{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">81[Toelichting: Onder openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur wordt verstaan de gerealiseerde recreatieve fietspaden op het provinciale Raamplan fietspaden. Verder de gerealiseerde subsidiabele recreatieve voorzieningen en infrastructuur in het werkgebied van de Regio IJssel-Vecht, de Regio Twente, de Recreatiegemeenschap Salland en het Waterschap Reest en Wieden. Dit is inclusief de onderhoudskosten van de LAW's, LF's en het provinciale fietsroute-, paardrijroute- en kanoroutenetwerk en de gerealiseerde dagrecreatieparken het Hulsbeek, het Rutbeek, het Arboretum Poort-Bulten, het Lageveld, de Wythmenerplas en de passantenhaven Wijhe. Onder recreatieve routestructuren wordt verstaan de routestructuren voor fietsen, wandelen, paardrijden en varen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Initiatieven dienen bij te dragen aan een regionaal routenetwerk. Recreatieve fietspaden zijn die fietspaden die als zodanig zijn opgenomen op het provinciale Raamplan fietspaden. Tevens worden inbegrepen de ondersteunende voorzieningen zoals picknicktafels, bankjes, informatieborden en voorzieningen (ook digitaal), toeristische parkeerfaciliteiten e.d. Incidenteel kunnen ook ontbrekende schakels in regionale wandelnetwerken worden ondersteund. Voor de realisering en de reconstructie van recreatieve fietspaden, recreatieve routestructuren en recreatieve voorzieningen geldt dat de subsidie is gebaseerd op het principe van ten hoogste 50% provinciale bijdrage in het niet door derden gedekte deel van de subsidiabele kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de subsidieaanvrager wordt verlangd dat een maximale inspanning wordt verricht om subsidie van derden (bijvoorbeeld Rijk of EU) te verkrijgen. Bij subsidies voor het beheer en het onderhoud van de openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur geldt het principe van gedeelde verantwoordelijkheid. Een en ander op basis van de in het verleden gemaakte afspraken tussen de provincie en projectpartners. ] 1. Binnen het thema Toerisme en recreatie kan subsidie worden aangevraagd voor: activiteiten in het kader van de toeristische infrastructuur in Overijssel; te weten: activiteiten voor het beheer en onderhoud van openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur in Overijssel; ii activiteiten die bijdragen aan de realisering en de reconstructie van recreatieve fietspaden, recreatieve regionale routestructuren en recreatieve voorzieningen; activiteiten in het kader van de bevordering van toerisme in Overijssel; te weten: activiteiten van die organisaties die uitvoering geven aan de bevordering en vermarkting van het toerisme in de provincie Overijssel met daarin provinciebrede aandacht voorregionale toeristische merken, regio-overschrijdende thema’s, ontwikkeling en innovatie van producten, onderzoek en kennisoverdracht; ii activiteiten die de promotie en marketing van recreatief en toeristisch Overijssel stimuleren; iii activiteiten die het innovatief vermogen van ondernemers stimuleren.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een aanvraag om subsidie als bedoeld in het eerste lid, sub a, onderdeel ii, en sub b, moet voldoen aan de volgende criteria: de exploitatie moet voor minimaal drie jaar na de realisatie zijn gewaarborgd; de activiteit is nieuw voor Overijssel; de activiteit is bovengemeentelijk gericht; de subsidieaanvraag heeft geen betrekking op individuele bedrijfssteun;</div>\n<p class=\"lf-p\">Het recreatief fietspad is als zodanig opgenomen op het actuele raamplan fietspaden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Een aanvraag om subsidie als bedoeld in het eerste lid, sub a, onderdeel i, moet voldoen aan de volgende criteria: de aanvraag wordt gedaan door een gemeentebestuur of een samenwerkingsverband van gemeenten in Overijssel; de exploitatie moet voor minimaal drie jaar na de realisatie zijn gewaarborgd; openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur moet vóór 1 januari 1998 tot stand gebracht zijn.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-369\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.69</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag voor de subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie bedraagt ten hoogste 35% van de subsidiabele kosten van een project.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van het eerste lid bedraagt de subsidies voor de realisering en de reconstructie van recreatieve fietspaden, recreatieve regionale routestructuren en recreatieve voorzieningen, alsmede voor het beheer en het onderhoud van de openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur, ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De subsidiabele kosten van een project bedragen ten minste € 25.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De subsidiabele kosten van een kilometer recreatief fietspad dat als zodanig is opgenomen op het actuele raamplan fietspaden bedragen ten hoogste € 105.000,-- per kilometer. Voor veengebieden en overige bijzondere gebieden kan het bedrag verhoogd worden met € 45.000,-- per kilometer.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>De kosten van ‘Onvoorzien’ boven het maximum van 5% van de totale subsidiabel gestelde kosten worden als niet-subsidiabel aangemerkt. Hierbij is tevens een absoluut maximum van € 10.000,-- van toepassing. Deze aanvulling is niet van toepassing op het beheer en het onderhoud van de openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>De volgende kosten zijn niet subsidiabel: interne kosten; verrekenbare belastingen, heffingen of lasten; rente, bank-, financierings- en gerechtskosten, geldboetes en sanctiekosten; afschrijvingskosten; kosten van planschade; kosten van werkzaamheden die verband houden met bodemsanering; grondverwervingskosten.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-370\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.70</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod vervreemding</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedurende vijf jaar na het tijdstip waarop de uit te voeren werken zijn opgeleverd, behoudt de ontvanger van subsidie als bedoeld in artikel 3.68, lid 1, sub a, onderdeel ii, en sub b, de onroerende zaak waarop de werken worden uitgevoerd in eigendom of erfpacht, danwel het recht van opstal.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedurende deze termijn van vijf jaar mag aan de onroerende zaken of werken geen andere bestemming worden gegeven dan die welke zij hadden ten tijde van de subsidieverlening. Door middel van een voorafgaande schriftelijke toestemming kunnen Gedeputeerde Staten hiervan afwijken.</div>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 2.13. Overijssel werkt! KwaliteitsImpuls Toerisme in Overijssel 2010 82[Toelichting: Gedeputeerde Staten willen via de subsidieregeling KITO 2010 de kwaliteit van de Overijsselse ondernemingen verbeteren. Het doel van deze regeling is versterking van de toeristische sector door middel van subsidiëring van strategische activiteiten van toeristische ondernemingen in de provincie Overijssel op het gebied van kwaliteitsverbetering, innovatie, natuurontwikkeling en landschappelijke inpassing en duurzaamheid. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-371\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.71</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze regeling wordt verstaan onder: a. onderneming: duurzame organisatie die erop is gericht met behulp van kapitaal en arbeid deel te nemen aan het maatschappelijk productie- en/of handelsproces met het oogmerk om winst te behalen, waarbij het behalen van winst ook redelijkerwijs verwacht kan worden. Deze organisatie is geen publiekrechtelijk lichaam en wordt niet voor meer dan 10% structureel gefinancierd door overheidsbijdragen; 83[Toelichting: Tot de doelgroep van de subsidieregeling behoren toeristische ondernemingen die voor eigen rekening en risico en zonder steun van de overheid een onderneming in de toeristische sector exploiteren, met het oogmerk om winst te behalen. De onderneming moet geregistreerd zijn in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Toeristische nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf, waarbij de activiteiten in bedrijfseconomisch opzicht in voldoende mate afgezonderd opereren, kunnen behandeld worden als een toeristische onderneming. Ook hierbij geldt dat deze activiteiten staan ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. De activiteiten mogen geen betrekking hebben op de primaire agrarische bedrijfsvoering zoals uiteengezet in de EU-verdragen/verordeningen. Ter voorkoming van misverstanden volgt hierna een niet-limitatieve opsomming van ondernemingen die niet voor subsidie in aanmerking komen: • sport- en recreatie-instellingen; • exploitatie van en handel in onroerende zaken; • (café-)restaurants; • musea.] b. toeristische onderneming: een bestaande onderneming gevestigd in de provincie Overijssel die valt in ten minste één van de volgende bedrijfsgroepen van de standaardbedrijfsindeling (SBI 2008) van het Centraal Bureau voor de Statistiek:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>hotels, pensions en conferentieoorden (551);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>kampeerterreinen en overige voorzieningen voor recreatief verblijf (552, 553, 559);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>pretparken, verkeerstuinen en recreatieparken (93211);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>jachthavens en overige recreatie (93291, 93299); of dat een verhuurbedrijf van pleziervaartuigen is. Toeristische nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf, waarbij de activiteiten in bedrijfseconomisch opzicht afgezonderd opereren (te identificeren aan KvK-nummer), kunnen behandeld worden als een toeristische onderneming. Activiteiten, uitgesloten van een bijdrage, zijn opgenomen in Verordening (EG) nr 1/2004 van de Commissie van 23 december 2003 dan wel bijlage 1 van het Verdrag van de EU-gemeenschappen; c. dochteronderneming: een onderneming die geheel of gedeeltelijk eigendom is van de moederonderneming, artikel 2:24A, lid 1 Burgerlijk Wetboek, is van toepassing; d. bedrijfsmiddel: vaste zaak of object dat het economisch eigendom van de onderneming is en dat langdurig gebruikt wordt voor de bedrijfsuitvoering en dat niet is aangekocht om te verkopen; e. investering: een technisch, functioneel, in tijd samenhangend geheel van investeringen die leidt tot voor de consument zichtbare verbeteringen van de kwaliteit en uitstraling van een onderneming; f. vervangingsinvestering: vervanging van bestaande bedrijfsmiddelen door een vergelijkbaar bedrijfsmiddel; g. deskundige: degene die op grond van opleiding of ervaring geacht moet worden gekwalificeerd te zijn voor het geven van een advies op het gebied van (economische) kwaliteitsverbetering, innovatie natuurontwikkeling en landschappelijke inpassing of duurzaamheid. Een deskundige is onafhankelijk; h. adviestraject: een door een externe deskundige ten behoeve van de aanvrager uitgevoerd advies ter ondersteuning van de beslissing over te gaan tot een investering; i. investeringsplan: een plan waarin de volgende aspecten met betrekking tot de onderneming zijn uitgewerkt:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>aard en omvang van de onderneming;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>doelgroep van de onderneming;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>visie op toekomstige ontwikkelingen van de onderneming ten aanzien van drie tot vijf jaren;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>ruimtelijke ontwikkeling.</div>\n<p class=\"lf-p\">Green Key: internationaal keurmerk voor bedrijven in de toerisme- en recreatiebranche; rondvaartboot: een boot met een capaciteit van minimaal 20 zitplaatsen waarmee toeristen een boottocht kunnen maken; passiefhuis: woning waarvoor het passiefhuiscertificaat is verstrekt; 84[Toelichting: Passiefhuiscertificaat wordt behaald wanneer de warmtevraag voor het huis minder dan 15 kWh/m2 en het totale energiegebruik &lt; 120 kWh/m2 (primaire energie) op jaarrondbasis.] arbeidplaats: de permanent bezette en tot volledige dagtaak omgerekende arbeidsplaats op jaarbasis. overheidssteun: totaal van de verleende steun door een overheid in welke vorm en met welk doel dan ook.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-372\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.72</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">85[Toelichting: De subsidieregeling KITO 2010 is gericht op het verbeteren van de kwaliteit en uitstraling van een toeristische onderneming. 1Investeringen die leiden tot verbetering van de fysieke kwaliteit van de onderneming. De fysieke kwaliteit van een onderneming wordt bijvoorbeeld verbeterd door productvernieuwing, door een nieuw bedrijfsconcept of als er nieuwe digitale technieken worden toegepast. De hoofddoelstelling is dat het resultaat van de investering een voor de consument zichtbare verbetering van de kwaliteit en uistraling van de onderneming is. Als de investering is gericht op het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van een onderneming is de subsidieregeling Bedrijfsnatuurplannen recreatieondernemers (paragraaf 8.23) van toepassing. 2Duurzaamheid is een aspect dat de kwaliteit van de onderneming ten goede komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarom is er voor gekozen om drie items met betrekking tot duurzaamheid te subsidiëren. Het gaat hierbij om het behalen van een Green Key, Energiezuinig bouwen en Elektrisch varen. 3Verder biedt deze subsidieregeling de mogelijkheid om samenwerking binnen de toeristische sector te stimuleren door samenwerkingsprojecten die nieuw in Overijssel zijn, te subsidiëren.4Uit ervaringen van de brancheorganisaties (Recron, Hiswa en KHN) blijkt dat slechts een gering aantal ondernemers beschikt over een goed ondernemersplan. Dit is een gemis, waardoor veel beslissingen omtrent investeringen vaak op een ad hoc-wijze worden genomen en niet zijn ingebed in een bedrijfsstrategie. Het stimuleren van het opzetten van een investeringsplan komt de kwaliteit van de onderneming ten goede.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarom heeft Gedeputeerde Staten ervoor gekozen om het adviestraject dat leidt tot een investeringsplan te subsidiëren.] Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan een toeristische onderneming voor:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>een adviestraject;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>een investering gericht op vernieuwing van de fysieke kwaliteit en uitstraling van een toeristische onderneming. Op een investering gericht op vernieuwing van de ruimtelijke kwaliteit van een toeristische onderneming is paragraaf 8.23 over bedrijfsnatuurplannen van toepassing.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>een van de volgende investeringen gericht op duurzaamheid: het behalen van een Green Key, goud, zilver of brons of het behalen van een energielabel voor recreatiewoningen of elektrificeren van rondvaartboten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>projecten gericht op stimulering van samenwerking in de toeristische sector, waarbij het productresultaat een marktgerede nieuwe product-markt-partner-combinatie/arrangement is.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-372a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.72a</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">86[Toelichting: KITO 2010 is een zgn. de-minimisregeling. Dit betekent dat op deze subsidieregeling de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1998/2006 van de Europese Commissie van 15 december 2006 PbEU, L379 van 28 december 2006, blz. 5, van toepassing zijn. Tevens geleden de verordenigen 70/2001 van 12 januari 2001 (MKB-steunregeling) van de Commissie en 1/2004 van 23 december 2003 (staatssteun MKB-landbouwproducten) van de Commissie.] 1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 3.72, sub 1, voldoet aan de volgende criteria: 87[Toelichting: Gedeputeerde Staten subsidiëren de kosten van een adviestraject. Een adviestraject wordt uitgevoerd door een externe deskundige en resulteert in een investeringplan waarin de aard en omvang van de toeristische onderneming, de doelgroep, de visie op toekomstige ontwikkelingen van de toeristische onderneming ten aanzien van drie tot vijf jaren en de ruimtelijke ordening is beschreven. Subsidiabel zijn de aan de toeristische onderneming op factuur in rekening gebrachte kosten door de deskundige. De kosten bedragen minimaal € 3.000,--.] de subsidiabele kosten voor een adviestraject bedragen minimaal € 3.000,--; het resultaat van een adviestraject is een investeringenplan.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een aanvraag als bedoeld in artikel 3.72, sub 2, voldoet aan de volgende criteria: Een toeristische onderneming die een subsidieaanvraag voor een investering indient moet een investeringplan zoals hierboven omschreven overhandigen bij de subsidieaanvraag. Gedeputeerde Staten subsidiëren investeringen die gericht zijn op het verbeteren van de fysieke kwaliteit en uitstraling van een toeristische onderneming die nieuw is voor de onderneming. De toeristische onderneming moet hierbij aantonen wat het vernieuwde element in de investering is. Vervangingsinvesteringen zijn daarom uitdrukkelijk uitgesloten om gesubsidieerd te worden. Er is sprake van een vervanginginvestering als een bedrijfsmiddel wordt vervangen door een vergelijkbaar bedrijfsmiddel. Gedeputeerde Staten behouden zich het recht om te beslissen wanneer sprake is van vernieuwing of vervangingsinvestering. Verder mag de investering niet leiden tot vermindering van het aantal arbeidplaatsen en moet de investering binnen twee jaar na subsidieverlening zijn gerealiseerd. de investering is nieuw/vernieuwend voor de onderneming; de investering leidt tot verbetering van de fysieke kwaliteit en uitstraling van de onderneming; de investering leidt niet tot vermindering van het aantal arbeidsplaatsen; de investering moet binnen twee jaren na subsidieverlening zijn afgerond; vervangingsinvesteringen komen niet in aanmerking voor subsidie; de investering bedraagt minimaal € 50.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Een investering als bedoeld in artikel 3.72, derde lid, onder a, leidt tot het behalen van een Green Key-label.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Een aanvraag als bedoeld in artikel 3.72, derde lid, onder b, voldoet aan de volgende criteria: voor recreatiewoningen geldt de energielabeling zoals die geldt voor woonhuizen; bij renovatie van bestaande woningen is het eindresultaat een energielabel A of een energielabel B als er geen ruimte genoeg is; bij nieuwbouw is het eindresultaat energieleverende woning (A+) of het certificaat voor passiefhuis.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Een aanvraag als bedoeld in artikel 3.72, derde lid, onder c, voldoet aan de volgende criteria: de onderneming heeft een vergunning voor het exploiteren van een rondvaartboot; de subsidie wordt verleend voor: de bouw van een nieuwe rondvaartboot of aanpassing bestaande rondvaarboot; een elektrische installatie aan boord; een elektrische installatie aan de wal; maatregelen of bouwkundige aanpassingen voor behandeling en opslag voor batterijen ten behoeve van de rondvaartboot.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Een aanvraag als bedoeld in artikel 3.72, vierde lid, voldoet aan de volgende criteria: het project is een samenwerkingsproject met minimaal twee partners, waarbij minimaal één toeristische onderneming; het project moet binnen een jaar na subsidieverlening zijn afgerond; het project: is nieuw in Overijssel of levert een bijdrage aan de verdere ontwikkeling van één van de Beeldverhalen IJssel, Kop van IJssel, Vechtdal Overijssel, Salland of Twente of is een uitwerking van de door Saxion Hogescholen opgestelde Leisure Scan of het project past binnen een van de in Overijssel Werkt! voor toerisme genoemde thema’s Wellness, Natuur- en Plattelandsbeleving, Cultuurbeleving of Proeven en Ruiken of het project is een aansluiting op de in Overijssel aanwezige toeristische basiskwaliteiten zoals de TOP’s, fietsroutenetwerk of wandelnetwerk.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>Na subsidieverlening bedraagt het totaal van de verleende overheidsteun aan de onderneming over de twee voorafgaande belastingjaren en het lopende belastingjaar maximaal € 200.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>Steun wordt verleend conform nr. 70/2001 van de Commissie d.d. 12 januari 2001 (MKB-regeling inzake moeder/dochterondernemingen).</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-372b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.72b</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie voor een adviestraject als bedoeld in artikel 3.72, eerste lid, bedraagt 50% van de subsidiabele kosten met een maximale subsidie van € 6.250,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie voor een investering als bedoeld in artikel 3.72, tweede lid, alsmede het derde lid, sub b en c, bedraagt 30% van de subsidiabele kosten met een maximale subsidie van € 200.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De subsidie voor het behalen van een Green Key-goud, zilver of brons als bedoeld in artikel 3.72, derde lid, onder a, bedraagt respectievelijk 35%, 25% of 15% van de subsidiabele kosten met een maximale subsidie van € 200.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De subsidie voor samenwerkingsprojecten als bedoeld in artikel 3.72, vierde lid, bedraagt maximaal 25% van de subsidiabele kosten met een maximale subsidie van € 50.000,--.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-372c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.72c</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.13 kan een subsidieaanvraag het gehele jaar door ingediend worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-372d\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.72d</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij de aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">88[Toelichting: De subsidieaanvraag wordt ingediend aan de hand van een daarvoor bestemd aanvraagformulier KITO 2010. In het aanvraagformulier wordt aangegeven welke stukken de aanvrager moet overleggen bij de subsidieaanvraag.] 1. De aanvrager maakt bij zijn aanvraag gebruik van de een daartoe beschikbaar aanvraagformulier KITO 2010.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In aanvulling op artikel 1.14 overlegt de aanvrager alle gegevens en stukken zoals genoemd in het Aanvraagformulier KITO 2010.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3. Duurzame ontwikkeling</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-373\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.73</span><span class=\"lf-art-t\">Stimuleren milieukwaliteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan organisaties die integraal uitvoering geven aan het stimuleren van de belangen voor de beleidsterreinen natuur, milieu en landschap met aandacht voor educatie en burgerparticipatie en die een samenwerkingsverband vormen van lokale en regionale vrijwilligersorganisaties op deze beleidsterreinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 3.1. Leren voor duurzame ontwikkeling 89[Toelichting: Rijk en decentrale overheden zijn in het landelijke programma Leren voor Duurzame Ontwikkeling overeengekomen, dat zij gezamenlijk uitvoering aan dit programma zullen gaan geven. De provincie Overijssel heeft het beleid vastgelegd in het Provinciaal Ambitiestatement Leren voor Duurzame Ontwikkeling 2008-2011 (PAS). In dit kader kunnen Gedeputeerde Staten subsidie verlenen voor activiteiten die bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen. Het provinciebestuur is voor het ontvangen van de rijksbijdrage gebonden aan de voorwaarden van het landelijke uitvoeringskader.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-374\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.74</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">90[Toelichting: Het PAS geeft dwingend recht aan de besteding van de subsidie. De provincie Overijssel geeft daarmee uitvoering aan het landelijke programma Leren voor Duurzame Ontwikkeling 2008-2011, zoals dat is overeengekomen tussen de Ministeries van LNV, VROM, BuZa/OS, OCW, het IPO en de UvW. In het eerste lid van artikel 3.74 geven wij aan, wie een aanvraag kan indienen: gemeente- of waterschapsbesturen – meesteal Burgemeester en Wethouders of het dagelijks bestuur van het waterschap – of het bestuur van een organisatie of instelling met rechtspersoonlijkheid (vereniging of stichting) die activiteiten uitvoert in Overijssel. Dit betekent dat ook rechtspersonen van buiten bij de provincie een ontvankelijke aanvraag kunnen indienen. Soms zal met de provincies Drenthe en Gelderland afstemming nodig zijn voor aanvragen van de waterschapsbesturen. Afhankelijk van de beoogde doelgroep en het betrokken deel van het waterschapsgebied zullen aanvragen bij beide betrokken provincies en in goede afstemming tussen de betrokken colleges van Gedeputeerde Staten worden behandeld. In het tweede lid van artikel 3:74 is de eis opgenomen van ‘additionaliteit’. Dat wil zeggen dat wij de verwachting hebben dat men ten behoeve van Leren voor duurzame ontwikkeling een extra inspanning levert.] 1. Besturen van gemeenten, waterschappen of andere instellingen of organisaties met rechtspersoonlijkheid die zich (mede) ten doel stellen om in Overijssel activiteiten op het gebied van het Provinciaal AmbitieStatement Leren voor duurzame ontwikkeling (PAS) uit te voeren, kunnen subsidie aanvragen voor activiteiten die bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen van het PAS.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria: de activiteiten behoren niet tot het werk van de aanvrager dat op andere wijze wordt gefinancierd; de aanvrager heeft geen winstoogmerk met de activiteiten; de aanvrager toont aan dat de financiële opzet sluitend is indien de gevraagde provinciale subsidie wordt toegekend.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-375\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.75</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag voor de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">91[Toelichting: De aanvrager dient te zorgen voor een sluitende begroting waarbij men zelf een belangrijk deel van de kosten draagt. Deze eigen bijdrage kan ook uit sponsoring of andere wervingsacties worden verkregen. In bijzondere gevallen kunnen gedeputeerde staten het provinciale subsidiepercentage verhogen. Dit geldt voor projecten die van bijzonder belang zijn voor het realiseren van het PAS en die zonder een hogere bijdrage niet zouden kunnen worden uitgevoerd.] 1. De subsidie bedraagt ten hoogste 60% van het exploitatietekort, dat wordt vastgesteld door de baten van de activiteiten op de kosten van de activiteiten in mindering te brengen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten kunnen posten van de begroting voor de activiteiten buiten beschouwing laten indien zij van mening zijn dat deze niet noodzakelijk zijn voor het realiseren van de activiteiten.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-376\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.76</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-377\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.77</span><span class=\"lf-art-t\">Stukken bij de aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">92[Toelichting: In artikel 3.77 staan de eisen vermeld waaraan een aanvraag moet voldoen. Wij verwachten dat een projectaanvraag ‘SMART' is geformuleerd: met specifieke doelen (beoogde resultaten), die meetbaar zijn gemaakt, op een acceptabele en geloofwaardige manier te bereiken, relevant voor de doelstellingen uit het PAS en tijdgebonden. De projectaanvrager moet in beginsel met andere partijen samenwerken. De voorkeur wordt gegeven aan projecten waarbij een consortium van ten minste drie partijen is gevormd, waarbij een van de partijen als formele aanvrager (penvoerder) optreedt. De overdraagbaarheid van het project (aanpak en resultaten) vraagt bewust de aandacht van de uitvoerders; zij moeten daarvoor middelen in de projectbegroting opnemen.] In het prestatieplan als bedoeld in artikel 1.14 zijn de volgende elementen opgenomen: a. de doelgroep(en) waarop de activiteiten zijn gericht; b. de beoogde resultaten en effecten in meetbare termen en hoe de indicatoren daarvan worden gemeten; c. de leerprocessen die in de activiteit zijn opgenomen; d. de wijze waarop de activiteit in samenwerking met andere organisaties, instellingen en/of personen wordt uitgevoerd; e. de aanvang en duur van de activiteiten, waarbij de afronding met inbegrip van de projectevaluatie vóór 31 december 2011 ligt;</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-378\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.78</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-379\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.79</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van behandeling van de aanvragen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen] Subparagraaf 3.2. Vermindering afvalstoffen en Schoner Produceren [de artikelen 3.80 en 3.81 zijn vervallen] Subparagraaf 3.3. Bio-energie [de artikelen 3.82 en 3.83 zijn vervallen] Subparagraaf 3.4. Roetfilter in voertuig [de artikelen 3.84. t/m 3.87 zijn vervallen] Subparagraaf 3.5. Investeren in duurzaam Overijssel [de artikelen 3.88. t/m 3.91 zijn vervallen] Subparagraaf 3.6. Duurzame energie en energiebesparing Overijssel 93[Toelichting: De provincie Overijssel geeft een extra impuls aan het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen door de versnelling van energiebesparingsmaatregelen, de opwekking van energie uit duurzame bronnen alsmede de toepassing daarvan en het verhogen van energie-efficiëntie van bestaande conversieapparaten of energiesystemen. De provincie Overijssel beoogt samen met een groot aantal partners uit bedrijfsleven, kennisinstellingen en andere overheden een structurele samenwerking aan te gaan in het kader van het Energiepact Overijssel. Doel van dit energiepact is een duurzame energiehuishouding en een reductie van schadelijke uitstoot te bereiken. Deze regeling voorziet in het verstrekken van subsidie ter stimulering, ondersteuning en versnelling van projecten ten behoeve van energiebesparingsmaatregelen, de opwekking van energie uit duurzame bronnen alsmede de toepassing daarvan en het verhogen van energie-efficiëntie van bestaande conversieapparaten of energiesystemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nevendoelen zijn het stimuleren van het delen van kennis en het vergroten van het bewustzijn van de noodzaak van een duurzame energiehuishouding. De regeling richt zich expliciet op opschaling/schaalvergroting van projecten door samenwerking tussen verschillende partijen in de keten te bevorderen en daarmee een versnelling te bewerkstellingen van de gewenste resultaten. Vanuit deze ketenbenadering willen wij met name initiatiefnemers ondersteunen die samenwerken in de keten: 1verkenning (haalbaarheid): zoals initiatiefnemers, onderzoeks- en kennisinstellingen, gemeenten en waterschappen; 2realisatie (ontwikkeling): zoals projectontwikkelaars, investeringsmaatschappijen, corporaties, branchevertegenwoordigingen, energiebedrijven, enz.; 3uitvoering: zoals installatiebedrijven, bouwbedrijven en (maak)industrie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De resultaten van deze studies dienen beschikbaar te zijn voor een ieder die geïnteresseerd is in de resultaten en opgedane kennis. Aanvragers kunnen in bijzondere gevallen een voorbehoud maken ten aanzien van gegevens die haar in haar commerciële of andere belangen kunnen schaden. De regeling is gebaseerd op een ‘tendersysteem'. Dat houdt in dat alle aanvragen vóór een bepaald tijdstip moeten worden ingediend en gelijktijdig worden beoordeeld in welke mate ze voldoen aan de criteria van de regeling. De hoogst gerangschikte aanvragen worden vervolgens toegewezen voor zover het jaarlijks vast te stellen subsidieplafond dat toelaat. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-392\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.92</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">94[Toelichting: De protocollen monitoring broeikasgassen conform het Kyoto-protocol zijn te vinden op de website http://www.broeikasgasemissies.nl/. Het protocol monitoring energiebesparing is de vinden op de website http://www.ecn.nl/. Het protocol Monitoring Duurzame Energie is te vinden op de website http://www.senternovem.nl/. ] In deze regeling wordt verstaan onder: a. project: activiteit of samenhang van activiteiten gericht op het uitvoeren van haalbaarheidsstudies en het geven van voorlichting en educatie met het oog op de totstandkoming van energiebesparingsmaatregelen, de opwekking van energie uit duurzame bronnen alsmede de toepassing daarvan en het verhogen van energie-efficiëntie van bestaande conversieapparaten en energiesystemen; b. energiebesparende voorzieningen: technische, logistieke of organisatorische voorzieningen die leiden tot verminderd verbruik van energie, zoals gedefinieerd in het protocol Monitoring energiebesparing; c. duurzame energieopwekkingsvoorzieningen: technische, logistieke of organisatorische voorzieningen die het geheel of gedeeltelijk gebruikmaken van energie uit hernieuwbare energiebronnen mogelijk maken, zoals gedefinieerd in het Protocol Monitoring Duurzame Energie; d. CO2-emissiereductie: het terugdringen van de uitstoot van koolstofdioxide, die het gevolg is van de verbranding van fossiele brandstoffen (zoals aardgas, aardolie en steenkool), zoals gedefinieerd in de protocollen monitoring broeikasgassen conform het Kyoto-protocol.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-393\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.93</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">95[Toelichting: De bio-energieregeling van de provincie Overijssel is per eind 2007 beëindigd. Op grond van deze regeling kan ook de komende jaren subsidie worden aangevraagd voor bio-energieprojecten. De toepassingsgebieden kunnen als volgt worden omschreven: 1haalbaarheidsstudies (toepassingsgebied A) Uitvoeren van haalbaarheidsstudies naar de opwekking en toepassing van duurzame energievoorzieningen, energiebesparingsmaatregelen en verhogen van energie-efficiëntie van bestaande conversieapparaten of energiesystemen. Het kan hierbij gaan om haalbaarheidsstudies op economisch, sociologisch en technisch gebied of een combinatie hiervan; 1investeringen (toepassingsgebied B) Onder dit toepassingsgebied vallen investeringen in zowel innovatieve als bewezen technieken of voorbereidende activiteiten daarvoor (zoals engineeringstudies); 1voorlichting en educatie (toepassingsgebied C) Het ontwikkelen en uitvoeren van projecten en programma's gericht op de bewustwording en gedragsverandering bij particulieren en bedrijven met betrekking tot energiebesparingsmaatregelen en CO2-emissiereductie en de ontwikkeling van de hiervoor benodigde activiteiten en instrumenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgesloten van subsidiëring zijn: 1energieprojecten in de sector woning- en utiliteitsbouw die leiden tot verbetering van minder dan 50 woningen. Dit stimuleert de aanvragers om met projecten van een substantiële omvang te komen. 2Energieprojecten in woningbouw of utiliteitsbouw die niet ambitieus genoeg zijn (vereist is een label A of B bij bestaande woning/utiliteitsbouw dan wel een EPC 25% lager dan wettelijk voorgeschreven bij nieuwe woning/utiliteitsbouw); 3energieprojecten in woonwijken met een te realiseren EPL kleiner dan 8.0. Dit stimuleert de aanvragers om met substantiële projecten te komen; 4energiebesparing in huishoudens. Om te bereiken, dat het energieverbruik van huishoudens minder CO2-uitstoot veroorzaakt, worden met instemming van de aandeelhouders, uit de middelen van Essent (het Essent Bespaarplan) subsidies verstrekt voor investeringen in energiebesparende maatregelen en de toepassing van duurzame energietechnieken in huishoudens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik en toepassing van biomassa en biobrandstoffen staat ter discussie, omdat het ten koste kan gaan van de biodiversiteit (kappen van regenwouden) en sprake kan zijn van verdringing van voedselgewassen door biobrandstofgewassen, met hogere voedselprijzen tot gevolg. De provincie Overijssel wil voorkomen dat zij met deze regeling zou bijdragen aan genoemde problemen. De Europese Commissie bereidt een Europese richtlijn voor de duurzaamheid van biobrandstoffen voor. Voor de beoordeling van de duurzaamheid van biomassa heeft de Europese Commissie drie criteria vastgesteld: 1. de CO2-balans van de biomassa moet positief zijn, dus er moet ten opzichte van het gebruik van fossiele brandstoffen een netto CO2-emissiereductie resulteren uit de hele keten van productie, oogst, transport, bewerking en verwerking van de biomassa; 2. het gebruik van de biomassa mag de biodiversiteit niet doen afnemen (bijvoorbeeld door de kap van tropische regenwouden); 3. het gebruik van de biomassa mag er niet toe leiden dat in de bodem aanwezige koolstofvoorraden vrijkomen (bijvoorbeeld als gevolg van oxidatie van veen bij grondwaterpeilverlaging voor biomassateelt).</p>\n<p class=\"lf-p\">De Nederlandse regering wil daarnaast nog vier andere criteria hanteren: 4. geen verdringing van de teelt van voedselgewassen (tevens verbod op concurrentie met andere hoogwaardige toepassingen, zoals gebruik als constructiemateriaal); 5. het gebruik van de biomassa mag niet tot verontreiniging van het milieu leiden, bijvoorbeeld als gevolg van het gebruik van pesticiden of kunstmest; 6. het gebruik van de biomassa moet bijdragen aan de lokale economie op de plaats van herkomst; 7. het gebruik van de biomassa mag geen afbreuk doen aan het welzijn van de lokale bevolking. De regering is daarnaast van mening, dat niet alleen de CO2-balans, maar de totale broeikasgasbalans positief moet zijn, voor minimaal 50% (inclusief emissies van lachgas en methaangas, uitgedrukt in CO2-equivalent).</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de beoordeling van de duurzaamheid van biomassa en biobrandstoffen volgt de provincie Overijssel het landelijke beleid. Voor brandstofproductie en energieopwekking uit biomassa geeft de provincie Overijssel de voorkeur aan het gebruik van organisch afval en natuurlijke reststromen. Biomassaprojecten die niet leiden tot voedselverdringing of aantasting van natuurgebieden worden door de provincie gestimuleerd. In afwachting van definitieve duurzaamheidscriteria zullen wij toetsen aan de meest recente inzichten. Subsidiabele kosten zijn de voor de activiteiten of het project noodzakelijke kosten, die aantoonbaar rechtstreeks zijn toe te rekenen aan de door de aanvrager te leveren prestatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van activiteiten zijn niet subsidiabel voor zover deze door de aanvrager van een subsidie kunnen worden teruggevorderd op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds, de Wet op de omzetbelasting 1968, of op grond van enige andere voorziening. De resultaten en effecten van de activiteiten dienen direct bruikbaar te zijn voor natuurlijke personen en rechtspersonen binnen de provincie Overijssel. Projecten dienen in hoofdzaak (&gt; 50% van de ingezette middelen) binnen de grenzen van de provincie Overijssel plaats te vinden. Hiermee is provinciegrensoverschrijdende samenwerking mogelijk gemaakt. Onder het starten van projecten wordt ook verstaan het maken van kosten of het aangaan van verplichtingen (opdrachtverstrekking) in het kader van de uivoering van het project.</p>\n<p class=\"lf-p\">De doorlooptijd van de projecten in het toepassingsgebieden A en B is gesteld op maximaal 1 jaar aangezien het hier gaat om activiteiten die een relatief korte realisatietijd nodig hebben. In de Awb is geregeld dat de subsidieontvanger elke vertraging hierin onmiddellijk bij de provincie moet melden. Een verzoek tot uitstel zal worden beoordeeld waarbij in ieder geval rekening wordt gehouden met voorzienbaarheid, en of de vertraging aan de aanvrager redelijkerwijs te verwijten is, dan wel voor zijn rekening dient te komen. Is een project, eventueel na verlening van de maximale uitsteltermijn van één jaar, niet afgesloten, dan wordt op basis van de op dat moment bekende declareerbare kosten een vaststelling gedaan. ] 1. Projecten moeten betrekking hebben op de volgende categorieën:</p>\n<p class=\"lf-p\">I. bio-energie betreffende:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>inzameling van biomassa;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>productie van biobrandstoffen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>productie van energie uit biomassa;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>distributie van biogas;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>toepassingen van bio-energie; energiebesparing en/of duurzame opwekking in de sector industrie en bedrijven; energiebesparing en/of duurzame opwekking in de sector woningbouw en utiliteitsbouw; energiebesparing en/of duurzame opwekking in de sector land- en tuinbouw; energiebesparing en/of duurzame opwekking in de sector mobiliteit en transport (met uitzondering van puur plantaardige olie).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Aanvragen dienen te passen binnen de toepassingsgebieden: Haalbaarheidsstudies (toepassingsgebied A), Investeringen (toepassingsgebied B) en Voorlichting en educatie (toepassingsgebied C).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Projecten mogen niet betreffen: wettelijk vereiste onderzoeken en maatregelen; energieprojecten in de woningbouw die leiden tot verbetering van minder dan 50 woningen; energieprojecten in woonwijken met een te realiseren EPL kleiner dan 8.0; energiebesparing in huishoudens.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Projecten met betrekking tot energiebesparing en/of duurzame opwekking in de sector woningbouw en utiliteitsbouw (categorie III) worden beoordeeld op hun ambitieniveau.</div>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwe utiliteitsbouw en nieuwe woningbouw dienen een EPC na te streven die minimaal 25% lager is dan wettelijk voorgeschreven op moment van aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestaande utiliteitsbouw en woningbouw dienen een energieprestatie van label A of B na te streven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor investeringsprojecten geldt dat nieuwe utiliteitsbouw en nieuwe woningbouw een EPC dient te bereiken van minimaal 25% lager dan wettelijk voorgeschreven op moment van aanvraag. Voor de haalbaarheidsstudies en communicatieprojecten geldt dit als na te streven ambitieniveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor monumentale gebouwen, zijnde een onroerend bouwkundig gebouw dat van algemeen belang wordt geacht met een culturele waarde, geldt een energieprestatie van minimaal drie labelstappen omhoog. Deze drie labelstappen moeten aangetoond en onderbouwd worden ten opzichte van het geldende labelniveau op het moment van indiening van de aanvraag.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>De projectactiviteiten dienen in hoofdzaak binnen de grenzen van de provincie Overijssel plaats te vinden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Uitsluitend projecten die starten na de datum van ontvangst van de subsidieaanvraag komen voor subsidie in aanmerking.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>Voor de toepassingsgebieden A en C, dienen projecten uiterlijk 1 jaar na datum van subsidieverlening afgerond te zijn. Voor toepassingsgebied B dienen projecten uiterlijk 3 jaar na datum van subsidieverlening afgerond te zijn. Gedeputeerde Staten kunnen een aanvrager, die hierom onder opgave van redenen verzoekt, uitstel van de hiervoor bedoelde termijnen verlenen van maximaal één jaar indien sprake is van omstandigheden die voor de subsidieaanvrager ten tijde van het indienen van de aanvraag tot subsidieverlening redelijkerwijs niet voorzienbaar waren.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>Bij projecten in de toepassingsgebieden A en C dient samengewerkt te worden, ook de subsidieaanvraag dient daarom ondersteund te worden door minimaal twee samenwerkende partijen. 96[Toelichting: Samenwerking tussen verschillende partijen bevordert opschaling/schaalvergroting van projecten en daarmee versnelling van de gewenste resultaten. Bij samenwerking wordt verschillende expertise benut. Hierdoor neemt de kosteneffectiviteit van de verstrekte subsidie toe. Wel moeten de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de partijen duidelijk zijn afgebakend. Samenwerking in de relatie opdrachtgever-opdrachtnemer/adviseur of opdrachtgever-leverancier wordt niet als samenwerking aangemerkt. Samenwerking kan blijken uit een ondertekende samenwerkingsovereenkomst of door gezamenlijke ondertekening van de subsidieaanvraag; in beide gevallen moet blijken wat de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de afzonderlijke partijen zijn. De aanvragende partij wordt ook aangemerkt als een van de twee samenwerkende partijen. ] 9. Aanvragen voor projecten gericht op het opwekken van zonne-energie voldoen aan de volgende criteria: 97[Toelichting: Gedeputeerde Staten geven een extra impuls aan het opwekken van duurzame energie doormiddel van zonne-energie. Zonne-energie is momenteel in verhouding een dure bron van duurzame energie. Dit komt door de hoge investeringskosten ten opzichte van de CO2-besparing. Omdat zonne-energie in verhouding slecht scoort bij het berekenen van het CO2-rendement in deze regeling, is het nodig om zonne-energie apart te beoordelen. Gedeputeerde Staten wil hiermee het aantal zonne-energieprojecten vergroten en daardoor de zichtbaarheid van zonne-energie in Overijssel vergroten.] de productie van zonne-energie bedraagt minimaal 0,2 megawatt geïnstalleerd vermogen; aan het project doen minimaal 25 particulieren of bedrijven mee; projecten passen binnen de toepassingsgebied B (investeringen). indien voor het project reeds door een ander bestuursorgaan subsidie is verstrekt, kan op grond van deze regeling geen subsidie verstrekt worden; de verschillende deelnemers (particulieren of berijven) vanhet project bevinden zich niet verder dan een straal van drie km van elkaar.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">10.</span>Subsidie als bedoeld in artikel 3.95, derde lid, moet voldoen aan de bepalingen uit het Nederlands nationaal kader voor het tijdelijk verlenen van beperkte steunbedragen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-394\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.94</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidievorm</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-395\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.95</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">98[Toelichting: Subsidiabele kosten zijn de voor de activiteiten of het project noodzakelijke kosten, die aantoonbaar rechtstreeks zijn toe te rekenen aan de door de aanvrager te leveren prestatie. Voor toepassingsgebied B geldt daarbij dat de zekere opbrengsten van het project in mindering dienen te worden gebracht op de kosten van het project. Zekere opbrengsten wordt hier gedefinieerd als de vermeden kosten voor het gebruik van energie en/of fossiele brandstoffen. In het aanvraagformulieren worden kengetallen geleverd voor de berekening van de zekere opbrengsten. Ook worden kengetallen geleverd voor de berekening van de exploitatiekosten in de vorm van prijzen per eenheid biomassa. Subsidiabele kosten voor toepassingsgebied B betreffen alleen die kosten die na vijf jaar niet worden gecompenseerd door de opbrengsten. Maatregelen die zich in vijf jaar of minder terugverdienen worden in principe als ‘redelijk' beschouwd (zie ook de Handreiking wegen naar preventie bij bedrijven door Infomil) en komen daarom niet in aanmerking voor subsidie. Hierbij kan gedacht worden aan wamtepompen. Ook houtkachels komen hierdoor niet altijd in aanmerking voor subsidie. Voorts zijn de kosten van activiteiten niet subsidiabel voor zover deze door de aanvrager van een subsidie kunnen worden teruggevorderd op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds, de Wet op de omzetbelasting 1968, of op grond van enige andere voorziening. Tevens zijn onderhoudskosten niet subsidiabel.] 1. De subsidie per project bedraagt maximaal € 60.000,-- voor de in artikel 3.93, lid 2, bedoelde toepassingsgebieden A en C en bedraagt ten hoogste 50% van de totale toe te rekenen kosten. Voor toepassingsgebied B bedraagt de subsidie per project maximaal € 199.000,-- en bedraagt ten hoogste 50% van de netto-investering (= bruto investering minus zekere opbrengsten).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>[vervallen] 3. Ten aanzien van projectaanvragen voor het toepassingsgebied B met een zeer grote CO2-reductie (meer dan 0,5 kton CO2/jaar) kunnen Gedeputeerde Staten bij uitzondering een grotere subsidie toekennen tot een maximum van € 499.000,--. 99[Toelichting: Artikel 3.95 lid 3 is toegevoegd omdat Europese regelgeving het voorlopig (tot eind 2010) mogelijk maakt om de-minimissteun toe te laten tot €500.000,-. Gedeputeerde Staten kunnen overwegen deze mogelijkheid te benutten voor projecten met een aanzienlijk grote bijdrage aan de CO2-reductie in het geval ze van mening zijn dat het een project betreft waar een extra stimulans nodig is. Hierbij wordt gedacht aan de realisatie van (mest)vergistingsinstallaties in Overijssel. De bijdrage aan de CO2-reductie betreft dan de bijdrage van alle broeikasgassen uitgedrukt in CO2-equivalenten, d.w.z. de vermeden CO2-emissie gerelateerd aan fossiele brandstoffen (referentie), en/of de vermeden methaanemissie, en/of lachgasemissie bij o.a. de mestopslag, uitgedrukt in CO2-equivalenten.] 4. De subsidie voor projecten als bedoeld in artikel 3.93, lid 9, bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 500.000,-- per project.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-396\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.96</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.13 kan een subsidieaanvraag worden ingediend vóór 1 maart of vóór 1 september van het betreffende kalenderjaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-397\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.97</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende/andere stukken bij aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">100[Toelichting: Voor indiening dient gebruik te worden gemaakt van een formulier dat bij de provincie verkrijgbaar is. Het desbetreffende formulier kan worden opgevraagd bij provincie Overijssel (team ZCS), Postbus 10078, 8000 GB Zwolle, onder vermelding van de naam van de regeling. Daarnaast kan het formulier worden gedownload van internet (http://www.provincie.overijssel.nl/e-loket). ] 1. De aanvrager maakt bij zijn aanvraag gebruik van een daartoe beschikbaar gesteld aanvraagformulier Duurzame Energie Overijssel 2008-2011.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In aanvulling op artikel 1.14 overlegt de aanvrager bij de aanvraag tevens alle gegevens en stukken zoals genoemd in het Aanvraagformulier Duurzame Energie Overijssel 2008-2011.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-398\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.98</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen uiterlijk 1 december van het voorafgaande jaar het subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-399\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.99</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van behandeling van de aanvragen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">101[Toelichting: Gedeputeerde Staten zullen bij de beoordeling van de projecten onder meer gebruik maken van externe advisering. De aanvragen zullen worden beoordeeld op basis van een aantal criteria zoals in dit artikel weergegeven. ] 1. In afwijking van artikel 1.4 van het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2007 plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen in een prioriteitsvolgorde. Gedeputeerde Staten verlenen subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voor zover het subsidieplafond dit toelaat.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Beoordelingscriteria bij het bepalen van deze prioriteitsvolgorde zijn:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>toepassingsgebied A: Haalbaarheidsstudies:102[Toelichting: Toepassingsgebied A De potentiele bijdrage van de haalbaarheidsstudie heeft betrekking op de verwachte meerwaarde van de te onderzoeken oplossing ten opzichte van de huidige situatie of gangbare oplossing, maar ook de mate waarin het project ruimte biedt voor toepassing en navolging van de resultaten door andere partijen. Bij het criterium innovatie gaat het om in Nederland nieuwe of vernieuwende haalbaarheidsstudies naar energiebesparingsmaatregelen, opwekking en toepassing van duurzame energievoorzieningen en verhogen van energie-efficiëntie van bestaande conversieapparaten of energiesystemen. Met dit criterium wordt beoogd om een prikkel te bieden voor het ontwikkelen van nieuwe ideeën voor projecten. Bij realiseerbaarheid of haalbaarheid van het beoogde resultaat valt te denken aan de mate waarin praktisch gevolg kan worden gegeven aan het uitgevoerde onderzoek. Dit zou bijvoorbeeld een programma van eisen kunnen zijn voor een aanbestedingstraject. Dit uit zich ook in helderheid van de doelstellingen en de gekozen aanpak van het projectvoorstel, aan de kwaliteit van de aanvrager(s) en aan de kwaliteit van de organisatie, die zich uit in beschikbare kennis, middelen en expertise. Tot slot wordt veel waarde gehecht aan kennisoverdracht zowel tijdens als na het project. De activiteiten hiervoor dienen duidelijk omschreven te worden in de aanvraag. ] o de mate waarin het resultaat van de haalbaarheidsstudie een potentiële bijdrage kan leveren aan de versnelling van energiebesparingsmaatregelen en/of de opwekking van energie uit duurzame bronnen alsmede de toepassing daarvan en het verhogen van energie-efficiëntie van bestaande conversieapparaten of energiesystemen; o de mate waarin een project bijdraagt aan innovatie ten opzichte van de huidige stand van de techniek in Nederland; o de realiseerbaarheid van het beoogde resultaat; o de mate waarin de opgedane kennis verder wordt verspreid en gedeeld met geïnteresseerden; o de mate waarin de kennisoverdracht wordt verankerd, na afloop van het project; o mate waarin en de wijze waarop wordt samengewerkt door partijen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>toepassingsgebied B: Investeringen: 103[Toelichting: Toepassingsgebied B De subsidieaanvragen worden gerangschikt onder meer op basis van de verwachte bijdrage aan de CO2-reductie per te subsidiëren euro. De bijdrage aan de doelen wordt beoordeeld op de bijdrage aan de vermindering van CO2 (kt) emissiereductie en vermeden GJ/MW fossiele brandstoffen ten opzichte van een opgave over de in het voorgaande jaar opgewekte en/of verbruikte energie op basis van fossiele brandstoffen, herhaalpotentieel voor het project en de kans dat dit wordt benut. Bij economisch risico kan worden gedacht aan de robuustheid van het perspectief van een technologie ten opzichte van de te verwachten kostprijsontwikkeling; de mate waarin het project leidt tot kostenbesparings ten opzichte van referentie technologie en de mate waarin marktverwachtingen realistisch zijn. Daarnaast worden subsidieaanvragen voor toepassingsgebied B beoordeeld op basis van de verwachte bijdrage aan de CO2-reductie (over 15 jaar) per te subsidiëren euro. Bij slaagkans valt te denken aan de helderheid van de doelstellingen en de gekozen aanpak van het projectvoorstel, aan de kwaliteit van de aanvrager(s) en aan de kwaliteit van de organisatie, die zich uit in beschikbare kennis, middelen en expertise. Bij praktische navolging gaat het om het inzicht in de ontwikkeling van de technologie nadat het project is afgerond waarbij ook niet-technologische aspecten een belangrijke rol spelen.] o de mate waarin de investering een potentiële bijdrage levert aan de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen (uitgedrukt in vermeden CO2-uitstoot) door de versnelling van energiebesparingsmaatregelen, de opwekking van energie uit duurzame bronnen alsmede de toepassing daarvan en het verhogen van energie-efficiëntie van bestaande conversieapparaten of energiesystemen in met name de technologische en economische aspecten daarvan; o de mate waarin de subsidie bijdraagt aan het realiseren van deze potentiële bijdrage aan de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen (uitgedrukt in vermeden CO2-uitstoot per euro subsidie); o de mate van slaagkans en praktische navolging van het project;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>toepassingsgebied C: Voorlichting en educatie: 104[Toelichting: Toepassingsgebied C Het is aan de aanvrager om aannemelijk te maken in hoeverre de in de aanvraag gedefinieerde doelgroep wordt bereikt. In de beoordeling zal daarbij worden meegenomen in hoeverre het project meer mensen bereikt en beter aantoonbaar is dat er veel mensen worden bereikt. Daarnaast wordt ook beoordeeld in hoeverre de activiteit(en) tot de beoogde effecten leidt. ]o de mate waarin de kennisoverdragende partij geschikt is voor haar taak; o de mate waarin aannemelijk is dat met het project een zo groot mogelijk deel van de doelgroep wordt bereikt; o de mate waarin de opgedane kennis verder wordt verspreid en gedeeld met geïnteresseerden; o de mate waarin de kennisoverdracht wordt verankerd, na afloop van het project; o mate waarin en de wijze waarop wordt samengewerkt door partij en. o de mate van innovatie van het project; o de mate van continuiteitsborging van het project; o de mate van open innovatie/open source/standaarden van het project o de mate van kennisdeling (projectresultaten) binnen het project o de mate van opschaalbaarheid van het project o de mate van evenredige verdeling subsidiegelden over sectoren en regio's o de multipliereffect van het project, zijnde de verhouding subsidie tot de totale subsidiabele projectkosten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In afwijking van het tweede lid worden aanvragen als bedoeld in artikel 3.93, lid 9, gerangschikt in prioriteitsvolgorde op basis van: 105[Toelichting: Zichtbaar betekent dat de zonnepanelen zichtbaar zijn doordat ze op gebouwen in (dezelfde) straat of buurt geplaatst worden. De subsidieaanvrager kan dit omschrijven aan de hand van bijvoorbeeld het verwachte aantallen passanten of bezoekers dit te zien krijgen. ] de mate waarin het project bijdraagt aan de productie van zonne-energie; mate van deelname van particulieren of bedrijven; de mate waarin de zonnepanelen zichtbaar geplaatst worden.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3100\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.100</span><span class=\"lf-art-t\">Kleine haalbaarheidsstudies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">106[Toelichting: Om kleinere haalbaarheidsstudies niet onnodig op de volgende sluitingsdatum van de tender te laten wachten is het mogelijk om voor subsidies tot € 5000,- het gehele jaar door aanvragen in te dienen. Hiervoor wordt in het subsidieplafond een apart tussenschot ingebouwd en deze aanvragen worden op volgorde van binnenkomst beoordeeld op de criteria. Indien de projecten voldoen worden ze, voor zover het plafond dat toelaat, gehonoreerd. Aan dergelijke kleine haalbaarheidsstudies worden geen eisen voor samenwerking met andere partijen gesteld. ] 1. Voor toepassingsgebied A (Haalbaarheidsstudies) kunnen subsidieaanvragen tot € 5.000,-- in afwijking van artikel 3.96 het gehele jaar ingediend worden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Voor de in het eerste lid genoemde aanvragen is artikel 3.93 lid 8 niet van toepassing.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Voor de in het eerste lid genoemde aanvragen geldt dat ze op volgorde van binnenkomst worden behandeld en dat ze worden getoetst aan de criteria uit artikel 3.99 lid 2 voor toepassingsgebied A, met uitzondering van het laatste criterium met betrekking tot samenwerking.</div>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 3.7 Energiebesparingsfonds Woningen Overijssel 107[Toelichting: Op 25 juni 2008 hebben Provinciale Staten van Overijssel het Programma Energiepact Overijssel vastgesteld. Met dit programma wil de provincie Overijssel een substantiële bijdrage leveren aan het terugdringen van broeikasgassen. Energiebesparing in de gebouwde omgeving is één van de speerpunten in het energiebeleid van de provincie. Een derde van de CO2-emissies is gerelateerd aan energiegebruik in gebouwen. Deze uitstoot kan aanzienlijk beperkt worden bij de bouw en verbetering van woningen en andere gebouwen. Het programma Energiepact zoekt nadrukkelijk de samenhang met andere programma's op het gebied van wonen en herstructurering. De strategie is gericht op een kennisnetwerk met andere overheden en partners in de bouw (bestaande en nieuwe woningen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Maar ook verkenningen van financiële ondersteuning voor investeringen in maatregelen bij bestaande woningen hebben prioriteit. Bij het bereiken van de doelstellingen is een belangrijke taak weggelegd in samenwerking met en tussen gemeenten. In 2010 hebben Gedeputeerde Staten en Burgemeester en Wethouders van de Overijsselse gemeenten prestatieafspraken gemaakt over een breed pakket van onderwerpen op het gebied van bouwen en wonen. De prestatieafspraken zijn in samenwerking met gemeenten opgesteld en zijn in de eerste helft van 2010 ondertekend. In deze prestatieovereenkomst zijn ook afspraken gemaakt over de beleidsthema Energie &amp; duurzaamheid. Deze subsidieregeling vormt mede de juridische grondslag om de prestatieafspraken die met de gemeenten zijn gemaakt op het gebied van Energie &amp; duurzaamheid uitvoering te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provincie en gemeenten stimuleren hiermee energiebesparingsmaatregelen bij particuliere woningbezitters. Een laagrentende duurzaamheidslening zoals via een revolverend fonds bij SVn is ook financiële maatregel ter stimulering van energiemaatregelen. De provincie vergroot ook budgetten voor dergelijke leningen bij SVn, maar Overijsselse gemeenten kunnen daar een beroep op doen bij het Provinciale Energieleningenfonds Overijssel bij SVn en hoeven daarvoor dus geen subsidieverzoek bij de provincie in te dienen. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3101\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.101</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze subparagraaf wordt verstaan onder: a. energiebesparing: een maatregel die bijdraagt aan het terugdringen van CO2- uitstoot en het gebruik van fossiele brandstoffen. b. excellente gebieden: gebieden waar energiezuinige en innovatieve nieuwbouwprojecten worden gerealiseerd met een Energie prestatie coëfficiënt (EPC) die minstens 25% lager is dan de grenswaarden genoemd in het op het moment van indienen vigerende bouwbesluit. c. energieleverende woning: een woning waarvan bij normaal gebruik de duurzame energieopwekking de energievraag op jaarbasis overtreft; d. energiebesparende woning: een bestaande woning waarin energiemaatregelen worden toegepast, zodat de energieprestatie ervan overeenkomt met of lager is dan de energieprestatie van een Passiefhuis. 108[Toelichting: Een passiefhuis heeft per jaar een energiebehoefte voor ruimteverwarming van 15 kWh/m², dit komt ongeveer overeen met een gasverbruik van 1.5 m³ gas/m² vloeroppervlak. Niet alleen het energieverbruik voor verwarming (15 kWh/m²a), maar ook het totale primaire energiegebruik per huishouden blijft begrensd tot max 120 kWh/m² per jaar. De geringe resterende energiebehoefte wordt zo duurzaam mogelijk geproduceerd, zodat een nog grotere reductie in CO2-uitstoot mogelijk is. (zie www.passiefhuis.nl).]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3102\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.102</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan Overijsselse gemeenten voor:109[Toelichting: Bij onderdeel a gaat het om gemeentelijk regelingen voor energiebesparing bij particulieren in de bestaande woningbouw, die door Gedeputeerde Staten verhoogd kunnen worden. Ook reeds bestaande gemeentelijke regelingen met nieuwe budgetten komen in aanmerking om qua budget verhoogd te worden. De reden voor de cofinanciering van financieringsarrangementen is dat de particuliere woningbezitter voor de provincie een moeilijk te bereiken doelgroep is. Gemeenten staan veel dichter bij deze doelgroep. Daar komt bij dat gemeenten zelf al financieringsarrangementen hebben of overwegen in te stellen: met een vergroting van het budget door de provincie kan een extra groot aantal woningen verbeterd worden. Bij onderdeel b gaat het om uitvoeringskosten rondom energiebesparing in de bestaande woningbouw zoals het opstellen van een financieringsconstructies, loketvorming, voorlichting en begeleiding woningbezitters etc;</div>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel c is gericht op pilotprojecten waarmee de gemeente een energieleverende (nieuwbouw) en/of energiebesparende bestaande woning gaat realiseren en belangstellenden daarvoor werft en daarover informeert. De subsidie is zowel bedoeld voor de bouwkosten, als voor voorlichtingsactiviteiten in de 2 jaren na de bouw van de woning. Energieleverend/energiebesparend kan gerealiseerd worden met innovatieve maatregelen maar ook met bestaande, bewezen maatregelen en technieken. Bestedingsmogelijkheden voor de subsidie voor de pilots energieleverende/energiebesparende woning: • extra proces en begeleidingskosten om dit duurzame concept te kunnen realiseren (b.v. inhuur deskundigen) • meerkosten van energiemaatregelen: investeringen in concrete energiebesparingsmaatregelen en in de maatregelen voor opwekking van duurzame energie. • kosten voor publiciteit en kennisoverdracht om dit concept gedurende 2 jaren na de bouw uit te dragen Bij onderdeel d gaat het om investeringsprojecten met betrekking tot de gemeentelijke voorbeeldfunctie op het gebied van energiebesparing zoals voorbeeldprojecten inzake gemeentelijke gebouwen, inkoop, eigen beheer zoals openbare verlichting etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">De reden voor de cofinanciering van gemeentelijke voorbeeldprojecten is dat daarmee investeringen gepleegd kunnen worden die soms economisch niet rendabel zijn, maar waarmee de gemeente wel het goede voorbeeld kan geven.] het vergroten van gemeentelijke subsidiebudgetten gericht op energiebesparing door de particuliere woningbezitter in de bestaande woningvoorraad; of activiteiten gericht op het voorlichten en ondersteunen van de particuliere woningbezitter bij het voorbereiden en realiseren van energiebesparingsmaatregelen; of pilotproject(en) ten behoeve van de realisatie van een energieleverende nieuwbouwwoning of energiebesparende bestaande woning; of investeringsprojecten van de gemeentelijke organisatie zelf, waarmee de gemeente een voorbeeldfunctie op het gebied van energiebesparing vervult.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan woningcorporaties met woningbezit in Overijssel voor (onderzoeks)projecten of experimenten waarmee woningcorporaties een impuls geven aan de versnelling van het realiseren van een substantiële energiebesparing in hun huurcomplexen of in gebieden waarin deze complexen staan. 110[Toelichting: Subsidiabel zijn onderzoeksprojecten of experimenten van corporaties die als doel hebben waargenomen blokkades van bijvoorbeeld juridische of organisatorische aard te weg te nemen. Niet subsidiabel zijn investeringsprojecten van woningcorporaties. Voor investeringssubsidies kunnen corporaties een beroep doen op subparagraaf 3.3.6 (tenderregeling Duurzame energie en energiebesparing Overijssel).]</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3103\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.103</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.102 lid 1 onder a voldoet aan het criterium dat de gemeente voor minimaal 25 % aantoonbaar bijdraagt aan het totale subsidiebudget.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De activiteit genoemd in artikel 3.102 lid 1 sub b voldoet aan het criterium dat gedurende minimaal twee jaar, na subsidieverlening, aantoonbaar, activiteiten worden ondernomen voor: een loket voor energie en duurzaamheid; of excellente energiegebieden of experimenteer gebied; of stimuleringsregeling energie(besparings)maatregelen ten behoeve van particuliere woningverbetering.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Voor pilotproject(en) zoals bedoeld in artikel 3.102 lid 1 sub c dient gedurende twee jaar, na subsidieverlening actieve voorlichting worden gegeven op het gebied van duurzaam wonen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Een(onderzoeks)project of een experiment genoemd in artikel 3.102 lid 2 voldoet aan de volgende criteria: het onderzoeks(project) of experiment is gericht op het weg nemen van waargenomen blokkades die het realiseren van een energiebesparing in huurcomplexen of in gebieden waarin deze complexen staan belemmeren; het (onderzoeks)project of experiment omvat minimaal 30 woningen; investeringsprojecten komen niet in aanmerking voor subsidie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>De subsidieontvanger start binnen één jaar na subsidieverlening met de activiteiten waarvoor subsidie is verleend op basis van artikel 3.102 eerste lid en rond deze activiteiten af vóór 31 december 2014;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>De subsidieontvanger start binnen zes maanden na subsidieverlening met het (onderzoeks)project of experiment waarvoor subsidie is verleend op basis van artikel 3.102 tweede lid en rond het (onderzoeks)project of experiment af binnen 12 maanden na start.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>De subsidieontvanger maakt de methodiek en resultaten van het (onderzoeks)project of experiment waarvoor subsidie is verleend op basis van artikel 3.102 lid 2 actief kenbaar gemaakt aan medecorporaties in Overijssel.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3104\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.104</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">111[Toelichting: Deze subsidieparagraaf is een voorzetting van reeds bestaande co-financieringsmogelijkheden voor gemeenten op grond van de provinciale middelen uit het Essent Bespaarplan voor Aandeelhouders (waarover gemeenten met onze brief van 5 december 2008, kenmerk 2008/0174233 zijn geïnformeerd). Activiteiten die op grond van deze co-financieringsmogelijkheid reeds zijn gesubsidieerd zijn daarom niet subsidiabel op grond van deze subsidieregeling.] 1. De subsidie op grond van artikel 3.102 eerste lid sub a bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 500.000,-- per gemeente inclusief eventuele reeds verleende subsidies op basis van de besteding van het provinciale Essent Bespaarplan voor Aandeelhouders.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie op grond van artikel 3.102 eerste lid sub b bedraagt maximaal € 80.000,-- per gemeente, inclusief de eventuele reeds verleende subsidies op basis van de besteding van het provinciale Essent Bespaarplan voor Aandeelhouders.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De subsidie op grond van artikel 3.102 eerste lid sub c bedraagt maximaal € 25.000,-- per energieleverende nieuwbouwwoning of energiebesparende bestaande woning met een maximale subsidie van € 50.000,-- per gemeente.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De subsidie op grond van artikel 3.102 tweede lid bedraagt maximaal 50% van de totale van projectkosten met een maximum € 50.000,-- per project.</div>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 3.8. Gezonde scholen 112[Toelichting: Gedeputeerde Staten willen een extra impuls geven aan de aanpak van het binnenmilieu van het primair onderwijs. Dit betekent dat er voor meer leerlingen een gezond leefmilieu wordt gecreëerd, als gevolg van een verbeterd binnenmilieu van klaslokalen. Deze subsidieregeling sluit aan bij de Rijksregeling ‘verbetering binnenklimaat huisvesting primair onderwijs 2009’. De provincie wil met dit project meerdere scholen in Overijssel helpen. De provincie draagt hierdoor bij aan een gezond leefmilieu voor een grote groep leerlingen en docenten.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3106\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.106</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Rijksregeling: Regeling van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 31 augustus 2009, nr. PO/B&amp;S/144859, ‘Verbetering binnenklimaat huisvesting primair onderwijs 2009’.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3107\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.107</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan gemeenten in Overijssel voor activiteiten waarvoor een subsidie is ontvangen op grond van de rijksregeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3108\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.108</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">113[Toelichting: Om aanspraak te maken op de provinciale subsidieregeling Gezonde scholen, moet de gemeente subsidie verleend hebben gekregen van het Rijk op grond van de Rijksregeling ‘Verbetering binnenklimaat huisvesting primair onderwijs 2009’.] 1. Voor het project is schriftelijk een subsidie verleend door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op grond van de rijksregeling.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De activiteiten zijn uiterlijk 31 december 2010 afgerond.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3109\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.109</span><span class=\"lf-art-t\">Rijksregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">114[Toelichting: Gedeputeerde Staten sluiten aan bij de rijksregeling. Indien het Rijk besluit om tussentijds de subsidieverlening te verhogen te wijzigen of in te trekken, dan zal Gedeputeerde Staten naar aanleiding van het besluit van het Rijk de subsidieverlening aanpassen. Op grond van artikel 1.14 dient de gemeente Gedeputeerde Staten binnen vier weken schriftelijk op de hoogte te brengen.] Indien de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap besluit om de subsidieverlening als bedoeld in artikel 3.107 tussentijds te verhogen, te wijzigen of in te trekken, zal Gedeputeerde Staten dit besluit overeenkomstig volgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3110\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.110</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">115[Toelichting: Gedeputeerde Staten verlenen maximaal 1/3 deel van de verleende Rijkssubsidie. Dit betekent dat indien de gemeente van het Rijk een subsidie heeft ontvangen van € 90.000,--, Gedeputeerde Staten maximaal € 30.000,-- subsidie zullen verlenen.] De subsidie als bedoeld in artikel 3.107 bedraagt maximaal 1/3 van de verleende subsidie door het Rijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.111</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">116[Toelichting: De gemeente ontvangt uiterlijk 1 mei 2010 de beslissing van het Rijk. Voor 1 augustus 2010 dient de gemeente de subsidieaanvraag in bij de provincie .] In afwijking van artikel 1.13 kan een aanvraag worden ingediend vóór 1 augustus 2010.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3112\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.112</span><span class=\"lf-art-t\">Stukken en bescheiden bij de aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.14 gaat een subsidieaanvraag vergezeld van een afschrift van de beschikking tot subsidieverlening van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3113\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.113</span><span class=\"lf-art-t\">Stukken en bescheiden bij de aanvraag tot subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.19 overlegt de subsidieontvanger bij de aanvraag de beschikking tot vaststelling van de subsidie van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3114\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.114</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieaanvrager</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de subsidieverlening tussentijds verhoogt, wijzigt of intrekt stuurt de gemeente binnen vier weken hiervan een afschrift aan Gedeputeerde Staten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 4. Bijzondere bepalingen Landbouw, Natuur en Landschap</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1. Faunabeheereenheden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-41\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">117 [Toelichting: De uitvoering van de faunabeheerplannen is in handen van de Stichting Fauna Beheer Eenheid Overijssel (FBE) te Deventer.] Een aanvraag voor subsidie ten behoeve van faunabeheereenheden, zoals vermeld in artikel 29 van de Flora- en Faunawet, is gericht op de uitvoering van een faunabeheerplan op basis van artikel 30 van die wet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie als bedoeld in 4.1., bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 5. Bijzondere bepalingen Ruimte, Wonen en Bereikbaarheid</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1. Effectuering ruimtelijk beleid</h3>\n<p class=\"lf-p\">118[Toelichting: De provincie Overijssel kent een subsidiemogelijkheid voor projecten die bijdragen aan de hoofdpunten van het provinciaal ruimtelijk beleid zoals dit is vastgelegd in de vigerende beleidsdocumenten op het terrein van de ruimtelijke ordening, zoals o.m. de Omgevingsvisie Overijssel. Subsidie kan worden verleend in de kosten van uitbesteding van voorbereidend onderzoek en/of planontwikkeling met betrekking tot een concreet ruimtelijk project of ruimtelijke voorziening. Uitvoeringskosten zoals bouw- en sloopkosten, evenals investeringen, exploitatiekosten en overhead zijn uitdrukkelijk uitgesloten van subsidie. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedeputeerde staten kunnen subsidie verlenen in de externe kosten van onderzoek en planontwikkeling van ruimtelijke projecten. De projecten moeten bijdragen aan uitgangspunten/doelstellingen van het provinciaal ruimtelijk beleid zoals vastgelegd in met name de Omgevingsvisie Overijssel en aan de ruimtelijke kwaliteit in Overijssel.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een aanvraag voor subsidie uit het budget voor effectuering ruimtelijk beleid: 119[Toelichting: De doelstelling van deze regeling laat geen ruimte voor particuliere initiatieven, omdat alleen projecten met een algemeen en publiek belang kunnen worden nagestreefd, zoals genoemd in sub b van dit lid.] is afkomstig van een gemeente of een rechtspersoon, die zich krachtens hun statuten inzetten voor de bevordering van de ruimtelijke ordening en ruimtelijke kwaliteit in Overijssel; wordt beoordeeld naar de mate waarin het project bijdraagt aan de realisering van de hoofdpunten van het provinciaal ruimtelijk beleid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Een aanvraag wordt tevens beoordeeld naar de mate waarin voldaan wordt aan criteria a en b en daarnaast aan één of meer van de volgende criteria c tot en met f: uitvoeringsgerichtheid;120[Toelichting: uitvoeringsgerichtheid: de projecten vormen veelal de schakel tussen geformuleerd beleid en de concrete uitvoering, en zijn uitvoeringsgericht van aard, zoals bijvoorbeeld een plan van aanpak, Masterplan of een haalbaarheidsstudie, gekoppeld aan een afgebakend beleidsonderwerp, probleemstelling of ruimtelijke voorziening. Voor algemeen onderzoek is deze regeling niet bedoeld. ] bovengemeentelijke of regionale betekenis;121[Toelichting: bovengemeentelijke c.q. regionale betekenis: de projecten zijn strategisch van aard en hebben daardoor veelal een regionaal schaalniveau en/of uitstralingseffect.] voorbeeldwerking;122[Toelichting: voorbeeldwerking: de projecten moeten min of meer ‘model kunnen staan’ voor vergelijkbare projecten en vormen zelfs vaak een pilotproject. ] katalysatorwerking;123[Toelichting: katalysatorwerking: meerdere partners trekken gezamenlijk op, ook financieel, en kunnen een impuls geven aan eventuele vervolgprojecten. ] integraliteit;124[Toelichting: integraliteit: de projecten dragen bij aan beleidsdoelstellingen vanuit meerdere sectoren en worden veelal ook uit deze sectoren gecofinancierd.] structureel effect. 125[Toelichting: structureel effect: de projecten zijn ook op de langere termijn van belang voor de (duurzame) ruimtelijke ontwikkeling.]</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">126[Toelichting: In de kostenverdeling komt de verhouding van de belangen, evenals het draagvlak, van partijen tot uitdrukking. Het is dan ook niet logisch om als provincie méér dan de helft van de kosten van een project van derden voor haar rekening te nemen. Daarom is daar een maximum aan gesteld van 50%. Dit maximum wordt uitsluitend verleend in gevallen dat de aanvrager geen medefinancier(s) voor het project heeft. Is er wél sprake van medefinancier(s), dan kunnen de kosten dus over meer partijen worden verdeeld. Dit komt tot uitdrukking in de begroting van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd. Zo’n begroting is uitgangspunt voor de bepaling van de hoogte van de subsidie. Daarnaast wordt de hoogte van de bijdrage gerelateerd aan de mate waarin aan de criteria uit artikel 5.1 wordt voldaan. ] 1. De subsidie bedraagt ten hoogste de helft van de externe kosten van de ruimtelijke activiteiten van een project. De hoogte van de subsidie hangt af van het aantal financierende partners en van de mate waarin het beoogde resultaat voldoet aan de in artikel 5.1. lid 3 genoemde criteria.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Niet subsidiabele kosten zijn investeringskosten, bouw- en sloopkosten, exploitatielasten en overheadkosten van de aanvrager.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2. Stedelijke vernieuwing Overijssel</h3>\n<p class=\"lf-p\">[ingetrokken]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3. Stimulering re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed</h3>\n<p class=\"lf-p\">127[Toelichting: Deze subsidieregelgeving is onderdeel van het stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel'. Met dit stimuleringsprogramma wil de provincie Overijssel het vernieuwend hergebruik van vrijkomend industrieel en agrarisch erfgoed bevorderen. Paragraaf 8.29 en 7.14 zijn van toepassing op het overige erfgoed.Initiëren, uitdagen en faciliteren is de kern van het stimuleringsprogramma. Voorkantsturing en samenwerking met gemeenten, eigenaren van erfgoed, ondernemers, agrariërs en andere marktpartijen staan centraal. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-57\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">128[Toelichting: Hoe komt u te weten of u te maken heeft met agrarisch of industrieel erfgoed, wat waardevol is en wat niet en welke mogelijkheden er zijn voor vernieuwend hergebruik van de fabriek of de boerderij? In het op te stellen transformatieplan worden al deze vragen beantwoord. Het transformatieplan bestaat uit een viertal onderdelen: 1inzicht in de historische ontwikkeling, de bestaande situatie en de cultuurhistorische waardering vormt de basis; 2het onderdeel ‘architectuurverkenning en verkenning van de mogelijkheden van functieverandering' is het creatieve deel van het transformatieplan. Het kan zijn dat er nog geen duidelijk beeld bestaat over de toekomstige functie. Het ligt dan voor de hand diverse alternatieve functies te bestuderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is de toekomstige functie van de gebouwen wel bekend dan beperkt de opgave zich tot de vraag of de beoogde functie op een zodanige wijze kan worden gerealiseerd, dat er sprake zal zijn van behoud c.q. versterking van cultuurhistorische en ruimtelijke kwaliteit; 3een goede inrichting van de omgeving van de fabrieken of boerderijen draagt ook bij aan de ruimtelijke kwaliteit. Een terreinontwerp of erfplan is daarom een wezenlijk onderdeel van het transformatieplan; 4tenslotte gaat het transformatieplan ook in op belangrijke uitvoeringsaspecten, bijvoorbeeld op planologisch en financieel gebied. De mate van detaillering van deze ontwerpopgaven uit het transformatieplan kan worden omschreven als schetsplan of schetsontwerp.Ook is een checklist opgenomen, via de provinciale website www.overijssel.nl/erfgoed kunt u kennisnemen van de checklist met daarin de inhoudelijke onderdelen van transformatieplannen voor agrarisch en industrieel erfgoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens is een overzicht opgenomen van de processtappen die bij de opstelling van een transformatieplan moeten worden gezet. ] Industrieel erfgoed: fabrieken of fabriekscomplexen bestaande uit gebouwen, installaties en infrastructuur die van cultuurhistorische en architectonische waarde zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch erfgoed: boerenerven, bestaande uit gebouwen en beplanting, die van cultuurhistorische en landschappelijke waarde zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Transformatieplan: verkenning en beschrijving van mogelijkheden van functieverandering in vrijkomend of vrijgekomen industrieel of agrarisch erfgoed, die bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-58\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.8</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: a. het opstellen van een transformatieplan in het kader van het Stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel’; b. het uitvoeren van een transformatieplan in het kader van het Stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel’.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-59\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.9</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een aanvraag voor subsidie in de kosten voor het opstellen van (een onderdeel van) een transformatieplan in het kader van het Stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel’ moet voldoen aan de volgende criteria:129[Toelichting: a. De doelstellingen van het stimuleringsprogramma als bedoeld in sub a zijn: • een bijdrage leveren aan de identiteit c.q. uitstraling van de specifieke (ruimtelijke) kwaliteiten van Overijsselse regio’s, steden, landschappen en dorpen door vernieuwing van het industrieel en agrarisch erfgoed; • het economisch belang van stad en land versterken doordat deze eigen identiteit een grotere herkenbaarheid betekent en wervingskracht bezit; • innovatieve ontwikkelingen stimuleren.</div>\n<p class=\"lf-p\">Vernieuwing van industrieel en agrarisch erfgoed vergt namelijk een grote mate van creativiteit. De specifieke opgaven verbinden diverse werkvelden/specialismen met elkaar; • bevorderen van duurzaamheid door hergebruik van gebouwen, terreinen en grondstoffen; • het vergroten van het inzicht in cultuurhistorische en ruimtelijke kwaliteiten bij zowel een breed publiek als ook bij bestuurders en (agrarische) ondernemers; • cultuurtoerisme versterken door vernieuwing van het industrieel en agrarisch erfgoed, o.a. in de vorm van themaroutes en netwerken van ‘pleisterplaatsen’ van agrarisch en industrieel erfgoed. c. In het Reconstructieplan Salland-Twente zijn landbouwontwikkelingsgebieden aangewezen die bedoeld zijn voor de ontwikkeling van de intensieve veehouderij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om die reden is het ongewenst om in deze gebieden de transformatie van agrarische bedrijven gericht op niet agrarische functies te ondersteunen. De ligging van deze landbouwontwikkelingsgebieden vindt u op de website van de provincie. e. Het transformatieplan dient te worden uitgevoerd door een ontwerper/architect en landschapsarchitect die beschikt over een gedegen ontwerpkwaliteit. Voor diverse onderdelen van het transformatieplan kan hij/zij de hulp inroepen van andere deskundigen, bijvoorbeeld een cultuurhistoricus, een financieel deskundige, een constructeur of een stedenbouwkundige. ] de activiteit draagt bij aan een of meer doelstellingen van het provinciale Stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel 2009-2012’; de activiteit heeft betrekking op in cultuurhistorisch opzicht waardevol industriecomplex, fabriek of boerderij en bijbehorend erf; de activiteit vindt niet plaats in de landbouwontwikkelingsgebieden van het Reconstructieplan Salland-Twente; bij agrarisch erfgoed gaat het om vrijgekomen of vrijkomende agrarische bebouwing, dat wil zeggen gebouwen die als agrarisch gebouw zijn opgericht met een agrarische bestemming en ook agrarisch in gebruik zijn (geweest); ontwerpende partijen dienen te beschikken over gedegen ontwerpkwaliteit; het transformatieplan dient te worden opgesteld aan de hand van een aantal processtappen zoals opgenomen in het door Gedeputeerde Staten beschikbaar gestelde overzicht proces transformatieplan. 130[Toelichting: Het proces transformatieplan staat op de website www.overijssel.nl/erfgoed. Voor het opstellen van een transformatieplan kan de aanvrager een professionele procesbegeleider die aantoonbare ervaring heeft op dit gebied, inschakelen.] 2. Een aanvraag voor subsidie in de kosten van de uitvoering van een transformatieplan in het kader van het Stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel’ moet voldoen aan de volgende criteria: 131[Toelichting: a. Voordat een subsidieaanvraag voor een project ter uitvoering van het transformatieplan wordt aangevraagd, dient uit vooroverleg met de desbetreffende gemeente te blijken dat er naar verwachting geen planologische bezwaren tegen het project zullen zijn. Eventueel subsidie wordt daarom verleend onder voorwaarde dat de bouwvergunning wordt verleend.] het project is gebaseerd op een transformatieplan als bedoeld in artikel 5.8, sub a; tegen het project bestaan geen planologische bezwaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is aantoonbaar voorzien in de financiering van de totale projectkosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-510\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.10</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie voor het opstellen van een transformatieplan met betrekking tot industrieel erfgoed bedraagt ten hoogste 50% van de kosten met een maximum van € 30.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie voor het laten opstellen van een transformatieplan met betrekking tot agrarisch erfgoed bedraagt eveneens ten hoogste 50% van de kosten met een maximum van € 20.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De subsidie voor de uitvoering van een transformatieplan bedraagt ten hoogste 40% van de investeringskosten van het project met een maximum van € 100.000,--.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-511\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.11</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-511a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.11a</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.14. bij de subsidieaanvraag voor een transformatieplan tevens: a. kaarten en fotomateriaal van het betreffende erfgoed en het gebied waarin het is gelegen; b. een beknopte toelichting over de cultuurhistorische waarden; c. documenten waaruit blijkt dat de desbetreffende gemeente instemt met het opstellen van het transformatieplan; d. informatie over opleiding en ervaring van de deskundige die het transformatieplan zal opstellen en begeleiden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-512\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.12</span><span class=\"lf-art-t\">Adviescommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidieaanvraag wordt voor advies voorgelegd aan de provinciale Monumentencommissie, die binne zes weken een advies aan Gedeputeerde Staten uitbrengt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-513\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.13</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">132[Toelichting: De werkzaamheden voor het opstellen van een transformatieplan, dan wel voor de uitvoering ervan, moeten binnen drie maanden na het verlenen van de subsidie zijn gestart. Een transformatieplan dient binnen zes maanden na de start te zijn afgerond. In de rapportage(s) van het project c.q. bij de uitvoering van het transformatieplan wordt duidelijk vermeld dat het project mede mogelijk is gemaakt met een subsidie uit het Stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel'. ] 1. De subsidieontvanger dient binnen drie maanden na subsidieverlening te zijn gestart met het opstellen van het transformatieplan dan wel met de uitvoering ervan 2. Het opstellen van het transformatieplan dient binnen zes maanden na de start te zijn afgerond.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidieontvanger stemt in met mogelijke publicatie van de projectresultaten door Gedeputeerde Staten.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4. Realisatie van verkeers- en vervoersprojecten</h3>\n<p class=\"lf-p\">133[Toelichting: Op grond van de Wet brede doeluitkering verkeer en vervoer (Wet BDU) ontvangt de provincie van het Rijk financiële middelen voor de uitvoering van het verkeers- en vervoersbeleid op regionaal niveau. Daardoor wordt het mogelijk op het decentrale en regionale schaalniveau een integrale afweging te kunnen maken tussen verkeers- en vervoersprojecten en maatregelen en de daarvoor in te zetten middelen. Deze financiële middelen mogen op het gehele terrein van het verkeer en vervoer worden ingezet. Het betreft onder meer de verdeling over openbaar vervoer, bereikbaarheid en verkeersveiligheid. De provincie dient op grond van de Wet BDU jaarlijks een bestedingsplan op te stellen. Bij de voorbereiding daarvan worden de gemeenten betrokken. In het bestedingsplan worden de voorgenomen uitgaven, verdeling over de beleidssectoren en reserveringen met betrekking tot de BDU-middelen opgenomen. Het bestedingsplan bevat eveneens een verdeling van de BDU-middelen over: 1maatregelen met betrekking tot het provinciaal verkeers- en vervoersbeleid die worden uitgevoerd door de provincie; 2en maatregelen met betrekking tot het gemeentelijke en intergemeentelijk verkeers- en vervoersbeleid die worden uitgevoerd door een gemeente of door een samenwerkingsverband. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-514\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.14</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">134[Toelichting: De projecten moeten passen binnen de doelstellingen uit de Omgevingsvisie Overijssel en de in het jaarlijkse bestedingsplan opgenomen accenten voor de verdeling van bijdragen aan gemeenten of samenwerkingsverband. Bij de uitvoeringsgereedheid van een project voor gedragsbeïnvloedingsprojecten wordt gedacht aan uitvoering in het kalenderjaar waarin de subsidie wordt verleend. Bij de uitvoeringsgereedheid van infrastructurele projecten wordt gedacht aan de start van de uitvoering binnen twee jaren na subsidieverlening, tenzij er volgens Gedeputeerde Staten bijzondere redenen aanwezig zijn die een later tijdstip rechtvaardigen. Het aangaan van de juridische verplichting in de vorm van gunnen wordt als start van een project beschouwd. ] 1. Gemeenten, waterschappen en samenwerkingsverbanden van gemeenten in West-Overijssel kunnen subsidie aanvragen voor het realiseren van verkeers- en vervoersprojecten. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria: het project past in de Omgevingsvisie Overijssel; het project past in het bestedingsplan als bedoeld in artikel 6 van de Wet BDU verkeer en vervoer; het project is uitvoeringsgereed.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In aanvulling op het eerste lid geldt ten aanzien van een subsidieaanvraag voor de realisatie van infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten dat de subsidiabele kosten van het project ten minste € 100.000,-- moeten bedragen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In aanvulling op het eerste lid geldt dat een subsidieaanvraag voor de realisatie van gedragsbeïnvloedingsprojecten dat het project moet passen in een vastgesteld gemeentelijk verkeersveiligheidsplan.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-515\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.15</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">135[Toelichting: Aangegeven wordt voor welke kosten wel en niet subsidie kan worden verkregen en tot welke hoogte. Het betreft hier maximale subsidiepercentages. De hoogte van de te verlenen subsidie is mede afhankelijk van de totale omvang van het project en het probleemoplossend vermogen van te leveren prestatie in relatie tot de beperkt beschikbare middelen. Planvorming, onderzoek/analyses alsmede kosten eigen dienst komen in principe niet voor subsidie in aanmerking. De verkeersongevallenconcentraties, die voor een subsidie van ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten in aanmerking komen, betreffen de ongevallenconcentraties die voorkomen op de laatst uitgegeven VOC-lijst Overijssel. Deze lijst is een gezamenlijke uitgave vande provincie Overijssel en de Regio Twente. ] 1. De subsidie voor infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten bedraagt: ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten voor openbaar vervoersprojecten en verkeersongevallenconcentratiepunten; ten hoogste 50% voor de overige infrastructuurprojecten.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie voor gedragsbeïnvloedingsprojecten bedraagt ten hoogste 75% van de projectkosten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Subsidiabele kosten als bedoeld in het eerste lid zijn: verwerving (voorzover direct voor het project nodig);</div>\n<p class=\"lf-p\">50% van het verleggen van kabels/leidingen/riolering; werkzaamheden van aanleg, bouw, wijziging of inrichting; bijkomende voorzieningen om de betrokken infrastructuur zijn functie te kunnen laten vervullen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Ten aanzien van het eerste lid worden als niet-subsidiabele kosten aangemerkt: kosten die gemaakt zijn voordat de subsidieaanvraag wordt ingediend; voorbereiding en administratie; vervanging van kabels/leidingen/riolering; directievoering en toezicht; kosten voor eigen dienst of voor algemene bestuurslasten; vervanging en beheer en onderhoud.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-516\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.16</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">136[Toelichting: Ten behoeve van een goede beoordeling van de aanvraag hebben Gedeputeerde Staten een aanvraagformulier vastgesteld dat bij de aanvraag dient te worden overlegd. Dit aanvraagformulier is op te vragen bij het team RWB Mobiliteit van de provincie. ] 1. In afwijking van artikel 1.13. wordt een subsidieaanvraag voor de realisatie van verkeers- en vervoersprojecten ingediend voor 1 november voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten kunnen voor specifieke projecten afwijken van de in het eerste lid genoemde indieningstermijnen en daarbij aangeven of voor die projecten een aanvraag moet worden ingediend en op welke wijze.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-517\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.17</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van behandeling van de aanvragen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">137[Toelichting: De in artikel 5.14 genoemde criteria zijn hiervoor richtinggevend. In het jaarlijks op te stellen bestedingsplan zullen voor de subsidieverlening de accenten worden aangegeven c.q. nader worden uitgewerkt. Onder meer zal in dat verband aan het bestedingsplan een opsomming van duurzaam veilig projecten worden toegevoegd ten behoeve van de subsidieverlening voor gedragsbeïnvloedingsprojecten. ] In afwijking van artikel 1.4. plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen, die voldoen aan de in artikel 5.15. genoemde criteria, in een prioriteitsvolgorde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-518\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.18</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.16. beslissen Gedeputeerde Staten binnen dertien weken nadat het advies van het bestuurlijk vervoerberaad West-Overijssel is ontvangen. Gedeputeerde Staten beslissen in ieder geval uiterlijk binnen zesentwintig weken nadat de indieningstermijn als bedoeld in artikel 5.16., eerst lid, is verstreken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-519\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.19</span><span class=\"lf-art-t\">Verantwoordingssystematiek specifieke uitkeringen (sisa)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">138[Toelichting: Voor de verslaglegging c.a. van de gedragsbeïnvloedingsprojecten dient gebruik te worden gemaakt van het verantwoordingsformulier. Dit formulier is op te vragen bij het team RWB Mobiliteit van de provincie Overijssel. ] 1. De subsidieontvanger voor gedragsbeïnvloedingsprojecten overlegt binnen twee maanden na afloop van het subsidietijdvak een verslag vande geleverde (deel)prestaties en de kosten daarvan.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidieontvanger voor infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten dient aan de hand van primaire documenten zichtbaar toezicht te houden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Een infrastructureel project is pas gerealiseerd als een procesverbaal van oplevering heeft plaatsgevonden en er verificatie van oplevering ter plaatse is uitgevoerd.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5. Bouwimpuls Overijssel</h3>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 6. Locatiegebonden subsidies, Stedelijke regio Zwolle-Kampen</h3>\n<p class=\"lf-p\">139[Toelichting: Op 3 oktober 2005 heeft het Rijk ten behoeve van de bouw van woningen in stedelijke regio's een nieuw Besluit locatiegebonden subsidies 2005 (BLS) vastgesteld. Het belangrijkste doel van dit besluit is het terugdringen van het woningtekort in Nederland tot 1,5% in 2010. Ter uitvoering hiervan heeft het Rijk met de provincie Overijssel en de gemeenten Zwolle en Kampen woningbouwafspraken gemaakt en middelen beschikbaar gesteld. Deze afspraken zijn vastgelegd in het Convenant woningbouwafspraken 2005 tot 2010 provincie Overijssel (provincie Overijssel, Stedelijke regio Zwolle-Kampen) en zijn het vervolg op het BLS uit 1995 (Vinex-afspraken). De provincie Overijssel verdeelt als budgethouder via de Bijzondere bepalingen Locatiegebonden subsidies, Stedelijke regio Zwolle-Kampen het geld over de gemeenten Zwolle en Kampen naar rato van de behaalde resultaten. De bijzondere bepalingen treden met terugwerkende kracht in werking tot en met 1 januari 2005 in verband met de aanvang van het tijdvak van het BLS op die datum. De bijzondere bepalingen gelden uitsluitend voor de gemeenten Zwolle en Kampen. De gegevens over de gebouwde woningen in deze gemeenten worden ontleend aan de woningstatistieken die door het Centraal Bureau voor de Statistiek zijn opgesteld. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-526\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.26</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. BLS: Besluit locatiegebonden subsidies; b. Convenant: Convenant woningbouwafspraken 2005 tot 2010 provincie Overijssel (provincie Overijssel, Stedelijke regio Zwolle-Kampen); c. Contractperiode: 2005 t/m 2009; d. Primos-prognose 2003: Prognose-, informatie- en monitoringssysteem 2003, ABF research, Delft, november 2003.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-527\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.27</span><span class=\"lf-art-t\">Criterium</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarde voor subsidie is dat gedurende de contractperiode de toevoegingen aan de woningvoorraad en de eigenbouw is gerealiseerd conform het BLS en het Convenant.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-528\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.28</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedeputeerde Staten verdelen de van het Rijk ontvangen subsidiebedragen ten behoeve van toevoegingen aan de woningvoorraad over de Stedelijke regio Zwolle-Kampen op basis van de Primos-prognose 2003: de gemeente Zwolle: 76,7%; de gemeente Kampen: 23,3%.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien door de toevoeging aan de woningvoorraad door eigenbouw hoger is dan het drempelaantal als genoemd in het Convenant ontvangt de provincie middelen van het Rijk. Deze middelen zullen worden verdeeld naar rato van het aandeel van Zwolle en Kampen van de realisatie van de in eigenbouw gerealiseerde woningen in overeenstemming met de eisen genoemd in artikel 6 van het BLS.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-529\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.29</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieverlening en voorschotverlening</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedeputeerde Staten verlenen de bijdragen aan de gemeenten, met inachtneming van de betalingsregeling van het Rijk.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Voorschotverlening door Gedeputeerde Staten vindt in afwijking van artikel 1.17. jaarlijks plaats na voorschotverlening van het Rijk conform de tot dan toe gebouwde woningen in overeenstemming met de eisen als genoemd in hoofdstuk 5 van het BLS. 140[Toelichting: Voor lid 2 geldt dat het voorschot van de provincie is gemaximaliseerd aan het betalingsritme van het Rijk aan de provincie Overijssel.]</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-530\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.30</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">141[Toelichting: Het Rijk stelt de subsidie van de provincie Overijssel vast over de toevoegingen aan de woningvoorraad in het gehele grondgebied. Dit betekent dat het Rijk de provincie Overijssel niet afrekent op basis van prestaties per gemeente, maar op basis van prestaties over het gehele grondgebied. ] 1. Uiterlijk voor 15 maart 2010 dient een eindrapport te worden ingediend over de in het tijdvak gerealiseerde aantal toevoegingen aan de woningvoorraad en gerealiseerde eigenbouw. 142[Toelichting: Voor de leden 1 en 2 geldt dat de eindrapporten van 15 maart 2010 en 2011 een verslag dienen te zijn van de geleverde prestaties en dienen gegevens te bevatten over: a. het aantal toevoegingen aan de woningvoorraad gedurende het tijdvak, evenals over de besteding van de aan hem daarvoor verleende subsidie, en b. de in het tijdvak gerealiseerde aantallen eigenbouw.] 2. Uiterlijk 15 maart 2011 dient een aanvullend eindrapport te worden ingediend over de toevoegingen aan de woningvoorraad in 2010, als bedoeld in artikel 14 BLS, en het realiseren van eigenbouw, als bedoeld in artikel 15 BLS. 143[Toelichting: Voor de leden 1 en 2 geldt dat de eindrapporten van 15 maart 2010 en 2011 een verslag dienen te zijn van de geleverde prestaties en dienen gegevens te bevatten over: a. het aantal toevoegingen aan de woningvoorraad gedurende het tijdvak, evenals over de besteding van de aan hem daarvoor verleende subsidie, en b. de in het tijdvak gerealiseerde aantallen eigenbouw.] 3. Het eindrapport en het aanvullende eindrapport gaan vergezeld van een accountantsverklaring conform de eisen als genoemd in artikel 1.19. van dit besluit en artikel 16, lid 3 BLS.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>In afwijking van artikel 1.18. en 1.22. stellen Gedeputeerde Staten na afloop van de convenantperiode de subsidie vast met inachtneming van de bepalingen van de artikelen 7 en 13 BLS en het Convenant. 144[Toelichting: Voor lid 4 geldt dat de subsidie conform artikel 13 BLS lager kan worden vastgesteld indien: a. de subsidie niet of niet geheel is besteed aan het doel waarvoor zij is verleend; b. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden; c. de ontvanger niet heeft voldaan aan de subsidie verbonden verplichtingen; d. de ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking tot subsidieverlening zou hebben geleid, of e. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de ontvanger dit wist of behoorde te weten.] 5. Indien de subsidie van een van de gemeenten lager wordt vastgesteld en over het grondgebied wordt voldaan aan de prestaties als genoemd in het BLS en het Convenant, dan worden de overgebleven middelen herverdeeld over de gemeenten Zwolle en Kampen naar rato van het aandeel van de gerealiseerde woningen.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 7. Tijdelijke stimuleringsregeling woningbouwprojecten</h3>\n<p class=\"lf-p\">145[Toelichting: In het kader van de economische crisis heeft het Rijk op grond van de Wet stedelijke vernieuwing een tijdelijke subsidieregeling ingesteld om de woningbouw te stimuleren. Belangrijke projecten op het gebied van uitbreidingsbouw en herstructurering vallen stil, zowel door een afnemende vraag als door een terughoudende opstelling van financiers en vermogensverstrekkers. Gemeenten kunnen bij het Rijk een aanvraag indienen voor projecten van koop- en huurwoningen boven de liberalisatiegrens van enige omvang en die direct als gevolg van de kredietcrisis geen doorgang vinden. Het Rijk voert de regeling uit in drie tranches. De provincie neemt ook maatregelen om de woningbouw te stimuleren en sluit omwille van eenvoud en slagvaardigheid aan bij de tranches in de rijksregeling. Bij de eerste tranche zijn de rijksbijdragen verdubbeld, voor de tweede tranche is een bijdrage van € 5.000 bovenop de rijksbijdrage verleend en ook voor de derde tranche is besloten maximaal € 5.000 euro bovenop de rijksbijdrage te verstrekken.. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-531\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.31</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">146[Toelichting: Er wordt aangesloten bij de subsidieverlening van het Rijk. Dit betekent dat indien de subsidie door het Rijk tussentijds wordt gewijzigd of wordt ingetrokken Gedeputeerde Staten hier ook toe zal besluiten. ] Gedeputeerde Staten kunnen aan gemeenten in Overijssel eenmalig een subsidie verlenen voor woningbouwprojecten die een schriftelijk verleende Rijksbijdrage hebben voor de derde tranche als bedoeld in artikel 2 van de Tijdelijke stimuleringsregeling woningbouwprojecten 2009 (Stcrt. 2009, 114) ter stimulering van de woningbouwproductie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-531a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.31a</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 5.31 voldoet aan de volgende criteria:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie draagt direct of indirect bij aan de stimulering van de woningbouw in de gemeente.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het woningbouwproject als bedoeld in artikel 5.31 betreft niet een project waarvoor in het kader van subparagraaf 5.9.2 reeds een provinciale subsidie is verstrekt.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-532\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.32</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 5.31 ten behoeve van een woningbouwproject bedraagt ten hoogste € 5.000,-- per woning waarvoor door het Rijk een bijdrage is verleend.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien het totaal aan aangevraagde subsidies als bedoeld in artikel 5.31, het beschikbare subsidieplafond overschrijdt, volgt evenredige verlaging van het subsidiebedrag per woning, genoemd in artikel 5.32 eerste lid, door het beschikbare subsidieplafond te delen door het totaal aantal woningen waarvoor een subsidie wordt aangevraagd.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-533\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.33</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.13 kan een subsidieaanvraag worden ingediend vóór 1oktober 2010.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-534\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.34</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij de aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.14 gaat een subsidieaanvraag vergezeld van een afschrift van de beschikking tot verlening van een Rijksbijdrage.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-535\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.35</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschotverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.17 kunnen Gedeputeerde Staten een voorschot verlenen van 100% van het subsidiebedrag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-536\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.36</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.19 overlegt de subsidieontvanger bij de aanvraag de beschikking tot vaststelling van de Rijksbijdrage.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-537\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.37</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieaanvrager</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien het Rijk haar beschikking tot verlening van de Rijksbijdrage wijzigt of intrekt, stuurt de gemeente binnenvier weken hiervan een afschrift aan Gedeputeerde Staten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5.8. Stimuleringsregeling Collectief particulier opdrachtgeverschap</h3>\n<p class=\"lf-p\">147[Toelichting: In aansluiting op initiatieven vanuit het ministerie van VROM wil de provincie het Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO) stimuleren. De daarvoor bestemde rijksmiddelen worden beschikbaar gesteld voor initiatieven van georganiseerde groepen huishoudens die gezamenlijk de bouw van hun toekomstige woningen ter hand nemen. Daarnaast kunnen gemeenten uit door de provincie beschikbaar gestelde middelen een subsidie krijgen het vergroten van interne deskundigheid, voor het geven van voorlichting en voor het stimuleren van initiatieven binnen de gemeente. Gedeputeerde Staten willen in aansluiting op initiatieven vanuit het ministerie van VROM - het Collectief Particulier Opdrachtgeverschap sterker dan voorheen stimuleren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De daarvoor bestemde rijksmiddelen worden via deze paragraaf beschikbaar gesteld voor initiatieven van georganiseerde groepen huishoudens die gezamenlijk de bouw van hun toekomstige woningen ter hand nemen. De CPO houdt in dat een groep particulieren, georganiseerd in een vereniging of stichting, in eigen beheer met zelf gekozen partners zonder winstoogmerk een (woning)bouwproject ontwikkelt en realiseert. Om particulieren in de opstartfase te ondersteunen zijn twee verschillende subsidies beschikbaar: - aan groepen particulieren georganiseerd in een rechtspersoon zoals een vereniging of stichting - aan gemeenten die particulieren willen ondersteunen. De subsidie aan particulieren kan bijvoorbeeld worden aangevraagd voor het inschakelen van deskundige procesondersteuning, en bijvoorbeeld een architect, ter voorbereiding van hun woningbouwplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie aan gemeenten is bedoeld voor enerzijds het stimuleren van CPO binnen de eigen gemeente en anderzijds het vergroten van de eigen kennis over CPO. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-538\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.38</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">CPO: Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-539\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.39</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedeputeerde Staten kunnen in het kader van CPO éénmalig een subsidie verlenen aan een groep particulieren voor activiteiten ter voorbereiding van een eigen woningbouwproject.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten kunnen in het kader van CPO éénmalig een subsidie verlenen aan gemeenten voor: het inhuren van externe deskundigheid dat leidt tot vergroting van interne deskundigheid, of tot stimulering van concrete activiteiten zoals bedoeld in het eerste lid.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-540\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.40</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De aanvraag als bedoeld in artikel 5.39 lid 1, wordt ingediend door een groep particulieren, georganiseerd in een vereniging of stichting.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het woningbouwproject als bedoeld in artikel 5.39 lid 1, bestaat uit minimaal drie woningen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-541\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.41</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidievorm</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten verstrekken de subsidies als bedoeld in artikel 5.39 in de vorm van een stimuleringssubsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-542\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.42</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 5.39 eerste lid bedraagt € 2.500,-- per woning met een maximum van € 25.000,-- voor het hele CPO project.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 5.39 tweede lid bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 10.000,--.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.43 aanvullende stukken bij de aanvraag In aanvulling op artikel 1.10 overlegt de aanvrager een opdrachtverlening voor activiteiten als bedoeld in artikel 5.39.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5.9. Samen bouwen aan de toekomst van Overijssel!</h3>\n<p class=\"lf-p\">148[Toelichting: Ter uitwerking van de Provinciale Omgevingsvisie 2010-2019 hebben Gedeputeerde Staten en Burgemeester en Wethouders van de Overijsselse gemeenten prestatieafspraken gemaakt over een breed pakket van onderwerpen op het gebied van bouwen en wonen. De prestatieafspraken zijn in samenwerking met gemeenten opgesteld en zijn in de eerste helft van 2010 ondertekend. Gedeputeerde Staten en de Burgemeester en Wethouders hebben afspraken gemaakt over de volgende beleidsthema's: 1Ruimtelijke kwaliteit: stimulansen voor ruimtelijke kwaliteit (cultureel erfgoed, stedenbouwkundige en architectonische ontwerpen, overgang stad en platteland en verruiming van de openbare ruimte), 2Energie &amp; duurzaamheid (energiebesparing bij de sociale sector, stimuleringsregeling particuliere sector, loket voor begeleiding particulieren, pilotprojecten), 3Woningbouwprogramma (minimaal en maximaal aantal woningen, maximale bestemmingsplancapaciteit), 4Binnenstedelijke vernieuwing (percentage binnenstedelijk en uitleg, herstructurering, bodem, geluid) 5Wonen, zorg en welzijn (realisatie van woonservicegebieden en huisvesting bijzondere doelgroepen), 6Geluid, 7Bodem en 8Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO).</p>\n<p class=\"lf-p\">Met deze subsidieregeling wordt uitvoering gegeven aan de afspraken die gemaakt zijn op het gebied van: 1binnenstedelijke vernieuwing, 2wonen, zorg en welzijn, 3geluid. Voor de prestatieafspraken onderdeel Energie &amp; duurzaamheid is subparagraaf 3.3.7 Energiebesparingsfonds woningen Overijssel, van toepassing. De prestatieafspraken voor het onderdeel ‘Collectief Particulier Opdrachtgeverschap' is paragraaf 5.8 van toepassing. De prestatieafspraken voor de onderdelen ‘Ruimtelijke Kwaliteit' en ‘Bodem' worden nader uitgewerkt. Aanvraag Indien anders bepaald in de subparagrafen van paragraaf 5.9 geldt de ondertekende prestatieovereenkomst als subsidieaanvraag. Na ondertekening van de prestatieafspraken kunnen Gedeputeerde Staten over gaan tot subsidieverlening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de subsidie als bedoeld in subparagraaf 5.9.3. en 5.9.4. moet de gemeente een beleidvisie en een uitvoeringsplan over wonen en zorg respectievelijk een uitvoeringsplan voor het te saneren A-lijst woningen als aanvulling op de prestatieafspraken in te dienen om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie. Beschikking De gemeente ontvangt voor elk beleidsthema een afzonderlijke beschikking. Jaarlijkse voortgangsrapportageJaarlijks dient de gemeente vóór 31 december een voortgangsrapportage in. Naar aanleiding van de behaalde resultaten kunnen Gedeputeerde Staten een aanvullend voorschot tav de thema's \"Binnenstedelijke vernieuwing\" en \"Wonen, zorg en welzijn\" verlenen. Voorschot Indien anders bepaald is artikel 1.17 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaststelling subsidieVoor de vaststelling van de subsidie zijn artikel 1.18, 1.19 en 1.22 van toepassing. De subsidieontvanger dient voor 1 juli 2015 een aanvraag tot vaststelling van de totale subsidie, dat verleend is op basis van deze paragraaf (5.9) in. De aanvraag tot vaststelling bestaat uit een inhoudelijk verslag en een financieel verslag. ] Subparagraaf 5.9.1. Algemeen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-544\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.44</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze subparagraaf wordt verstaan onder: prestatieovereenkomst: prestatieafspraken Wonen 2010-2015, waarin Gedeputeerde Staten en Burgemeester en Wethouders van een gemeente in de provincie Overijssel afspraken hebben gemaakt met betrekking tot de beleidsthema's; ruimtelijke kwaliteit, energie &amp; duurzaamheid, binnenstedelijke vernieuwing, wonen zorg en welzijn, geluid, bodem en Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-545\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.45</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere bepalingen over aanvraag van gemeenten</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een ondertekende prestatieovereenkomst geldt als aanvraag voor een subsidie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De indieningstermijn uit artikel 1.13 is niet van toepassing indien de aanvraag bij ondertekende prestatieafspraak wordt ingediend.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-546\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.46</span><span class=\"lf-art-t\">Jaarlijkse voortgangsrapportage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente overlegt jaarlijks vóór 31 december een schriftelijke voortgangsrapportage met betrekking tot de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten, aan de hand van de verplichte rapportage indicatoren zoals genoemd in bijlage 1 van de prestatieovereenkomst. Ingeval van subsidieverlening ex subparagraaf 5.9.2, artikel 5.49 van het UBS doet de gemeente doet hierbij tenminste een opgave van het aantal gereed gemelde woningen bij het Centraal bureau voor de Statistiek (CBS).</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.9.2. Binnenstedelijk vernieuwing</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-547\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.47</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze subparagraaf wordt verstaan onder:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>feitelijk bebouwd gebied: een gebied dat per 1 januari 2010 in de provincie Overijssel geheel is omsloten door binnenstedelijke bebouwing(sranden);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>transformatie: aanpassen- of vervangen van bestaande bebouwing met/door een andere functie dan een woonfunctie naar een woonfunctie;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>ISV I: Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing I, periode 2000 t/m 2004;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>ISV II: Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing II, periode 2005 t/m 2009;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Bouwimpuls: de subsidieregeling Bouwimpuls Overijssel vastgesteld bij besluit van Gedeputeerde Staten van 1 november 2006, kenmerk RWB/2005/3061 en ingetrokken bij besluit van Gedeputeerde Staten van 15 december 2009, kenmerk 2009/0123586;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Tijdelijke stimuleringsregeling woningbouw: subsidieregeling Tijdelijke stimuleringsregeling woningbouwprojecten vastgesteld bij besluit van Gedeputeerde Staten van 22 september 2009, kenmerk 2009/0123586;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>woning: een binnen feitelijk bebouwd gebied tot bewoning bestemd gebouw dat, vanuit bouwtechnisch oogpunt gezien, is bestemd voor permanente bewoning door één particulier huishouden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>Primos: Prognose-, Informatie- en Monitoringssysteem 2007, bevolkingsprognose opgesteld door ABF research in opdracht van het ministerie van VROM.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-548\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.48</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het realiseren van woningen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-549\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.49</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">149[Toelichting: De gemeente kan subsidie ontvangen voor de realisatie van binnenstedelijke nieuwbouwwoningen. Binnenstedelijk betekent dat de woningen worden gerealiseerd op locaties binnen de contouren van feitelijk bebouwd gebied per 1 januari 2010. Locaties aan de rand van de kern, Vinex-locaties en uitleggebieden vallen hier niet onder. Vinex locaties zijn locaties die zijn aangewezen om op korte termijn een groot aantal woningen te realiseren (Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra). Deze locaties bevinden zich buiten de bestaande bebouwde omgeving. Uitleggebieden zijn gebieden waar de functie verandert in een woon- en/of werkfunctie en daarmee een nieuw stuk stad of dorp wordt ontwikkeld buiten diens bestaande bebouwingscontouren. Meestal heeft het gebied vóór de ontwikkeling een agrarische- of een natuur bestemming. Niet subsidiabel zijn woningen die gerealiseerd worden als onderdeel van een project waarvoor Gedeputeerde Staten een subsidie hebben verstrekt in het kader van ISV I of II, de Bouwimpuls en/of de Tijdelijke stimuleringsregeling woningbouw. ] De activiteit genoemd in artikel 5.49 voldoet aan het volgende criteria: a. de woningen worden gerealiseerd binnen feitelijk bebouwd gebied; b. voor de woning is geen subsidie verleend op grond van ISV I, ISV II de Bouwimpuls of Tijdelijke stimuleringsregeling woningbouw.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-550\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.50</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">150[Toelichting: Gedeputeerde Staten verlenen een subsidie van maximaal € 5.000,-- per gerealiseerde en gereed gemelde woning. De gemeente moet de woningen gereed moet melden vóór 31 december 2014. ] De subsidie voor de activiteit zoals genoemd in artikel 5.48 bedraagt maximaal € 5.000,-- per bij het CBS gereed gemelde woning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-551\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.51</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschotverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">151[Toelichting: Voorschot bij verlening bedraagt 20% van de verleende subsidie. Dit wordt als volgt berekend: In de prestatieafspraken staat vermeld wat het aantal binnenstedelijk te realiseren woningen zijn. Stel dat dit 200 woningen zijn, dan bedraagt de subsidie 200 x €5.000,-- = € 1000.000,--. Het eerste voorschot is dan 20% van € 1.000.000,-- is € 200.000,--. Jaarlijks dient de gemeente voor 31 december een voortgangsrapportage in, waarin de gemeente onder andere rapporteert over het aantal gereed gemelde woningen bij het CBS. Naar aanleiding van deze opgave kunnen Gedeputeerde Staten een aanvullend voorschot verlenen. Stel dat uit de voortgangsrapportage over 2010 blijkt dat de gemeente 20 woningen heeft gereed gemeld in 2010, dan bedraagt het tweede voorschot 20 x 5.000,-- is € 100.000,--. ] 1. In afwijking van artikel 1.17 verlenen Gedeputeerde Staten de subsidieontvanger bij eerste subsidieverlening een voorschot van 20 % van het verleende subsidiebedrag.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Jaarlijks ontvangt de gemeente, nadat de voortgangsrapportage als bedoeld in artikel 5.46 is ontvangen, een aanvullend voorschot. Het aanvullend voorschot is gelijk aan de gereed gemelde woningen in het jaar waarover wordt gerapporteerd, maal € 5.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het totaal van het eerste voorschot ex artikel 5.51 lid 1 en de aanvullende voorschotten ex artikel 5.51 lid 2 bedraagt maximaal het verleende subsidiebedrag.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Het aanvullend voorschot wordt uitbetaald binnen dertien weken nadat de jaarlijkse voortgangsrapportage is ontvangen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-552\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.52</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente heeft de woningen gereed gemeld bij het CBS vóór 31 december 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.9.3. Wonen, zorg en welzijn 152[Toelichting: De gemeente moet de prestatieafspraken aanvullen met een beleidvisie en uitvoeringsplan ten aanzien van realisatie van woonservicegebieden. Naar aanleiding van dit uitvoeringsplan kunnen Gedeputeerde Staten een subsidie verlenen aan realisatiekosten van het uitvoeringsplan, die het langer zelfstandig wonen mogelijk maken in enigerlei vorm van een woonservicegebied. Een woonservicegebied biedt allerlei voorzieningen en of aanpasbare woningen die geschikt zijn voor zorgbehoevenden bijvoorbeeld: levensloopbestendige of 0-trede woningen. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-553\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.53</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze subparagraaf wordt verstaan onder: a. realisatiekosten: kosten die worden gemaakt voor de uitvoering van het uitvoeringsplan; b. uitvoeringsplan: een door de gemeente vastgesteld plan van aanpak ten behoeve van de realisatie van de ambitie met betrekking tot een woonservicegebied, zoals vermeld in paragraaf ‘wonen zorg en welzijn’ van de prestatieovereenkomst; c. beleidsvisie: een door de gemeente vastgesteld document waarin de gemeente formuleert op welke wijze de woonservicegebieden vorm zullen worden gegeven; d. woonservicegebied: een door de gemeente in haar beleidsvisie over wonen en zorg vastgesteld definitie voor een gebied, waarin optimale condities worden geschapen langer zelfstandig wonen mogelijk maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-554\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.54</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: a. het opstellen van een uitvoeringsplan; b. de realisatiekosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-555\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.55</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">153[Toelichting: Gedeputeerde Staten hebben een format opgesteld dat per project ingevuld dient te worden en als bijlage met het uitvoeringsplan wonen en zorg meegestuurd dient te worden. Dit kan gedownload worden van de website van de provincie Overijssel provincie.overijssel.nl/subsidie. ] 1. De activiteit genoemd in artikel 5.54 sub a voldoet aan de volgende criteria: de gemeente heeft een beleidsvisie en een uitvoeringsplan vastgesteld; en het uitvoeringsplan bevat een planning met een opleverdatum vóór 31 december 2014; en het uitvoeringsplan bevat een begroting met een financieringsplan.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De activiteit genoemd in artikel 5.54 sub b voldoet aan het volgende criterium: de gemeente voert het uitvoeringsplan uit.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-556\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.56</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">154[Toelichting: De subsidie voor de activiteit zoals genoemd in artikel 5.54. is bepaald aan de hand van de verdeelsleutel op basis van het percentage 65 plussers binnen de gemeente op 1 januari 2015 conform PRIMOS 2007. ] De subsidie bedraagt maximaal het bedrag dat genoemd is in de prestatieovereenkomst, onder paragraaf Wonen, zorg en welzijn voor het opstellen en de realisatie van het uitvoeringsplan tezamen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-557\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.57</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens bij de aanvraag voor verlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">155[Toelichting: De gemeente dient een beleidvisie en een uitvoeringsplan als aanvulling op de prestatieafspraken in te dienen om in aanmerking te kunnen komen voor de subsidie als bedoeld in artikel 5.55. ] Aanvullend op artikel 5.45 overlegt de gemeente een beleidsvisie en een uitvoeringsplan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-558\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.58</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschotverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">156[Toelichting: Voorschot bij verlening bedraagt 10% van de verleende subsidie. Dit wordt als volgt berekend: In de prestatieafspraken staat vermeld wat het maximale subsidie voor het onderdeel ‘Wonen, zorg en welzijn bedraagt. Stel dat dit € 100.000,-- is , dan bedraagt het eerste voorschot bij subsidieverlening € 10.000,--, te gebruiken voor het opstellen van het uitvoeringsplan. Het aanvullende voorschot wordt bepaald aan de behaalde resultaten blijkend uit het jaarlijkse voortgangsrapportage. Gedeputeerde Staten bepalen zelf wat het aanvullende voorschot zal zijn. ] 1. In afwijking van artikel 1.17 verlenen Gedeputeerde Staten de subsidieontvanger bij eerste subsidieverlening een voorschot van 10 % van het verleende subsidiebedrag.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Jaarlijks ontvangt de gemeente, op basis van de voortgangsrapportage als bedoelt in artikel 5.46, een aanvullend voorschot te bepalen door Gedeputeerde Staten. Het totaal van het eerste voorschot en de aanvullende voorschotten bedraagt maximaal het verleende subsidiebedrag.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het aanvullende voorschot wordt uitbetaald binnen dertien weken nadat de jaarlijkse voortgangsrapportage is ontvangen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-559\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.59</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het uitvoeringsplan wordt gerealiseerd vóór 31 december 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.9.4. Geluid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-560\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.60</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze subparagraaf wordt verstaan onder: a. A-lijst woningen: woningen die als gevolg van het wegverkeerslawaai in 1986 een geluidsbelasting op de gevel van meer dan 65 dB(A) ondervonden, niet zijnde woningen langs spoor/rijkswegen. b. uitvoeringsplan: een plan van aanpak ten behoeve van de uitvoering van de in de prestatieafspraken geformuleerde ambitie zoals vermeld in paragraaf ‘geluid’ van de prestatieovereenkomst. c. saneren: maatregelen die getroffen worden aan de gevel van de woning om de geluidsbelasting terug te brengen tot onder 65 dB(A).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-561\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.61</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">157[Toelichting: Sanering betekent het verminderen van geluidhinder door gevelisolatie of andere maatregelen die het geluidsniveau op de gevel naar beneden brengen. ] Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het saneren van A-lijst woningen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-562\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.62</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Er is een uitvoeringsplan door de gemeente vastgesteld voor de te saneren A-lijst woningen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het uitvoeringsplan bevat minimaal: een offerte voor betreffende saneringswerkzaamheden, en een getekende uitvoeringsopdracht met opleverdatum vóór 31 december 2014.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-563\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.63</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie voor de activiteit zoals genoemd in artikel 5.61 bedraagt maximaal de door het ministerie van VROM opgestelde verdeelsleutel voor de te saneren woningen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-564\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.64</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens bij de aanvraag voor verlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">158[Toelichting: De gemeente dient voor de aanvraag voor subsidie de prestatieafspraken aan te vullen met een uitvoeringsplan geluidsanering. Het gaat hierbij om geluidssanering van A-lijst woningen. ] In afwijking van artikel 5.45 gelden de prestatieafspraken pas als aanvraag indien de gemeente een uitvoeringsplan en een overzicht met de te saneren A-lijst woningen overlegt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-565\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.65</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het uitvoeringsplan wordt gerealiseerd vóór 31 december 2014.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5.10 Kwaliteitsimpuls Ruimtelijke Kwaliteit</h3>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.10.1 Algemeen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-566\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.66</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">a. Ruimtelijke kwaliteit: het resultaat van menselijk handelen en natuurlijke processen dat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is. b. Groene kwaliteit: De kwaliteit van het buitengebied met een grote verscheidenheid aan woon-, werk-, geniet- en natuurlandschappen. De groene kwaliteit heeft betrekking op het grondgebied buiten en rond steden, dorpen en de hoofdinfrastructuur. c. Rode kwaliteit: De ruimtelijke kwaliteit van de stedelijke omgeving, het bestaande gebouwde gebied van steden, dorpen, kernen en hoofdinfrastructuur.</p></div>", "next": 239752}