeld in artikel 1.3 van de wet worden verleend voor zover dat bij die bepalingen is aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling is van toepassing op de totstandkoming van de beschikking op de aanvraag tot het geven van een ontheffing en van de beschikking tot wijziging of intrekking van een ontheffing. In het geval in bepalingen en of de paragrafen waarin een ontheffingsmogelijkheid is opgenomen bijzondere bepalingen over de procedure van totstandkoming van de beschikking op de aanvraag zijn opgenomen gaan deze bijzondere bepalingen voor.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-363\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.63</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoud en eisen ontheffing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegd gezag houdt bij het besluit op de aanvraag om ontheffing in ieder geval rekening met: de richtwaarden voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de gedraging waarvoor ontheffing wordt gevraagd, gevolgen kan hebben, voor zover de verplichting om daarmee rekening te houden is vastgelegd in artikel 3.24.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-364\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.64</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgrond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ontheffing wordt geweigerd indien door het stellen van voorschriften niet voldoende kan worden tegemoet gekomen aan het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing wordt gevraagd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-365\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.65</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften verbonden aan ontheffing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan een ontheffing worden de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing wordt verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de ontheffing en de aan die ontheffing te verbinden voorschriften zijn de artikelen 2.22, eerste en vijfde lid, en tweede lid juncto artikel 2.14, eerste lid, onder a, onder 5°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en 5.5, eerste lid, 5.6, 5.7, tweede en vijfde lid, en 5.9 van het Besluit omgevingsrecht, van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-366\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.66</span><span class=\"lf-art-t\">Rechtsopvolging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een ontheffing geldt voor degene aan wie zij is verleend en voor zijn rechtsopvolgers, tenzij bij de ontheffing anders is bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid geldt een ontheffing die betrekking heeft op de verwijdering van afvalstoffen slechts voor degene aan wie zij is verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-367\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.67</span><span class=\"lf-art-t\">Op aanvraag of ambtshalve wijzigen, intrekken of toevoegen voorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op aanvraag van de houder van een ontheffing kan het bevoegd gezag voorschriften die aan de ontheffing zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog voorschriften aan de ontheffing verbinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegd gezag kan - anders dan op aanvraag van de houder- voorschriften die aan een ontheffing verbonden zijn, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog voorschriften aan een ontheffing verbinden in het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing is verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-368\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.68</span><span class=\"lf-art-t\">Op aanvraag of ambtshalve (geheel of gedeeltelijk) intrekken ontheffing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegd gezag kan een ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken op aanvraag van de houder van de ontheffing, indien het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing is verleend, zich daartegen niet verzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegd gezag kan - anders dan op aanvraag van de houder - een ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken indien: het gebruik maken van de ontheffing ontoelaatbaar nadelige gevolgen heeft voor het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing is verleend, en toepassing van artikel 3.67 redelijkerwijs daarvoor geen oplossing biedt; gedurende drie jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de ontheffing; in gevallen dat artikel 3.66 tweede lid, van toepassing is of bij de ontheffing is bepaald dat zij niet geldt voor de rechtsopvolgers van degene aan wie zij is verleend: de houder van de ontheffing niet meer degene is die de gedraging waarvoor ontheffing is verleend, uitvoert.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-369\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.69</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgrond, beperkingen en voorschriften bij wijzigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de totstandkoming van een beschikking op grond van artikel 3.67 of 3.68 zijn van overeenkomstige toepassing; artikel 1.3, derde lid, van de wet en de artikelen 3.63 tot en met 3.65.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-370\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.70</span><span class=\"lf-art-t\">Procedure en inhoud aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op de voorbereiding van een ontheffing krachtens dit hoofdstuk is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij deze verordening anders bepaalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in het eerste lid wordt in enkelvoud ingediend bij het bevoegd gezag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag bevat in ieder geval: een beschrijving van de gedraging waarvoor een ontheffing wordt verzocht, daaronder begrepen gegevens omtrent constructie, afmetingen en het gebruik van installaties of andere werken, alsmede de reden van de gedraging; een of meer kaarten op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de plaats waar de gedraging zal plaatsvinden; een opgave van de hoeveelheid, de aard en de samenstelling van stoffen ten aanzien waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze van belang zijn voor de nadelige gevolgen voor het milieu die de gedraging kan veroorzaken, alsmede van de te verwachten emissies; een beschrijving van de maatregelen die worden genomen om de nadelige gevolgen voor het milieu tegen te gaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-371\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.71</span><span class=\"lf-art-t\">Betrokkenheid andere bestuursorganen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is met betrekking tot de totstandkoming van de beschikking op de aanvraag om een ontheffing, stelt het bevoegd gezag: burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de gedraging waarvoor ontheffing wordt gevraagd, plaatsvindt of zal plaatsvinden, in gevallen waarin zij niet het bevoegd gezag zijn, of gedeputeerden staten in gevallen waarin ontheffing wordt gevraagd voor een gedraging die plaats vindt of zal plaatsvinden in een gebied dat in artikel 3.18 of 3.33 is aangewezen en zij niet het bevoegd gezag zijn, in de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van de beschikking op de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het voornemen een beschikking te geven op grond van artikel 3.67 of 3.68.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 3.7 VERGOEDING VAN KOSTEN EN SCHADE</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-372\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.72</span><span class=\"lf-art-t\">Werkingssfeer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling is van toepassing op de totstandkoming van beschikkingen van gedeputeerde staten ingevolge artikel 15.21 juncto artikel 15.20 en ingevolge artikel 15.22 van de wet met betrekking tot de vergoeding van kosten of schade door het van toepassing worden van bepalingen van dit hoofdstuk, dan wel het verbinden van voorschriften.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-373\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.73</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoud aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag om vergoeding van kosten of schade bevat tenminste de volgende gegevens: de bepalingen van dit hoofdstuk door het van toepassing worden waarvan de verzoeker zich voor kosten ziet gesteld, dan wel schade lijdt; de aard en de omvang van de kosten dan wel de schade; de wijze waarop de kosten dan wel de schade naar het oordeel van de verzoeker dienen onderscheidenlijk dient te worden vergoed en, zo een vergoeding in geld wordt gewenst, het bedrag dat naar zijn oordeel voor vergoeding in aanmerking komt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-374\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.74</span><span class=\"lf-art-t\">Deskundigen advies en betrokkenheid grondwateronttrekker</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen deskundigen aanwijzen die zijn belast met het adviseren inzake het geven van een beschikking als bedoeld in artikel 3.72.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen het advies inwinnen van de in het eerste lid bedoelde deskundigen omtrent een verzoek om vergoeding of omtrent het voornemen tot een toekenning daarvan uit eigen beweging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, wordt de aanvrager van de beschikking in de gelegenheid gesteld aan die deskundigen zijn aanvraag toe te lichten. Indien gedeputeerde staten voornemens zijn uit eigen beweging een beschikking te geven, wordt degene tot wie de beschikking zal zijn gericht, in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen omtrent het voornemen aan de deskundigen kenbaar te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de aanvraag om vergoeding of het voornemen tot de toekenning daarvan uit eigen beweging betrekking heeft op kosten dan wel schade door het van toepassing worden van artikelen van afdeling 3.4 en deskundigen zijn aangewezen die zijn belast met het adviseren inzake de toekenning van die vergoeding, wordt de betrokken grondwateronttrekker in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen over die aanvraag of dat voornemen aan die deskundigen kenbaar te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De deskundigen brengen advies uit inzake: de vraag of de kosten zijn gemaakt, dan wel de schade is geleden door het van toepassing worden van bepalingen van dit hoofdstuk, dan wel het verbinden van voorschriften uit dit hoofdstuk; de omvang van de kosten dan wel de schade; de vraag of de kosten dan wel de schade niet of niet geheel ten laste van de benadeelde behoren onderscheidenlijk behoort te blijven; de vraag in hoeverre op een andere wijze in een redelijke vergoeding is of kan worden voorzien; de vraag of er aanleiding is voor maatregelen of voorzieningen waardoor de kosten dan wel de schade, anders dan door een vergoeding in geld, kunnen onderscheidenlijk kan worden beperkt of ongedaan gemaakt; de hoogte van de toe te kennen vergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">De deskundigen brengen hun advies zo snel mogelijk uit aan gedeputeerde staten, doch in elk geval binnen dertien weken na ontvangst van het verzoek om advies. Gedeputeerde staten zenden een afschrift van het advies aan degene tot wie de beschikking zal zijn gericht, en in een geval als bedoeld in het vierde lid, tevens aan de grondwateronttrekker. Gedeputeerde staten vermelden daarbij de termijn waarbinnen zij hun opvattingen omtrent het advies kenbaar kunnen maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-375\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.75</span><span class=\"lf-art-t\">Betrokkenheid grondwateronttrekker indien geen deskundigen advies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien geen toepassing is gegeven aan artikel 3.74, tweede lid, stellen gedeputeerde staten de betrokken grondwateronttrekker in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen voordat zij een vergoeding van kosten dan wel schade door het van toepassing worden van artikelen van afdeling 3.4 vaststellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-376\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.76</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoud verzoek van ander bestuursorgaan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, gedeputeerde staten verzoekt in te stemmen met de toekenning van een vergoeding van kosten dan wel schade door het aan een omgevingsvergunning voor een inrichting verbinden van voorschriften waarvan de inhoud als instructie is aangegeven in afdeling 3.4, gaat dat verzoek tenminste vergezeld van: indien het bestuursorgaan een aanvraag om een vergoeding heeft ontvangen: een afschrift van die aanvraag en de daarbij gevoegde stukken; indien de grondwateronttrekker schriftelijk zijn opvattingen over de aanvraag of het voornemen om een vergoeding toe te kennen heeft kenbaar gemaakt: een afschrift van die opvattingen; indien het bestuursorgaan een advies van deskundigen als bedoeld in artikel 4.2, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht heeft ingewonnen: een afschrift van dat advies; het ontwerp van de beschikking houdende de toekenning van een vergoeding, dan wel, indien het bestuursorgaan de beschikking reeds heeft gegeven, een afschrift van die beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien bij het verzoek niet een afschrift van de opvattingen van de grondwateronttrekker is gevoegd, stellen gedeputeerde staten hem in de gelegenheid zijn zienswijze over het verzoek naar voren te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten geven de beschikking op het verzoek uiterlijk vier maanden na ontvangst van dat verzoek, of, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3.74, tweede lid, binnen zeven maanden na de ontvangst van het verzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK4WATER</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 4.1 ALGEMENE BEPALINGEN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-41\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: beheerplan: plan als bedoeld in artikel 4.6 van de wet; legger: legger als bedoeld in artikel 5.1 van de wet; peilbesluit: besluit als bedoeld in artikel 5.2 van de wet; projectplan: plan als bedoeld in artikel 5.5 van de wet; regionale wateren; wateren als bedoeld in artikel 1.1 van de wet; waterschap: het bevoegde bestuursorgaan van het Waterschap Scheldestromen; wet: de Waterwet;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk is van toepassing op het beheergebied van het waterschap ingevolge het reglement op grond van de Waterschapswet.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 4.2 OPPERVLAKTEWATER</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Normen afvoer- en bergingscapaciteit regionale wateren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht geldt als norm een gemiddelde overstromingskans van:</p>\n<p class=\"lf-p\">1/100 per jaar voor gebouwde onroerende zaken met een aaneengesloten karakter in gebieden met de functie bebouwing als bedoeld in artikel 2.1, onder k, anders dan de functies genoemd in het tweede lid, onder b;</p>\n<p class=\"lf-p\">1/25 per jaar in gebieden met de functie agrarisch;</p>\n<p class=\"lf-p\">1/50 per jaar in gebieden met de functie glastuinbouw, groter dan 1 hectare.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht geldt geen norm voor: gebieden met de functie natuur; andere gebieden dan genoemd in het eerste lid, zoals gebieden met de functie wegen of overige infrastructuur, stedelijk groen en sport; gebieden die op grond van een beoordeling door het waterschap uit oogpunt van kosteneffectiviteit worden aangeduid in de legger van het waterschap, die zijn gelegen binnen de oppervlakte van 10%-laagst gelegen gebieden zoals aangeduid op de waterkansenkaart behorende bij het Omgevingsplan Zeeland 2018, dan wel andere met instemming van gedeputeerde staten in de legger aangeduide gebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de toepassing van het eerste en tweede lid wordt ten aanzien van gebieden en functies rekening gehouden met ruimtelijke plannen op grond van de Wet ruimtelijke ordening, de waterfunctiekaart behorend bij het Omgevingsplan Zeeland 2018 en, indien nodig, het feitelijk grondgebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor gebouwde onroerende zaken in andere gebieden dan genoemd in het eerste lid, onder a, geldt de norm van het omringend grondgebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling of een gebied voldoet aan de norm genoemd in het eerste lid, onder b en c, kan 1% van de oppervlakte van het genormeerde gebied buiten beschouwing worden gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het waterschap draagt zorg dat de afvoer- en bergingscapaciteit van de regionale wateren in het beheergebied uiterlijk in 2027 voldoet aan de normen in dit artikel. De voortgang en prioriteitstelling komt aan de orde in het verslag en het overleg als bedoeld in artikel 4.15.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-43\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Rangorde bij watertekorten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 2.1 van het Waterbesluit kan het waterschap een nadere rangorde bepalen ten aanzien van de verdeling van het beschikbare water in geval van een watertekort, over de maatschappelijke en ecologische behoeften als bedoeld in het vierde en vijfde lid van dat artikel, op zodanige wijze dat de maatschappelijke en economische gevolgen zo gering mogelijk zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-44\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoud beheerplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het beheerplan van het waterschap bevat, in aansluiting op artikel 4.6 van de wet, in elk geval: een beschrijving van de bestaande toestand van de regionale wateren; het beleid met betrekking tot het beheer van de regionale wateren, in het licht van de functies van deze wateren, doelstellingen, normen en maatregelen; gegevens die inzicht geven in de prioriteitstelling en fasering van maatregelen en voorzieningen, met het oog op het tijdig realiseren van de gestelde doelstellingen en normen; gegevens die inzicht geven in de dekking van de kosten van maatregelen en voorzieningen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-45\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Voorbereiding beheerplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het waterschap raadpleegt bij de voorbereiding van het beheerplan ten minste de beheerders van aangrenzende watersystemen, gedeputeerde staten en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten binnen het plangebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de voorbereiding van het beheerplan is afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-46\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.6</span><span class=\"lf-art-t\">Uitwerking beheerplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het beheerplan kan worden bepaald dat het dagelijks bestuur van het waterschap het beheerplan of onderdelen daarvan moet of kan uitwerken volgens de in het beheerplan gegeven regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt aangemerkt als onderdeel van het beheerplan. Artikel 4.5 is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-47\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.7</span><span class=\"lf-art-t\">Legger regionale wateren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De legger van regionale wateren gaat vergezeld van een technisch beheerregister, waarin de voor het behoud van de bergings- en afvoercapaciteit kenmerkende gegevens van deze wateren en ondersteunende kunstwerken en de feitelijke toestand nader zijn omschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vrijstelling als bedoeld in artikel 5.1, derde lid, van de wet geldt voor het omschrijven van vorm, afmeting en constructie van regionale wateren en ondersteunende kunstwerken die niet overwegend van belang zijn voor de bergings- en afvoercapaciteit waarop deze wateren moeten zijn ingericht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-48\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.8</span><span class=\"lf-art-t\">Peilbesluiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het waterschap stelt voor de oppervlaktewaterlichamen onder zijn beheer peilbesluiten vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen voor daartoe aan te wijzen gebieden vrijstelling verlenen van het eerste lid, indien daarvoor naar het oordeel van het waterschap zwaarwegende redenen bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een peilbesluit bevat, naast het bepaalde in artikel 5.2 van de wet, in elk geval een aanduiding van de aanpassing van de te handhaven waterstanden ten opzichte van de bestaande situatie. Bij een peilbesluit wordt rekening gehouden met het kader voor het gewenste grond- en oppervlaktewaterregime als bedoeld in het Omgevingsplan Zeeland 2018.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de voorbereiding van een peilbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het waterschap stelt gedeputeerde staten op de hoogte van ontwerp-peilbesluiten en vastgestelde peilbesluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het waterschap draagt zorg voor het actueel houden van peilbesluiten, zodanig dat deze zijn toegesneden op veranderingen in de omstandigheden ter plaatse en aanwezige functies en belangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-49\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.9</span><span class=\"lf-art-t\">Projectprocedure</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen, na overleg met het waterschap, hoofdstuk 5, paragraaf 2, van de wet van toepassing verklaren op een projectplan tot aanleg of wijziging van een regionale waterkering of een ander waterstaatswerk van bovenlokale betekenis dat met spoed en op gecoördineerde wijze tot stand moet worden gebracht.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 4.3 GRONDWATER</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-410\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.10</span><span class=\"lf-art-t\">Grondwaterregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten onderscheidenlijk het waterschap, elk voor zover bevoegd gezag, dragen zorg voor inschrijving van de houders van inrichtingen of werken bestemd tot het onttrekken van grondwater of infiltreren van water op basis van een vergunning of melding, in het daarvoor te hanteren landelijke register, met vermelding van de voor dit register benodigde gegevens als bedoeld in artikel 6.11 van het Waterbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten raadplegen het register bedoeld in het eerste lid ten behoeve van de grondwaterheffing als bedoeld in artikel 7.7 van de wet en de Grondwaterheffingsverordening Zeeland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-411\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.11</span><span class=\"lf-art-t\">Grondwatermeetnet</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten dragen zorg voor de inrichting en het beheer van een meetnet ten behoeve van het grondwaterbeleid en onderzoekingen als bedoeld in artikel 7.7, eerste lid, onder b van de wet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-412\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.12</span><span class=\"lf-art-t\">Bescherming grondwater</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij of krachtens verordening of vergunning van het waterschap worden ten aanzien van het onttrekken van grondwater of infiltreren van water ten behoeve van andere doeleinden dan genoemd in artikel 6.4 van de wet, regels of voorschriften gesteld met als doelstelling het tegengaan van nadelige gevolgen voor: de kwantitatieve toestand van het grondwater in verdrogingsgevoelige natuurgebieden die zijn aangeduid in bijlage 15; een duurzame kwantitatieve toestand van het grondwater in andere gebieden dan bedoeld onder a; de kwaliteit van het grondwater, in geval van infiltratie van water.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen de aanduiding van gebieden als bedoeld in het eerste lid, onder a, en de weergave van deze gebieden in bijlage 15 wijzigen op grond van een besluit tot wijziging van het Natuurbeheerplan Zeeland.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 4.4 WATERVEILIGHEID</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-413\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.13</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing stelsel regionale waterkeringen, normen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Regionale waterkeringen zijn waterstaatkundig van belang zijnde waterkeringen anders dan primaire waterkeringen bedoeld in artikel 1.1 van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regionale waterkeringen met de daarvoor geldende normen zijn aangeduid in bijlage 8.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-414\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.14</span><span class=\"lf-art-t\">Legger waterkeringen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op de overzichtskaart als bedoeld in artikel 5.1 van de wet wordt mede aangegeven welke ruimte als onderdeel van de beschermingszone naar het oordeel van het waterschap nodig is ten behoeve van een toekomstige versterking van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen vrijstelling verlenen van het in de legger omschrijven waaraan waterkeringen naar ligging, vorm, afmeting of constructie moeten voldoen, voor zover de betreffende waterkeringen zich naar hun aard of functie niet lenen voor het omschrijven van die elementen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 4.5 INFORMATIE EN OVERLEG</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-415\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.15</span><span class=\"lf-art-t\">Overleg en verslaglegging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het waterschap en gedeputeerde staten voeren periodiek overleg over de voortgang van de uitvoering van het beheerplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het waterschap brengt jaarlijks aan gedeputeerde staten schriftelijk verslag uit over de voortgang als bedoeld in het eerste lid. Het verslag bevat in elk geval informatie over: artikel 4.2, in het licht van de gestelde doelstellingen en normen; de chemische en ecologische kwaliteit van regionale wateren, in het licht van de gestelde doelstellingen en normen als bedoeld in artikel 2.10 van de wet. artikel 4.3, indien dat is toegepast; artikel 4.8, vijfde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK5WEGEN EN VAARWEGEN</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 5.1 ALGEMEEN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begrippen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: bebouwde kom: de bebouwde kom als bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; beheer: de verantwoordelijkheid voor de instandhouding van de weg of vaarweg en voor het door die weg of vaarweg vervullen van zijn functie of functies van algemeen nut, met inbegrip van de bevoegdheid tot het treffen van maatregelen en het al dan niet toestaan van handelingen van derden of gedogen van situaties die van invloed zijn op de toestand of het gebruik van de weg of vaarweg; beplanting: opgaande gewassen bestaande uit bomen of struiken; bouwwerk: een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden; bevoegd gezag: het bestuursorgaan dat bevoegd is krachtens dit hoofdstuk een besluit te nemen, zijnde GS, tenzij op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en/of dit hoofdstuk een ander bestuursorgaan wordt aangewezen als bevoegd gezag; kunstwerk: een civieltechnisch bouwwerk dat dient om een weg of verkeersbaan over een andere weg of verkeersbaan, een spoorweg, een vaarweg of ander oppervlaktewater heen, dan wel daaronder door te voeren; omgevingsvergunning: een vergunning die verleend wordt krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; uitweg: een constructie ter ontsluiting van percelen van derden, buiten de weg gelegen; vaarweg: de in artikel 5.19 genoemde, voor de scheepvaart openstaande, wateren; vaarwegbeheer: de overheidszorg gericht op de instandhouding, bereikbaarheid en bescherming van een vaarweg en bijbehorende werken; schip: schip als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Scheepvaartverkeerswet. Onder schepen zijn mede begrepen drijvende inrichtingen, luchtkussenvaartuigen en woonschepen. natte doorsnede: het product van de maximale breedte van het schip en de grootst optredende diepgang in stilliggende toestand. verkeersbaan: de verhardingsconstructie van zowel een hoofdrijbaan, parallelweg, fiets- of voetpad. weg: een voor openbare verkeersdoeleinden bestemde strook grond met daarop tenminste één verkeersbaan, al dan niet voor beperkt gebruik, met inbegrip van de daarin gelegen kunstwerken en andere daartoe behorende voorzieningen, waaronder uitwegen; werk: elk kunstwerk of ander bouwsel, waaronder begrepen oevers en oevervoorzieningen, kabels, buizen en dergelijke, boven, op, in, onder of langs een vaarweg gelegen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover voor dit hoofdstuk van belang zijn de begripsbepalingen uit artikel 1.01 van Deel 1 van het Binnenvaartpolitiereglement (Stb.1982/682, zoals sindsdien gewijzigd) van toepassing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 5.2 WEGEN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Reikwijdte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling is van toepassing op de openbare wegen in Zeeland die in beheer zijn bij de Provincie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De grens van de weg ligt: ingeval aan de buitenzijde van de weg een sloot of greppel aanwezig is, op de buiten insteek van die sloot; ingeval geen sloot aanwezig is, op 6 meter uit de zijkant van de verkeersbaan of verkeersbanen en op 3 meter uit de onderkant van taluds bij wegen die in ophoging liggen, dan wel zoveel minder als uit overeenkomsten voortvloeit of uit de kadastrale begrenzing van het wegperceel volgt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Onderhoudsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verplichting tot onderhoud van een weg, dan wel het bijdragen daarin, rust op degene die daarmee is belast bij of krachtens wettelijk voorschrift of ingevolge een overeenkomst, ontheffing of vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verplichting tot onderhoud van beplanting op een weg rust op de rechthebbende op die beplanting, indien die rechthebbende niet is aan te merken als onderhoudsplichtige krachtens het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wegbeheerder kan, ter bescherming van de weg en het veilige gebruik ervan, voorschriften geven waaraan onderhoudsplichtige derden zich bij de uitvoering van onderhoudswerkzaamheden dienen te houden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-54\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Omvang onderhoud</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het onderhoud van een weg omvat al wat nodig is om deze in goede en veilig bruikbare staat te houden, zulks in overeenstemming met de eisen die de functie van de weg daaraan redelijkerwijs stelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge het bepaalde in het eerste lid wordt de beplanting op een weg ten minste zodanig onderhouden dat: tot 4,60 meter boven het hoogste punt van de verkeersbaan of verkeersbanen, niet zijnde fietspaden of andere paden, zich geen uitstekende delen van de beplanting bevinden binnen een afstand van 1,80 meter uit die verkeersbaan of verkeersbanen; tot 3 meter boven het hoogste punt van fietspaden of andere paden, zich geen uitstekende delen van de beplanting bevinden binnen een afstand van 0,60 meter uit die paden; wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.11; delen van beplanting die door de slechte staat waarin ze verkeren of anderszins het veilige gebruik van de weg bedreigen, direct worden verwijderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het bepaalde in het tweede lid, aanhef en de onderdelen a, b en c, kan door of met instemming van de wegbeheerder worden afgeweken, indien de aard en de functie van de weg zich daartegen niet verzetten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-55\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanbrengen en snoeien of verwijderen van beplanting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op een weg beplanting aan te brengen, dan wel aanwezige beplanting - anders dan bij gewoon onderhoud - te snoeien of te verwijderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor zover het in strijd is met bevoegdheden van zakelijk gerechtigden ten aanzien van de beplanting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voornemen om krachtens een zakelijk recht beplanting op een weg aan te brengen of aanwezige beplanting te snoeien of te verwijderen, wordt door de zakelijk gerechtigde ten minste vier weken voordat deze daartoe overgaat, meegedeeld aan de wegbeheerder. Gedeputeerde Staten kunnen, ter bescherming van de weg en het veilige gebruik ervan, voorschriften geven waaraan de zakelijk gerechtigde zich bij de uitvoering van het voornemen dient te houden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-56\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.6</span><span class=\"lf-art-t\">Wijzigen en aantasten van wegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden: een weg op een bestaande weg aan te sluiten; naar een weg een uitweg te maken of te hebben of een bestaande uitweg te wijzigen; de aard en de afmetingen van een weg te wijzigen; in een weg te graven of deze op een andere wijze aan te tasten; enig ander werk uit te voeren waardoor in de toestand van een weg verandering wordt gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van het uitvoeren van onderhoud aan bermsloten door of namens een waterschap, voor zover de zorg voor de waterbeheersing dat vereist.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-57\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.7</span><span class=\"lf-art-t\">Zaken op, in en boven wegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op, respectievelijk in wegen: masten, palen, afrasteringen en andere terreinafscheidingen, borden, spandoeken, vlaggen of andere voorwerpen te plaatsen of te hebben; kabels en leidingen te leggen of te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden: delen van bouwwerken die tot boven een weg reiken, te maken of te hebben; aan bouwwerken langs een weg, voorwerpen, die tot boven de weg reiken, te bevestigen of te hebben; touwen, draden of kabels over een weg te spannen of te hebben; uitstekende delen van buiten een weg aanwezige beplanting tot boven of in die weg te laten reiken, tenzij die beplanting wordt onderhouden overeenkomstig het bepaalde in artikel 5.4, tweede lid, voor beplanting op een weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing ten aanzien van middelen, gebruikt voor het openbaren van gedachten of gevoelens, bedoeld in artikel 7 van de Grondwet. Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen, waaraan de middelen als bedoeld in dit lid moeten voldoen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-58\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.8</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruik van en activiteiten op wegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden: een weg anders dan voor verkeersdoeleinden te gebruiken; op wegen waar een snelheidsregime geldt van 80 km per uur of meer geldt, (land- en tuinbouw)producten te deponeren of te hebben; op wegen waar een snelheidsregime geldt van minder dan 80 km per uur (land- en tuinbouw)producten te deponeren of te hebben, anders dan voor korte tijd op toegangsdammen buiten de berm en op geen kleinere afstand dan 1,80 meter uit de dichtst bij gelegen verkeersbaan; op een weg stoffen of voorwerpen te deponeren en te hebben die de weg verontreinigen of de afwatering van de weg belemmeren, dan wel gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg en de veiligheid van het verkeer op de weg; een weg zodanig te gebruiken dat daardoor schade aan die weg ontstaat; beplantingen en andere vegetatie op een weg te bemesten of met chemische stoffen te behandelen, dan wel de vegetatie op bermen en in bermsloten te maaien; op een weg een standplaats in te nemen of in te richten voor het aanbieden en leveren van producten; zich met een voertuig op een weg te begeven, anders dan via een weg, een uitweg of werken die tot uitweg dienen; een uitweg of werken die tot uitweg dienen, voor een ander doel te gebruiken dan tijdens het maken daarvan gebruikelijk was in verband met de bestemming van het terrein waarvoor de uitweg dient.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid, aanhef en onder f, is niet van toepassing ten aanzien van maaiwerk aan bermsloten door of namens een waterschap, voor zover de zorg voor de waterbeheersing dat vereist.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-59\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.9</span><span class=\"lf-art-t\">Zaken en activiteiten langs wegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op terreinen langs een weg: masten, palen, afrasteringen en andere terreinafscheidingen, borden, spandoeken, vlaggen of andere voorwerpen aan te brengen of te hebben binnen een afstand van 1,80 meter uit een verkeersbaan, niet zijnde een fietspad of ander pad, dan wel binnen een afstand van 0,60 meter uit een fietspad of ander pad; binnen een afstand van 5 meter uit de buiten insteek van bermsloten die niet staan aangegeven in een legger als bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet, beplanting, grondwallen of andere zaken aan te brengen die het onderhouden van die sloot met machines vanaf de landzijde belemmeren, indien op de wegberm aanwezige beplanting of andere obstakels verhinderen zulk onderhoud vanaf de weg uit te voeren; handelingen te verrichten die de hoogteligging van die terreinen binnen een afstand van 7 meter uit de grens van de weg meer dan 0,50 meter beneden het oorspronkelijke niveau brengt; loslopende dieren te houden indien geen deugdelijke maatregelen zijn genomen om te verhinderen dat die dieren op de weg kunnen komen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-510\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.10</span><span class=\"lf-art-t\">Gedoogplicht voor eigenaren en gebruikers van gronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eigenaren en gebruikers van erven of gronden die grenzen aan wegen zijn verplicht personen en werktuigen op hun erf of grond toe te laten voor het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden ingevolge de Wegenwet of dit hoofdstuk, door of namens de wegbeheerder, indien die werkzaamheden in redelijkheid niet vanaf de weg zijn uit te voeren. Schade die daarbij aan erven of gronden ontstaat wordt door de wegbeheerder vergoed.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-511\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.11</span><span class=\"lf-art-t\">Uitzichtstroken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op en langs wegen buiten de bebouwde kom, ter plaatse van kruisingen, aansluitingen, uitwegen en bochten, bouwwerken, wallen, beplanting, gewassen, terreinafscheidingen en andere uitzichtbelemmerende voorwerpen te hebben dan wel te maken, waardoor het vrije uitzicht wordt belemmerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen de grens vaststellen van een gebied, waarbinnen het uitzicht moet worden vrijgehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod als bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor bomen bij uitwegen op wegen mits deze hoog zijn opgesnoeid en tussen de stammen voldoende doorzicht voor verkeersdeelnemers aanwezig is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-512\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.12</span><span class=\"lf-art-t\">Bebouwingsvrije stroken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden langs wegen buiten de bebouwde kom bouwwerken te maken of te hebben binnen een afstand van 40 meter uit de as van de hoofdverkeersbaan of, indien de weg twee hoofdverkeersbanen heeft, uit de as van de dichtst bij gelegen hoofdverkeersbaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden bestaande bouwwerken binnen de in het eerste lid bedoelde stroken te vernieuwen, te wijzigen of uit te breiden. Dit verbod geldt niet voor interne verbouwingen en vernieuwingen van ondergeschikte betekenis waardoor de bebouwde oppervlakte niet wordt vergroot.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-513\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.13</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoegdheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De in Afdeling 5.2 opgenomen verbodsbepalingen gelden niet voor de Provincie voor zover het activiteiten betreft die zij uitoefent met betrekking tot haar eigen wegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het bepaalde in Afdeling 5.2 kan ontheffing worden verleend door het bevoegd gezag. Indien de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is op de verboden als bedoeld in Afdeling 5.2, kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als verbod om te handelen zonder omgevingsvergunning in de zin van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht worden aangemerkt de verboden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Als bedoeld in artikel 5.5, voor zover er sprake is van het vellen of doen vellen van een houtopstand;</p>\n<p class=\"lf-p\">Als bedoeld in artikel 5.6, eerste lid, voor zover er sprake is van het aanleggen van een weg, of verandering brengen in de wijze van aanleg van een weg, voor zover daarvoor tevens een verbod geldt als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Als bedoeld in artikel 5.6, eerste lid, voor zover er sprake is van het maken, hebben of veranderen van een uitweg of het gebruik daarvan te veranderen, als bedoeld in artikel 5.8, eerste lid sub i;</p>\n<p class=\"lf-p\">Als bedoeld in artikel 5.7 en 5.9, voor zover er sprake is van het maken of voeren van handelsreclame;</p>\n<p class=\"lf-p\">Als bedoeld in artikel 5.8 en 5.11, voor zover er sprake is van opslag van roerende zaken Het bestuursorgaan dat aangewezen is als bevoegd gezag op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is tevens het bevoegd gezag op grond van de in artikel 5.13, derde lid bedoelde gevallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bestuursorgaan dat op grond van artikel 5.13, vierde lid aangemerkt wordt als bevoegd gezag, vraagt advies aan Gedeputeerde Staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alvorens het bevoegd gezag besluit af te wijken van het in artikel 5.13, vijfde lid bedoelde advies, treedt zij in overleg met het bestuursorgaan dat haar ter zake adviseerde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan een ontheffing of omgevingsvergunning, als bedoeld in dit hoofdstuk, kunnen voorschriften worden verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegd gezag kan een verleende ontheffing of omgevingsvergunning wijzigen dan wel geheel of gedeeltelijk intrekken. Het in artikel 5.13, vijfde en zesde lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-514\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.14</span><span class=\"lf-art-t\">Toeristische bewegwijzering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Van het verbod op grond van artikel 5.9, aanhef en onder a tot het plaatsen van borden langs provinciale wegen en fietspaden, kan door het bevoegd gezag ontheffing worden verleend in geval sprake is van toeristische bewegwijzering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de verlening van de ontheffing als bedoeld in het eerste lid wordt de CROW-richtlijn (no 262) gevolgd, met dien verstande dat: ontheffing niet kan worden verleend op (regionale) stroomwegen; maximaal vijf verwijzingen per locatie buiten de bebouwde kom en maximaal acht verwijzingen binnen de bebouwde kom zijn toegestaan; de te rijden afstand van de provinciale weg tot het betreffende doel is in principe maximaal twee kilometer; de hele route tot het betreffende doel bewegwijzerd moet worden, om zoekgedrag op onderliggend wegennet te voorkomen. doelen een duidelijk aantoonbaar toeristisch motief moeten hebben; vorm en afmeting van de borden worden afgestemd met de wegbeheerder.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-515\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.15</span><span class=\"lf-art-t\">Motieven voor afwijzen, wijzigen en intrekken van een ontheffing of omgevingsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het afwijzen, wijzigen of intrekken van een ontheffing of omgevingsvergunning op grond van dit hoofdstuk, dan wel het verbinden van voorschriften aan een dergelijke ontheffing of omgevingsvergunning, geschiedt in het belang van: het verzekeren van de veiligheid van weggebruikers; het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan; het voorkomen of beperken van aantasting van op de weg aanwezige beplanting en andere vegetatie; het verzekeren van mogelijkheden voor de uitvoering van onderhoud en voor uitbreiding of reconstructie van de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ontheffing of omgevingsvergunning kan geheel of gedeeltelijk, ambtshalve worden gewijzigd of ingetrokken, indien: de in het eerste lid vermelde motieven dat vorderen; de ontheffing of omgevingsvergunning is verleend ten gevolge van het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens; de voorschriften, als bedoeld in artikel 5.13, zevende lid, niet worden nageleefd; gedurende een aaneengesloten periode van drie jaar geen gebruik is gemaakt van de ontheffing of omgevingsvergunning of van de werken die daarin worden toegestaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-516\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.16</span><span class=\"lf-art-t\">Positieve beschikking bij niet tijdig beslissen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op aanvragen om een ontheffing op grond van de artikelen 5.5, 5.6, 5.7, 5.8, 5.9, 5.11, 5.12 en 5.14, is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-517\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.17</span><span class=\"lf-art-t\">Schadevergoeding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien belanghebbenden door het geven, weigeren, wijzigen of intrekken van een ontheffing of omgevingsvergunning als bedoeld op grond van dit hoofdstuk schade lijden die redelijkerwijs niet of niet geheel voor hun rekening behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende op andere wijze is verzekerd, kent het bevoegd gezag hen op aanvraag bij afzonderlijke beschikking een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-518\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.18</span><span class=\"lf-art-t\">Termijn behandeling aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tenzij uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht anders voortvloeit geeft het bevoegd gezag een beschikking op een aanvraag om verlening of wijziging van een ontheffing of omgevingsvergunning uiterlijk binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De termijn, bedoeld in het eerste lid, kan eenmaal met ten hoogste zes weken worden verlengd. Het bevoegd gezag doet hiervan mededeling aan de aanvrager.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 5.3 VAARWEGEN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-519\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.19</span><span class=\"lf-art-t\">Toedeling en toepassingsgebied van deze afdeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij Koninklijk Besluit van 21 november 1991 (91.010539) is het beheer en onderhoud van het Kanaal door Walcheren door het rijk aan de Provincie Zeeland overgedragen. Dit omvat zowel het nautisch- als het vaarwegbeheer. Dit vaarwegbeheer is aan de provincie toegedeeld ingevolge artikel 3.2, tweede lid, van de Waterwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen in deze afdeling zijn van toepassing op het Kanaal door Walcheren met een gedeelte van het Kanaal door de Oude Arne (te rekenen vanaf het Kanaal door Walcheren tot vijfentachtig meter na de Arnespoorbrug) en de bijbehorende (voor)havens, oevers, oeverwerken, kunstwerken en alle overige toebehorende werken, voor zover in beheer bij de provincie, een en ander zoals op de bijbehorende overzichtskaart (bijlage 16) met blauwe kleur is aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten dragen er zorg voor dat de overzichtskaart met de in het tweede lid bedoelde beheerssituatie zoveel mogelijk in overeenstemming is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-520\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.20</span><span class=\"lf-art-t\">Doelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De toepassing van deze afdeling is gericht op: het belang van de instandhouding, de bruikbaarheid en bescherming van de vaarwegen en de bijbehorende werken; het belang van de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer op de vaarwegen. het belang van de bescherming van de landschappelijke, ecologische of andere natuurwetenschappelijke waarden van het gebied waarin een vaarweg is gelegen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-521\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.21</span><span class=\"lf-art-t\">Onderhoud</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onder onderhoud wordt verstaan: het houden of brengen van een vaarweg op de vastgestelde afmetingen; het in goede staat houden of brengen van de oevers en de oeverwerken, zodanig dat de instandhouding en de bruikbaarheid van de vaarweg gewaarborgd blijven; het schoonhouden van de vaarweg, met inbegrip van het afvoeren van vuil en waterplanten; het verrichten van de werkzaamheden waardoor de goede staat en het functioneren van het werk, behorende bij de vaarweg, gewaarborgd blijven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-522\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.22</span><span class=\"lf-art-t\">Snelheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een schip en een samenstel mogen de hieronder vermelde snelheden in kilometers per uur ten opzichte van de oever niet overschrijden:</p>\n<p class=\"lf-p\">1e bij een natte doorsnede kleiner dan 20 m2 15 2e bij een natte doorsnede van 20 m2 of meer doch kleiner dan 30 m2 12 3e bij een natte doorsnede van 30 m2 of meer 8</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-523\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.23</span><span class=\"lf-art-t\">Afmetingen en diepgang van schepen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zich op de hierna genoemde gedeelten van de vaarweg te bevinden met een schip of samenstel, dat met inbegrip van de lading, de toegestane afmetingen of diepgang overschrijdt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaarweg Omschrijving Lengte in m Breedte in m Diepgang in m a Kanaal door Walcheren tussen Veere en het Zijkanaal naar Arnemuiden 130 18 3.70 b Zijkanaal naar Arnemuiden tussen de Arnebrug en een denkbeeldige grens op vijfentachtig meter na de Arnespoorbrug.</p>\n<p class=\"lf-p\">50 7 2,20 c 1. Kanaal door Walcheren tussen het zijkanaal naar Arnemuiden en de binnenkeersluis te Vlissingen met inbegrip van het verbrede deel van het Zijkanaal naar Arnemuiden 2. Bij gebruik binnenkeersluis 130 18 4,5 d Grote schutsluis te Vlissingen en het Verbreed kanaal tussen de schutsluis en de 1e Binnenhaven 140 20,5 7,90* e Verbreed kanaal te Vlissingen tussen de 1e Binnenhaven en de Binnenkeersluis 140 20,5 7 * In de schutsluis evenveel minder als de buitenwaterstand lager is dan NAP+ 0.90.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen deze toegestane afmetingen en diepgang wijzigen. Op de voorbereiding of wijziging van een besluit als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het besluit tot wijziging wordt bekendgemaakt door publicatie in het Provinciaal blad.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-524\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.24</span><span class=\"lf-art-t\">Samenstellen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een schip mag niet meer dan twee andere schepen slepen. Dit verbod is niet van toepassing op het slepen van kleine schepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gekoppeld samenstel mag uit ten hoogste twee schepen bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een duwstel met een lengte van meer dan 110 meter moet zijn voorzien van een actieve kopbesturing van voldoende vermogen die vanuit de stuurhut kan worden bediend, tenzij de gemiddelde diepgang groter is dan 2 meter dan wel de diepgang van het voorste schip of de voorste schepen groter is dan 2,50 meter. Indien aan dit voorschrift niet wordt voldaan moet het duwstel worden geassisteerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-525\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.25</span><span class=\"lf-art-t\">Bedieningsregime bruggen en sluizen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen, in het belang van het verkeer te water, de bedieningstijden vast van de beweegbare bruggen en sluizen, niet zijnde spoorbruggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen de bedieningstijden, als bedoeld in het eerste lid, wijzigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten houden bij het nemen van hun beslissing rekening met de belangen van het wegverkeer in het algemeen en van het openbaar vervoer in het bijzonder, voor zover het belang van het verkeer te water niet onevenredig wordt geschaad.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-526\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.26</span><span class=\"lf-art-t\">Onttrekken van een vaarweg aan het openbaar scheepvaartverkeer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen een vaarweg of een gedeelte daarvan voor alle schepen blijvend onttrekken aan het openbaar verkeer met schepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de voorbereiding of wijziging van een besluit als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-527\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.27</span><span class=\"lf-art-t\">Stoffen, voorwerpen e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden: in, langs, boven, onder of over een vaarweg stoffen of voorwerpen te brengen die schade toebrengen aan de vaarweg en de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer; houtgewas of takken van bomen zodanig in of boven de vaarweg te laten hangen dat zij hinder voor de scheepvaart veroorzaken; op andere wijze enige belemmering of hinder voor de scheepvaart te veroorzaken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-528\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.28</span><span class=\"lf-art-t\">Bescherming en gebruik van vaarweg en kunstwerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden, tenzij het onderhoud betreft door of namens de provincie, zonder ontheffing van gedeputeerde staten: de vaarweg te verleggen, te versmallen, te ver(on)diepen of op andere wijze te veranderen dan wel buiten gebruik te stellen; het gebruik van kunstwerken te belemmeren of te beletten; werken boven, op, in, onder of langs de vaarweg, binnen tien meter, horizontaal gemeten vanuit de oeverlijn, aan te brengen, te houden, te veranderen of te verwijderen; een ligplaats of enige andere voorziening bestemd voor het meren van schepen te maken, te hebben of te veranderen. zich op de vaarweg of een kunstwerk op te houden voor het drijven van handel of het afleveren van koopwaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-529\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.29</span><span class=\"lf-art-t\">Ligplaats nemen (ankeren en meren)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden ligplaats te nemen; langer dan drie achtereenvolgende dagen; binnen twaalf uren, nadat de onder a. bedoelde periode is beëindigd, opnieuw ligplaats te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op een gedeelte van de vaarweg waar ligplaats nemen is toegestaan mogen een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting, niet: aan herstelwerkzaamheden worden onderworpen; laden, lossen of ontgassen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-530\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.30</span><span class=\"lf-art-t\">Verhaalplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 7.11 van het Binnenvaartpolitiereglement, moeten schepen, samenstellen van schepen en drijvende voorwerpen op aanwijzing van de vaarwegbeheerder worden verhaald indien onderhoud van een vaarweg of bijbehorend werk dat nodig maakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behoudens in spoedgevallen, wordt de zakelijk gerechtigde of de gebruiker van een schip, een samenstel van schepen of van een drijvend voorwerp ruimschoots van tevoren schriftelijk in kennis gesteld van de te verrichten onderhoudswerkzaamheden, bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien er technische problemen optreden bij het verhalen zoals bedoeld in het eerste lid, wordt assistentie verleend door of vanwege de vaarwegbeheerder.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-531\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.31</span><span class=\"lf-art-t\">Ontheffing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de verbodsbepalingen genoemd in deze afdeling onder artikel 5.23, 5.24 eerste, tweede en derde lid alsmede de artikelen 5.27, 5.28 en 5.29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ontheffing kan ambtshalve worden ingetrokken of gewijzigd indien: de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de ontheffing niet meer op dezelfde wijze zou worden verleend; de ontheffing gedurende twee jaar niet is gebruikt; gebleken is dat de ontheffing is verleend op basis van door de houder verstrekte onjuiste gegevens; de in het tweede lid bedoelde voorschriften of beperkingen niet of niet voldoende worden nageleefd Op de voorbereiding of wijziging van een besluit omtrent de beperking van de gebruiksmogelijkheid van de vaarweg voor de scheepvaart is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-532\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.32</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling legger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten zijn bevoegd om van de vaarwegen, alsmede van een daaraan grenzend vaarwater en de bijbehorende werken, een legger vast te stellen bevattende een zo volledig mogelijke beschrijving met vermelding van de eigenaren, beheerders, huurders, gebruikers en onderhoudsplichtigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de voorbereiding of wijziging van een besluit als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-533\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.33</span><span class=\"lf-art-t\">Rechtskracht legger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover van een werk als bedoeld in artikel 5.32 een legger is vastgesteld, vormt deze de grondslag van ieders verplichting van het daarin omschreven onderhoud.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-534\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.34</span><span class=\"lf-art-t\">Onderhoudsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onderhoudsplichtig is de natuurlijke of rechtspersoon die op grond van wet, concessie, eigendom, overeenkomst of anderszins de verplichting heeft tot het onderhouden van een vaarweg of een daarbij behorend werk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-535\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.35</span><span class=\"lf-art-t\">Schadevergoeding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien en voor zover blijkt dat de houder van een ontheffing door wijziging of intrekking daarvan schade lijdt, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende op andere wijze is verzekerd, kennen Gedeputeerde Staten hem op zijn verzoek bij afzonderlijke beschikking een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe. De aanvraag om schadevergoeding moet worden ingediend bij Gedeputeerde Staten binnen dertig dagen nadat de wijziging of intrekking onherroepelijk is geworden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de aanvrager indien de ontheffing wordt geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK6NATUUR</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 6.1 BEGRIPSBEPALINGEN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.1</span><span class=\"lf-art-t\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">BIJ12: uitvoeringsorganisatie van de gezamenlijke Provincies, zijnde onderdeel van de Vereniging interprovinciaal Overleg; boskern: aaneengesloten complex van houtopstanden met een gezamenlijke oppervlakte van tenminste 5 hectare; duisternisgebieden: gebieden waar zichtbaar kunstlicht zoveel mogelijk ontbreekt; faunabeheereenheid: faunabeheereenheid als bedoeld in artikel 3.12, eerste lid van de wet; faunabeheerplan: faunabeheerplan als bedoeld in artikel 3.12, eerste en derde tot en met het zesde lid van de wet en dat is goedgekeurd overeenkomstig artikel 3.12, zevende lid van de wet; gevalideerde (onderzoeks)gegevens: gegevens gebaseerd op, afkomstig uit of terug te leiden tot wetenschappelijke gegevens van universitaire organisaties dan wel gekende onderzoek- of kennisinstellingen; grondgebruiker: degene die gerechtigd is de grond te gebruiken krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; jacht: bemachtigen, opzettelijk doden of met het oog daarop opsporen van wild als bedoeld in artikel 3.20, tweede lid van de wet, alsmede het doen van pogingen daartoe, overeenkomstig paragraaf 3.5 van de wet; kwantitatieve gegevens: voor de in het faunabeheerplan beschreven diersoorten telcijfers (trendtellingen), inschattingen en afschotcijfers en op basis hiervan een analyse van de populatietrend; jachthouder: degene die krachtens artikel 3.23 van de wet gerechtigd is tot het uitoefenen van de jacht in een veld; schadesoorten: soorten als bedoeld in artikel 3.15, derde lid van de wet die in de provincie schade veroorzaken en niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen; taxateur: een taxateur die werkzaam is voor een door BIJ12 aangewezen taxatiebureau of een consulent faunazaken van BIJ12; wet: de Wet natuurbescherming; wildbeheereenheid: wildbeheereenheid als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid van de wet.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 6.1a KERNKWALITEIT DUISTERNIS</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.1a</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing duisternisgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gebieden waarvoor de zorgplicht geldt ter bescherming van duisternis zijn als zodanigaangewezen op de bij deze verordening behorende kaarten aangegeven in bijlage 17 en 18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen een op de kaart aangegeven grens nader bepalen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.1b</span><span class=\"lf-art-t\">Zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten in of in de nabijheidvan een gebied dat overeenkomstig artikel 6.1a is aangewezen, licht wordt verspreid in zodanige matedat dit nadelige gevolgen veroorzaakt voor de heersende duisternis in dat gebied, is verplicht dergelijkhandelen achterwege te laten behoudens voor zover dat ingevolge deze verordening nadrukkelijk istoegestaan dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijkemaatregelen te treffen om die gevolgen te voorkomen, of voor zover die gevolgen niet kunnen wordenvoorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 6.2 VRIJSTELLING BEWEIDEN EN BEMESTEN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-62\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijstelling vergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet is niet van toepassing op de volgende handelingen: het weiden van vee; het op of in de bodem brengen van meststoffen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 6.3 FAUNABEHEEREENHEDEN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-63\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Eisen aan de faunabeheereenheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In een faunabeheereenheid werken jachthouders en maatschappelijke organisaties, die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in de provincie Zeeland, samen ten behoeve van het opstellen en uitvoeren van het faunabeheerplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij of krachtens de statuten van de faunabeheereenheid worden de rechten en plichten opgenomen die de bij de faunabeheereenheid aangesloten jachthouders hebben met betrekking tot de uitoefening van de aan de faunabeheereenheid toekomende bevoegdheden en de aan de faunabeheereenheid toegestane handelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid gelegen gronden waarop samenwerkende jachthouders gerechtigd zijn tot de jacht: liggen in de provincie Zeeland; hebben een oppervlakte van ten minste 5000 hectare; vormen ten minste 75% van de totale oppervlakte van het werkgebied van de fauna-beheereenheid; en zijn aaneengesloten Het werkgebied van de faunabeheereenheid, bedoeld in het derde lid van dit artikel, strekt zich niet uit tot het gebied waarover zich de zorg van een andere faunabeheereenheid uitstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vorming van meerdere faunabeheereenheden binnen de provincie Zeeland is niet mogelijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-64\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.4</span><span class=\"lf-art-t\">Bestuurssamenstelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het bestuur van de faunabeheereenheid zit ten minste één vertegenwoordiger vanuit ieder van de volgende organisaties van jachthouders of jachtaktehouders werkzaam binnen het werkgebied van de betreffende faunabeheereenheid: agrariërs; verenigingen van jagers; particuliere grondeigenaren; terreinbeherende organisaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het bestuur van de faunabeheereenheid zit daarnaast een vertegenwoordiger van één of meer maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in Zeeland. Dit doel dient tot uitdrukking te komen in de statuten van de betreffende maatschappelijke organisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke organisatie, genoemd in het eerste en tweede lid van dit artikel kan slechts één vertegenwoordiger voordragen voor een bestuurszetel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste en tweede lid van dit artikel genoemde organisaties kunnen in onderling overleg een kandidaat voordragen die namens meerdere organisaties deelneemt aan het bestuur van de faunabeheereenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bestuur van de faunabeheereenheid wordt voorgezeten door een onafhankelijke voorzitter die: geen dienstverband bij één van de in het bestuur vertegenwoordigde organisaties heeft, en geen bestuurslid van één van de in het bestuur vertegenwoordigde organisaties is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voorzitter wordt voorgedragen door het bestuur van de faunabeheereenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter wordt benoemd door gedeputeerde staten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 6.4 FAUNABEHEERPLANNEN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-65\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.5</span><span class=\"lf-art-t\">Doelstelling faunabeheerplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het faunabeheerplan is gericht op het duurzaam beheer van in het wild levende dieren, met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onderdeel b, onder 1˚ tot en met 4˚, artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, onder 1˚ tot en met 3˚ en artikel 3.10, tweede lid, onderdeel b tot en met h, van de wet, alsmede op de bestrijding van schadeveroorzakende dieren en de uitoefening van de jacht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-66\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.6</span><span class=\"lf-art-t\">Reikwijdte faunabeheerplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het faunabeheerplan geldt voor ten minste 5000 hectare van het gehele werkgebied van de faunabeheereenheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-67\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.7</span><span class=\"lf-art-t\">Geldigheidsduur faunabeheerplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het faunabeheerplan wordt aangegeven dat het plan een geldigheidsduur van ten hoogste zes jaren heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De faunabeheereenheid kan het faunabeheerplan gedeeltelijk wijzigen gedurende het in het eerste lid van dit artikel bedoelde tijdvak waarvoor het is vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen op verzoek van de faunabeheereenheid de in het eerste lid van dit artikel bedoelde geldigheidsduur van het faunabeheerplan eenmaal met maximaal één jaar verlengen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-68\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.8</span><span class=\"lf-art-t\">Eisen aan een faunabeheerplan - Algemeen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een faunabeheerplan bevat ten minste de volgende gegevens: de omvang van het werkgebied van de faunabeheereenheid; een kaart waarop de begrenzing van het werkgebied van de faunabeheereenheid is aangegeven; inzicht in de samenhang tussen de jacht op de wildsoorten, het beheren van de populaties van in het wild levende dieren en het bestrijden van schade door deze dieren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-69\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.9</span><span class=\"lf-art-t\">Eisen aan een faunabeheerplan - Duurzaam beheer van populaties en schadebestrijding op basis van ontheffingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 6.8 bevat een faunabeheerplan, indien sprake is van duurzaam beheer van populaties: een beschrijving van het planmatig, gecoördineerd en duurzaam beheer van populaties en de bestrijding van schade op basis van ontheffingen van in het wild levende dieren; kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten ten aanzien waarvan een duurzaam beheer noodzakelijk wordt geacht, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar; een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer van de onder b bedoelde diersoorten, waaronder een onderbouwde verwachting van de belangen als bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onderdeel b. onder 1˚ tot en met 4˚, artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, onder 1˚ tot en met 3˚, artikel 3.10, tweede lid, onderdeel b tot en met h en artikel 3.17, eerste lid van de wet die zouden worden geschaad indien niet tot beheer of schadebestrijding zou worden overgegaan; een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel c bedoelde belangen in de zes jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad, inclusief de getroffen beheermaatregelen waaronder het naar soort onderscheiden aantal gedode dieren; de huidige en gewenste stand van de in onderdeel b bedoelde diersoorten; per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de gewenste stand, bedoeld in onderdeel e, te bereiken; per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de periode, bedoeld in onderdeel d, zijn verricht om het schaden van de in onderdeel c bedoelde belangen te voorkomen, alsmede, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen; een omschrijving van passende en doeltreffende preventieve maatregelen en de mate waarin deze maatregelen moeten worden ingezet alvorens mag worden overgegaan tot schadebestrijding; voor zover het plan betrekking heeft op het beheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie van de betrokken dieren alsmede de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen; een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel f bedoelde handelingen zullen plaatsvinden; voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de in onderdeel f bedoelde handelingen;</p>\n<p class=\"lf-p\">een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen handelingen zal worden bepaald; informatie, op basis van gevalideerde (onderzoeks)gegevens en de daaruit voortvloeiende inzichten, waaruit blijkt dat een gunstige staat van instandhouding van de onder b bedoelde diersoorten wordt gewaarborgd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-610\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.10</span><span class=\"lf-art-t\">Eisen aan een faunabeheerplan - Schadebestrijding op basis van vrijstellingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 6.8 bevat een faunabeheerplan, indien sprake is van schadebestrijding op basis van vrijstellingen: een beschrijving van de planmatige en gecoördineerde bestrijding van schadeveroorzakende dieren; kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten ten aanzien waarvan sprake is van schadebestrijding, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar; per diersoort een beschrijving van de handelingen die binnen de looptijd van het voorgaande faunabeheerplan zijn verricht om het schaden van de in de betreffende vrijstelling bedoelde belangen te voorkomen, waaronder het, naar soort onderscheiden, aantal gedode dieren alsmede, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-611\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.11</span><span class=\"lf-art-t\">Eisen aan een faunabeheerplan - Uitoefening jacht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 6.8 bevat een faunabeheerplan, met betrekking tot de uitoefening van de jacht: een beschrijving van de vormen van jacht die in Zeeland worden beoefend; kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten waarop wordt gejaagd, onderverdeeld per werkgebied van de onderscheiden wildbeheereenheden; een overzicht van het gerealiseerde afschot per diersoort in de looptijd van het voorgaande faunabeheerplan, onderverdeeld per werkgebied van de onderscheiden wildbeheereenheden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-612\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.12</span><span class=\"lf-art-t\">Goedkeuring faunabeheerplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Teneinde voor goedkeuring als bedoeld in artikel 3.12, zevende lid, van de wet in aanmerking te komen, voldoet een faunabeheerplan aan de eisen die voortvloeien uit de wet en het in dit hoofdstuk bepaalde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een gedeeltelijke wijziging van het faunabeheerplan als bedoeld in artikel 6.7, tweede lid, en een verzoek als bedoeld in artikel 6.7, derde lid.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 6.5 WILDBEHEEREENHEDEN</h3></div>", "next": 239942}