{"html": "<div class=\"lf-doc\"><h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3f</span><span class=\"lf-art-t\">1:1:2 1. De EHBO-er voert naast zijn werkzaamheden die voortvloeien uit de betrekking waarin hij is aangesteld de EHBO-taken naar beho-ren uit</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Er is sprake van naar behoren uitvoeren van de EHBO-taken naast de reguliere werkzaamheden als de EHBO-er voldoende in-zetbaar is geweest voor het verlenen van eerste hulp, bestaande uit EHBO en reanimatie, aan personen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe dient de EHBO-er:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>in het bezit te zijn van het Eenheidsdiploma-EHBO met de aan-tekening verbandleer en reanimatie van het Oranje Kruis;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>gebruik te maken van de uitrusting die bij de betreffende taak hoort.</div>\n<p class=\"lf-p\">Vergoedingen voor het bezit van het EHBO-diploma</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3f</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1:1:3 1. Indien de EHBO-er heeft voldaan aan de in het tweede lid van ar-tikel 3f:1:1:2 gestelde criteria, wordt hiervoor een toelage toege-kend. Het brutobedrag van deze toelage bedraagt de waarde van 220 euro bruto per jaar 2. De toelage als bedoeld in het eerste lid wordt eenmaal per jaar, in de maand januari van het jaar volgend op het jaar waarin de werk-zaamheden hebben plaatsgevonden, betaalbaar gesteld. Indien de hoogte van de vergoeding lopende het jaar wijzigt, wordt de basis-gratificatie over het jaar berekend op maandbasis.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In geval het bezit van het diploma een functie-eis is, maar dat as-pect van de functiebeschrijving niet heeft geleid tot een hogere functie-inpassing, wordt aan de betreffende EHBO-er, onder de-zelfde voorwaarden als gesteld in het eerste lid, de daarin bedoel-de toelage toegekend.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3 Bedrijfshulpverlening</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3f</span><span class=\"lf-art-t\">1:1:4 1. Aanwijzing als aspirant-bedrijfshulpverlener of aanwijzing als be-drijfshulpverlener voor onbepaald tijd wordt schriftelijk door het col-lege verleend</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In de aanwijzing wordt in ieder geval vermeld: a. de naam, voornamen, geboortedatum, geboorteplaats, adres en woonplaats van de bedrijfshulpverlener; b. de dienst waar de (aspirant)bedrijfshulp werkzaam is; c. de BHV-locatie, de taak bij de BHV en de datum met ingang van waarvan hij wordt aangewezen voor de taak bij de BHV.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Intrekking van het besluit tot aanwijzing als (aspirant)bedrijfs-hulpverlener door het college vindt plaats: a. op schriftelijk verzoek van de (aspirant)bedrijfshulpverlener; b. indien de bedrijfshulpverlener niet meer in het bezit is van een geldig BHV-diploma; c. indien het hoofd Bedrijfshulpverlening hem niet meer in staat acht op adequate wijze zijn taak uit te voeren; d. bij schorsing of ontslag van de ambtenaar.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3f</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1:1:5 1. De bedrijfshulpverlener voert naast zijn werkzaamheden die voort-vloeien uit de betrekking waarin hij is aangesteld de bedrijfshulp-verleningstaken naar behoren uit 2. Er is sprake van naar behoren uitvoeren van de werkzaamheden als de bedrijfshulpverlener voldoende inzetbaar is geweest voor de uitoefening van deze taken. Dat is het geval indien: a. de (aspirant)hulpverlener voldoende inzetbaar is geweest voor de primaire bedrijfshulpverlening zoals:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het verrichten van levensreddende handelingen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het bestrijden van branden met kleine blusmiddelen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het afvoeren van gewonden, het begeleiden van personen in geval van ontruiming en het controleren van gebouwen op de aanwezigheid van personen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe dient de bedrijfshulpverlener:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>in het bezit te zijn van het basisdiploma bedrijfshulpverlener van een door het college aangewezen exameninstituut dat daartoe gecertificeerd is;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>jaarlijks de gebouwgebonden instructie inclusief de ontrui-mingsinstructie te volgen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>gebruik te maken van de uitrusting die bij de betreffende taak hoort;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>te handelen conform de daarvoor door het college verstrek-te instructies. b. de assistent-ploegleider voldoende inzetbaar is geweest voor één van de taken genoemd onder a. en bovendien op een be-paalde locatie leiding heeft gegeven aan één of meerdere le-den van de bedrijfshulpverleningsorganisatie en bij calamiteiten als leidinggevende heeft geopereerd.</div>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe dient de assistent-ploegleider:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>in het bezit te zijn van het diploma ploegleider van een door het college aangewezen exameninstituut dat daartoe gecer-tificeerd is;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>jaarlijks de gebouwgebonden instructie inclusief de ontrui-mingsinstructie te volgen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>gebruik te maken van de uitrusting die bij de betreffende taak hoort;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>te handelen conform de daarvoor door het college verstrek-te instructies. c. de ploegleider voldoende inzetbaar is geweest voor één van de taken genoemd a. en bovendien leiding heeft gegeven aan meerdere leden van de bedrijfshulpverleningsorganisatie, even-tueel verspreid over meerdere locaties en bij calamiteiten als leidinggevende heeft geopereerd.</div>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe dient de ploegleider:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>in het bezit te zijn van het diploma ploegleider van een door het college aangewezen exameninstituut dat daartoe gecer-tificeerd is;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>jaarlijks de gebouwgebonden instructie inclusief de ontrui-mingsinstructie te volgen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>gebruik te maken van de uitrusting die bij de betreffende taak hoort;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>te handelen conform de daarvoor door het college verstrek-te instructies. d. de coördinator bedrijfshulpverlening voldoende inzetbaar is ge-weest voor het in geval van een calamiteit fungeren als aan-spreekpunt van de leden van de bedrijfshulpverleningsorgani-satie. e. het hoofd bedrijfshulpverlening voldoende inzetbaar is geweest voor:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het dagelijks leiding geven aan de bedrijfshulpverleningsor-ganisatie;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het in geval van een calamiteit fungeren als aanspreekpunt van de ploegleiders.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De bedrijfshulpverlener is voldoende inzetbaar, indien de bedrijfs-hulpverlener zich gedurende een jaar verdienstelijk maakt op het terrein van de bedrijfshulpverlening, conform het in artikel 3f:1:1:5, tweede lid, per taak binnen de BHV-organisatie bepaalde, hetgeen blijkt uit het met gunstig gevolg afleggen van een proef van be-kwaamheid inclusief het bijgewoond hebben van de gebouwge-bonden instructie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Het college ziet, op voordracht van het hoofd bedrijfshulpverlening, toe op de inzetbaarheid voor de aangewezen taak.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>BHV-curssussen, -herhalingslessen en -oefeningen worden zoveel mogelijk tijdens de normale bedrijfstijd gehouden.</div>\n<p class=\"lf-p\">Vergoeding voor BHV-activiteiten</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3f</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1:1:6 1. Indien de bedrijfshulpverlener heeft voldaan aan de voor hem gel-dende criteria van artikel 3f:1:1:4 en tijdig mutaties in zijn omstan-digheden betreffende de BHV doorgeeft ontvangt de bedrijfshulp-verlener een toelage, conform het bepaalde in artikel 3:17 De in dit artikel bedoelde bedragen zijn brutobedragen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De toelage als bedoeld in het eerste lid wordt eenmaal per jaar, in de maand januari van het jaar volgend op het jaar waarin de werk-zaamheden hebben plaatsgevonden, betaalbaar gesteld. Indien de hoogte van de vergoeding lopende het jaar wijzigt, wordt de basis-gratificatie over het jaar berekend op maandbasis.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Aan een BHV-er die naar het oordeel van het college een buiten-gewone prestatie voor de bedrijfshulpverlening heeft geleverd, kan een gratificatie worden toegekend, minimaal gelijk aan het bedrag dat door het college ter uitvoering van het vijfde lid is vastgesteld.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Alle in dit artikel genoemde vergoedingen komen ten laste van de dienst waar de desbetreffende BHV-er werkzaam is.</div>\n<p class=\"lf-p\">Aansprakelijkheid</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3f</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1:1:7 1. Bij BHV-activiteiten geldt dat de schade die de bedrijfshulpverlener of aspirant-bedrijfshulpverlener ondervindt als gevolg van een dienstongeval voor rekening van de gemeente Delft komt, indien de (aspirant)bedrijfshulpverlener zich aan de voorgeschreven vei-ligheidsvoorschriften heeft gehouden en de schade niet te wijten is aan zijn grove schuld of onvoorzichtigheid 2. Indien de bedrijfshulpverlener in het kader van BHV-activiteiten ondeskundig of onrechtmatig handelt, is de schade dientengevolge jegens derden voor rekening van de gemeente Delft. Dit laat on-verlet het bepaalde in artikel 15:1:12.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 4 ARBEIDSDUUR EN WERKTIJDEN</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4:1 1. Het college kan in overleg de feitelijke arbeidsduur per week vast-stellen op een andere omvang dat de formele arbeidsduur per week. De voor de ambtenaar geldende arbeidsduur per jaar mag hierdoor niet worden overschreden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per week.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Bij de brandweer en de wat de van toepassing zijnde dienstroos-ters betreft daarmee vergelijkbare onderdelen, kunnen van het eerste en het tweede lid afwijkende afspraken worden overeenge-komen, met dien verstande dat het bepaalde in de laatste volzin van het eerste lid van toepassing blijft.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4:2 1. In een nader door het college vast te stellen regeling worden alge-mene regels omtrent de werktijden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover ingevolge deze regeling wisselende werktijden gelden, wordt daarvoor een rooster opgesteld.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Bij de regeling van de werktijd wordt in acht genomen: a. dat geen arbeid wordt verricht op zaterdagen en zondagen, tenzij afwijking van deze regel in het belang van de dienst noodzakelijk is; b. dat de werktijden ten minste één maand voor aanvang aan de ambtenaar bekend worden gemaakt; c. dat de werktijd behoorlijk door pauze wordt onderbroken; d. dat de werktijd van een ambtenaar niet uitsluitend wordt vast-gesteld om het bepaalde in artikel 3:3, derde lid te ontwijken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Bij de brandweer, en wat betreft de van toepassing zijnde dienst-roosters daarmee vergelijkbare onderdelen, kan een van het tweede lid afwijkende regeling worden getroffen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 9 betreft uitvoering artikel 4:2 CAR en 4:2:1 UR 1. Voor wat betreft het bepalen van de werktijden op basis van het aantal krachtens aanstelling te werken uren bestaan veel varian-ten, die in twee hoofdgroepen uiteen vallen, te weten: a. Een feitelijke werkweek van 36 uur met vaste werktijden, bij-voorbeeld</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>4 dagen van negen uur, met een vaste vrije dag;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>5 dagen van 7,2 uur met vaste begin- en eindtijden, dan wel binnen een systeem van variabele werktijden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>4 dagen van acht uur en een dag van vier uur, met een vaste vrije halve dag;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>binnen een systeem van variabele werktijden overigens een werktijd van 36 uur per week, met een variabele arbeids-duur per dag.</div>\n<p class=\"lf-p\">Deze hoofdgroep kent geen roosters. Als een dergelijke werk-tijdregeling wordt ingevoerd, bestaat er ook geen roostervrije tijd. Verplichte opname van roostervrije tijd is dan ook niet mo-gelijk. b. Een werkweek van gemiddeld 36 uur per week of een werk-week van 36 uur met wisselende werktijden en wisselende roostervrije tijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze hoofdgroep is altijd sprake van een rooster, waarin de werktijden en de roostervrije tijden worden vastgelegd. Dit kan bijvoorbeeld:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>4 dagen van negen uur, met een verspringende roostervrije dag</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>4 dagen van acht uur en een dag van vier uur, met een verspringende roostervrije ochtend-/middagperiode van vier uur.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een week (of meerdere weken) met een werktijd van veer-tig uur, gevolgd door een week (of meerdere weken) met een werktijd van 32 uur en roostervrije tijd (die al of niet wisselend kan worden ingepland, aaneengesloten op in uren). Voorbeeld hiervan is een zomer- en een winterroos-ter.</div>\n<p class=\"lf-p\">Als er sprake is van een rooster, kunnen dagen, waarop de dienst (geheel of gedeeltelijk) gesloten is, ingeroosterd worden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Bij 1.a noch bij 1.b kan sprake zijn van vrij opneembare “adv-dagen” (nog los van het feit, dat die dagen met ingang van 1 janua-ri 1997 niet meer bestaan). Bij 1.a. niet, omdat de feitelijke werk-week gelijk is aan het aantal uren volgens de aanstelling, bij 1.b. niet omdat de roostervrije tijd moet worden ingeroosterd. In geval van ziekte tijdens roostervrije tijd wordt geen vervangende rooster-vrije tijd ingeroosterd. De gemeentedirecteuren zien er op toe, dat deze regel in alle gevallen gehanteerd wordt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De feitelijke werktijd, al dan niet volgens rooster, bedraagt per jaar gemiddeld 1836 uur (exclusief vakantieverlof).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Per dienstonderdeel (afdeling), kan worden bepaald op welke wijze vakantieverlof kan worden opgenomen. Belangrijkste afspraak daarbij is hoe lang van tevoren vakantieverlof moet worden aan-gemeld i.v.m. het rooster. Het vakantieverlof wordt in uren toege-kend (aantal vakantiedagen per jaar x 7,2; deeltijders naar evenre-digheid van de omvang van hun betrekking) en verleend. Bij va-kantie moeten zo veel uren vakantieverlof worden opgenomen als er volgens rooster in de vakantieperiode hadden moeten worden gewerkt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Erkend wordt, dat de tot 1 januari 1997 bestaande adv-dagen in veel gevallen als normale verlofdagen worden beschouwd, ook wat de mogelijkheden tot opname ervan betreft. Om die reden is bij de invoering van de 36-urige werkweek besloten, dat in de ge-vallen waarin volgens rooster wordt gewerkt, voor het jaar 1997** de hoeveelheid tijd, overeenkomend met 6 gemiddelde werkdagen (dat is dus 6 x 7,2 uur) bij het vakantieverlof wordt gevoegd. Die tijd is dus vrij opneembaar, volgens de regels van vakantieverlof (zie 4). [*] bij besluit van het college van 20 november 1998 is besloten, dat deze regeling ook na 1997 gehandhaafd blijft 6. Niet iedereen beschikt over roostervrije dagen (zie 1.a). Verplichte bedrijfssluiting betekent voor die categorie hetzij de verplichting vakantieverlof in te leveren, hetzij op andere dagen de benodigde uren extra te werken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>Voor verplichte gemeentebrede sluiting op bepaalde dagen (b.v. op de zogenaamde brugdagen) zal een nader besluit van het col-lege nodig zijn. Vast staat dat sommige bedrijfsonderdelen op die dagen niet kunnen (omdat b.v. het huisvuil moet worden opge-haald) of mogen (b.v. omdat dat wettelijk niet is toegestaan) slui-ten. Sommige diensten huldigen het standpunt, dat juist op die da-gen de burger “zijn zaakjes” bij de gemeente wil regelen. Wel kun-nen per dienst, in overleg met de ondernemingsraad, afspraken gemaakt worden over het aanwijzen van zogenaamde brugdagen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>Gemeentebreed geldt een bedrijfstijd op maandag tot en met vrij-dag van 08.30 tot 17.00 uur. Als buiten die tijd, in het bijzonder voor 08.00 uur wordt gewerkt, is dat onvermijdelijk of op vrijwillige ba-sis.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9.</span>De openstelling van de diensten voor het publiek is productgebon-den. Als het bedrijfsproces/-product zich daartoe leent, is de open-stelling voor het publiek op vrijdagavond van 18.00 tot 21.00 uur (en/of, onder dezelfde conditie, op zaterdagochtend gedurende een periode van maximaal drie uur).</div>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Bij de invoering van de 36-urige werkweek, per 1 januari 1997, was het wenselijk een aantal gemeentebrede afspraken te maken over de wij-ze waarop aan deze arbeidsduur vorm kan worden gegeven en de voorwaarden waaronder. De op dat moment met de vakorganisaties overeengekomen spel-regels zijn in deze bijlage ongewijzigd overgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4:2:1 1. Bij de regeling van de werktijd en haar toepassing wordt voorts zo-veel mogelijk gezorgd, dat de ambtenaar op zondag en de voor hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat hij in zijn zondagsrust zo weinig mogelijk wordt beperkt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een afwijking van de regeling van de werktijd, bedoeld in artikel 4:2, tweede lid, onder a, is voor wat betreft de zondag slechts mo-gelijk voor ten hoogste 26 zondagen per jaar.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, geldt mede voor het verrichten van arbeid op nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pink-sterdag, de beide Kerstdagen en de dag waarop de verjaardag van de Koningin wordt gevierd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, geldt, hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, ook voor kerkelijke of nationale, landelijke, regionale of plaatselijk erkende feest- of gedenkdagen die door het college zijn aangewezen als dagen, waarop de openbare dienst van de ge-meente is gesloten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Het bepaalde in dit artikel vindt voor hem die tot een kerkgenoot-schap behoort dat de wekelijkse rustdag op de sabbat of de ze-vende dag viert overeenkomstige toepassing, indien hij een daar-toe strekkende aanvraag heeft ingediend.</div>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 10 betreft uitvoering artikel 4:2:1 UR In artikel 4:2:1 van de Uitwerkingsregeling rechtspositie is bepaald, dat de ambtenaar op zondag en de voor hem geldende kerkelijke feest-dagen zijn kerk kan bezoeken en dat hij in zijn zondagsrust zo weinig mogelijk wordt beperkt. In verband hiermee is in het derde lid van dit artikel een aantal – christelijke – feestdagen genoemd als zijnde da-gen, waarop in principe niet gewerkt hoeft te worden. Voorop staat, dat religieuze rust- en feestdagen zoveel mogelijk geëerbiedigd wor-den. Wanneer een werkne(e)m(st)er tijdig aangeeft een verlofdag te willen opnemen voor de viering van een voor hem belangrijke religieu-ze feestdag, dient aan dit verzoek in principe voldaan te worden. Al-leen in geval te verwachten valt dat door inwilliging van een verzoek als hiervoor bedoeld het dienstbelang ernstig wordt geschaad zal hier-van afgeweken kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: De regels rond het zoveel mogelijk gelegenheid geven om de zon-dagsrust in acht te nemen en kerkelijke feestdagen te vieren dateren uit een tijd, dat er nog nauwelijks sprake was van een multiculturele maatschappij. Ook degenen die een niet-christelijke religie aanhangen dienen zoveel mogelijk in de gelegenheid gesteld te worden aan hun religieuze plichten te voldoen. Dit mag niet leiden tot extra verlof (ook voor hen bestaat het recht op verlof op een aantal christelijke feestdagen). Voorop staat, dat betrokkenen zoveel mo-gelijk tegemoet gekomen worden om aan hun religieuze plichten te kunnen voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 11 betreft uitvoering artikel 4:2:1, vierde lid, UR Goede vrijdag en 5 mei zijn aangewezen als dagen, waarop de open-bare dienst van de gemeente is gesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Naast de in het derde lid van artikel 4:2:1 genoemde feestdagen kunnen ook nog andere kerkelijke of nationale, landelijke, regionale of plaatse-lijk erkende feest- of gedenkdagen worden aangewezen als dagen waarop de gemeente is gesloten. In het verleden zijn hiervoor al Goede Vrijdag en 5 mei aangewezen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-2-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:2:2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien door de ambtenaar als bedoeld in artikel 3:3 arbeid op zaterdag of zondag wordt verricht, wordt hem voor elke zaterdag of zondag waarop hij arbeid heeft verricht een werkdag ter vrije beschikking ge-steld tot een aantal uren gelijk aan dat, waarop op bedoelde zaterdag of zondag arbeid is verricht Opgebouwd verloftegoed uit voormalige verlofspaarmogelijkheid Artikel 4:3 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: a. opgebouwde verloftegoed: het voor l april 2006 opgebouwde verlof in het kader van de voormalige verlofspaarmogelijkheid; b. kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed: het omzetten van het opgebouwde verloftegoed in een geldbedrag. Per ver-lofuur wordt een bedrag uitgekeerd ten hoogte van het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het opgebouwde verloftegoed wordt op verzoek van de ambte-naar door het college verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten. De ambtenaar geniet het verlof zoveel als mogelijk in een aaneengesloten periode.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De ambtenaar kan verzoeken om kapitalisatie van het opgebouw-de verloftegoed.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het college beslist of aan dit verzoek kan worden voldaan. Het verloftegoed kan enkel worden gekapitaliseerd wanneer de amb-tenaar deelneemt aan de levensloopregeling en wanneer het ge-kapitaliseerde verloftegoed wordt gestort op zijn levensloopreke-ning. Bij de kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed gelden de randvoorwaarden zoals opgenomen in de wettelijke bepalingen omtrent de levensloopregeling. Wanneer in een bepaald jaar het opgebouwde verloftegoed niet volledig kan worden gekapitaliseerd kan de ambtenaar in een volgend jaar opnieuw een verzoek indie-nen tot kapitalisatie van het resterende opgebouwde verloftegoed. Het college beslist dan of aan dit verzoek kan worden voldaan.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>In geval van ontslag op grond van artikel 8:1 wordt het resterende opgebouwd verloftegoed zoveel mogelijk opgenomen gedurende de opzegtermijn. In overeenstemming met de ambtenaar kan hier-voor de maximale opzegtermijn zonodig worden verlengd. Indien het voor de ambtenaar, in verband met het aanvaarden van een andere betrekking, niet mogelijk is om de opzegtermijn te verlen-gen, wordt het niet opgenomen resterende opgebouwde verlofte-goed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>In geval van ontslag op grond van artikel 8:3, 8:6, 8:7, 8:8 of 8:11 wordt de ambtenaar in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan het ontslag het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen. Indien dit niet mogelijk is, wordt het niet opgenomen opge-bouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tien-de lid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Ingeval van ontslag op grond van artikel 8:5a of 8:13 is de ambte-naar verplicht het resterende opgebouwde verloftegoed op te ne-men met ingang van de dag dat het voornemen tot ontslag aan de ambtenaar is meegedeeld. Het ontslag gaat in op de eerste dag na afloop van de opname van het opgebouwde verloftegoed.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>In geval van ontslag op grond van artikel 8:4 en 8:5 of 8:9 wordt het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald op grond van het tiende lid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>In het geval van overlijden van de ambtenaar wordt aan de nabe-staanden, met inachtneming van het bepaalde van artikel 8:16:2, het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9.</span>In geval het ontslag als bedoeld in de voorgaande leden een ge-deeltelijk ontslag betreft, worden tussen de ambtenaar en het col-lege nadere afspraken gemaakt over de opname van het reste-rende opgebouwde verloftegoed.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">10.</span>Indien het opgebouwde verloftegoed wordt uitbetaald, wordt dit uit-betaald naar het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar.</div>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 11a betreft uitvoering artikel 4:3 CAR Voor degenen die zijn geboren vóór 1950 geldt dat vóór 1 april 2006 gemaakte afspraken inzake verlofsparen ongewijzigd zullen worden voortgezet en dat deze groep werknemers op basis van en onder de voorwaarden van de verlofspaarregeling zoals die gold tot 1 april 2006 ook in de toekomst nog gebruik kan maken van die regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: voor deze groep biedt de levensloopregeling geen mogelijkheid om verlof te sparen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK 4A UITWISSELEN VAN ARBEIDSVOORWAARDEN Vakantie-uren uitwisselen tegen geld</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 1. De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daar-opvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie – als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid – te verminderen in ruil voor een vergoeding als bedoeld in het vijfde lid 2. Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal vakantie-uren – na vermindering op grond van het eerste lid – minimaal 144 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week, geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als minimum.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal te verminderen vakantie-uren op grond van het eerste lid maximaal 72 uur. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 36 uur per week, geldt een naar even-redigheid lager aantal uren als maximum.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe, ten-zij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen ver-zetten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen ontvangt de ambtenaar voor elk de op grond van het eerste lid verminderd va-kantie-uur een vergoeding overeenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij de aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft.</div>\n<p class=\"lf-p\">Geld uitwisselen tegen vakantie-uren</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">2 1. De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daar-opvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie – als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid – te vermeerderen tegen inlevering van een vergoeding als bedoeld in het vierde lid 2. Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal op grond van het eerste lid te vermeerderen vakantie-uren maximaal 72 uur. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week, geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe, ten-zij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen ver-zetten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen wordt op het salaris van de ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid meer verkregen vakantie-uur een vergoeding ingehouden over-eenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft.</div>\n<p class=\"lf-p\">Inhouding op salaris, salaristoelagen, eindejaarsuitkering, vakan-tietoelage of urenvergoeding</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">3 1. Het college kan op verzoek van de ambtenaar zijn salaris en de toegekende salaristoelagen, zijn eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:18a, zijn vakantietoeslag als bedoeld in artikel 6:3 of zijn vergoeding als bedoeld in artikel 4a:1, vijfde lid, verlagen voor door het college vastgestelde bestedingsmogelijkheden 2. Bij regeling van het college kunnen voor de uitvoering van het be-paalde in het eerste lid nadere voorschriften worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 11b betreft uitvoering hoofdstuk 4a van de CAR Op grond van het bepaalde in de artikelen 4a:1 en 4a:2 kunnen vakan-tie-uren tegen geld worden uitgewisseld respectievelijk geld tegen va-kantie-uren worden uitgewisseld, met inachtneming van de in die arti-kelen genoemde maximumaantal uren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het bepaalde in deze artikelen worden verzoeken als hier be-doeld toegewezen, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten. Blijkens de toelichting bij dit artikel is in ieder geval sprake van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang indien toekenning van de aanvraag leidt tot ernstige problemen: a. van financiële en organisatorische aard b. wegens het niet voorhanden zijn van voldoende werk, of c. omdat de vastgestelde formatieruimte of personeelsbegroting daartoe geen ruimte biedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft de hiervoor bedoelde situaties zal per aanvraag bezien moeten worden of er aanleiding is om niet aan een verzoek te vol-doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van genoemde artikelen dienen verzoeken vóór 1 november ingediend te worden, voor uitruil in het daaropvolgende jaar. De be-sluitvorming over verzoeken als hier bedoeld wordt aangehouden tot 1 november. Op die datum zijn alle verzoeken om uitruil bekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen bij indiensttreding in de loop van een jaar is het mogelijk om, in afwijking van het hiervoor gestelde, tussentijds een verzoek te doen tot uitruil van geld tegen vakantie-uren voor het betreffende kalenderjaar, waarbij het in artikel 4a:2 genoemde maximale aantal uren wordt be-rekend naar evenredigheid van de duur van het dienstverband in dat jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK 5A FPU GEMEENTEN EN NIEUWE SENIORENMAATREGELEN [2] [2] Bij de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1 januari 2016, zijn de met dat hoofdstuk corresponderende terminologie en verwijzingen in de overige hoofdstukken van de CARUWO aangepast. Dat geldt niet voor dit hoofdstuk; dat is in ongewijzigde vorm gehandhaafd. E.e.a. betekent dat voor verwijzingen en de betekenis van gehanteerde begrippen in dit hoofdstuk, de CARUWO van vóór 1 januari 2016 moet worden geraadpleegd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1 FPU gemeenten</h3>\n<p class=\"lf-p\">Recht op uitkering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">1 De ambtenaar die</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">a. ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:11 en b. geen gebruik maakt of heeft gemaakt van een of meer van de in hoofdstuk 5 genoemde regelingen en c. geen betrekking heeft vervuld die door de gemeente is aangewe-zen als bezwarende functie en waarvoor afwijkende regels zijn gesteld, heeft in het kader van de FPU Gemeenten recht op een Aanvulling werkgever.</p>\n<p class=\"lf-p\">Berekeningsgrondslag</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">2 1. In dit hoofdstuk wordt onder berekeningsgrondslag verstaan de pensioengrondslag zoals die is vastgesteld in januari in het jaar voorafgaand aan het moment van gebruikmaking van de aanvul-ling van de werkgever, met dien verstande dat indien de ambte-naar direct voorafgaand aan het ontstaan van het recht op een Aanvulling werkgever meer dan een betrekking vervult, voor de vaststelling van de berekeningsgrondslag wordt uitgegaan van het inkomen uit de betrekking waaruit het recht op een Aanvulling werkgever ontstaat 2. Voor de ambtenaar die een deeltijdbetrekking vervult, wordt als berekeningsgrondslag de in het eerste lid genoemde bereke-ningsgrondslag gehanteerd, vermenigvuldigd met de deeltijdfac-tor zoals genoemd in artikel 1,2, tweede lid, van het pensioenre-glement, direct voorafgaand aan het ontstaan van het recht op een Aanvulling werkgever.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogte van de Aanvulling werkgever</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">3 1. De Aanvulling werkgever bedraagt een percentage van de bere-keningsgrondslag, dat eenmalig wordt vastgesteld op het moment dat hij voor het eerst gebruik maakt van de FPU Gemeenten aan de hand van de leeftijd van de ambtenaar op 31 december 2005 en bedraagt leeftijd ambtenaar op 31 december 2005 aanvulling werkgever als percentage van de berekeningsgrondslag bij uittreden op spilleeftijd 56 6.9 57 8.0 58 9,4 59 11.3 60 14.0 61 of ouder 16.0 2. De hoogte van de aanvulling werkgever wordt actuarieel neutraal herrekend indien de ambtenaar uittreedt op een eerder of later moment dan de voor hem geldende spilleeftijd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>a. De in het tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambte-naar geboren i. vóór of op 1 april 1947: 61 jaar en twee maanden; ii. na 1 april 1947: 62 jaar en drie maanden. b. Voor zover dit leidt tot een vroegere spilleeftijd dan genoemd onder a, is de in het tweede lid genoemde spilleeftijd voor de ambtenaar die onder de FPU maatregel 42, 43, 44 FPU-jaren valt, het moment waarop hij het aantal dienstjaren van 42 jaar en twee maanden, respectievelijk 43 jaar en twee maanden, respectievelijk 44 jaar en twee maanden bereikt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vanaf 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">4 1. Voor medewerkers die vanaf 1 juli 2006 op of na de spilleeftijd gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitke-ring afgetopt op 100% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid. Als de Aanvulling werkgever niet of niet volledig tot uitkering komt wordt dat gedeelte van de Aanvulling werkgever doorge-schoven naar het ouderdoms- en nabestaandenpensioen vanaf 65 jaar 2. Voor werknemers die vanaf 1 juli 2006 vóór de spilleeftijd ge-bruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitke-ring afgetopt op 90% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b, eerste lid.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>a. de in het tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambte-naar geboren: i. vóór of op 1 april 1947: 61 jaar en twee maanden; ii. na 1 april 1947: 62 jaar en drie maanden; b. Voor zover dit leidt tot een vroegere spilleeftijd dan genoemd onder a, is de in het tweede lid genoemde spilleeftijd voor de ambtenaar die onder de FPU maatregel 42, 43, 44 FPU-jaren valt, het moment waarop hij het aantal dienstjaren van 42 jaar en twee maanden, respectievelijk 43 jaar en twee maanden, respectievelijk 44 jaar en twee maanden bereikt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die in de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">4a 1. Voor werknemers die vanaf 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 op of na de spilleeftijd van de FPU Gemeenten gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 100% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid. Bij overschrijding van 100% wordt het meerdere doorgeschoven naar het ouderdoms- en nabestaandenpensioen vanaf 65 jaar 2. Voor werknemers die vanaf 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 vóór de spilleeftijd van de FPU Gemeenten gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 90% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwe-zen naar artikel 5a:4b eerste lid.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De in het eerste en tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar geboren a. vóór of op 1 april 1947: 60 jaar b. na 1 april 1947: 61 jaar Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vóór 1 januari 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">4b 1. Onder het totaalinkomen van de ambtenaar wordt verstaan de som van</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">a. de FPU-uitkering; b. de Aanvulling werkgever; en, in het geval dat een deeltijdbe-trekking resteert na het ontslag op grond van artikel 8:11; c. de berekeningsgrondslag zoals genoemd in artikel 5a:2, eer-ste lid, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor die ontstaat op het moment dat ontslag is verleend op grond van artikel 8:11; d. de andere inkomsten uit of in verband met de resterende deeltijdbetrekking.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De Aanvulling werkgever wordt slechts uitgekeerd voor zover het totaalinkomen van de ambtenaar niet meer bedraagt dan 90% van de berekeningsgrondslag.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De beoordeling of het totaalinkomen boven 90% van de bereke-ningsgrondslag uitkomt, vindt plaats bij elk ontslag op grond van artikel 8:11.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Bij de in het eerste lid, onder a, bedoelde FPU-uitkering blijft bui-ten beschouwing dat gedeelte van de uitkering krachtens de FPU-regeling dat gebaseerd is op een individuele opbouw zoals geregeld in het pensioenreglement.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Indien de in het eerste lid, onder a, bedoelde FPU-uitkering is verminderd krachtens artikel 9 of 10 van het Reglement flexibel pensioen en uittreden (FPU) ter zake van basisuitkering en aan-vullende uitkering, respectievelijk in verband met samenloop met inkomsten uit arbeid of bedrijf, of in verband met samenloop met uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid, wordt voor de toe-passing van dit artikel uitgegaan van de onverminderde FPU-uitkering.</div>\n<p class=\"lf-p\">Einde van het recht op een Aanvulling werkgever</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">5 Het recht op een Aanvulling werkgever eindigt bij een ontslag anders dan op grond van artikel 8:11 dan wel wanneer niet langer recht be-staat op een uitkering krachtens de FPU-regeling Pensioenopbouw</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">6 De werkgever betaald aan de ambtenaar die gebruik maakt van de FPU Gemeenten een vergoeding die overeenkomt met de werkge-versbijdrage in de doorsneepremie die vereist is voor 20% pensioen-opbouw gedurende de periode dat gebruik wordt gemaakt van de re-geling. De in de eerste volzin genoemde pensioenopbouw heeft be-trekking op dat deel van de dienstbetrekking waarvoor ontslag is verleend op grond van artikel 8:11 Lokaal beleid</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">7 Het college kan een nadere regeling treffen op grond waarvan het gebruik van de FPU Gemeenten kan worden beïnvloed. Deze nade-re regeling laat onverlet de afspraken van de ambtenaar op de FPU Gemeenten</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span><span class=\"lf-art-t\">8 vervallen</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2 Pensioenopbouw bij afloop loopbaan</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">9 Indien de ambtenaar op grond van artikel 3:1, zevende lid, bij dezelf-de of een andere werkgever in de gemeentelijke sector, een andere functie met een gelijke formele arbeidsduur accepteert, blijft de pen-sioenopbouw gebaseerd op de oude inschaling</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 6 VAKANTIE, VAKANTIETOELAGE EN (ZWANGERSCHAPS- EN BEVALLINGS)VERLOF</h3>\n<p class=\"lf-p\">Vakantie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:1</span><span class=\"lf-art-t\">In elk kalenderjaar heeft de ambtenaar recht op vakantie met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6:1:1 1. De vakantie, waarop de ambtenaar recht heeft ingevolge artikel 6:1, wordt verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daarte-gen verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 6:2:4, eerste lid, dan wel toepassing wordt gegeven aan ar-tikel 6:2:6.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De vakantie wordt verleend door het college.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6:2 1. De vakantie van de ambtenaar met een volledige betrekking be-draagt ten minste 158,4 uur per kalenderjaar. Hiervan is 144 uur per kalenderjaar wettelijk verlof.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kan de ambte-naar verzoeken in het daaropvolgende kalenderjaar de arbeids-duur per jaar te mogen overschrijden met – bij een volledige be-trekking – een maximum van 50,4 uren en deze uren om te zetten in vakantie als bedoeld in het eerste lid. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het college wijst een verzoek als bedoeld in het vorige lid toe, ten-zij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen ver-zetten.</div>\n<p class=\"lf-p\">Vervaltermijn wettelijk verlof Artikel 6:2a 1. Indien in een kalenderjaar het wettelijk verlof geheel of gedeeltelijk niet is opgenomen, vervalt dit verlof 12 maanden na het einde van dat kalenderjaar, tenzij de ambtenaar tot aan dat tijdstip om medi-sche redenen redelijkerwijs niet in staat is geweest om dit vakan-tieverlof op te nemen, of dit vanwege dienstbelang niet mogelijk is geweest.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een ambtenaar kan een verzoek indienen om zijn wettelijk verlof gedeeltelijk in te zetten voor een langere verlofperiode. Het college kan daarbij de in lid 1 genoemde termijn verlengen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Verjaringstermijn bovenwettelijk verlof</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2b</span><span class=\"lf-art-t\">Indien in een kalenderjaar het bovenwettelijk verlof geheel of gedeel-telijk niet is opgenomen, verjaart dit verlof 60 maanden na het einde van dat kalenderjaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6:2:1 1. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:2 geeft het college algemene regels met betrekking tot de duur van de vakantie.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De duur van de vakantie van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week, wordt naar evenredigheid verminderd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Bij de in het eerste lid bedoelde algemene regels wordt ten aanzien van de ambtenaren of bepaalde groepen van ambtenaren voor-zien in een vermeerdering van de vakantie op grond van volbrach-te diensttijd of bereikte leeftijd, dan wel van beide, waarbij het be-paalde in het tweede lid van overeenkomstige toepassing is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De aan de ambtenaar volgens de in het eerste lid bedoelde alge-mene regelen toekomende vakantie wordt vermeerderd met 14,4 uren ten aanzien van degene, bedoeld in de artikelen 3:11 en 3:13, indien regelmatig en in belangrijke mate op onregelmatige uren wordt gewerkt, respectievelijk indien de in artikel 3:13 genoemde verplichting regelmatig en in belangrijke mate op de ambtenaar rust.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>In de gevallen waarin dit artikel niet voorziet, stelt het college bij-zondere regelen vast.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6:2:1:1 1. De duur van de vakantie van de ambtenaar met een volledige be-trekking die op of na 1 januari 1997 in dienst van de gemeente Delft is gekomen bedraagt 158,4 uren per kalenderjaar.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De duur van de vakantie van de ambtenaar met een volledige be-trekking die op 31 december 1996 reeds in dienst was van de ge-meente Delft bedraagt: a. 158,4 uren indien hij wordt bezoldigd naar salarisschaal 1 tot en met 8 als weergegeven in bijlage IIa; b. 165,6 uren indien hij wordt bezoldigd naar salarisschaal 9 of hoger als weergegeven in bijlage IIa.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6:2:1:2 1. Onverminderd het bepaalde in de hoofdstukken 6 van de Collec-tieve arbeidsvoorwaardenregeling en van de Uitwerkingsregeling rechtspositie wordt de volgens artikel 6:2:1:1 vastgestelde duur van het vakantieverlof verhoogd: a. voor de ambtenaar, die op of na 1 januari 1997 in dienst van de gemeente Delft is gekomen: van 45 tot en met 49 jaar met 7,2 uur; van 50 tot en met 54 jaar met 14,4 uur; van 55 tot en met 59 jaar met 21,6 uur; van 60 jaar en ouder met 28,8 uur; b. voor de ambtenaar, die op 31 december 1996 reeds in dienst was van de gemeente Delft: van 19 jaar met 14,4 uur; van 20 jaar met 7,2 uur; van 30 tot en met 39 jaar met 7,2 uur; van 40 tot en met 44 jaar met 14,4 uur; van 45 tot en met 49 jaar met 21,6 uur; van 50 tot en met 54 jaar met 28,8 uur; van 55 tot en met 59 jaar met 36 uur; van 60 jaar en ouder met 43,2 uur.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De ambtenaar kan aan het college verzoeken om in plaats van het verlof als bedoeld in het eerste lid een vergoeding te mogen ont-vangen over ten hoogste 21,6 uren. Deze vergoeding is gelijk aan het uurloon van de ambtenaar voor elk niet verleend vakantie-uur.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan het verzoek van de ambtenaar hiertoe alleen af-wijzen indien vanuit financieel en/of organisatorisch oogpunt daar-tegen bezwaren bestaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-1-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:1:3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ambtenaar, aan wie in verband met de aard of de omvang van zijn werkzaamheden naar het oordeel van het college bijzondere eisen worden gesteld, kan bovendien een extra vakantieverlof van ten hoogste 36 uren worden toegekend</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-1-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:1:4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het recht op verhoging van de duur van het vakantieverlof ontstaat met ingang van het kalenderjaar, waarin de ambtenaar wordt inge-deeld in de betreffende salarisschaal dan wel de vereiste leeftijd wordt bereikt Artikel 6:2:2 1. De vakantie kan worden gesplitst, maar wordt als regel voor ten minste 2/3 deel, doch in elk geval voor ten minste tien werkdagen, aaneensluitend verleend.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De vakantie wordt desverlangd zoveel mogelijk, in het bijzonder voor wat betreft de aaneengesloten periode als bedoeld in het vo-rige lid, verleend in het tijdvak van 1 mei tot 1 oktober.</div>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar wordt in de gelegenheid gesteld vakantie op te ne-men op officiële feestdagen, samenhangend met geloof en/of cul-turele achtergrond anders dan de feestdagen genoemd in artikel 4:2:1, derde lid, bij huwelijk of geregistreerd partnerschap van bloed- en aanverwanten in de eerste en tweede graad en bij ver-huizing.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De beslissing omtrent de tijdstippen waarop de vakantie zal wor-den verleend, alsmede die omtrent de tijdvakken waarin de vakan-tie eventueel zal worden gesplitst, berust bij het bestuursorgaan dat de vakantie verleent.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bij die beslissing wordt, voor zover de belangen van de dienst en die van de andere ambtenaren dit toelaten, zoveel mogelijk reke-ning gehouden met de wensen van de ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vakantieopbouw tijdens ziekte, arbeidsongeschiktheid en andere redenen van afwezigheid Artikel 6:2:3 1. De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld of wordt ontslagen heeft recht op vakantie naar rato van de tijd dat hij zijn functie vervult.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Voor de ambtenaar die door oorzaken anders dan die bedoeld in het eerste lid, niet gedurende het volle kalenderjaarzijn functie ver-vult, wordt de duur van de vakantie naar evenredigheid vermin-derd behoudens het bepaalde in het derde lid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Onverminderd het bepaalde in artikel 6:1:1, eerste lid, wordt een vermindering, bedoeld in het tweede lid, niet toegepast: a. gedurende afwezigheid wegens zwangerschap en bevalling; b. gedurende afwezigheid wegens ziekte.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Indien aan een ambtenaar op zijn verzoek vakantie wordt verleend op werkdagen, waarop hij wegens ziekte geheel of gedeeltelijk zijn arbeid niet kan verrichten, wordt het aantal vakantie-uren van de ambtenaar verminderd met het aantal uren dat hij op die dag zou werken als hij niet ziek zou zijn geweest.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Voor vakantie-uren waarop de ambtenaar aanspraak heeft, maar die met ingang van de dag van ontslag nog niet zijn verleend wordt een vergoeding gegeven. Deze vergoeding is gelijk aan het uur-loon van de ambtenaar voor elk niet verleend vakantie-uur.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6:2:4 1. Is aan de ambtenaar om redenen van dienstbelang in enig kalen-derjaar de vakantie niet of niet geheel verleend, dan wordt hem die nog niet genoten vakantie zoveel mogelijk in het eerstvolgende, doch uiterlijk voor het einde van het tweede volgende kalenderjaar verleend.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien het belang van de dienst het onvermijdelijk maakt, dat de vakantie of het aaneengesloten gedeelte daarvan wordt genoten buiten het in artikel 6:2:2 genoemde tijdvak, kan door het college de duur van de vakantie of het aaneengesloten deel daarvan met 1/3 worden verlengd.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6:2:5 1. Verleende vakantie kan worden ingetrokken, wanneer dringende redenen van dienstbelang zulks noodzakelijk maken. Indien ten gevolge daarvan de ambtenaar op een bepaalde werkdag slechts gedeeltelijk vakantie genoot, worden de genoten vakantie-uren van die werkdag niet in aanmerking genomen bij de berekening van het aantal genoten vakantie-uren.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien de ambtenaar ten gevolge van de intrekking van de vakan-tie geldelijke schade lijdt, wordt deze schade hem vergoed.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6:2:6 1. Indien in enig kalenderjaar de vakantie geheel of gedeeltelijk niet is verleend: a. op verzoek van de ambtenaar; b. als gevolg van afwezigheid wegens ziekte die niet aan de schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten of c. als gevolg van verblijf in militaire dienst anders dan voor eerste oefening, wordt de niet genoten vakantie in een volgend kalenderjaar ver-leend, tenzij het belang van de dienst of de belangen van de ande-re ambtenaren zich daartegen verzetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verzoek als bedoeld onder a kan achterwege blijven, indien de niet genoten vakantie minder is dan een nader door het college te bepalen aantal uren.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De wegens ziekte tijdens een vakantie niet genoten vakantie-uren worden als niet verleend beschouwd, indien de ambtenaar aan-nemelijk kan maken dat hij, ware hem geen vakantie verleend, op die uren verhinderd zou zijn geweest zijn functie te vervullen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het bepaalde in de voorafgaande leden geldt met dien verstande, dat de ambtenaar in enig kalenderjaar nimmer meer vakantie-uren kan opnemen dan anderhalf maal het hem bij of krachtens artikel 6:2:1 toekomende aantal uren tenzij op een desbetreffend verzoek van de ambtenaar uitdrukkelijk anders is beslist.</div>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 12 betreft uitvoering artikel 6:2:6, eerste lid UR Een verzoek om in enig kalenderjaar niet verleend vakantieverlof in een volgend jaar te mogen genieten, hoeft niet gedaan te worden in-dien het om niet meer uren gaat dan behorende bij de helft + 1 van het de ambtenaar toekomende aantal verlofuren per kalenderjaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Het is wenselijk om beperkingen te stellen aan het overschrijven van verlofdagen/-uren naar een volgend jaar. Zeker wanneer er geen sprake is van overmacht, bijvoorbeeld door ziekte. Om de ambtenaar toch in de gele-genheid te stellen in enige mate te schuiven met het verloftegoed is bepaald, dat tot een door het college te bepalen aantal uren de ambtenaar, zonder daar-toe een verzoek te hoeven doen, een restant tegoed aan verlofuren in het vol-gende kalenderjaar mag opnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het verleden is gekozen om hiervoor te hanteren de (naar boven afgeronde) helft van het tegoed op jaarbasis. Dit is een goed werkzame regeling gebleken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:7</span><span class=\"lf-art-t\">Aan de ambtenaar die tijdens zijn vakantie bepaalde voordelen welke aan zijn dienstverband zijn verbonden derft, kan deswege een ver-goeding worden toegekend</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vakantietoelage Artikel 6:3 1. De ambtenaar heeft aanspraak op een vakantietoelage voor elke maand waarover hij als zodanig salaris en de toegekende salaris-toelage(n) heeft ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een ambtenaar in de loop van een maand zijn functie gaat vervullen dan wel wordt ontslagen, ontvangt hij een evenredig deel van de vakantietoelage over die maand.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De vakantietoelage bedraagt per kalendermaand 8% van het voor de ambtenaar in die maand geldende salaris inclusief de toege-kende salaristoelage(n), met dien verstande dat aan de ambtenaar ten minste het bedrag wordt uitbetaald dat gelijk is aan de voor ambtenaren vastgestelde minimum vakantietoelage, welk bedrag bij het vervullen van een onvolledige betrekking naar evenredig-heid wordt verminderd.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6:3:1 1. De vakantietoelage, bedoeld in artikel 6:3, wordt eenmaal per ka-lenderjaar uitbetaald over de periode van 12 maanden, beginnende met de maand juni van het voorafgaande kalenderjaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in de vorige zin vindt uitbetaling ook plaats bij ontslag van de ambtenaar.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>a. Artikel 6:3, alsmede het eerste lid van dit artikel zijn niet van toepassing op de ambtenaar, die in werkelijke militaire dienst is of te werk is gesteld in de zin van artikel 9 van de Wet gewe-tensbezwaren militaire dienst. b. Aan de ambtenaar die ingevolge wettelijke verplichting anders dan voor herhalingsoefeningen als militair in werkelijke dienst is, of te werk is gesteld in de zin van artikel 9 van de Wet gewe-tensbezwaren militaire dienst en die vervangende dienst gedu-rende negen maanden heeft vervuld, wordt een bedrag uitge-keerd, dat gelijk is aan het verschil tussen het bedrag, dat hij als vakantie-uitkering uit hoofde van zijn militaire dienst of tewerk-stelling in de zin van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst ontvangt en het bedrag aan vakantietoelage – mits dit hoger is – dat hij zou hebben ontvangen indien de voorgaande leden op hem van toepassing zouden zijn en de toelage zou zijn be-rekend op basis van de volle aan zijn betrekking verbonden be-zoldiging.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Bij de toepassing van dit artikel wordt in acht genomen dat de tijd gedurende welke bij wijze van disciplinaire straf of uit hoofde van schorsing een gedeelte van het salaris en de toegekende salaris-toelage(n)wordt ingehouden buiten beschouwing wordt gelaten, in-dien en voor zover dat bij de strafoplegging of schorsing is be-paald. Artikel 8:15:2, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Met betrekking tot de uitvoering van dit artikel kan het college na-dere regelen stellen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Buitengewoon verlof Artikel 6:4 1. De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op calamitei-ten- en ander kort verzuimverlof of kraamverlof heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn salaris en de toege-kende salaristoelage(n).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke andere gevallen aan de ambtenaar door het college buitengewoon verlof met behoud van salaris en toegekende salaristoelage(n) kan wor-den verleend.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke geval-len het college buitengewoon verlof kan verlenen aan de ambte-naar die lid is van een op grond van artikel 12:1, derde lid, toegela-ten organisatie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>In de situatie dat er tijdens de non-activiteit elders pensioen wordt opgebouwd, is het verhaal van de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk aan de bijdrage die voor de ambtenaar is verschuldigd.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6:4:1 1. Het college verleent aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) op de dag dat het huwelijk of geregistreerd partnerschap van de ambtenaar wordt voltrokken.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De ambtenaar meldt ten minste twee weken tevoren aan het col-lege wanneer het huwelijk of het registreren van het partnerschap zal plaatsvinden.</div>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 13 betreft uitvoering artikel 6:4:1 UR Ambtenaren worden – voor zover de dienst dat toelaat – in de gele-genheid gesteld om zitting te nemen op een stembureau. Hiervoor wordt buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Het is vanuit maatschappelijk belang dat stembureaus worden bemenst door voldoende bekwame leden. Van oudsher wordt bij het bezetten van stembureaus een beroep gedaan op ambtenaren in dienst van de gemeen-te. Om hen in de gelegenheid te stellen te voldoen aan deze maatschappelijk relevante activiteit worden zij zoveel mogelijk in de gelegenheid gesteld zitting te nemen als lid van een stembureau en krijgen zij hiervoor buitengewoon ver-lof met behoud van bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 14 betreft uitvoering artikel 6:2:2 UR, in relatie tot artikel 6:4:1 UR Wanneer een ambtenaar verlof nodig heeft voor/bij: a. het deelnemen aan een examen dat voor de betrekking die de ambtenaar vervult van belang moet worden geacht; b. verhuizing; c. ondertrouw, de aangifte van geregistreerd partnerschap, een oriën-terende bespreking ten behoeve van het notarieel vastleggen van een relatie met een partner en bij huwelijk, het laten registreren van het partnerschap of notarieel vastleggen van een relatie met een partner; d. overlijden van bloed- en aanverwanten in de derde graad en vierde graad van de ambtenaar of diens echtgeno(o)t(e) of (geregi-streerd) partner en bij het overlijden van de echtgeno(o)t(e) of (ge-registreerd) partner van schoonzuster of zwager; e. 25-, 40- of 50-jarig ambts-, huwelijks-, geregistreerd partnerschap- of relatiejubileum van de ambtenaar, dan wel van zijn ouders, pleegouders of stiefouders of die van zijn echtgeno(o)t(e) of (gere-gistreerd) partner; f. de kerkelijke bevestiging, Eerste Heilige Communie of hiermee vergelijkbare gebeurtenissen van de ambtenaar, zijn echt-geno(o)t(e) of (geregistreerd) partner, zijn kinderen, pleeg- of stief-kinderen of die van zijn echtgeno(o)t(e) of (geregistreerd) partner; g. het verrichten van noodzakelijke formaliteiten voor de beëindiging van het huwelijk van de ambtenaar bij echtscheiding, bij ontbinding na scheiding van tafel en bed of bij vermissing, dan wel voor de ontbinding van het geregistreerd partnerschap of beëindiging van een notarieel vastgelegde relatie wordt de ambtenaar in de gelegenheid gesteld hiervoor vakantie op te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mocht op het moment waarop de gebeurtenis waarvoor verlof nodig is plaatsvindt het vakantietegoed niet toereikend zijn, dan wordt de amb-tenaar in de gelegenheid gesteld een voorschot te nemen op zijn verlof van het volgende jaar, dan wel de hiervoor te weinig gewerkte uren anderszins te compenseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Bij de versobering van de regeling voor buitengewoon verlof we-gens situaties in de privé-sfeer is de mogelijkheid om buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging te verlenen voor de hiervoor genoemde situaties ver-vallen. Om de ambtenaar toch de gelegenheid te geven om bij dergelijke ge-beurtenissen aanwezig te zijn of zaken te regelen is in deze beleidsregel, dat een tekort van verlof op enig moment het verlenen van verlof voor situaties als genoemd niet in de weg mag staan, zonder dat er buitengewoon verlof met be-houd van bezoldiging wordt verleend, en er rechtsongelijkheid zou ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 15 betreft uitvoering artikel 6:4:1 UR Wanneer ouders/verzorgers tijdens de diensttijd met kinderen mee moeten gaan bij doktersbezoek e.d., dient soepel te worden opgetre-den.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit geldt ook bij zodanige ziekte van echtgeno(o)t(e), relatiepartner of inwonende kinderen, dat verzorging nodig is, in afwachting van een andere oplossing, zoals gezinshulp. Het gebruik maken van deze mo-gelijkheid dient in overleg met de bedrijfsgeneeskundige plaats te vin-den.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: In het kader van emancipatiegericht personeelsbeleid is in het ver-leden tot deze maatregel besloten. In de praktijk werkt deze afspraak bevredi-gend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Langdurig zorgverlof Artikel 6:4:1a 1. De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op langdurend zorgverlof heeft over de uren dat hij dit verlof geniet aanspraak op doorbetaling van 50% van zijn salaris en de toegekende salaristoe-lage(n).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien de ambtenaar gedurende het langdurend zorgverlof wegens ziekte niet in staat is zijn functie te vervullen vindt geen opschor-ting van het langdurend zorgverlof plaats.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet en langer dan 7 kalenderdagen wegens ziekte niet in staat is zijn functie te vervul-len heeft met ingang van de achtste kalenderdag aanspraak op zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De duur van de vakantie van de ambtenaar die langdurend zorg-verlof geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de om-vang van het langdurend zorgverlof.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn functie te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen, wordt met ingang van de achtste kalenderdag de vermindering van de duur van de vakantie beëindigd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die langdu-rend zorgverlof geniet vindt plaats op basis van de salarisbetaling genoemd in het eerste lid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderda-gen, vindt met ingang van de achtste kalenderdag de opbouw van de vakantietoelage weer plaats op basis van het volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).</div>\n<p class=\"lf-p\">Vakbondsverlof Artikel 6:4:2 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: a. Centrales van overheidspersoneel:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de Algemene Centrale van Overheidspersoneel (A.C.O.P.);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de Christelijke Centrale van Overheids en Onderwijzend personeel (C.C.O.O.P.);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij overheid, onderwijs en instellingen (CMHF). b. Verenigingen van ambtenaren: de verenigingen van ambtenaren welke zijn aangesloten bij on-der A genoemde centrales van overheidspersoneel.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt door het college aan de ambtenaar met een volledige betrekking buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende sa-laristoelage(n) verleend: a. voor het bijwonen van algemene vergaderingen van verenigin-gen van ambtenaren of, voor zover het algemene verenigingen betreft welke ook andere groepen van ambtenaren dan ge-meentepersoneel organiseren, voor het bijwonen van algeme-ne vergaderingen van een landelijke groep van gemeenteper-soneel, indien de ambtenaar lid is van het hoofdbestuur, be-stuurslid ener landelijke groep of afgevaardigde van een afde-ling is, met dien verstande dat van elke afdeling voor iedere vijftig leden of gedeelte daarvan ten hoogste twee afgevaardig-den tot een maximum van tien afgevaardigden, verlof wordt verleend; b. voor het bijwonen van hoofdbestuursvergaderingen indien hij lid is van het hoofdbestuur van bondsraads- of bestuursraadsver-gadering en indien hij lid is van een landelijke groepsraad; c. voor het bijwonen van één algemene vergadering per kalender-jaar van de centrale organisatie waarbij de vereniging van de ambtenaar is aangesloten, indien hij als vertegenwoordiger van zijn vereniging aan die vergadering deelneemt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt door het college aan de ambtenaar mt een volledige betrekking buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende sa-laristoelage(n) verleend: a. om, indien hij daartoe door een centrale van overheidsperso-neel als bedoeld in het eerste lid, onder a of door een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen ­ om bestuurlijke en/of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen die centrale of die daarbij aangesloten vereniging, onderscheidenlijk binnen het gemeentelijk appa-raat, welke ertoe strekken de doelstellingen van deze cen-trale van overheidspersoneel en/of de daarbij aangesloten vereniging te ondersteunen, het geheel voor ten hoogste 216 uren per kalenderjaar; ­ als vakbondsconsulent, voor ten hoogste 50 uur per jaar voor een organisatie met minder dan 400 medewerkers en ten hoogste 100 voor een organisatie met meer dan 400 medewerkers. ­ als arbeidsvoorwaardenadviseur voor ten hoogste 50 uur per jaar voor een organisatie met minder dan 400 mede-werkers en ten hoogste 100 uur voor een organisatie met meer dan 400 medewerkers met dien verstande dat per vakcentrale per organisatie verlof wordt toegekend aan maximaal een arbeidsvoorwaardenadviseur. b. voor het – op uitnodiging van een vereniging van ambtenaren – als cursist deelnemen aan een cursus welke door of ten be-hoeve van de leden van die vereniging van ambtenaren wordt gegeven, alles te samen voor ten hoogste 43,2 uren per twee kalenderjaren.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Van het buitengewoon verlof met behoud van beloning van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur, wordt het aantal uren genoemd in het derde lid onder a. en b., naar evenredigheid verminderd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Het verlof als bedoeld in het tweede en derde lid tezamen kan voor de ambtenaar met een volledige betrekking niet meer bedragen dan ten hoogste 244,8 uren per kalenderjaar, echter met dien ver-stande dat ten hoogste 316,8 uren verlof kan worden verleend aan de ambtenaar die: a. lid is van het hoofdbestuur van een centrale van overheidsper-soneel, genoemd in het eerste lid onder a, nr. 1 of 2, en/of van een vereniging van ambtenaren die rechtstreeks bij die centrale is aangesloten; b. lid is van het centrale bestuur van de centrale genoemd in het eerste lid onder a, nr. 3, en/of bestuurslid is van een sector van de centrale.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het buitengewoon verlof met behoud van beloning van een amb-tenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur, wordt het aantal uren genoemd in het der-de lid onder a. en b., naar evenredigheid verminderd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Verlof bedoeld in de vorige leden kan slechts worden verleend aan de ambtenaar die lid is van een vereniging van ambtenaren als bedoeld in het eerste lid, onder b.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als lid van de commissie als be-doeld in artikel 12:1, tweede lid, buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) verleend voor het bijwonen van de vergadering van die commissie, alsmede voor een voorvergadering per uitgeschreven commissievergadering.</div>\n<p class=\"lf-p\">Hetgeen ten aanzien van de voorvergadering is bepaald, geldt eveneens voor de ambtenaar die door de vereniging van ambtena-ren waarvan hij lid is, is aangewezen als plaatsvervangend lid van de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>Het college kan omtrent het bepaalde in dit artikel nadere regelen stellen, waarbij het te verlenen verlof als bedoeld in het tweede, derde en vijfde lid, op een lager aantal uren kan worden gesteld.</div>\n<p class=\"lf-p\">Kortdurend zorgverlof Artikel 6:4:3 1. De ambtenaar met een volledige betrekking kan voor maximaal 72 uur per 12 achtereenvolgende maanden aanspraak maken op kortdurend zorgverlof op grond van de Waz.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het maximum van 72 uur, als genoemd in het eerste lid, wordt voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formeel betrek-kingsomvang van minder dan 36 uur per week naar evenredigheid verminderd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het verlof komt voor de helft voor de rekening van de werkgever en voor de helft voor de rekening van de ambtenaar.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Het college bepaalt in overleg met de ambtenaar nader de wijze waarop de verrekening van het verlof met hem plaatsvindt. Verre-kening met de vakantie bedoeld in artikel 6:2 is mogelijk.</div>\n<p class=\"lf-p\">Non-activiteit Artikel 6:4:4 1. Bij non-activiteit zoals bedoeld in artikel 125c, eerste lid van de Ambtenarenwet bestaat geen recht op doorbetaling van de salaris en de toegekende salaristoelage(n) en vakantietoelage.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien de ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming of verkiezing als bedoeld in artikel 125c, tweede lid van de Ambtenarenwet aan-spraak heeft op een vaste vergoeding, niet zijnde een onkosten-vergoeding, wordt op zijn salaris en de toegekende salaristoela-ge(n) over de tijd dat hij het op grond van het eerste lid verleende verlof geniet, een inhouding toegepast. Deze inhouding gaat het-geen hij geacht kan worden te ontvangen als vergoeding voor de met het verlof overeenkomende tijd niet te boven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het college kan ter uitvoering van de vorige leden nadere regels vaststellen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Overige redenen buitengewoon verlof</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan aan een ambtenaar op diens verzoek, met behoud van het genot van zijn gehele of gedeeltelijke salaris en de toegekende salaristoelage(n) en al dan niet onder bepaalde nadere voorwaarden, verlof verlenen om andere redenen dan die welke zijn genoemd in ar-tikel 6:4 tot en met artikel 6:4:4. Het verlof wordt verleend voor maxi-maal één jaar Artikel 6:4:5a 1. Het college kan aan de ambtenaar om andere redenen dan op diens verzoek buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging voor een bepaalde periode verlenen wanneer het belang van de dienst dit vereist.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De in het eerste lid bepaalde periode bedraagt maximaal een maand. In bijzondere gevallen kan die periode, na overleg met de betrokken ambtenaar, voor het verstrijken van die termijn worden verlengd tot maximaal drie maanden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Een besluit als hier bedoeld wordt schriftelijk en gemotiveerd aan de ambtenaar bekend gemaakt.</div>\n<p class=\"lf-p\">De Ondernemingsraad wordt geïnformeerd over een besluit als hier bedoeld, waarbij de privacy van de betrokken ambtenaar wordt gegarandeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6:4:5b 1. Het college kan aan de ambtenaar die benoemd is tot bezoldigd bestuurder van een vereniging van ambtenaren op diens verzoek onbetaald verlof verlenen voor de duur van de vervulling van de functie voor ten hoogste twee jaren.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de pensi-oenpremies en de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het verhaal naar rato vastge-steld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten hoogste drie maanden is verleend.</div>\n<p class=\"lf-p\">Buitengewoon verlof is geen vakantie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:6</span><span class=\"lf-art-t\">Het buitengewoon verlof dat volledig doorbetaald wordt, wordt niet in mindering gebracht op de vakantie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ouderschapsverlof Artikel 6:5 1. De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op ouder-schapsverlof, heeft, voor zover lokaal een regeling betaald ouder-schapsverlof is of wordt vastgesteld, over de uren dat hij dit verlof geniet, maar ten hoogste over 13 maal de formele arbeidsduur per week, aanspraak op doorbetaling van een percentage van zijn sa-laris en de toegekende salaristoelage(n).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het percentage bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de ambte-naar die wordt gesalarieerd volgens: a. schaal 1: 90%; b. schaal 2: 85%; c. schaal 3: 80%; d. schaal 4: 70%; e. schaal 5: 60%; f. schaal 6 en hoger: 50%.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het is niet toegestaan dat de ambtenaar gedurende de uren dat het betaald ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid verricht. Het college kan hieromtrent nadere regels stellen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Op de ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op ouder-schapsverlof is artikel 6:9 niet van toepassing.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>De ambtenaar kan op grond van onvoorziene omstandigheden een verzoek indienen om toegekend ouderschapsverlof niet op te nemen. Tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen ver-zet, stemt het college hiermee in. Instemming heeft tot gevolg dat het resterende ouderschapsverlof wordt opgeschort.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5:1</span><span class=\"lf-art-t\">vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Meerlingen Artikel 6:5:2 1. Bij twee- of meerlingen bestaat slechts voor één kind aanspraak op betaald ouderschapsverlof.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De bepalingen uit artikel 6:5:1, 6:5:3, 6:5:4 en 6:5:7 zijn van over-eenkomstige toepassing indien er, voor het tweede en de meerde-re kinderen van een twee- of meerling, gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid onbetaald ouderschapsverlof te genieten.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6:5:3 vervallen Opbouw vakantie en vakantie-toelage Artikel 6:5:4 1. De duur van de vakantie van de ambtenaar die ouderschapsverlof geniet, wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het ouderschapsverlof.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn functie te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 14 kalenderda-gen, wordt met ingang van de vijftiende kalenderdag de verminde-ring van de duur van de vakantie beëindigd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die ouder-schapsverlof geniet vindt plaats op basis van de salarisbetaling, die tijdens dit ouderschapsverlof wordt uitbetaald.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 14 kalender-dagen, vindt met ingang van de vijftiende kalenderdag de opbouw van de vakantietoelage weer plaats op basis van het volledige sa-laris en de toegekende salaristoelage(n).</div>\n<p class=\"lf-p\">Terugbetaling Artikel 6:5:5 1. De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen zes maanden daarna ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:1, eerste lid, of artikel 8:13, is verplicht het salaris en de toegekende salaristoelage(n), die hij op grond van artikel 6:5 heeft genoten, terug te betalen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Geen terugbetalingsverplichting ontstaat indien het ontslag als be-doeld in artikel 8:1, eerste lid: a. het gevolg is van het aanvaarden van een dienstverband bij een andere gemeente; b. en evenmin indien de betrokkene aanspraak heeft op een uit-kering krachten de Werkloosheidswet, vanwege werkloosheid, die is ontstaan doordat de ambtenaar ontslag heeft gevraagd omdat hij de echtgenoot of geregistreerde partner volgt, die door geheel buiten hem liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet wijzigen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen drie maanden daarna op eigen verzoek een functie aan-vaardt voor minder uren dan hij direct voorafgaande aan het ou-derschapsverlof vervulde, is verplicht het salaris en de toegekende salaristoelage(n), die hij op grond van artikel 6:5 heeft genoten over de uren waarmee zijn aanstelling wordt verminderd, terug te betalen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De ambtenaar die van het betaald ouderschapsverlof gebruik maakt, dient zich tevoren schriftelijk of digitaal akkoord te verkla-ren met het in het eerste en derde lid bepaalde.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6:5:6 vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5:7</span><span class=\"lf-art-t\">Voor gevallen waarin deze regeling niet of niet naar billijkheid voorziet, kan het college een bijzondere regeling treffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overgangsrecht ouderschapsverlof Artikel 6:6 vervallen Zwangerschaps- en bevallingsverlof Artikel 6:7 1. De vrouwelijke ambtenaar die op grond van de Waz zwanger-schaps- en bevallingsverlof geniet, heeft gedurende dit verlof aan-spraak op doorbetaling van haar volledige salaris en de toegeken-de salaristoelage(n).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De Waz-uitkering van het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van het eerste lid recht heeft.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De ambtenaar is, wanneer zij recht heeft op zwangerschaps- en bevallingsverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de uitbetaling van de Waz-uitkering door gemeente bij en door het UWV.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de vrouwelijke ambtenaar de Waz-uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, danwel het recht op de Waz-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan haar schuld of toedoen te wijten is, wordt de Waz-uitkering op het salaris en de toegekende salaristoelage(n) in mindering gebracht.</div>\n<p class=\"lf-p\">Adoptie- en pleegzorgverlof Artikel 6:8 1. De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op adoptie- of pleegzorgverlof, heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbe-taling van zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De Waz-uitkering van het adoptie- of pleegzorgverlof wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van het eerste lid recht heeft.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De ambtenaar is, wanneer hij recht heeft op adoptie- of pleegzorg-verlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de uitbetaling van de Waz-uitkering door de gemeente bij en door het UWV.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de ambtenaar de Waz-uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opge-legd, danwel het recht op de Waz-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt de Waz-uitkering op het salaris en de toegekende salaristoe-lage(n) in mindering gebracht.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Het adoptie- en pleegzorgverlof schort de termijnen, bedoeld in ar-tikel 7:3, niet op.</div>\n<p class=\"lf-p\">Onbetaald verlof onder meer t.b.v. de gemeentelijke levensloop-regeling Artikel 6:9 1. De ambtenaar die langer dan een jaar in dienst is van de gemeen-te kan het college verzoeken hem onbetaald verlof te verlenen voor een periode van tenminste 1 maand en ten hoogste 18 maanden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De ambtenaar geniet in een periode van vijf jaar maximaal 18 maanden onbetaald verlof.</div>\n<p class=\"lf-p\">Per jaar heeft de ambtenaar recht op maximaal één periode van onbetaald verlof.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het college kan afwijken van de in het eerste en tweede lid gestel-de voorwaarden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Het verzoek van de ambtenaar heeft betrekking op de volledige arbeidsduur of op een deel daarvan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>De ambtenaar dient het verzoek ten minste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum in. Het college stelt vast hoe het verzoek wordt ingediend.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Het college beslist zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee maanden na ontvangst van het verzoek. De ambtenaar ontvangt schriftelijk bericht van de beslissing van het college.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>Indien de ambtenaar betaalde arbeid verricht over de uren dat hij onbetaald verlof geniet, kan het college het verlof intrekken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>Onverminderd het zevende lid kan het onbetaalde verlof niet tus-sentijds worden beëindigd tenzij het college en de ambtenaar hiermee instemmen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9.</span>Het college kent een verzoek om onbetaald verlof dat betrekking heeft op een periode direct voorafgaand aan de pensionering toe, tenzij zwaarwegende dienstbelangen zich daartegen verzetten. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt het verlof ver-leend voor een periode van maximaal drie jaren.</div>\n<p class=\"lf-p\">Aanspraken tijdens het verlof Artikel 6:10 1. De duur van de vakantie van de ambtenaar die onbetaald verlof geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het onbetaald verlof.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedurende de periode van verlof bestaat geen aanspraak op uit-keringen, tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en (kosten)ver-goedingen. Bij deeltijd verlof wordt dit naar rato vastgesteld.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Gedurende de periode van het verlof bestaat aanspraak op de ge-hele vergoeding als bedoeld in artikel 7:24a.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de pensi-oenpremies en de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het verhaal naar rato vastge-steld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten hoogste drie maanden is verleend.</div>\n<p class=\"lf-p\">Samenloop met ziekte Artikel 6:11 1. Het verlof van de ambtenaar die voor een deel van zijn betrekking onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, eindigt met ingang van de vijftiende kalenderdag.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het college kan besluiten het verlof van de ambtenaar die volledig onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, in schrijnende gevallen te beëindigen. Dit kan niet wanneer er sprake is van verlof voorafgaand aan pensionering.</div>\n<p class=\"lf-p\">Samenloop met zwangerschap- en bevallingsverlof</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:12</span><span class=\"lf-art-t\">Het onbetaalde verlof eindigt op de eerste dag van het zwanger-schaps- en bevallingsverlof</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 6a DE GEMEENTELIJKE LEVENSLOOPREGELING</h3>\n<p class=\"lf-p\">Begripsomschrijvingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">a. gemeentelijke levensloopregeling: een regeling als bedoeld in arti-kel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964; b. instelling: een door de ambtenaar gekozen kredietinstelling of ver-zekeraar als bedoeld in artikel 19g, vierde lid, Wet op de loonbelas-ting 1964; c. levenslooprekening: een bij de instelling door de ambtenaar ge-opende geblokkeerde rekening, waarop de inleg van de ambte-naar wordt gestort; d. levensloopverzekering: een bij de instelling door de ambtenaar af-gesloten verzekering, waarop de inleg van de ambtenaar wordt gestort; e. levenslooptegoed: het tegoed op een levenslooprekening onder-scheidenlijk het verzekerd kapitaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">2 De bepalingen van dit hoofdstuk hebben ten doel het treffen van een voorziening in geld uitsluitend ten behoeve van de financiering van een periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof door de ambtenaar. De gespaarde voorziening blijft qua omvang binnen de grenzen van arti-kel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964 Verzoek tot deelname levensloopregeling</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">3 1. De ambtenaar die deel wil nemen aan de gemeentelijke levens-loopregeling meldt dit bij het college</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de derde kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan de ei-sen zoals genoemd in artikel 6a:4.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.</div>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden deelname levensloopregeling</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">4 1. De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de instelling waarbij de levenslooprekening of de levensloopverzekering wordt aangehouden</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een le-venslooptegoed heeft opgebouwd bij een of meer gewezen inhou-dingsplichtigen tenzij een andere werkgever bij wie de ambtenaar in dienst is geacht wordt inhoudingsplichtig te zijn ten aanzien van dit levenslooptegoed.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling aan het college informatie verstrekt over de omvang van het levensloopte-goed van de ambtenaar tenzij dit levenslooptegoed geacht wordt te zijn opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige bij wie de amb-tenaar in dienst is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij gedu-rende zijn deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling niet deelneemt aan een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 Wet op de loonbelasting 1964.</div>\n<p class=\"lf-p\">Inleg</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">5 1. De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de gemeentelijke levensloopregeling het gewenste bedrag van de in-leg per jaar</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De ambtenaar kan eenmaal per jaar op een door het college aan-gewezen wijze en tijdstip de hoogte van de inleg wijzigen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De inleg bestaat uit een of meerdere van de in artikel 6a:6 ge-noemde bronnen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bronnen</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">6 De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de gemeentelij-ke levensloopregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">bestaat uit een of meer van de volgende bronnen: a. het salaris; b. de vakantietoelage; c. de eindejaarsuitkering; d. de levensloopbijdrage als genoemd in artikel 6a:7; e. de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren als bedoeld in artikel 4a:1; f. het opgebouwde verloftegoed bedoeld in artikel 4:3 lid 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Levensloopbijdrage</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">7 1. De ambtenaar die geboren is na 31 december 1949, met uitzonde-ring van de ambtenaar die in 2005 55 jaar is geworden en die in deeltijd met FPU is gegaan, heeft recht op een levensloopbijdrage ten bedrage van 1,5% van het voor hem in een kalenderjaar gel-dende salaris op jaarbasis. De bijdrage bedraagt bij een volledig dienstverband minimaal € 400. Bij een deeltijd betrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De levensloopbijdrage wordt tevens uitgekeerd aan ambtenaren die zijn geboren voor of op 31 decem-ber 1949 en die geen recht hebben op een uitkering zoals bedoeld in hoofdstuk 5a 2. In afwijking van het eerste lid is de levensloopbijdrage 2,5% indien en voor zolang hoofdstuk 9a op de ambtenaar van toepassing is.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De levensloopbijdrage bedoeld in het tweede lid wordt gedurende maximaal 20 jaar verstrekt. Hierna ontvangt de ambtenaar de le-vensloopbijdrage bedoeld in het eerste lid. De levensloopbijdrage van 2,5% kan na 20 jaar voortgezet worden, indien artikel 9a:9, eerste lid, onderdeel b, van toepassing is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De levensloopbijdrage wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december betaald.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Bij indiensttreding na 1 augustus van een kalenderjaar bouwt de ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een levensloopbij-drage op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling van de le-vensloopbijdrage plaats over het gedeelte van het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is geweest.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>De levensloopbijdrage behoort tot het percentage, bedoeld in het eerste lid, tot het pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1, lid 1, sub g van het pensioenreglement van de Stichting Pen-sioenfonds ABP.</div>\n<p class=\"lf-p\">Uitbetaling Levensloopbijdrage 2008</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">7a De levensloopbijdrage, bedoeld in artikel 6a:7, wordt voor het kalen-derjaar 2008 als gevolg van het uitbetalingsmoment van juli naar de-cember berekend over de maanden augustus 2007 tot en met de-cember 2008. De bijdrage bedraagt bij een volledige betrekking mini-maal € 567. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato vast-gesteld Beëindiging deelname levensloopregeling</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">8 1. Het college beëindigt de deelname aan de levensloopregeling ui-terlijk twee maanden na ontvangst van de kennisgeving hiertoe door de ambtenaar. Het college stelt vast hoe de kennisgeving moet plaatsvinden 2. Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling eindigt daar-naast: a. bij overlijden van de ambtenaar; b. bij ontslag van de ambtenaar; c. op de dag voorafgaand aan die waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opname levenslooptegoed</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">9 1. Over het levenslooptegoed wordt uitsluitend beschikt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">a. ten behoeve van de uitbetaling van een uitkering tijdens een periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof op grond van de Wet arbeid en zorg en hoofdstuk 6; b. ten behoeve van het omzetten van het levenslooptegoed in een aanspraak ingevolge artikel 16.6. van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, voor zover de fiscale grenzen in de Wet op de loonbelasting 1964 niet worden over-schreden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken meldt de ambtenaar tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsda-tum het college dat hij wil beschikken over (een deel van zijn) le-venslooptegoed. Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het levenslooptegoed mag geheel of gedeeltelijk worden afge-kocht in geval van beëindiging van het dienstverband.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Met inachtneming van het derde lid, wordt het levenslooptegoed niet afgekocht, vervreemd, prijsgegeven dan wel formeel of feite-lijk als voorwerp van zekerheid gesteld anders dan ten behoeve van de in artikel 61 k Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 be-doelde verpanding ten behoeve van de belastingdienst bij buiten-landse aanbieders.</div>\n<p class=\"lf-p\">Slotbepaling</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">10 Dit hoofdstuk is niet van toepassing op ambtenaren bedoeld in hoofd-stuk 9 en 9b, met uitzondering van de ambtenaar op wie paragraaf 5 van hoofdstuk 9b van toepassing is</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 7 AANSPRAKEN BIJ ONGESCHIKTHEID WEGENS ZIEKTE OF GEBREK</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1 Definities</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7:1 1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en be-kwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij aanvaar-ding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd; b. werkzaamheden in het kader van de reïntegratie: toonvormen-de arbeid, die specifiek gericht is op terugkeer in de eigen dan wel passende arbeid waarover afspraken zijn vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9, derde lid; c. scholing in het kader van de reïntegratie: scholing die gericht is op terugkeer in de eigen dan wel passende arbeid waarover af-spraken zijn vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in arti-kel 7:9, derde lid; d. arbeidsongeschiktheid in en door de dienst: arbeidsongeschikt-heid wegens ziekte of gebreken die in overwegende mate haar oorzaak vindt in:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de bij-zondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht of;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>in een dienstongeval verband houdende met de aard van de opgedragen werkzaamheden of de bijzondere omstan-digheden waarin deze werkzaamheden moesten worden verricht; en die niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wij-ten; e. restverdiencapaciteit: het door UWV vast te stellen inkomen dat de ambtenaar met zijn vaardigheden en bekwaamheden, gelet op zijn beperkingen, nog kan verdienen; f. arbodienst: een dienst als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet; g. inactieve: de oud-ambtenaar met een WW-uitkering, aanvul-lende uitkering, nawettelijke uitkering, WAO-uitkering, WIA-uitkering of wachtgelduitkering, die direct voorafgaand aan de uitkering in dienst was van een gemeente; h. postactieve: de oud-ambtenaar met een uitkering functioneel leeftijdsontslag, FPU-uitkering, ouderdomspensioen van het ABP of ABP keuzepensioen, die direct voorafgaand aan deze uitkering of dit pensioen in dienst was van een gemeente of in-actieve was.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht ge-nomen.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2</span><span class=\"lf-art-t\">Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot bedrijfsge-neeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Arbo-dienst Artikel 7:2:1 De gemeente laat zich bijstaan door een arbo-dienst of gecertificeerd deskundige(n).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedrijfsgeneeskundige begeleiding Artikel 7:2:2 1. De ambtenaar heeft het recht op bedrijfsgeneeskundige begelei-ding overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De bedrijfsgeneeskundige begeleiding van de ambtenaar ge-schiedt door een arbo-dienst of gecertificeerd deskundige(n), overeenkomstig door het college te stellen regels.</div>\n<p class=\"lf-p\">Consulteren arts door ambtenaar Artikel 7:2:3 De ambtenaar heeft het recht een arts van de arbo-dienst recht-streeks te consulteren ter zake van gezondheidsproblemen die naar zijn mening met zijn arbeidssituatie kunnen samenhangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Periodiek geneeskundig onderzoek Artikel 7:2:4 De ambtenaar die in verband met de uitoefening van zijn werkzaam-heden aan bijzonder gevaar voor zijn gezondheid blootstaat, dan wel voor een goede vervulling van zijn betrekking aan bijzondere gezond-heidseisen moet voldoen, is verplicht zich aan een periodiek genees-kundig onderzoek te onderwerpen, indien zulks naar het oordeel van het college, na overleg met de arbo-dienst, noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geneeskundig onderzoek Artikel 7:2:5 1. Het college is bevoegd de arbo-dienst opdracht te geven de amb-tenaar aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen: a. indien naar het oordeel van het college redelijkerwijs aanleiding bestaat tot twijfel aan een goede gezondheidstoestand van de ambtenaar; b. indien de ambtenaar niet of niet langer volledig geschikt is ge-bleken voor het naar behoren vervullen van zijn functie, zulks ten einde na te gaan of hiervoor medische oorzaken zijn aan te wijzen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De ambtenaar is verplicht zich aan een onderzoek, bedoeld in het eerste lid, te onderwerpen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Buitendienststelling Artikel 7:2:6 1. Indien bij een onderzoek, bedoeld in artikel 7:2:4 of in artikel 7:2:5 blijkt van een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand van de ambtenaar, dat naar het oordeel van de arbo-dienst de belangen van de ambtenaar, die van de dienst of van bij de dienstuitoefening betrokken derden zich tegen voortzetting van zijn werkzaamheden verzetten, wordt de ambtenaar door het college buiten dienst ge-steld.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, vindt niet plaats indien, naar het oordeel van de arbo-dienst, de lichamelijke of geestelijke toestand van de ambtenaar het wenselijk maakt dat hij tijdelijk met andere werkzaamheden wordt belast, indien en voor zover deze voorhanden zijn. In dat geval is artikel 7:18:1 van over-eenkomstige toepassing.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de toepassing van de overige artikelen van dit hoofdstuk gelijkgesteld met een verhindering wegens ziekte.</div>\n<p class=\"lf-p\">Maatregelen of voorzieningen in belang herstel ambtenaar Artikel 7:2:7 1. Indien daartoe naar het oordeel van de arbo-dienst aanleiding be-staat, verzoekt het college het UWV de ambtenaar in aanmerking te laten komen voor maatregelen of voorzieningen in het belang van het herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van het behoud, het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De ambtenaar wordt van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk in kennis gesteld.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3 Aanspraken bij ziekte</h3>\n<p class=\"lf-p\">Recht op bezoldiging Artikel 7:3 1. De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek vanaf de eerste dag van die ongeschiktheid gedurende de eerste zes maanden recht op doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid gedu-rende de zevende tot en met de twaalfde maand recht op doorbe-taling van 90% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 12 maanden gedurende de dertiende tot en met de vierentwintigste maand recht op doorbetaling van 75% van zijn salaris en de toe-gekende salaristoelage(n).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 24 maanden tot het einde van zijn dienstverband recht op doorbeta-ling van 70% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n) 5. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder ziekte ook ge-breken verstaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>De ambtenaar heeft recht op de doorbetaling van zijn volledige sa-laris en de toegekende salaristoelage(n)over de uren waarop hij: a. zijn arbeid verricht; b. passende arbeid verricht; c. werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie verricht; d. scholing volgt in het kader van zijn reïntegratie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>De ambtenaar behoudt na afloop van de termijn van zes maanden recht op de doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegeken-de salaristoelage(n)bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>De ambtenaar bedoeld in het derde en vierde lid, die ten minste 50% van zijn formele arbeidsduur zijn arbeid, passende arbeid, werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie verricht of scho-ling volgt in het kader van zijn reïntegratie, genoemd in het zesde lid van dit artikel, heeft recht op een extra percentage van 5% be-rekend over het salaris en de toegekende salaristoelage(n)waar hij recht op heeft ingevolge dit artikel. Hierbij geldt als maximum het salaris en de toegekende salaristoelage(n) zoals genoemd in het eerste lid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9.</span>De ambtenaar heeft ten minste recht op het wettelijk minimum-loon, berekend naar rato van zijn formele arbeidsduur.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">10.</span>De periode waarover de ambtenaar voorafgaand aan de periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof, bedoeld in artikel 6:7, ziek is als gevolg van de zwangerschap, schort de periode, be-doeld in het eerste tot en met het vierde lid, op.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">11.</span>Voor de toepassing van het eerste tot en met het vierde lid worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt genoten, be-doeld in artikel 6:7, tenzij in dat geval de ongeschiktheid redelijker-wijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">12.</span>De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoela-ge(n), bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid, eindigt in-dien de ambtenaar definitief wordt herplaatst in een andere functie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">13.</span>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het recht op het salaris en de toegekende salaristoelage(n).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">14.</span>Het college zal rekening houden met individuele gevallen van ter-minale ziekte. In die gevallen zal de afweging worden gemaakt of ook na afloop van de termijn van zes maanden, bedoeld in het eerste lid, het volledige salaris en de toegekende salaristoela-ge(n)wordt doorbetaald.</div>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 16 betreft uitvoering artikelen 7:3, 7:5, 7:6 en 7:7 CAR Een besluit inzake doorbetaling van de volledige bezoldiging, ook na 6 maanden arbeidsongeschiktheid, als bedoeld in artikel 7:3 van de Col-lectieve arbeidsvoorwaardenregeling, inzake het toekennen van een aanvullende uitkering als bedoeld in artikel 7:5 van de Collectieve ar-beidsvoorwaardenregeling, inzake een overlijdensuitkering als bedoeld in artikel 7:6 van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling of inzake het toekennen van een vergoeding van noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging als bedoeld in het eer-ste lid van artikel 7:7 van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling wordt niet genomen dan nadat er vanuit de bedrijfsgeneeskundige dienst een uitspraak is gedaan inzake de mate waarin het ongeval respectievelijk de ziekte zijn/haar oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere om-standigheden waaronder deze moesten worden verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting: Wanneer een arbeidsongeschiktheid, leidende tot een WAO-uitkering, in overwegende mate haar oorzaak vindt in een ongeval in of door de dienst, en dit ongeval niet aan de schuld of nalatigheid van betrokkene is te wijten, bestaat er aanspraak op een aanvullende uitkering ten laste van de gemeente. Ook ten laste van de ambtenaar blijven ziektekosten die het gevolg zijn van een ziekte die in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden worden door de gemeente vergoed. Bij ziekte 'in en door de dienst' wordt na 6 maanden de bezoldiging niet teruggebracht. Het zal voor het gemeentebestuur in de regel niet goed mogelijk zijn op eigen kracht een oordeel te vellen over de vraag of er in over-wegende mate sprake is van een situatie, waarin de aard van de werkzaamhe-den als oorzaak kunnen worden aangewezen. Mede gelet op de niet geringe fi-nanciële gevolgen van de uitvoering van deze bepalingen wordt het wenselijk geacht dat het gemeentebestuur zich over situaties al hier bedoeld altijd laat adviseren door een arts van de bedrijfsgeneeskundige dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doorbetaling tijdens ziekte bij seniorenmaatregel en onbe-taald/gedeeltelijk betaald verlof Artikel 7:4 De ambtenaar die onbetaald dan wel gedeeltelijk betaald verlof geniet heeft recht op doorbetaling van zijn salaris en de toegekende salaris-toelage(n)als bedoeld in artikel 7:3, met dien verstande dat de ambte-naar nooit een hoger bedrag doorbetaald kan krijgen, dan hij zou heb-ben gekregen, indien hij niet ziek zou zijn geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de dienst Artikel 7:5 1. Aan de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WGA-of IVA-uitkering wordt, bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst, een aanvullende uitkering verleend.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De aanvullende uitkering genoemd in het eerste lid is voor de amb-tenaar met een WGA- of IVA-uitkering gelijk aan het bedrag dat nodig is om de aan de ambtenaar toegekende WGA- of IVA-uitkering, vermeerderd met een aan de ambtenaar toegekende bovenwettelijke aanvulling ingevolge het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, aan te vullen tot een bepaald percentage van het salaris en de toegekende salaristoelage(n)die de ambtenaar heeft genoten in het jaar voorafgaand aan zijn ont-slag. Dit percentage is afhankelijk van de mate van arbeidsonge-schiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:</div>\n<p class=\"lf-p\">80% of meer 95% 66 tot 80% 68,875% 55 tot 65% 57% 45 tot 55% 47,5% 35 tot 45% 38%.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De aanvullende uitkering eindigt: a. indien de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden of; b. met ingang van de dag waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De gewezen ambtenaar die recht heeft op een uitkering op grond van dit artikel, is verplicht om het college op de hoogte te stellen van wijzigingen in zijn arbeidsongeschiktheiduitkering of bovenwet-telijke aanvulling ingevolge het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7:6 vervallen Vergoeding kosten geneeskundige verzorging bij arbeidsonge-schiktheid in en door de dienst Artikel 7:7 1 Bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst worden aan de ambtenaar vergoed de te zijner laste blijvende, naar het oordeel van het college noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het college kan omtrent het bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften geven.</div>\n<p class=\"lf-p\">Nadere regels</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:8</span><span class=\"lf-art-t\">Het college kan nadere regels stellen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vaststelling referte-tijdvak toelagen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-8-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:8:1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het referte-tijdvak dat in acht wordt genomen voor de vaststelling van de gemiddelde hoogte van de toelage onregelmatige dienst, de over-gangstoelage onregelmatige dienst, alsmede de prestatiebeloning, ten behoeve van de vaststelling van het salaris en de toegekende salaris-toelage(n), dient in een lokale regeling nader te worden uitgewerkt</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-8-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:8:1:1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van artikel 7:3 worden de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 3:3, 3a:1:1:17 en 3a:1:1:18 slechts geacht te behoren tot de bezoldiging tot een bedrag dat overeenkomt met hetgeen in de drie kalendermaanden voorafgaande aan de datum waarop de ver-hindering tot het vervullen van de betrekking is ontstaan, gemiddeld per maand is toegekend aan die vergoeding Voor zover de ambtenaar op bedoelde datum minder dan drie kalen-dermaanden zijn betrekking heeft vervuld, wordt gerekend met het bedrag dat hem gemiddeld per maand is toegekend over het tijdvak waarin hij voor het ontstaan van de verhindering in dienst is geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Periodieke salarisverhoging</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-8-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:8:2</span><span class=\"lf-art-t\">Het onderwerp periodieke salarisverhogingen tijdens ziekte dient in een lokale regeling nader te worden uitgewerkt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en toepassing van arti-kel 2:7a Artikel 7:8:3 De ambtenaar wiens arbeidsduur is aangepast op grond van artikel 2:7a, kan voor de duur van de periode waarvoor toepassing van dit ar-tikel is bepaald, worden verplicht tot aanvaarding van arbeid waarvan de arbeidsduur overeenkomt met deze tijdelijke uitgebreide arbeids-duur. Wanneer de periode waarvoor de toepassing van artikel 2:7a is verstreken, geldt de verplichting voor de ambtenaar ten aanzien van de aanvaarding van een nieuwe functie voor de formele arbeidsduur.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4 Verplichtingen en sancties</h3>\n<p class=\"lf-p\">Verplichtingen college Artikel 7:9 1 Het college is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te treffen en voorschriften te geven als redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar, die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte of gebrek verhinderd is zijn arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen arbeid of passende arbeid te verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en binnen de openbare dienst van de gemeente geen passende arbeid voorhanden is, bevordert het college de inschakeling van de ambtenaar in passende arbeid buiten de openbare dienst van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Uit hoofde van zijn verplichting, genoemd in het eerste en tweede lid, stelt het college in overeenstemming met de ambtenaar een plan van aanpak op als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA. Het plan van aanpak wordt met medewerking van de amb-tenaar regelmatig geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het college stelt een protocol vast, waarin de regels zijn opgeno-men met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begeleiding van ziekteverzuim, verplichtingen omtrent ziek- en herstelmeldingen daaronder begrepen, de arbeidsgezondheids-kundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedures.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking bij ziekte Artikel 7:10 De ambtenaar verstrekt op verzoek van het college alle informatie die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verplichting tot verlening van medewerking aan reïntegratie Artikel 7:11 1. De ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, is verplicht: a. gevolg te geven aan, door het college of een door hem aange-wezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan door het college of een door hem aangewezen deskundige getroffen maatregelen als bedoeld in artikel 7:9; b. zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:9, derde lid; c. zich te gedragen naar de regels die in het protocol, bedoeld in artikel 7:9, vierde lid, zijn opgenomen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn functie te vervullen, in staat is passende arbeid als bedoeld in artikel 7:1 te verrichten en hij door het college of een andere werkgever daartoe in de gelegenheid wordt gesteld, is hij verplicht die arbeid te ver-richten.</div>\n<p class=\"lf-p\">Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek Artikel 7:12 1. De ambtenaar is verplicht zich te onderwerpen aan een door of vanwege de arbo-dienst in te stellen medisch onderzoek ter be-antwoording van de vragen: a. of er sprake is van verhindering tot het vervullen van zijn func-tie wegens ziekte; b. in welke mate er sprake is van verhindering als bedoeld onder a; c. of de ambtenaar de verhindering tot het vervullen van zijn func-tie opzettelijk heeft veroorzaakt; d. of de ambtenaar ten onrechte nalaat zich onder geneeskundige behandeling te stellen of te blijven stellen, dan wel zich niet houdt aan de voorschriften hem door de behandelende ge-neeskundige gegeven, met dien verstande dat te dezen voor-schriften tot het verlenen van medewerking aan een ingreep van heelkundige aard zijn uitgezonderd; e. of de ambtenaar zich zodanig gedraagt, dat zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd; f. of verdere maatregelen of voorzieningen nodig zijn in het be-lang van het herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van het behoud, het herstel of de bevordering van zijn arbeids-geschiktheid; g. wanneer en in welke mate de vervulling van de functie kan worden hervat.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de redenen van medisch onderzoek.</div>\n<p class=\"lf-p\">Geen aanspraak op doorbetaling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-13-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:13:1</span><span class=\"lf-art-t\">Geen aanspraak op salaris en de toegekende salaristoelage(n) als bedoeld in artikel 7:3 bestaat</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">a. indien blijkens het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 7:12, sprake is van een omstandigheid waarbij de ambtenaar op-zettelijk de verhindering tot het vervullen van zijn functie heeft ver-oorzaakt, tenzij de ambtenaar daarvan op grond van zijn geestelijk toestand geen verwijt kan worden gemaakt; b. indien de verhindering wegens ziekte zich voordoet binnen een half jaar na de in artikel 2:3, eerste lid, bedoelde geneeskundige keuring en alsdan blijkt dat de ambtenaar hierbij onjuiste informatie omtrent zijn gezondheidstoestand heeft verstrekt of gegevens heeft verzwegen, ten gevolge waarvan de verklaring dat tegen de vervulling van zijn functie uit medisch oogpunt geen bezwaren be-staan, ten onrechte is afgegeven, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Staken van de doorbetaling Artikel 7:13:2 1. De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoela-ge(n), bedoeld in artikel 7:3, wordt gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar: a. weigert de in artikel 7:12 neergelegde verplichting tot het verle-nen van medewerking aan een door of vanwege de arbo-dienst in te stellen medische onderzoek na te komen; b. blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek ten onrechte heeft nagelaten zich onder geneeskundige behandeling te stel-len of te blijven stellen; c. blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek de voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt, met uitzondering van voorschriften om mee te werken aan een ingreep van heel-kundige aard; d. zich blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belem-merd of vertraagd; e. er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig onder-zoek door een door de arbo-dienst aangewezen arts niet kan plaatshebben; f. tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid we-gens ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, tenzij dit door de arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht en het college daartoe toestemming heeft ver-leend; g. weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid, die hij heeft in verband met het verrichten van door de arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of derden; h. zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de arbo-dienst be-paalde tijdstip en in de door deze dienst bepaalde mate, indien zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door de arbo-dienst als geldig erkende reden heeft opgegeven; i. weigert om – op verzoek van het college – informatie te ver-strekken die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofd-stuk.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoela-ge(n)vindt wel plaats indien de ambtenaar op grond van zijn gees-telijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd in het eerste lid.</div>\n<p class=\"lf-p\">Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen ambtenaar Artikel 7:14 1. De ambtenaar die zich niet houdt aan zijn verplichtingen, bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder c, wordt disciplinair gestraft wegens plichtsverzuim.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoela-ge(n), bedoeld in artikel 7:3, wordt gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar: a. weigert mee te werken aan, door het college of een door hem aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen, als bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder a, die erop gericht zijn om de betrokkene in staat te stel-len de eigen of passende arbeid te verrichten; b. weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstel-len van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder b. c. weigert aangeboden passende arbeid te verrichten, waartoe hij op grond van artikel 7:11, tweede lid, verplicht is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoela-ge(n), als genoemd in het tweede lid, vindt wel plaats indien de ambtenaar op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd in het tweede lid.</div>\n<p class=\"lf-p\">Betaling aan anderen en nabetaling aan ambtenaar Artikel 7:15:1 1. Het college kan, indien bijzondere omstandigheden daartoe aanlei-ding geven, bepalen, dat de op grond van de artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 het niet uitbetaalde salaris en de toegekende sala-ristoelage(n), geheel of ten dele aan anderen dan de ambtenaar zal worden uitbetaald.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Voor zover het college van zijn in het eerste lid bedoelde bevoegd-heid geen gebruik heeft gemaakt, wordt de ingevolge de artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 niet uitbetaalde bezoldiging alsnog aan de ambtenaar uitbetaald wanneer de ambtenaar op grond van de se-cond opinion die hij conform artikel 32 van de wet SUWI, heeft aangevraagd inzake het oordeel over de ongeschiktheid tot wer-ken in het gelijk gesteld wordt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Herplaatsing in passende arbeid Artikel 7:16 1. Passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, wordt de ambtenaar opgedragen: a. door plaatsing in een andere functie voor tijdelijke duur, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling; b. door plaatsing in een andere functie bij wijze van proef, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling; c. bij een andere werkgever, door een tijdelijke detachering, zon-der dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Na 24 maanden van ziekte wordt passende arbeid, bedoeld in arti-kel 7:11, tweede lid, aan de ambtenaar opgedragen door definitie-ve herplaatsing. Deze definitieve herplaatsing vindt plaats door wij-ziging van de aanstelling.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die ziek is geworden op of na 1 juli 2007 en die minder dan 35% ar-beidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de periode van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de ambtenaar met de passende arbeid zijn volledige restverdiencapaciteit benut.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die ziek is geworden op of na 1 juli 2007 en die 35% of meer, maar minder dan 80% arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de periode van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de ambtenaar met de passende arbeid 50% van zijn rest-verdiencapaciteit of meer benut.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Voor de toepassing van het eerste tot en met vierde lid wordt on-der een andere functie mede verstaan het verrichten van dezelfde werkzaamheden onder andere voorwaarden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12 maan-den worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de functie tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het zwan-gerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in aan-merking genomen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12 maan-den worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samenge-teld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs niet ge-acht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>De termijn van 24 maanden wordt verlengd: a. met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in ar-tikel 24, eerste lid, van de WIA en b. met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut werk-nemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft vastgesteld.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9.</span>De ambtenaar verleent alle medewerking en verstrekt alle infor-matie die nodig is om de restverdiencapaciteit vast te stellen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Terugkeer in functie na ziekte Artikel 7:17 1. Ten aanzien van de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn functie te vervullen, kan worden bepaald dat hij zijn functie slechts weer zal mogen vervullen, indien het college daarvoor toe-stemming heeft verleend, onder bepaling van de mate waarin de hervatting kan geschieden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Ten behoeve van de bepaling van het eerste lid zal mede worden gelet op het advies van de arbo-dienst of van het UWV.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De in het eerste lid bedoelde toestemming is in ieder geval vereist indien de ambtenaar gedurende meer dan een jaar volledig ver-hinderd is geweest zijn functie te vervullen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Inkomsten uit of in verband met arbeid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-18\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:18</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het in minde-ring brengen op de beloning van de ambtenaar van inkomsten uit pas-sende arbeid of werkzaamheden in het kader van diens reïntegratie Inkomsten uit andere Artikel 7:18:1 1. Indien de ambtenaar tijdens de verhindering tot het vervullen van zijn functie, op grond van een aan het college uitgebracht advies door de arbo-dienst of door het UWV, in het belang van zijn gene-zing of zijn reïntegratie, dan wel in het kader van herplaatsing wen-selijk geachte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, worden de inkomsten uit deze arbeid in mindering gebracht op het salaris en de toegekende salaristoelage(n)waar de ambtenaar recht op heeft krachtens artikel 7:3.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Tot de in het eerste lid bedoelde inkomsten wordt tevens gerekend een herplaatsingstoelage, toegekend op grond van hoofdstuk 12 van het pensioenreglement, alsmede elke andere toelage, onder welke benaming ook, die geacht kan worden betrekking te hebben op arbeid bedoeld in het eerste lid.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5 Bijzondere situaties</h3>\n<p class=\"lf-p\">Samenloop met een ZW-uitkering Artikel 7:19 1. Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende ongeschikt-heid tot het verrichten van zijn werk recht heeft op een ZW-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3 recht heeft.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien de ambtenaar geen ZW-uitkering aanvraagt binnen de in de ZW gestelde termijnen en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt voor de periode dat hij dientengevolge geen ZW-uitkering ontvangt, voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een volledige ZW-uitkering.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de ambtenaar de ZW-uitkering vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, dan wel het recht op de ZW-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt voor de toepassing van dit ar-tikel rekening gehouden met een volledige ZW-uitkering.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle medewer-king aan het via het college tot uitbetaling laten komen van de ZW-uitkering.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Indien de ZW-uitkering meer bedraagt dan het bedrag waarop de ambtenaar op grond van artikel 7:3 recht heeft, wordt het meerde-re aan de ambtenaar uitbetaald.</div>\n<p class=\"lf-p\">Samenloop met een WW-uitkering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-20\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:20</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar ter zake van de dienstbetrekking waarbij de on-geschiktheid tot het verrichten van zijn werk is ontstaan, recht heeft op een WW-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering ge-bracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3 recht heeft Samenloop met een uitkering op grond van de WIA Artikel 7:21 1. Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende verhindering tot het vervullen van zijn functie recht heeft op een WGA- of een IVA-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering ge-bracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3 recht heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de ambtenaar recht heeft op een IVA-uitkering dan wel een WGA-uitkering in verband met volledige, maar niet duurzame arbeidsongeschiktheid, heeft de ambtenaar ten minste recht op een bedrag ter hoogte van deze IVA- of WGA-uitkering.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien de ambtenaar recht heeft op een WGA- of een IVA-uitkering uit hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen, wordt die uitkering naar rato van het salaris en de toegekende salaristoe-lage(n)uit de verschillende functies, in mindering gebracht op de dienstbetrekking op grond waarvan de betaling wordt gedaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Indien de ambtenaar geen WGA- of IVA-uitkering aanvraagt bin-nen de in de WIA gestelde termijnen en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de periode dat hij dientengevolge geen WGA- of IVA-uitkering ontvangt, voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een IVA-uitkering.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de ambtenaar niet kan worden vastgesteld of de ambtenaar in aanmerking komt voor een WGA- of een IVA-uitkering en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een IVA-uitkering.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene de WGA- of IVA-uitkering vermindering onder-gaat, dan wel het recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt gewei-gerd, en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel uitgegaan van de WGA- of IVA-uitkering zoals die werd genoten voor vermindering of gehele of gedeeltelijke weigering van het bedrag plaatsvond.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle medewer-king aan het via het college tot uitbetaling laten komen van de WGA- of IVA-uitkering.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bovenwettelijke aanvulling Pensioenreglement</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-22\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:22</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7:21 is van overeenkomstige toepassing, wanneer de ambte-naar in aanvulling op de WGA- of IVA-uitkering, bedoeld in artikel 7:21, recht heeft op een bovenwettelijke aanvulling op grond van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP WAJONG/WAZ</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-23\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:23</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar op grond van zijn arbeidsongeschiktheid recht heeft op een WAJONG- of WAZ-uitkering, worden deze uitkeringen voor de toepassing va dit hoofdstuk gelijkgesteld met een uitkering op grond van de WIA</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 6 Ziektekosten</h3>\n<p class=\"lf-p\">Zorgverzekering Artikel 7:24 De VNG sluit voor de zorgverzekering van gemeenteambtenaren, postactieven en inactieven een overeenkomst als bedoeld in artikel 18 van de Zorgverzekeringswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegemoetkoming ziektekosten Artikel 7:24a 1. De ambtenaar, die een aanvullende verzekering Extra Zorg 3 of Extra Zorg 4 bij IZA Zorgverzekeraar NV, of Mijn Keuze 3 of Mijn Keuze 4 bij Zilveren Kruis Achmea heeft, heeft recht op een te-gemoetkoming in zijn ziektekosten.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De tegemoetkoming in de ziektekosten wordt eenmaal per kalen-derjaar in de maand december uitbetaald.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Bij indiensttreding op of na 1 januari van een kalenderjaar heeft de ambtenaar naar evenredigheid recht op een tegemoetkoming in ziektekosten.</div>\n<p class=\"lf-p\">Hoogte tegemoetkoming Artikel 7:25 1. De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 168 per jaar.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 296 per jaar als het sa-laris van de ambtenaar maal de deeltijdfactor lager is of gelijk is aan het bedrag dat hoort bij de hoogste periodiek van schaal 6.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De ambtenaar die gedurende het jaar in dienst treedt of ontslagen wordt ontvangt een tegemoetkoming in de ziektekosten naar rato van de tijd dat hij in dienst is geweest.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De peildatum voor de vergelijking van het tweede lid is de maand december. Voor de ambtenaar die gedurende het jaar uit dienst treedt is de peildatum voor de vergelijking van het tweede lid de laatste maand dat de ambtenaar in dienst is geweest.</div>\n<p class=\"lf-p\">Meerdere dienstverbanden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-25a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:25a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar uit hoofde van een ander dienstverband een te-gemoetkoming krijgt voor ziektekosten, wordt dit verrekend met de tegemoetkoming op grond van artikel 7:24a en artikel 7:25. De amb-tenaar is verplicht de gemeente te informeren, indien hij een dergelijke tegemoetkoming ontvangt uit hoofde van een andere dienstbetrek-king</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 7 Overige bepalingen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Overgangsbepaling Artikel 7:26 1. Op de ambtenaar of gewezen ambtenaar, die wegens ziekte op 31 december 2000 recht heeft op salarisbetaling of uitkering op grond van dit hoofdstuk en waarvan de ziekte ook na deze datum voort-duurt, blijven de bepalingen van dit hoofdstuk, zoals deze luidden op 31 december 2000 van kracht tot het moment dat de ziekte van de betrokkene eindigt, dan wel tot de dag met ingang waarvan de betrokkene recht krijgt op een uitkering krachtens de Ziektewet.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De betrokkene is verplicht de onverschuldigde betalingen aan hem, die op grond van dit artikel zijn verricht, terug te betalen, in-dien hem met terugwerkende kracht een uitkering krachtens de Ziektewet wordt toegekend.</div>\n<p class=\"lf-p\">Garantie-uitkering Artikel 7:27 1. De ambtenaar die herplaatst is op grond van artikel 7:6, tweede lid onder c, zoals dat luidde voor 1 januari 2003, heeft, indien nader-hand maar voor 1 januari 2001, de mate van arbeidsongeschikt-heid op een lager niveau is vastgesteld, recht op een garantie-uitkering, indien hem geen aanvullende gangbare arbeid is aange-boden van een zodanige omvang dat hij in staat is om zijn toege-nomen restverdiencapaciteit te benutten. Onder gangbare arbeid wordt in dit artikel verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe betrokkene in staat is, gezien zijn krachten en bekwaam-heden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De garantie-uitkering bedraagt te rekenen vanaf de datum van aanvang van de ziekte in de oorspronkelijke functie 18 maanden 100%, vervolgens 39 maanden 80% en daarna 33 maanden 70% van het salaris en de toegekende salaristoelage(n)die de ambte-naar genoot in de oorspronkelijke functie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Op de garantie-uitkering wordt in mindering gebracht hetgeen de ambtenaar ontvangt uit de dienstbetrekking waarin hij is herplaatst en, in voorkomend geval, met het recht op WAO-uitkering, invalidi-teitspensioen, herplaatsingstoelage en inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf verkregen op of na de datum waarop de ar-beidsongeschiktheid op een lager niveau is vastgesteld.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Indien de betrokkene nalaat van de gelegenheid gebruik te maken die kan leiden tot het verkrijgen van gangbare arbeid, indien hij weigert gangbare arbeid te aanvaarden of indien hij opzettelijk in-komsten uit gangbare arbeid verloren laat gaan, wordt het bedrag van de garantie-uitkering verminderd met het bedrag van de ver-zuimde of de verloren gegane inkomsten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>De garantie-uitkering eindigt: a. met ingang van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt; b. bij ontslag.</div>\n<p class=\"lf-p\">Overgangsartikel Artikel 7:28 1. Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid be-doeld in artikel 7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 zijn de artikelen 7:1, 7:3, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en 7:22 niet van toe-passing.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 7:1, 7:3, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en 7:22, zoals die golden op 31 december 2005, van toepassing.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid be-doeld in artikel 7:3 is gelegen op of na 1 januari 2004 en die op grond van de WAO recht heeft op een WAO-uitkering, zijn de arti-kelen 7:1, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16 en 7:21 niet van toepassing.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 7:1, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16 en 7:21, zoals die golden op 31 december 2005, van toepassing, waarbij de verwijzing in artikel 7:21, eerste lid, naar artikel 7:3, eerste lid, gelezen moet worden als een verwij-zing naar artikel 7:3, zoals dat luidt met ingang van 1 januari 2006.</div></div>", "next": 239804}