{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Opmerking. Uit deze uitspraak valt impliciet af te leiden, dat een zonnescherm van een soortgelijke omvang voor een winkel eveneens een bouwwerk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verrolpoort alsmede een afrastering.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 29 maart 1988, W/RvS/R.3.129/88.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een draagconstructie voor een lichtreclame, bestaande uit een in de stoep verankerde buis. De aan een pand aangebrachte lichtreclame steunt aan de ene zijde op de buis.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 22 april 1988, GS 6863.</p>\n<p class=\"lf-p\">Antennes, horizontaal aangebracht op een reeds met bouwvergunning geplaatste antennemast met verticale antenne. De grootste horizontale antenne bestond onder meer uit twee sprieten van elk 7 meter lengte, die met een tussenruimte van ongeveer 5 meter evenwijdig aan elkaar waren aangebracht en konden worden gedraaid met behulp van een elektromotor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vz ARRS 9 augustus 1988; KG 1988, 50.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een balkonhek op de uitbouw van een woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 20 oktober 1988.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in de tuin aangebrachte keermuurtjes, beschoeiingen en vlonders worden, gezien hun constructie en afmetingen, aangemerkt als (bouwvergunningplichtige) bouwwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS, 25 november 1993, R03.91.0529.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclamebord op het dak, bestaande uit twee in V-vorm tegen elkaar geplaatste borden van 3 bij 6 m, is gelet op omvang, constructie en plaatsgebonden karakter een (bouwvergunningplichtig) bouwwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vz. ABRS, 14 maart 1994, AB 1994, nr. 431, RB actueel 1994\\9, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een mestzak, met daarin een roerstaaf die verankerd is in een in de grond geplaatste betonnen plaat van ongeveer 1 m², is gezien het plaatsgebonden karakter een (bouwvergunningplichtig) bouwwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vz. ARRS, 29 maart 1994, R03.93.4934; S03.93.3858 Reclamebanier, die qua lengte twee volledige bouwlagen van circa 4 meter hoog per laag bestrijkt en derhalve een lengte van circa 8 meter heeft, moet gelet op de omvang en constructie - waarbij mede in aanmerking is genomen de permanente aanwezigheid van de banier - worden aangemerkt als een (bouwvergunningplichtig) bouwwerk. Indien het geacht wordt een verandering van een bestaand bouwwerk te betreffen, kan deze verandering bezwaarlijk worden beschouwd als een verandering die uit esthetisch oogpunt van ondergeschikte betekenis is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. 's-Gravenhage, 20 april 1994, KG 1994, nr. 186.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het geding zijnde reclame-installatie en de draagconstructie (omvang 7,50 bij 4,00 m) vormen één geheel. Gelet op de omvang moet dit worden beschouwd als een bouwwerk. Ook indien de reclame-installatie niet als een zelfstandig bouwwerk kan worden gezien, maar geacht zou moeten worden een verandering van een bestaand bouwwerk te betreffen, dan kan deze verandering, gezien de omvang in verhouding tot het gebouw waarop het is aangebracht, bezwaarlijk als van ondergeschikte betekenis worden beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRS, 27 april 1995, R03.92.1653.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Een jollenvlonder waarvan de afmeting 1,65 x 4,5 m bedraagt, bestaande uit een aantal planken, aangebracht op balken die vervolgens steunen op zes palen in de grond, gezien de constructie en het plaatsgebonden karakter.</div>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 10 oktober 1995, R03.91.1601.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Een reclamebord van ongeveer 1,5 x 0,5 meter, staande op twee palen van 1 meter.</div>\n<p class=\"lf-p\">Pres. Rb. Zwolle 14 november 1995, Awb 95/6335.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Het aanbrengen van lichtreclame (logo van een woningstichting), gelet op de afmetingen en constructie.</div>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 28 december 1995, R03.93.3712.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Demontabele terrasoverkapping, gelet op de constructie, omvang, gebruik en plaatsgebonden karakter.</div>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 19 februari 1996, R03.92.3878.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Een vaandel van 3,00 m hoog en 0,80 m breed, aan de boven- en onderzijde bevestigd aan en tegen de gevel gemonteerde houder (beugel).</div>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 13 mei 1996, BR 1996, 654, m.nt. Weerkamp. -Een als vakantiewoning dienstdoende marina, bestaande uit een als woning ingerichte en uitziende houten opbouw, geplaatst op een betonnen bak (caisson). De marina is met stalen geleidingsbeugels verankerd aan een betonnen paal met een lengte van 15 meter. Mede gezien deze solide verankering en het plaatsgebonden karakter is sprake van een bouwwerk. Gezien de recreatieve bestemming van de marina (wordt slechts enkele maanden per jaar bewoond) is hier geen sprake van een woonschip in de zin van de Wet op Woonwagens en Woonschepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 18 september 1997, GS 7079, nr. 6, m. nt. Teunissen, BR 1998, p. 667. -Steigers die op staande palen worden gebouwd en met elkaar worden verbonden door drijvende buizen. De hoofdsteiger zal een lengte hebben van ongeveer 60 m en een breedte van 1,20 m; de aanloopsteigers zullen een breedte hebben van 0,5 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 13 september 1996, R03.93.3837 en R03.93.4690. -Gelet op constructie zijn mestzakken als bouwwerken aan te merken. Bouwvergunning vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders van Oostburg hebben appellanten, die ter plaatse varkenshouderijen exploiteren, onder aanzegging van bestuursdwang aangeschreven om de op hun percelen geplaatste mestzakken, met een opslagcapaciteit van 2.230 m3 en 4.000 m3, te verwijderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Appellanten betogen dat voor het plaatsen van de mestzakken bij de stallen geen bouwvergunning is vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij deze mestzakken is sprake van een constructie bestaande uit een prefab plaat - voorzien van hijsankers - en een kunststof zak, waaraan leidingen zijn verbonden voor de aan- en afvoer van mest. Deze constructie, die als één geheel functioneert, steunt in of op de grond en heeft een plaatsgebonden karakter. Voor het plaatsen van mestzakken is derhalve een bouwvergunning vereist. Het betoog van appellanten faalt. Burgemeester en wethouders waren derhalve bevoegd tot het doen uitgaan van een handhavingbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 6 januari 2000, nr. 199900868/1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet als bouwwerk zijn onder meer aangemerkt:Een waterleiding, bestaande uit een stelsel van met elkaar verbonden buizen die gewoon in de grond zijn gelegd op een diepte van circa 1,25 meter onder het maaiveld en die niet rusten op een fundering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kg. Terneuzen 30 maart 1971; BR 1972, 416; NJ 1972, 258.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een olieleiding, bestaande uit stalen buizen met een diameter van 60 cm die zonder fundering worden ingegraven met een minimale gronddekking van circa 1,25 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">KB 8 maart 1974; OB 1974, XI.8.5.1.1, nr. 34736; NG 1974, S 112; BR 1974, 602; KB 25 maart 1974; AB 1974, 510; Hof Den Haag 8 maart 1974; NJ 1974, 534; BR 1975, 141; OB 1974, III.3.1, nr. 34732; NG 1974, S 112; KB 3 september 1984; BR 1984, 896.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een oever- en terreinverharding als trailerhelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">KB 25 april 1974, S 279; OB 1975, XI.8.5.1.1, nr. 36102; NG 1975, S 120.</p>\n<p class=\"lf-p\">Damwanden als tijdelijke hulpwerken voor het bouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Rotterdam 6 mei 1981; BR 1981, 691.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een skibaan, bestaande uit een vlechtwerk van dunne kunststofmatten, die met een vilten onderlaag is uitgespreid over een enigszins door ophogingen en afgravingen aangepaste aarden helling. De skimat werd alleen 's winters neergelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 5 november 1981; BR 1982, 143.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voertuig, waarmee alleen tijdens kantooruren standplaats wordt ingenomen en dat buiten deze uren wordt gestald in een elders gelegen garage. Daaraan doet niet af dat het voertuig gedurende de tijd dat het is geparkeerd op standplaats, aangesloten wordt op het telefoonnet en op het distributienet van de elektriciteitsmaatschappij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Utrecht 17 maart 1975; NJ 1976, 20; BR 1976, 246.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een halfronde tent van plastic doek, steunend op een licht frame (boogkas) met een hoogte van omstreeks 2 m en een breedte van ongeveer 4 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 1 december 1980; A-3.2995 (1979).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie echter anders ARRS 20 september 1986; RO 3.85.0135.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een caravan die niet voortdurend op hetzelfde terrein geplaatst is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vz. ARRS 15 juli 1983, RO 3.83.3881/15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een waterbassin voor een tuinbouwbedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 18 november 1985, RO 3.85.6258/S 6709.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo ook ARRS 26 januari 1987, RO 3.84.2394, W/RvS/R.3.110/88, met betrekking tot een waterbassin van plasticfolie en gebruikte autobanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Drijvende objecten, zoals een botenloods en een woonschip.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem 6 juni 1972; BR 1972, 574; NJ 1973, 209; HR 10 april 1975; NJ 1975, 274.</p>\n<p class=\"lf-p\">Twee keetwagens in gebruik als studie- en opslagruimte door zoon van eigenaar perceel waarop de wagens staan, hebben geen bestemming met een plaatsgebonden karakter. Volgens appellant zullen deze wagens gebruikt gaan worden voor veldonderzoek door de zoon in verband met zijn studie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door diverse omstandigheden zijn de wagens enkele jaren (november 1984 - datum uitspraak) op het perceel gestald.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 8 maart 1987; W/RvS/R.3.181/87; AB 1987, 373.</p>\n<p class=\"lf-p\">NB: Een omstreden uitspraak! Een intentie, die thans niet door de feiten kan worden onderbouwd, wordt doorslaggevend geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een drijvende villa, een zogenaamde marina, bestaande uit een als woning ingerichte en uitziende opbouw, geplaatst op een betonnen bak, een caisson.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vz. ARRS 6 augustus 1992, S03.92.2319.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een mestbassin bestaande uit een open kuil in de grond (de uitgegraven grond wordt als dijk gebruikt), waarvan de bodem en wanden worden bekleed met kunststoffolie kan niet worden getypeerd als het oprichten of plaatsen van een bouwwerk. Het betreft het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, in de zin van artikel 14 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wnd. Vz. ARRS 2 februari 1993, No. S03.93.0204.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afvalcontainers met een afmeting van circa 1,10 x 1,30 x 1,30 m kunnen gelet op de geringe omvang niet als bouwwerken worden beschouwd waarvoor een bouwvergunning noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pres. Rb. Amsterdam, 10 februari 1994, KG 94/353G.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een berg aarde is geen bouwwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wnd. Vz. ABRS, 28 februari 1994, AB kort 1994, nr. 467.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een (mest)bassin met de afmetingen 41,40 x 31,00 x 3,20 m, bestaande uit aarden dijken, afgedekt met folie, is geen bouwwerk. De omstandigheid dat het bassin is voorzien van een zeildoek ter afdekking en van de nodige technische installaties voor (onder andere) de aan- en afvoer van mest, noch het feit dat om het bassin een hekwerk is geplaatst, leidt tot een ander oordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wnd. Vz. ABRS, 30 juni 1994, RO3.93.4962 en S03.04.0355.</p>\n<p class=\"lf-p\">De slalombaan, bestaande uit een zestal drijvende boeien: geen bouwvergunning vereist. ABRS 23 juni 2000, nr. 199902356/1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plaatsing tijdelijk bouwwerk soms vergunningvrij. In het geval van een tent ligt grens bij eenendertig - al dan niet aaneengesloten - dagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders van Voorst (appellanten) hebben geweigerd om handhavend op te treden tegen het twee maal per jaar door Piet Zoomers B.V. ten behoeve van haar kledingbedrijf geplaatst houden van een tent (met een oppervlakte van 30 bij 25 meter) op een perceel te Wilp. Appellanten hebben in hoger beroep betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat voor het tijdelijk plaatsen van een tent geen bouwvergunning is vereist. De Afdeling geeft appellanten op dit punt gelijk. In elk geval kan het plaatsen van een tent gedurende niet meer dan in totaal eenendertig - al dan niet aaneengesloten - dagen per kalenderjaar niet als activiteit worden aangemerkt waarvoor bouwvergunning is vereist. De aanwezigheid van een tent gedurende een zodanige periode heeft geen blijvende planologische gevolgen voor het desbetreffende gebied. Aan dit aspect heeft de Afdeling ook in de appellanten aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 2 februari 1995, inzake nr. R03.91.0975 (BR 1995, p. 409) - waarin is overwogen dat voor het plaatsen van tribunes gedurende een periode van ten hoogste drie weken geen bouwvergunning is vereist - betekenis toegekend. Nu Piet Zoomers B.V. twee maal per jaar gedurende drie dagen op het terrein bij haar vestiging een tent plaatst en geplaatst houdt ten behoeve van een winkelactie, heeft de Afdeling geconcludeerd dat daarvoor geen bouwvergunning is vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 7 juni 2001, nr. 200000506/1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als gebouw in de zin van de Woningwet zijn onder andere aangemerkt:Zie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 1, lid 1, sub c, van de Woningwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet als gebouw werden o.a. aangemerkt:Zie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 1, lid 1, sub c, van de Woningwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">WoningZie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 1, lid 1, van de Woningwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan of uitbouwZie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 42 van de Woningwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">BijgebouwZie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 42 van de Woningwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over meldingplichtig bouwenZie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 42 van de Woningwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over vergunningvrij bouwenZie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 43 van de Woningwet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-173\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">TermijnenArtikel 145 Gemeentewet bepaalt dat op termijnen, gesteld in een gemeentelijke verordening, de artikelen 1 t/m 4 van de Algemene termijnenwet van overeenkomstige toepassing zijn, tenzij in de verordening anders is bepaald. Artikel 1.2 is nu overbodig geworden, daar dit artikel ook de Algemene termijnenwet van toepassing verklaarde op de bouwverordening</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-13-174\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">* Indeling van het gebied van de gemeente* In Arnhem geldt hiervoor de \"Verordening regelende de grenzen van de kom der gemeente (Verordening nr. 1369)\". Een en ander impliceert dat is gekozen voor bestendiging van de bestaande situatie, en niet voor een indeling van de gemeente in zônes Hoofdstuk 2 De aanvraag bouwvergunningAlgemeenIn hoofdstuk 2 van de Bouwverordening zijn alle artikelen verzameld die betrekking hebben op de aanvraag om bouwvergunning. In de Woningwet is een nieuw artikel 40a opgenomen, waarin wordt bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur voorschriften worden gesteld omtrent de wijze van inrichting en indiening van een vergunningaanvraag, alsmede omtrent de daarbij over te leggen bescheiden. Dit is het Besluit indieningsvereisten geworden. De voorschriften van dit besluit zijn limitatief, waardoor de tot de achtste serie wijzigingen van de Modelbouwverordening in paragraaf 1 en enkele in paragraaf 2 opgenomen artikelen zijn komen te vervallen. Er is geen materiële wijziging beoogd ten opzichte van deze vervallen artikelen. De overige paragrafen van hoofdstuk 2 bevatten inhoudelijke criteria, waaraan de aanvraag om bouwvergunning wordt getoetst c.q. moet voldoen. ‘De wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen Openbaar Bestuur (BIBOB), Stb. 2002, 347, en het daaraan gekoppelde Besluit BIBOB treden voor bestuursorganen per 1 januari 2003 in werking. Deze wet houdt in dat na ontvangst van een aanvraag om een reguliere bouwvergunning, door b&amp;w wordt beoordeeld of omtrent de aanvrager een integriteitsadvies wordt gevraagd bij het Bureau BIBOB. Dit bureau ressorteert onder het ministerie van Justitie en is bevoegd om onderzoek te doen naar de antecedenten van de aanvrager –zowel natuurlijke als rechtspersonen- en naar de herkomst van de gelden waarmee het bouwproject wordt gefinancierd. Een negatief advies voor b&amp;w aanleiding zijn de bouwvergunning te weigeren. Aan het standaard formulier voor het aanvragen van een bouwvergunning wordt een aantal vragen toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vragen van een advies door b&amp;w is facultatief. Indien een advies bij het Bureau BIBOB wordt gevraagd, schort de termijn voor de behandeling van de aanvraag om bouwvergunning met acht weken op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 15 september 2004 is de Aanpassingswet Bibob van 10 juni 2004 van kracht geworden, waarbij de artikelen 44a en 59 van de Woningwet zijn gewijzigd. Zie Stb. 2004, 320 en Stb. 2004, 452. Het bureau Bibob van het ministerie van Justitie verstrekt informatie over de uitvoering van de Wet Bibob in relatie tot de Woningwet (070-3704600 of www.justitie.nl/bibob).</p>\n<p class=\"lf-p\">De gefaseerde behandeling van de aanvraag om bouwvergunning.De gefaseerde vergunningverlening wordt in artikel 56a van de herziene Woningwet zelf uitdrukkelijk geregeld. Volgens de nieuwe regeling zijn burgemeester en wethouders verplicht een aanvraag om een reguliere bouwvergunning desgevraagd gefaseerd te behandelen. De aanvrager heeft derhalve de keuze om wel of geen gefaseerde vergunningverlening aan te vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast biedt artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten burgemeester en wethouders de facultatieve mogelijkheid van fasering van de bouwvergunningverlening (bouwvergunning op hoofdlijnen), zoals die tot de achtste serie wijzigingen in de Bouwverordening was opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een belangrijk verschil tussen de gefaseerde bouwvergunning op grond van artikel 56a van de Woningwet 2002 en de facultatieve mogelijkheid van fasering van de bouwvergunningverlening op grond van artikel 56 van de Woningwet (bouwvergunning onder voorwaarden) is dat in het eerste geval de aanvrager bepaalt of de procedure van de gefaseerde vergunning wordt gevolgd, waarbij burgemeester en wethouders verplicht zijn een aanvraag om een reguliere bouwvergunning gefaseerd te behandelen, terwijl in het laatste geval burgemeester en wethouders bevoegd zijn te in te stemmen met de verlening van een bouwvergunning op hoofdlijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden voor bouwafval in de bouwvergunningAan de bouwvergunning kunnen voorwaarden worden verbonden over de wijze van scheiden in fracties, over het tijdelijk op de bouwplaats opslaan en over het afvoeren c.q. het zich ontdoen van het bouwafval. Deze voorwaarden dienen ter uitvoering van hetgeen is bepaald in artikel 4.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veelal is het nodig voor de fractie gevaarlijk afval aan te geven welke (chemische) stoffen niet bij elkaar mogen. Een voorwaarde voor de opslag kan betreffen het in een afgesloten ruimte bewaren van het afval. Voor de opslag en de afvoer kan gedacht worden aan een voorwaarde voor de verpakking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdlijnen van de jurisprudentieVoor een overzicht van de jurisprudentie met betrekking tot de indieningsvereisten van een aanvraag om bouwvergunning zoals die tot de achtste serie wijzigingen ook al was opgenomen in de Modelbouwverordening 1992, zie de losbladige uitgave ‘Standaardregelingen in de bouw’ van de VNG Uitgeverij.’</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-211-175\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag bouwvergunningDe toelichting bij dit artikel vervalt</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdlijnen van de jurisprudentieHet indienen van een zogenaamd 'schetsplan' moet gezien worden als een (niet complete) aanvraag om bouwvergunning. Burgemeester en wethouders moeten dan ingevolge artikel 47, lid 1, Woningwet appellant in de gelegenheid stellen de ontbrekende gegevens alsnog te verstrekken Wnd. Vz. ARRS 2 april 1993, No. S03.93.0699, BR 1993, p. 808, Schetsplan Heeswijk-Dinther.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwvergunning geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan. Het is echter niet uitgesloten dat het in het geding zijnde bouwwerk een meldingplichtig bouwwerk is. B en W hebben onvoldoende onderzocht of sprake is van een meldingplichtig bouwwerk, terwijl voorts niet uitgesloten is dat moet worden geoordeeld dat de mededeling van rechtswege is gedaan, zodat alsdan B en W niet meer bevoegd waren om een reële beslissing te nemen. (Nb. Na deze uitspraak is er aan artikel 2.1.1 MBV een achtste lid toegevoegd.) Vz. ARRS, 3 februari 1994, BR 1994, p. 675.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag om bouwvergunning wordt ingediend met behulp van het formulier 'Verzoek beoordeling schetsplan c.q. aanvraag bouwvergunning'. Mededeling van verweerder dat de fatale beslistermijnen niet van toepassing zijn, nu het om een schetsplan gaat. Later volgt omzetting. President overweegt dat in bodemprocedure nader onderzocht dient te worden of deze werkwijze, die de kennelijke bedoeling heeft de fatale termijn te omzeilen, rechtmatig is. Aanvraagformulieren zonder dergelijke clausule dienen in elk geval beschikbaar te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pres. Rb. Zutphen, 23 maart 1994, BR 1994, p. 502.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het wijzigen van een aanvraag om vergunning en/of de bijbehorende tekening(en) behoeft weliswaar niet uitgesloten te worden geacht, maar dan dient deze te geschieden op verzoek of ten minste met instemming van de aanvrager.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRS, 22 juni 1994, R03.90.7166.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het formulier 'Verzoek beoordeling schetsplan c.q. aanvraag bouwvergunning' is ingediend. Dit formulier mag automatisch worden omgezet in een officiële aanvraag. Verweerder heeft de ontvangst bevestigd en medegedeeld: 'aangezien u een schetsplan heeft ingediend, is de wettelijke bepaling dat binnen 13 weken een beslissing moet zijn genomen niet van toepassing.' Onder deze omstandigheden kan niet worden aanvaard dat verzoekster op enig moment een aanvraag heeft ingediend. Mitsdien is geen bouwvergunning van rechtswege ontstaan. Beroep op fair-playbeginsel: aspirant-bouwers worden niet of nauwelijks op de hoogte gesteld van het bestaan van een formulier 'Aanvraag bouwvergunning'. Dit beroep slaagt niet nu niet aannemelijk is dat verzoekster beoogd heeft een formele aanvraag in te dienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pres. Rb. Zutphen, 3 november 1994, BR 1995, p. 39.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag om bouwvergunning wordt ingetrokken. B en W schrijven dat zij het bouwplan beschouwen als een principe-aanvraag, d.w.z. dat de aanvraag is omgezet in een principe-aanvraag. Nu de Woningwet dit begrip niet kent, moet ervan uit worden gegaan dat de aanvraag is ingetrokken en dat deze slechts weer kan 'herleven' wanneer een nieuw verzoek op ondubbelzinnige wijze wordt gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRS, 15 december 1994, Awb 94/1035 en Awb 94/1411.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Aanvrager maakt geen gebruik van het voorgeschreven formulier. B. en w. moeten de vraag of er sprake is van een aanvraag beoordelen aan de hand van alle gegevens die hun ter beschikking staan. I.c. is sprake van een aanvraag, gelet op de bewoordingen van de brief en een verwijzing naar de eerder ingediende bouwtekening.</div>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 15 juli 1996, R03.92.5797.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>In de brief is voldoende duidelijk de wil tot uitdrukking gebracht dat een nieuwe bouwaanvraag wordt ingediend. De brief geeft geen aanknopingspunt voor de zienswijze dat het in plaats hiervan zou gaan om een aanvulling van de eerder ingediende onvolledige bouwaanvraag. Het feit dat de vermelding in het briefhoofd refereert aan het nummer van de brief waarmee b. en w. om aanvulling verzochten van de onvolledige bouwaanvraag, biedt onvoldoende grond om de brief slechts als reactie op dat verzoek en niet als hernieuwde aanvraag te zien.</div>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 4 juli 1996, H01.96.0052.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-212-176\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">In de aanvraag op te nemen gegevensDe toelichting bij dit artikel vervalt</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-213-177\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Bij de aanvraag in te dienen bescheidenDe toelichting bij dit artikel vervalt</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdlijnen van de jurisprudentie-Ingevolge artikel 6, eerste lid van bijlage 1 bij de bouwverordening dient de schaal van de tekeningen van het bouwwerk 1:100 te zijn. In verband met de grootte van het te bouwen gebouw is in casu niet voldaan aan dit gestelde schaalvereiste. De Voorzitter ARRS: Gelet op de praktische problemen (de gestelde schaaleis maakt de tekeningen volstrekt onhandelbaar) wordt in het niet - geheel - voldoen aan het bepaalde in voornoemd artikel 6 onvoldoende aanleiding gezien om tot schorsing van de bouwvergunning over te gaan. De aanvraag is derhalve niet onzorgvuldig beoordeeld</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Wnd. Vz. ARRS 7 juni 1993, BR 1993, p. 975, Afvalverwerkingsinstallatie Beilen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-214-178\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens met betrekking tot het coördineren van vergunningaanvragenDe toelichting bij dit artikel vervalt</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-215-179\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het onderzoek naar bodemverontreinigingInleidingDe artikelen over het bodemonderzoek in de Model-bouwverordening hebben tot doel te bevorderen dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel 2.4.1 bevat het verbod tot bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel is een uitvoerige toelichting geplaatst waarin de hele route van een bodemonderzoek wordt beschreven, de van toepassing zijnde normen en de relatie wordt aangeduid met de voorschriften uit de Woningwet en het Besluit indieningsvereisten Artikel 2.1.5 is met de achtste serie wijzigingen per 1 januari 2003 vervallen. Om die reden is toen in de toelichting bij artikel 2.4.1 alles beschreven over het bodemonderzoek wat nodig is voor de uitvoering van de bouwverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">In verband met de inwerkingtreding van het Besluit indieningsvereisten op 1 januari 2003 is bij de achtste serie wijzigingen van de Bouwverordening een reeks artikelen vervallen, onder andere die over het bodemonderzoek. Onder meer uit vragen uit de uitvoeringspraktijk is gebleken dat de afstemming tussen de Bouwverordening en genoemd Besluit op dat punt nog niet optimaal was, met name wat betreft de regeling inzake de wijze van onderzoeken en de daarop van toepassing zijnde normen en protocollen. In feite ontbrak de materie die voorheen was geregeld in het tweede tot en met het vierde lid van het vervallen artikel 2.1.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een overleg met het ministerie van VROM is uitgesproken dat op termijn de hele materie van het bodemonderzoek in landelijke regelgeving wordt neergelegd, doch dat dit nog enige tijd zal duren voordat het zover is. Omdat het onverantwoord wordt geacht deze periode over een gebrekkige regelgeving te beschikken, is tevens in dit overleg besloten dat als een tijdelijke oplossing de Bouwverordening wordt aangevuld met een nieuw herschreven artikel 2.1.5. Het blijkt dat een wijziging van de bouwverordening sneller te realiseren is dan een wijziging van landelijke regelgeving. Het deels doen herleven van het oude artikel 2.1.5 maakt het tevens noodzakelijk de toelichting op artikel 2.4.1 te herzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de voornemens voor rijksregelgeving verwijzen wij naar de MG circulaire van 15 juli2003, nr. MG 2003-18.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een uitvoeriger beschrijving van het hele proces staat vermeld in de toelichting bij artikel 2.4.1. Men gelieve beide toelichtingen in combinatie met elkaar te lezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het verkennend onderzoek eerst een vooronderzoek volgens NVN 5725 wordt uitgevoerd – ook wel historisch onderzoek genoemd - ten behoeve van het formuleren van de onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie onverdacht is, kunnen burgemeester en wethouders op basis van het derde lid besluiten ontheffing te verlenen voor het uitvoeren van het verkennend onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">In volgorde kunnen dus drie onderzoeken worden onderscheiden: vooronderzoek, verkennend onderzoek en nader onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Letter c richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond. Het bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond te onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003 ontwikkeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet langer is in dit artikel geregeld bij welke instantie de burger een beoordeling van de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek kan vragen. Thans wordt dit beschouwd als een interne organisatorische kwestie van de gemeente. De mogelijkheid om een dergelijke beoordeling te vragen kan nog steeds als dienstverlening aan de burger worden aangeboden. De gemeente maakt bekend, bij voorbeeld bij de afgifte van het formulier voor het aanvragen van een reguliere bouwvergunning, dat en waar een dergelijke beoordeling kan plaatsvinden. Meestal is dit een afdeling of dienst milieu of een intergemeentelijke milieudienst dan wel een private organisatie/adviesbureau waaraan de gemeente bepaalde werkzaamheden heeft uitbesteed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2Tot de wijziging van de wettelijke categorie-indeling van bouwwerken, die op 1 januari 2003 in werking is getreden, gold de bodemonderzoeksverplichting niet voor het bouwen dat, hoewel bouwvergunningplichtig, naar aard en omvang gelijk te stellen was met meldingplichtig bouwen. In het tweede lid van artikel 2.1.5 is thans een soortgelijke regeling opgenomen ten aanzien van het bouwen dat, hoewel regulier-bouwvergunningplichtig, naar aard en omvang gelijk te stellen is aan bouwvergunningsvrij c.q. licht-bouwvergunningplichtig bouwen als genoemd in het Besluit bouwwerken. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het plaatsen van een tuinschuurtje bij of een aanbouw aan een utiliteitsgebouw. Hoewel in deze gevallen dus geen bodemonderzoeksrapport hoeft te worden ingediend, kan de aanhoudingsregeling van artikel 52a van de Woningwet overigens wel van toepassing zijn op aanvragen om een reguliere of lichte bouwvergunning, namelijk in het geval dat bij burgemeester en wethouders uit anderen hoofde een redelijk vermoeden bestaat dat overeenkomstig de Wet bodembescherming sprake is van een geval van ernstige verontreiniging (zie de toelichting bij genoemd artikel 52a, eerste lid Woningwet). De hoogte van een bouwwerk behoort bij de beoordeling of een bodemonderzoek is vereist geen rol te spelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3Het begrip ‘bruikbare onderzoeksresultaten’ houdt in dat in ieder geval een onderzoek heeft plaatsgevonden en dat dit recent is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4Bouwwerken met een beperkte instandhoudingstermijn kunnen velerlei zijn, van klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze categorie betekent geenszins dat in alle gevallen ontheffing wordt verleend. De gemeente kan hiervoor beleid ontwikkelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van deze werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt gesignaleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden overgelegd bij de aanvraag om bouwvergunning. Daarom behoort dit onderzoek tot de bescheiden die ook later kunnen worden ingediend. Of zoals de toelichting bij de bijlage van het Besluit indieningsvereisten vermeldt: “Dit tijdstip kan in een voorwaarde bij de bouwvergunning worden vastgelegd op basis van het bepaalde in artikel 56 van de Woningwet.”</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdlijnen van de jurisprudentie(op basis van de Woningwet 1991, vóór de inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Woningwet inzake tegengaan van bouwen op verontreinigde grond (Stb. 1998, 132), en de Bouwverordening gemeente Arnhem 1992 zoals die luidde vóór de wijziging van 7 september 1998)-Een vrijstelling in de zin van artikel 2.1.5 lid 3 BV kan geweigerd worden als de voorhanden zijnde onderzoeksgegevens ouder zijn dan 2 jaar. Dit moet dan wel goed gemotiveerd worden. De gemeente moet appellant een helder inzicht verschaffen aangaande hun oordeel dat in deze aangelegenheid niet reeds bruikbare onderzoeksresultaten aanwezig zijn</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Vz. ARRS 1 juni 1993, No. S03.93.0765, Milieurechtspraak No. 19 - 1993, p. 4; BR 1994, p. 47, Bodemonderzoek Oss. Zie ook Wnd. Vz. ARRS 7 juni 1993, BR 1993, p. 975, Afvalverwerkings-installatie Beilen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>B. en w. hebben in 1996 bouwvergunning verleend met behulp met een vrijstelling ex artikel 2.1.5, lid 3 (Model-)bouwverordening. In 1994 is een verkennend bodem- en grondwateronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek had echter niet betrekking op het onderhavige perceel, waarop in de jaren tachtig een put ten behoeve van de kleiwinning als vuilstort werd gebruikt. Over dit perceel zijn geen onderzoeksgegevens tot de gesteldheid van de bodem voor handen. Het moet ernstig worden betwijfeld of b. en w. op juiste grond toepassing hebben gegeven aan artikel 2.1.5, lid 3.</div>\n<p class=\"lf-p\">Pres. Rb. Arnhem 4 april 1996, Awb 96/545.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Uit het verkennend bodemonderzoek, dat zich heeft beperkt tot enkele parameters, blijkt dat het desbetreffende gebied dermate is verontreinigd, dat de grond niet zonder meer geschikt is voor woningbouw. Met betrekking tot de specifieke verontreinigingsgraad van het perceel is nog onvoldoende bekend. B. en w. hebben op goede gronden geconcludeerd dat nader bodemonderzoek noodzakelijk is, om deze specifieke verontreinigingsgraad te bepalen. Nu de aanvrager niet bereid was dit onderzoek te laten verrichten, hebben b. en w. de bouwvergunning terecht geweigerd.</div>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 2 september 1996, H01.95.0572.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-216-180\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.6</span><span class=\"lf-art-t\">Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om bouwvergunningDe toelichting bij dit artikel vervalt</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdlijnen van de jurisprudentieHet verdient aanbeveling, in het geval dat de aanvraag om bouwvergunning gefaseerd wordt behandeld, in de voorwaarden van de bouwvergunning te bepalen, dat er gebouwd moet worden in overeenstemming met het Bouwbesluit. Met het vastleggen van deze eis komt de bewijslast te rusten op de aanvrager respectievelijk houder van de bouwvergunning Wnd. Vz. ARRS 7 juni 1993, BR 1993, p. 975, Afvalverwerkingsinstallatie Beilen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In casu is een aanvraag om bouwvergunning ingevolge artikel 47, vijfde lid, van de Woningwet van rechtswege ontvankelijk geworden. Ter waarborging van de in het Bouwbesluit beoogde kwaliteit hebben B en W, met toepassing van artikel 2.2.4, vierde lid, van de gemeentelijke bouwverordening verschillende voorwaarden aan de bouwvergunning verbonden. Gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van de Woningwet biedt het bepaalde in artikel 44, eerste lid, van de Woningwet ruimte voor een gefaseerde verlening van de bouwvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vz. ARRS, 25 januari 1994, BR 1994, p. 501.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is een gefaseerde vergunning verleend met toepassing van artikel 2.1.6 en artikel 2.4.4 (Model-) bouwverordening. Gelet op het limitatief imperatief stelsel is er geen ruimte om belangen van derden af te wegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRS, 21 september 1994, BR 1995, p. 36.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-217-181\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.7</span><span class=\"lf-art-t\">BouwregistratieDe toelichting bij dit artikel vervalt</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-218-182\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.8</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning woonwagens en standplaatsenDe toelichting bij dit artikel vervalt</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikelen 2.2.1 tot en met 2.2.3 ProcedurebepalingenDe (vervallen) artikelen 2.2.1 tot en met 2.2.3 waren tot medio 2003 in de Bouwverordening opgenomen teneinde discussies over termijnen uit te sluiten. Er werd van uitgegaan dat artikel 8, derde lid van de Woningwet (oud) ruimte liet voor het in de bouwverordening opnemen van deze artikelen. Tot 1 januari 2003 was in artikel 2.2.1 van de Bouwverordening opgenomen dat de aanvrager door of namens burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst wordt uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het Besluit indieningsvereisten ontbrak sinds 1 januari 2003 een dergelijke bepaling, die in verband met de fatale beslistermijnen in de bouwvergunningprocedure nodig is. Vanaf 1 april 2007 voorziet het nieuwe artikel 40b Woningwet in deze leemte, dat regelt dat burgemeester en wethouders de ontvangstdatum op de bouwaanvraag aantekenen en een ontvangstbevestiging van de bouwaanvraag verzenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het belang van deze gegevens voor de bouwvergunningprocedure adviseren wij u te handelen overeenkomstig het vervallen artikel 2.2.1 van de Bouwverordening totdat een en ander in het Besluit indieningsvereisten is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een regeling van samenloop (artikel 2.2.2) en bekendmaking van afwijkende termijnen (artikel 2.2.3) is na medio 2002 geen wettelijke basis meer in de Woningwet aanwezig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de sanctie van de fictieve bouwvergunningverlening die de Woningwet op termijnoverschrijding stelt, is het uitsluiten van onduidelijkheid over beslissingstermijnen nog steeds van belang. De beslistermijn voor de lichte-bouwvergunning en de bouwvergunning eerste of tweede fase is zes weken en twaalf weken voor een reguliere bouwvergunning. Er zijn echter uitzonderingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is raadzaam om de aanvrager op de hoogte te stellen van het feit dat op een aanvraag om bouwvergunning, waarvoor tevens een vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening nodig is, de termijn van zes weken (lichte-bouwvergunning /bouwvergunning eerste of tweede fase) of twaalf weken (reguliere bouwvergunning) niet van toepassing is; zie artikel 46 en 49 van de Woningwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Andere uitzonderingen op de termijn van zes respectievelijk twaalf weken betreffen het opschorten van de termijn op grond van artikel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht, het aanhouden van de aanvraag op grond van het bepaalde in de artikelen 50 tot en met 55 van de Woningwet, dan wel het verdagen van de beslissing daarop.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de positie van de derden-belanghebbenden is bij de beslistermijnen van belang. Ter bescherming van de positie van derden-belanghebbenden regelt artikel 41 van de Woningwet de openbare bekendmaking van de aanvraag om bouwvergunning. Om te vermijden dat derden-belanghebbenden te snel uitgaan van een fictief verleende bouwvergunning op basis waarvan zij bezwaar kunnen maken ingevolge de Algemene wet bestuursrecht, is het wenselijk dat de uitzonderingen op de termijn van zes respectievelijk twaalf weken voor hen kenbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanaf medio 2003 is het niet meer mogelijk de uitzonderingen op de beslistermijn van zes of twaalf weken te registreren in het openbaar bouwregister. Het is echter nog wel raadzaam om tot publicatie over te gaan van de aanhouding van een aanvraag om bouwvergunning en een besluit tot verdaging van de beslissing over een aanvraag om bouwvergunning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-224-183\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverleningDe toelichting bij dit artikel vervalt</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdlijnen van de jurisprudentieAfspraak bij het verlenen van de bouwvergunning dat de oude opstallen zullen worden gesloopt. Dergelijke afspraken dienen expliciet als zodanig in de bouwvergunning of in de daarbij behorende voorwaarden te zijn opgenomen, wil de nakoming met toepassing van bestuursdwang kunnen worden afgedwongen. Een mondelinge afspraak is daartoe onvoldoende Vz. ARRS, 6 juli 1992, AB 1993, nr. 235.</p>\n<p class=\"lf-p\">In casu is een aanvraag om bouwvergunning ingevolge artikel 47, vijfde lid, van de Woningwet van rechtswege ontvankelijk geworden. Ter waarborging van de in het Bouwbesluit beoogde kwaliteit hebben B en W, met toepassing van artikel 2.2.4, vierde lid, van de gemeentelijke bouwverordening verschillende voorwaarden aan de bouwvergunning verbonden. Gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van de Woningwet biedt het bepaalde in artikel 44, eerste lid, van de Woningwet ruimte voor een gefaseerde verlening van de bouwvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vz. ARRS, 25 januari 1994, BR 1994, p. 501.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-225-184\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2.5</span><span class=\"lf-art-t\">In behandeling nemen en bodemonderzoekDe toelichting bij dit artikel vervalt</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-226-185\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bekendmaking van rechtswege verleende bouwvergunningArtikel 58 van de Woningwet regelt, dat de eigenaar of hoofdgebruiker van een naburig ander gebouw schriftelijk in kennis wordt gesteld van een fictief verleende bouwvergunning De termijn voor het geven van schriftelijk bericht is door de Woningwet gesteld op twee weken. De bouwverordening dient alleen de inhoud van het bericht te regelen. Zo nodig kan dit artikel worden aangepast aan plaatselijke omstandigheden en gebruiken.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3 Welstandstoetsing</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-231-186\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">WelstandscriteriaDe toelichting bij dit artikel vervalt</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1962 en de bouwverordening (BV 1965)Welstand en antennes1 Ondanks artikel 10 van het Verdrag van Rome kan een bouwvergunning voor het oprichten van een antenne die in ernstige mate belastend is voor de omgeving, worden geweigerd op grond van artikel 34 van de bouwverordening ARRS 29 april 1982; GS 6725.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oprichten van antennes kan (ook) in het kader van een bestemmingsplan worden geweigerd, maar deze weigering kan, gelet op artikel 10 van het Verdrag van Rome niet zover gaan dat zij neerkomt op een algemeen verbod tot het oprichten van zendantennemasten, waarvan geen vrijstelling of ontheffing kan worden verleend. De bepalingen van het bestemmingsplan en van de bouwverordening die zich verzetten tegen de oprichting van antennes blijven slechts dan buiten toepassing wanneer die bepalingen niet evenredig zijn aan het recht op vrijheid van meningsuiting. Als een bestemmingsplan voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, een maximumhoogte kent (van 2,5 m), kan op die grond bouwvergunning voor de oprichting van antennes niet worden geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 12 maart 1982; GS 6725.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eisen voortvloeiende uit artikel 57 bouwverordening (nieuw: zie artikel 2.5.24) zijn niet evenredig aan het recht op vrijheid van meningsuiting, wanneer de afwijking van de voorgeschreven maximumhoogte gering is en de antenne van de gewenste hoogte voor een goede zend- en ontvangstmogelijkheid onder normale omstandigheden noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 26 juni 1981; AB 1981, 526.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is in beginsel aanvaardbaar dat B en W de ontvangst van signalen die ter plaatse zo marginaal zijn dat deze niet voor doorgifte in aanmerking komen, buiten beschouwing laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wnd. vz. ARRS 2 april 1985, RO3.85.0842/S 379.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in artikel 10 van het Verdrag van Rome gewaarborgde vrijheid strekt niet verder dan tot het aanbrengen van ontvangstvoorzieningen die in verhouding staan tot de daardoor geboden extra ontvangstmogelijkheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vz. ARRS 18 juni 1985; AB 1985, 524.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Enkele voorbeelden van antennemasten, waarvoor blijkens de jurisprudentie bouwvergunning kon worden geweigerd, zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een 16,50 m hoge antennemast in een omgeving van dicht opeengepakte woningbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 26 juni 1981; AB 1981, 526.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een in een achtertuin opgerichte antenne met een hoogte van 23 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wnd. vz. ARRS 11 januari 1982; BR 1982, 232.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een 33 m hoge antennemast in een woonwijk, waardoor de straal waarbinnen de antennemast zal domineren wel zo wijd en de afstand van de mast tot de woningen en tuinen van de buren anderzijds zo kort is dat de effecten op het woonmilieu waar deze het meest voelbaar zijn, in belangrijke mate belastend zullen zijn voor anderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 29 april 1982; GS 6725.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een 20 m hoge antennemast die door zijn opengewerkte vakwerkconstructie en de diverse tuidraden inbreuk maakt op de eenvoud van de landelijke omgeving ter plaatse, waardoor de belevingswaarde van de directe woonomgeving wordt aangetast.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 23 december 1983; AB 1983, 270.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een 15 m hoge antenne op een dijkwoning 50 m vanaf een beschermd dorpsgezicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 6 september 1983, A-31.3653 (1982)/6.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De vz. ARRS verwerpt de stelling dat het niet de bedoeling is van het Verdrag van Rome (en het voormalige artikel 265 van de bouwverordening) om de ontvangst van illegale signalen te beschermen. Noch uit de bewoordingen noch uit de strekking van artikel 10 van het verdrag kan worden afgeleid dat de daarin gewaarborgde vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen, beperkt zou zijn tot ontvangst van inlichtingen of denkbeelden die worden verspreid in overeenstemming met de wetgeving die geldt daar waar de inlichtingen of denkbeelden worden doorgegeven en waaraan degene die ze doorgeeft is onderworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vz. ARRS 8 augustus 1985; GS 6848; KG 1986, 21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van dezelfde zaak oordeelde de ARRS in de bodemprocedure, dat appellant buiten de mogelijkheden van de CAI geen extra signalen doch slechts signalen in stereo kon ontvangen. In tegenstelling tot de illegale signalen vallen stereosignalen niet onder de bescherming van artikel 10 Verdrag van Rome.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 27 april 1987, GS 6848.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voor een privaatrechtelijk antenneverbod gelden in beginsel dezelfde beperkingen die zijn gesteld ten aanzien van de bouwverordening. Gebruik van een CAI moet niet alleen technisch, maar ook financieel een redelijk alternatief voor een eigen antenne vormen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansluitkosten van 3.600,- vergeleken met de kosten van een eigen antenne à 300,- werden door het Hof Leeuwarden als onredelijk beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Leeuwarden 23 maart 1983; NG 8 juli 1983.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een woningbouwvereniging kan niet eenzijdig (bij voorbeeld bij overdracht van een CAI aan de gemeente) zonder toestemming van de huurders de signaallevering via de CAI beëindigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Den Bosch 15 juni 1984, rolnr. KG 473/83/MA.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opleggen van een (contractuele verplichting tot aansluiting op het kabelnet (mede) ter voorkoming van ontsierende antennewouden is (in beginsel) ongeoorloofd, als zijnde een onevenredig bezwarende voorwaarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 april 1986; AB 1986, 349; NG 1986, 465; GS 6816; BR 1986, 690.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opmerking. Wel redelijk lijkt een gedoogplicht van voorzieningen die later aansluiting (voor anderen) mogelijk maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdlijnen van de jurisprudentieBeroep op artikel 10 EVRM voor het plaatsen van een mast van 18,5 m hoog. Artikel 10, lid 2, staat noodzakelijke beperkingen toe. De belangen van omwonenden mogen een inbreuk maken op artikel 10 EVRM, nu de activiteiten waarvoor de grote hoogte is vereist (experimenten en tussenstation) tegen de rand van artikel 10 zijn te plaatsen ARRS, 30 augustus 1993, R03.91.1896.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bestemmingplan laat een hoogte toe van maximaal 8,50 m. Hinder van omwonenden kan een zwaarwegend bezwaar zijn dat noodzaakt tot beperking van het recht op vrije meningsuiting. In dit verband is van belang de afstand van het bouwwerk tot de woningen en tuinen van omwonenden in relatie tot de hoogte ervan, en de vormgeving van het bouwwerk en de aard van zijn omgeving. Gezien de compacte bebouwing met aan elkaar sluitende achtertuinen, neemt de antennemast een dominante plaats in.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRS, 2 mei 1994, R03.91.5941.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn geen omstandigheden aanwezig waaruit blijkt dat de antennemast onevenredig bezwarend is voor omwonenden. Het beroep op de beperkingsclausule van artikel 10 EVRM gaat derhalve niet op. De bouwvergunning kan niet worden geweigerd met een beroep op belemmering van het uitzicht voor omwonenden, de mogelijkheid van alternatieven of het gemeentelijk planologische beleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRS, 22 juni 1994, AB 1995, 260, m.nt. A.A.J. de Gier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid van artikel 10 EVRM laat ruimte voor een beperking van de uitoefening van het in het eerste lid omschreven recht ter bescherming van belangen van anderen. Belangen van derden zijn in het geding waar een ordelijke inrichting van een samenleving van dicht bij elkaar wonende personen vraagt om een beteugeling van de vrijheid bouwwerken te plaatsen die onevenredig bezwarend zijn voor omwonenden. In casu kan niet worden gesteld dat de bepaling uit de bouwverordening buiten toepassing moet worden gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRS, 7 juli 1994, R03.92.0977.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afdeling overweegt dat het in de Woningwet neergelegde verbod om te bouwen zonder bouwvergunning, alsmede de welstandstoets onder meer beoogt enige ordening van de beschikbare ruimte te geven ten einde te voorkomen dat anderen door het oprichten van een bouwwerk onevenredig worden bezwaard. Dergelijke toetsingen kunnen dan ook nodig worden geacht ter bescherming van de rechten van anderen, als bedoeld in artikel 10, lid 2, EVRM. In casu dermate zwaarwegende welstandbezwaren dat een inbreuk op het recht van een vrije meningsuiting gerechtvaardigd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRS, 5 augustus 1994, R03.91.2113.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Belangen van buurman wegen zwaarder dan belang aanvrager bij plaatsing van 15 m hoge mast. Vaststaat dat de ontvangstresultaten van een – vergunningvrije – dakantenne in technisch opzicht gelijkgesteld kunnen worden met die van een 15 m hoge antennemast. Weigering van de bouwvergunning voor de antennemast levert geen strijd op met artikel 10, lid 1, EVRM.</div>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 18 december 1995, R03.91.1424.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Een 18 m hoge antennemast is onevenredig bezwarend voor de omwonenden, gezien de afstand van de mast tot woningen en tuinen van de omwonenden in relatie tot de hoogte ervan, de vormgeving van de mast en de aard van zijn omgeving. Er is sprake van een situatie, die een beperking van de door artikel 10, lid 1, EVRM, gewaarborgde rechten rechtvaardigt.</div>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 25 januari 1995, Gst 7034/7.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Beoordeling van de vrijstelling van de toegelaten bouwhoogte voor een antennemast binnen het kader van artikel 10 EVRM. Belangenafweging. Aanvrager heeft als zendamateur een telescopische antennemast met een hoogte van 21,5 meter nodig. Omdat de veiligheid van omwonenden en hun zaken niet in het geding is en de mast op een andere plaats vele jaren zonder problemen heeft gestaan en ook geen strijd met redelijke eisen van welstand bestaat, weegt het belang van aanvrager bij plaatsing van de mast zwaarder.</div>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Almelo 14 maart 1996, 95/888 WW44 W1 A.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-241-187\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verbod tot bouwen op verontreinigde grondAlgemeenIn het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op te nemen omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In het derde lid van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften betrekking dienen te hebben. Het woord ‘uitsluitend’ in de redactie van dit derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening niet is toegestaan Artikel 8 derde lid van de Woningwet en het onderhavige artikel sluiten nauw aan bij de vroegere redactie waardoor inhoudelijk geen grote verschillen ontstaan. De verschillen die er zijn, betreffen de aanduiding van de categorie waarvoor het bodemonderzoek geldt, de bouwwerken waarvoor een reguliere bouwvergunning is vereist. De bouwwerken waarvoor een zogenoemde lichte bouwvergunning volgens artikel 44, derde juncto eerst lid van de Woningwet is vereist, vallen buiten deze onderzoeksplicht. Dit volgt uit artikel 4, eerste lid, letter c, van het Besluit indieningsvereisten, waarin staat dat bij een aanvraag om een lichte bouwvergunning de gegevens en bescheiden bedoeld in de paragrafen 1.1 en 1.4 van hoofdstuk 1 van de bijlage bij dit besluit moeten worden ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport staat in artikel 1.2.5, letter e van hoofdstuk 1 van de bijlage bij genoemd besluit. Derhalve geldt de plicht tot het indienen van een bodemonderzoeksrapport niet voor een aanvraag om een lichte bouwvergunning. De laatstgenoemde categorie komt niet geheel overeen met de categoriemeldingplichtige bouwwerken van voor de wetswijziging van 2003. Indien burgemeester en wethouders op andere wijze dan via bedoeld bodemonderzoek ermee bekend zijn dat de grond ernstig verontreinigd is (bijvoorbeeld op basis van eerder verricht bodemonderzoek of historisch onderzoek), kunnen zij ook in geval van een aanvraag om een lichte bouwvergunning van de aanvrager een bodemonderzoeksrapport verlangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2.1.5 staat vermeld aan welke eisen het onderzoek naar de gesteldheid van de bodem moet voldoen. Ook is aangegeven dat geen bodemonderzoeksrapport hoeft te worden ingediend bij regulier-bouwvergunning-plichtig bouwen dat naar aard en omvang gelijk is aan bouwvergunningsvrij of licht-bouwvergunningplichtig bouwen. Voorts worden hieronder bij het vierde aandachtstreepje de omstandigheden omschreven waaronder burgemeester en wethouders geheel of gedeeltelijk ontheffing kunnen verlenen van de plicht tot het (doen) verrichten van bodemonderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">De indieningsvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om bouwvergunning, waartoe het bodemonderzoek behoort, zijn vanaf 1 januari 2003 niet langer in de bouwverordening maar in het Besluit indieningsvereisten geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De structuur is als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorprocedure – voorafgaand aan het indienen van een aanvraag om bouwvergunning – waarbij een gemeentelijke dienst, meestal de milieudienst, een oordeel geeft over de onderzoeksopzet van het onderzoeksrapport is als verplicht onderdeel om te komen tot een aanvraag om bouwvergunning overbodig geworden nu de NEN 5740 deze materie nagenoeg geheel bestrijkt. Ingeval de aanvrager twijfel heeft over de keuze van deonderzoeksopzet staat het hem vrij hierover bij de desbetreffende dienst of afdeling van de gemeente informatie te vragen en een vooroverleg te voeren. In dit vooroverleg kan tevens aan de orde komen de vraag of en zo ja voor welke gegevens ontheffing wordt verleend van het onderzoek naar de bodemgesteldheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanvraag om een bouwvergunning voor een bouwwerk waarvoor een reguliere bouwvergunning is vereist, moet een onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus artikel 1.2.5, letter e van de bijlage behorende bij artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderzoeksrapport bestaat volgens het eerste lid van artikel 2.1.5 uit de resultaten van een recent uitgevoerd verkennend onderzoek volgens NEN 5740, bijlage B, uitgave 1999, inclusief correctieblad C1, uitgave 2000 en NEN 5707, uitgave 2003. Voordat een verkennend onderzoek wordt uitgevoerd moet een vooronderzoek volgens NVN 5725, uitgave 1999, worden uitgevoerd ten behoeve van het formuleren van de onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie onverdacht is, verlenen burgemeester en wethouders op grond van het derde lid van artikel 2.1.5 geheel of gedeeltelijk ontheffing van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 1.2.5 onder e als hiervoor genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Duidt het vooronderzoek op de aanwezigheid van diffuse of puntbronnen, dan dient daarnaast onderzoek plaats te vinden volgens het gecombineerde protocol uit de Sdu-uitgave Bodemonderzoek milieuvergunningen en BSB (oktober 1993, ISBN 90-12-08118-1). Hiermee wordt op een verantwoorde wijze inzicht verkregen in de algemene bodemkwaliteit van het bouwkavel en de aanwezigheid van puntbron(nen) gebonden verontreiniging(en).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer uit het verkennend onderzoek blijkt dat sprake is van bodemverontreiniging, is een nader onderzoek vereist. Hiervoor geldt het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (Sdu-uitgave 1994, ISBN 90-12-09083) of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (Sdu-uitgave 1995, ISBN 90-12-08232-3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beoordelingskader waarmee kan worden voorkomen dat aanwezigheid van asbest in de bodem op een bouwlocatie over het hoofd wordt gezien is aangevuld met de onderzoeksnorm NEN 5707 (Bodem – Inspectie, Monsterneming en analyse van asbest in bodem). Indien voorafgaand aan een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 een vooronderzoek volgens NVN 5725 wordt uitgevoerd, kan de aanwezigheid van asbest in de bodem worden onderzocht door daaraan een onderzoek volgens NEN 5707 te koppelen. De norm is van toepassing op asbest in bodem en grond met minder dan 20% puin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de bepalingen van asbest in bodem met meer dan 20% puin is NEN 5897, uitgave 2005 “Monsterneming van analyse van asbest in onbewerkt bouw- en sloopafval en puingranulaat” van toepassing. ·Het tijdstip waarop de ontheffing wordt verleend is niet vastgelegd. Dit kan zijn voor de indiening van een verzoek om bouwvergunning of nadat dit verzoek is ingediend. De ontheffing van de onderzoeksplicht houdt niet in dat niet getoetst wordt aan het verbod tot bouwen op verontreinigde bodem. In het kader van de grondpolitiek, de planologie, het bodem- of milieubeleid beschikt de gemeente in voorkomende gevallen al over onderzoeksresultaten. Het criterium voor het verlenen van een ontheffing is dus een eerder onderzoek, dat kwalitatief aan het onderzoeksrapport gelijkwaardige informatie heeft opgeleverd. Is het terrein niet eerder onderzocht, dan vormt het feit dat in de gemeentelijke archieven bruikbare informatie voor een historisch onderzoek te vinden is, uiteraard geen grond voor een ontheffing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerdere onderzoek kan door de gemeente in eigen beheer gebeurd zijn. De situatie waarin de gemeente een terrein bouwrijp heeft opgeleverd en verkocht, leent zich bijvoorbeeld goed voor een ontheffing. Verder kan de aanvrager of een eerdere rechthebbende in een ander verband dan de aanvraag om bouwvergunning onderzoeksgegevens aan de gemeente hebben overgelegd. Voorwaarde bij dit alles is wel dat de bij de gemeente bekende informatie actueel genoeg is. De actualiteitswaarde van de onderzoeksresultaten bedraagt maximaal twee tot vijf jaar, afhankelijk van de aard en mate van de verontreiniging en het bodemgebruik na het uitvoeren van het onderzoek. Overwogen zou kunnen worden om, in verband met de krappe termijnen, deze ontheffingsbevoegdheid van burgemeester en wethouders te mandateren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontheffing dient in volgorde vooraf te gaan aan de beoordeling van de compleetheid van de stukken in verband met toepassing van artikel 4:5 juncto 4:15 Awb. In verband met de krappe termijn kan het lastig en wellicht niet goed realiseerbaar zijn om binnen die termijn ook de mogelijkheid van een ontheffing te beoordelen en bij een gunstige uitkomst te verlenen. Daarom is de mogelijkheid en wenselijkheid aangegeven in een vooroverleg de mogelijkheid van ontheffing te bezien en deze zo mogelijk te verlenen voordat de aanvraag wordt ingediend. Dit geeft de aanvrager de meeste zekerheid en behoedt de gemeente voor problemen met de fatale termijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien met inachtneming van een verleende of nog te verlenen ontheffing blijkt dat de ingediende bescheiden onvoldoende zijn en dit gebrek niet kan worden opgelost door het stellen van een voorwaarde bij de vergunningverlening, wordt de aanvrager overeenkomstig artikel 47 van de Woningwet in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kunnen burgemeester en wethouders in een voorwaarde bij de bouwvergunning bepalen dat de desbetreffende gegevens en bescheiden alsnog moeten worden verstrekt voordat met de bouw mag worden begonnen. Tevens wordt hierbij een termijn gesteld en een exacte aanduiding welke gegevens en bescheiden worden verlangd, aldus het derde lid van artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen in deze benadering het onderscheidend criterium. Veiligheid en gezondheid zijn immers sinds de invoering van de Woningwet in 1901 belangrijke grondslagen van de wet. Nadrukkelijk wordt in de Memorie van toelichting bij de wetswijziging vermeld dat de schade voor het milieu, gelet op de uitgangspunten van de Woningwet, geen motief kan zijn voor de voorschriften in de bouwverordening met betrekking tot het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond. Dit in tegenstelling tot de Wet bodembescherming waarbij het herstel van de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant en dier centraal staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensenWat verstaan moet worden \"bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven\" wordt in de Memorie van toelichting bij de Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het betreft hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen verblijven, bijvoorbeeld om te werken, onderwijs te geven of te genieten. Bij \"enige tijd\" moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een meer structureel (over een langere periode dan één dag) twee of meer uren verblijven van dezelfde mensen in het gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of kweken van land- en tuinbouwproducten alsmede gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes en gebouwen voor de waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting genoemd als voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen verblijven. De omstandigheid dat in deze bouwwerken wel eens mensen aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van over het algemeen kortdurende werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden, maakt die gebouwen nog niet tot gebouwen die feitelijk bestemd zijn voor het verblijven van mensen. In de nota naar aanleiding van het verslag (TK 1996-1997, 24 809, nr. 5, pag. 6) wordt naar aanleiding van Kamervragen verder opgemerkt dat een recreatiewoning (in termen van het Bouwbesluit een logiesverblijf) onder het begrip \"voortdurend of nagenoeg voortdurend verblijven van mensen\" valt, terwijl dit niet geldt voor een schuur of garage bij een woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergunningplichtige bouwwerken vergelijkbaar met meldingplichtige bouwwerkenBij vergunningplichtige bouwwerken die naar aard en omvang gelijk te stellen zijn met meldingplichtige bouwwerken kan, aldus de Memorie van toelichting gedacht worden aan bijgebouwen en aan- en uitbouwen, zoals een serre of een uitbreiding van een woonkamer. Wordt een dergelijk bijgebouw of aan- of uitbouw op het voorerf gerealiseerd, dan is daarvoor bouwvergunning vereist. Omdat deze bouwwerken echter naar aard en omvang gelijk te stellen zijn met een meldingplichtig bouwwerk behoeft ook geen bodemonderzoek te worden overgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwwerken die de grond niet rakenHierbij moet worden gedacht aan dakkapellen en het realiseren van een extra verdieping op een gebouw. De Memorie van toelichting noemt in dit kader ook vergunningplichtige inpandige verbouwingen, werkzaamheden aan een fundering of het maken van een kelder als voorbeeld. Indien de bouwwerkzaamheden gepaard gaan met een functiewijziging kan echter onverminderd bodemonderzoek worden geëist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van bodemverontreinigingDe systematiek van de Woningwet gaat ervan uit dat burgemeester en wethouders het bevoegde gezag zijn voor de vraag of bij niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging mag worden gebouwd. Al dan niet onder de voorwaarde dat bepaalde voorzieningen worden getroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien sprake is van een ernstig geval van verontreinigde grond zijn gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders van de vier grote steden volgens de Wet bodembescherming het bevoegde gezag ten aanzien van de te nemen saneringsmaatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afstemming met Wet bodembeschermingMet de wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond is voorzien in een afstemmingsregeling tussen de bouwvergunningsprocedure en de saneringsprocedure uit de Wet bodembescherming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 52A van de Woningwet geldt er een aanhoudingsverplichting voor aanvragen om bouwvergunning indien uit het overgelegde bodemonderzoek blijkt dat de grond ter plaatse in zodanige mate is verontreinigd dat overeenkomstig de Wet bodembescherming sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Deze aanhoudingsplicht geldt ook als bij burgemeester en wethouders uit anderen hoofde een redelijk vermoeden bestaat dat de grond waarop gebouwd wordt in ernstige mate is verontreinigd. In deze gevallen zal het gaan om bouwaanvragen waarbij geen bodemonderzoek behoefde te worden overgelegd, bijvoorbeeld omdat het bouwwerk niet bestemd is voor het verblijf van mensen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze aanhoudingsplicht duurt ingevolge het derde lid van artikel 52A totdat het krachtens de Wet bodembescherming bevoegde gezag het saneringsplan heeft goedgekeurd. Ook eindigt de aanhoudingsplicht indien het bevoegde gezag heeft vastgesteld dat er geen sprake is van een ernstig geval van verontreiniging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijkIndien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk vermoeden kan worden gesteld dat sprake is van een ernstig geval van verontreiniging geldt er voor de bouwvergunning geen aanhoudingsverplichting en moeten burgemeester en wethouders beslissen op de bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van een ernstig geval van verontreiniging neemt echter niet weg dat toch sprake kan zijn van een verontreinigingsgraad waarbij gevaar te verwachten is voor de gezondheid van de gebruikers van het bouwwerk. Hoewel burgemeester en wethouders de bouwvergunning in deze gevallen formeel kunnen weigeren, zal echter veelal volstaan kunnen worden met het stellen van aanvullende voorwaarden, namelijk dat bepaalde voorzieningen worden getreffen. Zie hiervoor de toelichting onder artikel 2.4.2 van de Bouwverordening. De beoordeling van risico's voor de gezondheid van de gebruiker vindt plaats door de dienst MOW; zonodig vindt afstemming plaats met de dienst Brandweer en Volksgezondheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de Wet bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd. Zodra het saneringsplan is goedgekeurd, dient een beslissing te worden genomen op de bouwaanvraag. Ook in deze gevallen zal de vergunning in de regel verleend kunnen worden onder de voorwaarde dat, vooruitlopend op de aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op grond van het goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden getroffen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdlijnen van de jurisprudentie(op basis van de Woningwet 1991, vóór de inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Woningwet inzake tegengaan van bouwen op verontreinigde grond (Stb. 1998, 132), en de Bouwverordening gemeente Arnhem 1992 zoals die luidde vóór de wijziging van 7 september 1998)-Gelet op de functie van het in het geding zijnde bouwwerk (parkeerdak) is een toets aan de in artikel 2.4.1, eerste lid (Model-)bouwverordening neergelegde verbodsbepaling niet redelijk. Gelet hierop bestond de mogelijkheid om vrijstelling als bedoeld in artikel 2.4.1, tweede lid, (Model-)bouwverordening te verlenen. Nu in dit geval sprake is van een van rechtswege verleende bouwvergunning, en de Woningwet niet voorziet in de mogelijkheid dat een op grond van de (Model-)bouwverordening vereiste vrijstelling van rechtswege wordt verleend, is deze bouwvergunning in strijd met artikel 44, aanhef en onder b, van de Woningwet</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Vz. ARRS, 25 november 1993, S03.93.4868.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Artikel 2.4.1 van de (Model-)bouwverordening is niet in strijd met artikel 8 van de Woningwet. Bij een interne bouwvergunningplichtige verbouwing zijn b. en w. gehouden, zonodig onder het stellen van voorwaarden, een vrijstelling van het verbod tot bouwen op verontreinigde grond te verlenen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Pres. Rb. Zutphen 26 februari 1996, BR 1996, p. 499.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Uit het verkennend bodemonderzoek, dat zich heeft beperkt tot enkele parameters, blijkt dat het desbetreffende gebied dermate is verontreinigd, dat de grond niet zonder meer geschikt is voor woningbouw. Met betrekking tot de specifieke verontreinigingsgraad van het perceel is nog onvoldoende bekend. B. en w. hebben op goede gronden geconcludeerd dat nader bodemonderzoek noodzakelijk is, om deze specifieke verontreinigingsgraad te bepalen. Wegens het ontbreken van bereidheid aan de zijde van eiser dit onderzoek te laten verrichten, hebben b. en w. de bouwvergunning geweigerd.</div>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 2 september 1996, H01.95.0572.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Bij de bodemtoets gaat het in het bijzonder om de actuele risico’s voor de mens bij het gebruik van een bouwwerk. Ook een niet-urgent geval van ernstige bodemverontreiniging (volgens urgentiemethodiek Wet bodembescherming) kan desondanks met zich meebrengen dat bij het gebruik van het bouwwerk voor de mens een actueel risico bestaat, zodat de bouwvergunning geweigerd dient te worden.</div>\n<p class=\"lf-p\">Pres. Rb. Leeuwarden 21 augustus 1996, BR 1996, p. 1005. -Geen bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven. Het in artikel 2.4.1 neergelegde verbod geldt niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan Gebroeders van Aarle B.V. is met toepassing van de zogeheten anticipatieprocedure bouwvergunning verleend voor het als showmodellen oprichten van maximaal tien tuinhuisjes, houten speeltoestellen, vlonders en pergola's op het bedrijfsterrein aan de Ollandseweg 159 te Sint-Oedenrode. Met betrekking tot de stelling van appellant dat het bouwplan, omdat het is gesitueerd op verontreinigde grond, in strijd is met de artikelen 2.4.1 en 2.1.5, eerste lid, van de gemeentelijke bouwverordening heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat als toetsingskader gelden de artikelen van die verordening zoals deze van kracht waren ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar, te weten de tekst als vastgesteld bij raadsbesluit van 18 december 1997. Terecht heeft de rechtbank er op gewezen dat uit artikel 2.4.1, voornoemd, volgt dat het verbod om te bouwen op verontreinigde grond slechts geldt voor vergunningplichtige bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven en dat van zodanige bouwwerken geen sprake is. De Afdeling deelt de conclusie van de rechtbank vervolgens dat derhalve artikel 2.1.5, eerste lid, voornoemd, niet verplicht tot het overleggen van een onderzoeksrapport inzake de bodemgesteldheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 31 augustus 2000, nr. 199902849/1. -Ten aanzien van bouwwerk blijft het verbod tot bouwen op verontreinigde grond thans buiten toepassing; wijziging artikel 8 van de Woningwet juncto artikel 2.4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders van Sint Oedenrode hebben aan Gebr. Van Aarle B.V. een bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een impregneerinstallatie in een bestaand bedrijfsgebouw op het perceel Ollandsweg 159 te Sint Oedenrode. De Afdeling is het eens met de rechtbank dat artikel 8, tweede lid, aanhef en onder c, ten 2e, van de Woningwet sedert 13 maart 1998 bepaalt dat de in de bouwverordening op te nemen voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond niet gelden voor bouwwerken die, ongeacht hun bestemming, de grond niet raken en waarbij het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd. Uit deze bepaling vloeit voort dat, nu de installatie zelf de grond niet raakt maar is geplaatst op de betonnen vloer van het bestaande bedrijfsgebouw en voorts van gebruik in strijd met het bestemmingsplan geen sprake is, aan het verlenen van de bouwvergunning, anders dan ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar van 13 september 1994, ten tijde van het nemen van het thans bestreden besluit geen verbod tot bouwen op verontreinigde grond meer in de weg stond.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 31 augustus 2000, nr. 199901000/1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-242-188\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden bouwvergunningNiet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel van burgemeester en wethouders toch nog sprake is van een onaanvaardbare verontreinigingsgraad, zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op korte termijn en zonder de noodzaak van saneringsonderzoek is aan te geven op welke wijze het verontreinigingsprobleem kan worden ondervangen In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein verontreinigd is, niet te leiden tot weigering van de bouwvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de voorwaarden van de bouwvergunning kan aangegeven worden op welke wijze het terrein gesaneerd moet worden en - in relatie tot de bouw - op welk tijdstip. Als saneringsvoorwaarden valt te denken aan: de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en dampremmende laag wordt aangebracht; de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt afgegraven en afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone bodemlaag; de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het grondwater wordt aangebracht en gedurende een aantal jaren na de totstandkoming van het bouwwerk in stand wordt gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een verantwoordelijkheid van de aanvrager om bouwvergunning is. Het kan in het belang van de aanvrager zijn, als deze bij het overleggen van de aanvraag om bouwvergunning voor het bouwen op een verontreinigde bodem tevens aangeeft hoe deze de sanering denkt te laten plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook bouwaanvragen waarbij sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging kunnen op grond van dit artikel afgedaan worden. Nadat het op grond van de Wet bodembescherming bevoegde gezag het saneringsplan heeft goedgekeurd en de aanhoudingsplicht op grond van artikel 52A van de Woningwet is beëindigd, kan de bouwvergunning worden verleend onder de voorwaarde dat, vooruitlopend op de aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op grond van het goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden getroffen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdlijnen van de jurisprudentie(op basis van de Woningwet 1991, vóór de inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Woningwet inzake tegengaan van bouwen op verontreinigde grond (Stb. 1998, 132), en de Bouwverordening gemeente Arnhem 1992 zoals die luidde vóór de wijziging van 7 september 1998)– De bodembepalingen uit de (Model-)bouwverordening bieden de mogelijkheid tot verlening van een bouwvergunning onder voorwaarde dat na afbraak van de bestaande opstallen en verwijdering van de olietanks een nader bodemonderzoek zal plaatsvinden, en dat niet met de beoogde bouw wordt begonnen voordat is gebleken dat het desbetreffende terrein daarvoor geschikt is ABRS 13 juni 1996, BR 1996, 820.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard</h3>\n<p class=\"lf-p\">AlgemeenRelatie stedenbouwkundige bepalingen en het bestemmingsplan Artikel 9 van de Woningwet is hier van groot belang. Dit betekent dat deze paragraaf van de MBV alleen dan geldt indien er geen bestemmingsplan voorhanden is, of indien het desbetreffende bestemmingsplan niet-vergelijkbare voorschriften van stedenbouwkundige aard bevat. Gedacht kan worden aan een slechts ten dele goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal eindplan, een heel oud bestemmingsplan of een bestemmingsplan met een aantal gebreken. Soms is het moeilijk te bepalen of het desbetreffende bestemmingsplan exclusief wil zijn ten opzichte van de Modelbouwverordening. Sinds 1992 geeft de Woningwet wel enige duidelijkheid in art. 9, lid 2 (slot): ‘..., tenzij het desbetreffende bestemmingsplan anders bepaalt.’ Het primaat ligt bij het bestemmingsplan. De Woningwet gaat er echter eenvoudigweg van uit dat bestemmingsplannen voor wat dit onderwerp betreft volstrekt duidelijk zijn. Dit is echter niet altijd het geval. Indien er sprake is van onduidelijkheid zal een en ander van geval tot geval bekeken moeten worden. Is een van deze gevallen aan de orde, dan vullen de stedenbouwkundige bepalingen (inclusief de ontheffingen hiervan) uit de bouwverordening het bestemmingsplan aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alvorens in een concreet geval tot aanvullende werking van de bouwverordening wordt geconcludeerd, dient een drieledige toets te worden uitgevoerd: bevat het bestemmingsplan voorschriften met betrekking tot een onderwerp dat tevens in de bouwverordening wordt gereguleerd? Luidt het antwoord ontkennend, dan dient vervolgens de vraag te worden gesteld of, het bestemmingsplan aanvullende werking van de bouwverordening ten aanzien van het desbetreffende, niet in het bestemmingsplan gereguleerde, onderwerp expliciet uitsluit. Luidt ook het antwoord op deze vraag ontkennend, dan dient ten slotte te worden bezien of, de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de voorschriften van het bestemmingsplan, in die zin dat aanvullende werking van de bouwverordening tot gevolg heeft dat de gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, geheel of nagenoeg geheel teniet worden gedaan. Is dit het geval, dan dient aanvullende werking van de bouwverordening alsnog op grond van artikel 9, eerste lid van de Woningwet te worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet mogelijk de eventuele strijdigheid met een bepaling uit een bestemmingsplan op te heffen met een ontheffing uit de bouwverordening. Deze laatste zien immers alleen op de stedenbouwkundige bepalingen uit de Bouwverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewust is gekozen niet de termijn van tien jaar ex artikel 33 WRO te introduceren in de bouwverordening aangezien het hier slechts gaat om een minimale planologische regeling die niet aan tijdsveranderende beleidsinzichten onderhevig is. Tevens is het van belang dat er sprake blijft van continuïteit van de stedenbouwkundige eisen in de (model)bouwverordening sinds 1965.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn afgeleid van de stedebouwkundige voorschriften van de oude BV. Deze oude voorschriften zijn geactualiseerd, op onderdelen worden gemeenten alternatieven geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangrijke aandachtspunten bij de stedebouwkundige voorschriften zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorrangsregel tussen bestemmingsplan en bouwverordening; zie artikel 9 van de Woningwet. Voor gebieden waarvoor een bestemmingsplan van kracht is, moet worden aangenomen, dat de stedenbouwkundige voorschriften slechts rechtskracht hebben, voor zover het bestemmingsplan daardoor niet geheel of ten dele van zijn kracht beroofd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid van artikel 9 van de Woningwet heeft ten opzichte van het oude artikel 2 van de Woningwet 1962 wel een verduidelijking ondergaan. De voorschriften van de bouwverordening treden alleen terug, als het bestemmingsplan over hetzelfde onderwerp uitdrukkelijk voorschriften bevat of als het bestemmingsplan uitdrukkelijk bepaalt, dat de voorschriften van de bouwverordening terugtreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit jurisprudentie blijkt dat onder bepaalde voorwaarden de conflictregel uit artikel 9 van de Woningwet zodanig kan worden toegepast dat ook een toekomstig bestemmingsplan de bepalingen van de bouwverordening opzij kan zetten. Indien met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening geanticipeerd wordt op een nog niet van kracht geworden bestemmingsplan, waardoor dit toekomstige plan in de plaats treedt van het van kracht zijnde bestemmingsplan, dan kan in het verlengde daarvan het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan op de voorgrond treden bij de toepassing van de conflictregel. In deze hoedanigheid kan het toekomstige bestemmingsplan bepalingen uit de bouwverordening terzijde schuiven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een eerste vereiste hiervoor is dat er sprake is van een ontwerp-bestemmingsplan dat reeds een voldoende concreet toetsingskader biedt en waarvan redelijkerwijs te verwachten is dat het onherroepelijk zal worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een tweede vereiste is dat met de toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening op dit plan geanticipeerd wordt. Alvorens de vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening te kunnen starten dient beoordeeld te worden of het bouwplan past binnen het ontwerp-bestemmingsplan. Bij die toets moet ook bezien worden of het toekomstige bestemmingsplan strijdig is met de bouwverordening, waarbij de conflictregel wederom aan de orde komt. Als onder deze omstandigheden blijkt dat de bouwverordening voorschriften geeft die niet overeenstemmen met het toekomstige bestemmingsplan, dan blijven deze voorschriften bij de toetsing van het concrete bouwplan buiten toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor gebieden waar geen bestemmingsplan geldt en waar dus een anticipatie op voet van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening niet aan de orde is, biedt artikel 2.5.29 van de MBV de mogelijkheid om vrijstelling te verlenen van de verboden tot bouwen met overschrijding van de voor- en achtergevelrooilijn en van het verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale bouwhoogte, mits het bouwplan past in het toekomstige bestemmingsplan. Ook hier geldt daarbij de eis dat dit bestemmingsplan het stadium van \"intern praatstuk\" is gepasseerd, hetgeen in het betreffende artikel nader is geconcretiseerd. (Zie ABRS, 11 mei 1995, BR 1995, blz 671, Gst. 7022, 9, m.nt. De Gier. Zie tevens ARRS, 18 september 1986, AB 1987,135).</p>\n<p class=\"lf-p\">De tweedeling in (licht-)bouwvergunningplichtig en vrij bouwen. De stedenbouwkundige voorschriften zijn van toepassing op het bouwvergunningplichtig bouwen. Hierbij mag echter niet over het hoofd worden gezien dat bouwwerken aan, bij of op monumenten altijd bouwvergunningplichtig zijn. De stedenbouwkundige voorschriften zijn aangepast aan artikel 43 van de Woningwet en aan het Besluit bouwwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het parkeren. Aan het slot van de stedenbouwkundige eisen bevat de BV parkeerartikelen. Het in de bouwverordening opnemen van parkeerartikelen is mede noodzakelijk omdat het Bouwbesluit vooralsnog geen regeling ter zake zal bevatten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-251-189\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de stedenbouwkundige bepalingenVan verschillende bepalingen uit de artikelenreeks 2.5.1 tot en met 2.5.29 is ontheffing mogelijk, ten gevolge waarvan de belangen van omwonenden beïnvloed worden Tot en met de achtste serie wijzigingen MBV gaf artikel 2.5.1 een begrenzing van die ontheffingsbevoegdheden, ten einde het gevaar voor een onredelijke benadeling van belangen van de omwonenden tegen te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling hield in dat een bouwwerk niet zodanige afmetingen of een zodanige ligging mocht krijgen dat tot een bestaand deel ervan of een ander bouwwerk niet meer voldoende licht en lucht zou kunnen toetreden, dan wel dat de goede werking van schoorstenen en ventilatiekanalen zou worden belemmerd. bij de beoordeling van een aanvraag om bouwvergunning moest worden aangenomen dat alle om het bouwterrein liggende terreinen zijn bebouwd tot de hoogte en de oppervlakte die ten hoogste zonder vrijstelling of ontheffing mogelijk zijn krachtens bestemmingsplan, de bouwverordening of enige andere verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij overschrijding van een of meer van de onder b bedoelde maxima door een bestaand bouwwerk in afwijking van het gestelde onder b moest worden uitgegaan van de werkelijke afmetingen van dat bouwwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoefde er evenwel niet altijd toe te leiden dat nieuwbouw die de hier bedoelde hinder voor een naburig bestaand gebouw zou veroorzaken, niet gerealiseerd kon worden. De opdrachtgever van de nieuwbouw kan immers met de eigenaar van het bestaande gebouw overeenkomen dat op kosten van eerstgenoemde de nodige veranderingen aan het bestaande pand worden aangebracht (bijvoorbeeld grotere of andere ramen, mechanische gasafvoer e.d.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentebestuur heeft de gemeenteraad sinds 7 maart 2002 niet meer de bevoegdheid om op grond van artikel 148 Gemeentewet bij verordening beleidsregels (i.c. richtlijnen) vast te stellen, waarmee andere bestuursorganen van de gemeente (i.c. B&amp;W) rekening dienen te houden bij de uitoefening van bij of krachtens de wet verleende bevoegdheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het belang van begrenzing van ontheffingsbevoegdheden in de artikelenreeks 2.5.2 tot en met 2.5.29 MBV blijft echter ook na 7 maart 2002 onverkort aanwezig. Titel 4.3 Awb omvat een algemene bevoegdheid voor bestuursorganen om voor eigen bevoegdheden beleidsregels vast te stellen. De inhoud van het vervallen artikel 2.5.1 MBV kan aldus als beleidsregel bij besluit van burgemeester en wethouders opnieuw worden vastgesteld en bekendgemaakt. Een andere oplossing zou kunnen zijn dat de gemeenteraad bijvoorbeeld in een beleidsnota de kaders aangeeft, waarbinnen het college van b&amp;w zijn bevoegdheid dient uit te oefenen. Zo’n beïnvloeding van het collegebeleid kan echter alleen in politieke zin gehandhaafd worden!</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdlijnen van de jurisprudentieDe voorwaarde voor verlening van de bouwvergunning, inhoudende dat de bouwer voorzieningen treft ter voorkoming/opheffing van strijdigheid met de technische bepalingen van de Bouwverordening (nu Bouwbesluit) van de belendende panden, is i.c. onvoldoende gezien de aard van de potentiële strijdigheden en het moeizame verloop van de onderhandelingen tussen appellanten en belanghebbenden over het opheffen van die strijdigheden ARRS, 26 april 1993, R03.89.7556.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergunning voor het plaatsen van een kap op een bungalow onder de voorwaarde dat, in overleg met de buren, bepaalde voorzieningen worden aangebracht aan woningen van die derden teneinde bestaande ventilatie- en rookafvoeren te verhogen (artikel 32 (Model-)bouwverordening 1965). De afdeling stelt vast dat B en W aan de ter zake relevante wetgeving niet de bevoegdheid kunnen ontlenen om te bepalen dat deze aan woningen van derden te treffen voorzieningen door appellant, ongeacht de bereidheid tot medewerking van die derden, dienen te worden aangebracht. B en W waren ermee bekend dat de buren dit niet toestaan. Nu vaststaat dat deze voorwaarde niet kan worden vervuld, kan niet worden gezegd dat deze strekt ter bescherming van de belangen van artikel 32 (Model-)bouwverordening 1965. Onder deze omstandigheden had het in de rede gelegen de bouwvergunning te weigeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRS, 21 juni 1994, AB 1995, p. 257.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Bij de beslissing om al dan niet vrijstelling van de voorschriften van de (Model-)bouwverordening te verlenen dienen in beginsel alle daarbij betrokken belangen van omwonenden in aanmerking te worden genomen. Dit neemt echter niet weg dat het gewicht dat aan de belangen moet worden toegekend van geval tot geval kan verschillen.</div>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 1 april 1996, JB 1996, nr. 155; AB-kort 1996, nr. 234. Zie ook ABRS 14 maart 1996, H01.95.0183.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Bouwvergunning met een vrijstelling van het bepaalde in de art 2.5.12 en 2.5.15, eerste lid, van de (Model-)bouwverordening en van art. 277, eerste lid, Bouwbesluit voor een dakterras binnen twee meter van de erfgrens. Onder omstandigheden, wanneer het zonneklaar is dat realisering van een bouwplan strijd oplevert met artikel 5:50 BW en niet van toestemming van de naburig eigenaar is gebleken, zal het bestuursorgaan bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot verlening van een bouwvergunning kunnen overgaan. Dit is i.c. niet het geval, omdat ten aanzien van de betekenis van de in art. 5:50 BW vermelde balkons of soortgelijke werken onzeker is of de civiele rechter het onderhavige dakterras, gelet op de aanzienlijke omvang ervan, als balkon of soortgelijk werk zal aanmerken.</div>\n<p class=\"lf-p\">Pres. Rb. Haarlem 24 november 1995, BR 1996, 330; KG 1996, nr. 34.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Vergunning voor het vergroten van een woning met een uitbouw met balkon is verleend met vrijstelling voor het overschrijden van de achtergevelrooilijn. De uitbouw voldoet niet aan artikel 50, eerste lid van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek (venster en balkon gelegen binnen 2 m. vanaf erfgrens). Bij afweging van betrokken belangen kon de vrijstelling in redelijkheid worden geweigerd.</div>\n<p class=\"lf-p\">Vz. ARRS 21 februari 1992, S03.92.0167.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-252-190\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Anti-cumulatiebepalingDeze bepaling dient om te voorkomen dat, indien in de bouwverordening dan wel in een bestemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open terrein is geëist, dat terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag voor een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Deze bepaling blijkt vooral in het buitengebied betekenis te hebben</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-253-191\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeerLid 1Het onderhavige voorschrift spreekt over 'een bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd', omdat met name ziekenauto's en brandweerauto's niet alleen gebouwen moeten kunnen bereiken, maar ook bepaalde bouwwerken, geen gebouw zijnde, zoals de tribunes van sportvelden De maat in het eerste lid is op 10 meter bepaald, aangezien deze afstand correspondeert met de maat, bij overschrijding waarvan - ingevolge het Postbesluit dat op de Postwet 1954 berust -een brievenbus aan het tuinhek moet worden aangebracht in plaats van aan de voordeur, een zgn. buitenbus. Ook uit een oogpunt van brandbestrijding verdient deze maat de voorkeur, omdat anders de lengte van de brandslangen te groot wordt.Indien een bouwplan niet voorziet in de aanleg van een verbindingsweg in de zin van het eerste lid, moet de bouwvergunning worden geweigerd. Eventueel kan de bouwvergunning worden verleend met de voorwaarde dat met bouwen pas mag worden begonnen, wanneer de totstandkoming van een weg die aan de eisen voldoet, voldoende is gewaarborgd. Een en ander kan betekenen dat de aanvrager van de bouwvergunning eerst moet zorgen dat hij beschikt over een toestemming tot aanleg van de verbindingsweg en/of het aansluiten ervan op het wegennet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een publiekrechtelijke regeling (met een vergunningplicht voor het aanleggen van wegen door particulieren) is opgenomen in het VNG-model voor de algemene plaatselijke verordening (APV). Eventueel kan ook een privaatrechtelijke toestemming tot aansluiten vereist zijn; een dergelijke toestemming tot uitwegen is - gelet op artikel 14 van de Wegenwet - niet nodig voor het aansluiten, c.q. uitwegen op openbare wegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jurisprudentie op basis van de Woningwet 1962 en de bouwverordening (BV 1965)-Er kan met voldoende zekerheid van worden uitgegaan dat het bouwplan voldoet aan de betrokken bepaling van de bouwverordening, nu ter zake schriftelijk is overeengekomen dat een erfdienstbaarheid zal worden gevestigd, zodat de noodzakelijke uitweg tot stand zal komen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Vz. ARRS 24 februari 1992, S03.91.4091.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>De beoordeling of een op te richten gebouw langs een ontsluitingsweg bereikbaar is, moet geschieden aan de hand van de feitelijke situatie. I.c. is de oplaag verhard met grint en is de weg breed genoeg voor een brandweerauto en ander ontsluitingsverkeer.</div>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 20 december 1996, Gst 7050/8, m.nt. JT.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2Ten gevolge van de wijziging van het onderhavige lid die in het kader van de achtste serie wijzigingen van de bouwverordening 1992 (op 12 december 2002) is doorgevoerd, is de gepubliceerde jurisprudentie van voordien niet meer toepasselijk (ABRS 25 januari 2001, Bouwrecht 2001, 508; verbindingsweg Boxmeer).</p>\n<p class=\"lf-p\">De breedte van de verbindingsweg en zijn bermen is afgestemd op het gebruik door gangbare vrachtauto’s, zoals verhuisauto’s, vuilnisauto’s, brandweerauto’s e.d., zonder dat deze elkaar behoeven te kunnen passeren. De eis voor het draagvermogen van de verharding en een eventuele brug over een sloot of iets dergelijks is eveneens afgestemd op het gebruik door genoemde gangbare vrachtauto’s.’ Lid 4Opstelplaatsen voor blusvoertuigen behoren in voldoende aantal te worden aangebracht, al naar gelang de grootte van het bouwwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zulke opstelplaatsen behoeven echter niet te worden verhard, indien de plaatselijke brandweer over blusvoertuigen voor terreingebruik beschikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5Voorbeelden van bluswatervoorzieningen zijn een: a aansluiting op het distributienet van de drinkwaterleiding; b aansluiting op een leidingnet voor water, geen drinkwater zijnde; c speciaal gegraven blusvijver; d ander oppervlaktewater; e waterput of bron.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 6De onderhavige ontheffing kan worden verleend voor gebouwen die door hun aard, ligging of wijze van gebruik geen verbindingsweg en dus ook geen opstelplaats voor blusvoertuigen behoeven te hebben. Voorbeelden: recreatiewoonverblijven die aan het water liggen en over een aanlegsteiger beschikken, bergplaatsen voor materialen bij waterstaatwerken, vrijstaande boerenschuren, schuilhutten e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdlijnen van de jurisprudentieVoor het aannemen van een verbindingsweg in de zin van artikel 37, lid 1, (Model-)bouwverordening 1965 is de feitelijke situatie beslissend. Geen beroep op de wegenlegger. Met aantekening dat met dit artikel niet is beoogd het voorkomen van verkeersgevaarlijke situaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vz. ABRS, 25 april 1994, R03.93.555346P90 en S03.94.0222.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanwezige verbindingsweg op zichzelf geschikt. Onderzoek naar wegnemen belemmering in vorm van betonnen paal nagelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze zaak betrof de weigering van een bouwvergunning voor vier woningen op de grond dat het bouwplan in strijd is met artikel 2.5.3., eerste lid, van de bouwverordening van de gemeente Boxmeer. Deze bepaling eist de aanwezigheid van een verbindingsweg tussen de toegang tot een voor verblijf van mensen bestemd bouwwerk dat meer dan tien meter is verwijderd van een openbare weg en het openbare wegennet. Volgens burgemeester en wethouders is niet voorzien in een adequate ontsluiting van het betrokken perceel vanaf de openbare weg Het Zand. Zij hebben zich daarbij op het standpunt gesteld dat het Zandpaadje, dat is gelegen tussen het perceel en Het Zand, een fietspad is waarop ontsluitingsverkeer niet mag rijden en dat bovendien vanwege de beperkte breedte niet geschikt is als verbindingsweg.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Afdeling oordeelde dat, gelet op artikel 9, tweede lid, van de Woningwet artikel 2.5.3., eerste lid, van de bouwverordening in beginsel van toepassing is, aangezien het als bestemmingsplan geldende ‘Uitbreidingsplan Partieel Plan Het Zand’ geen voorschriften bevat die hetzelfde onderwerp regelen. Burgemeester en wethouders hebben derhalve het bouwplan terecht mede aan genoemd artikel 2.5.3., eerste lid, getoetst. Nu de bouw van de vier woningen op grond van de op het perceel rustende bestemming is toegestaan kan, naar het oordeel van de Afdeling, in dit geval de in artikel 2.5.3. neergelegde eis er evenwel niet zonder meer toe leiden dat deze bouwmogelijkheid blijvend teniet wordt gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe acht de Afdeling van belang dat de breedte van het Zandpaadje wordt beperkt door een hierop ter hoogte van Het Zand geplaatste betonnen paal. Zonder deze paal is het Zandpaadje, naar van de zijde van burgemeester en wethouders ter zitting is bevestigd, voldoende breed om te kunnen dienen als verbindingsweg in de zin van artikel 2.5.3., eerste lid, van de bouwverordening. Daarom moeten burgemeester en wethouders naar het oordeel van de Afdeling alsnog onderzoeken op welke wijze de belemmeringen om het Zandpaadje als verbindingsweg te kunnen aanmerken kunnen worden opgeheven.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 25 januari 2001, nr. 199903519/1, AB 2001, 146 m.nt. De Gier en BR 2001, blz. 508.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">A BrandweeringangOm een snelle inzet met een zo beperkt mogelijke schade te waarborgen, moet de brandweer een gebouw op een eenvoudige wijze kunnen betreden. Dit is vooral van belang als het gebouw is voorzien van een brandbeveiligingsinstallatie die is voorzien van automatische doormelding naar de alarmcentrale van de regionale brandweer Wanneer een gebouw meerdere toegangen heeft, dient in overleg met de brandweer de brandweeringang aangewezen te worden. Naast de primaire toegankelijkheid van het gebouw, is het noodzakelijk dat de brandweer kan beschikken over sleutels van ruimten in het gebouw die normaal zijn afgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De werking van de brandweeringang dient te allen tijde gegarandeerd te zijn. Hiervoor dient de brandweeringang te voldoen aan het gestelde in de publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus 7010, 6801 HA Arnhem, telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl .</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-254-192\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicaptenHet onderhavige artikel is complementair aan de bepalingen van het Bouwbesluit die betrekking hebben op de toegankelijkheid van gebouwen voor al dan niet gehandicapte mensen. In genoemde bepalingen is tevens geregeld, wanneer de eigenlijke toegang van een gebouw over een hellingbaan moet beschikken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-255-193\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ligging van de voorgevelrooilijnHet bepaalde onder b kan desgewenst variëren naar gelang van de zone waarin de weg is gelegen. Ook kan per zone een vaste maat worden genoemd. Indien in gebieden van de gemeente waarvoor geen bestemmingsplan geldt, wegen zouden voorkomen van meer dan 30 meter breed zonder bestaande bebouwing, dan verdient het de voorkeur om het onder b bepaalde als volgt te redigeren b langs een wegbreedte waarlangs geen bebouwing, als onder a bedoeld, aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van ten minste 30 meter de lijn gelegen op een afstand van de halve wegbreedte, gemeten uit de as van de weg; bij een wegbreedte die minder dan 30 meter, maar ten minste 10 meter bedraagt, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdlijnen van de jurisprudentieDe in artikel 39, aanhef en onder b, BV 1965 (nu artikel 2.5.5 aanhef en onder b, BV) neergelegde bepaling betreffende de ligging van de voorgevelrooilijn langs wegen waarlangs gebouwd mag worden, ziet niet op het geval waarin langs een weg slechts krachtens een vrijstelling als hier aan de orde mag worden gebouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 12 augustus 1991, No. R03.89.0533.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een hoekwoning heeft twee voorgevelrooilijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wnd. Vz. ARRS 19 januari 1993, BR 1993, p. 377, Hoekwoning Nieuw-Ginneken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het bestemmingsplan zijn bebouwingsgrenzen aangegeven, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit onderwerp uitputtend in het bestemmingsplan is geregeld. Er is dan geen plaats meer voor aanvullend werkende rooilijnvoorschriften van de bouwverordening, zie artikel 9, eerste lid, Woningwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Breda, 27 september 1994, 94/711 GEMWT BR.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien overeenkomstig het bepaalde in 2.5.5 (Model-)bouwverordening bij een hoekwoning de twee rooilijnen worden doorgetrokken tot het punt waar zij elkaar snijden, is de erfafscheiding voor de voorgevelrooilijn gebouwd. In een dergelijke situatie is er, mede gelet op doel en strekking van het tweede zinsdeel van artikel 43, eerste lid, onder j van de Woningwet, in beginsel geen aanleiding om te oordelen dat ook bij hoekwoningen slechts één voorgevelrooilijn aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Zutphen, 17 januari 1995, 94/2406 GEMWT02.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het huis is een hoekhuis en heeft ingevolge het bestemmingsplan twee voorgevelrooilijnen. In het onderhavige geval kan, gelet op de feitelijke situatie, niet worden gesproken van een voortuin of achtertuin. Omdat het bestemmingsplan voor de onderhavige erfafscheiding geen regeling bevat, moet aan de gemeentelijke bouwverordening worden getoetst.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRS, 20 maart 1995, R03.92.1104.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Door het aanleggen van een weg op een binnenterrein ten behoeve van woningbouw ontstaat er op grond van art. 2.5.5 (Model-)bouwverordening een voorgevelrooilijn.</div>\n<p class=\"lf-p\">Vz. ABRS 15 juni 1995, H01.95.0175/P90 en K01.95.0032.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>De bestaande bebouwing aan de wegzijde waar de bouw wordt beoogd bestaat uit een dubbelwoonhuis met garage en een vrijstaande woning. De voorgevels staan respectievelijk 12 en 3,5 m van de voorste perceelgrens. Geen sprake van een situatie ex artikel 39 aanhef en onder a (Model-)bouwverordening 1965 (thans art. 2.5.5, aanhef en onder a MBV).</div>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 29 januari 1996, R03.92.4918.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Aangenomen moet worden dat de voorgevelrooilijn die ligt aan de met huizen bebouwde zijde van de dijk slechts maatgevend is voor aan die zijde op te richten bebouwing. Aangezien het bouwwerk aan de – onbebouwde – overzijde is opgericht kan geen sprake zijn van overtreding van artikel 39, aanhef en onder a j 40 (Model-)bouwverordening 1965 (art. 2.5.5, aanhef en onder a MBV). Ook kan niet worden volgehouden dat met toepassing van artikel 39, aanhef en onder b van de (Model-)bouwverordening 1965 (art. 2.5.5, aanhef en onder b MBV) aan de onbebouwde walkant een voorgevelrooilijn aanwezig geacht moet worden nu deze rooilijn dan ongeveer 2 m vanaf de walkant in de rivier zou liggen. Derhalve kan in dit geval van een verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn geen sprake zijn.</div>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 14 maart 1996, R03.92.3457.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Gelet op de functie die de uitweg ter plaatse heeft en de ligging van de woningen ten opzichte van deze uitweg, is de afdeling van oordeel dat de voorgevelrooilijn is gelegen langs de uitweg en niet aan de zijde van de hoofdstraat, waar de uitweg op uitkomt.</div>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 23 november 1995, R03.93.3280.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-256-194\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijnHoewel het begrip 'rooilijn' algemeen gedefinieerd wordt als 'de lijn die - behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn) niet mag worden overschreden', is - om misverstand te voorkomen - een direct verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn opgenomen. Het onderhavige verbod geldt niet voor bouwvergunningsvrije bouwwerken. Het geldt dus wel voor licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, althans voor zover in het Besluit bouwwerken niet anders is bepaald, en voor bouwvergunningplichtige bouwwerken Indien een bouwvergunningvrij bouwwerk wordt gebouwd in, op, aan of bij een monument, als bedoeld in de Monumentenwet 1988, of een monument, als bedoeld in een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening, dan wel in een beschermd stads- of dorpsgezicht, als bedoeld in de Monumentenwet 1988, dan is een dergelijk bouwwerk bij wijze van uitzondering licht-bouwvergunningplichtig op grond van de artikelen 4, 5 en 6 van het Besluit bouwwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie tevens artikel 2.5.8, eerste lid, onder g.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-257-195\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijnArtikel 2.5.7 houdt rekening met artikel 3 van het Besluit bouwwerken. Door de verruiming van de categorie vergunningvrije bouwwerken kan in toenemende mate samenloop ontstaan tussen vergunningvrije en vergunningplichtige werken. In onderdeel a komt de keuze tot uitdrukking voor de ‘totaal- benadering’ zoals die ook uit de wetsgeschiedenis is af te leiden. Dit betekentdat een vergunningvrij bouwwerk niet vergunningvrij is als het onderdeel uitmaakt van een (meeromvattend) licht-, dan wel regulier-vergunningplichtig bouwplan. Deze ‘totaal-benadering’ houdt echter niet in dat de vergunning dan ook mag worden geweigerd louter op dat onderdeel dat op zichzelf beschouwd vergunningvrij zou zijn. In geval van samenloop gaat het zwaarste regime voor, maar zonder dat daarmee de essentie van vergunningvrij bouwen wordt aangetast (TK, 1999-2000, 26 734, nr. 6, p. 18) De redenering is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om bouwvergunning is het niet logisch om het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn. De voor dit artikel van belang zijnde beperking, die artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken kent betreft een uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Bij het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard mag er geen sprake zijn van een uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Elke vergroting van een bouwwerk, waardoor een bestaande afwijking van de rooilijnvoorschriften zou toenemen, blijft dus bouwvergunningplichtig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de figuren 1 en 2 in de bijlage die bij deze Toelichting behoort. De bedoelde figuren illustreren dat in het algemeen als veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken kunnen worden beschouwd:</p>\n<p class=\"lf-p\">1 uittreksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil, mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m overschrijden, bij voorbeeld gevelversieringen, waaronder pilasters en gevellijsten, plinten, enigszins uitstekende schoorsteenwanden en hemelwaterafvoeren;</p>\n<p class=\"lf-p\">2 uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil, mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,50 m overschrijden, bij voorbeeld gevelversieringen zoals kroonlijsten, dakoverstekken, dakgoten, uithangbordjes en kleine luifels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien uitsteeksels aan gebouwen de voorgevelrooilijn verder overschrijden dan hiervoor onder 1 en 2 aangegeven, zullen burgemeester en wethouders dus in het algemeen overwegen daartegen repressief op te treden. Indien in een bestemmingsplan geen eigen regeling op het gebied van rooilijnen, toelaatbare bouwhoogte e.d. is opgenomen, maar ter zake de artikelen 2.5.1 t/m 2.5.30 van de bouwverordening van kracht zijn verklaard, dan verdient het aanbeveling om onderdeel a van artikel 2.5.7 aan te vullen met de tekst van de voorgaande punten 1 en 2 (minus de voorbeelden) onder tussenvoeging van de woorden ', te weten:'.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-258-196\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ontheffing voor overschrijdingen van de voorgevelrooilijnNaast de ontheffingsmogelijkheden bedoeld in artikel 2.5.8 kent artikel 2.5.29 nog de mogelijkheid van vrijstelling voor het geval, dat er een bestemmingsplan in voorbereiding is Artikel 2.5.8 is afgestemd op de artikelen 2 en 3 van het Besluit bouwwerken. De vermelding van de artikelen 2 en 3 van het Besluit bouwwerken in artikel 2.5.8 is vooral van belang om het misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als vrij bouwen genoemd zijn in de artikelen 2 en 3 van het Besluit bouwwerken, uit te sluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1, ad bDeze bepaling maakt het mogelijk om vrijstelling te verlenen voor op het eigen voorterrein plaatsen van beeldhouwwerk, vitrines e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 2 van dit artikel, tweede gedachtenstreepje, is niet gekozen voor een hoogte van 2,20 m maar voor een hoogte van 2,50 m. In overleg met de afdeling verkeer wordt al enige tijd deze hoogte aangehouden, omdat in de praktijk is gebleken dat 2,20 m te laag is (met name voor vrachtwagens).Artikel 2.5.8 Hoofdlijnen van de jurisprudentieDe vrijstelling van het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn mag slechts worden verleend, indien er sprake is van een voor alle belanghebbenden kenbaar toekomstig planologisch kader, waaraan het bouwplan getoetst kan worden. Een dergelijk kader ontbreekt nu geen bestemmingsplan van kracht is en geen sprake is van een voorbereidingsbesluit of een in voorbereiding zijnd bestemmingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vz. ARRS, 30 december 1992, AB 1994, nr. 248.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.5.8 van de bouwverordening ziet niet op het verlenen van een vrijstelling voor een vóór de voorgevelrooilijn geplaatste erfafscheiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders van Tilburg hebben afwijzend beslist op het verzoek van J.P.P.M. Broers om bestuursdwang toe te passen ten aanzien van een erfafscheiding bij de woning aan de Maasbreestraat 11 te Tilburg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet in geschil is dat de erfafscheiding vrijwel in haar geheel is gesitueerd vóór de voorgevelrooilijn en derhalve niet is aan te merken als een vergunningvrij bouwwerk, als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onder j, van de Woningwet, zoals dit artikellid luidde ten tijde van het plaatsen van het bouwwerk. Burgemeester en wethouders hebben geweigerd om van hun bevoegdheid tot het toepassen van bestuursdwang - appellant heeft de erfafscheiding geplaatst zonder over de daartoe benodigde bouwvergunning te beschikken - omdat met toepassing van artikel 2.5.8, eerste lid, aanhef en onder b, van de bouwverordening alsnog vrijstelling en bouwvergunning zou kunnen worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.5.8, eerste lid, aanhef en onder b, van de bouwverordening is naar het oordeel van de Afdeling evenwel niet geschreven voor het verlenen van een erfafscheiding als hier in geding. Daarvoor geldt artikel 2.5.18 van de bouwverordening, welke bepaling derogeert aan artikel 2.5.8 van de bouwverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 20 april 2000, 199900601/1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-259-197\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bouwen op de wegArtikel 2.5.9 is afgestemd op artikel 3 van het Besluit bouwwerken. De vermelding van artikel 3 van het Besluit bouwwerken in artikel 2.5.9 is vooral van belang om het misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als vrij bouwen genoemd zijn in artikel 3 van het Besluit bouwwerken, uit te sluiten Zie voor het bouwen over de weg overigens artikel 2.5.8.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2510-198\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoekenLid 4, onder aOnder deze ontheffing kunnen bij voorbeeld complexen van bij elkaar behorende gebouwen, zoals kazernes, ziekenhuizen en gevangenissen vallen Lid 4, onder fHieronder vallen bij voorbeeld aangebouwde garages, terugliggende zolderverdiepingen e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4, onder gDeze vrijstelling kan in het algemeen worden verleend voor gebouwen, die een ruim voorterrein vragen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2511-199\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.11</span><span class=\"lf-art-t\">Ligging van de achtergevelrooilijnZie de figuren 3 t/m 12, in de bij deze Toelichting behorende bijlage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1, onder aDeze bepaling kan voor langgerekte, taps toelopende bouwblokken tot achtergevelrooilijnen in het smalle deel van het bouwblok leiden die elkaar dicht naderen. Dit behoeft echter geen bezwaar te vormen, omdat artikel 2.5.21 de bouwhoogte dan evenredig beperkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2512-200\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijnHoewel het begrip 'rooilijn' algemeen wordt gedefinieerd als 'de lijn die - behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn) niet mag worden overschreden', is - om misverstand te voorkomen - een direct verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn opgenomen Het geheel achter de achtergevelrooilijn bouwen moet overigens opgevat worden als een - verboden - overschrijding van de achtergevelrooilijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien gebouwd wordt aan of bij een beschermd monument of in een van rijkswege beschermd stads- of dorpsgezicht, zijn normaliter bouwvergunningvrije bouwwerken bij wijze van uitzondering bouwvergunningplichtig op grond van de artikelen 4, 5 en 6 van het Besluit bouwwerken. Zie tevens artikel 2.5.14, lid l.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdlijnen van de jurisprudentie-Het bouwplan had geweigerd moeten worden wegens overschrijding van de achtergevelrooilijn. Bij een grond voor weigering is er géén ruimte voor aanhouding en doorbreking op grond van artikel 50 Woningwet; omdat er geen bestemmingsplan van kracht is dat de bepalingen van de bouwverordening opzij zet, hoeft geen rekening te worden gehouden met het toekomstig bestemmingsplan</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Vz. ABRS, 10 juli 1994, JB 1994, p. 784; ABRS, 11 mei 1995, H01.94.0014.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Bouwvergunning met een vrijstelling van het bepaalde in de art 2.5.12 en 2.5.15, eerste lid, van de (Model-)bouwverordening en van art. 277, eerste lid, Bouwbesluit voor een dakterras binnen twee meter van de erfgrens. Onder omstandigheden, wanneer het zonneklaar is dat realisering van een bouwplan strijd oplevert met artikel 5:50 BW en niet van toestemming van de naburig eigenaar is gebleken, zal het bestuursorgaan bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot verlening van een bouwvergunning kunnen overgaan. Dit is i.c. niet het geval, omdat ten aanzien van de betekenis van de in art. 5:50 BW vermelde balkons of soortgelijke werken onzeker is of de civiele rechter het onderhavige dakterras, gelet op de aanzienlijke omvang ervan, als balkon of soortgelijk werk zal aanmerken.</div>\n<p class=\"lf-p\">Pres. Rb. Haarlem, 24 november 1995, BR 1996, 330; KG 1996, nr. 34.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2513-201\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.13</span><span class=\"lf-art-t\">Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijnArtikel 2.5.13 is afgestemd op het Besluit bouwwerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De redenering is dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als bouwvergunningvrij met overschrijding van de achtergevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om bouwvergunning, is het niet logisch om het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn. Twee punten zijn van belang:</p>\n<p class=\"lf-p\">De voor dit artikel van belang zijnde beperking die artikel 3, eerste lid, onder , van het Besluit bouwwerken kent, betreft een uitbreiding van de bebouwde oppervlakte. Bij het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard mag er geen sprake zijn van een uitbreiding van de bebouwde oppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft de aan- en uitbouwen die bouwvergunningplichtig zijn, is het wel mogelijk dat het bestemmingsplan een regulerende werking heeft. In dat geval hebben de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening geen betekenis. Voor zover het bestemmingsplan de aan- en uitbouwen verbiedt, is vrijstelling mogelijk op grond van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder d worden veranderingen van niet-ingrijpende aard genoemd, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken. Als zodanig kunnen in het algemeen worden beschouwd:</p>\n<p class=\"lf-p\">1 uitsteeksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil mits zij de achtergevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m overschrijden, bij voorbeeld gevelversieringen, waaronder pilasters en gevellijsten, plinten, enigszins uitspringende schoorsteenwanden en hemelwaterafvoeren;</p>\n<p class=\"lf-p\">2 uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil, mits zij de achtergevelrooilijn met niet meer dan 0,50 m overschrijden, bij voorbeeld gevelversieringen zoals kroonlijsten, dakoverstekken, dakgoten en kleine afdaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie tevens de twee laatste zinnen van de toelichting op artikel 2.5.7.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2514-202\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.14</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijstelling voor overschrijdingen van de achtergevelrooilijnNaast de ontheffingsmogelijkheden in het onderhavige artikel 2.5.14 kent artikel 2.5.29 nog</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">de mogelijkheid van ontheffing ingeval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.5.14 is afgestemd op het Besluit bouwwerken. De vermelding hiervan is vooral van belang om het misverstand dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken die bouwvergunningvrij zijn, uit te sluiten. Zie de term ‘bouwvergunningplichtige bouwwerken, geen gebouw zijnde’ onder h.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het verlenen van ontheffing ingevolge de bepalingen van dit artikel dienen de richtlijnen van de artikelen 2.5.1 en 2.5.2 in het bijzonder in acht te worden genomen, mede in het belang van omwonenden. Voorts ware er aandacht aan te besteden, of een bouwwerk voor de brandweer bereikbaar moet blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.5.14 is overigens afgeleid van artikel 48, eerste lid, van de BV 1965. Onder de hoofdlijnen van de jurisprudentie hierna staat een aantal uitspraken over artikel 48, eerste lid, vermeld, waarvan verwacht wordt, dat die bruikbaar blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad a en gVoor deze bedrijven kan tot op zekere hoogte tegemoet worden gekomen aan op bedrijfstechnische gronden gebaseerde verlangens. Met de onder g bedoelde bouwstrook (of bouwblok), geheel of overwegend handels- of industrieterrein omvattend, wordt niet beoogd een bouwstrook (of bouwblok) met winkelbebouwing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1962 en de bouwverordening (BV 1965)De in artikel 48, eerste lid, bedoelde vrijstelling is niet nader aan regels gebonden. De gemeente mag daarom bij het beslissen op een verzoek om vrijstelling alle belangen betrekken die door het verlenen van de vrijstelling kunnen worden geschaad of gediend ARRS 21 oktober 1977; BR 1978, 118.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet onredelijk is een beleid waarbij de vrijstellingsmogelijkheden voor overschrijding van de rooilijnen gebruikt worden om binnentuinen in de stad te beschermen.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 8 november 1985; AB 1986, 251.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het beslissen op een aanvraag om vrijstellingen mogen belangen van marktordening (in beginsel) geen rol spelen. (I.c. was ten onrechte vrijstelling geweigerd ter bescherming van plaatselijke detailhandel in dezelfde branche, terwijl er uit stedebouwkundig opzicht geen bezwaren waren aangevoerd tegen een eventuele vrijstelling.) ARRS 27 september 1984, RO 3.83.0432.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kan geen vrijstelling worden verleend voor een bouwplan, dat voorziet in de oprichting van een pand, waarvan het deel achter de achtergevelrooilijn aanzienlijk langer is dan het deel tussen de rooilijnen. Er is dan geen sprake meer van een uitbouw. (Het geval betrof een pand, bestaande uit een hoger en een lager deel. Het nieuwe pand zou ongeveer 27 meter breed en ongeveer 42 meter lang worden. Het pand had tussen de voor- en achtergevelrooilijn een lengte van 15 meter).</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 23 augustus 1983, A-32.4367 (1982)/23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voor publiek toegankelijke weg, waarvan de eigendom bij de gemeente berust, kan als een weg in de zin van artikel 48, eerste lid, aanhef en onder e juncto artikel 1, tweede lid van de BV 1965 (nu artikel 2.5.14, aanhef en onder d, BV) worden aangemerkt. De omstandigheid dat het voetpad niet openbaar is in de zin van de Wegenwet en niet voorkomt op de wegenlegger van de gemeente, doet daar niet aan af. De bouwverordening stelt dergelijke eisen immers niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 12 augustus 1991, No. R03.89.0533.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Omdat de gevraagde uitbreiding gedeeltelijk op de plaats komt van en aansluit op het reeds bestaande gebouw, is appellant van oordeel dat geen sprake is van een overschrijding van de achtergevelrooilijn. Vergunning voor het bestaande gebouw is echter destijds verleend met vrijstelling voor het overschrijden van de achtergevelrooilijn. Voor het nu ingediende bouwplan is opnieuw vrijstelling noodzakelijk. Wegens strijd met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan kon deze vrijstelling in redelijkheid geweigerd worden.</div>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 13 september 1993, R03.90.0424/P01.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Uitbreiding bestaat uit een bouwlaag met daarop een hekwerk ter afscherming van het op de bouwlaag voorziene dakterras. Uit de stukken blijkt dat de uitbreiding wordt gerealiseerd tot op 5 m. uit de erfgrens met achtergelegen percelen. Voorts is gebleken dat de diepte van de achtergelegen tuinen minimaal 10 m. is en dat deze door een houten schutting van het bouwperceel zijn gescheiden. Onder deze omstandigheden kon bij afweging van betrokken belangen de vrijstelling in redelijkheid worden verleend.</div>\n<p class=\"lf-p\">Vz ARRS 7 januari 1993, S03.92.4141.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Vergunning voor het vergroten van een woning met een uitbouw met balkon is verleend met vrijstelling voor het overschrijden van de achtergevelrooilijn. De uitbouw voldoet niet aan artikel 50, eerste lid van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek (venster en balkon gelegen binnen 2 m. vanaf erfgrens). Bij afweging van betrokken belangen kon de vrijstelling in redelijkheid worden geweigerd.</div>\n<p class=\"lf-p\">Vz. ARRS 21 februari 1992, S03.92.0167.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Vergunning verleend voor de bouw van een garage/hobbyruimte met verlening van vrijstelling voor het overschrijden van de achtergevelrooilijn. De garage is ongeveer 5 m. hoog en ligt op een afstand van ongeveer 4 tot 5 m van de woning van verzoeker. Gelet hierop moet ervan worden uitgegaan dat de bouw de door verzoeker geschetste nadelen (beperking uitzicht en privacy) met zich brengt. Bouwplan is in strijd met het in voorbereiding zijnde ontwerp-bestemmingsplan. Nu vergunninghouder bovendien reeds beschikt over een vanaf de openbare weg zeer wel bereikbare opstal die gebruikt kan worden als garage, rijst ernstige twijfel of de vrijstelling in redelijkheid wel kon worden verleend.</div>\n<p class=\"lf-p\">Vz ARRS 11 april 1989, R03.89.1768/S419.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1991 en de bouwverordening (1992)-Weigering van de vrijstelling van overschrijding van de achtergevelrooilijn. Er is geen bestemmingsplan van kracht. B en W kunnen alle belangen in hun overweging betrekken welke door het verlenen van vrijstelling zouden worden geschaad. Daartoe hoort ook het belang dat ermee is gediend dat geen bouwwerken worden opgericht die niet passen in de door de gemeente meest wenselijk geachte planologische ontwikkeling van het betrokken gebied. Dit planologisch beleid dient echter wel voldoende duidelijk te zijn</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>ABRS, 15 augustus 1994, R03.92.2137. Zie in gelijke zin ABRS 14 maart 1996, H01.95.0183.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2515-203\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.15</span><span class=\"lf-art-t\">Erf bij woningen en woongebouwenHet erf, bedoeld in dit voorschrift, mag niet worden verward met de 'buitenruimte' in de zin van het Bouwbesluit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het ruimschoots voldoen aan het bepaalde in artikel 5.4.12 (5:50) van het Burgerlijk Wetboek, want in laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vrijelijk ramen in de achtergevel kunnen aanbrengen is tevens het motief voor het bepaalde in het eerste lid, onder b. Het (gedeeltelijk) samenvallen van de achtergevel met de erfgrens vormt hiervoor immers een beletsel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 b, onder 1Deze ontheffing is onder meer bedoeld voor patiowoningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 b, onder 2Indien één van de in dit lid genoemde situaties zich voordoet en er dus open ruimte achter een gebouw is, zij het dat deze niet bij het gebouw behoort en het gebouw overigens over voldoende 'uitloop' beschikt, zou ontheffing van de voorgeschreven erfgrootte kunnen worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 b, onder 3Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een betering van de bestaande toestand zal een verkleining van het erf tot geringere oppervlakte dan volgens dit artikel is vereist slechts aanvaardbaar zijn ten behoeve van het opheffen van onbevredigende situaties in het gebouw waarvoor binnen het gebouw geen oplossing kan worden gevonden. In die gevallen zal een verbetering van het gebouw tegen een verslechtering van het erf moeten worden afgewogen. Hiertoe zal in het bijzonder aandacht moeten worden geschonken aan de functie van het erf als onderdeel van de vluchtweg bij brand en aan de bereikbaarheid van het pand door de brandweer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.15</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdlijnen van de jurisprudentie– Bouwvergunning met een vrijstelling van het bepaalde in de art 2.5.12 en 2.5.15, eerste lid, van de (Model-)bouwverordening en van art. 277, eerste lid, Bouwbesluit voor een dakterras binnen twee meter van de erfgrens. Onder omstandigheden, wanneer het zonneklaar is dat realisering van een bouwplan strijd oplevert met artikel 5:50 BW en niet van toestemming van de naburig eigenaar is gebleken, zal het bestuursorgaan bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot verlening van een bouwvergunning kunnen overgaan. Dit is i.c. niet het geval, omdat ten aanzien van de betekenis van de in art. 5:50 BW vermelde balkons of soortgelijke werken onzeker is of de civiele rechter het onderhavige dakterras, gelet op de aanzienlijke omvang ervan, als balkon of soortgelijk werk zal aanmerken Pres. Rb. Haarlem 24 november 1995, BR 1996, 330; KG 1996, nr. 34.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2516-204\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.16</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Erf bij overige gebouwenNaleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het voldoen aan het bepaalde in artikel 5.4.12 (5:50) van het Burgerlijk Wetboek, want in laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden aangebracht Lid 2, onder a en bBij het verlenen van ontheffing zal onder meer rekening moeten worden gehouden met de ligging in het gebouw van eventuele dienstwoningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het hanteren van de ontheffing dient bovendien onderscheid te worden gemaakt tussen de gevallen, waarin het gaat om een bouwblok of een bouwstrook waarin geen woningen voorkomen en een bouwblok waarin bij voorbeeld naast bedrijfsgebouwen ook woningen voorkomen. Indien de laatste omstandigheid zich voordoet zal de ontheffing minder ver mogen gaan dan in het andere geval.</p></div>", "next": 239921}