{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De burgemeester heeft de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, eveneens ten aanzien van voor een ieder toegankelijke parkeerterreinen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-77a-338\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2:77a</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruik lasers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op of aan de weg, of op een openbare plaats zodanig met laserlicht te schijnen dat daardoor de openbare orde of veiligheid wordt verstoord of overlast wordt veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op de weg, een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, lasers, laserpennen of dergelijke apparatuur in bezit te hebben of met zich mee te voeren, anders dan voor professioneel gebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling16.Omgevingsverboden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-77b-339\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2:77b</span><span class=\"lf-art-t\">Wijkverbod</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en veiligheid, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan degene die strafbare feiten of openbare orde verstoren de handelingen verricht een verbod opleggen om zich te bevinden op in dat verbod aangewezen gebied gedurende een in het verbod neergelegde periode.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan degene aan wie eerder een wijkverbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie wordt geconstateerd dat hij opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een wijkverbod opleggen om zich gedurende een in dat wijkverbod genoemd tijdvak van ten hoogste 30 dagen te bevinden op in dat wijkverbod aangewezen gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een wijkverbod krachtens het tweede lid kan slechts worden opgelegd indien strafbare feiten of andere openbare orde verstorende handelingen binnen zes maanden na het opleggen van een eerder wijkverbod, opgelegd op grond van het eerste of tweede lid, zijn geconstateerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde wijkverboden, indien dat in het verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd wijkverbod.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-77c-340\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2:77c</span><span class=\"lf-art-t\">Stadionomgevingsverbod</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of de bescherming van het woon- of leefklimaat aan een persoon een verbod opleggen om zich op te houden in de omgeving en nabijheid van het Feyenoordstadion “de Kuip”, het Spartastadion “het Kasteel” of het Excelsiorstadion “Woudestein” gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van vier uur voor de vastgestelde aanvangstijdstippen tot vier uur na de afloop van een voetbalwedstrijd georganiseerd door de betaald voetbal organisatie Feyenoord, Sparta of Excelsior waarbij het eerste elftal een thuiswedstrijd speelt, of een evenement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod geldt voor een bepaalde periode welke niet langer is dan twee jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester beperkt het in het eerste lid gestelde verbod, indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling17.Woonoverlast</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-78-341\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2:78</span><span class=\"lf-art-t\">Aanpak woonoverlast</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht, kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester stelt beleidsregels vast over het gebruik van deze bevoegdheid.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 18 [vervallen]</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:79</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:80</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunning woningverhuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:81</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing vergunningplichtige woningverhuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:82</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:83</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking en wijziging van een vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:84</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen] Hoofdstuk3.Regulering prostitutie en seksbranche Afdeling1.Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-1-342\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:1</span><span class=\"lf-art-t\">Afbakening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 1:2, 1:3 en 1:5 tot en met 1:7a zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-2-343\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:2</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een prostituee onder de aandacht van het publiek brengt; beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding van een seksbedrijf; bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester; escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostituee; exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico een seksbedrijf wordt uitgeoefend; klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een prostitutiebedrijf of een prostituee aangeboden seksuele diensten; prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie; raamprostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie, waarbij het werven van klanten gebeurt door een prostituee die zichtbaar is vanuit een voor publiek toegankelijke plaats; seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting tegen betaling; seksinrichting: voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf; werkruimte: als zelfstandig aan te merken onderdeel van seksinrichting waarin de seksuele handelingen met een ander tegen betaling worden verricht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-2a-344\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:2a</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan nadere regels stellen omtrent de uitoefening van seksbedrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling2.Vergunning seksbedrijf</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-3-345\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:3</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een seksbedrijf uit te oefenen zonder vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het bevoegd bestuursorgaan beslist binnen twaalf weken op de aanvraag om een vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De in het tweede lid gestelde termijn kan door het bevoegd bestuursorgaan met ten hoogste twaalf weken worden verlengd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Een vergunning wordt voor één seksinrichting verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.De vergunning voor een seksbedrijf wordt verleend voor de duur van vijf jaar tenzij in de vergunning anders staat vermeld. De vergunning wordt op naam van de exploitant gesteld en is niet overdraagbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.De vergunning kan worden verlengd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-4-346\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:4</span><span class=\"lf-art-t\">Concentratie seksbedrijven</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan delen van de gemeente aanwijzen waarbinnen voor het vestigen van een seksinrichting geen vergunning wordt verleend. Daarbij kan worden bepaald dat de aanwijzing geldt voor seksinrichtingen van seksbedrijven van een nader aangewezen aard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-50\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:50</span><span class=\"lf-art-t\">beleid raamprostitutiebedrijven en maximering aantal seksbedrijven</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voor het uitoefenen van een raamprostitutiebedrijf wordt geen vergunning verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan een maximum stellen aan het aantal vergunningen voor een seksbedrijf dat kan worden verleend. Hierbij kan worden bepaald dat een maximum slechts geldt voor seksbedrijven van een nader aangewezen aard of in nader aangewezen delen van de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-6-348\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door het bevoegd bestuursorgaan vastgesteld formulier.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke activiteit de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: de persoonsgegevens van de exploitant; het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; of in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag de exploitant een vergunning voor een seksbedrijf is geweigerd of een aan de exploitant verleende vergunning voor een seksbedrijf is ingetrokken; het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend; het adres van een onder het seksbedrijf vallende seksinrichting; het telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt; een geldig identiteitsbewijs van de exploitant als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht; indien van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant; een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen, verstrekt door de Belastingdienst; bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimtes bestemd voor de uitoefening van het seksbedrijf; indien van toepassing, de plaatselijke en kadastrale ligging van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een situatieschets met een noordpijl en schaalaanduiding; indien van toepassing, de plattegrond van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een tekening met een schaalaanduiding waarop duidelijk is weergegeven het gebruik en de afmetingen van de aanwezige ruimten alsmede de brandpreventieve voorzieningen; indien van toepassing, het aantal voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Als er een beheerder is aangesteld, is het tweede lid, onder a, b, c, g en h, van overeenkomstige toepassing op de beheerder.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Als het bevoegde bestuursorgaan dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag, kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-7-349\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:7</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een vergunning wordt geweigerd indien: de exploitant of de beheerder onder curatele staat; de exploitant of de beheerder is ontzet uit het ouderlijk gezag of de voogdij; de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is; de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt; redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; de exploitant of beheerder minder dan vijf jaar geleden voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden; de exploitant of beheerder minder dan vijf jaar geleden voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500,- euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: bepalingen, gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000 of de Wet arbeid vreemdelingen; de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht; artikel 69 van de Algemene wet rijksbelastingen; de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. er een maximum als bedoeld in artikel 3:5 is vastgesteld en dit maximum al bereikt is; de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd op zal leveren met het omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder g, wordt gelijk gesteld: een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf; vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375,- euro bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Een vergunning kan worden geweigerd: voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:9, eerste lid, onder a tot en met d, of tweede lid, onder a tot en met g, is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking; indien niet is voldaan aan de bij of krachtens artikel 3:6 gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag; indien de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend; indien het bedrijfsplan niet voldoet aan het bepaalde bij artikel 3:15, eerste en tweede lid; indien onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:16 gestelde verplichtingen zal naleven; indien de exploitant of de beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het seksbedrijf, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn seksbedrijf strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd, waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; indien de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd; er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 of de Wet arbeid vreemdelingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-8-350\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:8</span><span class=\"lf-art-t\">Eisen met betrekking tot vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De vergunning vermeldt in ieder geval: de exploitant; de beheerder; voor welke activiteit de vergunning is verleend; het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend; het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt; het adres van de onder dat seksbedrijf vallende seksinrichting waarvoor de vergunning is verleend; de voorschriften of beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden; de geldigheidsduur van de vergunning; het nummer van de vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting waarvoor de vergunning is verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het is verboden te handelen in strijd met het tweede lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-9-351\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:9</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekkingsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De vergunning wordt ingetrokken indien: de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest; de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven; zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met h; de vergunninghouder dat verzoekt; de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met het omgevingsplan of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De vergunning kan worden geschorst of ingetrokken:</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien is gehandeld in strijd met de artikelen 3.7, vijfde lid, onder h, 3:10, 3:13, 3:14, 3:15 of 3:16 eerste lid en tweede lid, onderdeel b, aanhef en onder i; indien is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen; indien in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning; indien een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of beheerder is geworden; indien is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk van deze verordening gestelde bepalingen; indien is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen; in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur; indien de openbare orde gevaar loopt of het woon- en leefomgeving nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting; zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid of de woon- en leefomgeving; indien de veiligheid of de gezondheid van werkzame personen of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het seksbedrijf; indien de exploitant of de beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het seksbedrijf, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn seksbedrijf strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd, waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; indien de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt; indien er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel; indien gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-9a-352\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:9a</span><span class=\"lf-art-t\">Sluiting van een seksinrichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het bevoegde bestuursorgaan kan een seksinrichting tijdelijk of voor onbepaalde tijd gesloten verklaren, indien het seksbedrijf wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning danwel een van de in artikel 3:9 tweede lid onder h, i en j, genoemde situaties zich voor doet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het bevoegde bestuursorgaan maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van een afschrift van het bevel op of nabij de toegang of toegangen van de seksinrichting. De sluiting treedt in werking op het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het is de exploitant of beheerder van een seksinrichting verboden daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven zolang de sluiting van kracht is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid gesloten seksinrichting te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Een sluiting kan op aanvraag van een belanghebbende door het bevoegde bestuursorgaan worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar het oordeel van het bevoegde bestuursorgaan voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de situatie die tot de sluiting heeft geleid, zal plaatsvinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-10-353\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:10</span><span class=\"lf-art-t\">Melding gewijzigde omstandigheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De exploitant meldt elke verandering waardoor zijn seksbedrijf niet langer in overeenstemming is met de op grond van artikel 3:8, eerste lid, in de vergunning opgenomen gegevens, zo spoedig mogelijk aan het bevoegd bestuursorgaan. Deze verleent een gewijzigde vergunning, als het seksbedrijf aan de vereisten voldoet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-11-354\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:11</span><span class=\"lf-art-t\">Verlenging vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op een aanvraag om verlenging van een vergunning zijn de artikelen 3:3, 3:6, 3:7, 3:8 en 3:15, derde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat actuele gegevens en bescheiden waarover het bevoegd bestuursorgaan al de beschikking heeft niet nogmaals overlegd dienen te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling3.Uitoefenen seksbedrijf Paragraaf3.1Regels voor alle seksbedrijven</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-12-355\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:12</span><span class=\"lf-art-t\">Sluitingstijden seksinrichtingen; aanwezigheid; toegang</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is de exploitant of de beheerder verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 1.00 en 7.00 uur en in het weekeinde (zaterdagochtend en zondagochtend) tussen 2.00 en 7.00 uur, tenzij bij vergunning anders is bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het bevoegd bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde en het woon- of leefklimaat voor één of meer seksinrichtingen of categorieën van seksinrichtingen de in het eerste lid genoemde sluitingstijden, al dan niet tijdelijk, beperken dan wel andere sluitingstijden vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting gesloten dient te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het is de exploitant of de beheerder verboden personen die nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt toe te laten of te laten verblijven in een seksinrichting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-13-356\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:13</span><span class=\"lf-art-t\">Adverteren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in advertenties voor een seksbedrijf: geen vermelding op te nemen van het telefoonnummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder e, van het nummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder i, en van de bedrijfsnaam; vermelding op te nemen van een ander telefoonnummer dan bedoeld in het eerste lid; als het een prostitutiebedrijf betreft, onveilige seks aan te bieden of te garanderen dat prostituees die voor of bij het betreffende bedrijf werken vrij zijn van seksueel overdraagbare aandoeningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf3.2Regels voor alle prostitutiebedrijven en prostituees</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-14-357\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:14</span><span class=\"lf-art-t\">Leeftijd en verblijfstitel prostituees</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is een exploitant of de beheerder verboden een prostituee voor of bij zich te laten werken die: nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt; in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 en de Wet arbeid vreemdelingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-15-358\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:15</span><span class=\"lf-art-t\">Bedrijfsplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een prostitutiebedrijf beschikt over een bedrijfsplan, waarin in ieder geval wordt beschreven welke maatregelen de exploitant treft: op het gebied van hygiëne; ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het zelfbeschikkingsrecht van de prostituees; ter bescherming van de gezondheid van de klanten; ter voorkoming van strafbare feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De door de exploitant te treffen maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, waarborgen dat: de hygiëne in een seksinrichting voldoet aan de algemene eisen die hiervoor in de branche gelden en dat dit controleerbaar is; inzichtelijk en controleerbaar is welke maatregelen een exploitant in zijn bedrijfsvoering en inrichting van de werkruimten treft voor gezonde en veilige werkomstandigheden voor prostituees; in de werkruimten te allen tijde voldoende condooms met een CE-markering voor gebruik beschikbaar zijn; in de werkruimten voor de prostituees een goed functionerende alarmvoorziening aanwezig is; de prostituee zich regelmatig kan laten onderzoeken op seksueel overdraagbare aandoeningen en door de exploitant voldoende geïnformeerd is over de mogelijkheden van een dergelijk onderzoek; de prostituee niet gedwongen wordt zich geneeskundig te laten onderzoeken; de prostituee vrij is in de keuze van de arts(en) die zij wil bezoeken; de prostituee klanten en diensten kan weigeren zonder dat dat voor haar andere werkzaamheden gevolgen heeft; de prostituee niet verplicht kan worden om zonder condoom te werken; de prostituee kan weigeren alcohol of drugs te gebruiken zonder dat dat voor haar werkzaamheden gevolgen heeft; aan de voor de exploitant werkzame beheerder voldoende professionele eisen op het gebied van agressiebeheersing en bedrijfshulpverlening worden gesteld en waar nodig wordt gezorgd voor scholing hierin; de exploitant zich een oordeel vormt over de mate van zelfredzaamheid van de prostituee voordat deze voor of bij hem gaat werken, teneinde vast te stellen of zij voldoet aan de eisen die hij hiervoor in zijn bedrijfsplan heeft opgenomen; de exploitant voor elke voor of bij hem werkzame prostituee kan aantonen onder welke verhuur- of arbeidsvoorwaarden zij haar diensten aanbiedt; de exploitant of beheerder zich er regelmatig van vergewist dat de prostituee niet door derden gedwongen wordt tot prostitutie en dat hij in dit kader informatie van hulpverleningsinstanties ter beschikking stelt; de exploitant aan de voor of bij hem werkzame prostituees informatie ter beschikking stelt over de mogelijkheden om hulp te krijgen als een prostituee wil stoppen met haar werk in de prostitutie; er voldoende toezicht plaatsvindt op het prostitutiebedrijf; de overlast aan de omgeving van de onder het seksbedrijf vallende seksinrichtingen beperkt wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het bedrijfsplan wordt overgelegd bij de aanvraag om een vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De rechten voor prostituees, die worden gewaarborgd op grond van het tweede lid, worden op schrift gesteld en in een voor haar begrijpelijke taal uitgereikt aan elke prostituee die werkzaam is voor of bij de exploitant.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.In de seksinrichting wordt in ten minste twee talen en voor de klant goed zichtbaar bekend gemaakt dat een prostituee klanten en diensten mag weigeren en mag weigeren alcohol of drugs te gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Het is verboden te handelen in strijd met het eerste, vierde en vijfde lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-16-359\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:16</span><span class=\"lf-art-t\">Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder prostitutiebedrijf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De exploitant of de beheerder is aanwezig gedurende de uren dat de seksinrichting van een prostitutiebedrijf daadwerkelijk is geopend. De exploitant of beheerder van een escortbedrijf houdt effectief toezicht gedurende de uren dat het escortbedrijf daadwerkelijk wordt uitgeoefend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De exploitant van een prostitutiebedrijf draagt er zorg voor dat: de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees redelijkerwijs hun eigen werktijden kunnen bepalen; er een deugdelijke bedrijfsadministratie wordt gevoerd waarin de actuele gegevens zijn opgenomen van in ieder geval; de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees; de verhuuradministratie; de werkroosters van de beheerders; de bedrijfsadministratie met inachtneming van de wettelijke termijnen en te allen tijde beschikbaar is voor toezichthouders; medewerkers van de gemeentelijke gezondheidsdienst en van andere door de burgemeester of het college aangewezen instellingen worden toegelaten tot seksinrichtingen als ze voornemens zijn voorlichtings- en preventieactiviteiten uit te voeren of voorlichtingsmateriaal te verspreiden; dat onverwijld bij de politie wordt gemeld ieder signaal van mensenhandel of andere vormen van dwang en uitbuiting;</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het is verboden te handelen in strijd met het eerste en tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf3.3Raam- en straatprostitutie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-17-360\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:17</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod raam- en straatprostitutie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden: a.door woorden, houding, gebaren of andere feitelijke gedragingen op of aan de weg, op of in publiek toegankelijke plaatsen, in deuropeningen, dan wel binnenshuis zichtbaar voor publiek, iemand tot prostitutie uitnodigen of uitlokken, dan wel op deze uitnodiging of uitlokking in te gaan; b.op de weg ontuchtige handelingen te verrichten indien dit kennelijk geschiedt in het kader van prostitutie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf3.4Overgangsbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-18-361\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:18</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De verbodsbepaling bedoeld in artikel 3:14, onder a, is niet van toepassing ten aanzien van personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening aantoonbaar werkzaam zijn als prostituee voor of bij een prostitutiebedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Prostitutiebedrijven die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening beschikken over een geldige vergunning, dienen uiterlijk met ingang van 1 juli 2016 of bij de verlenging van hun vergunning als dat eerder is, aan de verplichtingen als bedoeld in de artikelen 3:15 en 3:16, tweede lid, onder b, te voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Een voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de APV verleende en nog geldige vergunning, geldt na de inwerkingtreding van deze verordening als een vergunning krachtens hoofdstuk 3 van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Een voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening op grond van artikel 2:28, eerste lid, van de APV juncto artikel 2:27, lid a, sub 2, onder iii, van de APV verleende en nog geldige vergunning voor een inrichting waarvoor een vergunning op grond van hoofdstuk 3 vereist is, geldt na de inwerkingtreding van de verordening als een vergunning krachtens hoofdstuk 3.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-319-362\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.19</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling bestemming bestaande seksinrichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 3:3, eerste lid, van een bestaande seksinrichting, is het bepaalde in artikel 3:7, eerste lid, onder j, niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk4.Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Afdeling1.Geluidhinder en verlichting</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-1-363\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt verstaan onder: besluit: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het besluit; houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-2-364\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:2</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing collectieve festiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De artikelen 2:17, 2:17a, 2:19, 2:19a en 2:20 van het besluit gelden niet voor ten hoogste zeven door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de door hem aan te wijzen dagen of dagdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Artikel 3.148 van het besluit geldt niet voor ten hoogste zeven door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In een aanwijzing krachtens het eerste of tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer delen van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit onverwijld als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-3-365\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:3</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving incidentele festiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2:17, 2:17a, 2:19, 2:19a en 2:20 van het besluit met maximaal 15 dB(A) worden verhoogd, mits de houder van de inrichting ten minste 48 uur voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 10 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148 van het besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste 48 uur voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, uiterlijk 48 uur voor aanvang van de festiviteit is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2:17, 2:19, 2:19a en 2:20 van het besluit – uiterlijk om 24.00 uur beëindigd met uitzondering van de vrijdag en de zaterdag. Hiervoor geldt dat het ten gehore brengen van extra muziek in de nacht van vrijdag op zaterdag en de nacht van zaterdag op zondag uiterlijk om 02.00 uur wordt beëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.De ontheffing van de geluidsnorm, bedoeld in het eerste lid, geldt ten hoogste 5 keer per jaar voor de buitenruimte van de inrichting, mits tevens toestemming is verleend voor het houden van een evenement. In afwijking van het eerste en zesde lid gelden in dat geval de geluidsnormen en tijden zoals bepaald in de toestemming voor het evenement.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-4-366\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:4</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden incidentele festiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien de burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit verboden heeft wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of openbare orde op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-4a-367\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:4a</span><span class=\"lf-art-t\">Geluidsplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan nadere regels stellen ter voorkoming of beperking van geluidhinder bij collectieve festiviteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel4:5(Geluid)hinder door onversterkte muziek vanuit inrichtingen In afwijking van artikel 2.18, eerste lid, onder f, van het besluit wordt onversterkte muziek tussen 23 uur en 7 uur niet buiten beschouwing gelaten bij het bepalen van het geluidsniveau van een openbare inrichting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-6-368\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:6</span><span class=\"lf-art-t\">Overige geluidhinder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen, al dan niet met een voer- of vaartuig te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan van het verbod een ontheffing verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verbod geldt niet voor zover hierin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, of de provinciale omgevingsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-6a-369\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:6a</span><span class=\"lf-art-t\">Mosquito</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In dit artikel wordt onder een mosquito verstaan: een apparaat dat een slechts voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge pieptoon produceert, met als doel groepen jongeren weg te houden van plaatsen waar zij overlast veroorzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het bepaalde in artikel 4:6 kan de burgemeester in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare plaats een mosquito aan te brengen bij gebleken ernstige overlast door jongeren op die plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De aanwezigheid van een mosquito wordt duidelijk kenbaar gemaakt op de plaats waar deze is aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat overlast redelijkerwijs valt te verwachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste zes maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een periode van ten hoogste zes maanden verlengen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-6b-370\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:6b</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzen concentratiegebied voor horeca-inrichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan delen van de gemeente aanwijzen als concentratiegebied voor horeca-inrichtingen als bedoeld in artikel 2:19a van het besluit.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:7</span><span class=\"lf-art-t\">Straatvegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:8</span><span class=\"lf-art-t\">Natuurlijke behoefte doen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg of in openbaar water zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:9</span><span class=\"lf-art-t\">Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De beheerder van een sloot, ander water, niet-openbaar riool of put buiten een gebouw zorgt dat deze zich niet bevinden in een toestand die gevaar kan veroorzaken voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van dat gebouw of voor anderen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:9a</span><span class=\"lf-art-t\">Gevelreiniging en -bewerking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden in de openlucht gevels te reinigen of te bewerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het eerste lid is niet van toepassing indien: de werkzaamheden goed afgeschermd plaatsvinden en op een zodanige wijze dat voor omwonenden, voorbijgangers of voor de omgeving geen schade of overmatige hinder wordt veroorzaakt; de werkzaamheden plaatsvinden van maandag tot en met zaterdag tussen 7.00 uur en 19.00 uur, voor zover dit niet een erkende feestdag betreft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:9b</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod oplaten ballonnen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In dit artikel wordt onder ballon mede verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, sfeerballon, geluks-lampion, Thaise wensballon, papierballon en geluksballon, dan wel een voorwerp dat door middel van open vuur of gas opstijgt en zonder sturing wegdrijft.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het is verboden ballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van hete lucht afkomstig van vuur, dan wel door middel van helium of andere gassen, op te laten stijgen of te doen laten opstijgen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op een luchtballon, zijnde een luchtvaartuig, of een ballon ten behoeve van wetenschappelijk of meteorologisch onderzoek.</div>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling3.Het bewaren van houtopstanden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-10-371\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:10</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In deze afdeling wordt verstaan onder: boom: houtachtig, overblijvend gewas dat één- of meerstammig is en niet onderdeel uitmaakt van overige houtopstand zoals bedoeld in onderdeel e van dit artikel; bosplantsoen: al dan niet aangeplante bosachtige elementen, inclusief kruidengroei, grotendeels bestaande uit inheemse houtachtige soorten bomen en struiken; houtopstand: boom of overige houtopstand;; hakhout: boom of bomen of boomvormers die, na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen; overige houtopstand: hakhout, houtwal, struweel en lintbeplanting in de vorm van bosheesters en beplanting van bosplantsoen, al dan niet met boomvormers, niet zijnde een boom, zoals bedoeld in onderdeel a van dit artikel; iepenspintkever: insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.), Scolytus multistriatus (Marsh) of Scolytus pygmaeus; iepziekte: aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau); knotten: tot op de oude snoeiplaats verwijderen van aangegroeid takhout bij als cultuurboom gekweekte knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen 2.In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: omzagen; rooien; knotten of kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben; verplanten, met uitzondering van het ter plaatse lichten of laten zakken van bomen binnen een straal van één meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In afwijking van artikel 1:1 wordt in deze afdeling en de daarop berustende bepalingen onder bebouwde kom verstaan het grondgebied van de gemeente, met uitzondering van de gebieden met CBS-aanduiding 06-Botlek, 07-Europoort, 08-Maasvlakte en Maasvlakte 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De bebouwde kom, bedoeld in het derde lid, wordt tevens aangewezen als bebouwde kom voor de toepassing van de Wet natuurbescherming, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-11-372\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:11</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag: een boom te vellen of te doen vellen indien de stamomtrek, of bij meerstammigheid de omtrek van de dikste stam, minimaal 50 centimeter is op 130 centimeter hoogte boven het maaiveld; een overige houtopstand te vellen of te doen vellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: bomen waarvan een natuurlijk persoon de zakelijk gerechtigde is, tenzij sprake is van een boom met een stamomtrek van minimaal 361 centimeter gemeten op 130 centimeter boven het maaiveld; bomen die behoren tot het populieren- of wilgengeslacht, als wegbeplantingen en éénrijige wegbeplantingen op of langs landbouwgronden, tenzij deze zijn geknot; fruitbomen en windschermen om boomgaarden; fijnsparren of andere coniferen, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen; kweekgoed; houtopstand die gelegen is buiten de bebouwde kom tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die:</p>\n<p class=\"lf-p\">1° geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are, of 2° bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen, gerekend over het totale aantal rijen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid gestelde verbod geldt evenmin voor: houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantgezondheidswet of krachtens een aanschrijving of last van het college of het bevoegd gezag, zulks onverminderd het bepaalde in de artikelen 4:11g en 4:11j; het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud; het dunnen van een bosplantsoen; het direct vellen van een houtopstand indien hiervoor door de burgemeester mondeling toestemming is gegeven vanwege acuut gevaar voor veiligheid van personen en zaken. De mondelinge toestemming wordt zo spoedig mogelijk op schrift gesteld en aan de aanvrager alsmede belanghebbenden toegezonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid gestelde verbod geldt evenmin voor knotten of kandelaberen', indien: eerder een vergunning als bedoeld in het eerste lid voor het knotten of kandelaberen is verleend; het knotten of kandelaberen een periodieke handeling betreft die voortvloeit uit of samenhangt met de eerder verleende vergunning; en de handeling wordt uitgevoerd met het doel de boom in een bestaande, specifieke cultuurvorm te handhaven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-11a-373\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:11a</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag omgevingsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De vergunning wordt aangevraagd door degene, die krachtens zakelijk recht of krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken, of diens gevolmachtigde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-11b-374\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:11b</span><span class=\"lf-art-t\">Weigering/verlening vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het bevoegd gezag verleent de vergunning, indien deze wordt gevraagd teneinde te voldoen: aan de verplichting ingevolge het bepaalde in Boek 5, artikel 42, van het Burgerlijk Wetboek; aan de wettelijke zorgplicht van de aanvrager; aan de op grond van de artikelen 37 en 38 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) vastgestelde en voor Nederland geldende eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het bevoegd gezag betrekt bij zijn besluit de toepasselijke gemeentelijke bestemmings-, groen-, bomen- of landschapsplannen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het bevoegd gezag kan bij zijn besluit tevens de overeenkomstig artikel 4:11i vastgestelde waarde van de betrokken boom of bomen betrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het bevoegd gezag kan de vergunning weigeren dan wel onder voorwaarden verlenen in het belang van: natuur- en milieuwaarden; landschappelijke waarden; cultuurhistorische waarden; waarden van stads- en dorpsschoon; waarden voor recreatie en leefbaarheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden ter bescherming van de in het vierde lid bedoelde belangen. De voorschriften kunnen inhouden dat binnen een daarbij aangegeven termijn en overeenkomstig de daarbij gegeven aanwijzingen vervangende beplanting moet worden aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Indien de aanvraag voor een kapvergunning betrekking heeft op een gemeentelijke boom die voldoet aan de criteria genoemd in de bijlage van de vigerende Bomenstructuurvisie (BSV), en daardoor als monumentale boom is geïdentificeerd, wordt de vergunning niet verleend, behoudens: het bepaalde in het eerste lid; het bepaalde in artikel 4:11, derde lid, onderdeel a; de uitvoering van majeure publieke werken; of de uitvoering van door het college aangewezen stedelijke projecten van groot openbaar belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Het college gaat niet eerder tot de aanwijzing, bedoeld in het vorige lid, onderdeel d, over dan vier weken nadat het de raad heeft geïnformeerd over de voorgenomen aanwijzing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-11c-375\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:11c</span><span class=\"lf-art-t\">Afstand van de erfgrenslijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het begrip “boom”, bedoeld in artikel 4:10, eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De afstand bedoeld in boek 5, artikel 42, van het Burgerlijk Wetboek wordt, in afwijking van het eerste lid van dit artikel, vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heggen en heesters.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-11d-376\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:11d</span><span class=\"lf-art-t\">Openbaarmaking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-11e-377\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:11e</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekken vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegd gezag kan de kapvergunning intrekken indien blijkt dat daarvan binnen één jaar na afgifte geen gebruik is gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:11f</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere vergunningsvoorwaarden</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het bevoegd gezag kan aan een vergunning de voorwaarde verbinden dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant. Indien uit een gemeentelijk bestemmings-, bomen-, groen- of landschapsplan blijkt dat de te vellen houtopstand als waardevol moet worden beschouwd, wordt altijd een herplantplicht opgelegd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Wordt een voorwaarde als bedoeld in het eerste lid aan de vergunning verbonden, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Indien uitvoering van een herplantplicht niet mogelijk is of naar maatstaven van redelijkheid onvoldoende compensatie biedt voor het vellen van de houtopstand kan het college aan de ontheffing of vergunning het voorschrift verbinden, dat de houtopstand niet mag worden geveld alvorens een bedrag gelijk aan de herplantwaarde in het bomenfonds is gestort.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-11g-378\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:11g</span><span class=\"lf-art-t\">Herplant- of instandhoudingsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien houtopstand waarvoor het in artikel 4:11 gestelde verbod geldt zonder omgevingsvergunning is geveld, of op andere wijze is tenietgegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen vervangende houtopstand op eigen terrein aan te brengen overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen en binnen een door het bevoegd gezag te stellen termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien houtopstand waarvoor het in artikel 4:11 gestelde verbod geldt in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen binnen een door het bevoegd gezag te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Ook de rechtsopvolger van degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid is opgelegd is verplicht daaraan te voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Een verplichting krachtens dit artikel kan voorschriften inhouden met betrekking tot bomen met een geringere stamomvang dan in artikel 4:10 is aangegeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-11h-379\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:11h</span><span class=\"lf-art-t\">Schadevergoeding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover een zakelijk gerechtigde of degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is om over de houtopstand te beschikken, door de toepassing van artikel 4:11 of artikel 4:11g schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te komen en waarvan de vergoeding niet anderszins is verzekerd, kent het college of het bevoegd gezag hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:11i</span><span class=\"lf-art-t\">Waarde- en schadebepaling aan bomen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De bepaling van de waarde van bomen en de schade aan bomen vindt plaats volgens de meest recente richtlijnen van de Nederlandse Vereniging Taxateurs van Bomen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het college kan regels stellen waarbij van deze richtlijnen wordt afgeweken.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-11j-380\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:11j</span><span class=\"lf-art-t\">Bestrijding iepziekte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien zich op een terrein één of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het college of het bevoegd gezag gevaar kunnen veroorzaken voor verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van de iepenspintkevers, is de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt, indien hij daartoe door het college of het bevoegd gezag is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn: indien de iepen in de grond staan, deze te vellen; de iepen te ontbasten en de bast te vernietigen; de niet-ontbaste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, met uitzondering van geheel ontbast iepenhout en op iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 centimeter.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college of het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-11k-381\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:11k</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwerpen aan/in houtopstand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder vergunning van het college aan of in houtopstand voorwerpen aan te brengen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-12-382\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:12</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunning van rechtswege</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[gereserveerd] Afdeling4.Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:13</span><span class=\"lf-art-t\">Opslag voertuigen, vaartuigen, caravans, mest, ingekuilde landbouwproducten e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op een door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de volksgezondheid aangewezen plaats die is gelegen buiten een inrichting als aangewezen krachtens artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer, zoals deze luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht en buiten de weg, een of meer van de volgende daarbij nader aangeduide, voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben, anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels: onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; kampeermiddelen, vaartuigen, of andere dergelijke, gewoonlijk voor recreatieve doeleinden gebruikte voorwerpen, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, verzamelingen ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:14</span><span class=\"lf-art-t\">Stankoverlast door gebruik van meststoffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[gereserveerd]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-15-383\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:15</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is, indien: de veiligheid van het verkeer in gevaar wordt gebracht; de constructieve - of brandveiligheid in gevaar wordt gebracht; hinder, overlast of gevaar voor de omgeving wordt veroorzaakt; de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving in strijd is met redelijke eisen van welstand; overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak ontstaat; of de handelsreclame in strijd is met de openbare orde of de goede zeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor onverlichte: opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de weg; opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken, daartoe aangewezen door de overheid; opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m² en waarvan de langste zijde korter dan 1 meter is, die betrekking hebben op een openbare verkoping of een aanbieding ten verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben en voor zover zij geplaatst zijn op, aan of bij de onroerende zaak; opschriften en aankondigingen betrekking hebbend op het beroep, de dienst, of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd, zomede op naamborden, met dien verstande dat indien de onroerende zaak die gelegen is in: 1˚een door de raad aangewezen reclame-arme zone: de opschriften, aankondigingen of naamborden gezamenlijk geen grotere oppervlakte hebben dan 0,50 m² en geen van alle een grotere afmeting in een richting hebben dan 1,00 meter en zijn aangebracht op of aan de onroerende zaak;</p>\n<p class=\"lf-p\">2˚ een door de raad aangewezen reclamezone: de opschriften, aankondigingen of naamborden tezamen niet groter dan 1,0 m² zijn en geen van alle een grotere afmeting in een richting hebben dan 2,00 meter en zijn aangebracht op of aan de onroerende zaak; opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden op de bouwplaats, kleiner dan 6,0 m² en waarvan de langste zijde korter is dan 3,0 m, bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegde bestuursorgaan kan nadere regels geven omtrent: de veiligheid van het verkeer, bedoeld in het eerste lid; de constructieve - en brandveiligheid, bedoeld in het eerste lid; hinder, overlast of gevaar voor de omgeving als bedoeld in het eerste lid; redelijke eisen van welstand als bedoeld in het eerste lid; of overlast voor gebruikers als bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-16-384\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:16</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht lichtreclame</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[gereserveerd]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-19-385\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:19</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing kampeerplaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het verbod van artikel 4:18, eerste lid, is niet van toepassing in door het college aangewezen plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen, genoemd in artikel 4:18, vierde lid, onder a en b.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:17</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is, dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt, voor recreatief nachtverblijf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:18</span><span class=\"lf-art-t\">Nachtverblijf buiten kampeerterreinen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden ten behoeve van nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: de bescherming van natuur en landschap; of de bescherming van een stadsgezicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk5.Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 1. Parkeerexcessen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In deze afdeling wordt verstaan onder: parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen.</div>\n<p class=\"lf-p\">2 . In afwijking van artikel 1:1 wordt in deze afdeling verstaan onder weg: weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-2-386\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:2</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden binnen een door het college aangewezen gebied of periode: drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een dezer voertuigen, of de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend: voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet langer dan een half uur vergen, gedurende die werkzaamheden; voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid genoemde persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-3-387\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:3</span><span class=\"lf-art-t\">Te koop aanbieden van voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-4-388\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:4</span><span class=\"lf-art-t\">Defecte voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voertuig: waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, of dat niet is voorzien van een voor het rijden met een zodanig voertuig wettelijk verplicht kenteken, langer dan op zeven achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-5-389\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:5</span><span class=\"lf-art-t\">Voertuigwrakken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert, op de weg te parkeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-6-390\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:6</span><span class=\"lf-art-t\">Caravans, aanhangwagens e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, camper, caravan, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt, te parkeren: op door het college met het oog op de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente aangewezen wegen of weggedeelten, of langer dan op drie achtereenvolgende dagen op door het college met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte aangewezen wegen of weggedeelten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, onder b, gestelde verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Dit artikel is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-7-391\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:7</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van reclamevoertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-8-392\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:8</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van grote voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, te parkeren: op een door het college met het oog op de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente aangewezen plaats; op de weg bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op door het college met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte aangewezen wegen of weggedeelten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voor een voertuig waarvoor een vergunning geldt krachtens artikel 5:21d.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het in het eerste lid, onder b, gestelde verbod geldt niet gedurende het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 8 uur tot 18 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Het college kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid, onder a, en tweede lid gestelde verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-9-393\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:9</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-10-394\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:10</span><span class=\"lf-art-t\">Overlastgevend parkeren van voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een voertuig te parkeren daar, waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan geluidshinder of stankoverlast ondervinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-11-395\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:11</span><span class=\"lf-art-t\">Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden met een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door dan wel deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod geldt niet: op de paden; voor voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter uitvoering van werkzaamheden door of vanwege de overheid; voor voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die mede of uitsluitend voor dit doel zijn bestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-12-396\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:12</span><span class=\"lf-art-t\">Overlastgevend stallen en hinderlijk parkeren van (brom)fietsen, fietswrakken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de volksgezondheid aangewezen wegen of weggedeelten fietsen of bromfietsen: onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan, of langer dan vier weken onbeheerd te laten staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden op of aan de weg fietsen of bromfietsen te parkeren: op zodanige wijze voor of tegen een gebouw, dat daardoor voor een bewoner of gebruiker van dat gebouw de toegang of het uitzicht wordt belemmerd; op zodanige wijze op een voetpad of trottoir, dat daardoor de doorgang wordt gehinderd of belemmerd; op geleidelijnen die op de weg zijn aangebracht ten behoeve van visueel gehandicapten; op zodanige wijze dat daardoor het in- en uitstappen bij tram, bus taxi of gehandicaptenplaats gehinderd of belemmerd wordt; op zodanige wijze dat daardoor de functie van straatmeubilair gehinderd of belemmerd wordt; tegen monumenten of gedenktekens; of op een zodanige wijze dat daardoor de doorgang en opbouw op een markt wordt gehinderd of belemmerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het is verboden op of aan de weg een bromfiets of fiets te plaatsen of te hebben, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van ernstige overlast aangewezen wegen of weggedeelten fietsen of bromfietsen langer dan twee weken onbeheerd te laten staan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:12a</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunning deelmobiliteit</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden zonder vergunning van het college bedrijfsmatig voertuigen, met inbegrip van kleine wagens als bedoeld in artikel 5:1, voor gebruik door derden op de weg te plaatsen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen categorieën voertuigen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het college verleent geen vergunning voor het plaatsen van voertuigen met een verbrandingsmotor.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Onverminderd de artikelen 1:6 en 1:8 kan het college de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, intrekken, wijzigen, schorsen of hieraan voorschriften of beperkingen verbinden, indien: het ter gebruik aanbieden van de voertuigen: gevaar oplevert voor de veiligheid van personen, goederen of de verkeersveiligheid; hinder of overlast veroorzaakt voor het woon- of leefklimaat; een nadelige invloed heeft op het milieu; onevenredig beslag legt op de openbare ruimte; of afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte; in strijd is gehandeld met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen; niet wordt voldaan aan het exploitatieplan; niet wordt voldaan aan de door het college te stellen nadere regels of beleidsregels; structureel minder voertuigen worden geplaatst dan toegestaan op grond van de vergunning; de aanvrager verweven is met een andere onderneming die voor dezelfde periode en voor dezelfde voertuigen een vergunning heeft aangevraagd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Het college weigert de aanvraag voor een vergunning indien: de voertuigen waarvoor een vergunning is aangevraagd niet voldoen aan een bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gestelde eis voor die betreffende voertuigen; de aanvrager op grond van de van toepassing zijnde verdelingsprocedure niet in aanmerking komt voor een vergunning; uit de statuten en het feitelijk handelen van de aanvrager blijkt dat de aanvrager het bedrijfsmatig aanbieden van voertuigen voor gebruik door derden niet als doelstelling heeft.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Het college kan nadere regels stellen die zien op: het stellen van indieningsvereisten voor de aanvraag voor een vergunning; het vaststellen van een voertuigenplafond per categorie of type voertuigen; het tijdelijk kunnen afwijken van het voertuigenplafond zodat tijdelijk meer voertuigen door bestaande aanbieders kunnen worden geëxploiteerd; het stellen van voorwaarden waaronder een vergunning wordt verleend; de wijze van verdeling van de vergunningen alsmede de toetsingscriteria hiertoe; het vaststellen van een tijdvak waarbinnen een vergunningaanvraag kan worden ingediend; het vaststellen van categorieën van voertuigen of voertuigtypen welke in aanmerking komen voor een vergunning.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>In afwijking van artikel 1:7 verleent het college de vergunning voor de duur van vijf jaar, tenzij het college bij de vergunning anders bepaalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>Het college besluit op een aanvraag voor een vergunning binnen 16 weken na de dag van ontvangst ervan. Indien er sprake is van een tijdvak waarbinnen de vergunningaanvraag dient te zijn ingediend, besluit het college binnen 16 weken na het sluiten van die termijn. Het college kan de beslissing op een aanvraag voor ten hoogste 8 weken verdagen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9.</span>Als voor het uitvoeren van openbare werken, in het kader van de openbare orde of veiligheid, in het geval van calamiteiten of evenementen of om enigerlei andere reden verwijdering van de voertuigen van een openbare plaats, al dan niet beperkt tot een bepaald gebied, noodzakelijk is, is vergunninghouder verplicht de deelvoertuigen binnen de door het bevoegde gezag gestelde termijn, te verwijderen en verwijderd te houden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">10.</span>Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.</div>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling2.Collecteren</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:13</span><span class=\"lf-art-t\">Inzameling van geld of goederen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: instellingen die zijn vermeld op het landelijke collecte rooster van het Centraal Bureau Fondsenwerving en die geld of goederen inzamelen in de aan hen door het Centraal Bureau Fondsenwerving toegewezen periode; in de gemeente Rotterdam gevestigde verenigingen en stichtingen, die krachtens statuten en activiteiten een doel nastreven dat van algemeen belang is en die geld of goederen inzamelen buiten de periodes die door het Centraal Bureau Fondsenwerving zijn toegewezen aan gecertificeerde instellingen en zich hebben gemeld bij de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling3.Venten</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:14</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder venten wordt niet verstaan: het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of artikel 5:22; het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-15-397\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:15</span><span class=\"lf-art-t\">Ventverbod</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid,de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden te venten op zondagen en maandag tot en met zaterdag tussen 21.00 uur en 09.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het verboden te venten op nader door het college aan te wijzen wegen, dagen of uren. Bij de aanwijzing van wegen, dagen of uren kan het college bepalen dat het verbod niet dan wel uitsluitend geldt voor het venten van producten of diensten die vallen in door hem aangewezen productcategorieën of categorieën van diensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-16-398\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:16</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijheid van meningsuiting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het verbod, bedoeld in artikel 5:15, eerste lid, geldt niet voor: het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet; het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; het te koop aanbieden, afleveren of verkopen van goederen op een door het college ingestelde markt, op een evenement waarvoor een vergunning geldt krachtens artikel 2:25, of op een standplaats waarvoor een vergunning geldt krachtens artikel 5:18.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4. Standplaatsen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:17</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder standplaats wordt niet verstaan: een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:25.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-18-399\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:18</span><span class=\"lf-art-t\">Standplaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een standplaatsvergunning wordt verleend voor de duur van vijf jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Een vergunning wordt alleen verleend aan natuurlijke personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Per persoon wordt voor dezelfde periode niet meer dan één vergunning verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Dit artikel is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-18a-400\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:18a</span><span class=\"lf-art-t\">Weigerings- en intrekkingsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 1:8 kan het college een standplaatsvergunning weigeren of intrekken: in het belang van de brandveiligheid; in het belang van de verkeersvrijheid of verkeersveiligheid; wegens strijd met het omgevingsplan; in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente; gelet op de ruimtelijke omstandigheden ter plaatse; gelet op de grootte of het uiterlijk van de verkoopinrichting; wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-19-401\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:19</span><span class=\"lf-art-t\">Toestemming rechthebbende</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[gereserveerd]</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:20</span><span class=\"lf-art-t\">[gereserveerd]</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-21-402\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:21</span><span class=\"lf-art-t\">Aanhoudingsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[gereserveerd]</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:21a</span><span class=\"lf-art-t\">Standplaatsvrije gebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan standplaatsvrije gebieden aanwijzen waar geen standplaatsvergunning wordt verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan ontheffing verlenen voor het innemen van een standplaats op een oppervlakte van niet meer dan 2 m² in een krachtens het eerste lid aangewezen gebied met een mobiele verkoopinrichting met een inhoud van niet meer dan 2 m3 voor de verkoop van goederen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan ontheffing verlenen voor het innemen van een standplaats in een krachtens het eerste lid aangewezen gebied voor de verkoop van: oliebollen van 15 oktober tot en met 15 januari; kerstbomen van 6 december tot en met 24 december; haring vanaf vlaggetjesdag tot 1 oktober; ijs van 1 april tot en met 30 september; verse sappen van 1 januari tot en met 31 december; of strandstoelen van 1 april tot en met 30 september.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de ontheffingen is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5:18, derde en vierde lid, en artikel 5:18a zijn van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-21b-403\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:21b</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht standplaatsvrije gebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien krachtens artikel 5:21a, eerste lid, een standplaatsvrij gebied wordt aangewezen, blijven de rechten van de houder van een eerder verleende standplaatsvergunning gedurende twee jaar na die aanwijzing onverlet, tenzij de vergunning op de gronden genoemd in artikel 5:18a eerder wordt geweigerd of is ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In een krachtens artikel 5:21a, eerste lid, aangewezen standplaatsvrij gebied kunnen door het college locaties worden aangewezen waarbinnen voor de verkoop van goederen, aan de houder voor wie ten tijde van het nemen van een aanwijzingsbesluit een standplaatsvergunning gold, ontheffing kan worden verleend voor het innemen van een standplaats met een mobiele verkoopinrichting van niet meer dan 4 m², met dien verstande dat de inhoud niet meer dan 10 m³ mag bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-21c-404\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:21c</span><span class=\"lf-art-t\">Inneming en ontruiming standplaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De vergunninghouder kan de standplaats uiterlijk een uur voor aanvang van de verkooptijd innemen en is verplicht de standplaats volledig te hebben ontruimd binnen een uur nadat de verkoop is beëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan voor standplaatsen voor de verkoop van oliebollen, kerstbomen of haring ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien de houder van een standplaatsvergunning een standplaats inneemt op een locatie waar tevens een B- of C-evenement, genoemd in het door het college op grond van artikel 2:24a vastgestelde evenementenoverzicht, plaatsvindt, is de houder van de standplaatsvergunning verplicht de mobiele verkoopinrichting op aangeven van het bevoegd gezag gedurende het evenement en gedurende de opbouw en afbraak van de bij het evenement behorende voorzieningen te verplaatsen naar een door het bevoegd gezag aangewezen locatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-21d-405\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:21d</span><span class=\"lf-art-t\">Standplaatsen grote voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder vergunning van het college met een voertuig dat een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, standplaats op een openbare en in de open lucht gelegen plaats in te nemen, teneinde in of vanuit dat voertuig aan het publiek diensten te verlenen of te verstrekken, of van het publiek goederen in ontvangst te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 5:18a en 5:21a zijn van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vergunning krachtens het eerste lid kan betrekking hebben op het innemen van een standplaats op verschillende plaatsen en op verschillende tijdstippen gedurende een bepaalde periode.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5.</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5. Snuffelmarkten</h3>\n<p class=\"lf-p\">[Vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:22</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[Het begrip snuffelmarkt valt op grond van deze verordening onder het begrip evenement]</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:23</span><span class=\"lf-art-t\">Organiseren van een snuffelmarkt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen] Afdeling6.Openbaar water</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:23a</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling, met uitzondering van de artikelen 5:29 (reddingsmiddelen), 5:30 (Veiligheid op het water) en 5:30a (Zwemmen en baden elders dan in zee), is niet van toepassing in de haven als bedoeld in artikel 1.2, in samenhang met artikel 1.1 van de havenverordening Rotterdam 2020.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-24-406\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:24</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruik van openbaar water</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:24</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruik van openbaar water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder vergunning van het college een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in, of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor door het college aangewezen categorieën van voorwerpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet met betrekking tot voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard, te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar kunnen veroorzaken voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kunnen vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Dit artikel is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Telecommunicatiewet, de Telecommunicatieverordening Rotterdam 2015 of de Havenverordening Rotterdam 2020.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-25-407\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:25</span><span class=\"lf-art-t\">Ligplaats vaartuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden in door het college aan te wijzen gebieden of perioden: met een vaartuig ligplaats in te nemen; met een vaartuig langer dan drie achtereenvolgende dagen ligplaats te hebben of te houden op dezelfde plaats of binnen een nader door het college te bepalen afstand, hemelsbreed gemeten, daarvan; met een vaartuig binnen drie dagen nadat het is verplaatst, opnieuw ligplaats in te nemen op dezelfde plaats of binnen een nader door het college te bepalen afstand, hemelsbreed gemeten, daarvan; met een vaartuig langer dan twee achtereenvolgende uren aan een winkelsteiger ligplaats te hebben of te houden tussen 9 uur en 20 uur; een vaartuig langer dan zes achtereenvolgende uren onbemand te laten; een vaartuig te verbouwen of onderhoud aan de buitenzijde van een vaartuig te verrichten, anders dan geringe herstel- of onderhoudswerkzaamheden, die redelijkerwijs niet langer dan een half uur duren; of in vaartuigen te overnachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De verboden gelden niet voor vaartuigen die liggen: in een haven; op grond van de eigenaar van het vaartuig, of in het daartoe behorende water, mits het niet meer dan twee vaartuigen betreft en de afstand tot de oever niet meer bedraagt dan tien meter.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Bij de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, kan het college bepalen dat het verbod niet dan wel uitsluitend geldt voor bepaalde categorieën van vaartuigen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-26-408\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:26</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzingen ligplaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[gereserveerd]</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:27</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod innemen ligplaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[gereserveerd]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-28-409\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:28</span><span class=\"lf-art-t\">Beschadigen van waterstaatswerken en oevers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde vaarten, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement of de provinciale omgevingsverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-29-410\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:29</span><span class=\"lf-art-t\">Reddingsmiddelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel, dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:30</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheid op het water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is een ieder die zich in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de provinciale omgevingsverordening of het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-30a-411\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:30a</span><span class=\"lf-art-t\">Zwemmen en baden elders dan in zee</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is, elders dan in zee, verboden in openbaar water te zwemmen of te baden, behalve op de plaatsen en onder de voorwaarden door het college aangegeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-31-412\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:31</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast aan vaartuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is niet-rechthebbenden verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-31a-413\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:31a</span><span class=\"lf-art-t\">Vaarverbod</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zich met een vaartuig te bevinden in door het college aangewezen openbaar water.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan vrijstelling of ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Op de aanvraag om een vrijstelling of ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-31b-414\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:31b</span><span class=\"lf-art-t\">Verzamelen van visvoer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder vergunning van het college vanuit een vaartuig in openbaar water wormen of insecten, wormachtige larven of insectenlarven dan wel ander natuurlijk visvoer te verzamelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling7.Strand en zee</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-32-415\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:32</span><span class=\"lf-art-t\">Motorvoertuigen, (brom)fietsen op strand en in duinterreinen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zich met motorvoertuigen, bromfietsen of fietsen op voor het publiek toegankelijke delen van het strand of van de duinen te bevinden. Het verbod geldt voor wat betreft bromfietsen en fietsen niet voor de als zodanig aangegeven fietspaden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod geldt niet voor fietsen gedurende door het college aangegeven perioden of tijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-33-416\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:33</span><span class=\"lf-art-t\">Rij- en trekdieren op het strand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zich met rij- of trekdieren op het strand te bevinden gedurende de door het college daartoe aangegeven omstandigheden, perioden of tijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In bijzondere gevallen kan het college ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-33a-417\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:33a</span><span class=\"lf-art-t\">Vaartuigen op en bij het strand en in de zee</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden: een vaartuig of een kitesurfuitrusting op het strand van Hoek van Holland of van het Noordzeestrand van de Maasvlakte 2 te brengen of te hebben; zich met een vaartuig te bevinden in de zee voor Hoek van Holland tussen het strand en de denkbeeldige lijn welke wordt gevormd door de boeien HvH 1, HvH 3 en HvH 5; zich met een vaartuig te bevinden in de zee voor het Noordzeestrand van de Maasvlakte 2 op een afstand van minder dan 150 meter vanaf de laagwaterlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de door het college aangewezen vaartuigen, perioden, tijden of gebieden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-33b-418\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:33b</span><span class=\"lf-art-t\">Zwemmen en baden in zee</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in zee te zwemmen of te baden aan het gedeelte van het strand, strekkende over een afstand van 100 meter in noordelijke richting vanaf het Noorderhoofd van de Nieuwe Waterweg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:33c</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod zich te bevinden op de blokken van de blokkendam</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zich te bevinden op de blokken van de blokkendam, welke gelegen is: tussen de Edisonbaai en het zandstrand van Maasvlakte 2; in het verlengde van de Noorderpier.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-33d-419\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:33d</span><span class=\"lf-art-t\">Gevaarlijke speelwerktuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op het strand, in zee of in de duinen speelwerktuigen zodanig te gebruiken, dat dit gevaar of hinder voor anderen oplevert of kan veroorzaken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-33e-420\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:33e</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijstellingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De in deze afdeling gestelde verboden gelden niet met betrekking tot voertuigen, fietsen, dieren en vaartuigen, ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de verantwoordelijke minister aangewezen hulpverleningsdiensten, de Koninklijke Nederlandse Reddingsmaatschappij en de Rotterdamse Vrijwillige Reddingsbrigade.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-33f-421\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:33f</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzen gebieden naaktrecreatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als geschikt voor naaktrecreatie worden aangewezen: een met borden aangegeven gedeelte van het Noordzeestrand op Maasvlakte 2 met een lengte van circa 1000 meter dat gelegen is direct ten noorden van de meest noordelijke strandopgang van het intensieve recreatiestrand. een met borden aangegeven gedeelte van het strandgedeelte te Hoek van Holland, gelegen tussen het verlengde van het slag Stuifkenszand en de gemeentegrens met 's-Gravenzande, gerekend ongeveer 30 meter ten noorden vanaf het verlengde van het Stuifkenszand en ongeveer 50 meter ten zuiden vanaf de gemeentegrens met ’s-Gravenzande; een met borden aangegeven gedeelte van het Strandbad aan de Kralingse Plas met een breedte van circa 100 meter en een diepte van circa 80 meter, gelegen aan de uiterste noordoostzijde van het Strandbad; een met borden aangeduid terrein aan de noord(oost)oever van de Zevenhuizerplas, voor de periode dat deze locatie deel uit maakt van het grondgebied van de gemeente Rotterdam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling8.Verbod vuur te stoken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-34-422\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:34</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in de open lucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod geldt niet voor zover het betreft: verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke, sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, vuur voor koken, bakken en braden, voor zover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving kan veroorzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid gestelde verbod geldt tevens voor de in het tweede lid, onder c, bedoelde handelingen gedurende door het college aangegeven perioden, tijden, of in door het college aangewezen gebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is niet van toepassing voor zover artikel 429, aanhef en onderdeel 1˚ of onderdeel 3˚, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening in het verbod voorziet.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 9. Verstrooiing van as</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:35</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:36</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden plaatsen voor incidentele asverstrooiing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Incidentele asverstrooiing is verboden: op gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen; op verharde delen van de weg; op kinderspeelplaatsen, ligweiden en openbare sport- en spelterreinen; op of vanaf bruggen, sluiscomplexen, steigers en remmingwerken; van 1 mei tot en met 30 september tussen 9 en 21 uur: in openbaar water dat niet door de beroepsvaart wordt gebruikt; in zee op een afstand van minder dan 300 meter van de laagwaterlijn; op het strand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan regels stellen, inhoudende een verbod as te verstrooien gedurende een daarbij aangegeven termijn op daarbij aangegeven andere plaatsen dan bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus, op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van de in het eerste lid, onder b tot en met e, gestelde verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-37-423\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:37</span><span class=\"lf-art-t\">Hinder of overlast</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 6. Straf-, overgangs- en slotbepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:1</span><span class=\"lf-art-t\">Strafbepaling</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak: artikel 2:1 (samenscholing en ongeregeldheden); artikel 2:1a (Straatintimidatie); artikel 2:6 (beperking verspreiden van voorwerpen voor handelsreclamedoeleinden); artikel 2:9 (straatartiest); artikel 2:10 (plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie van de weg); artikel 2:11 (omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg); artikel 2:12 (maken en veranderen van een uitweg); artikel 2:14 (winkelwagentjes); artikel 2:15 (hinderlijke beplanting of voorwerp); artikel 2:16 (openen straatkolken e.d.); artikel 2:18 (rookverbod in bossen en natuurgebieden); artikel 2:19 (gevaarlijk of hinderlijk voorwerp); artikel 2:21 (voorzieningen voor verkeer en verlichting); artikel 2:23 (veiligheid op het ijs); artikel 2:23a (slaapverblijf op de weg, in voertuigen en in kampeermiddelen); artikel 2:25 (evenementenvergunning); artikel 2:25a (0-evenementen); artikel 2:26 (openbare orde en veiligheid); artikel 2:28 (exploitatie openbare inrichting); artikel 2:29 (openings- en sluitingstijden); artikel 2:30 (sluiting van openbare inrichtingen); artikel 2:30a (aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder); artikel 2:30b (terrassen); artikel 2:30c (beëindiging exploitatie); artikel 2:30d (wijziging beheer); artikel 2:31 (verboden gedragingen) artikel 2:32 (handel in openbare inrichtingen); artikel 2:34c (beperking voor horecabedrijven en slijtersbedrijven); artikel 2:35 (sluiting voor het publiek openstaande gebouwen); artikel 2:36 (Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat); artikel 2:39a (vergunningplicht speelautomatenhal, aanvraag vergunning, intrekking vergunning) artikel 2:40 (kansspelautomaten); artikel 2:40a (gokken op de weg); artikel 2:41 (betreden gesloten woning of voor publiektoegankelijk lokaal); artikel 2:42 (plakken en kladden); artikel 2:43 (vervoer plakgereedschap e.d.); artikel 2:44 (vervoer inbrekerswerktuigen); artikel 2:44a (vervoer geprepareerde voorwerpen); artikel 2:45 (bescherming groenvoorzieningen); artikel 2:46 (rijden over bermen e.d.); artikel 2:47 (hinderlijk gedrag op of aan de weg);</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:47a (verbod gebieden en locaties) artikel 2:47b (groepsfietsen); artikel 2:48 (openlijk drankgebruik);</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:48a (lachgasverbod) [vervallen]; artikel 2:48b (alcoholoverlastgebied); artikel 2:49 (verboden gedrag bij of in gebouwen); artikel 2:50 (hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten); artikel 2:50a (messen en andere voorwerpen als wapen) [vervallen]; artikel 2:50b (verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties) [vervallen]; artikel 2:52 (overlast van fiets of bromfiets op markt- en kermisterreinen e.d.); artikel 2:53 (bespieden en heimelijk fotograferen/filmen van personen); artikel 2:57 (loslopende honden); artikel 2:58 (opruimplicht hondenuitwerpselen); artikel 2:59 (Gevaarlijke en hinderlijke honden); artikel 2:60 (houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren); artikel 2:60a (verbod voeren van dieren op openbare plaats of openbaar water); artikel 2:65 (bedelarij); artikel 2:72 (ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen); artikel 2:73 (Verbod gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling) artikel 2:74 (drugshandel op straat); artikel 2:74a (openlijk drugsgebruik); artikel 2:74b (weggooien van spuiten e.d.); artikel 2:77a (gebruik lasers); artikel 2:77b (wijkverboden); artikel 2:77c (stadionomgevingsverbod); artikel 2:80 (vergunning woningverhuur) [vervallen]; artikel 3:3 (vergunning); artikel 3:8 (eisen met betrekking tot vergunning); artikel 3:9a (sluiting van een seksinrichting); artikel 3:12 (sluitingstijden seksinrichtingen;aanwezigheid; toegang); artikel 3:13 (adverteren); artikel 3:14 (leeftijd en verblijfstitel prostituees); artikel 3:15 (bedrijfsplan); artikel 3:16 (verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder prostitutiebedrijf); artikel 3:17 (verbod raam- en straatprostitutie); artikel 4:4a (geluidsplafond); artikel 4:6 (geluidhinder algemeen); artikel 4:7 (straatvegen); artikel 4:8 (natuurlijke behoefte doen); artikel 4:9 (toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen); artikel 4:9a (gevelreiniging en –bewerking) Artikel 4:9b (verbod oplaten ballonnen) artikel 4:11g (herplant-/instandhoudingsplicht); artikel 4:11j (bestrijding iepziekte); artikel 4:11k (voorwerpen aan/in houtopstand); artikel 4:13 (opslag voertuigen, vaartuigen, caravans, mest, ingekuilde landbouwproducten e.d.); artikel 4:15 (handelsreclame op onroerende zaken); artikel 4:18 (nachtverblijf buiten kampeerterreinen); artikel 5:2 (parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.); artikel 5:3 (te koop aanbieden van voertuigen); artikel 5:4 (defecte voertuigen); artikel 5:5 (voertuigwrakken); artikel 5:6 (caravans, aanhangwagens e.d.);</p>\n<p class=\"lf-p\">artikel 5:7 (parkeren van reclamevoertuigen); artikel 5:8 (parkeren van grote voertuigen); artikel 5:10 (overlastgevend parkeren van voertuigen); artikel 5:11 (aantasting groenvoorzieningen door voertuigen); artikel 5:12 (overlastgevend stallen en hinderlijk parkeren van (brom)fietsen, fietswrakken;</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:12a</span><span class=\"lf-art-t\">(Vergunning deelmobiliteit)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">artikel 5:13 (inzameling van geld of goed); artikel 5:15 (venten); artikel 5:18 (standplaatsen); artikel 5:21a (standplaatsvrije gebieden); artikel 5:21c (inneming en ontruiming standplaatsen); artikel 5:21d (standplaatsen grote voertuigen); artikel 5:24 (gebruik van openbaar water); artikel 5:25 (ligplaats vaartuigen); artikel 5:28 (beschadigen van waterstaatswerken en oevers); artikel 5:29 (reddingsmiddelen); artikel 5:30 (gevaar of hinder door baden of zwemmen); artikel 5:30a (zwemmen en baden elders dan in zee); artikel 5:31 (overlast aan vaartuigen); artikel 5:31a (vaarverbod); artikel 5:31b (verzamelen van visvoer); artikel 5:32 (motorvoertuigen, (brom)fietsen op strand en in duinterreinen); artikel 5:33 (rij- en trekdieren op het strand); artikel 5:33a (vaartuigen op en bij het strand en in de zee); artikel 5:33b (zwemmen en baden in zee); artikel 5:33c (verbod zich te bevinden op de blokken van de blokkendam); artikel 5:33d (gevaarlijke speelwerktuigen). artikel 5:34 (verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken); artikel 5:36 (verboden plaatsen voor incidentele asverstrooiing); artikel 5:37 (Hinder of overlast); artikel 6:2, tweede lid (bevelsbevoegdheid).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Overtreding van het bepaalde in de artikelen 2:67 en 2:68 wordt gestraft overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 437 en 437ter van het Wetboek van Strafrecht.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10, tweede lid, 2:11, tweede lid onder a, 2:12, eerste lid, en 4:11, eerste lid.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2</span><span class=\"lf-art-t\">Toezicht en opsporing</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast: de door het college of de burgemeester aangewezen ambtenaren van het cluster stadsbeheer; andere door het college of de burgemeester aangewezen ambtenaren; ambtenaren van politie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a en onderdeel c, van de Politiewet 2012; ambtenaren van de Koninklijke Marechaussee ten aanzien van de directe omgeving van Rotterdam The Hague Airport.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Ambtenaren genoemd in het eerste lid, onder c en d, zijn bevoegd bij overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening en bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk worden geacht voor de handhaving van de openbare orde.</div>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk7.Overgangs- en slotbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-1-424\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:1</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking APV Rotterdam 2008</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2008 wordt ingetrokken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-425\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:2</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepalingen regelingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Door het bevoegde bestuursorgaan ter uitvoering van de APV Rotterdam 2008 vastgestelde regelingen berusten na het in werking treden van deze verordening op de overeenkomstige bepalingen daarvan zoals opgenomen in de bij deze verordening horende en daarvan deel uitmakende transponeringstabel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-3-426\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:3</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling vergunningen en ontheffingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Op een aanvraag om een vergunning of ontheffing krachtens de APV Rotterdam 2008, die is gedaan voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, wordt, totdat de beslissing daarop onherroepelijk is geworden, beslist overeenkomstig het ten tijde van de indiening van de aanvraag geldende recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Op een bezwaarschrift of beroep tegen een besluit, krachtens de APV Rotterdam 2008 genomen voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, wordt, totdat de beslissing daarop onherroepelijk is geworden, beslist overeenkomstig het ten tijde van het nemen van dat besluit geldende recht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-4-427\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:4</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2013, met uitzondering van artikelen 2:71 tot en met 2:73,die in werking treden op de eerste dag na de dagtekening van het gemeenteblad waarin het wordt geplaatst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-5-428\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:5</span><span class=\"lf-art-t\">Citeertitels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening wordt aangehaald als: a. Algemene plaatselijke verordening Rotterdam 2012; b. APV Rotterdam 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 11 oktober 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">De griffier, De voorzitter, J.G.A. Paans L.C. Bruijn, plv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit gemeenteblad is uitgegeven op 19 oktober 2012 en ligt op werkdagen van 8.30 tot 16.00 uur ter inzage bij het Kenniscentrum Bestuursdienst Rotterdam (KBR), locatie Stadswinkel Centrum, Coolsingel 40 (zijde Doelwater, tegenover hoofdbureau politie) (Zie ook: www.bds.rotterdam.nl – Gemeentebladen) Toelichting AlgemeenIn het Programma Economie en Arbeidsmarkt heeft het college als doelstelling opgenomen dat eind 2014 voor ondernemers in Rotterdam een reductie van de administratieve lasten met 15% zal zijn gerealiseerd. Een dergelijke lastenreductie kan onder andere plaatsvinden door vergunningen te schrappen of te vervangen door minder belastende regels. De APV Rotterdam 2008 kende, zelfs na de forse dereguleringslag die in 2008 is gemaakt, nog een flink aantal vergunningen en ontheffingen en is dus als het gaat om realisering van de target van 15%, een interessante optie. Omdat er sedert vier jaar op tal van terreinen wijzigingen zijn opgetreden, is er voor gekozen de APV in zijn geheel opnieuw vast te stellen. Daarbij is het landelijke model van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG) als uitgangspunt genomen, dit om op een aantal punten daadwerkelijk tot verdere deregulering te komen, maar ook om tot een APV te komen die zo veel mogelijk gelijkenis vertoont met de verordeningen die in omliggende gemeenten gelden. Dit geldt niet alleen voor de inhoud maar ook voor de nummering en de structuur van de verordening. Immers, voor regionaal opererende ondernemers, alsook voor politie en andere handhavers, biedt dit veel voordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens bleek het niet mogelijk of wenselijk het model onverkort te hanteren: een aantal artikelen blijft geënt op de APV Rotterdam 2008. Enerzijds vanwege de noodzaak maatwerk te kunnen bieden, omdat Rotterdam zo zijn eigen grotestadsproblematiek kent. Inherent hieraan is dat Rotterdam een op eigen leest geschoeid horeca- en evenementenbeleid heeft, een uitgekristalliseerde systematiek met betrekking tot het omgaan met het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg, eigen artikelen die zien op het voorkomen van drugsoverlast en in de APV opgenomen regelgeving met betrekking tot speelautomatenhallen (de VNG kent een apart model voor een speelautomatenhallenverordening).</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens is hoofdstuk 3 van de onderhavige APV, dat ziet op seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d. ongewijzigd ten opzichte van die in de APV Rotterdam 2008. Hoofdstuk 3 zal nader worden aangepast in het kader van de inwerkingtreding van de nieuwe Prostitutiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Rotterdamse APV kent voorts met betrekking tot het bewaren van houtopstanden een eigen systematiek van gemeentelijke en particuliere bomen in plaats van een bomenlijst. Voor de Rotterdamse systematiek geldt dat deze, net als de bomenlijst, is uitgewerkt met het oog op de vermindering van de administratieve lasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder heeft de gemeente Rotterdam een uitgebreidere regelgeving met het oog op het tegengaan van overlast door fietsen (parkexcessen) en een historisch gegroeide eigen aanpak met betrekking tot venten en standplaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anderzijds zijn artikelen uit de APV Rotterdam 2008 gehandhaafd, omdat Rotterdam in voorkomende gevallen heeft gekozen voor minder belastende regels dan in het model. Dit geldt voor artikel 2:3 (mondelinge kennisgeving van betogingen op openbare plaatsen in plaats van een schriftelijke kennisgeving), artikel 2:6 (in het kader van de beperking van het verspreiden van voorwerpen voor handelsreclamedoeleinden kent de Rotterdamse bepaling naast de mogelijkheid van ontheffing ook de mogelijkheid van een vrijstelling), artikel 2:9 (straatartiest: de Rotterdamse bepaling kent naast de mogelijkheid van ontheffing ook de mogelijkheid van een vrijstelling) en artikel 5:2 (Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.: het Rotterdamse artikel beperkt zich tot door het college aangewezen gebieden of perioden en is daardoor minder belastend).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een tweede aanleiding om tot wijziging van de APV over te gaan, is gelegen in de vaststelling van de Horecanota 2012– 016, op 3 juli 2012. Deze Horecanota vergt introductie van een aantal voorzieningen in de APV, zoals de tijdelijke exploitatievergunning voor leegstaande panden. Tevens komt een aantal artikelen te vervallen, waaronder de mogelijkheid tot het aanvragen van een ontheffing van de reguliere geluidsregels bij incidentele festiviteiten, het zgn “geluidje” (oud artikel 4.1.3) Tot slot is een aantal artikelen aangepast vanwege voortschrijdend inzicht, wijziging van de feitelijk te reguleren situatie, aanpassing aan gewijzigde landelijke regelgeving en zijn op een enkele plaats fouten hersteld. In het kader van wijziging van landelijke regelgeving kan worden gewezen op de herintroductie van de lokale vuurwerkvergunning, nodig vanwege het dusdanig dereguleren van de landelijke vergunning dat er in Rotterdam slechts één vergunningplichtig verkooppunt zou overblijven. De lokale vuurwerkvergunning koppelt een toelatingsregime aan een op langere termijn effect hebbende spreidingsbeleid, met als doel het woon- en leefklimaat in woonwijken te verbeteren door (een concentratie van) vuurwerkverkooppunten aldaar tegen te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt van de APV Rotterdam 2012 is dat Rotterdam zijn voortrekkersrol als gemeente die werk maakt van de aanpak van regeldruk wederom waarmaakt. Om dit te bewerkstelligen, is optimaal gebruik gemaakt van alle dereguleringssignalen die beschikbaar zijn, zoals landelijk bekende best practices, voorstellen van de Kamer van Koophandel en bevindingen van de Commissie vertrouwensbenadering over het differentiëren in de benadering van goede en slechte nalevers, zowel bij vergunningverlening als in de sfeer van toezicht en handhaving.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verordening bevat op een aantal punten minder belastende regels. Dit betreft onder andere: invoering van een meldingsplicht bij het wijziging van het beheer van horeca-inrichtingen, coffeeshops, sexinrichtingen.en speelautomatenhallen in plaats van wijziging van de vergunning; afschaffen van de vergunningplicht voor lokale inzamelaars van geld en goederen. In plaats daarvan wordt gewerkt met de digitale collectekalender;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hanteren van het uitgangspunt dat elke vergunning wordt verleend voor onbepaalde tijd; de indieningstermijn voor de toestemming om een activiteit te mogen verrichten is verruimd; vergunningvrije evenementen kunnen plaatsvinden op trottoirs en pleinen; een simpele variant van de horeca-exploitatievergunning is geïntroduceerd bij vestiging in leegstaande panden voor maximaal 6 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het moment van inwerkingtreding is nog niet exact aan te geven wat de kwantitatieve effecten in termen van 15% reductie zijn, omdat hiervoor de meting conform het standaard kostenmodel noodzakelijk is. Deze zal aan het eind van deze collegeperiode in 2014 worden uitgevoerd. Zeker is dat dan zal blijken dat bovengenoemde wijzigingen zullen bijdragen aan de gewenste reductie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">BegripsbepalingenIn dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn in de desbetreffende afdeling definities opgenomen. Over de definities kan het volgende worden opgemerkt Bebouwde kom De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is beperkt tot de bebouwde kom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bevoegd gezag Met het begrip “bevoegd gezag” wordt aangehaakt bij de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot toestemmingsverlening niet bij het college van burgemeester en wethouders, maar bij het college van gedeputeerde staten en in enkele gevallen bij een Minister. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast komt in de APV op verschillende plaatsen de term “bevoegd bestuursorgaan” voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het college van burgemeester en wethouders, ofwel de burgemeester.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperkingengebiedactiviteit Hierbij wordt verwezen naar de definitie in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, onder A. Een beperkingengebied is een bij of krachtens de wet aangewezen gebied waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. Een beperkingengebiedactiviteit is een activiteit binnen een beperkingengebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwwerk Hierbij wordt verwezen naar de definitie in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, onder A. Volgens genoemde bijlage wordt onder bouwwerk verstaan: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebouw Deze omschrijving is ontleend aan het (inmiddels vervallen) artikel 1, onderdeel c, van de Woningwet: “elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelsreclame In het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de vrijheid van meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband met het bepaalde in het eerste lid van artikel 7, dat zich volgens vaste jurisprudentie verzet tegen een vergunningstelsel voor de verspreiding van gedrukte stukken e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan een vergunningstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel niet in de weg. Onder het begrip “reclame” dient te worden verstaan: iedere vorm van openbare aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken tot “handelsreclame” heeft de in het vierde lid geformuleerde uitzondering slechts betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zin des woords en omvat zij elk aanbod van goederen en diensten, maar is zij niet van toepassing op reclame voor ideële doeleinden. Dit betekent niet dat handelsreclame helemaal niet beschermd wordt. Voorschriften voor handelsreclame zullen de toets aan artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR moeten kunnen doorstaan. Deze verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een vergunningstelsel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Openbaar water Een ‘'openbaar water” in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ieder water, dat open staat voor het publiek. “Openbaar” is hier dus synoniem aan “feitelijk voor het publiek toegankelijk”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Openbare plaats Hiervoor is aangehaakt bij de Wet openbare manifestaties (Wom). Artikel 1, eerste lid, van de Wom bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek. Deze definitie kent dus twee criteria. Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de memorie van toelichting zeggen “dat in beginsel eenieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats \"open staat\" betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de plaats”. Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen “openbare plaatsen”. Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip “openbare plaats”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op bestemming of vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door de gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”, aldus de memorie van toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 16).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wom zijn: openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de definitie van het begrip “openbare plaats” ook een aantal “besloten plaatsen” als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet kan omvatten, is in artikel 1, tweede lid, van de Wom expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 11-13, en nr. 6).</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechthebbende Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterschapsverordening De gemeente Rotterdam valt in het beheersgebied van drie verschillende waterschappen: het Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard, het Hoogheemraadschap van Delfland en het Waterschap Hollandse Delta. Afhankelijk van de locatie van de activiteit, moet worden bezien welke waterschapsverordening van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Weg Uit de begripsomschrijving van “openbare plaats” blijkt dat de weg daar onderdeel van uitmaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de wetgeving bestaan verschillende definities van het begrip “weg”: de “(Openbare) weg” in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de wetgever heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte. Een van de grondbeginselen van de Wegenwet is dat het verkeer op wegen die openbaar zijn in de zin van deze wet, het onbetwistbaar recht van vrij gebruik heeft (behoudens bepaalde beperkingen; zie hierna); de “weg” in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van de weg in te grijpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op of aan de weg Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden) gedragingen “op of aan de weg”. De term “aan de weg” duidt begripsmatig op een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen. Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt of afspeelt.’.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:2</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Awb is dat in het wettelijk voorschrift de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Zo kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is. In artikel 1:2 is de beslistermijn vastgesteld op vier weken (eerste lid). Tijdig beslissen is een rechtsplicht voor elk bestuursorgaan. Het merendeel van de aanvragen zal binnen vier weken kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. Op grond van het derde lid kan de beslistermijn worden verlengd met een duur van vier weken. Ook deze termijn hebben we op vier weken gesteld (tweede lid).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Awb verplicht tot kennisgeving aan de aanvrager van dit verlengingsbesluit. Indien de aanvrager meent dat de verlenging niet redelijk is, kan hij daartegen in bezwaar en beroep gaan. Artikel ; 4:14 schort de termijn niet op, het is alleen een 'beleefdheidsvoorschrift' om te laten weten dat de termijn niet gehaald wordt. Het is dus geen besluit In afwijking van het eerste lid is de beslistermijn acht weken bij de aanvrager op grond van een vergunning als bedoeld in de artikelen 2:28 en 2:39a of 5:18. Deze termijn is eenmaal – met berichtgeving aan de aanvrager – met acht weken te verlengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dienstenrichtlijn Op vergunningprocedures voor wat betreft diensten is artikel 13 van de Dienstenrichtlijn van toepassing. Het derde lid bepaalt dat de aanvraag binnen een redelijke, vooraf vastgestelde termijn wordt behandeld. De termijnen van artikel 1:2 voldoen daaraan. Artikel 13, derde lid, van de Dienstenrichtlijn bepaalt voorts dat de beslistermijn eenmaal door de bevoegde instantie mag worden verlengd, indien dit gerechtvaardigd wordt door de complexiteit van het onderwerp. Dit houdt in dat voor verlenging een stevige motivering is vereist met gebruikmaking van dit criterium. De verlenging en duur ervan worden met redenen omkleed vóór het verstrijken van de oorspronkelijke termijn ter kennis van de aanvrager gebracht. Het derde lid is een implementatie van deze verplichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsvergunningen Dit artikel is niet van toepassing op aanvragen om een omgevingsvergunning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorschriften en beperkingenIn literatuur en jurisprudentie is men het erover eens dat de bevoegdheid tot het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing ter vrije beslissing staat van het beschikkende orgaan. De voorschriften mogen uitsluitend strekken ter bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste van vergunning of ontheffing is gesteld. Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is deze intrekkingsbevoegdheid vastgelegd. De vraag of bij niet-nakoming van vergunningsvoorschriften bestuursdwang kan worden toegepast, wordt in het algemeen bevestigend beantwoord. Doordat in het tweede lid van artikel 1:4 naleving van deze voorschriften wordt omschreven als verplichting, wordt hierover alle onzekerheid weggenomen</p></div>", "next": 239165}