{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst heeft de definitief herplaatste ambtenaardie recht heeft op een WGA-uitkering recht op een periodieke aanvullende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De periodieke aanvullende uitkering is voor de ambtenaar met een WGA- of IVA-uitkering, gelijk aan het bedrag dat nodig is om de aan de ambtenaar toegekende WGA- of IVA-uitkering, vermeerderd met een aan de ambtenaar toegekende bovenwettelijke aanvulling op grond van het pensioenreglement, aan te vullen tot een bepaald percentage van het salaris, de toegekende salaristoelage(n) en het opgebouwde IKB die de ambtenaar heeft genoten in het jaar voorafgaand aan zijn ontslag. Dit percentage is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:</p>\n<p class=\"lf-p\">Mate van arbeidsongeschikt-heid Aanvulling WGA- of IVA- uitkering met een aan de ambtenaar toegekende bovenwettelijke aanvulling op grond van het pensioenreglement, tot het volgende percentage van het salaris en de toegekende salaristoelage(n).</p>\n<p class=\"lf-p\">80% of meer 95% 65% tot 80% 68,875% 55% tot 65% 57% 45% tot 55% 47,5% 35% tot 45% 38% 3.Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar die op grond van arbeidsongeschiktheid recht heeft op een uitkering op grond van de Wajong.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Artikel 7.16, vierde lid is van overeenkomstige toepassing op dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De aanvullende uitkering eindigt: op het moment dat er geen sprake meer is van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst en de gewezen ambtenaar geen recht meer heeft op een WGA- of IVA-uitkering; met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.De gewezen ambtenaar die recht heeft op een uitkering op grond van dit artikel, is verplicht om het bestuur op de hoogte te stellen van wijzigingen in zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering of het aan hem toegekende arbeidsongeschiktheidspensioen van de Stichting Pensioenfonds ABP.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.De aanvullende uitkering wordt niet in mindering gebracht op de financiële compensatie die de gewezen ambtenaar heeft op grond van een regeling die compensatie biedt voor blijvende lichamelijke invaliditeit/arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een dienstongeval bij de veiligheidsregio.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.[vervallen] Artikel7.20(vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§8</span><span class=\"lf-art-t\">Garantie-uitkering</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-721\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.21</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar die herplaatst is op grond van gangbare arbeid met een wijziging tewerkstelling heeft, als naderhand maar vóór 1 januari 2001, de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager niveau is vastgesteld, recht op een garantie-uitkering, als hem geen aanvullende gangbare arbeid is aangeboden van een zodanige omvang dat hij in staat is om zijn toegenomen restverdiencapaciteit te benutten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De garantie-uitkering bedraagt, te rekenen vanaf de datum van aanvang van de arbeidsongeschiktheid in de oorspronkelijke, functie 18 maanden 100%, vervolgens 39 maanden 80% en daarna 33 maanden 70% van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) die de ambtenaar genoot in de oorspronkelijke functie.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Op de garantie-uitkering wordt in mindering gebracht het bedrag dat de ambtenaar ontvangt aan salaris en de toegekende salaristoelage(n) uit de functie waarin hij is herplaatst en, in voorkomend geval, met het recht op Wao-uitkering, invaliditeitspensioen, herplaatsingstoelage en inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf verkregen op of na de datum waarop de arbeidsongeschiktheid op een lager niveau is vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Als de betrokkene nalaat van de gelegenheid gebruik te maken die kan leiden tot het verkrijgen van gangbare arbeid, als hij weigert gangbare arbeid te aanvaarden of als hij opzettelijk inkomsten uit gangbare arbeid verloren laat gaan, wordt het bedrag van de garantie-uitkering verminderd met het bedrag van de verzuimde of de verloren gegane inkomsten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De garantie-uitkering eindigt: bij ontslag; met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-9\"><span class=\"lf-art-num\">§9</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-722\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.22</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, is gelegen vóór 1 januari 2004 zijn artikel 7.1, 7.4, 7.6, 7.7, 7.8, 7.12, 7.13, 7.16, eerste en tweede lid en 7.17 niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn artikel 521, 522, eerste en tweede lid,541, 561, 571 en 573 ARA, zoals die golden op 31 december 2005, van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7.2 is gelegen op of na 1 januari 2004 en die op grond van de WAO recht heeft op een WAO-uitkering, zijn artikel 7.1, 7.6, 7.7, tweede lid, 7.8, 7.16, eerste lid, 7.16, vierde lid en 8.8 niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn artikel 501b, 502a, 522, eerste lid, 523, 533, 561, 1121a en 571 ARA, zoals die golden op 31 december 2005, van toepassing, waarbij de verwijzing in artikel 522, eerste lid en 523 naar artikel 521, eerste lid ARA, gelezen moet worden als een verwijzing naar artikel 521, zoals dat luidt met ingang van 1 januari 2006.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Vanaf 1 januari 2006 wordt voor de ambtenaren van wie de eerste dag van ongeschiktheid, genoemd in artikel 7.2, eerste lid, is gelegen op of na 1 januari 2004, de duur van de ongeschiktheid vastgesteld door de werkgever. De hoogte van de loondoorbetaling vanaf 1 januari 2006 wordt bij voortduring van de ongeschiktheid berekend op grond van artikel 7.4, eerste tot en met het vierde lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-723\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.23</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7.2 lid 1 gelegen is voor 1 juli 2007 is artikel 7.8 niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7.2 lid1 gelegen is voor 1 juli 2007 is artikel 571 ARA, zoals dat gold op 30 juni 2008, van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-724\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.24</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 7.2 eerste lid, gelegen is voor 1 augustus 2008, is artikel 7.8 van toepassing, zoals dat gold op 31 oktober 2008.</p>\n<p class=\"lf-p\">8Ziektekosten</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§1</span><span class=\"lf-art-t\">Tegemoetkoming ziektekosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel8.1recht op tegemoetkoming 1.De ambtenaar, die niet werkzaam is op grond van een arbeidsovereenkomst en die een zorgverzekering genoemd in artikel 1, onder d, Zorgverzekeringswet heeft afgesloten, heeft recht op een tegemoetkoming.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De maandelijkse tegemoetkoming is een netto bedrag. Het bedrag is vermeld in de Bedragengids. De tegemoetkoming wordt niet geïndexeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Zodra de ambtenaar meer dan 31 aaneengesloten kalenderdagen verlof zonder salaris ende toegekende salaristoelage(n) heeft genoten, wordt de tegemoetkoming gedurende de verdere duur van het verlof stopgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Bij een deeltijder wordt de tegemoetkoming niet naar rato berekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De ambtenaar meldt wijzigingen die van invloed kunnen zijn op de toekenning of de hoogte van het bedrag aan tegemoetkoming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel8.2tegemoetkoming bij meer dan één functie 1.Bij tewerkstelling in meer dan één functie heeft de ambtenaar recht op één tegemoetkoming.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De ambtenaar die ook bij een andere werkgever een tegemoetkoming in ziektekosten ontvangt, heeft recht op een tegemoetkoming onder aftrek van de bij de andere werkgever ontvangen tegemoetkoming.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§2</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsregeling ziektekosten (vervallen per 1 januari 2013)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel8.3(vervallen) (vervallen per 1 januari 2013) Artikel8.4(vervallen) (vervallen per 1 januari 2013) Artikel8.5(vervallen) (vervallen per 1 januari 2013) Artikel8.6(vervallen) (vervallen per 1 januari 2013)</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§3</span><span class=\"lf-art-t\">Medische kosten in verband met werk</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-87\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar heeft recht op vergoeding van de medische kosten die anders dan door zijn schuld of onvoorzichtigheid zijn veroorzaakt door: de aard van de aan hem opgedragen werkzaamheden, of de bijzondere omstandigheden waaronder hij moest werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De vergoeding bestaat uit een bedrag ter hoogte van de voor rekening van de ambtenaar gebleven medische kosten. Hieronder worden begrepen: noodzakelijk gemaakte kosten voor geneeskundige behandeling; b. op medisch voorschrift gemaakte kosten voor medicijnen, paramedische behandeling of verpleegkundige verzorging.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In geval van een dienstongeval komt de ambtenaar in aanmerking voor een vergoeding van noodzakelijk gemaakte medische kosten die hieruit zijn ontstaan en voor zijn rekening blijven op grond van de Landelijke Regeling aanspraken na Dienstongevallen Veiligheidsregio’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De aanspraken voortvloeiende uit lid 3 zijn bij ziekte of gebrek bestaande uit PTSS als beroepsziekte uitgewerkt in een aanvullende regeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§4</span><span class=\"lf-art-t\">Hoge ziektekosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel8.8betrokkene In deze paragraaf wordt onder betrokkene verstaan: de ambtenaar, genoemd in artikel 8.1, eerste lid, de gewezen ambtenaar: de ambtenaar die nog niet de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt en die uit gemeentedienst is ontslagen, mits hij in december 2005 op grond van de toen geldende Ziektekostenverordening een tegemoetkoming van de gemeente kreeg en die aansluitend aan zijn aanstelling een keuzepensioen op grond van het pensioenreglement, wachtgelduitkering op grond van hoofdstuk 29 (wachtgeld), FPU-uitkering, FLO-uitkering, WW-uitkering of een Wao-uitkering ontvangt, en de nabestaande partner: de partner van een overleden ambtenaar of van een overleden gewezen ambtenaar die nog niet de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, mits aan de partner of de overledene in december 2005 een tegemoetkoming uitbetaald is op grond van de toen geldende Ziektekostenverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-895\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.95</span><span class=\"lf-art-t\">%-regeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Betrokkene heeft recht op een vergoeding van hoge ziektekosten als hij in een aaneengesloten tijdvak van twaalf kalendermaanden meer dan 5% van het inkomen heeft besteed aan medische kosten voor hem of zijn gezin, die voor zijn rekening zijn gebleven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De vergoeding betreft de kosten voor zover die uitgaan boven 5% van het inkomen. Behandelingskosten zonder medische noodzaak en tandartskosten blijven buiten beschouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel8.10inkomen 1.Onder het inkomen genoemd in artikel 8.9 wordt verstaan het salaris en de toegekende salaristoelage(n) of de uitkering van betrokkene vermeerderd met zijn inkomen uit of in verband met arbeid of bedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het inkomen wordt verhoogd met het inkomen van een gezinslid als de medische kostengeheel of gedeeltelijk betrekking hebben op dat gezinslid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel8.11aanvraag vergoeding De aanvraag gaat vergezeld van de originele stukken die voor de beoordeling van de aanvraag noodzakelijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">9Verplaatsingskosten en thuiswerken</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§1</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene bepalingen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-91\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.1</span><span class=\"lf-art-t\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">werkadres: het adres waar de ambtenaar per week het grootste aantal uren werkt; woonadres: het adres waar de ambtenaar woont; woon-werkverkeer: het heen en weer reizen tussen woon- en werkadres.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§2</span><span class=\"lf-art-t\">Woon-werkverkeer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel9.2vergoeding woon-werkverkeer 1.De ambtenaar heeft met ingang van 1 april 2023 voor maximaal 45 kilometer enkele reis recht op een kilometervergoeding ter hoogte van het maximaal fiscaal vrijgestelde bedrag minus € 0,10 voor reisbewegingen in het kader van woon-werkverkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de kilometervergoeding of het aantal kilometers enkele reis als bedoeld in het eerste lid op basis van de voor 1 april 2023 vastgestelde lokale regeling hoger is dan behoudt de ambtenaar de hogere aanspraken van de lokale regeling. De vergoeding op basis van de regeling van de VrAA bedraagt € 0,14.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De vergoeding wordt gegeven over maximaal 214 dagen per kalenderjaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De ambtenaar ontvangt geen vergoeding voor eventuele parkeer- en stallingskosten, tenzij in dit hoofdstuk uitdrukkelijk vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De ambtenaar die aanspraak heeft op vrij vervoer van de werkgever komt niet in aanmerking voor de reiskostenvergoeding woon-werkverkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Bij een deeltijder wordt de vergoeding niet naar rato berekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Bij een tewerkstelling in meerdere functies ontvangt de ambtenaar één vergoeding gerekend over de grootste reisafstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.De ambtenaar is verplicht elke wijziging schriftelijk door te geven aan de werkgever.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.Wijzigingen met betrekking tot de lengte van de reisafstand gelden vanaf de eerste dag van de maand indien de wijzigingen per de eerste van die maand plaatsvinden. In andere gevallen gelden de wijzigingen vanaf de eerste dag van de volgende maand.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.De vergoeding wordt maandelijks uitbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel9.3stopzetten vergoeding woon-werkverkeer 1.De vergoeding wordt stopgezet als de ambtenaar: boventallig is en geen tijdelijke werkzaamheden verricht; op grond van hoofdstuk 13 (ordemaatregelen en disciplinaire straffen) geenwerkzaamheden verricht; zes weken volledig arbeidsongeschikt is en geen werkzaamheden verricht. zes weken zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft genoten en geenwerkzaamheden verricht; (on)betaald ouderschapsverlof of onbetaald verlof heeft en geen werkzaamheden verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De aanspraak op de vergoeding herleeft bij werkhervatting. Indien het werk is hervat op de eerste van de maand, dan herleeft de aanspraak de eerste van diezelfde maand. Indien het werk is hervat na de eerste maar voor of op de 15e van de maand, dan herleeft de aanspraak op de 15e van de maand. Is de werkhervatting na de 15e van de maand, dan herleeft de aanspraak op de eerste van de daaropvolgende maand.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§3</span><span class=\"lf-art-t\">Thuiswerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">artikel9.4Thuiswerkvergoeding 1.Met ingang van 2 januari 2023 heeft een ambtenaar recht op een vergoeding per thuiswerkdag van € 3,- netto, ongeacht de omvang van de aanstelling, bestaande uit: de fiscaal vrijgestelde thuiswerkvergoeding, aangevuld met een netto internetvergoeding tot € 3,- netto.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Aanspraak op de thuiswerkvergoeding bestaat alleen op dagen waarop met de ambtenaar is afgesproken om thuis te werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De ambtenaar die op een dag in overwegende mate thuiswerkt, krijgt voor die dag geen reiskostenvergoeding woon-werk. Het bestuur kan hiervan afwijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De ambtenaar die op een dag in overwegende mate op een werklocatie werkt, krijgt voor die dag geen thuiswerkvergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De ambtenaar die op een dag thuiswerkt en een dienstreis maakt waarvoor de medewerker een vergoeding krijgt op basis van artikel 9.5 krijgt voor deze dag ook een thuiswerkvergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Het bestuur kan aanvullende regels vaststellen voor de uitvoering van de thuis-werkvergoeding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§4</span><span class=\"lf-art-t\">Dienstreis</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-95\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.5</span><span class=\"lf-art-t\">Reiskostenvergoeding dienstreizen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Met ingang van 2 januari 2023 heeft een ambtenaar recht op een kilometervergoeding ter hoogte van het maximaal fiscaal vrijgestelde bedrag voor reiskosten die de ambtenaar maakt in het belang van de dienst. Bij gebruik van het openbaar vervoer is de vergoeding op basis van het 2e klas tarief.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de kilometervergoeding als bedoeld in het eerste lid op basis van de voor 2 januari 2023 vastgestelde lokale regeling hoger is, heeft de ambtenaar aanspraak op de kilometervergoeding uit de lokale regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Een ambtenaar heeft recht op een vergoeding voor verblijfkosten die zijn gemaakt in het belang van de dienst (zie artikel 9.12).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het hoofd van het organisatieonderdeel kan functies aanwijzen waarbij de ambtenaar omreden van dienstbelang gebonden is aan het gebruik van eigen auto of motor. Bij aangewezen functies wordt onder dienstreis ook het heen en weer reizen tussen woon- en werkadres verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De ambtenaar met een aangewezen functie komt bij een dienstreis in aanmerking voor een vergoeding genoemd in lid 1 en heeft geen recht op de vergoeding woon-werkverkeer genoemd in artikel 9.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Als de ambtenaar met een aangewezen functie op bepaalde dagen alleen heen en weer reist tussen woon- en werkadres dan komt hij voor die dagen naar rato in aanmerking voor de vergoeding genoemd in artikel 9.2 en niet voor de vergoeding genoemd in lid 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Bij dienstreizen conform het tweede lid worden parkeer- of stallingskosten vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Onder dienstreis wordt ook de reis in het kader van een opleiding verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel9.6reizen in relatie tot re-integratie 1.Indien de ambtenaar op gesprek of voor controle wordt opgeroepen en hij niet in aanmerking komt voor een vergoeding woon-werkverkeer op grond van artikel 9.2 worden de reiskosten vergoed conform artikel 9.5 lid 2 als ware het een dienstreis.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Eventuele parkeer- of stallingskosten worden vergoed.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§5</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichte verhuizing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel9.7verplichte woonplaats De ambtenaar die om reden van dienstbelang verplicht wordt te verhuizen naar Amsterdam of de directe omgeving van Amsterdam, heeft recht op een verhuiskostenvergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel9.8hoogte verhuiskostenvergoeding 1.De verhuiskostenvergoeding bestaat uit: een vergoeding van de werkelijke kosten van het verhuizen van de inboedel; een aanvullende vergoeding van 12% van het brutojaarsalaris tot maximaal het fiscaal vrijgestelde nettobedrag voor deze kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De verhuiskostenvergoeding wordt uitgekeerd nadat de ambtenaar is verhuisd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel9.9terugbetaling verhuiskostenvergoeding De ambtenaar is verplicht de verhuiskostenvergoeding terug te betalen als hij binnen twee jaar na de verhuizing ontslag krijgt, anders dan op een van de gronden genoemd in artikel 12.10 (ontslag wegens niet voldoen aan diploma’s), 12.11 (ontslag wegens reorganisatie) of 12.12 (ontslag wegens ongeschiktheid, incompatibiliteit of wettelijke voorwaarden).</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel9.10reis- of verblijfkostenvergoeding bij verplichte verhuizing 1.De ambtenaar die buiten zijn wil of toedoen nog niet kan verhuizen, heeft tot maximaal één jaar recht op een reiskostenvergoeding voor het dagelijkse woon-werkverkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Zolang het voor de ambtenaar met het oog op de reisduur redelijkerwijs niet mogelijk is dagelijks in het kader van het woon-werkverkeer te reizen, heeft hij in plaats van de reiskostenvergoeding voor maximaal één jaar recht op een verblijfkostenvergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel9.11hoogte reiskostenvergoeding 1.De reiskostenvergoeding, genoemd in artikel 9.10, eerste lid, is een bedrag ter hoogte van de kosten voor het reizen per openbaar vervoer in de tweede klasse.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het recht op de vergoeding over een kalendermaand vervalt als de ambtenaar tijdens die kalendermaand geen kosten heeft gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel9.12hoogte verblijfkostenvergoeding De hoogte van de verblijfkostenvergoeding is gelijk aan de gemaakte kosten tot maximaal de bedragen als genoemd in het onderdeel Verblijfkosten in paragraaf 10.2 Dienstreizen binnenland CAO Rijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">10Opleiding en ontwikkeling</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§1</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene bepalingen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-101\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.1</span><span class=\"lf-art-t\">Regeling opleidingsfaciliteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het bestuur stelt een Regeling opleidingsfaciliteiten VRAA vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§2</span><span class=\"lf-art-t\">Loopbaaninspanningen en duurzame inzetbaarheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel10.2ontwikkeling en mobiliteit 1.De ambtenaar is op de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor zijn duurzame inzetbaarheid en loopbaanperspectief, waardoor zijn positie op de interne en externe arbeidsmarkt verbetert.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In het belang van de organisatie en zichzelf ontwikkelt de ambtenaar zich door middel van scholing en het opdoen van werkervaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De ambtenaar maakt actief gebruik van het loopbaanbeleid en het beleid duurzame inzetbaarheid Artikel10.3loopbaanbegeleiding 1.De werkgever begeleidt en ondersteunt de ambtenaar bij het verbeteren en ontwikkelen van de inzetbaarheid en mobiliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De werkgever voert een actief intern en extern mobiliteitsbeleid, onderhoudt loopbaanbeleid, gericht op mobiliteit en organisatieverandering en onderhoudt het beleid duurzame inzetbaarheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De werkgever wijst de ambtenaar op zijn mogelijkheden binnen het loopbaanbeleid en het beleid duurzame inzetbaarheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel10.4periodiek loopbaanadvies De ambtenaar heeft na elke periode van drie jaar recht op een loopbaanadvies bij een aangewezen interne of externe deskundige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel10.5inzetbaarheid medewerkers 50 jaar en ouder In het persoonlijk ontwikkelingsplan van en het functioneringsgesprek met een ambtenaar van 50 jaar en ouder wordt zijn belasting en belastbaarheid aan de orde gesteld. Zo nodig worden naar aanleiding hiervan afspraken gemaakt over aanpassingen in het individuele takenpakket of andere maatregelen gericht op duurzame inzetbaarheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-106\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.6</span><span class=\"lf-art-t\">Beleid duurzame inzetbaarheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het bestuur stelt in overleg met de ondernemingsraad een integraal beleid duurzame inzetbaarheid op waarin het geheel van lokale en landelijke faciliteiten is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het beleid duurzame inzetbaarheid is gericht op het leveren van een bijdrage aan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezondheid en welzijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenwichtige werk-privébalans;</p>\n<p class=\"lf-p\">Versterking van vakkennis en vaardigheden; en Vergroting van motivatie en betrokkenheid 3.Het beleid bevat een toolbox waarin geboden faciliteiten zichtbaar en vindbaar zijn voor de ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het beleid is onderwerp van gesprek tussen bestuur en ondernemingsraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk11Overige rechten en plichten</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§1</span><span class=\"lf-art-t\">Plichten ten aanzien van de functie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel11.1vervulling functie De ambtenaar volgt de hem gegeven voorschriften op en behoort in het algemeen alles te doen of na te laten wat van een goed ambtenaar wordt verwacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel11.2verplichting tot ambtseed 1.De ambtenaar legt zo spoedig mogelijk na indiensttreding de ambtseed af.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De ambtenaar die vóór 1 juli 2002 is aangesteld, hoeft geen ambtseed af te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De ambtseed luidt:</p>\n<p class=\"lf-p\">VrAA Ambtseed Ik zweer/beloof als ambtenaar plechtig het volgende:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik zal de gerechtigheid dienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik zal trouw zijn aan de grondwet en de overige wetten van het rijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik zal mij inzetten voor de rechten en het welzijn van alle burgers van Amsterdam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik zal onpartijdig handelen en de democratische beginselen en procedures respecteren. Ik ben loyaal ten opzichte van de bestuursorganen van de stad en het door hen vastgestelde beleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik zal van de overheidsmacht die mij is toevertrouwd geen misbruik maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik zal zorgvuldig omgaan met informatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik zal de geloofwaardigheid van het ambt niet schaden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik zal het vertrouwen, dat de burger in mij mag stellen, niet beschamen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik zal mij een zelfstandig oordeel vormen over de morele juistheid van mijn handelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat verklaar en beloof ik Of verwijzing naar godsdienst zoals:</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo waarlijk helpe mij God Almachtig Of Zo waarlijk helpe mij Allah de Erbarmer, de Barmhartige Of Hindoeïstische/Boeddhistische tekst Artikel11.3verbod aannemen geld, geschenken of uitnodigingen Het is de ambtenaar verboden: direct of indirect betrokken te zijn bij of enig voordeel te hebben uit leveringen aan of aanneming ten behoeve van de gemeente; steekpenningen, fooien of geschenken te vragen, uit te lokken of aan te nemen van personen, die direct of indirect betrokken zijn bij leveringen of aannemingen, bedoeld onder a; van het publiek fooien of geschenken te vragen, het geven hiervan uit te lokken of deze aan te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel11.4deelname in ondernemingen Het is de ambtenaar zonder toestemming niet toegestaan om deel te nemen in een onderneming die een bedrijf uitoefent dat in enig opzicht aan de beoordeling onderworpen is of onder toezicht staat van het organisatie-onderdeel waarbij hij werkzaam is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel11.5nevenwerkzaamheden 1.Het verrichten van nevenwerkzaamheden is toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Schriftelijke toestemming wordt door de ambtenaar gevraagd als door de nevenwerkzaamheden de vervulling van zijn functie in het geding komt of als de belangen van de VrAA, voor zover deze in verband staan met de functie van de ambtenaar, kunnen worden geschaad.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Toestemming wordt geweigerd als de nevenwerkzaamheden in relatie tot de functie vande ambtenaar een onaanvaardbaar risico betekenen voor een of meer van de volgende aspecten: belangenverstrengeling; ongewenste binding aan derden; fraude en corruptie; schade aan het aanzien van het ambt; schade aan de belangen van de gemeente; onduidelijkheid over de hoedanigheid van de ambtenaar in zijn optreden naar derden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Toestemming kan worden geweigerd als de nevenwerkzaamheden in relatie tot de functie van de ambtenaar een zeker risico meebrengen voor een of meer van de volgende aspecten: tijdsbeslag van de nevenwerkzaamheden; veiligheid en gezondheid van de ambtenaar; mogelijkheid van directe concurrentie tussen de ambtenaar en het organisatie-onderdeel waar hij is tewerkgesteld; mogelijkheid van misbruik van vertrouwelijke gegevens; mogelijkheid van misbruik van eigendommen van de VrAA of faciliteiten die door of vanwege de gemeente worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De ambtenaar vraagt altijd toestemming om zich te verbinden aan het Korps Nationale Reserve, de vrijwillige politie of de vrijwillige brandweer of om die verbintenis bij afloop te verlengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.De algemeen directeur, de stedelijk directeuren, de directeuren, de stadsdeelsecretarissen en de directeuren bij Bestuur en Organisatie, zijn verplicht aan hun leidinggevende toestemming te vragen voor alle (voorgenomen) nevenwerkzaamheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Van de algemeen directeur en de stedelijk directeuren worden de nevenwerkzaamhedenactief openbaar gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Van de directeuren, de stadsdeelsecretarissen en de directeuren bij Bestuur en Organisatie, worden de nevenwerkzaamheden op verzoek openbaar gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.De openbaarmaking van nevenwerkzaamheden van een, in lid 7 en 8, genoemde functionaris omvat de volgende gegevens: de functie en de organisatorische eenheid van de functionaris; de nevenwerkzaamheden die worden verricht; de organisatie waar de nevenwerkzaamheden worden verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel11.6kledingvoorschriften 1.De ambtenaar draagt tijdens de vervulling van zijn functie of voor bepaalde werkzaamheden voorgeschreven kleding of uniform en onderscheidingstekens.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is de in uniform geklede ambtenaar verboden om insignes of andere onderscheidingstekens te dragen, die niet door de werkgever zijn verstrekt of voorgeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De ambtenaar draagt zorg voor het onderhoud van voorgeschreven kleding of uniform dat in bruikleen is gegeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§2</span><span class=\"lf-art-t\">Personeelsbeoordeling</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-117\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar wordt periodiek beoordeeld op de uitoefening van zijn functie door zijn leidinggevende.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De beoordeling vindt plaats aan de hand van een beoordelingsformulier dat in ieder geval de volgende gegevens bevat: de beoordelingscriteria; de mate waarin de doelstelling is gerealiseerd volgens de vooraf afgesproken norm; factoren die van invloed zijn geweest op de mate waarin de prestatie werd gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het beoordelingsformulier kan de volgende gegevens bevatten: de aanleiding van de beoordeling (periodiek of incidenteel); de datum van de laatste beoordeling, van het laatste functioneringsgesprek en de periode waarop deze beoordeling betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het beoordelingsformulier kan naast de in het tweede en derde lid genoemde onderwerpen andere onderwerpen bevatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het beoordelingsformulier wordt ondertekend door de ambtenaar en zijn leidinggevende en vastgesteld door de daartoe bevoegde functionaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Dit artikel is niet van toepassing op de ambtenaar die is aangesteld in tijdelijke dienst bij wijze van proef artikel 2.3, eerste lid, of voor de duur van de opleiding bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, (beroepsopleiding).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§3</span><span class=\"lf-art-t\">Onkostenvergoedingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel11.8tegemoetkoming consumpties 1.De ambtenaar heeft recht op een tegemoetkoming in de kosten voor consumpties voor iedere dag dat hij minimaal vijf uur zonder wezenlijke onderbreking in de buitendienst werkzaam is en hij geen gebruik kan maken van de faciliteiten van de werkgever. Het bedrag is genoemd in de Bedragengids PGA van de gemeente Amsterdam.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De tegemoetkoming kan na vaststelling van het recht daarop zonder betalingsbewijs worden uitgekeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het bedrag genoemd in het eerste lid wordt aangepast aan wijzigingen in de fiscale regelgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel11.9tegemoetkoming maaltijd bij overwerk 1.De ambtenaar heeft recht op een tegemoetkoming in de maaltijdkosten, als: hij na de feite­lijke werktijd minimaal twee uur overwerk verricht, waardoor het redelijkerwijs niet mogelijk is de maaltijd op de gebruikelijke plaats en tijd te nuttigen, en de werkgever geen maaltijd verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij de berekening van de duur van het overwerk wordt niet meegeteld: de duur van de maaltijd; de tijd die nodig is voor het gaan naar en het terugkomen van de plaats waar de maaltijd wordt genuttigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De tegemoetkoming is per maaltijd de werkelijk gemaakte kosten tot maximaal het bedrag genoemd in de Bedragengids.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het bedrag is gelijk aan het bedrag voor een avondmaaltijd genoemd in artikel 5, eerste lid, onder b, Reisregeling binnenland van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en wijzigt overeenkomstig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel11.10tegemoetkoming kosten binnenlandse dienstreis 1.De ambtenaar heeft recht op een tegemoetkoming van werkelijk gemaakte verblijfkosten in het binnenland in verband met de vervulling van zijn functie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De tegemoetkoming bestaat uit een bedrag voor: ontbijt; lunch; diner; logies.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De maximale bedragen zijn genoemd in de Bedragengids. De bedragen zijn gelijk aan de bedragen genoemd in artikel 5, eerste lid, onder a tot enmet d, Reisregeling binnenland van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en wijzigen overeenkomstig Artikel 11.11 tegemoetkoming kosten buitenlandse dienstreis 1.De ambtenaar heeft recht op een tegemoetkoming in de werkelijk gemaakte verblijfkosten in het buitenland in verband met de vervulling van zijn functie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De tegemoetkoming bestaat per etmaal uit een maximumbedrag voor logieskosten en een maximumbedrag voor overige kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De tegemoetkoming bij een verblijf korter dan een etmaal bestaat uit een percentage vanhet bedrag voor overige kosten, als volgt: een tegemoetkoming voor kleine uitgaven ter hoogte van maximaal 1,5% voor ieder uur datde dienstreis duurt; een tegemoetkoming voor ontbijt ter hoogte van maximaal 12%; een tegemoetkoming voor lunch ter hoogte van maximaal 20%; een tegemoetkoming voor diner ter hoogte van maximaal 32% 4.Bij een verblijf van langer dan 14 dagen kan worden bepaald dat minder aan tegemoetkoming wordt toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De bedragen zijn gelijk aan de bedragen in de Tarieflijst logies- en overige kosten bij dienstreizen buitenland, genoemd in artikel 3, eerste lid, Reisregeling buitenland van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en wijzigen overeenkomstig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ambtenaar maakt een dienstreis van een dag naar België. Hij vertrekt om 6.00 uur en is om 20.00 uur terug. ’s Ochtends koopt hij voor ontbijt twee broodjes en een kop koffie à € 5,50. Tussen de middag heeft hij een vergadering met lunch. ’s Avonds neemt hij een diner à € 32,50. Tussendoor koopt de ambtenaar voor € 4 aan versnaperingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bedrag aan overige kosten in België genoemd in de Tarieflijst is voor 2008 vastgesteld op € 107. De maximumbedragen aan tegemoetkoming zijn dan voor: kleine uitgaven, € 22,47 (1,5% van € 107 = € 1,60 x 14 dienstreisuren); ontbijt, € 12,84 (12% van € 107); lunch, € 21,40 (20% van € 107); diner, € 34,24 (32% van € 107).</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar ontvangt een tegemoetkoming van € 42 die is samengesteld uit: kleine uitgaven, € 4; ontbijt, € 5,50; lunch, geen tegemoetkoming omdat hij hiervoor geen kosten heeft gemaakt; diner, € 32,50 Artikel11.12gereedschapsvergoeding (vervallen) Artikel11.13communicatiemiddelen (vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§4</span><span class=\"lf-art-t\">Receptie</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1114\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar die langer dan vijf jaar in dienst is, heeft recht op een receptie bij ontslag wegens blijvende pensionering of vervroegde uittreding, of bij een ambtsjubileum in de zin van artikel 3.19 (ambtsjubileum). In andere gevallen kan aan de ambtenaar een receptie worden aangeboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Als de ambtenaar bij een ambtsjubileum voorzienbaar binnen één jaar ook recht zal hebben op een afscheidsreceptie wordt slechts één receptie gehouden, naar keuze van de ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De receptie vindt plaats op een locatie van de gemeente Amsterdam en wordt in overleg met de ambtenaar georganiseerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§5</span><span class=\"lf-art-t\">Schade</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel11.15schade aan eigendommen van de ambtenaar 1.De ambtenaar heeft recht op een vergoeding als bij de vervulling van zijn functie schade wordt toegebracht aan zijn eigendommen. De schade mag niet het gevolg zijn van eigen schuld van de ambtenaar, hieronder begrepen onvoorzichtigheid of nalatigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De ambtenaar heeft geen recht op vergoeding als hij ten aanzien van de schade rechten tegenover derden kan doen gelden. Een voorschot kan worden verstrekt op de te verwachten schadevergoeding als de ambtenaar zijn rechten tegenover derden aan de gemeente cedeert.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Schade ontstaan tijdens woon-werkverkeer wordt niet vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel11.16schade aan eigendommen van de werkgever 1.De ambtenaar vergoedt de schade die hij in werktijd toebrengt aan de werkgever, voor zover deze schade is te wijten aan opzet, grove schuld of grove nalatigheid van de ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder schade wordt ook de schade gerekend die door de ambtenaar is toegebracht aan derden en die de werkgever moet vergoeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De schadevergoeding kan worden ingehouden op het salaris en de toegekende salaristoelage(n) van de ambtenaar waarbij de inhouding per maand maximaal 5% van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De ambtenaar kan in bijzondere gevallen geheel of gedeeltelijk worden ontheven van de verplichting tot het vergoeden van de schade.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§6</span><span class=\"lf-art-t\">Bedrijfshulpverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel11.17(vervallen) Artikel11.18(vervallen) Artikel11.19(vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§7</span><span class=\"lf-art-t\">Buitengewone omstandigheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel11.20werkzaamheden bij buitengewone omstandigheden 1.De ambtenaar kan worden aangewezen om in tijden van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden andere werkzaamheden te verrichten dan hij gewoonlijk verricht. De werkzaamheden moeten dienen tot uitvoering van de taak die de gemeente in die tijden heeft of zal krijgen en moeten een zo goed en ongestoord mogelijke uitvoering van die taak verzekeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De ambtenaar die is aangewezen op grond van het eerste lid kan worden verplicht om onder leiding en toezicht van een andere gemeente deze werkzaamheden te verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel11.21hulp bij staking particuliere werkgever De ambtenaar kan, als bij een particuliere werkgever een staking is uitgebroken, niet worden verplicht om ter vervanging van stakers werkzaamheden te verrichten of bij het verrichten van werkzaamheden behulpzaam te zijn. Hierop geldt de uitzondering voor het verrichten van werkzaamheden die noodzakelijk zijn met het oog op de openbare veiligheid of het functioneren van de openbare dienst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§8</span><span class=\"lf-art-t\">Dienstwoning</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1122\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.22</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar kan om redenen van dienstbelang worden verplicht een dienstwoning te bewonen. De Regeling Dienstwoning is opgenomen in Bijlage G.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§9</span><span class=\"lf-art-t\">Kasbeheer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel11.23kastekorten en -overschotten 1.De ambtenaar kan in het kader van zijn functie worden opgedragen om de kas te beheren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De ambtenaar aan wie het kasbeheer is opgedragen is verplicht: kastekorten aan te zuiveren; kasoverschotten af te dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het aan te zuiveren kastekort kan worden ingehouden op het salaris en de toegekende salaristoelage(n) van de ambtenaar waarbij de inhouding per maand maximaal 5% van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Als daartoe gronden bestaan, kan de ambtenaar geheel of gedeeltelijk worden ontheven van de verplichting tot aanzuivering van het kastekort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel11.24rekening-courant 1.Voor de toepassing van artikel 11.23 houdt het organisatie-onderdeel een rekening-courant voor de ambtenaar bij, die jaarlijks per 31 december wordt afgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Na afsluiting van de rekening-courant wordt bepaald: welk bedrag de ambtenaar moet aanzuiveren, dit onder verrekening van de hem toekomende kastoelage of vergoeding als genoemd in artikel 11.25, of welk bedrag resteert dat vervolgens wordt overgedragen aan het organisatie-onderdeel, dat de rekening-courant van de ambtenaar voor het volgende jaar met het resterende bedrag crediteert.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De ambtenaar ontvangt ieder kwartaal een afschrift van de rekening-courant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel11.25(vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-10\"><span class=\"lf-art-num\">§10</span><span class=\"lf-art-t\">Overige rechten en verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel11.26verschijnen voor rechter of commissies 1.De ambtenaar is verplicht om, zo nodig ook buiten zijn rooster, te verschijnen of zich beschikbaar te houden voor de rechter, commissies en voor personen die door de werkgever zijn opgedragen enig onderzoek te leiden 2.De ambtenaar krijgt compensatieverlof van gelijke duur als hij buiten zijn rooster moet verschijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel11.27protocollen integriteitonderzoek 1.Er is een protocol voor integriteitonderzoeken die worden uitgevoerd door het Bureau Integriteit. Het Onderzoeksprotocol Bureau Integriteit is opgenomen in Bijlage H.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Er is een protocol voor integriteitonderzoeken binnen de gemeente Amsterdam die niet worden uitgevoerd door het Bureau Integriteit. Het Protocol voor integriteitonderzoeken binnen de gemeente Amsterdam is opgenomen in Bijlage I.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel11.28visitatie goederen De ambtenaar moet op schriftelijke aanwijzing onderzoek toestaan van onder zijn beheer staande of eigen goederen, op voorwaarde dat het onderzoek zijn aanzien niet schaadt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel11.29gedragslijn vermoeden van integriteitschendingen Er is een Gedragslijn vermoeden van integriteitschendingen. Deze gedragslijn en de toelichting zijn opgenomen in Bijlage J.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel11.30zitting nemen in een stembureau De ambtenaar die zitting neemt in een stembureau, genoemd in Hoofdstuk E, Kieswet, doet dit in diensttijd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-11\"><span class=\"lf-art-num\">§11</span><span class=\"lf-art-t\">Uitkering bij overlijden van de ambtenaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 11.31 (vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-12\"><span class=\"lf-art-num\">§12</span><span class=\"lf-art-t\">Positieve actie</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1132\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.32</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college treft, zowel in kwantitatief als in kwalitatief opzicht, specifieke maatregelen ter opheffing van de achterstand van vrouwen en leden van etnische minderheidsgroepen in dienst van de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-13\"><span class=\"lf-art-num\">§13</span><span class=\"lf-art-t\">Geldelijke tegemoetkoming</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1133\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.33</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan naar redelijkheid en billijkheid de ambtenaar schadeloos stellen, kosten vergoeden of overigens een geldelijke tegemoetkoming verlenen voor niet elders in deze regeling voorziene gevallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In verband met de fiscale aspecten die verbonden zijn aan een vertrekregeling is het eveneens aan te raden om het gemeentelijk Bureau Rijksbelastingzaken de voorgestelde regeling te laten toetsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">12Ontslag</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§1</span><span class=\"lf-art-t\">Aanzegging</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het ontslag wordt schriftelijk aangezegd. De aanzegtermijn bedraagt negen weken, tenzij in dit hoofdstuk anders is aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De aanzegtermijn van negen weken wordt verlengd met vijf weken als de ambtenaar: op de dag van de aanzegging van het ontslag 50 jaar of ouder is, en minimaal 15 jaar zonder onderbreking in dienst van de VrAA is of zijn rechtsvoorganger.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Bij een ontslag op grond van artikel 12.12 onder a bedraagt de aanzegtermijn (= re-integratiefase als bedoeld in hoofdstuk 30a):</p>\n<p class=\"lf-p\">4 maanden bij een dienstverband van 2 tot 10 jaar 8 maanden bij een dienstverband van 10 tot 15 jaar 12 maanden bij een dienstverband van 15 jaar of meer.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Bij een ontslag op grond van artikel 12.11 (ontslag wegens reorganisatie) ) geldt op grond van artikel 16.36 lid 5 geen aanzegtermijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§2</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslagaanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel12.2ontslag op eigen verzoek 1.Aan de ambtenaar wordt op zijn verzoek ontslag verleend met ingang van een door hem te bepalen datum.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De opzegtermijn is minimaal: een maand als hij is ingeschaald in de salarisschalen 1 tot en met 8; twee maanden als hij is ingeschaald in salarisschaal 9 of hoger.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Op verzoek van de ambtenaar wordt van het tweede lid afgeweken, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.In afwijking van het eerste lid kan de beslissing op een verzoek om ontslag worden aangehouden als er een strafrechtelijk of disciplinair onderzoek loopt tegen de ambtenaar. Aanhouding is mogelijk als het op grond van de voorlopige bevindingen van het onderzoek aannemelijk is dat de uitkomst daarvan aanleiding zal zijn tot het opleggen van onvoorwaardelijk strafontslag als bedoeld in artikel 13.6, eerste lid onder f. Het verzoek tot ontslag kan worden aangehouden tot het moment waarop het disciplinair onderzoek is afgerond en een beslissing is genomen over het al dan niet opleggen van een onvoorwaardelijk strafontslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Toepassing van het vierde lid is alleen mogelijk na het inwinnen van advies bij de Directie Juridische Zaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Als het onderzoek niet leidt tot strafontslag wordt het verzoek tot ontslag pas ingewilligd als de ambtenaar dit verzoek herbevestigt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-123\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.3</span><span class=\"lf-art-t\">Tijdelijke regeling voor Vervroegd Uittreden (RVU)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar die deel wil nemen aan de RVU wordt op zijn verzoek ontslag verleend mits hij: voor 1 januari 2029 de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt, op het moment van deelname minimaal 40 dienstjaren heeft als bedoeld in artikel 3.19 waarvan minimaal 10 jaar bij de veiligheidsregio of diens rechtsvoorganger en geen ambtenaar is als bedoeld in hoofdstuk 27h van de ARBAA.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het bestuur legt de afspraak over deelname aan de RVU uiterlijk op 31 december 2025 vast in een besluit aangevuld met een vaststellingsovereenkomst waarin de ambtenaar verklaart geen WW- of WIA uitkering aan te vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Deelname aan de RVU kan voor maximaal 24 maanden en gaat in direct voorafgaand aan het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De RVU-uitkering stopt op de datum dat de ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Tijdens deelname aan de RVU bestaat aanspraak op een maandelijkse uitkering ter hoogte de fiscale drempelvrijstelling voor de RVU. Bij een deeltijd dienstverband wordt de maandelijkse uitkering naar rato vastgesteld.</div>\n<p class=\"lf-p\">6.Indien de ambtenaar overlijdt tijdens deelname aan de RVU stopt de uitkering en wordt aan de nabestaanden een uitkering verstrekt ter hoogte van driemaal de uitkering als genoemd onder lid 5.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§3</span><span class=\"lf-art-t\">Afloop tijdelijke aanstelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel12.4ontslag bij einde proeftijd 1.De ambtenaar die na een aanstelling in tijdelijke dienst bij wijze van proef niet in vaste of tijdelijke dienst wordt aangesteld, wordt geacht te zijn ontslagen zodra de tijd waarvoor hij is aangesteld is verstreken. Het ontslag wordt schriftelijk aangezegd waarbij de aanzegtermijn vijf weken bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De ambtenaar krijgt opnieuw een aanstelling in tijdelijke dienst bij wijze van proef voordezelfde duur als de laatste aanstelling als: van de beëindiging geen aanzegging is gedaan met inachtneming van de aanzegtermijn van vijf weken; na de datum van afloop van de aanstelling geen wijziging is gekomen in de feitelijke omstandigheden, en de in artikel 2.3, vijfde lid, (aanstelling in tijdelijke dienst bij wijze van proef) genoemde maximumduur daardoor niet wordt overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel12.5ontslag bij tijdelijke aanstelling voor bepaalde tijd 1.De ambtenaar die is aangesteld in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd, wordt geacht te zijn ontslagen zodra de tijd waarvoor hij is aangesteld is verstreken. Het ontslag wordt schriftelijke aangezegd waarbij de aanzegtermijn vijf weken bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Als de termijn in het eerste lid niet in acht is genomen en de ambtenaar na afloop van de laatste aanstelling, deze aanstelling feitelijk heeft voortgezet, wordt de ambtenaar geacht te zijn ontslagen vijf weken nadat hem alsnog de beëindiging van de aanstelling is aangezegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel12.6ontslag bij tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd 1.De ambtenaar die is aangesteld in tijdelijke dienst voor onbepaalde tijd wordt ontslagen als de omstandigheid die tot de aanstelling leidde is komen te vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De ambtenaar die is aangesteld in tijdelijke dienst voor onbepaalde tijd kan geheel of gedeeltelijk worden ontslagen als de werkzaamheden zijn verminderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel12.7ontslag bij beëindiging opleiding 1.De ambtenaar, die is aangesteld in tijdelijke dienst voor de duur van de opleiding, wordt geacht te zijn ontslagen bij beëindiging van de opleiding als bedoeld in artikel 2.6, derde lid, (beroepsopleiding). Het ontslag wordt schriftelijk aangezegd waarbij de aanzegtermijn vijf weken bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Als de aanzegtermijn niet in acht is genomen, wordt de ambtenaar geacht te zijn ontslagen vijf weken nadat alsnog de beëindiging van de aanstelling is aangezegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§4</span><span class=\"lf-art-t\">Overige ontslaggronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel12.8ontslag wegens volledige arbeidsongeschiktheid 1.Onder volledige arbeidsongeschiktheid wordt verstaan: arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht bestaat op een WGA-uitkering; arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht bestaat op een IVA-uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van volledige arbeidsongeschiktheid. De aanzegtermijn bedraagt vijf weken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Ontslag als bedoeld in het tweede lid mag slechts plaatsvinden als er sprake is van arbeidsongeschiktheid gedurende een periode van 24 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid wordt het resultaat van de claimbeoordeling van de WIA en de resultaten van een mogelijke herbeoordeling betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De ambtenaar wordt schriftelijk op de hoogte gesteld dat een ontslagprocedure als bedoeld in het tweede lid wordt ingesteld. De melding vindt op zijn vroegst plaats vanaf de 21e maand na de eerste dag van arbeidsongeschiktheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de meest recente WIA-beschikking zijn genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Als het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in het zesde lid, genomen is, wordt een deskundigenoordeel van UWV betrokken, als er geen overeenstemming bestaat over het ontslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van 24 maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de functie ten gevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6.33 en 6.34 niet in aanmerking genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van 24 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens arbeidsongeschiktheid samengeteld, als zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of als zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.De termijn van 24 maanden, als bedoeld in het derde lid wordt verlengd: met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de WIA en met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel12.8aontslag wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid 1.Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. De aanzegtermijn bedraagt vijf weken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een ontslag als bedoeld in het eerste lid mag slechts plaatsvinden als: er sprake is van arbeidsongeschiktheid gedurende een periode van 36 maanden; het na zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de ambtenaar binnen de VrAA passende arbeid op te dragen, als bedoeld in artikel 7.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid wordt het resultaat van de claimbeoordeling op grond van de WIA en de resultaten van een mogelijke herbeoordeling betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De ambtenaar wordt schriftelijk op de hoogte gesteld dat een ontslagprocedure als bedoeld in het eerste lid wordt ingesteld. Deze melding geschiedt op zijn vroegst vanaf de 33e maand na de eerste arbeidsongeschiktheidsdag.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de meest recente WIA-beschikking zijn genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Als het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in het vijfde lid, genomen is, wordt een deskundigenoordeel van UWV betrokken, als er geen overeenstemming bestaat over het ontslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde tijdvak van 36 maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de functie ten gevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6.33 en 6.34, niet in aanmerking genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde tijdvak van 36 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens arbeidsongeschiktheid samengeteld, als zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of als zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.De termijn van 36 maanden, als genoemd in het tweede lid, onderdeel a, wordt verlengd: met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de WIA en met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.Als voor de ambtenaar buiten de VrAA passende arbeid als bedoeld in artikel 7.8, derde of vierde lid, aanwezig is, is ontslag vanaf 24 maanden na de eerste dag van ongeschiktheid op grond van dit artikel mogelijk. Bij het bepalen van de termijn van 24 maanden worden het zesde, zevende en achtste lid van artikel 7.8 overeenkomstig toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel12.9ontslag wegens het niet meewerken aan re-integratieverplichtingen 1.Een ontslag wegens arbeidsongeschiktheid op grond van het niet meewerken aan re-integratieverplichtingen kan worden verleend als de ambtenaar zonder deugdelijke grond weigert: gevolg te geven aan door de werkgever of aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan door de werkgever of een aangewezen deskundige getroffen maatregelen om hem in staat te stellen de eigen of andere arbeid te verrichten; zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 25, tweede lid, Wia; een uitkering op grond van de Wia aan te vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Om te beoordelen of sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, wordt een advies van UWV gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel12.10ontslag wegens niet voldoen aan diploma’s De ambtenaar kan worden ontslagen als hij: na zijn aanstelling of na wijziging van zijn tewerkstelling op zijn aanvraag niet voldoet aan de schriftelijk gestelde voorwaarde om op een afgesproken tijdstip bepaalde diploma's te hebben behaald; tijdens zijn opleiding klaarblijkelijk de geschiktheid mist deze verder te volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel12.11ontslag wegens reorganisatie De ambtenaar kan geheel of gedeeltelijk worden ontslagen als: zijn functie is opgeheven, al dan niet samengaand met verandering in de inrichting van zijn organisatie-onderdeel; hij boventallig is bij zijn organisatie-onderdeel door vermindering van werkzaamheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel12.12ontslag wegens ongeschiktheid, incompatibiliteit of wettelijke voorwaarden De ambtenaar kan geheel of gedeeltelijk worden ontslagen als: hij ongeschikt of onbekwaam is voor de verdere vervulling van zijn functie, anders dan door ziekte of gebreken; om een andere reden dan onder a het belang van de VrAA dringend eist dat hij zijn functie op een andere wijze vervult, of hij niet voldoet aan de bij of krachtens wet gestelde voorwaarden voor de vervulling van zijn functie of voor verblijf en het verrichten van arbeid in Nederland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel12.13ontslag wegens misdrijf, verstrekken van onjuiste informatie of onttrekken aan werk 1.De ambtenaar kan worden ontslagen als: hij onherroepelijk is veroordeeld tot vrijheidsstraf wegens een misdrijf; hij opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt bij zijn sollicitatie of het geneeskundig onderzoek, genoemd in artikel 2.7, eerste lid, onder b, (vereisten voor aanstelling) en als bij kennis van de juiste gegevens geen aanstelling zou hebben plaatsgehad, of hij zich kennelijk willekeurig onttrekt aan de verplichting zijn functie te vervullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het ontslag kan met terugwerkende kracht worden aangezegd tot de datum waarop de aanspraak op salaris en de toegekende salaristoelage(n) is vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel12.14ontslag bij bereiken AOW-gerechtigde leeftijd 1.De ambtenaar wordt ontslag verleend met ingang van de dag waarop hijde AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De werkgever kan in bijzondere gevallen, als de ambtenaar hiermee instemt, van het eerste lid afwijken en geen ontslag verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel12.15ontslag dienstverband na de AOW-gerechtigde leeftijd 1.De aanstelling van de ambtenaar die na de AOW-gerechtigde leeftijd in dienst is getreden en de aanstelling van de ambtenaar die op grond van artikel 12.14, tweede lid, niet is ontslagen bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd, wordt beëindigd wanneer een van de partijen dat wenselijk acht. Hierbij wordt een opzegtermijn van één maand in acht genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van lid 1 geldt in geval van ziekte een opzegtermijn van 13 weken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel12.16aontslag bij bereiken 63-jarige leeftijd (FWS) De ambtenaar die gebruik maakt van de regeling FWS (Hoofdstuk 28) wordt ontslag verleend met ingang van de eerste van de maand volgend op die waarop hij de 63-jarige leeftijd bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel12.16bontslag 4 jaar vóór de AOW-gerechtigde leeftijd (Regeling 50-100) De ambtenaar die gebruik maakt van de Regeling 50-100 (Hoofdstuk 28a) wordt ontslag verleend met ingang van de eerste van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd bereikt van 4 jaar vóór de voor hem geldende AOW-gerechtigde leeftijd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§5</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere bepalingen ten aanzien van het ontslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel12.17ontslag tijdens zwangerschap 1.Geen aanzegging van ontslag kan plaatsvinden aan de zwangere ambtenaar bij een voornemen tot ontslag op grond van: artikel 12.6 (ontslag bij aanstelling voor onbepaalde tijd); artikel 12.10 onder b (ontslag wegens niet voldoen aan diploma’s); artikel 12.11 (ontslag wegens reorganisatie); artikel 12.12 onder a (ontslag wegens ongeschiktheid, incompatibiliteit en wettelijke voorwaarden).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook kan geen aanzegging van ontslag op deze gronden plaatsvinden binnen 12 weken vanaf de dag van de bevalling.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Als de ambtenaar binnen twee maanden na de datum van de aanzegging door een verklaring van een verloskundige of arts aantoont dat zij op de datum van de aanzegging zwanger was, is die aanzegging van rechtswege nietig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel12.18ontslag vertegenwoordigers ondernemingsraad 1.Zonder toestemming van het bestuur kan geen aanzegging van ontslag plaatsvinden aan de ambtenaar die: lid is van de ondernemingsraad of van een commissie, genoemd in artikel 15 Wor; geplaatst is op een kandidatenlijst, genoemd in artikel 9 Wor; korter dan twee jaar geleden lid is geweest van de ondernemingsraad of van een commissie van de ondernemingsraad, genoemd in artikel 15 Wor, of aan de ondernemingsraad als secretaris is toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De toestemming is niet vereist als de ambtenaar schriftelijk met zijn ontslag instemt of bij ontslag op grond van: artikel 12.2 (ontslag op eigen verzoek); artikel 12.5 (ontslag bij aanstelling voor bepaalde tijd); artikel 12.8 (ontslag wegens arbeidsongeschiktheid); artikel 12.8a (ontslag wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid); artikel 12.11 (ontslag wegens reorganisatie); artikel 12.14 (ontslag bij bereiken pensioengerechtigde leeftijd); artikel 12.15 (ontslag na 65 jaar of de pensioengerechtigde leeftijd).</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel12.19salaris en salaristoelage(n) na herroepen of vernietiging ontslagbesluit Bij herroeping of vernietiging van de beschikking tot ontslag kan het bedrag van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) waarop de ambtenaar alsnog recht heeft, worden verminderd met de inkomsten die de ambtenaar tijdens de periode van ontslag heeft verdiend door het verrichten van arbeid. Eventuele verwervingskosten worden hiervan afgetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel12.20overgangsbepaling 1.Op de ambtenaar van wie de eerste dag van arbeidsongeschiktheid, is gelegen vóór 1 januari 2004 zijn de artikelen 12.8, 12.8a en 12.9 niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Op de ambtenaar, genoemd in het eerste lid, zijn artikel 1121 en 1121a ARA van toepassing, zoals die golden op 30 juni 2006.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van arbeidsongeschiktheid, is gelegen op of na 1 januari 2004, maar die op grond van de Wao recht heeft op een Wao-uitkering, zijn de artikelen 12.8, 12.8a en 12.9 niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Op de ambtenaar, genoemd in het derde lid, zijn artikel 1121 en 1121a Ambtenarenreglement Amsterdam van toepassing, zoals die golden op 30 juni 2006.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1221\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.21</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte, bedoeld in artikel 12.8a, is gelegen voor 1 juli 2007 is artikel 12.8a niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 1121 lid 1 sub a ARA alsmede 1121 lid 2 tot en met 10 ARA, zoals dat gold op 30 juni 2008, van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1222\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.22</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7.2, gelegen is voor 1 augustus 2008, is artikel 12.8 of artikel 12.8a van toepassing, zoals dat gold op 31 oktober 2008.</p>\n<p class=\"lf-p\">13Ordemaatregelen en disciplinaire straffen</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§1</span><span class=\"lf-art-t\">Ordemaatregelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel13.1verbod toegang tot werkplek 1.De ambtenaar kan worden verboden aanwezig te zijn in gebouwen en op terreinen van het organisatie-onderdeel waar hij is tewerkgesteld, als en voor zolang hij: als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand kennelijk niet in staat is zijn functie naar behoren te vervullen; gevaar kan opleveren voor de veiligheid of gezondheid van anderen; de orde of geregelde gang van zaken van het organisatie-onderdeel verstoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk bevestigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het salaris en de toegekende salaristoelage(n) van de ambtenaar ondergaan als gevolgvan deze maatregel geen wijziging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel13.2schorsing met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) 1.De ambtenaar kan worden geschorst met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) zolang nog geen oordeel is gevormd over de schorsing op grond van artikel 13.3, eerste lid, en het dienstbelang in overwegende mate eist dat hij zijn functie niet vervult.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De ambtenaar kan worden geschorst met behoud van salaris en de toegekendesalaristoelage(n) als het redelijkerwijs niet aanvaardbaar is dat hij zijn werkzaamheden blijft verrichten, tenzij artikel 7.10, eerste lid (verplicht medisch onderzoek bij functievervulling) van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel13.3schorsing met gedeeltelijke doorbetaling of zonder doorbetaling 1.De ambtenaar kan worden geschorst, als: hij strafrechtelijk wordt vervolgd voor het plegen van een misdrijf; hij in verzekering of voorlopige hechtenis is gesteld; er jegens hem sprake is van een redelijke mate van verdenking van het plegen van een ambtsmisdrijf; hij is veroordeeld tot een vrijheidsstraf wegens het plegen van een misdrijf; het voornemen bestaat hem onvoorwaardelijk strafontslag op te leggen; het voornemen bestaat een aan hem voorwaardelijk opgelegd strafontslag ten uitvoer teleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De werkgever kan bij schorsing van de ambtenaar voor een periode van zes weken het salaris en de toegekende salaristoelage(n) verminderen met maximaal een derde deel van het salaris en de toegekende salaristoelage(n).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Na zes weken heeft de ambtenaar geen recht meer op salaris en de toegekende salaristoelage(n), tenzij de gevolgen hiervan niet in verhouding staan tot de in het eerste lid onder e en f genoemde voorgenomen maatregelen. In dat geval kan gedurende een nader te bepalen periode recht blijven bestaan op twee derde deel van het salaris en de toegekende salaristoelage(n).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§2</span><span class=\"lf-art-t\">Disciplinaire straffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel13.4plichtsverzuim De ambtenaar kan worden gestraft als hij zich niet gedraagt overeenkomstig artikel 11.1 (vervulling functie) en zich daarmee schuldig maakt aan plichtsverzuim.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel13.5procedure verantwoording 1.Als een mondelinge verantwoording plaatsvindt, wordt hiervan een verslag gemaakt dat door partijen voor akkoord wordt getekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Als de ambtenaar de ondertekening weigert, wordt dit op het verslag aangetekend met de reden daarvan. De ambtenaar ontvangt een afschrift van het verslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel13.6straffen 1.De straffen, die de ambtenaar kunnen worden opgelegd zijn: schriftelijke berisping; buitengewone dienst op andere dagen dan de zondag en de voor de ambtenaar geldende officiële feestdagen die samenhangen met zijn geloof of culturele achtergrond, zonder dat hij hiervoor salaris en de toegekende salaristoelage(n) ontvangt; vermindering van vakantie met ten hoogste 1/3 van het aantal uren waarop de ambtenaar voor het desbetreffende kalenderjaar aanspraak heeft; vermindering van het salaris voor de duur van maximaal één jaar; plaatsing in een andere functie, al of niet in een ander organisatie-onderdeel, voor bepaalde of onbepaalde tijd en met of zonder vermindering van salaris en de toegekende salaristoelagen; strafontslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor hetzelfde plichtsverzuim kan een combinatie van meerdere straffen worden opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het strafontslag wordt niet aangezegd en kan met terugwerkende kracht ingaan op de dag volgend op die waarop de ontslaggrond voor het eerst aanwezig was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel13.7voorwaardelijke straf 1.Behalve bij een schriftelijke berisping kan bij het opleggen van een straf worden bepaald dat zij voorwaardelijk wordt opgelegd. De straf wordt ten uitvoer gelegd als de ambtenaar zich opnieuw schuldig maakt aan een soortgelijk of ander plichtsverzuim, dan wel zich niet houdt aan de bij de straf gestelde bijzondere voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een voorwaardelijke straf wordt voor maximaal twee jaar opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel13.8tenuitvoerlegging straf 1.De straf bedoeld in artikel 13.6, eerste lid, onder b tot en met e, wordt pas ten uitvoer gelegd, als zij onherroepelijk is geworden, tenzij bij de strafoplegging tot onmiddellijke tenuitvoerlegging is besloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Na afloop van de duur van de straf bedoeld in artikel 13.6, eerste lid onder d en e, wordt het salaris van de ambtenaar vastgesteld op het bedrag dat voor hem zou gelden als hij niet zou zijn gestraft.</p>\n<p class=\"lf-p\">14SPAREN (VERVALLEN) 15Organisatorische rechten</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§1</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling regeling</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-151\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel15.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het bestuur van de VrAA stelt een Regeling Organisatorische rechten BAA vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De regeling bedoeld in lid 1 is opgenomen in hoofdstuk 4 van de ARBAA.</p>\n<p class=\"lf-p\">16Reorganisatie en sociaal plan</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§1</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling regeling</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-161\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel16.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het bestuur van de VrAA stelt een Regeling Reorganisatie en Sociaal Plan BAA vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De regeling bedoeld in lid 1 is opgenomen in hoofdstuk 5 van de ARBAA.</p>\n<p class=\"lf-p\">17Sollicitatiecode</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§1</span><span class=\"lf-art-t\">Sollicitatieprocedure</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-171a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel17.1a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de werving en selectie van een topfunctionaris. Voor de topfunctionaris geldt een aparte wervings- en selectieprocedure die in beleid is vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel17.1voorrangsvolgorde bij het vervullen van een vacature Bij het vervullen van vacatures wordt de volgende voorrangsvolgorde in acht genomen: boventallige mobiliteitskandidaten gemeentebreed en arbeidsongeschikte medewerkers voor wie de vacature passende arbeid is; overige medewerkers gemeentebreed, uitzendkrachten die langer dan 12 maanden aaneengesloten werkzaam zijn voor de gemeente Amsterdam en trainees van de Metropoolregio Amsterdam; voormalig medewerkers van de gemeente Amsterdam die direct aansluitend aan hun dienstverband een ww-uitkering of een bovenwettelijke uitkering ontvangen in verband met de beëindiging van dat dienstverband; externe sollicitanten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel17.2bekendmaking van de vacature 1.De sollicitatieprocedure begint met het intern of extern bekendmaken van de vacaturetekst die in ieder geval de volgende gegevens bevat: naam, adres en werkterrein van het organisatie-onderdeel; functienaam en beschrijving van de voornaamste werkzaamheden en bevoegdheden; functie-eisen zoals opleiding, kennis, ervaring en persoonlijke kenmerken; plaats in de organisatie; salarisschaal met vermelding van het maximumsalaris; bijzonderheden in de sollicitatieprocedure, zoals voorrang van interne sollicitanten, groepsselectie, een inspraakprocedure, psychologisch onderzoek of medisch onderzoek; sollicitatietermijn; naam en telefoonnummer van contactpersoon voor nadere informatie over de functie; de voorkeur voor een specifieke invulling van de vacature op grond van het diversiteitsbeleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De vacaturetekst vermeldt bij voorkeur de loopbaanmogelijkheden en overige belangrijke arbeidsvoorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel17.3ontvangstbevestiging van de sollicitatie De sollicitant ontvangt zo spoedig mogelijk een bericht van ontvangst van zijn sollicitatie, onder vermelding van de termijn waarin hij nader wordt geïnformeerd over de sollicitatieprocedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel17.4afhandeling sollicitatiebrieven 1.De sollicitant van wie op grond van de sollicitatiebrief blijkt dat hij niet voor de vacature in aanmerking komt, ontvangt daarvan zo spoedig mogelijk bericht onder vermelding van de reden van afwijzing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De sollicitant die vooralsnog niet wordt uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek maar eventueel wel in een later stadium kan worden uitgenodigd, ontvangt hiervan zo spoedig mogelijk bericht onder vermelding van de reden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De sollicitant die voor een gesprek wordt uitgenodigd, ontvangt de uitnodiging minimaal één week voor het gesprek, tenzij in overleg een andere afspraak wordt gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§2</span><span class=\"lf-art-t\">Sollicitatiegesprek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel17.5uitnodiging sollicitatiegesprek 1.De uitnodiging voor het sollicitatiegesprek bevat in ieder geval de volgende informatie: datum, tijd en plaats van het gesprek; namen en functies van degenen met wie het gesprek zal plaatsvinden; duur van het gesprek; wijze waarop de vergoeding van de reiskosten is geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij de uitnodiging wordt de tekst van dit hoofdstuk meegestuurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel17.6sollicitatiegesprek 1.Een sollicitatiegesprek wordt gevoerd met de sollicitatiecommissie en duurt maximaal anderhalf uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De sollicitatiecommissie bestaat uit minimaal twee en maximaal vier personen en is zo divers mogelijk van samenstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De sollicitatiecommissie stelt de sollicitant alleen vragen die relevant zijn voor de functie of de vervulling ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het aantal gesprekken dat met een sollicitant wordt gevoerd, bedraagt niet meer dan drie. In bijzondere gevallen kan hiervan, in overleg met de sollicitant, worden afgeweken.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De sollicitant wordt geïnformeerd over zaken waarover hij in verband met de aanvaarding van de functie vragen heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Bij de sollicitatie gelden de functie-eisen zoals deze zijn vermeld in de vacaturetekst. Tijdens de sollicitatieprocedure worden geen nieuwe functie-eisen toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel17.7inwinnen van informatie 1.Er wordt informatie over de sollicitant ingewonnen bij de huidige of een vroegere werkgever of bij andere instanties of personen. Het inwinnen vindt alleen plaats in de eindfase van de sollicitatieprocedure. Als de sollicitant niet instemt met het inwinnen van de informatie, eindigt voor hem de sollicitatieprocedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De in te winnen informatie moet direct verband houden met de te vervullen functie.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De verkregen informatie wordt op verzoek aan de sollicitant meegedeeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§3</span><span class=\"lf-art-t\">Onderzoeken sollicitatieprocedure</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel17.8psychologisch onderzoek 1.Een psychologisch onderzoek kan deel uitmaken van de sollicitatieprocedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een psychologisch onderzoek wordt verricht met inachtneming van de beroepscode van het Nederlands Instituut van Psychologen. De volgende punten spelen hierbij een rol: bij de uitnodiging voor een psychologisch onderzoek wordt informatie verstrekt over het doel en de aard van het onderzoek, de indeling van de testdag en de rechten van de sollicitant; na afloop van het onderzoek wordt aan de sollicitant de uitkomst van het psychologisch onderzoek meegedeeld; de sollicitant heeft het recht van de uitkomst van het psychologisch onderzoek kennis te nemen en daarover een nader gesprek met de psycholoog te hebben. de sollicitant heeft het recht zich naar aanleiding van de uitkomst van het psychologisch onderzoek terug te trekken uit de sollicitatieprocedure, zonder dat het testresultaat aan de opdrachtgever wordt meegedeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De uitkomst van het psychologisch onderzoek komt alleen ter kennis van de bij de sollicitatie betrokken zijnde personeelsfunctionaris en degene die beslist over de aanstelling. De uitkomst van het psychologisch onderzoek wordt niet gekopieerd of op andere wijze verveelvoudigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De uitkomst van het psychologisch onderzoek wordt na afloop van de sollicitatieprocedure teruggestuurd aan de psychologisch adviseur of wordt, als de sollicitant hiermee instemt, in het personeelsdossier opgeborgen. Het psychologisch onderzoek wordt nooit bij volgende sollicitaties gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel17.9verklaring omtrent gedrag De te benoemen kandidaat vraagt voorafgaand aan de aanstelling een verklaring omtrent gedrag aan bij de gemeente waar hij staat ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie. De aanstelling vindt niet plaats als geen verklaring wordt afgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel17.10medische keuring 1.Als een wettelijk voorschrift dit vereist of de vervulling van de functie bijzondere eisen stelt op het punt van de medische geschiktheid, vindt een keuring plaats. De keuring wordt pas verricht nadat alle overige beoordelingen van de geschiktheid van de kandidaat zijn afgerond en men op grond daarvan tot aanstelling wil overgaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De kandidaat wordt tijdig geïnformeerd over de inhoud, de procedure en het tijdpad van de medische keuring, en over de mogelijkheid om een verzoek tot herkeuring in te dienen als de keuringsuitslag niet of niet volledig positief is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De keuring wordt verricht door een keurend arts, die niet de behandelend of begeleidend arts is van de kandidaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De keurend arts mag geen vragen stellen of medische onderzoeken verrichten die onevenredig inbreuk maken op de lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van de kandidaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Er wordt een dossier ingericht waarin de gegevens van de keuring op een voor de kandidaat heldere en inzichtelijke wijze schriftelijk worden vastgelegd. De kandidaat heeft desgevraagd recht op inzage of een afschrift van het dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.De kandidaat wordt geïnformeerd over de uitslag van de keuring. Hij kan vervolgens beslissen of de uitslag wel of niet bekend wordt gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Als de kandidaat om een herkeuring verzoekt, wordt in overleg met hem een herkeurend arts aangewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.De uitslag van de medische keuring komt alleen ter inzage van de bij de sollicitatie betrokken personeelsfunctionaris of degene die beslist over de aanstelling. De uitslag van het medisch onderzoek wordt in het persoonsdossier opgeborgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§4</span><span class=\"lf-art-t\">Afronding Sollicitatieprocedure</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel17.11beëindiging van de sollicitatieprocedure 1.De totale duur van de sollicitatieprocedure na de sluitingsdatum van de laatst verschenen advertentie bedraagt in beginsel maximaal drie maanden. Bij overschrijding van deze termijn wordt de oorzaak daarvan aan de sollicitant bekendgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Aan de voor aanstelling geselecteerde sollicitant wordt voor indiensttreding een aanstellingsbrief gezonden met vermelding van de belangrijkste arbeidsvoorwaarden en eventuele afspraken met betrekking tot de functievervulling.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Sollicitanten die niet voor de functie in aanmerking komen, ontvangen daarvan binnen 14 dagen schriftelijk bericht met vermelding van de reden van afwijzing en de naam van de persoon bij wie nadere inlichtingen kunnen worden verkregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Aan de sollicitant worden in verband met de sollicitatie gemaakte reiskosten vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Sollicitatiebrieven en eventuele overige op de sollicitatie betrekking hebbende stukken, afkomstig van sollicitanten, worden uiterlijk vier weken na afloop van de sollicitatieprocedure vernietigd of, met toestemming van de sollicitant, maximaal één jaar bewaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel17.12klachtrecht 1.De sollicitant die van oordeel is dat de sollicitatiecode niet juist is toegepast, heeft het recht zich daarover te beklagen, onder vermelding van de gronden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De sollicitant kan tot maximaal één jaar nadat de gedraging zich heeft voorgedaan, een klacht indienen bij het hoofd van het organisatie-onderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Sollicitanten naar de volgende functies dienen hun klacht in bij het college: hoofd van een organisatie-onderdeel; directeuren van Bestuur en Organisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De klacht wordt onmiddellijk in behandeling genomen. Binnen één maand worden het resultaat van het onderzoek en de eventuele gevolgen daarvan aan de sollicitant meegedeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">18Personeelsdossier</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§1</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene bepalingen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-181\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel18.1</span><span class=\"lf-art-t\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">document: de vastgelegde gegevens op papier of in digitale vorm; personeelsdossier: verzameling van documenten met betrekking tot de ambtenaar of voormalig ambtenaar; verwerking van persoonsgegevens: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§2</span><span class=\"lf-art-t\">Personeelsdossier</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel18.2inhoud en bewaartermijn personeelsdossier 1.Het personeelsdossier bevat, voor zover van toepassing, de documenten genoemd in de eerste kolom van de tabel in Bijlage M.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het personeelsdossier bevat geen documenten in gesloten enveloppe.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De documenten worden bewaard gedurende de wettelijke bewaartermijn genoemd in de tweede kolom van de tabel in Bijlage M.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Documenten die tot 10 jaar na het einde van het dienstverband worden bewaard, worden in afwijking van het derde lid bewaard tot 40 jaar na het einde van het dienstverband als de ambtenaar heeft gewerkt of in aanraking is geweest met voor de gezondheid schadelijke stoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Documenten die tot 10 jaar na het einde van het dienstverband worden bewaard, worden in afwijking van het derde lid blijvend bewaard als het een ambtenaar betreft met bijzondere betekenis voor de VrAA of voor de maatschappij.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§3</span><span class=\"lf-art-t\">Recht op toegang</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel18.3toegang tot het personeelsdossier 1.Naast de medewerker en het hoofd van het organisatie-onderdeel heeft degene toegang tot het personeelsdossier die door of namens het hoofd van het organisatie-onderdeel belast is met de verwerking van gegevens ten behoeve van de in artikel 3 van het gemeentelijk Protocol voor de verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van de personeels- en salarisadministratie opgenomen doelstellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de medewerker RVE-manager is, heeft naast de RVE-manager de stedelijk directeur toegang tot het personeelsdossier, alsmede degene die door of namens de stedelijk directeur belast is met de verwerking van gegevens ten behoeve van de in artikel 3 van het gemeentelijk Protocol voor de verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van de personeels- en salarisadministratie opgenomen doelstellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien de medewerker stedelijk directeur is, heeft naast de stedelijk directeur de algemeen directeur toegang tot het personeelsdossier, alsmede degene die door of namens de algemeen directeur belast is met de verwerking van gegevens ten behoeve van de in artikel 3 van het gemeentelijk Protocol voor de verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van de personeels- en salarisadministratie opgenomen doelstellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel18.4verzet opname en/of gebruik persoonsgegevens in het personeelsdossier Betrokkene kan verzet aantekenen tegen de verwerking van zijn persoonsgegevens op grond van bijzondere persoonlijke omstandigheden en als door de verwerking zijn fundamentele rechten en vrijheden in het geding komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">19Klachtenregeling over ongewenst gedrag</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§1</span><span class=\"lf-art-t\">Definities</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-191\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel19.1</span><span class=\"lf-art-t\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">commissie: de Landelijke Klachtencommissie Ongewenst Gedrag voor de decentrale overheid (LKOG); ongewenst gedrag: gedrag dat valt binnen de begrippen discriminatie, (seksuele)intimidatie zoals verwoord in artikel 1, 1 a en 2 van de Algemene wet gelijke behandeling en agressie geweld en pesten zoals bedoeld in de Arbowet artikel 3 lid 2 jo. artikel 1 lid 3 sub e en f; klacht: een door de klager ondertekend en van naam- en adresgegevens voorziengeschrift waarin het jegens hem ongewenste gedrag waarop de klacht betrekking heeft is omschreven, behoudens een klacht op grond van artikel 19.14A; klager: een persoon, niet zijnde een politieke ambtsdrager van de gemeente, die werkzaam is of werkzaam is geweest in deze organisatie en een klacht over ongewenst gedrag indient; aangeklaagde: een persoon, niet zijnde een politieke ambtsdrager van de gemeente, die werkzaam is of werkzaam is geweest in deze organisatie en over wiens gedrag geklaagd wordt; informant: degene die namens de werkgever informatie verstrekt aan de commissie; vertrouwenspersoon: de functionaris tot wie de medewerker die geconfronteerd wordt met ongewenst gedrag zich kan wenden voor advies en ondersteuning. getuigen: andere dan onder h genoemde personen die door de commissie worden verzocht informatie te verstrekken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§2</span><span class=\"lf-art-t\">Vertrouwenspersoon</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel19.2contact vertrouwenspersoon De medewerker die met ongewenst gedrag wordt geconfronteerd, kan, voordat hij een klacht indient bij de commissie, zich wenden tot de vertrouwenspersoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel19.3taken vertrouwenspersoon De vertrouwenspersoon wordt benoemd door de werkgever na raadpleging van de ondernemingsraad en heeft in ieder geval de volgende taken: het opvangen van de medewerker die in zijn werk is geconfronteerd met ongewenst gedrag, hem te adviseren en te ondersteunen; het informeren van de medewerker over de verschillende wegen die openstaan om het probleem op te lossen of over hoe een klacht in te dienen; het begeleiden van de medewerker als deze de zaak wil laten bemiddelen of een klacht wil indienen bij de ­commissie; het eventueel doorverwijzen van de medewerker naar externe deskundigen op het desbetreffende terrein; het gevraagd en ongevraagd adviseren van de werkgever of andere personen binnen de organisatie over preventie en bestrijding van ongewenst gedrag; het verzorgen van voorlichting en publiciteit over het gevoerde beleid met betrekking tot ongewenst gedrag; het behandelen van de ontvangen meldingen met inachtneming van geheimhouding en het informeren van derden, alleen met instemming van de medewerker; het registreren van meldingen en jaarlijks hierover geanonimiseerd rapporteren aan de werkgever.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel19.4verzending rapport vertrouwenspersoon De werkgever draagt zorg voor verzending van een afschrift van het rapport, bedoeld in artikel 19.3, onder h, aan de ondernemingsraad en de commissie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§3</span><span class=\"lf-art-t\">Commissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel19.5instelling, taakstelling en samenstelling van de commissie 1.De commissie heeft tot taak een klacht te onderzoeken en daarover advies uit te brengen aan de werkgever.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Uit de commissie worden door de voorzitter van de commissie drie leden aangewezen om een klacht te onderzoeken, waaronder een (plaatsvervangend) voorzitter.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Deze leden beslissen bij gewone meerderheid van stemmen over het uit te brengen advies.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Een lid wordt vervangen als deze direct of indirect betrokken is geweest bij enige vorm van ongewenst gedrag waarover de klacht is ingediend dan wel een persoonlijk belang heeft bij de afhandeling van de klacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Benoeming, schorsing en ontslag van de voorzitter, overige leden en hun plaatsvervangers geschiedt door de voorzitter van het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.De voorzitter, overige leden en hun plaatsvervangers worden benoemd voor een periode van zes jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.De commissie kan een nadere werkwijze bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel19.6secretaris en administratie 1.De voorzitter van het College voor Arbeidszaken wijst na overleg met de voorzitter van de commissie een secretaris en een of meer plaatsvervangend secretarissen aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De administratie ten behoeve van de commissie wordt gevoerd door het secretariaat van het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel19.7indienen van de klacht 1.De klager kan de klacht zowel rechtstreeks bij de commissie indienen als bij de werkgever.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De klager vermeldt in de klacht zo mogelijk de datum, tijd, plaats van het ongewenst gedrag, de omstandigheden, de namen van aangeklaagde en eventuele getuigen, en de stappen die hij reeds heeft ondernomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien de klager de klacht indient bij de werkgever, bevestigt deze de ontvangst van de klacht aan de klager en vermeldt daarbij dat de klacht zal worden doorgezonden naar de commissie die zal adviseren over de afhandeling van de klacht. De werkgever zendt de klacht, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig mogelijk door aan de commissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De commissie bevestigt de ontvangst van de klacht aan de klager en stelt hem op de hoogte van de termijnen en de wijze van afdoening van de klacht. Tevens informeert de commissie de werkgever binnen twee weken, dat een klacht is ontvangen. Indien de klacht rechtstreeks bij de commissie is ingediend bevat de melding aan de werkgever geen persoonsgegevens van klager, beklaagde of getuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel19.8in behandeling nemen van de klacht 1.De werkgever verstrekt op verzoek alle op de klacht betrekking hebbende gegevens, waaronder de gemeentelijke klachtenregeling, de contact- en functiegegevens van klager en aangeklaagde en een overzicht van de binnen de gemeente ondernomen stappen en reeds geproduceerde stukken met betrekking tot de klacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De commissie neemt een klacht niet in behandeling indien verplichte stappen uit deze klachtenprocedure niet zijn doorlopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De commissie verklaart de klacht niet ontvankelijk indien deze niet valt binnen de begripsbepalingen van artikel 19.1 onder b, c, d, en e van deze regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Ingeval lid 2 van toepassing is brengt de commissie klager, en in geval lid 3 van toepassing is klager en de werkgever, binnen twee weken na ontvangst van de klacht schriftelijk op de hoogte van het niet in behandeling nemen (lid 2) of de niet ontvankelijkheid (lid 3) van de klacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De commissie kan de klacht voorts niet in behandeling nemen indien: de klacht niet binnen een redelijke termijn nadat het ongewenste gedrag heeft plaatsgevonden aan de commissie is voorgelegd er sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 9:8, eerste en tweede lid Algemene wet bestuursrecht; wanneer niet in voldoende mate voldaan is aan het bepaalde in artikel 19.7, tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel19.9onderzoek naar de klacht 1.Indien de commissie dit voor de uitoefening van haar taak noodzakelijk acht stelt zij een onderzoek in.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Ten behoeve van het onderzoek is de commissie bevoegd bij de werkgever alle inlichtingen in te winnen die zij voor de vorming van haar advies nodig acht. De werkgever verschaft de commissie de gevraagde inlichtingen en stelt de commissie desgevraagd in de gelegenheid de werkomgeving te aanschouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De werkgever stelt personen werkzaam binnen de aangesloten organisatie in de gelegenheid te worden gehoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Personen als bedoeld in het derde lid, die door de commissie worden opgeroepen, zijn verplicht te verschijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De commissie kan de werkgever adviseren tussentijdse maatregelen te nemen indien en voor zover dit in het belang is van het onderzoek of van de positie van de in het onderzoek betrokken personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.De commissie kan op verzoek van klager en op door klager te motiveren gronden de behandeling van de klacht voor een periode van ten hoogste twee maanden opschorten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel19.10horen 1.Voor het uitbrengen van het advies stelt de commissie de klager, de aangeklaagde en zonodig de informant en getuigen in de gelegenheid om te worden gehoord. De commissie kan het horen opdragen aan de voorzitter of een ander lid van de commissie of aan beiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Van het horen kan worden afgezien als de klacht kennelijk ongegrond is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De zittingen van de commissie zijn niet openbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Van het horen wordt een verslag gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De zittingen vinden zoveel mogelijk plaats op een voor partijen goed bereikbare locatie die voldoende rust en discretie biedt aan alle betrokkenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.De commissie zendt tijdig voorafgaand aan de hoorzitting aan de aangeklaagde - en voor zover nodig aan klager en informant - een afschrift van de klacht en van andere stukken die op de klacht betrekking hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.De commissie hoort de klager, de aangeklaagde en de getuigen in beginsel buiten elkaarsaanwezigheid. De commissie stelt klager en aangeklaagde in de gelegenheid van elkaars zienswijzen, alsmede van de inhoud van de hoorgesprekken met de informant en/of de getuigen kennis te nemen en daarop te reageren.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.De klager en aangeklaagde kunnen zich op eigen kosten ter zitting laten bijstaan door een(raads)persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.De commissie is bevoegd om getuigen, andere betrokkenen en deskundigen schriftelijk of mondeling te raadplegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel19.11omgang met persoonsgegevens 1.De commissie verzamelt en verwerkt uitsluitend persoonsgegevens die noodzakelijk zijnvoor het uitbrengen van een advies. Bij de verwerking van persoonsgegevens zorgt de commissie voor beveiliging van de gegevens tegen verlies en onrechtmatige verwerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor de commissie en de secretaris geldt de plicht tot geheimhouding van persoonsgegevens voor zover overdracht van informatie niet noodzakelijk is voor de uitoefening van de taak van de commissie. Wanneer de inhoud van bepaalde informatie uitsluitend ter kennisneming door de commissie dient te blijven wordt dit aan de commissie meegedeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De commissie wijst personen die worden gehoord of geraadpleegd op de vertrouwelijkheid van hetgeen ter zitting aan de orde komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel19.12advies over de klacht 1.De commissie brengt binnen acht weken na ontvangst van de klacht door de commissieadvies uit aan de werkgever over de gegrondheid van de klacht vergezeld van een rapport van bevindingen. Het rapport bevat een verslag van het horen. Een afschrift van het advies wordt aan klager en aangeklaagde toegezonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De commissie kan de werkgever verzoeken de in eerste lid genoemde termijn met 4 weken te verdagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Met schriftelijke instemming van de klager kan de commissie de werkgever op basis van artikel 9:11 lid 3 Algemene wet bestuursrecht verzoeken om verder uitstel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.In het advies kunnen aanbevelingen worden gedaan over door de werkgever te nemen maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel19.13afdoening van de klacht 1.De werkgever handelt de klacht binnen tien weken na ontvangst van het klaagschrift af.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De werkgever kan op verzoek van de commissie de afdoening voor ten hoogste vierweken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan klager en aangeklaagde.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Onverminderd het bepaalde in artikel 19.12, tweede en derde lid, stelt de werkgever binnen twee weken na ontvangst van het advies van de commissie bedoeld in artikel 19.13, eerste lid, klager en aangeklaagde schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn besluit en de conclusies die hij daaraan verbindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De werkgever zendt een afschrift van het ter afdoening van de klacht genomen besluit naar de commissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel19.14jaarverslag 1.Jaarlijks wordt een verslag opgesteld door de commissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In dat verslag worden geanonimiseerd en met in achtneming van de ter zake geldende wettelijke bepalingen vermeld: het aantal klachten dat de commissie heeft ontvangen; het aantal niet-ontvankelijk, (gedeeltelijk) gegrond en ongegrond geachte klachten; de aard van de klachten; statistische gegevens over klagers en aangeklaagden; de doorlooptijd van de adviezen; aanbevelingen en tendensen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verslag wordt gepubliceerd op de website van de VNG.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1914\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel19.14</span><span class=\"lf-art-t\">Aklachten over het functioneren van de commissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Ingeval een klager of de werkgever een klacht heeft over enig handelen of nalaten van de commissie betreffende de uitvoering van haar taak, wordt deze klacht behandeld door tenminste twee leden uit de commissie die niet aan het betreffende onderzoek hebben deelgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voornoemde leden doen binnen vier weken na ontvangst van de klacht bedoeld in lid 1,uitspraak over de (on)gegrondheid daarvan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§4</span><span class=\"lf-art-t\">Decentrale klachtencommissie (vervallen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel19.15(vervallen) Artikel19.16(vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§5</span><span class=\"lf-art-t\">Positie van klager en vertrouwenspersoon</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1917\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel19.17</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De klager en de vertrouwenspersoon mogen door het indienen van een klacht of door hun functie als vertrouwenspersoon geen nadeel ondervinden in hun rechtspositionele aanspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">20Seniorenregelingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§1</span><span class=\"lf-art-t\">Regeling 55-jarigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel20.1ontheffing van overwerk, nachtdienst en beschikbaarheidsdienst 1.De ambtenaar heeft met ingang van de eerste dag van de maand volgend op zijn 55everjaardag niet langer de verplichting tot het verrichten van overwerk of het zich beschikbaar houden buiten zijn rooster.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De ambtenaar heeft met ingang van de eerste dag van de maand volgend op zijn 55everjaardag niet langer de verplichting tot het verrichten van werkzaamheden tussen 22.00 uur en 06.00 uur, tenzij het een gedeelte van een dienst is die doorloopt na 22.00 uur en uiterlijk om 24.00 uur eindigt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De ambtenaar heeft bij beëindiging of vermindering van de toelage door de verleende ontheffing recht op een afbouwtoelage op grond van artikel 3.16.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De ambtenaar die minimaal tien jaar direct voorafgaande aan het tijdstip van de verleende ontheffing zonder wezenlijke onderbreking recht had op de beëindigde of verminderde toelage heeft recht op een blijvende garantietoelage. De hoogte van de blijvende garantietoelage wordt vastgesteld op het gemiddelde van de voorgaande 12 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De toelage uit het derde en vierde lid kan worden toegekend tot het moment dat er leeftijdsfasebewust personeelsbeleid is ingevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Voor de vaststelling van een blijvende verlaging, bedoeld in artikel 3.16 (afbouwtoelage) en lid 4 van dit artikel, worden de toelagen die door de verleende ontheffing zijn beëindigd of verminderd bij elkaar opgeteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel20.2(vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§2</span><span class=\"lf-art-t\">Regeling 60-jarigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel20.3arbeidsduurverkorting 60-jarigen 1.De arbeidsduur van de ambtenaar van 60 jaar of ouder wordt verminderd met gemiddeld twee en half uur per week, tenzij hij aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij een deeltijder wordt de vermindering naar rato berekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het recht op arbeidsduurverkorting gaat in op de eerste dag van de maand waarin de ambtenaar 60 jaar wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Bij deelname aan deze regeling wordt de vakantieaanspraak naar rato verminderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De ambtenaar die gebruikmaakt van deze regeling bouwt geen spaaruren op in de zin van artikel 4.4, eerste lid, (opname en opbouw van spaaruren).</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel20.4(vervallen) §3(vervallen) Artikel20.5(vervallen) Artikel20.6(vervallen) Artikel20.7(vervallen) Artikel20.8aftopping aanvulling werkgever voor ambtenaren die vóór 1 januari 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten (vervallen) Artikel20.9aftopping aanvulling werkgever voor ambtenaren die in de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten (vervallen) Artikel20.10(vervallen) Artikel20.11(vervallen) Artikel20.12(vervallen) Artikel20.13(vervallen) Hoofdstuk21Rechtspositieregeling Ambulancezorgpersoneel gemeente Amsterdam: Vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk22Arbeidsvoorwaarden personenchauffeurs Vervallen Hoofdstuk23Arbeidsvoorwaarden bezoldigd buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand Vervallen Hoofdstuk24Topfuncties Vervallen per 1 januari 2015 25Stagiair, trainee, duale student, ambtenaar met een aanstelling op grond van de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten en ambtenaar met een aanstelling op grond van de Regeling in-en doorstroombanen</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§1</span><span class=\"lf-art-t\">Algemeen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel25.1definities In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: stagiair: de persoon die als student of scholier in het kader van zijn opleiding of onderzoek praktijkervaring opdoet bij de VrAA. de persoon die ten behoeve van een toekomstige beroepsuitoefening werkervaring opdoet bij de VrAA trainee: de persoon die in het kader van de Traineepool van de VrAA is aangesteld in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd; duale student: de persoon die in het kader van zijn opleiding verplicht arbeid verricht en is aangesteld in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel25.2duur stageperiode 1.Met de stagiair, bedoeld in artikel 25.1, lid 1, onderdeel a, wordt een stage overeenkomst voor bepaalde tijd aangegaan. De duur van de stage overeenkomst is afhankelijk van de leerdoelen van de stagiair.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De te verrichten werkzaamheden worden bepaald in samenspraak met de stagiair en onderwijsinstelling, waarbij het leerproces van de stagiair centraal staat. De werkgever zorgt voor adequate begeleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Met de stagiair, bedoeld in artikel 25.1, lid 1, onderdeel b, wordt een werkervaringsovereenkomst voor bepaalde tijd aangegaan, De duur van de werkervaringsovereenkomst is maximaal 6 maanden. De werkervaringsovereenkomst kan eenmalig worden verlengd met een periode van maximaal 6 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel25.3integriteit 1.De stagiair is zowel tijdens als na afloop van de stage verplicht tot geheimhouding van wat hem tijdens de stageperiode ter kennis is gekomen en waarvan hij weet of redelijkerwijs behoort te weten dat het vertrouwelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De stagiair neemt in verband met zijn stage geen geld, geschenken of gunsten van derden aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Bij het aannemen van de stagiair is vereist dat de stagiair in het bezit is van een verklaring omtrent gedrag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§2</span><span class=\"lf-art-t\">Vergoedingen stagiair</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel25.4stagevergoeding 1.De stagiair heeft recht op de stagevergoeding bedoeld in het tweede lid, tenzij door de onderwijsinstelling waar de stagiair zijn opleiding volgt een lagere vergoeding is vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De stagevergoeding is een bedrag per maand. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende leeftijdscategorieën:</p>\n<p class=\"lf-p\">14 tot en met 15 jaar;</p>\n<p class=\"lf-p\">16 tot en met 17 jaar;</p>\n<p class=\"lf-p\">18 tot en met 19 jaar;</p>\n<p class=\"lf-p\">20 tot en met 21 jaar;</p>\n<p class=\"lf-p\">22 tot en met 23 jaar;</p>\n<p class=\"lf-p\">24 jaar of ouder.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bedragen worden gevolgd als genoemd in de Bedragengids PGA van de Gemeente Amsterdam.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Voor deeltijders wordt de vergoeding naar rato berekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De stagiair wordt bij overgang naar een volgende leeftijdscategorie geacht op de eerste dag van de betreffende kalendermaand jarig te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Aan de stagiair die inkomsten uit een reguliere baan heeft, wordt, in afwijking van het eerste lid van dit artikel, geen vergoeding toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel25.5tegemoetkoming in de reiskosten woon-werkverkeer 1.De stagiair die uitsluitend voor de stage naar Amsterdam of de plaats waar hij zijn stage vervult reist, heeft recht op een tegemoetkoming in de reiskosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De tegemoetkoming bedraagt per maand 85% van de reiskosten. Het bedrag van de reiskosten wordt vastgesteld naar de kosten voor het reizen met openbaar vervoer in de tweede klasse. Kosten voor vervoer binnen de gemeente Amsterdam of de gemeente waar de stage wordt vervuld, worden niet als reiskosten aangemerkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§3</span><span class=\"lf-art-t\">Salaris trainee</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-256\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel25.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het salaris van de trainee wordt bij indiensttreding vastgesteld op salarisschaal 9, nulde periodiek;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Als de trainee zijn functie naar behoren vervult gaat hij iedere zes maanden naar de volgende periodiek met als maximum de derde periodiek van salarisgroep 9.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§4</span><span class=\"lf-art-t\">Salaris duale student</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-257\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel25.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In afwijking van artikel 3.3 (vaststelling salaris) is het salaris van een duale student gelijk aan het wettelijk minimumloon als bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De bedragen worden gevolgd als genoemd in de Bedragengids PGA van de gemeente Amsterdam.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§5</span><span class=\"lf-art-t\">Vervalt</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanstellingen op grond van de Regeling in- en doorstroombanen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel25.9salaris en salaristoelagen in- en doorstroombanen 1.De ambtenaar die vóór 1 januari 2004 werkzaam was in het kader van de Regeling extra werkgelegenheid voor langdurig werklozen in 1999, voortgezet als Regeling in-en doorstroombanen voor langdurig werklozen van 17 december 1998, nr. AM/RAW/98/40972 van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en die nog steeds werkzaam is in het kader van deze regeling, heeft bij een werktijd van 36 uur recht op een salaris, waarvan het maandelijkse bedrag is genoemd in de Bedragengids PGA van de gemeente Amsterdam.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het salarisbedrag, genoemd in het eerste lid, wordt geïndexeerd aan de hand van de ontwikkelingen van het wettelijke minimumloon.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het salaris van de ambtenaar en de eventueel toe te kennen salaristoelagen bedragen samen nooit meer dan 130% van het wettelijk minimumloon. Voor deze bepaling geldt dat het hier gaat om het bedrag exclusief toelage onregelmatige dienst en exclusief vergoedingen die buiten beschouwing worden gelaten volgens de Wet op de loonbelasting 1964. Onbelaste vergoedingen zoals reiskosten vallen dus buiten het salaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk26Overige afwijkende Arbeidsvoorwaarden Vervallen Hoofdstuk27, 27a, 27b, 27c en 27d vervallen Hoofdstuk28en 28a vervallen Hoofdstuk29Vervallen Hoofdstuk30Verordening bovenwettelijke werkloosheid vervallen Gold voor medewerkers met ontslag vóór 1 juli 2008.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk30aVoorzieningen bij werkloosheid</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§1</span><span class=\"lf-art-t\">Werkingssfeer en begripsbepalingen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-30a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel30a</span><span class=\"lf-art-t\">1werkingssfeer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk bevalt bepalingen over: de procedure van re-integratie bij ontslag op grond van onbekwaamheid/ongeschiktheid(paragraaf 2). De procedure die geldt bij ontslag wegens reorganisatie is opgenomen in het sociaal plan (hoofdstuk 16 NRGA); de werkloosheidsuitkeringen wegens ontslag op grond van onbekwaamheid/ongeschiktheid (artikel 12.12 onder a) of ontslag op grond van reorganisatie( artikel 12.11) ( paragraaf 3 en 4). Voor de overige ontslaggronden van hoofdstuk 12 gelden geen bovenwettelijke (uitkerings) rechten; de bijzondere uitkering bij ontslag of definitieve herplaatsing in geval van minder dan35% arbeidsongeschiktheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel30a</span><span class=\"lf-art-t\">2begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: aanvullende uitkering: uitkering tijdens de werkloosheidsuitkering; salaris en de toegekende salaristoelage(n): het gemiddelde van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) als bedoeld in artikel 1.1 onder kk, berekend over een periode van 12 maanden direct voorafgaand aan de start van de re-integratiefase (ongeschiktheid/ onbekwaamheid) of de start van de bemiddelingstermijn (reorganisatie), vermeerderd met de vakantietoelage en de eindejaarsuitkering; deze salaris en de toegekende salaristoelage(n) wordt geïndexeerd met de generieke salarisverhoging in de gemeentelijke sector; gemeentelijke sector: de gemeenten en gemeenschappelijke regelingen, die de CAR van toepassing hebben verklaard; na-wettelijke uitkering: de uitkering na afloop van de werkloosheidsuitkering; werkloosheid: werkloosheid als bedoeld in de Werkloosheidswet, waarbij het arbeidsurenverlies voortvloeit uit de beëindiging van de aanstelling of arbeidsovereenkomst bij de gemeente; reparatie-uitkering: uitkering die de WW-uitkering in opbouw en duur aanvult naar het niveau op 31 december 2015; werkloosheidsuitkering: WW-uitkering en reparatie-uitkering tezamen;</p>\n<p class=\"lf-p\">WW-uitkering: uitkering op grond van Werkloosheidswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting werkloosheidsuitkering Wanneer ambtenaren na ingang van de werkloosheidsuitkering een baan krijgen, eindigt hun werkloosheid. Wanneer ook deze baan weer eindigt, kan er op grond van de Werkloosheidswet sprake zijn van een herleving van het recht op uitkering. Waar in dit hoofdstuk gesproken wordt over de werkloosheidsuitkering, wordt ook gedoeld op dit herleefde recht op uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§2</span><span class=\"lf-art-t\">Procedure van re-integratie bij ontslag op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid (art 12.12a)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel30a</span><span class=\"lf-art-t\">3begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder: re-integratiefase: de fase voorafgaand aan ontslag, waarin door middel van eenre-integratieplan afspraken worden gemaakt over de wijze waarop de re-integratie van de ambtenaar het best tot stand kan komen en hieraan uitvoering wordt gegeven met als doel werkloosheid zoveel als mogelijk te voorkomen re-integratieplan: het plan van aanpak waarin de re-integratie-inspanningen van gemeente en de ambtenaar beschreven staan, die tot doel hebben de re-integratie van de ambtenaar te bevorderen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel30a</span><span class=\"lf-art-t\">4re-integratiefase voor ontslag wegens ongeschiktheid/onbekwaamheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar die ontslagen wordt op grond van artikel 12.12 onder a (ongeschiktheid of onbekwaamheid) heeft recht op een re-integratiefase.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De re-integratiefase begint met een besluit tot ontslag op grond van artikel 12.12 onder a.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De re-integratiefase gaat in op de eerste werkdag na verzending of overhandiging van het besluit tot ontslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De re-integratiefase is afhankelijk van de duur van het dienstverband bij de gemeente, waaruit ontslag plaatsvindt. Hierbij wordt de duur van het dienstverband gerekend vanaf de datum van indiensttreding bij de gemeente, waaruit ontslag plaatsvindt, tot de datum van de start van de re-integratiefase.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De duur van de re-integratiefase bedraagt bij een dienstverband van:</p>\n<p class=\"lf-p\">2 tot 10 jaar 4 maanden 10 tot 15 jaar 8 maanden 15 jaar of meer 12 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting Lid 1 Het doel van de re-integratiefase is het voorkomen van werkloosheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 en 3 Het ontslagbesluit bevat de datum waarop het ontslag ingaat (zie artikel 12.1) Doordat eerst nog de re-integratiefase doorlopen moet worden, is dit een datum die in de toekomst ligt. Deze ontslagdatum wordt bepaald op de eerstvolgende datum die, gelet op de duur van de re-integratiefase die voor de ambtenaar geldt, mogelijk is. Wanneer voor de ambtenaar een re-integratiefase van 4 maanden geldt, bevat het ontslagbesluit een datum, gelegen 4 maanden na de verzending/overhandiging van het ontslagbesluit. In artikel 30a.5 worden de mogelijkheden genoemd, op grond waarvan het ontslag al eerder dan na afloop van de re-integratiefase kan eindigen. Om die reden moet in het ontslagbesluit worden opgenomen dat het ontslag eerder kan eindigen, indien dat op grond van artikel 30a.5 aan de orde is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als met inachtneming van de artikelen 30a.6 en 30a.7 de re-integratiefase verlengd wordt, moet het oorspronkelijke ontslagbesluit worden ingetrokken en worden vervangen door een nieuw ontslagbesluit met een ontslagdatum die verder ligt dan de oorspronkelijke ontslagdatum.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 Het besluit tot ontslag, inclusief ontslagdatum, kan worden genomen als aan de noodzakelijke voorwaarden voor het ontslag op grond van artikel 12.12 onder a voldaan is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij ontslag op grond van artikel 12.12 onder a moet een dossier zijn opgebouwd, waaruit de conclusie is getrokken dat de ambtenaar ongeschikt of onbekwaam is om zijn functie te blijven uitoefenen. Als dit dossier voldoende is, kan het besluit tot ontslag genomen worden. Bezwaar tegen een ontslagbesluit schort de werking van het ontslagbesluit en de intreding van de re-integratiefase niet op.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel30a</span><span class=\"lf-art-t\">5einde re-integratiefase</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De re-integratiefase eindigt eerder dan na afloop van de voor de ambtenaar geldende termijn, indien de ambtenaar voor het aflopen van deze fase al dan niet in deeltijd een andere functie binnen of buiten de gemeente aanvaardt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De re-integratiefase eindigt eerder en het ontslag op grond van artikel 12.12 onder a gaat direct in, indien de ambtenaar zich tijdens de re-integratiefase niet houdt aan de afspraken uit het re-integratieplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien de re-integratiefase eerder eindigt om de in het tweede lid genoemde reden, vervallen de rechten op een aanvullende uitkering en een na-wettelijke uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting Lid 1 Ook bij het aanvaarden van een deeltijdfunctie eindigt de re-integratiefase. Op grond van artikel 72a WW heeft de gemeente voor zijn oud-medewerkers een plicht om de re-integratie in de arbeid te bevorderen. Zolang de re-integratie nog niet volledig is gelukt en heeft geleid tot volledige opheffing van de werkloosheid (minder dan 5 uur werkloos), blijft deze plicht van de gemeente bestaan. In dat verband kan het zinvol zijn om afspraken uit het re-integratieplan voort te zetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Tijdens de re-integratiefase worden afspraken gemaakt over de inspanningen die van de gemeente en de ambtenaar verlangd worden. Deze afspraken worden door het college vastgesteld en vastgelegd in het re-integratieplan. Dit kunnen onder meer afspraken zijn over sollicitatieactiviteiten, opleidingen en outplacementtraject (zie artikel 30a.8). Wanneer de ambtenaar zich niet houdt aan de gemaakte afspraken, zoals het niet starten van een cursus of onvoldoende sollicitaties verrichten, gaat het ontslag op grond van 12.12 onder a eerder in dan pas na afloop van de re-integratiefase. Uiteraard gelden hierbij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel (belangenafweging) en proportionaliteitsbeginsel (de sanctie moet niet zwaarder zijn dan op grond van het gedrag te rechtvaardigen is). De medewerker kan het stopzetten van de re-integratiefase aan de rechter voorleggen. De rechter beoordeelt de redelijkheid en billijkheid hiervan. Ook kan disciplinair ontslag plaatsvinden op grond van artikel13.6 eerste lid sub f (de nalatigheid moet dan voldoen aan de eisen die bij disciplinair ontslag horen). In beide gevallen moet een besluit genomen worden waarin, gemotiveerd en onder verwijzing naar artikel 30a.5, de nieuwe ontslagdatum is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel van de afspraken kan bij ontslag op grond van artikel 12.12 onder a ook zijn welke eisen de ambtenaar mag stellen aan de aangeboden functie. Als de ambtenaar een functie die aan dergelijke eisen voldoet, niet accepteert, kan eveneens vóór het aflopen van de re-integratietermijn ontslag plaatsvinden op grond van artikel 12.12 onder a. Naarmate de re-integratiefase langer duurt, mag een bredere oriëntatie op arbeid verwacht worden. Op grond van jurisprudentie kan dat, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, betekenen dat de ambtenaar na verloop van tijd een functie moet aanvaarden, waaraan een salaris is verbonden van maximaal 2 schalen lager.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Eerdere beëindiging van de re-integratiefase leidt tot het vervallen van het recht op een aanvullende uitkering en na-wettelijke uitkering. Ook hierbij moet het college de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht nemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel30a</span><span class=\"lf-art-t\">6verlenging reïntegratiefase bij nalatigheid gemeente</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De re-integratiefase wordt verlengd wanneer de werkgever zich tijdens de re-integratiefase niet houdt aan de afspraken uit het re-integratieplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De verlenging duurt minimaal een maand en maximaal de helft van de oorspronkelijkere-integratiefase.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Tijdens de verlengde re-integratiefase wordt de nalatigheid hersteld naar de mate waarin dat mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Tijdens de verlengde re-integratiefase blijven de gemaakte afspraken uit hetre-integratieplan van kracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting De sanctie voor de medewerker op nalatigheid is beëindiging van de re-integratiefase en het vervallen van het recht op de aanvullende uitkering en de na-wettelijke uitkering. Ook werkgever moet zich aan de acties uit het re-integratieplan houden. Doet hij dit niet, dan wordt de re-integratiefase verlengd met minimaal één maand en maximaal de helft van de oorspronkelijke re-integratiefase verlengd, binnen welke termijn geprobeerd wordt de nalatigheid te herstellen, voor zover dit naar redelijkheid en billijkheid mogelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel30a</span><span class=\"lf-art-t\">7verlenging re-integratiefase door middel van levensloop</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar kan verzoeken de re-integratiefase met maximaal 12 maanden te verlengen door gebruik te maken van de mogelijkheid van onbetaald verlof als bedoeld in hoofdstuk 6 paragraaf 8 van de NRGA.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Met het verzoek wordt alleen ingestemd als de ambtenaar tijdens de re-integratiefase redelijkerwijs niet heeft kunnen voldoen aan zijn re-integratieverplichtingen en als: onbetaald verlof wordt opgenomen voor de volledige arbeidsduur; en de ambtenaar tijdens het onbetaald verlof levensloop- tegoed opneemt op grond van de gemeentelijke levensloopregeling; en tijdens de verlengde re-integratiefase activiteiten worden ondernomen of voortgezet die de re-integratie bevorderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Werkgever en ambtenaar maken nadere afspraken over de voorwaarden waaronder deinspanningen van beide partijen, zoals deze zijn neergelegd in het re-integratieplan, tijdens de verlenging van de re-integratiefase worden voortgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Artikel 30a.5 is tijdens de verlenging van de re-integratiefase van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting Lid 1 en 2 Als de ambtenaar levenslooptegoed opneemt voor zijn volledige arbeidsduur, kan zijn dienstverband worden voortgezet. Dit betekent in ieder geval dat zijn WW pas later ingaat. Belangrijker is dat hij van werk naar werk kan overstappen, wat het vinden van een baan over het algemeen makkelijker maakt. De verlenging van de re-integratiefase wordt slechts toegestaan wanneer de ambtenaar tijdens die fase aan zijn re-integratie blijft werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het verzoek tot verlenging van de re-integratiefase wordt alleen ingestemd, wanneer de ambtenaar de re-integratiefase niet volledig heeft kunnen benutten aan re-integratie. De oorzaak hiervoor moet redelijk zijn. Dit kan bijvoorbeeld de zorg voor een ernstig zieke partner zijn. Hierdoor kan het voor de ambtenaar onmogelijk zijn geweest om tijdens de re-integratiefase aan zijn re-integratieverplichtingen te voldoen. In dat geval kan worden ingestemd met een verlenging. Een langdurige vakantie wordt niet als redelijk beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voldoet de ambtenaar tijdens de verlenging van de re-integratiefase niet meer aan de voorwaarde dat aan re-integratie gewerkt moet worden, dan wordt de verlenging gestopt en gaat het oorspronkelijke ontslag alsnog in. Door aangepaste fiscale wetgeving kunnen alleen mensen die op 1 januari 2012 minimaal 3000 euro op hun levenslooprekening hadden staan, doorgaan met sparen volgens deze regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Lid 4 geeft aan dat de bepalingen over de eerdere beëindiging van de aanstelling of arbeidsovereenkomst van overeenkomstige toepassing zijn. Wanneer tijdens de verlenging afspraken worden gemaakt over voortzetting van de re-integratieactiviteiten en de ambtenaar houdt zich niet aan deze afspraken, wordt voor het aflopen van de verlengde re-integratiefase het ontslag verleend op grond van artikel 12.12 onder a.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel30a</span><span class=\"lf-art-t\">8re-integratieplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen een maand na aanvang van de re-integratiefase wordt door werkgever een re-integratieplan opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De ambtenaar wordt over de inhoud van het plan voorafgaand gehoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In het re-integratieplan worden afspraken opgenomen over de re-integratie-inspanningen die over en weer verlangd worden. In het re-integratieplan staan in ieder geval afspraken over: verlof, voor zover dat nodig is, voor activiteiten die neergelegd zijn in het re-integratieplan; scholing, indien die gevolgd gaat worden, welke scholing, het begin van die scholing, het einde van die scholing, de betaling en de te behalen resultaten; opstellen arbeidsmarktprofiel; sollicitatieactiviteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.In het re-integratieplan worden afspraken gemaakt over de kosten voor de verschillende activiteiten uit het re-integratieplan. De kosten voor de activiteiten uit het re-integratieplan komen, mits redelijk en billijk, volledig voor rekening van de werkgever, met een maximum van € 7.500,=.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting Tijdens de re-integratiefase geldt de reguliere rechtspositieregeling. Dit houdt onder meer in dat de ambtenaar gewoon verlof opbouwt, zoals hij dat eerder opbouwde. Wanneer hij tijdens de re-integratiefase geen werkzaamheden verricht, betekent dit dat hij in principe geen verlof nodig heeft voor activiteiten die in het kader van het re-integratieplan zijn afgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als bij de start van de re-integratiefase al duidelijk is dat direct na de beoogde ontslagdatum een functie voorhanden is, bestaat het re-integratieplan uit het benoemen van die functie en de datum vanaf wanneer de ambtenaar deze functie gaat bekleden. Het re-integratieplan hoeft dan niet verder uitgewerkt te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Het is zinvol om te beginnen met het opstellen van het re-integratieplan, zodra duidelijk is dat de ambtenaar ontslagen gaat worden op grond van artikel 12.12 onder a en daarmee dus niet te wachten tot het ontslagbesluit genomen is. Werkgever noch ambtenaar zijn hiertoe overigens verplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Medewerking van beide partijen kan echter de mogelijkheden op het vinden van een baan bespoedigen en dus de kans op het voorkomen van werkloosheid vergroten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het re-integratieplan moet in ieder geval binnen 1 maand na ingang van de re-integratiefase zijn opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 De gemeente maakt een kosten-batenanalyse van de voorgenomen re-integratieactiviteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente stelt vast welke kosten redelijkerwijs voor rekening van de gemeente komen (de wensen van de ambtenaar kunnen verder gaan dan op grond van re-integratie noodzakelijk zijn, waardoor de gemeente niet de volledige kosten vergoedt). Wanneer besloten wordt dat volledige vergoeding van de kosten door de gemeente niet redelijk is of wanneer de kosten uitstijgen boven het bedrag van € 7.500,=, kan van de ambtenaar verlangd kan worden dat hij zelf ook financieel bijdraagt aan de activiteiten uit het re-integratieplan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§3</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende uitkering</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel30a</span><span class=\"lf-art-t\">9aanvullende uitkering bij ontslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Recht op een aanvullende uitkering heeft de ambtenaar die: op grond van artikel 12.12 onder a is ontslagen en de re-integratiefase heeft doorlopen, waarbij de situatie zoals beschreven in artikel 30a.5 tweede en derde lid niet aan de orde is, of op grond van artikel 12.11 is ontslagen en de bemiddelingsperiode heeft doorlopen, waar bij de situatie zoals beschreven in artikel 16.37 lid 4 t/m 6 niet aan de orde is; en recht heeft op een werkloosheidsuitkering en deze werkloosheidsuitkering ontvangt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voorwaarde voor het verkrijgen van een aanvullende uitkering is dat de ambtenaar ten aanzien van iedere betaling van de aanvullende uitkering alle gegevens aan de gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn aanvullende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting Lid 1, sub a Wanneer de re-integratiefase eerder is geëindigd, omdat de ambtenaar zich niet heeft gehouden aan de afspraken die in het re-integratieplan zijn neergelegd, vervalt het recht op de aanvullende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1, sub b Indien de bemiddelingsperiode eerder eindigt, kan de werkgever aangeven dat er sprake is van verwijtbare werkloosheid en vervallen de rechten op een aanvullende uitkering en een nawettelijke uitkering ( zie artikel 16.37).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1, sub c De ambtenaar moet niet alleen in principe recht hebben op een werkloosheidsuitkering, maar deze ook daadwerkelijk ontvangen. Het kan bijvoorbeeld zo zijn dat de ambtenaar alleen vanwege het feit dat hij met vakantie is nog geen WW-uitkering ontvangt. Dan ontvangt hij ook geen aanvullende uitkering. De WW-uitkering, en de aanvullende uitkering, vangen dan tegelijk aan, na de vakantie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Gedacht kan worden aan de betalingsberichten van UWV, gegevens over werkhervatting (ter bepaling van het aantal uren dat iemand werkloos is) of sanctiebesluiten van UWV. Hiervoor wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de procedure van gegevenslevering zoals deze bij UWV geldt (zie voor meer informatie www.uwv.nl; zoeken op poortwachtertoets). Deze voorwaarde geldt ter bepaling van de hoogte van de aanvullende uitkering (artikel 30a.10) en ter controle van sancties, die door UWV kunnen zijn opgelegd (artikel 30a.12).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel30a</span><span class=\"lf-art-t\">10hoogte aanvullende uitkering bij ontslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De aanvullende uitkering kent twee fases. De aanvullende uitkering wordt uitgedrukt ineen percentage van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) over het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedurende de eerste fase bedraagt de aanvullende uitkering: voor ambtenaren met een salaris en de toegekende salaristoelage(n) tot een bedragvan € 4.375,= 10%; voor ambtenaren met een salaris en de toegekende salaristoelage(n) vanaf € 4.375,= tot een bedrag van € 5.250,= 20%; voor ambtenaren met een salaris en de toegekende salaristoelage(n) vanaf €5.250,= 30%;</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Gedurende de tweede fase bedraagt de aanvullende uitkering: voor ambtenaren met een salaris en de toegekende salaristoelage(n) van € 4.375,=tot een bedrag van € 5.250,= 10%; voor ambtenaren met een salaris en de toegekende salaristoelage(n) van € 5.250,=tot een bedrag van € 6.560,= 20%; voor ambtenaren met een salaris en de toegekende salaristoelage(n) vanaf € 6.560,= 30%.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting In artikel 30a.2 zijn de begrippen salaris en de toegekende salaristoelage(n) gedefinieerd. De hoogte van de uitkering is gedurende de twee fases verschillend. De genoemde bedragen zijn feitelijke salaris en de toegekende salaristoelage(n) bedragen. Hiermee worden dus niet het salaris en de toegekende salaristoelage(n) bedoeld, die omgerekend moeten worden naar de deeltijdfactor van de medewerker. Dus ook een medewerker die met een functie voor 30 uur per week een salaris en de toegekende salaristoelage(n) van € 5.500,= ontvangt, krijgt gedurende de eerste fase een aanvullende uitkering van 30% van dit salaris en deze salaristoelagen en gedurende de tweede fase een aanvullende uitkering van 20% van dit salaris en deze salaristoelagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel30a</span><span class=\"lf-art-t\">11duur aanvullende uitkering bij ontslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De eerste fase van de aanvullende uitkering is één jaar, te rekenen vanaf de dag na de dag van ontslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De tweede fase van de aanvullende uitkering begint direct na afloop van de eerste fase en duurt tot het einde van de werkloosheidsuitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting Het kan voorkomen dat een medewerker, bijvoorbeeld vanwege vakantie rond de datum van ontslag, nog geen WW-uitkering ontvangt (hij is dan namelijk niet beschikbaar voor de arbeidsmarkt). Ook dan eindigt het recht op de aanvullende uitkering 12 maanden na de dag van ontslag en niet 12 maanden na dag van ingang van de WW-uitkering</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel30a</span><span class=\"lf-art-t\">12sancties aanvullende uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt toegepast op de werkloosheidsuitkering, wordt deze sanctie evenredig toegepast op de aanvullende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor de toepassing van sancties naast de sanctie op grond van het eerste lid, wordt een sanctiebeleid opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt toegepast kan besloten worden om het recht op nawettelijke uitkering geheel of gedeeltelijk te laten vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Ter uitvoering van het derde lid worden nadere regels opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting Lid 1 Iedere sanctie die door UWV wordt opgelegd, leidt tot een evenredige sanctie op de aanvullende uitkering. Dit betekent dat als UWV voor de duur van 3 maanden een sanctie oplegt van 10%, ook de aanvullende uitkering voor de duur van 3 maanden gekort wordt met 10%. Beëindiging van de WW-uitkering voor bijvoorbeeld 6 maanden leidt ook tot beëindiging van de aanvullende uitkering voor 6 maanden. Hiermee wordt de ambtenaar gestimuleerd om zijn verplichtingen (die grotendeels gericht zijn op werkhervatting) op grond van de Werkloosheidswet na te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Een sanctie die door UWV wordt opgelegd, kán leiden tot het vervallen van het recht op een na-wettelijke uitkering. Dit is een facultatieve bepaling en is afhankelijk van de aard en ernst van het gedrag dat heeft geleid tot de sanctie die door UWV is opgelegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel30a</span><span class=\"lf-art-t\">13einde aanvullende uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvullende uitkering eindigt als de uitkeringsduur is verstreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting De aanvullende uitkering eindigt in ieder geval als de werkloosheidsuitkering eindigt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Herleving aanvullende uitkering De aanvullende uitkering herleeft wanneer de werkloosheidsuitkering herleeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de duur van de aanvullende uitkering van één jaar gekoppeld is aan de dag van ontslag, geldt de herleving van de eerste fase van de aanvullende uitkering alleen wanneer de werkloosheidsuitkering herleeft binnen 12 maanden na de ingangsdatum van ontslag. Deze eerste fase wordt dus niet opgeschort met de periode, waarin geen werkloosheidsuitkering is ontvangen. Gedurende de resterende tijd van de werkloosheidsuitkering wordt de hoogte van de tweede fase uitbetaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§4</span><span class=\"lf-art-t\">Na-wettelijke uitkering</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel30a</span><span class=\"lf-art-t\">14na-wettelijke uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar die recht had op een aanvullende uitkering heeft recht op een na-wettelijke uitkering als: de werkloosheid direct aansluitend op de werkloosheidsuitkering voortduurt hij ten aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn na-wettelijke uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij ontslag op grond van artikel 12.12 onder a geldt als voorwaarde dat het ontslaggelegen is in omstandigheden binnen de werksfeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting Lid 1 Onderdeel a Ook na afloop van de werkloosheidsuitkering moet sprake zijn van werkloosheid, zoals gedefinieerd in artikel 30a.2. Zowel deze verwijzing naar werkloosheid, als naar de definitie van werkloosheidsuitkering geven aan dat het moet gaan om een uitkering die voortvloeit uit de aanstelling of arbeidsovereenkomst bij de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel b Hiervoor wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de procedure van gegevenslevering zoals deze bij UWV geldt (zie voor meer informatie www.uwv.nl; zoeken op poortwachtertoets). Deze gegevens zijn nodig ter bepaling van de hoogte van de na-wettelijke uitkering (artikel 30a.15) en het door de gemeente te voeren sanctiebeleid (zie artikel 30a.18).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Bij ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid (artikel 12.12 onder a) ontstaat alleen recht op een na-wettelijke uitkering als het ontslag gelegen is in omstandigheden binnen de werksfeer. Dit betekent dat de ambtenaar zelf geen schuld heeft aan de ongeschiktheid of onbekwaamheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel30a</span><span class=\"lf-art-t\">15hoogte na-wettelijke uitkering</span></h4></div>", "next": 239725}