{"html": "<div class=\"lf-doc\"><div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De vergunning voor het vellen, het doen vellen of het laten vellen van een houtopstand als bedoeld in artikel 4:11a, tweede lid mag slechts en moet worden verleend indien a. de waardering van de houtopstand conform de beoordelingscriteria uit hoofdstuk 2 van het beleidskader “Groene Kaart Waardevolle Bomen Gemeente Oisterwijk” een puntentotaal &lt; 19 oplevert; b. de waardering van de houtopstand conform de beoordelingscriteria uit hoofdstuk 2 van het beleidskader “Groene Kaart Waardevolle Bomen Gemeente Oisterwijk” een puntentotaal van 19 of meer oplevert en alternatieven voor behoud uitputtend zijn onderzocht en een zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang, van niet-tijdelijke aard opweegt tegen duurzaam behoud van de houtopstand of naar boomdeskundige maatstaven instandhouding van de houtopstand niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of schade.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid wordt de vergunning voor het vellen, het doen vellen of het laten vellen van een houtopstand als bedoeld in deze artikelleden verleend indien deze wordt aangevraagd om te voldoen aan de verplichting van artikel 5:42 BW en aannemelijk is dat aan de eigenaar van de houtopstand objectief gezien geen beroep op verjaring van de rechtsvordering toekomt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-11c-327\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:11c</span><span class=\"lf-art-t\">Hardheidsclausule</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegd gezag kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen van het bepaalde in afdeling 3 van hoofdstuk 4 van deze verordening, indien toepassing daarvan zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-11d-328\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:11d</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking geldigheidsduur</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De vergunning tot vellen, het doen vellen of het laten vellen als bedoeld in de afdeling 3 van hoofdstuk vier van deze verordening vervalt indien daarvan niet binnen één jaar na het onherroepelijk zijn van de vergunning gebruik is gemaakt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In het geval het een vergunning voor het vellen van meer dan één boom betreft, is de vergunning voor alle bomen slechts één jaar geldig, ook als in fasen geveld wordt of één boom of enkele bomen al geveld zijn.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-11e-329\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:11e</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere vergunningvoorschriften</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Tot de aan de vergunning voor het vellen, het doen vellen of het laten vellen van beschermde houtopstanden te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In het voorschrift als bedoeld in het eerste lid wordt tevens bepaald binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze niet geslaagde herplant moet worden vervangen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan dient de herplant minimaal 40 jaar duurzaam in stand gehouden te worden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Tot aan de vergunning voor het vellen van beschermde houtopstanden te verbinden voorschriften kan het voorschrift behoren dat pas tot vellen van de houtopstand op en bij bouw- en aanlegwerken of andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie mag worden overgegaan indien de daartoe opgestarte ruimtelijke ordeningsprocedures onherroepelijk geworden zijn en de feitelijke voortgang van de werken voldoende gewaarborgd is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Degene aan wie een voorschrift of een verplichting als bedoeld in dit artikel is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-11f-330\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:11f</span><span class=\"lf-art-t\">Herplant-/instandhoudingsplicht</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Indien een beschermde houtopstand zonder vergunning van het bevoegd gezag voor het vellen van beschermde houtopstanden is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich die houtopstand bevond, dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herplanten overeenkomstig de door het bevoegde gezag te geven aanwijzingen binnen een door het bevoegd gezag te stellen termijn.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herplant en op welke wijze niet geslaagde herplant moet worden vervangen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan dient de herplant minimaal 40 jaar duurzaam in stand gehouden te worden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Indien een beschermde houtopstand in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich die houtopstand bevindt, dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om: a. een bomen effect analyse op te stellen en aan te bieden aan het bevoegd gezag; b. overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen binnen een door het bevoegd gezag te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Degene aan wie een voorschrift of een verplichting als bedoeld in dit artikel is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-12a-331\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:12a</span><span class=\"lf-art-t\">Bestrijding van boomziekten</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Indien zich op een terrein een of meer bomen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn: a. de houtopstand te vellen; b. conform richtlijnen van de gemeente de gevelde houtopstand direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het is verboden zonder toestemming van het college gevelde bomen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het niet voldoen aan de in het eerste lid van dit artikel bedoelde aanschrijving biedt een basis voor de toepassing van bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden, voor risico en voor rekening van aangeschrevene, door of namens de gemeente kunnen worden verricht.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-12b-332\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:12b</span><span class=\"lf-art-t\">Bescherming publieke houtopstanden</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden om houtopstanden, die gemeentelijk eigendom zijn: a. te beschadigen, te bekladden of te beplakken; b. daaraan snoeiwerk te verrichten, behoudens door de betreffende overheid opgedragen boomverzorgende taken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het is verboden om één of meer voorwerpen in of aan een gemeentelijke houtopstand aan te brengen of anderszins te bevestigen, behoudens vergunning van het college.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-13-333\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:13</span><span class=\"lf-art-t\">Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. e. afvalstoffen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet ruimtelijke ordening of de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-14-334\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:14</span><span class=\"lf-art-t\">(Vervallen)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-15-335\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:15</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden op of aan een onroerende zaak of hekwerk handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-16-336\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:16</span><span class=\"lf-art-t\">(Vervallen)</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-17-337\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:17</span><span class=\"lf-art-t\">Definitie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-18-338\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:18</span><span class=\"lf-art-t\">Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a. natuur en landschap; of b. een stads- of dorpsgezicht.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-19-339\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:19</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing kampeerplaatsen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Artikel 4.18, eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 4:18, vierde lid.</div>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk5Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 1. Parkeerexcessen en stopverbod</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-1-340\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:1</span><span class=\"lf-art-t\">(Vervallen)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-2-341\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:2</span><span class=\"lf-art-t\">Voertuigen van autobedrijf en dergelijke</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-3-342\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:3</span><span class=\"lf-art-t\">Te koop aanbieden van voertuigen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-4-343\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:4</span><span class=\"lf-art-t\">Defecte voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-5-344\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:5</span><span class=\"lf-art-t\">Voertuigwrakken</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud of in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-6-345\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:6</span><span class=\"lf-art-t\">Kampeermiddelen en andere voertuigen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a. langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen, binnen de bebouwde kom, op de weg te plaatsen of te hebben; b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien in de Verordening Wegen Noord-Brabant.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-7-346\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:7</span><span class=\"lf-art-t\">Reclamevoertuigen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-8-347\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:8</span><span class=\"lf-art-t\">Grote voertuigen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Het tweede lid is voorts niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Het college kan ontheffing verlenen van de verboden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-9-348\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:9</span><span class=\"lf-art-t\">Uitzichtbelemmerende voertuigen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw, op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-10-349\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:10</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden een voertuig te parkeren of te laten stilstaan op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-11-350\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:11</span><span class=\"lf-art-t\">Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het voertuig daarin te doen of te laten staan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Dit verbod is niet van toepassing op: a. de weg; b. voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam; c. voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-12-351\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:12</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast van fietsen of bromfietsen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het is verboden om fietsen of bromfietsen in een daarvoor bestemde parkeervoorziening, langer onafgebroken te stallen dan een door het college te bepalen periode.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het is verboden fietsen of bromfietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op de weg te laten staan.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2. Collecteren</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-13-352\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:13</span><span class=\"lf-art-t\">(Vervallen)</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3 Venten en incidentele detailhandel</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-14-353\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:14</span><span class=\"lf-art-t\">Definitie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Onder venten wordt niet verstaan: a. het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; b. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet of artikel 5:22; c. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-15-354\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:15</span><span class=\"lf-art-t\">Ventverbod</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het is verboden te venten op zondagen en maandag t/m zaterdag voor zonsopgang en na zonsondergang.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-16-355\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:16</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving incidentele detailhandel</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is toegestaan maximaal twee maal per kalenderjaar gedurende drie aaneengesloten dagen incidentele detailhandel te bedrijven op terreinen en/of in gebouwen waar detailhandel op basis van planologische voorschriften is verboden mits de eigenaar of gebruiker van het terrein of gebouw ten minste twee weken voor de aanvang van de incidentele detailhandel het college daarvan in kennis heeft gesteld.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De kennisgeving wordt geacht eerst dan te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Van de kennisgeving wordt mededeling gedaan in het elektronisch gemeenteblad.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4. Standplaatsen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-17-356\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:17</span><span class=\"lf-art-t\">Definitie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Onder standplaats wordt niet verstaan: a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet; b. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-18-357\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:18</span><span class=\"lf-art-t\">Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd: a. indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of b. indien een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. c. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast. d. in het belang van de verkeersvrijheid of –veiligheid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-19-358\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:19</span><span class=\"lf-art-t\">Toestemming rechthebbende</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-20-359\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:20</span><span class=\"lf-art-t\">Afbakeningsbepalingen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Artikel 5:18, eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Verordening Wegen Noord-Brabant.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-21-360\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:21</span><span class=\"lf-art-t\">(Vervallen)</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5. Snuffelmarkten</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-22-361\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:22</span><span class=\"lf-art-t\">Definitie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In deze afdeling wordt onder snuffelmarkt verstaan een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf standplaatsen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Onder snuffelmarkt wordt niet verstaan: a. een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet; b. een evenement als bedoeld in artikel 2:24.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-23-362\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:23</span><span class=\"lf-art-t\">Organiseren van een snuffelmarkt</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden een snuffelmarkt te organiseren: a. wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; b. als de burgemeester het organiseren van de snuffelmarkt verboden heeft in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu; of c. als degene die voornemens is een snuffelmarkt te organiseren daarvan niet tevoren melding heeft gedaan. d. als de snuffelmarkt wordt gehouden voor 09.00 uur of na 22.00 uur.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De organisator doet de melding als bedoeld in het eerste lid, onder c, binnen 10 werkdagen voorafgaand aan de snuffelmarkt met vermelding van: a. naam en adres van de organisator; b. adres van het gebouw waar de snuffelmarkt gehouden wordt; c. de dagen en tijdstippen waarop de snuffelmarkt wordt gehouden; d. de frequentie van het houden van de snuffelmarkt; e. het soort van goederen en diensten dat wordt aangeboden en verhandeld; f. het aantal standplaatsen; en g. het te verwachten aantal bezoekers.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De snuffelmarkt kan worden gehouden als de burgemeester niet binnen 5 werkdagen na ontvangst van de melding heeft beslist dat het organiseren van de snuffelmarkt wordt verboden in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Van de melding als bedoeld in het eerste lid, onder c, het verbod zoals bedoeld in het derde lid, de van rechtswege gegeven instemming zoals bedoeld in het derde lid en van een eventuele instemming, al dan niet onder voorschriften, met de melding door de burgemeester binnen 5 werkdagen na ontvangst ervan wordt kennis gegeven in het elektronisch gemeenteblad.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6 Openbaar water en waterstaatswerken</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-24-363\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:24</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwerpen op, in of boven openbaar water</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Van de melding wordt kennis gegeven in het elektronisch gemeenteblad.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterwet, de Verordening water Noord-Brabant of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-25-364\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:25</span><span class=\"lf-art-t\">(Vervallen)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-26-365\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:26</span><span class=\"lf-art-t\">(Vervallen)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-27-366\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:27</span><span class=\"lf-art-t\">(Vervallen)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-28-367\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:28</span><span class=\"lf-art-t\">Beschadigen van waterstaatswerken</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Verordening water Noord-Brabant.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-29-368\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:29</span><span class=\"lf-art-t\">(Vervallen)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-30-369\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:30</span><span class=\"lf-art-t\">(Vervallen)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-31-370\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:31</span><span class=\"lf-art-t\">(Vervallen)</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 7. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-32-371\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:32</span><span class=\"lf-art-t\">Crossterreinen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het verbod is niet van toepassing op activiteiten zoals bedoeld in het eerste lid waarvoor een vergunning zoals bedoeld in artikel 2:25 is verleend en op door het college aangewezen terreinen. Het college kan regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Zondagswet of het Besluit geluidproduktie sportmotoren.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-33-372\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:33</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking verkeer in natuurgebieden</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor van het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen van overlast; b. de bescherming van natuur- of milieuwaarden; c. de veiligheid van het publiek.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het verbod is niet van toepassing motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Het verbod is voorts niet van toepassing: a. op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen; b. binnen de bij of krachtens de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 8. Vuurverbod</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-34-373\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:34</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand; c. vuur voor koken, bakken en braden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚ of 3˚, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 9. Verstrooiing van as</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-35-374\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:35</span><span class=\"lf-art-t\">(Vervallen)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-36-375\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:36</span><span class=\"lf-art-t\">(Vervallen)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-37\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:37</span><span class=\"lf-art-t\">(Vervallen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk6Straf-, overgangs- en slotbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-1-377\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:1</span><span class=\"lf-art-t\">Strafbepaling</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Overtreding van het bij of krachtens de artikelen van deze verordening bepaalde en de daarbij op grond van artikel 1:4 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10 en 2:11 als sprake is van een omgevingsvergunningplichtige activiteit en artikel 4:11a, eerste en tweede lid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s gestelde regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-378\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:2</span><span class=\"lf-art-t\">Toezichthouders</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast de algemene opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde belast de buitengewoon opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde belast de bij besluit van het college of de burgemeester aangewezen personen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-3-379\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:3</span><span class=\"lf-art-t\">Binnentreden woningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-380\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:4</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking oude verordeningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Algemene plaatselijke verordening gemeente Oisterwijk 2019 en de Algemene plaatselijke verordening 2013, wijziging 2018, zoals op 22 november 2018 vastgesteld door de gemeenteraad van de toenmalige gemeente Haaren worden ingetrokken, laatstgenoemde verordening slechts voor zover geldend op het grondgebied van de gemeente Oisterwijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-381\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:5</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepalingen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Beschikkingen genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4 die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige beschikkingen kent, gelden als beschikkingen genomen krachtens deze verordening.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Beschikkingen genomen krachtens de Algemene Plaatselijke Verordening 2013, wijziging 2018 zoals op 22 november 2018 vastgesteld door de gemeenteraad van Haaren en voor zover die geldig zijn op het grondgebied dat per 1 januari 2021 aan de gemeente Oisterwijk is toegevoegd, zijn geldig tot 1 januari 2023.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het aanwijzingsbesluit in- en verkoopregister voor handelaren berust op artikel 2.67 van deze verordening.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Het Aanwijzingsbesluit vechtsportevenementen Oisterwijk 2019 berust op artikel 2:24, tweede lid, aanhef en onder f, van deze verordening.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Aanwijzingsbesluit inzake het houden van hinderlijke of schadelijke dieren binnen de bebouwde kom 2014 berust op artikel 2:60 van deze verordening.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Het aanwijzingsbesluit genotmiddelenverbod omgeving Scheibaan/gebied ten oosten van de Gemullehoekenweg en Achterste Stroom berust op artikel 2:48 van deze verordening.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>Het Aanwijzingsbesluit cameratoezicht Oisterwijk en Moergestel en het Aanwijzingsbesluit cameratoezicht omgeving AZC Oisterwijk berusten op artikel 2:77 van deze verordening.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>De Nadere regels voor terrassen Gemeente Oisterwijk 2016, de Nadere regels voor bouwobjecten gemeente Oisterwijk 2016 en de Nadere regels uitstallingen Gemeente Oisterwijk 2020 berusten op artikel 2.10, tweede lid van deze verordening.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-6-382\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:6</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-7-383\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:7</span><span class=\"lf-art-t\">Citeertitel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening gemeente Oisterwijk 2021.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Oisterwijk op28 januari 2021.de griffier, de voorzitter, Daniëlle Robijns Hans JanssenToelichting Algemene plaatselijke verordening gemeente Oisterwijk 2021.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Autonomie en medebewind De APV is hét klassieke voorbeeld van een autonome gemeentelijke verordening. Toch bevat de APV medebewindsbepalingen, bijvoorbeeld:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Artikel 2:3 ‘Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen’: Dit artikel is een uitwerking van de artikelen 3 en 4 van de Wom, waarin is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening regels vaststelt met betrekking tot de gevallen waarin voor samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging op openbare plaatsen een voorafgaande kennisgeving vereist is en met betrekking en de gevallen waarin voor vergaderingen en betogingen op openbare plaatsen een voorafgaande kennisgeving vereist is;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Hoofdstuk 2, afdeling 8b, ‘Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Drank- en Horecawet’: Op grond van artikel 4 van de DHW wordt een verordening verplicht gesteld voor de paracommerciële horecabedrijven.</div>\n<p class=\"lf-p\">Deze (en eventueel nog volgende soortgelijke verordeningen) betreffen net als de APV in elk geval gedeeltelijk de openbare ruimte en hangen nauw samen met de andere bepalingen in de APV. Het ligt daarom voor de hand deze medebewindverordeningen onder te brengen in de APV. Op deze manier blijft er een samenhangend geheel bestaan van gemeentelijke regelingen die de openbare ruimte betreffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Provinciale wegenverordening of provinciaal wegenreglement In een aantal artikelen in de APV wordt de grens afgebakend tussen de APV en andere regelingen. Soms is die andere regeling een provinciale verordening of een provinciaal reglement voor de provinciale wegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergunning, ontheffing of melding; schaarste In de APV komen drie toestemmingsstelsels voor:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een ontheffingsstelsel;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een vergunningstelsel;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een meldingsstelsel.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bij een ontheffingsstelsel geldt een verbod om een bepaalde activiteit uit te voeren. In uitzonderlijke gevallen is daarop een ontheffing mogelijk. Er kan sprake zijn van schaarste (meer aanvragen dan het aantal ontheffingen dat wordt verleend).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een vergunningstelsel geldt in beginsel een verbod, maar bestaat er in het algemeen geen bezwaar tegen de activiteit. De gemeente wil de regie op de activiteiten houden. Zij kan ook het aantal beschikbare vergunningen beperken. In dat geval kan er sprake zijn van schaarste.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als sprake is van schaarse ontheffingen of vergunningen gelden bepaalde verdelings- en procedurevoorschriften. Zie hiervoor de VNG Handreiking voor gemeenten ‘Schaarse vergunningen’, november 2018 en de toelichting hieronder onder het kopje “Schaarse vergunningen”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een meldingsstelsel bestaat er al dan niet een verbod, maar bestaat er geen bezwaar tegen de activiteit als zodanig. Om grip en regie te houden, stelt de gemeente een melding verplicht. Er kan dan geen sprake zijn van schaarste, want elke melding die aan de voorschriften voldoet, wordt geaccepteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Juridisch karakter van een melding In januari 2015 heeft de Afdeling haar rechtspraak rond meldingsstelsels aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beknopt samengevat komt de wijziging er op neer dat alleen een meldingsstelsel beheerst door algemene regels en waarbij niet is voorzien in enige reactie van het bestuursorgaan niet leidt tot een appellabel besluit. In andere gevallen leidt de weigering of acceptatie, dan wel het uitblijven of niet-tijdig reageren door het bestuursorgaan tot een appellabel besluit. Zie ABRvS 14-01-2015, ECLI:NL:RVS:2015:14 (Leeuwarden-Lekkum) en ABRvS 14-01-2015, ECLI:NL:RVS:2015:36 (Stein-Elsloo).</p>\n<p class=\"lf-p\">De Afdeling volgt hiermee de conclusie van Advocaat-Generaal Widdershoven over meldingsstelsels (ABRvS 12-11-2014, ECLI:NL:RVS:2014:4116).</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 4:20a, eerste lid, van de Awb is bepaald dat paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) bij wettelijk voorschrift van toepassing verklaard kan worden. In dat geval geldt dat als het bestuursorgaan niet tijdig op de aanvraag tot het geven van een beschikking beslist, de gevraagd beschikking van rechtswege is gegeven. Het doel hiervan is vermindering van regeldruk en verbetering van de dienstverlening aan bedrijven en burgers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is:</h3>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>van toepassing op vergunningen, ontheffingen en vrijstellingen als bedoeld in de artikelen 2:10, vierde en achtste lid, 2:11 en 4:11a.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>niet van toepassing op vergunningen, ontheffingen en vrijstellingen als bedoeld in de artikelen 2:1, 2:9, 2:22, 2:25, 2:28, 2:28f. 2:29, 2:34, 2:39, 2:45, 2:48a, 2:48b, 2:60, 2:64, 3:4, 4:5, 4:18, 5:2, 5:3, 5:6, 5:7, 5:8, 5:11, 5:18, 5:33, en 5:34.</div>\n<p class=\"lf-p\">De toepasselijkheid van de lex silencio positivo kan ook volgen uit een wet in formele zin. Zo volgt toepasselijkheid van de lex silencio positivo op aanvragen om omgevingsvergunningen bijvoorbeeld uit artikel 3.9, derde lid, van de Wabo en geldt op grond van artikel 28, eerste lid, van de Dienstenwet dat de lex silencio positivo van toepassing is op aanvragen om vergunningen die onder de reikwijdte van de Dienstenwet vallen. Voorbeelden van gevallen waar toepasselijkheid van de lex silencio positivo reeds uit de wet voortvloeit, zijn te vinden in de artikelen 2:10, vierde lid, 2:11 (voor zover het gaat om activiteiten die onder de Wabo vallen) en 4:11a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast zijn er ook enkele bepalingen (de artikelen 2:25, 2:28, 2:28f, 2:34, 2:39 voor zover het gaat om activiteiten die onder de Dienstenrichtlijn vallen, en de artikelen 3:4, 5:2, 5:3 en 5:18) waarin de toepasselijkheid van de lex silencio positivo uitdrukkelijk wordt uitgezonderd. Dit geldt voor gevallen waarin de lex silencio positivo op grond van artikel 28, eerste lid, van de Dienstenwet van toepassing zou zijn, maar er dwingende redenen van algemeen belang zijn om daar een uitzondering op te maken. De dwingende redenen van algemeen belang die een uitzondering op de toepasselijkheid van de lex silencio positivo rechtvaardigen, worden in de artikelsgewijze toelichting bij die bepalingen gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover de toepasselijkheid van de lex silencio positivo niet reeds uit de wet voortvloeit, maar het toch wenselijk is te voorzien in een positieve beschikking van rechtswege bij het niet tijdig beslissen op een aanvraag tot het geven van een beschikking, is de lex silencio positivo in de APV van toepassing verklaard (zie artikel 2:10, lid 8 voor wat betreft de ontheffing als bedoeld in artikel 2:10 lid 3 en artikel 2:11 voor zover het gaat om activiteiten die niet onder de Wabo vallen (voor activiteiten die wel onder de Wabo vallen verklaart die wet de lex silencio positivo immers al van toepassing). De redenen voor het van toepassing verklaren van de lex silencio positivo wordt in de artikelsgewijze toelichting bij die bepaling gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">In gevallen waarin de lex silencio positivo niet reeds op grond van de wet van toepassing is en er evenmin redenen zijn om deze van toepassing te verklaren in de APV is dit in het betreffende artikel onverplicht en voor de duidelijkheid nog aangegeven. Dit geldt voor de artikelen 2:1, 2:9, 2:22, 2:29, 2:45, 2:48a, 2:48b, 2:60, 2:64, 4:5, 4:18, 5:6, 5:7, 5:8, 5:11, 5:33, en 5:34. Ingevolge artikel 4:20a, eerste lid, van de Awb, geldt de lex silencio positivo immers alleen als dit bij wettelijk voorschrift is bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schaarse vergunningen In gevallen waarin een activiteit beperkt is tot een aantal vergunninghouders, kan sprake zijn van schaarste. Voor vergunningen die onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn vallen, geldt dat deze vergunningen niet voor onbepaalde tijd mogen worden verleend (HvJEU 01-10-2015, ECLI:EU:C:2015:641 (Trijber en Harmsen)). Er zal dan een redelijke looptijd voor de vergunning bepaald moeten worden, waartoe kan worden aangesloten bij de jurisprudentie over concessieverleningen. De looptijd moet worden afgestemd op de tijd die het de vergunninghouder kost om investeringen terug te verdienen. Ook gelden er bijzondere verdeelregels: er moet een passende mate van openbaarheid betracht worden bij de verdeling en potentiële gegadigden dienen tijdig te worden geïnformeerd over de beschikbaarheid van een vergunning, het aanvraagtijdvak, de verdeelregels en de toewijzingscriteria, die objectief, duidelijk en niet discriminatoir moeten zijn. Op grond van het gelijkheidsbeginsel, waaruit het beginsel van gelijke kansen voortvloeit, geldt dit ook voor andere schaarse vergunningen dan vergunningen die onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn vallen (ABRvS 02-11-2016, ECLI:NL:RVS:2016:2927 (De Vries/Vlaardingen)). Voor de looptijd van de vergunning bij schaarste zij verder verwezen naar artikel 1:7, tweede lid, en de toelichting daarbij.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Definities</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die slechts op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn in de desbetreffende afdeling definities opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over de definities kan het volgende worden opgemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bevoegd gezag Met het begrip ‘bevoegd gezag’ wordt aangehaakt bij de Wabo. Die is van toepassing op de omgevingsvergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg (artikel 2:11) en de omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden (artikel 4:11a). De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder d, van de Wabo, en de vergunning voor het vellen van houtopstanden in artikel 2.2, eerste lid, onder g, van de Wabo. De Wabo kan ook van toepassing zijn op het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. De vergunning voor het opslaan van roerende zaken is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder j en k, van de Wabo. Zie verder de toelichting bij artikel 2:10.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot toestemmingsverlening niet bij het college, maar bij Gedeputeerde Staten en in enkele gevallen bij een Minister. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving. Zie verder ook de toelichting bij de artikelen 2:10, 2:11 en 4:11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast komt in de APV op verschillende plaatsen de term ‘bevoegd bestuursorgaan’ voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het college, ofwel de burgemeester. De Wabo brengt hierin geen verandering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwobjecten Hieronder wordt verstaan objecten die functioneel zijn voor bouw-, onderhoud of sloopactiviteiten zoals containers, bouwmaterialen, steigers, schaftketen en chemische toiletten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwwerk Deze omschrijving is ontleend aan de omschrijving van het begrip “bouwwerk” zoals opgenomen in de vigerende gemeentelijke bouwverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebouw Deze omschrijving verwijst naar artikel 1, eerste lid, van de Woningwet: “bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelsreclame In artikel 7, vierde lid, van de Grondwet, betreffende de vrijheid van meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband met artikel 7, eerste lid, van de Grondwet dat zich volgens vaste jurisprudentie verzet tegen een vergunningstelsel voor de verspreiding van gedrukte stukken en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan een vergunningstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel niet in de weg. Onder het begrip ‘reclame’ dient te worden verstaan: iedere vorm van openbare aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken tot ‘handelsreclame’ heeft de in het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet geformuleerde uitzondering slechts betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zin van het woord en omvat zij elk aanbod van goederen en diensten, maar is zij niet van toepassing op reclame voor ideële doeleinden. Dit betekent niet dat handelsreclame helemaal niet beschermd wordt. Voorschriften voor handelsreclame zullen de toets aan artikel 10 van het EVRM en artikel 19 van het IVBPR moeten kunnen doorstaan. Deze verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een vergunningstelsel.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11-05-1982, NJ 1983, 68. Onder een ‘commercieel belang dienen’ moet mede worden begrepen: dienstig te zijn tot koop en verkoop.</p>\n<p class=\"lf-p\">Openbaar water Een ‘openbaar water’ in de zin van Boek 5 van het BW is ieder water, dat open staat voor het publiek. ‘Openbaar’ is hier dus synoniem aan ‘feitelijk voor het publiek toegankelijk’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Openbare plaats Voor deze definitie is aangehaakt bij de Wom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1, eerste lid, van de Wom bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek. Deze definitie kent dus twee criteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de MvT zeggen “dat in beginsel eenieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats \"open staat\" betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de plaats”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen ‘openbare plaatsen’. Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip ‘openbare plaats’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op bestemming of vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door de gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”, aldus de MvT (Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 3, p. 16).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wom zijn: openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de definitie van het begrip ‘openbare plaats’ ook een aantal ’besloten plaatsen’ als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet kan omvatten, is in artikel 1, tweede lid, van de Wom expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (Kamerstukken II 1986/87, 19 427, nr. 5, p. 11-13 en nr. 6).</p>\n<p class=\"lf-p\">Parkeren De definitie van ‘parkeren’ haakt aan bij de definitie ervan in artikel 1 van het RVV 1990. Dit artikelonderdeel verstaat onder parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen. De gegeven definitie bewerkstelligt dat enkele vormen van doen of laten staan van voertuigen, die moeten worden ontzien, buiten de werking van de voorgestelde verbodsbepalingen blijven. Het onmiddellijk in- en uitstappen van personen en het onmiddellijk laden en lossen van goederen zijn dan immers activiteiten die door de modelbepalingen niet worden bestreken. Evenmin zullen deze bepalingen van toepassing kunnen zijn ten aanzien van voertuigen die bij een garagebedrijf stilstaan om benzine te tanken; in dit geval is er geen sprake van parkeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechthebbende Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voertuig De definitie van ‘voertuig’ haakt aan bij de definitie ervan in artikel 1 van het RVV 1990. ‘Voertuigen’ in de zin van dit artikel zijn: fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. Voor kleine voertuigen, zoals kruiwagens, kinderwagens, rolstoelen en dergelijke is een uitzondering gemaakt, omdat anders sommige bepalingen een te ruime strekking zouden krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Weg De definitie van ‘weg’ haakt aan bij de definitie ervan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de WVW 1994. Concreet gaat het om alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten. Hiertoe behoren ook trottoirs, voetpaden, voetgangersgebieden, rijwielpaden en parkeerplaatsen of -terreinen. Uit de definitie van ‘openbare plaats’ blijkt dat de weg daar onderdeel van uitmaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jurisprudentie ABRvS 16-03-1999, Gst. 1999, 7100, 3. Strandovergang is openbare weg in de zin van artikel 4, eerste lid, onder II, van de Wegenwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 29-08-2001, ECLI:NL:RVS:2001:AD3795. Nu in dit geval onvoldoende vaststaat dat de strook grond een weg in de zin van de APV was, staat evenmin vast dat het verbod van de APV-bepaling is overtreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op of aan de weg Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden) gedragingen ‘op of aan de weg’. De term ‘aan de weg’ duidt begripsmatig op een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen. Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt of afspeelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook treinstations vallen in beginsel buiten het bereik van de APV. Tegenwoordig hebben veel stations echter ook een doorloopfunctie, en zijn er bijvoorbeeld winkels in aanwezig. Dan zijn deze doorgangen in stations weliswaar geen weg, maar wel openbare plaats.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:2</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste en tweede lid Het uitgangspunt van artikel 4:13 Awb is dat in het wettelijk voorschrift de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Zo kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is. In deze APV is de beslistermijn vastgesteld op acht weken. Dit is gelijk aan de maximumtermijn die in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb wordt gesteld. Tijdig beslissen is een rechtsplicht voor elk bestuursorgaan. Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de beslistermijn biedt dan uitkomst. Ook deze termijn is de APV op acht weken gesteld. Artikel 4:14 Awb verplicht tot kennisgeving aan de aanvrager van dit verlengingsbesluit. Hoewel de verlenging van de beslistermijn vervelende gevolgen kan hebben voor de aanvrager, is het in beginsel niet mogelijk om bestuursrechtelijke rechtsmiddelen tegen deze beslissing aan te wenden. Recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) bevestigt dit (zie ECLI:NL:RVS:2015:2653).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dienstenrichtlijn Op vergunningprocedures voor wat betreft diensten is artikel 13 van de Dienstenrichtlijn van toepassing. Het derde lid bepaalt dat de aanvraag binnen een redelijke, vooraf vastgestelde termijn, wordt behandeld. De achtwekentermijn van artikel 1:2 voldoet daaraan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 13, derde lid, van de Dienstenrichtlijn bepaalt voorts dat de beslistermijn eenmaal door de bevoegde instantie mag worden verlengd indien dit gerechtvaardigd wordt door de complexiteit van het onderwerp. Dit houdt in dat voor verlenging een stevige motivering is vereist met gebruikmaking van dit criterium. De verlenging en duur ervan worden, met redenen omkleed vóór het verstrijken van de oorspronkelijke termijn, ter kennis van de aanvrager gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid (Wabo) De wegaanlegvergunning (artikel 2:11) en de kapvergunning (artikel 4:11a) vallen onder artikel 2.2, eerste lid, onder respectievelijk d en g, van de Wabo. De Wabo kan ook van toepassing zijn op het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, namelijk als het gaat om het opslaan van roerende zaken (zie de toelichting bij artikel 2:10). De vergunning of ontheffing voor het opslaan van roerende zaken is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder j en k, van de Wabo en geldt als verbod om deze activiteit uit te voeren zonder omgevingsvergunning. De beslistermijn op een aanvraag om een omgevingsvergunning is dezelfde als in het eerste lid is opgenomen: acht weken (artikel 3.9, eerste lid, van de Wabo).</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.9, tweede lid, van de Wabo bepaalt dat de beslistermijn niet met acht, maar slechts met zes weken kan worden verlengd. Daarom is voor de hiervoor genoemde ontheffing of vergunning een afwijking van het tweede lid opgenomen onder verwijzing naar artikel 3.9 van de Wabo.</p>\n<p class=\"lf-p\">De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning of ontheffing die onder de Wabo valt, staan in de Mor (Stcrt. 2010-5162). De algemene indieningvereisten staan in artikel 1.3 van de Mor.</p>\n<p class=\"lf-p\">In hoofdstuk 7 van de Mor staan nog bijzondere indieningsvereisten die van belang zijn voor de vergunningen of ontheffingen in de APV die op grond van artikel 2:2 van de Wabo als omgevingsvergunning worden aangemerkt. Dit geldt voor de artikelen 2:10 (voor zover sprake is van opslag van roerende zaken op de weg), 2:11 (wegaanleg) en 4:11a (vellen van houtopstanden).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:3</span><span class=\"lf-art-t\">(Vervallen)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:4</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften en beperkingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid In de literatuur en jurisprudentie is men het erover eens dat de bevoegdheid tot het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is, in die gevallen waarin het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing ter vrije beslissing staat van het beschikkende orgaan. Toch verdient het uit een oogpunt van duidelijkheid aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen. Daarbij moet ook - ten overvloede - worden aangegeven dat die voorschriften uitsluitend mogen strekken ter bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste van vergunning of ontheffing is gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6, aanhef en onder c, is deze intrekkingsbevoegdheid vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid De vraag of bij niet-nakoming van vergunningsvoorschriften bestuursdwang kan worden toegepast, wordt in het algemeen bevestigend beantwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer bij het creëren van een vergunning- of ontheffingsplicht de formulering wordt gebruikt “het is verboden om … te doen zonder vergunning/ontheffing van … of in afwijking daarvan“ (conform Igr 50), dan is een bepaling als in het tweede lid niet nodig. Het handelen in strijd met een vergunnings- of ontheffingsvoorschrift is dan immers ook verboden en levert dus een overtreding op waartegen met een last onder bestuursdwang kan worden opgetreden. In de APV wordt deze formulering alleen gebruikt in artikel 2:11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij vergunningen of ontheffingen die een omgevingsvergunning zijn op grond van artikel 2.2 van de Wabo, is noch de formulering “of in afwijking daarvan”, noch een bepaling à la artikel 1:4, tweede lid, nodig. De reden is dat artikel 2.3, aanhef en onder c, van de Wabo het handelen in strijd met een vergunningsvoorschrift al heeft verboden. In de APV gaat het om de artikelen 2:10 (voor zover sprake is van opslag van roerende zaken op de weg), 2:11 en 4:11a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor alle andere vergunningen of ontheffingen op basis van de APV is het tweede lid van artikel 1:4 wel nodig. Zie de artikelen 2:25 (evenementen), 2:39 (Speelgelegenheden), 2:45 (Betreden van plantsoenen en dergelijke), 5:18 (Standplaatsvergunning en weigeringsgronden) en 5:23 (Organiseren van een snuffelmarkt).</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelen in strijd met zo’n vergunning of ontheffing levert dan strijd op met artikel 1:4, tweede lid, juncto het vergunningsvoorschrift. Daartegen kan met bestuursdwang worden opgetreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dienstenrichtlijn Artikel 10 van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels gebaseerd moeten zijn op criteria die ervoor zorgen dat de bevoegde instanties hun beoordelingsbevoegdheid niet op willekeurige wijze uitoefenen. Die criteria zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; evenredig met die reden van algemeen belang; duidelijk en ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar bekendgemaakt; transparant en toegankelijk. Ook de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning worden verbonden, dienen hieraan te voldoen. Zie voor wat onder dwingende reden van algemeen belang en evenredigheid wordt verstaan de algemene toelichting en het commentaar onder artikel 1:8. Op grond van artikel 10, vijfde lid, van de Dienstenrichtlijn wordt de vergunning pas verleend nadat na een passend onderzoek is vastgesteld dat aan de aan de vergunning verbonden voorwaarden is voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sanctiebepaling In de algemene strafbepaling die in artikel 6:1 van deze APV is opgenomen wordt overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde met straf bedreigd. Daardoor staat ook straf op het overtreden van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:5</span><span class=\"lf-art-t\">Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een vergunning wordt persoonlijk genoemd, als die alleen of vooral is verleend vanwege de persoon van de aanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling dat uitdrukkelijk bepaalt. Een voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is de vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet. Deze wet bepaalt dat voor het verkrijgen van een vergunning de nodige diploma’s moeten zijn gehaald. Een persoonlijke vergunning is ook de standplaatsvergunning. Dit vanwege het persoonlijke karakter van de ambulante handel en omdat het aantal aanvragen om vergunning het aantal te verlenen vergunningen meestal verre overtreft. Het zou onredelijk zijn als een standplaatsvergunning zonder meer kan worden overgedragen aan een andere terwijl een groot aantal aanvragers op de wachtlijst staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een vergunning of ontheffing zowel voor de aanvrager als voor zijn rechtsopvolger geldt, is het verstandig een voorschrift op te nemen dat de houder van de vergunning of ontheffing verplicht binnen twee weken schriftelijk te melden dat hij zijn vergunning heeft overgedragen, met vermelding van de naam en het adres van de nieuwe houder van de vergunning of ontheffing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Literatuur en jurisprudentie Voor de overdraagbaarheid van APV-vergunningen, zie: C.L. Knijff, Rechtsopvolging bij vergunningen in de gemeentepraktijk, GS 2004, 7205, onder 3.4 Overgang uitgesloten: APV-vergunningen: Volgens art. 1:10 APV is de vergunning of ontheffing persoonsgebonden tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Ingevolge art. 1:11, aanhef en onder e, APV kan de vergunning of ontheffing worden gewijzigd indien de houder of zijn rechtverkrijgende dit verzoekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 23-11-1999, ECLI:NL:RVS:1999:AA5058 (Gemeentestem 2000, 7112, 6).</p>\n<p class=\"lf-p\">De Afdeling is van oordeel dat art. 1:11, aanhef en onder e, APV niet afdoet aan het persoonsgebonden karakter van de vergunning. Van een zelfstandige bepaling die het persoonsgebonden karakter van de exploitatievergunning voor een coffeeshop kan opheffen is geen sprake, gelet op de aard van de vergunning en op de strekking van het in de APV neergelegde vergunningstelsel. De burgemeester was derhalve niet zonder meer gehouden zijn medewerking te verlenen aan een verzoek tot overdracht van een vergunning aan een derde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:6</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De in dit artikel genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben gelet op het gebruik van het woord “kan” een facultatief karakter. Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften leiden tot intrekking van de vergunning. Met name het rechtzekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid tot wijziging en intrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder d wordt grondslag geboden om een vergunning in te trekken als die langere tijd niet is gebruikt, bijvoorbeeld bij het innemen van een standplaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of te wijzigen, dient het de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun bedenkingen in te dienen (artikel 4:8 Awb).</p>\n<p class=\"lf-p\">Jurisprudentie ABRvS 11-06-2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF9809. Gelet op art. 1:6 APV in samenhang gelezen met art. 2.1.4.1, tweede lid (oud), APV was de burgemeester in het onderhavige geval bevoegd de vergunning in te trekken. Intrekking van een vergunning vereist een zorgvuldige voorbereiding. Als specifieke kennis bij het bestuursorgaan ontbreekt, moet advies worden ingewonnen. Zes werkdagen zijn daarvoor voldoende..</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:7</span><span class=\"lf-art-t\">Termijnen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Artikel 1:7 bepaalt dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Dit vloeit mede voort uit artikel 11 van de Dienstenrichtlijn waarin gesteld wordt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen hebben tenzij: a. de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden: er is dan formeel sprake van een beperkte geldigheidsduur, maar verlening vindt van rechtswege plaats; b. het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang: wanneer het aantal vergunningen logischerwijs beperkt is, bijvoorbeeld omdat de gemeente geen onbeperkt grondgebied heeft, mag de markt niet gesloten blijven voor nieuwe aanbieders omdat de bestaande aanbieders voor onbepaalde tijd alle beschikbare vergunningen in handen hebben. In dat geval moet geregeld een transparante en onpartijdige ‘herverdeling’ van de schaarse vergunningen worden georganiseerd; c. een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang: als gemeenten een vergunning voor bepaalde tijd verlenen, moeten zij beargumenteren waarom deze beperking nodig is en de evenredigheidstoets kan doorstaan. Sommige vergunningen lenen zich naar hun aard alleen voor verlening voor bepaalde tijd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een evenementenvergunning of een standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de jaarwisseling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4, onder 8, van de Dienstenrichtlijn geeft een definitie van ‘dwingende redenen van algemeen belang’: “redenen die als zodanig zijn erkend in de rechtspraak van het Hof van Justitie; waaronder de volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid, staatsveiligheid, volksgezondheid, handhaving van het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel, bescherming van consumenten, afnemers van diensten en werknemers, eerlijkheid van handelstransacties, fraudebestrijding, bescherming van het milieu en het stedelijk milieu, diergezondheid, intellectuele eigendom, behoud van het nationaal historisch en artistiek erfgoed en doelstellingen van het sociaal beleid en het cultuurbeleid”. Zie ook de weigeringsgronden die in de toelichting op artikel 1:8 worden genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1:6 bepaalt dat bij gewijzigde omstandigheden de vergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken. Het ligt ook daarom in de rede dat een vergunning voor onbepaalde duur blijft gelden indien de omstandigheden niet wijzigen. Pas bij gewijzigde omstandigheden dient de vergunning opnieuw te worden bezien. Ook daarbij wordt rekening gehouden met de noodzaak- en proportionaliteitseis. Bij geringe wijziging van omstandigheden die geen gevolgen hebben voor het algemeen belang, kan de vergunning niet worden gewijzigd of ingetrokken. De noodzaak daarvoor ontbreekt Tweede lid Uit ABRvS 02-11-2016, ECLI:NL:RVS:2016:2927, blijkt dat schaarse vergunningen zich naar hun aard niet lenen voor verlening voor onbepaalde tijd omdat dat zich niet met het formele gelijkheidsbeginsel, waarin tevens een beginsel van gelijke kansen besloten ligt. Het voor onbepaalde tijd verlenen van schaarse vergunningen (meer aanvragers dan beschikbare vergunningen) kan immers tot gevolg hebben dat de markt voor nieuwe aanbieders feitelijk ontoegankelijk wordt. Met dit tweede lid wordt duidelijk gemaakt dat schaarse vergunningen in ieder geval moeten worden aangemerkt als vergunningen die zich naar hun aard niet lenen voor verlening voor onbepaalde tijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meer informatie over schaarse vergunningen is te vinden in de VNG Handreiking voor gemeenten ‘Schaarse vergunningen’, november 2018</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:8</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vergunning- of ontheffingsstelsels zijn in de APV als volgt geformuleerd: een verbodsbepaling om een bepaalde activiteit te verrichten behoudens vergunning of ontheffing. De raad van de gemeente Oisterwijk heeft er ter bevordering van de systematiek en duidelijkheid, voor gekozen om in hoofdstuk 1 van de APV algemene weigeringsgronden te benoemen. Alleen als er voor een vergunning of ontheffing andere of aanvullende weigeringsgronden gelden dan de in artikel 1:8 genoemde, worden die in het betreffende artikel genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dienstenrichtlijn Tegelijkertijd met de deregulering van de vergunningstelsels van de APV zijn deze gescreend aan de Europese Dienstenrichtlijn. Het gaat daarbij om de volgende stelsels: gebiedsaanwijzing in geval van straatartiesten, de evenementenvergunning, horecaexploitatievergunning, vergunning voor een seksinrichting, standplaatsvergunning en de vergunning voor een snuffelmarkt. Gokactiviteiten zijn van de werking van de Europese Richtlijn uitgezonderd, zodat de speelautomatenvergunning niet onder het regime valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip vergunningstelsel in de zin van de Dienstenrichtlijn is breder dan wij dit kennen. Onder het begrip vallen ook meldingsplichten. Onder vergunning verstaat de Dienstenrichtlijn immers: 'elke procedure die voor een dienstverrichter of afnemer de verplichting inhoudt bij een bevoegde instantie stappen te ondernemen ter verkrijging van een formele of stilzwijgende beslissing over de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit (artikel 4 lid 6). Hieruit volgt dat een melding wordt aangemerkt als een vergunning. Andere voorbeelden van een 'vergunning' zijn: verklaringen van geen bezwaar, verplichting zich in te schrijven in een register etc. Een voorbeeld van een meldingsplicht binnen deze APV is die voor een 'klein evenement' in artikel 2:25.</p>\n<p class=\"lf-p\">In theorie bestaan er drie verschillende regimes: voor de ‘vestiger’, de ‘tijdelijke grensoverschrijder’ en de Nederlandse dienstverrichter. De Dienstenrichtlijn staat toe dat er onderscheid wordt gemaakt tussen deze drie categorieën. Het zou in theorie kunnen dat de overheid aan een Nederlandse dienstverlener zwaardere eisen stelt dan aan een buitenlandse ’tijdelijke grensoverschrijder’ maar dit is in de praktijk en vanuit het oogpunt van rechtsgelijkheid niet wenselijk. De raad van de gemeente Oisterwijk acht het op dezelfde gronden evenmin gewenst een onderscheid aan te brengen tussen verschillende soorten van dienstverleners (tijdelijke grensoverschrijders, vestigers en dus ook Nederlandse dienstverleners). Anders zou de dienstverlener die zich vanuit een andere lidstaat hier vestigt een bevoorrechte positie hebben ten opzichte van degene die de grens overschrijdt om zijn diensten aan te bieden of beide dienstverleners ten opzichte van de eigen onderdanen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet alleen de eis van het hebben van een vergunning geldt voor hen gelijkelijk maar ook de gronden om een vergunning te weigeren zijn voor de drie categorieën aanvragers hetzelfde. Daarom zijn de weigeringsgronden algemeen geformuleerd zodat ze gelden voor interne én internationale verhoudingen. Er is aangesloten bij het lichtste regime van de richtlijn (artikel 16): de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid, het milieu en de verkeersveiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Enkele voorheen gehanteerde weigeringsgronden komen niet meer als zodanig voor in de Dienstenrichtlijn. Deze kunnen wel vallen onder:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Overlast: Vanouds is de APV een openbare orde- en overlast-verordening. Het begrip ‘overlast’ komt in het EG-recht bij de toetsing van uitzonderingen op het vrij verkeer niet voor. Ook de Dienstenrichtlijn spreekt niet over ‘overlast’. Het milieubegrip omvat echter alle soorten van overlast die gerelateerd zijn aan de omgeving of het milieu. Te denken valt aan geluidsoverlast, geurhinder en overlast veroorzaakt door stof, afval en dergelijke. Overlast, veroorzaakt door vuurwerk, valt eveneens onder bescherming van het milieu of zelfs gezondheid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Verkeersveiligheid: De verkeersveiligheid valt aan te merken als een dwingende reden van algemeen belang als bedoeld in artikel 9 van de Dienstenrichtlijn. Maar ook is er sprake van een belang dat te scharen valt onder de volksgezondheid, als het voorkomen van verkeersslachtoffers het te beschermen belang betreft.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Veiligheid van personen en gezondheid: Deze gronden waarop voorheen een evenementenvergunning kon worden geweigerd, bijvoorbeeld bij het uitbreken van mond- en klauwzeer (gezondheid), kunnen als een belang van volksgezondheid worden aangemerkt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Zedelijkheid: Het begrip zedelijkheid valt onder het begrip ‘openbare orde’, zoals dit wordt uitgelegd in overweging 41 bij de Dienstenrichtlijn. Te denken valt aan de bescherming van de menselijke waardigheid of in het geval van dierenmishandeling (bijvoorbeeld gansslaan, palingtrekken of zwijntjetik) aan het belang van dierenwelzijn. Ook andere dwingende redenen dan de openbare orde kunnen een zedelijkheidsaspect hebben.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Voorzieningenniveau bij standplaatsen: In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de gemeente ten behoeve van de consument als een openbare ordebelang aangemerkt. De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling blijkt dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hoewel het concurrentiebelang maakt dat een appellant als belanghebbende kan worden aangemerkt en dit belang vrijwel altijd een rol speelt bij de beslissing om een zaak aan te spannen, is het reguleren van concurrentie geen belang van de overheid (ABRvS 26-03-2014, ECLI:NL:RVS:2014:1101, r.o. 7.4).</div>\n<p class=\"lf-p\">Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsvergunningen waar (mede) diensten worden verleend niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten. Het blijft echter nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren bij een standplaats voor het verkopen van goederen (zie artikel 5:18, derde lid, onder b). Daarop is de Dienstenrichtlijn immers niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000 In het kader van de Vw 2000 dient bij de aanvraag om een vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot vergunningverlening kan worden overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000 schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het rechtmatige verblijf blijkt. Artikel 8.3, tweede lid, van het Vb 2000 bepaalt dat een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8 van de Vw 2000 geen aanspraak kan maken op de toekenning van vergunningen en ontheffingen door bestuursorganen van onder meer gemeenten, voor zover die betrekking hebben op standplaatsen, markten, venten, collecteren, evenementen of beroepsmatige dan wel bedrijfsmatige activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid De wetgever heeft in de Awb een sluitend systeem neergelegd voor de afhandeling van aanvragen: die worden ingewilligd of geweigerd. In artikel 4:5 van de Awb is daarop één uitzondering gemaakt: een aanvraag die zo gebrekkig is dat die moet worden aangevuld voor ze kan worden afgehandeld kan buiten behandeling worden gelaten, mits de aanvrager de kans heeft gekregen om de aanvraag aan te vullen. Gemeenten kunnen bij verordening geen aanvullende gronden stellen waarmee een aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is echter weinig zinvol – voor zowel de gemeente als de aanvrager – om te beginnen met een inhoudelijk toetsing van een aanvraag als door het (late) tijdstip van indienen van de aanvraag een verantwoorde (lees: een volledige en goede) beoordeling hiervan niet redelijkerwijs mogelijk is vóór de beoogde datum van de activiteit waarvoor de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft. Een vergunning of ontheffing zal in dergelijke gevallen niet (tijdig) verleend kunnen worden. Zie in dit verband ook artikel 3:2 van de Awb. Een (snelle) weigering schept (snel) duidelijkheid voor de aanvrager en voorkomt een onnodige inspanning aan de kant van de gemeente. Het tweede lid biedt nu een weigeringsgrondslag voor dergelijke gevallen, voor zover de betreffende aanvraag is ingediend minder dan tien weken voor het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft (zijnde de beoogde datum van de beoogde activiteit) en daardoor een verantwoorde beoordeling van de aanvraag niet mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid In dit artikellid is in afwijking van het tweede lid een specifieke weigeringsgrond opgenomen voor een laat ingediende aanvraag voor het organiseren van een evenement als bedoeld in artikel 2:25.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen In deze afdeling zijn bepalingen opgenomen die bedoeld zijn om zowel het gebruik als de bruikbaarheid van de weg in goede banen te kunnen leiden en de openbare orde op andere openbare plaatsen te waarborgen. De diverse functies van de openbare ruimte, onder andere voor demonstraties, optochten en feesten, vragen om een scheiding dan wel regulering van het gebruik.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Samenscholing en ongeregeldheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Het begrip 'samenscholing' is ontleend aan artikel 186 WvSr: ”Hij die opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan gegeven bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.” Zie hierover ook de hierna opgenomen jurisprudentie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid In het tweede lid wordt aan de burger de verplichting opgelegd om zich op bevel van een politieambtenaar te verwijderen van een openbare plaats bij samenscholing of (dreigende) ongeregeldheden. Dit artikel biedt zo onder andere ook een handvat om op te treden tegen het hinderen van hulpverleners.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overtreding van een dergelijk bevel wordt strafbaar gesteld in artikel 6:1 van de APV. Ook in het proces- verbaal en de tenlastelegging moet het niet opvolgen van het politiebevel worden vervolgd op grond van overtreding van artikel 2:1 juncto artikel 6:1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de politiebevelen ex artikel 2:1 APV blijven uiteraard ook de bevelen van de burgemeester in het kader van diens openbare-ordebevoegdheden mogelijk. Bevelen van de burgemeester, bijvoorbeeld op grond van de Gemeentewet, of aanwijzingen in het kader van de Wet openbare manifestaties (Wom) die de politie in mandaat uitvoert en die niet worden opgevolgd, kunnen nog steeds strafbaar worden gesteld op grond van artikel 184, eerste lid Wetboek van Strafrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid Onder omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het karakter heeft van bijvoorbeeld een betoging, vergadering of godsdienstige of levensbeschouwelijke samenkomst. Gelet op de Wom moeten dit soort samenscholingen van de werking van dit artikel uitgezonderd worden. Het vijfde lid voorziet hierin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jurisprudentie HR 12-02-1940, NJ 140, 622 (Haags tippelverbod). Zie ook: HR 02-06-1903, W. 7938 (APV Amsterdam); HR 20-01-1936, NJ 1936, 343 (APV Amsterdam); HR 03-06-1969, NJ 1969, 411(APV Amsterdam) en HR 17-03-1970, ECLI:NL:PHR:1970:AB5070 (APV Arnhem). Oordeel van de politie is element van gemeentelijke strafbepaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 26-02-1991, ECLI:NL:HR:1991:AD1340 en HR 14-01-1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC8941. Van een volksoploop ex artikel 186 van het WvSr is sprake als een menigte zich verzamelt. De openbare orde hoeft niet te worden verstoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 02-06-1903, W. 7938 (APV Amsterdam) en HR 25-06-1963, NJ 1964, 239 (samenscholingsarrest). Relatie tussen APV bepaling en artikel 184 en 186 van het WvSr. Aanvulling van de gemeentelijke wetgever erkend.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29-01-2008, ECLI:NL:HR:2008:BB4108. Voor een bevel of vordering ‘krachtens wettelijk voorschrift’ gedaan als bedoeld in artikel 184, eerste lid, van het WvSr is vereist dat het betreffende voorschrift uitdrukkelijk inhoudt dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het geven van een bevel of het doen van een vordering. Artikel 2 van de Politiewet 1993 bevat een algemene taakomschrijving voor de politie en kan niet worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift op basis waarvan vorderingen of bevelen kunnen worden gegeven waaraan op straffe van overtreding van artikel 184, eerste lid, van het WvSr moet worden voldaan. Artikel 2 van de Politiewet 1993 kan wel worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift ter uitvoering waarvan de in artikel 184 van het WvSr bedoelde ambtenaren handelingen kunnen ondernemen waarvan het beletten, belemmeren of verijdelen overtreding van artikel 184, eerste lid, van het WvSr kan opleveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem 16-11-2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BO4382. Aan verdachte is onder 2 ten laste gelegd dat hij opzettelijk een bevel of vordering krachtens artikel 2.3.1.7. en/of 2.1.1.1. van de APV, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift, niet heeft opgevolgd. Het in artikel 184, eerste lid, van het van het WvSr beschreven misdrijf vereist een krachtens wettelijk voorschrift gedane vordering. Een dergelijk voorschrift moet uitdrukkelijk inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van een vordering. Het hof overweegt dat de artikelen 2.3.1.7. en 2.1.1.1. van de APV niet uitdrukkelijk een dergelijke bevoegdheid bevatten. Derhalve zijn deze artikelen geen ’wettelijk voorschrift’ in de zin van artikel 184, eerste lid, van het WvSr. Voorts kan ook artikel 2 van de Politiewet 1993 niet worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift op basis waarvan vorderingen of bevelen kunnen worden gegeven, waaraan op straffe van overtreding van artikel 184 van het WvSr moet worden voldaan. Zie ook: Hof 's-Hertogenbosch 30-06-2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BM9992.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 16-12-2014, ECLI:NL:HR:2014:3639. Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat het feit niet als overtreding van artikel 2:1, tweede lid, van de APV strafbaar is, omdat noch in de APV noch elders aan de politieambtenaar uitdrukkelijk de bevoegdheid is verleend om de in artikel 2:1 van de APV Den Haag bedoelde bevelen te geven, zodat een wettelijk voorschrift ontbreekt waarop dit bevel kan zijn gegrond. Die opvatting is onjuist. De in artikel 2:1, tweede lid, van de APV Den Haag vervatte bevelsbevoegdheid van de ambtenaar van politie behoeft niet afzonderlijk of uitdrukkelijk in de APV Den Haag of elders te zijn verleend. Anders dan het geval is indien de strafvervolging betrekking heeft op het misdrijf van artikel 184 van het WvSr, is hier niet vereist dat de vordering of het bevel door de politieambtenaar is gedaan of gegeven krachtens een wettelijk voorschrift dat uitdrukkelijk inhoudt dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van de vordering of het geven van het bevel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat verschil laat zich mede hierdoor verklaren dat de Gemeentewet de bevoegdheid van de raad tot het stellen van straf op overtreding van zijn verordeningen heeft beperkt tot overtredingen. Indien het niet opvolgen van een op een bepaling van een APV gegrond bevel van de politieambtenaar zonder het vereiste van verlening van een uitdrukkelijke bevelsbevoegdheid aan die ambtenaar het misdrijf van artikel 184 van het WvSr zou opleveren, zou in strijd met de Gemeentewet de bedoelde bevoegdheid van de raad in feite zijn uitgebreid tot misdrijven.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2. Betoging</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:2</span><span class=\"lf-art-t\">(Vervallen)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:3</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op enkele artikelen uit de Wom. De Wom beoogt een eenvormige regeling te geven voor de activiteiten die onder de bescherming van de artikelen 6 (vrijheid van godsdienst en levensovertuiging) en 9 (recht tot vergadering en betoging) van de Grondwet vallen. Het gaat daarbij met name om betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging voor zover die op openbare plaatsen gehouden worden. Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op ‘andere dan openbare plaatsen’ kent de WOM uitsluitend repressieve bevoegdheden toe aan de burgemeester (artikel 8 van de WOM), zie hieronder.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 1 van de Wom wordt in het eerste lid 'openbare plaats' gedefinieerd als: 'een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek'. In het tweede lid is bepaald dat daaronder niet is begrepen: 'een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet' (een kerk, moskee, synagoge of een ander gebouw dat met name wordt gebruikt voor godsdienstige of levensbeschouwelijke doelen). Deze definitie is in artikel 1:1 APV overgenomen. Zie ook HR 11-04-2017, ECLI:NL:HR:2017:668.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens artikel 2 van de Wom kunnen de bevoegdheden tot beperking van het recht tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging en het recht tot vergadering en betoging slechts worden aangewend ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. De MvT geeft een opsomming van de bevoegdheden die de Wom aan gemeenteraden en burgemeesters toekent (Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 3, p. 5-6):</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de bevoegdheid tot het creëren van een kennisgevingstelsel voor betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging op openbare plaatsen. De wet laat een zekere variatie toe met betrekking tot de termijn waarbinnen moet worden beslist. Zie verder de toelichting onder ‘Kennisgevingstermijn’;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de bevoegdheid in het uiterste geval de betreffende activiteit te doen beëindigen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Deze bevoegdheden kunnen slechts worden ingezet als sprake is van één van de in artikel 2 van de Wom genoemde doelcriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de artikelen 3 en 4 van de Wom volgt dat de gemeenteraad moet bepalen of, en zo ja, voor welke activiteiten een kennisgeving is vereist en daarbij enkele procedurebepalingen moet vaststellen. Voor op vaste tijdstippen regelmatig terugkerende godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten op openbare plaatsen, uitgaande van een kerkgenootschap en zelfstandig onderdeel daarvan of een genootschap op geestelijke grondslag is, gelet op artikel 3, derde lid, van de Wom een eenmalige kennisgeving voldoende. De raad heeft twee mogelijkheden: of deze bijeenkomsten ongeregeld laten of een eenmalige kennisgeving voorschrijven. De raad van de gemeente Oisterwijk heeft er in dit geval voor gekozen de hiervoor bedoelde bijeenkomsten ongeregeld te laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5 van de Wom kent de burgemeester de bevoegdheid toe om, naar aanleiding van een kennisgeving, voorschriften en beperkingen te stellen of een verbod te geven; artikel 6 van de Wom kent hem een aanwijzingsbevoegdheid toe, terwijl artikel 7 van de Wom bepaalt dat hij bevoegd is aan de organisatoren van de desbetreffende activiteit de opdracht te geven deze te beëindigen en uiteen te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor vergaderingen en betogingen op “andere dan openbare plaatsen” kent de Wom uitsluitend repressieve bevoegdheden toe aan de burgemeester (artikel 8 van de Wom), onder andere. de bevoegdheid opdracht te geven deze te beëindigen. Voor deze bevoegdheden geldt dat deze uitsluitend mogen worden aangewend indien de bescherming van de gezondheid of de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden dat vordert (zie Rb. Oost-Brabant 30-01-2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:415, geen preventief verbod mogelijk). Voor deze activiteiten is geen voorafgaande kennisgeving vereist. In beginsel is de Wom van toepassing, maar sommige situaties regelt deze wet niet, bijvoorbeeld algeheel demonstratieverbod, toegangsverbod in een gebied. In dat geval zijn noodbevoegdheden van toepassing (artikelen 175 en 176 van de Gemeentewet). Zie ook hieronder ‘Bevoegdheden burgemeester’.</p>\n<p class=\"lf-p\">De meeste APV’s kennen alleen een kennisgevingeis voor betogingen. De overige activiteiten zijn ongereguleerd gebleven. In verband hiermee heeft artikel 2:3 alleen betrekking op betogingen. Het artikel kan zonodig worden uitgebreid tot samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, tot vergaderingen en tot ‘processies’. Zoals reeds hiervoor is aangegeven, heeft de raad hiervoor niet gekozen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Centrale onderwerpen Een aantal onderwerpen is geheel of gedeeltelijk aan de plaatselijke regelgeving onttrokken. De reden is dat enerzijds de Grondwet zich tegen een dergelijke regeling verzet en dat anderzijds de rechtsgelijkheid een uniforme regeling van de centrale wetgever rechtvaardigt. Het gaat om de volgende onderwerpen (Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 3, p. 6): -Het aanwijzen van de gronden waarop beperking van de onderhavige grondrechten door gemeentelijke organen is toegestaan. Er dient sprake te zijn van een van de doelcriteria van artikel 2 of artikel 8 van de Wom);</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Een verbod van voorafgaand toezicht op de inhoud van uitingen die tijdens eerder genoemde activiteiten zullen worden gedaan (artikelen 3, vierde lid, 4, derde lid, en 5, derde lid, van de Wom);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De bescherming van het functioneren van buitenlandse vertegenwoordigingen en bepaalde andere instellingen die een bijzondere volkenrechtelijke bescherming genieten, voor zover deze bescherming verder dient te reiken dan 'de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden' (artikel 9 van de Wom);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De strafbaarstelling van overtreding van een aantal bij de Wom gegeven normen (artikel 11 van de Wom) en de strafbaarstelling van verhindering en verstoring van geoorloofde openbare manifestaties (wijziging van de artikelen 143-146 Wetboek van Strafrecht, onder artikel 11 van de Wom);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De bescherming van de zondagsrust, deze bescherming verder dient te reiken dan 'de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden' (wijziging van de artikelen 3, 5 en 5a en 8 Zondagswet, onder artikel III Wom);</div>\n<p class=\"lf-p\">Betoging Wanneer kan van een betoging worden gesproken? Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad kan sprake zijn van een betoging als:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een aantal personen openlijk en in groepsverband optreedt, al dan niet in beweging, en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de groep er op uit is een mening uit te dragen.</div>\n<p class=\"lf-p\">De MvT bij de Wom geeft aan dat het bij de betoging gaat om het uitdragen van gemeenschappelijk beleefde gedachten of wensen op politiek of maatschappelijk gebied (Kamerstukken II 1986/87, 19 427, nr. 3, p. 8). Er worden dus drie eisen gesteld: meningsuiting (openbaren van gedachten en gevoelens), openbaarheid en groepsverband. Het gezamenlijk optreden moet ook gericht zijn op het uitdragen van een mening. Het aspect van de meningsuiting dient centraal te staan, want anders kan er sprake zijn van een samenkomst of evenement (ABRvS 27-08-2014, ECLI:NL:RVS:2014:3174 (Occupy Den Haag I)). De uitoefening van een grondrecht mag aanleiding zijn tot een grotere inspanning dan bij evenementen als een risicowedstrijd van een voetbalclub. Het gaat hier om de waarborging van de uitoefening van een grondrecht (Vz. Rb. Rotterdam 24-01-2002, ECLI:NL:RBROT:2002:AD8502).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een betoging is niet noodzakelijkerwijs een optocht en een optocht is niet perse een betoging. Een betoging kan een optocht zijn (HR 30-05-1967, NJ 1968, 5). De Hoge Raad acht voor het aanwezig zijn van een betoging geen ‘menigte’ nodig. Acht personen worden al voldoende geacht om van een betoging te kunnen spreken (HR 11-05-1976, NJ 1976, 540).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de parlementaire behandeling van artikel 9 van de Grondwet is ‘betoging’ omschreven als “het middel om, het liefst met zoveel mogelijk mensen, in het openbaar uiting te geven aan gevoelens en wensen op maatschappelijk en politiek gebied”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen een vreedzame betoging kan aanspraak maken op grondwettelijke bescherming (HR 11-04-2017, ECLI:NL:HR:2017:665). Als onder het mom van een betoging activiteiten worden ontplooid die strijdig zijn met onze rechtsorde, zal de vraag moeten worden beoordeeld of er nog wel sprake is van een betoging in de zin van het grondwettelijk erkende recht (Kamerstukken II 1975/76, 13872, nr. 4, p. 95-96). Bij de parlementaire behandeling van artikel 9 van de Grondwet heeft de regering er op gewezen dat de door haar gegeven karakterisering van het begrip ‘betoging’ meebrengt dat acties, waarvan de hoedanigheid van gemeenschappelijke meningsuiting op de achtergrond is geraakt en die het karakter hebben van dwangmaatregelen jegens de overheid of jegens derden, geen betogingen in de zin van het voorgestelde artikel 9 van de Grondwet zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk blijkt het soms lastig om te onderscheiden wanneer sprake is van een betoging en wanneer niet (meer). Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij blokkades van wegen en waterwegen (Kamerstukken II 1976/77, 13872, nr. 7, p. 33). Het zelfde geldt bij betogingen die uitlopen op rellen. Ook tentenkampen kunnen op zich betogingen zijn (ABRvS 21-09-2016, ECLI:NL:RVS:2016:2521 (Buitenkerk) en ABRvS 23-03-2015, ECLI:NL:RVS:2015:923 (Occupy Amsterdam)). Deelnemers moeten wel verband met uiting aantonen en blijven actievoeren. Burgemeester kan beperkingen aan tentenkampen opleggen met betrekking tot bijvoorbeeld tijd, omvang, verwarming, maximaal aantal deelnemers tijdens nacht (ABRvS 30-08-2017, ECLI:NL:RVS:2017:2348).</p>\n<p class=\"lf-p\">Er moet een band zijn tussen de boodschap en vorm van een betoging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een optocht die niet primair het karakter heeft van een gemeenschappelijke meningsuiting, zoals Sinterklaas- en carnavalsoptochten en bloemencorso’s, is geen manifestatie in de zin van artikel 1, eerste lid, onder a, van de oude Wom (Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 3, p. 8). Zo’n optocht kan, als die opiniërende elementen bevat, wel onder de bescherming van artikel 7, derde lid, van de Grondwet vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doel van de optocht kan de burgemeester geen grond opleveren voor weigering van de vergunning (Wnd. Vz. ARRS, 23-11-1979, NG 1980, p. S 59 (demonstratie Den Haag)).</p>\n<p class=\"lf-p\">Collectieve uitingen De Wom heeft betrekking op collectieve uitingen. Van een collectieve uiting kan volgens de regering al sprake zijn wanneer daaraan twee of meer personen deelnemen (Kamerstukken II 1986/87, 19 427, nr. 5, p. 8). Individuele uitingsvormen zijn buiten de regeling gebleven. Zowel artikel 6 als artikel 9 van de Grondwet maken het mogelijk ook deze onder de Wom te brengen, maar de wetgever acht dat niet nodig en niet wenselijk. Overigens vallen individuele uitingen wel onder de bescherming van artikel 7 van de Grondwet. Het eerste lid van artikel 7 van de Grondwet verbiedt expliciet een voorafgaand verlof ten aanzien van schriftelijke uitingen, ook als die uitingen godsdienstig of levensbeschouwelijk van aard zijn. Het derde lid van artikel 7 van de Grondwet verbiedt voorafgaand verlof voor wat betreft de inhoud voor het mondeling openbaren van gedachten of gevoelens, bijvoorbeeld tijdens een ‘eenmansprotest’. Dat wil zeggen dat een ‘eenmansprotest’ of een openbare godsdienstbelijdenis (denk aan een prediker op een zeepkist) niet (voorafgaand) vanwege de inhoud van de boodschap mag worden beperkt of verboden. Wel kan op basis van de APV worden opgetreden tegen de wijze waarop de boodschap wordt verkondigd, bijvoorbeeld als een spandoek verkeersbelemmeringen opwerpt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onwettig en intolerant gedrag van derden Het recht van betoging kan niet zonder meer beperkt worden. In de jurisprudentie over het onwettig of intolerant gedrag van derden tegenover de deelnemers aan een betoging, zware belasting van het politiekorps en ernstige hindering van het verkeer is uitgemaakt dat een beperking van het recht tot betoging moet zijn gelegen in zwaarwegende omstandigheden (Vz. ARRS 27-05-1982, AB 1983, 62 (idem demonstratieverbod Afcent, Wnd. Vz. ARRS, 30-05-1983, AB 1984, 85)). Een betoging mag slechts in dwingende situaties preventief worden verboden (Pres. Rb. Maastricht 22-03-2001, ECLI:NL:RBMAA:2001:AB0754).</p>\n<p class=\"lf-p\">De omstandigheid dat een bepaalde demonstratie bij het publiek irritaties opwekt of tegendemonstraties uitlokt, is onvoldoende basis om de demonstratie op grond van de Wom te verbieden. Slechts wanneer er gegronde vrees bestaat voor ernstige ongeregeldheden die niet kunnen worden voorkomen of bestreden door middel van door de overheid te treffen maatregelen, kan er grond bestaan een demonstratie te verbieden (Wnd. Vz. ARRS 21-03-1989, KG 1989, 158).</p>\n<p class=\"lf-p\">Betogers hebben dus in beginsel recht op bescherming tegen tegenbetogers en andere derden. Pas als er moet worden gevreesd voor ernstige wanordelijkheden die tot bestuurlijke overmacht leiden (dus die niet kunnen worden beteugeld met de beschikbare politiecapaciteit), kan de initiële betoging worden verboden. Overigens volgt uit richtlijnen van de OVSE dat een tegendemonstratie die wel vreedzaam verloopt, binnen gezichts- en gehoorafstand van de eerste betoging moet worden toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klokgelui en oproepen tot gebed Artikel 10 van de Wom stelt dat de raad bevoegd is om regels te stellen over de duur, het tijdstip en het geluidsniveau van klokgelui en oproepen tot gebed (zie EHRM 16-10-2012, ECLI:NL:XX:2012:BY5233 (Schilder/Nederland)).</p>\n<p class=\"lf-p\">De strekking van artikel 10 van de Wom is niet om een beperkingsbevoegdheid op het grondrecht vrijheid van godsdienst of levensovertuiging te creëren, maar om het recht tot klokluiden en oproepen tot gebed buiten twijfel te stellen en daarnaast de autonome bevoegdheid van gemeentebesturen om in het kader van de beperking van geluidsoverlast regelend op te treden onverlet te laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeentelijke regels die klokgelui en oproepen tot gebed in het kader van geluidsoverlast beperken zijn dus geen medebewind, maar autonome bepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 10 van de Wom vertoont een zekere overlap met artikel 4:5 (‘Overige geluidhinder’). Zie de toelichting bij artikel 4:5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bevoegdheden burgemeester Los van zijn bevoegdheden krachtens de Wom, blijft de burgemeester bevoegd tot optreden krachtens de artikelen 175 en 176 van de Gemeentewet. De MvT bij de Wom geeft dit aan en ook de minister belicht tijdens de Kamerbehandeling deze bevoegdheid nadrukkelijk. Deze twee artikelen zijn echter slechts beperkt toepasbaar. Er mag namelijk pas gebruik van gemaakt worden wanneer er sprake is van ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde of als er daadwerkelijk sprake is van ernstige verstoring van de openbare orde. In die gevallen kan de burgemeester krachtens artikel 175 van de Gemeentewet de nodige bevelen of krachtens artikel 176 van de Gemeentewet een noodverordening uitvaardigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod van delegatie zou een obstakel kunnen zijn voor de burgemeester om krachtens artikel 176 van de Gemeentewet een grondrecht te beperken door middel van een noodverordening. Volgens de Hoge Raad voegt het voorschrift op grond van artikel 176 van de Gemeentewet zich als bestanddeel in de omschrijving van de overtreding tegen het openbaar gezag van artikel 443 van het WvSr en het is “dus de wet (in formele zin), die in die noodtoestand de zeer tijdelijke onderbreking van de uitoefening van het grondrecht gedoogt” (HR 28-11-1950, NJ 1951, 137 (Tilburgse APV)).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij betogingen waarbij ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde bestaat of de verstoring daadwerkelijk plaatsvindt, kan de burgemeester dus bevelen, zoals bedoeld in artikel 175 van de Gemeentewet of de noodverordening zoals bedoeld in artikel 176 van de Gemeentewet uitvaardigen. Dit zou in het uiterste geval zelfs een verbod tot het houden van een betoging kunnen inhouden. De burgemeester heeft in de noodsituaties, bedoeld in de artikelen 175 en 176 van de Gemeentewet, de bevoegdheid om grondrechtbeperkende bevelen te geven ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer of ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kennisgevingstermijn De Wom laat de gemeenteraad vrij in het stellen van regels betreffende het tijdstip waarop de kennisgeving voor het houden van een manifestatie moet zijn gedaan. De wetgever gaat er blijkens de parlementaire geschiedenis van uit dat gemeenten de kennisgevingstermijn zo kort mogelijk houden. Uit de MvT bij de Wom blijkt dat de wetgever daarbij 24 of 48 uren in gedachten had. Het merendeel van de Nederlandse gemeenten hanteert een kennisgevingstermijn van 48 uren. Ook internationaalrechtelijke organisaties bevelen aan een niet te lange kennisgevingstermijn te hanteren. Een termijn van 48 uren wordt genoemd als een redelijke termijn. Langere termijnen hebben vanuit het perspectief van de grondwettelijk en verdragsrechtelijk beschermde betogingsvrijheid niet de voorkeur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Artikel 145 van de Gemeentewet bepaalt dat de Algemene Termijnenwet van overeenkomstige toepassing is op termijnen in gemeentelijke verordeningen, tenzij in de verordening anders is bepaald. Het vierde lid bevat zo’n afwijkende bepaling, die voorkomt dat afhandeling op zaterdag of zondag of op een algemeen erkende feestdag of op een werkdag na 12.00 uur moet plaatsvinden. Dat laatste is gedaan om toch nog over enige uren voor beoordeling en besluitvorming te beschikken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid Een al te strikt vasthouden aan de kennisgevingstermijn verhoudt zich slecht tot de grondwettelijk en verdragsrechtelijk beschermde betogingsvrijheid. De burgemeester kan daarom in bijzondere omstandigheden – bijvoorbeeld bij spontane manifestaties – afwijken van de kennisgevingstermijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft het in rekening brengen van legeskosten door gemeenten voor het kennisgeven van een betoging heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zich in een brief van 17 januari 2017 (Kamerstukken II 2016/17, 34 324, nr. 2) aan de Tweede Kamer op het standpunt gesteld dat het heffen van legeskosten kan worden gezien als een beperking van grondwettelijke vrijheden. Een expliciet wettelijk verbod op het heffen van leges voor het houden van een manifestatie is volgens de minister niet nodig, omdat dit al verboden zou zijn op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beëindiging demonstratie Kan een vreedzame demonstratie worden beëindigd, enkel en alleen omdat die niet is aangemeld?</p>\n<p class=\"lf-p\">Het EHRM oordeelde in haar arrest van 17-07-2007 (NJB 2007, 1839) dat in bijzondere omstandigheden, waarin een demonstratie een onmiddellijke reactie is op politieke gebeurtenissen, het enkel en alleen ontbreken van een melding onvoldoende is om de demonstratie te beëindigen. Als er verder niets illegaals aan de hand is en de demonstratie geen bedreiging vormt voor de openbare orde, zou het beëindigen van de demonstratie alleen omdat de melding ontbreekt, een disproportionele beperking van het grondrecht om te demonstreren zijn. Zie ook EHRM 20-02-2014, ECLI:CE:ECHR:2014:0220JUD000911704 (Nosov/Rusland). Verder is het laten horen van tegengeluid toegestaan (Rb. Den Haag 21-12-2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:15812 (anti-Pegida)). Bovendien is het belangrijk dat contactpersonen worden aangesteld tijdens demonstraties (EHRM 05-01-2016, ECLI:CE:ECHR:2016:0105JUD007456812 (Frumkin/Rusland)).</p>\n<p class=\"lf-p\">De Nationale ombudsman sluit zich daarbij aan: bij het beëindigen van een demonstratie moet in zijn visie altijd worden afgewogen of dat in het belang van volksgezondheid, het verkeersbelang, of ter voorkoming van wanordelijkheden noodzakelijk is. Dat is overigens ook het beleid van de burgemeester van Den Haag. Dat blijkt uit het rapport “Demonstreren staat vrij” van de Nationale ombudsman, december 2007 (https://www.nationaleombudsman.nl/uploads/rapport2007-290.pdf), waarin de juridische grenzen nog eens helder op een rij zijn gezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is alle reden om de lijn van het EHRM en de Nationale ombudsman aan te houden: het grondrecht van demonstratie moet niet lichtvaardig worden beperkt, en niets is logischer dan om ook bij het beëindigen van een demonstratie vanwege het ontbreken van een melding af te wegen of het belang van volksgezondheid, het verkeersbelang, of de voorkoming van wanordelijkheden dat noodzakelijk maken. Niet voor niets schept het artikel in de APV de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden een kort voor de demonstratie gedane melding te accepteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of de Hoge Raad in een nieuw arrest aansluiting zou zoeken bij het EHRM valt niet te voorspellen. De Hoge Raad oordeelde namelijk in zijn arrest van 17-10-2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6741, anders en onderschreef het oordeel van het hof dat een demonstratie kan worden beëindigd, alleen omdat die niet is gemeld. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het hof, omdat het hof ten onrechte had geoordeeld dat de politie op eigen gezag de demonstratie kon beëindigen. Die bevoegdheid ligt uitdrukkelijk bij de burgemeester, en die zal dan ook de feitelijke beslissing moeten nemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:4</span><span class=\"lf-art-t\">(Vervallen)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:5</span><span class=\"lf-art-t\">(Vervallen)</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3. Verspreiden van gedrukte stukken</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:6</span><span class=\"lf-art-t\">Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Folderen en flyeren is toegestaan, behalve op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan. Het tweede lid geeft de mogelijkheid om het verbod voor die wegen verder te beperken tot nader aan te geven dagen en uren. Van de in het eerste lid toegekende bevoegdheid mag het college niet zodanig gebruik maken dat er ‘geen gebruik van enige betekenis’ overblijft. Zie ook de toelichting op artikel 2:42.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college ontleent zijn bevoegdheid aan artikel 160, onder a, van de Gemeentewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:6 heeft betrekking op het grondrecht waarmee de gemeentelijke wetgever het meest wordt geconfronteerd, namelijk de vrijheid van meningsuiting. Dit grondrecht is geformuleerd in artikel 19 van het IVBPR, artikel 10 van het EVRM en artikel 7 van de Grondwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daklozenkrant De verkoop van daklozenkranten is noch venten noch collecteren. Op grond van artikel 7 van de Grondwet kan het verkopen niet verbonden worden aan een vergunning. Wel kan de gemeente gebruik maken van artikel 2:6. Als verkoop plaatsvindt op het grondgebied van bijvoorbeeld een supermarkt, dan kan de eigenaar de verkoper verzoeken weg te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verdient aanbeveling om te overleggen met de koepelorganisaties die de daklozen vertegenwoordigen. Immers, niet iedereen kan een straatkrant verkopen. De verkopers moeten in het bezit zijn van een identiteitsbewijs van de koepelorganisatie waarmee ze kunnen aantonen dat ze officiële straatkantverkopers zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jurisprudentie 07-11-1892, W. 6259 (ventverbod ‘s Gravenhage), HR 28-11-1950, NJ 1951, 137 en 138 (APV Tilburg en APV Sittard) en 22-01-1981, NG 1981 (reclameverordening ‘s Gravenhage). Het in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet beschermde recht om zonder voorafgaand verlof gedachten en gevoelens door de drukpers te openbaren impliceert het recht om de inhoud van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen, waarin gedachten en gevoelens zijn geopenbaard, zonder voorafgaand verlof door verspreiding of door enig ander middel in het openbaar aan het publiek bekend te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elk middel tot bekendmaking dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde behoefte kan voorzien, valt onder de bescherming van artikel 7 van de Grondwet. Dit betekent dat de bekendmaking van gedachten en gevoelens met behulp van middelen, die in het maatschappelijk verkeer dezelfde functie vervullen als geschriften in eigenlijke zin, is begrepen in de in artikel 7 van de Grondwet erkende vrijheid van drukpers. Als ‘zelfstandige middelen van bekendmaking’ zijn in de jurisprudentie onder meer aangemerkt:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het op de weg uitgeven van strooibiljetten (HR 27-02-1951, NJ 1951, 472 (APV Eindhoven));</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het gebruik maken van reclameborden of opschriften aan onroerend goed (HR 24-01-1967, ECLI:NL:PHR:1967:AD3700 (Nederland ontwapent) en ARRS 23-10-1978, AB 1979, 499 (verordening stadsschoon Leiden));</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het aanbrengen van aanplakbiljetten op onroerend goed (HR 19-09-1977, ECLI:NL:PHR:1977:AC6041 (APV Hengelo));</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het staan of lopen met propagandamiddelen (HR 30-05-1967, NJ 1968 (Vietnam I));</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het aanbieden van gedrukte stukken bij gelegenheid van het houden van een inzameling (niet het houden van de inzameling zélf) (HR 27-06-1978, ECLI:NL:PHR:1978:AC6306 (APV Eindhoven), Vz. ARRS 16-08-1979, AB 1980, 297 (APV Rotterdam) en Vz. ARRS 18-10-1979 (APV Katwijk));</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>verlichte fotovitrine (ARRS 20-08-1981, Gst. 1982, 6692 (APV Pijnacker)).</div>\n<p class=\"lf-p\">De gemeentelijke wetgever mag niet beperkend optreden jegens de inhoud van gedrukte stukken of afbeeldingen, maar is krachtens artikel 149 van de Gemeentewet wel bevoegd het in het openbaar bekend maken (‘verspreiden’) daarvan aan beperkingen te onderwerpen in het belang van de openbare orde, zedelijkheid en gezondheid en van andere zaken betreffende de huishouding der gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij geldt dat:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>een vergunningenstelsel (voorafgaand verlof) voor het gebruik van een bepaald middel van bekendmaking dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft, niet is geoorloofd;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>een algemeen verbod tot zodanig gebruik evenmin is toegestaan;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>een (naar tijd, plaats en wijze) beperkt verbod mogelijk is, mits: a. die beperking geen betrekking heeft op de inhoud van de gedrukte stukken, doch gesteld is in het belang van de openbare orde zedelijkheid en gezondheid en van andere zaken betreffende de huishouding der gemeente; b. gebruik ’van enige betekenis’ overblijft; anders komt de beperking in feite neer op een algemeen verbod (HR 17-03-1953, NJ 1953, 389 (Wachttorenarrest) en ARRS 28-04-1981, Gst. 1981, 6686 (APV Nijmegen)).</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4. Vertoningen op openbare plaatsen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:7</span><span class=\"lf-art-t\">(Vervallen)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:8</span><span class=\"lf-art-t\">(Vervallen)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:9</span><span class=\"lf-art-t\">Vertoningen op openbare plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Muziek maken kan onder omstandigheden aangemerkt worden als evenement als bedoeld in artikel 2:24. Het optreden van een straatmuzikant, bijvoorbeeld een harmonicaspeler, is in artikel 2:24, eerste lid, onder f, uitgezonderd van het evenementbegrip. Net als straatfotografen en de andere categorieën, genoemd in artikel 2:9, wordt een straatmuzikant onder de straatartiesten geschaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">De motieven voor opname van een verbod binnen de bebouwde kom in het eerste lid zijn dwingende redenen van algemeen belang, hetgeen omvat: openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en milieu. Zie voor de betekenis van deze begrippen de toelichting bij artikel 1:8.</p>\n<p class=\"lf-p\">De activiteiten van de straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur en gids vallen onder de werking van artikel 7, derde lid, van de Grondwet. Het begrip ‘openbaren van gedachten of gevoelens’ moet volgens de jurisprudentie en de toelichting op artikel 7 van de Grondwet haast grammaticaal worden uitgelegd. Elke uiting van een gedachte of een gevoelen, ongeacht de intenties of motieven van degene die zich uit, wordt door artikel 7 van de Grondwet beschermd (KB 5 juni 1986, Stb. 337 t/m 342, KB 29 mei 1987, Stb. 365, AB 1988, 15). Artikel 7, derde lid, van de Grondwet laat door zijn formulering (niemand heeft voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud) een verbod toe voor andere aspecten van de uiting dan de inhoud, zoals bijvoorbeeld de verspreiding. Het is bij de genoemde activiteiten echter moeilijk te scheiden tussen inhoud en verspreiding. Immers, het verbieden van een optreden van een straatartiest op een bepaalde plaats houdt in veel gevallen ook in dat de inhoud van het optreden niet kan worden geuit. Dat betekent dat voor de beperkingsgronden van het in artikel 7, derde lid, van de Grondwet opgenomen grondrecht, het best kan worden gekozen voor de beperkingsgronden die bij artikel 7, eerste lid, van de Grondwet zijn toegelaten. In dit artikel is dat uitgewerkt in een verbod met ontheffingsmogelijkheid dat voor bepaalde straten en uren geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegdheid van de burgemeester berust op artikel 174 van de Gemeentewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) Aan de ontheffing van het verbod zal doorgaans een aanvraag vooraf gaan, maar ook een ambtshalve ontheffing kan voorkomen, bijvoorbeeld bij bepaalde festiviteiten. Bij een ontheffing op aanvraag is geen reden om van de lex silencio positivo af te zien. Paragraaf 4.1.3.3. van de Awb wordt op de ontheffing van toepassing verklaard (vierde lid).</p>\n<p class=\"lf-p\">Jurisprudentie Vz. ARRS 01-10-1993, ECLI:NL:RVS:1993:AN3538. De weigering van een ontheffing in verband met de verstoring van de openbare orde moet reëel zijn en voldoende onderbouwd zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 03-09-1997, ECLI:NL:RVS:1997:BL3032. Terechte weigering ontheffing voor optreden als straatfotograaf. Optreden als straatfotograaf is niet gericht op het openbaren van gedachten of gevoelens als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de Grondwet. Openbare orde verzet zich tegen het optreden van meer dan twee straatfotografen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5. Bruikbaarheid en aanzien van de weg</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:10</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwerpen op of aan de weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geeft de gemeente de mogelijkheid greep te houden op situaties die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing kan worden gedacht aan het plaatsen van reclameborden, containers of fietsparkeervoorzieningen. Ook voorwerpen die met de grond zijn verbonden, zoals een haag in de berm, kunnen als voorwerpen als hier bedoeld worden aangemerkt (ABRvS 10-01-2018, ECLI:NL:RVS:2018:49).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deregulering In het kader van de deregulering en de vermindering van administratieve lasten is bekeken of de voorheen in dit artikel opgenomen vergunningplicht kon vervallen. Dat is een discussie met vele kanten en voor diverse oplossingen valt iets te zeggen. De raad van de gemeente Oisterwijk heeft er voor gekozen in lid 1 een breed gestelde algemene regel op te nemen. De raad maakt hiermee een nadrukkelijke keuze voor het bieden van meer ruimte aan burger en bedrijfsleven. De gedachte is dat voor een groot aantal voorwerpen die in de openbare ruimte worden geplaatst een vergunning overbodig is, omdat deze voorwerpen volstrekt geen overlast veroorzaken of zelfs bijdragen aan de leefbaarheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid In het tweede lid wordt aan het bevoegd bestuursorgaan de mogelijkheid geboden om nadere regels te stellen aan terrassen, uitstallingen, reclameborden en bouwobjecten. In het geval van terrassen is volgens vaste jurisprudentie de burgemeester bevoegd, bij uitstallingen is het college het bevoegde orgaan. Dit met name omdat veel gemeenten niet met een horeca exploitatievergunning werken, en dus niet langs die weg een vergunning afgeven. Terrassen zijn dan alleen nog maar gereguleerd door de brede algemene regel van art. 2:10. Dat is een erg gedurfde stap, vandaar dit tweede lid. De burgemeester kan dan regels stellen over omvang, de vrije doorgang voor verkeer, voetgangers en hulpdiensten en de sluitingstijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Voor het verlenen van ontheffingen is het college in beginsel het bevoegde bestuursorgaan. Voor een terrasontheffing is de burgemeester het bevoegde bestuursorgaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Er wordt omgevingsvergunning verleend indien het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wabo betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid Voor bouwobjecten is een meldingsplicht opgenomen. Het plaatsen van reguliere containers, bouwmaterialen, steigers bij de bouw of verbouw van gebouwen etc. die kunnen worden aangemerkt als het in het eerste lid bedoelde gebruik vallen niet onder de algemene regel van lid 1 maar onder de meldingsplicht van lid 5. Dit is echter alleen mogelijk indien de bouwobjecten voor niet langer dan 29 dagen wordt geplaatst. Tevens mag het gezamenlijk oppervlak van de bouwobjecten niet groter zijn dan 20m². Daarnaast mag in de drie maanden voorafgaand aan deze melding niet eerder gebruik zijn gemaakt van de mogelijkheid om vergunningsvrij bouwobjecten te plaatsen ten behoeve van de bouwwerkzaamheden op een bepaald terrein. Het is dus niet toegestaan dat voor een en hetzelfde project op een bepaald perceel door verschillende personen/bedrijven een melding wordt ingediend voor het vergunningsvrij plaatsen van bouwobjecten. Tot slot dient de plaatsing van het bouwobject te voldoen aan de nadere regels die het college heeft gesteld ten aanzien van bouwobjecten op grond van het tweede lid. De in dit lid bedoelde melding dient plaats te vinden op een door het college vastgesteld formulier. Van de melding wordt kennis gegeven in het elektronisch gemeenteblad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde en zevende lid Deze leden betreffen een afbakening met bestaande wetgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtste lid Voor zover sprake is van opslag van roerende zaken als bedoeld in artikel 2:2, eerste lid, aanhef en onder j en k, van de Wabo, is een omgevingsvergunning nodig en is de lex silencio positivo in ieder geval van toepassing. Daarvan kan niet worden afgeweken. De raad van de gemeente Oisterwijk ziet geen reden om in gevallen waarin de Wabo niet van toepassing is hiervan af te wijken. Daarom is voor die gevallen het achtste lid opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inboedels Het plaatsen van inboedels op de weg gebeurt dikwijls in het kader van de ontruiming van woningen. Het is echter in strijd met artikel 2:10. In de VNG ledenbrief Lbr. 97/39 van 20 maart 1997 wordt het advies gegeven om met preventieve bestuursdwang op te treden ten aanzien van op de weg geplaatste zaken. Die mogelijkheid is bevestigd in de uitspraak van de Afdeling van 7 november 2001. Het op straat plaatsen en daar laten staan van inboedel is geen gebruik van de weg overeenkomstig de bestemming, zodat zo’n handeling onder het verbod van de APV-bepaling valt. Hoewel artikel 5:21 van de Awb niet met zoveel woorden voorziet in de mogelijkheid van een preventieve bestuursdwangaanschrijving, kan een dergelijk besluit volgens vaste jurisprudentie worden genomen indien er sprake is van klaarblijkelijk gevaar van een op zeer korte termijn te verwachten overtreding van een concreet bij of krachtens de wet gesteld voorschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Afdeling overweegt nog expliciet dat niet van belang is er of sprake is van dreigende ernstige schade. Het enige criterium voor preventieve bestuursdwang is dus “klaarblijkelijk gevaar van overtreding”. Verder oordeelt de Afdeling dat de aanschrijving terecht aan de woningstichting is gericht. Als opdrachtgeefster tot ontruiming, waarbij de inboedel op straat komt te staan, is ze overtreedster van de APV-bepaling (nu artikel 2:10). Als overtreedster is de woningstichting op grond van artikel 5:25 van de Awb ook de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang verschuldigd (ABRvS 07-11-2001, ECLI:NL:RVS:2001:AD5810 (Brunssum)).</p>\n<p class=\"lf-p\">Pres. Rb. Amsterdam 15-02-2001, JG 01.0138. Ten onrechte merkte de opzichter bij een woningontruiming de inboedel als afval aan en liet de afgevoerde inboedel als afval verbranden. Gemeente aansprakelijk voor de schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 17-07-2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE5429. Spoedeisende bestuursdwang met toepassing van artikel 5:31 van de Awb ten aanzien van op de weg geplaatste zaken na ontruiming. Het op straat plaatsen en daar laten staan van een veelal uit losse voorwerpen van niet geringe omvang bestaande inboedel kan niet als gebruik van de weg overeenkomstig haar bestemming worden aangemerkt, zodat een dergelijke handeling onder het verbod van de APV-bepaling valt. Deurwaarder is een instrumenterend openbaar ambtenaar. Woningstichting is als opdrachtgeefster tot ontruiming overtreedster van de APV-bepaling en dient de kosten van bestuursdwang te betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Zutphen 25-08-2004, ECLI:NL:RBZUT:2004:AQ8910. Ook een preventieve last onder dwangsom kan worden opgelegd aan de ontruimer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Containers Over het plaatsen van containers kan nog opgemerkt worden dat het CROW in 1998 richtlijnen heeft uitgebracht, getiteld Markering onverlichte obstakels. Deze richtlijnen gaan in op het uniform plaatsen en markeren van verplaatsbare onverlichte obstakels (waaronder vuil- en opslagcontainers), inclusief mogelijke regelgeving met bijbehorende handhavings- en controlemogelijkheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 30-12-1993, Gst. 1994, 6995, 5. Plaatsing van een bedrijfsafvalcontainer op de openbare weg is in strijd met de bestemming. Bovendien komt het doelmatig en veilig gebruik van de weg in het geding.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 29-01-1998, Gst. 1998, 7084, 5. Afvalcontainers kunnen echter bouwwerken in de zin van de Woningwet zijn waarvoor een omgevingsvergunning (bouwactiviteit) is vereist. Dit hangt af van de constructie, omvang van de constructie en de plaatsgebondenheid. De APV-bepaling blijft buiten toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wabo</p></div>", "next": 238967}